Verordening (EEG) nr. 1305/87 van de Raad van 11 mei 1987 tot instelling van een definitief anti-dumpingrecht op de invoer van bepaalde buitenboordmotoren van oorsprong uit Japan
Publicatieblad Nr. L 124 van 13/05/1987 blz. 0001 - 0004
***** VERORDENING (EEG) Nr. 1305/87 VAN DE RAAD van 11 mei 1987 tot instelling van een definitief anti-dumpingrecht op de invoer van bepaalde buitenboordmotoren van oorsprong uit Japan DE RAAD VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN, Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, Gelet op Verordening (EEG) nr. 2176/84 van de Raad van 23 juli 1984 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping of subsidiëring uit landen die geen lid zijn van de Europese Economische Gemeenschap (1), inzonderheid op artikel 14, Gezien het voorstel dat door de Commissie is ingediend na overleg in het kader van het in genoemde verordening bedoelde Raadgevend Comité, Overwegende hetgeen volgt: A. Procedure (1) Op 26 november 1985 heropende de Commissie het anti-dumpingonderzoek betreffende buitenboordmotoren van oorsprong uit Japan ingevolge een verzoek om herziening dat werd ingediend door producenten in de Gemeenschap die een groot deel van de buitenboordmotorenproduktie aldaar voor hun rekening nemen (2). Het verzoek om herziening bevatte bewijsmateriaal van nieuwe dumping en daaruit voortvloeiende nieuwe schade dat voor het heropenen van het onderzoek voldoende werd geacht. De produkten waarop het verzoek om een nieuw onderzoek betrekking heeft, zijn buitenboordmotoren van ten hoogste 63 kW (85 pk) van post ex 84.06 B van het gemeenschappelijk douanetarief, overeenkomende met NIMEXE-codes 84.06-10 en ex 84.06-12. (2) De Commissie heeft de haar bekende betrokken exporteurs en importeurs, de vertegenwoordigers van de uitvoerende landen en de indiener van de klacht hiervan officieel in kennis gesteld en de rechtstreeks betrokken partijen gelegenheid gegeven hun standpunt schriftelijk kenbaar te maken en desgevraagd mondeling toe te lichten. Op één na alle producenten in de Gemeenschap, de betrokken exporteurs en enkele importeurs alsmede twee bonden die scheepsbouwers en verbruikers vertegenwoordigen, hebben hun standpunt schriftelijk medegedeeld. Bovendien kregen één communautaire producent en alle betrokken exporteurs desgevraagd gelegenheid hun standpunt mondeling toe te lichten. (3) De Commissie heeft alle gegevens die zij nodig achtte, verzameld en geverifieerd en een onderzoek ingesteld ten kantore van: EEG-producenten: - Outboard Marine Belgium S.A., Brugge, België, - Outboard Marine Deutschland GmbH, Mannheim, Duitsland, - Outboard Marine France, Parijs, Frankrijk, - Outboard Marine UK, Northampton, Verenigd Koninkrijk, - Selva SpA, Tirano, Italië; Exporteurs: - Honda Motor Co, Tokio, Japan, - Suzuki Motor Co, Hamamatsu, Japan, - Tohatsu Corporation, Tokio, Japan, - Yamaha Motor Co, Hamamatsu, Japan; Importeurs: - Honda Deutschland GmbH, Offenbach, Duitsland, - Marine Power-Europe Inc, Verviers, België, - Suzuki Deutschland GmbH, Heppenheim, Duitsland, - Yamaha Motor Europe N. V., Uithoorn, Nederland, - Yamaha Motor France, Parijs, Frankrijk, - Yamaha Motor Netherlands, Uithoorn, Nederland, - Mitsui Machinery Sales (UK) Ltd, Chessington, Verenigd Koninkrijk. Het dumpingonderzoek had betrekking op de periode van 1 januari tot en met 31 oktober 1985. B. Omvang van het onderzoek (4) De Commissie stelde vast dat tijdens de periode van onderzoek verreweg de grootste producent in de Gemeenschap de produktie van buitenboordmotoren van meer dan 18,5 kW (25 pk) heeft gestaakt. De enige andere producent in de Gemeenschap die een klacht indiende, produceert betrekkelijk geringe hoeveelheden buitenboordmotoren van meer dan 18,5 kW en nam in 1985 minder dan 5 % van de totale produktie van deze motoren voor zijn rekening. De