Verordening (EEG) nr. 1289/87 van de Commissie van 8 mei 1987 houdende instelling van een voorlopig anti-dumpingrecht op de invoer van ureum van oorsprong uit de Duitse Democratische Republiek, Joegoslavië, Koeweit, Libië, Saoedi-Arabië, de Sowjetunie, Trinidad en Tobago en Tsjechoslowakije
Publicatieblad Nr. L 121 van 09/05/1987 blz. 0011 - 0021
***** VERORDENING (EEG) Nr. 1289/87 VAN DE COMMISSIE van 8 mei 1987 houdende instelling van een voorlopig anti-dumpingrecht op de invoer van ureum van oorsprong uit de Duitse Democratische Republiek, Joegoslavië, Koeweit, Libië, Saoedi-Arabië, de Sowjetunie, Trinidad en Tobago en Tsjechoslowakije DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN, Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, Gelet op Verordning (EEG) nr. 2176/84 van de Raad van 23 juli 1984 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping of subsidiëring uit landen die geen lid zijn van de Europese Economische Gemeenschap (1), inzonderheid op artikel 11, Na overleg in het kader van het in de genoemde verordening bedoelde Raadgevend Comité, Overwegende hetgeen volgt: A. PROCEDURE (1) In juli 1986 ontving de Commissie een klacht die werd ingediend door het CMC-Engrais (het EEG-Comité van de stikstof- en fosfaatmeststoffenindustrie) namens producenten van ureum die gezamenlijk vrijwel de gehele communautaire produktie van het betrokken produkt verzorgen. De klacht bevatte bewijsmateriaal van dumping en daaruit voortvloeiende aanmerkelijke schade, dat voldoende werd geacht voor het inleiden van een procedure. De Commissie heeft derhalve door middel van een bericht in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen (2) de inleiding aangekondigd van een anti-dumpingprocedure betreffende de invoer in de Gemeenschap van ureum, vallende onder posten 31.02 B en ex 31.02 C van het gemeenschappelijk douanetarief, overeenkomende met NIMEXE-codes 31.02-15 en 31.02-80, van oorsprong uit de Duitse Democratische Republiek (DDR), Joegoslavië, Koeweit, Libië, Saoedi-Arabië, de Sowjetunie, Trinidad en Tobago en Tsjechoslowakije, en is met een onderzoek begonnen. De Commissie publiceerde eveneens een bericht (3) betreffende bijkomende beweringen van de klagers inzake de voorwaarden waaronder anti-dumpingmaatregelen met terugwerkende kracht kunnen worden genomen. (2) De Commissie heeft de, voor zover haar bekend, betrokken exporteurs en importeurs, de vertegenwoordigers van de uitvoerende landen en de indieners van de klacht hiervan officieel in kennis gesteld en de rechtstreeks betrokken partijen gelegenheid gegeven hun standpunt schriftelijk kenbaar te maken en te verzoeken om te worden gehoord. (3) De meesten van de bekende producenten, exporteurs en importeurs hebben hun standpunt schriftelijk medegedeeld. De producenten/exporteurs van de Duitse Democratische Republiek, Joegoslavië, Libië, Trinidad en Tobago en een aantal importeurs hebben verzocht te worden gehoord, hetgeen is toegestaan. (4) Namens afnemers van ureum in de Gemeenschap werden schriftelijke opmerkingen ingediend. (5) De Commissie heeft alle gegevens die zij met het oog op een voorlopige vaststelling nodig achtte ingewonnen en geverifieerd en zij heeft een onderzoek ingesteld ten kantore van: a) EEG-producenten: België Nederlandse Stikstof Maatschappij (NSM), Brussel (een dochteronderneming van Norsk Hydro); Frankrijk CDF Chimie AZF, Parijs, Compagnie Française de l'Azote (COFAZ), Parijs (sedert