Commissie achtte het derhalve niet passend bij haar onderzoek buitenboordmotoren tot 63 kW (85 pk) te betrekken zoals in de aanvraag om een nieuw onderzoek was verzocht. (5) Het werd echter redelijk geacht bij het onderhavige onderzoek buitenboordmotoren tot 26 kW (35 pk) te betrekken, aangezien deze motoren wat motorcapaciteit, ontwerp, gewicht en technische kenmerken betreft zeer veel op die van 18,5 kW lijken. (6) Deze beperking van de omvang van het onderzoek kan worden bevestigd (zie ook overweging 29). C. Normale waarde (7) Voor Honda Motor Co en Yamaha Motor Co stelde de Commissie de normale waarde vast op basis van de werkelijk betaalde of te betalen binnenlandse prijzen bij normale handelstransacties voor het gelijksoortige produkt, aangezien werd aangetoond dat deze prijzen winstgevend waren. (8) Voor Suzuki Motor Co en Tohatsu Corporation bepaalde de Commissie de normale waarde op basis van de aangenomen waarde, aangezien de verkopen van deze twee ondernemingen op de binnenlandse markt geen voldoende basis vormden voor de berekening van de normale waarde. De aangenomen waarde werd bepaald door aan de produktiekosten een redelijk bedrag voor verkoop-, administratieve en andere algemene kosten en een redelijk geachte winstmarge toe te voegen. D. Prijs bij uitvoer (9) De prijzen bij uitvoer werden door de Commissie bepaald op basis van de werkelijk betaalde of te betalen prijzen voor de produkten die met het oog op uitvoer naar de Gemeenschap werden verkocht. (10) Wanneer werd uitgevoerd naar dochtermaatschappijen in de Gemeenschap, stelde de Commissie de prijzen bij uitvoer vast op basis van de prijzen waartegen het ingevoerde produkt voor het eerst werd wederverkocht aan een onafhankelijke afnemer, met de nodige aanpassingen om rekening te houden met alle tussen de invoer en de wederverkoop gemaakte kosten, met inbegrip van rechten en heffingen, alsmede van een winstmarge van 5 % die redelijk werd geacht aan de hand van de winstmarges van onafhankelijke importeurs van het betrokken produkt. E. Vergelijking (11) Bij het vergelijken van de normale waarde met de exportprijzen heeft de Commissie zo nodig rekening gehouden met verschillen die van invloed kunnen zijn op de vergelijkbaarheid van de prijzen, met name kortingen en rabatten, kredietvoorwaarden, kosten voor vervoer, verzekering, lading, verpakking en salarissen van verkopers. Met dergelijk verschillen werd rekening gehouden indien de verzoeken op dit gebied voldoende werden gestaafd. Alle vergelijkingen werden in het stadium af fabriek gemaakt en voor elke transactie afzonderlijk. F. Marges (12) Uit dit onderzoek van de feiten blijkt dumping te bestaan ten aanzien van alle betrokken exporteurs, waarbij de dumpingmarge gelijk is aan het verschil tussen de vastgestelde normale waarde en de prijs bij uitvoer naar de Gemeenschap. (13) Deze marges verschillen naar gelang van de exporteur, de invoerende Lid-Staat en de betrokken soort buitenboordmotor, waarbij de gewogen gemiddelde marge voor elk van de bij het onderzoek betrokken exporteurs het volgende beeld biedt: - Honda Motor Co: 16,2 %, - Suzuki Motor Co: 51,6 %, - Tohatsu Corporation: 43,3 %, - Yamaha Motor Co: 53,2 %, (14) Bovenstaande bevindingen met betrekking tot dumping kunnen worden bevestigd. G. Schade (15) Na een dumpingonderzoek te hebben uitgevoerd, stelde de Commissie in 1983 bij Verordening (EEG) nr. 1500/83 (1) vast dat de invoer met dumping van buitenboordmotoren van oorsprong uit Japan schade had berokkend aan de betrokken bedrijfstak van de Gemeenschap en dat beschermende maatregelen noodzakelijk waren. De Commissie aanvaardde vervolgens bij Besluit 83/452/EEG (2) verbintenissen die door de meeste betrokken exporteurs met het oog op het opheffen van de schade door vrijwillige prijsverhogingen van de uitgevoerde produkten waren aangegaan. Voor alle andere exporteurs werd bij Verordening (EEG) nr. 2809/83 van de Raad (3) een definitief anti-dumpingrecht ingesteld. (16) De Commissie stelde vast dat, hoewel deze maatregelen bijdroegen tot een verbetering van de positie van de producenten van buitenboordmotoren in de Gemeenschap in 1984, de situatie van deze industrie in 1985 weer verslechterde. Deze wordt nog steeds gekenmerkt door een lage bezettingsgraad, aanzienlijke verliezen en een hoge invoerpenetratie. (17) Met betrekking tot de door de invoer met dumping veroorzaakte nieuwe schade blijkt uit het de Commissie ter beschikking staande bewijsmateriaal meer in het bijzonder dat de invoer van buitenboordmotoren in de Gemeenschap uit Japan van 67 204 eenheden in 1983 tot 46 654 eenheden in 1984 daalde, doch in 1985 weer steeg tot 56 577 eenheden. Deze krachtige wederopleving komt neer op een stijging van 21 % in één jaar. (18) Tegelijkertijd daalde de afzet van buitenboordmotoren in de Gemeenschap van 161 209 eenheden in 1983 tot 127 959 eenheden in 1984, doch steeg weer tot 137 465 eenheden in 1985, dit wil zeggen met 7,4 %. Bijgevolg daalde het marktaandeel in de Gemeenschap van uit Japan ingevoerde buitenboordmotoren van 41,7 % in 1983 tot 36,5 % in 1984, doch steeg in 1985 weer tot 41,2 %. (19) Het marktaandeel van de producenten van buitenboordmotoren in de Gemeenschap steeg in de periode van drie jaar van 50,3 % tot 53,4 % doch daalde vervolgens weer tot 53,2 %. (20) Ten aanzien van de prijzen waartegen de invoer uit Japan met dumping in de periode van onderzoek in de Gemeenschap werd verkocht, werden slechts in enkele gevallen duidelijke voorbeelden van prijsonderbiedingen geconstateerd. Vastgesteld werd dat door het feit dat de invoer uit Japan weer een groter marktaandeel verkreeg, de bedrijfstak van de Gemeenschap niet in staat was zijn prijzen te verhogen boven de prijsniveaus die in de verbintenissen van 1983 waren aanvaard. Sinds 1984 blijken deze prijzen echter niet voldoende om de schade die door de producenten in de Gemeenschap is geleden, in belangrijke mate te verhelpen. (21) Bijgevolg bleef de industrie van buitenboordmotoren van de Gemeenschap verliezen lijden, die met name in 1985 nog toenamen. Voorts ging van 1983 tot 1985 de werkgelegenheid in deze bedrijfstak nog eens met 7 % achteruit en daalde zij opnieuw met 20 % ten gevolge van tijdens de periode van onderzoek reeds aan het personeel aangezegde ontslagen. (22) De Commissie heeft onderzocht of de schade werd veroorzaakt door andere factoren, met name door de omvang van de invoer van buitenboordmotoren uit andere derde landen. Vastgesteld werd echter dat deze invoer daalde van 12 964 eenheden in 1983 tot 7 612 eenheden in 1985, hetgeen een daling van het marktaandeel betekent van 8 % tot 5,6 %. De Commissie is derhalve tot de slotsom gekomen dat de gevolgen van de invoer met dumping van buitenboordmotoren van oorsprong uit Japan, afzonderlijk genomen, moeten worden geacht de betrokken bedrijfstak van de Gemeenschap aanzienlijke schade te hebben berokkend. (23) Met betrekking tot de schade kunnen bovenstaande bevindingen worden bevestigd. H. Belang van de Gemeenschap (24) Tijdens haar onderzoek ontving de Commissie opmerkingen van twee bonden die scheepsbouwers in twee Lid-Staten vertegenwoordigen. In deze opmerkingen werd in algemene bewoordingen gewaarschuwd tegen de negatieve gevolgen voor de scheepsbouwindustrie van enigerlei prijsverhoging van buitenboordmotoren. (25) De Commissie verzocht de beide bonden hun argumenten toe te lichten, in het bijzonder wat nauwkeurige cijfers betreffende bij voorbeeld de prijsverhogingen voor boten, de ontwikkeling van de prijsverhoudingen tussen boten en buitenboordmotoren, alsmede de financiële verliezen en de achteruitgang in de werkgelegenheid aangaat. In de daaropvolgende antwoorden werden dergelijke cijfers niet verstrekt, doch werd slechts de algemene bezorgdheid herhaald en op de ongunstige gevolgen van beschermende maatregelen voor importeurs en dealers van buitenboordmotoren gewezen. (26) De Raad heeft deze grotendeels niet gestaafde argumenten afgewogen tegen de ernstige moeilijkheden waarvoor de buitenboordmotorindustrie van de Gemeenschap nog staat en is tot de slotsom gekomen dat in het belang van de Gemeenschap maatregelen dienen te worden genomen. I. Verbintenissen (27) De betrokken exporteurs werden in kennis gesteld van de belangrijkste resultaten van het onderzoek en hebben hun opmerkingen dienaangaande kenbaar gemaakt. Vervolgens werden verbintenissen aangeboden door Honda Motor Co, Suzuki Motor Co, Tohatsu Corporation, waarbij inbegrepen verbintenissen die voor Marine Power Europe Inc en Nissan Motor Nederland BV namens Tohatsu Corporation werden aangeboden, en Yamaha Motor Co, waarbij inbegrepen een door Marine Power Europe Inc namens Yamaha Motor Co aangeboden verbintenis. Deze verbintenissen welke prijsverhogingen inhouden die voldoende zijn om de schade voor de bedrijfstak van de Gemeenschap op te heffen, zijn aanvaard bij Besluit 87/210/EEG van de Commissie (1). J. Definitief recht (28) Gezien bovengenoemde vaststellingen en gezien de mogelijkheid dat exporteurs waarmede thans geen verbintenissen zijn aangegaan het betrokken produkt naar de Gemeenschap kunnen uitvoeren, acht de Raad het passend het bij Verordening (EEG) nr. 2809/83 ingevoerde definitieve recht te handhaven. Uit het onderzoek is gebleken dat met het oog op een redelijke winst op de verkopen van de communautaire producenten prijsverhogingen tot 22 % voor uit Japan naar de Gemeenschap uitgevoerde buitenboordmotoren noodzakelijk zijn. Bijgevolg stelt de Raad vast dat het definitieve recht 22 % van de cif-prijs, niet ingeklaard, moet blijven. (29) Ingevolge een beperking van de reeks van modellen die door de bedrijfstak in de Gemeenschap is geproduceerd, is het bereik van dit onderzoek beperkt tot buitenboordmotoren van ten hoogste 26 kW (35 pk), als vermeld in de overwegingen 4 tot en met 6. Het definitieve recht geldt derhalve alleen voor buitenboordmotoren tot 26 kW (35 pk). (30) Gezien de nieuwe feiten die tijdens dit onderzoek zijn vastgesteld, dient Verordening (EEG) nr. 2809/83 door de onderhavige verordening te worden vervangen, HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD: Artikel 1 1. Op de invoer van buitenboordmotoren van ten hoogste 26 kW (35 pk) van post ex 84.06 B van het gemeenschappelijk douanetarief, overeenkomende met NIMEXE-codes 84.06-10 en ex 84.06-12, van oorsprong uit Japan, wordt een definitief anti-dumpingrecht ingesteld. 2. Het recht bedraagt 22 % van de cif-prijs, niet ingeklaard. 3. De invoer van buitenboordmotoren, vervaardigd en uitgevoerd door Honda Motor Co Ltd, Suzuki Motor Co Ltd, en Tohatsu Corporation, met inbegrip van onder de merknamen Mercury en Nissan ingevoerde buitenboordmotoren, alsmede door Yamaha Motor Company Ltd, met inbegrip van onder de merknaam Mariner ingevoerde buitenboordmotoren, zijn van het anti-dumpingrecht uitgesloten. 4. De voor douanerechten geldende bepalingen zijn van toepassing. Artikel 2 Verordening (EEG) nr. 2809/83 wordt ingetrokken. Artikel 3 Deze verordening treedt in werking op de dag van haar bekendmaking in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen. Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke Lid-Staat. Gedaan te Brussel, 11 mei 1987. Voor de Raad De Voorzitter M. EYSKENS (1) PB nr. L 201 van 30. 7. 1984, blz. 1. (2) PB nr. C 305 van 26. 11. 1985, blz. 3. (1) PB nr. L 152 van 10. 6. 1983, blz. 18. (2) PB nr. L 247 van 7. 9. 1983, blz. 18. (3) PB nr. L 275 van 8. 10. 1983, blz. 1. (1) PB nr. L 82 van 26. 3. 1987, blz. 36.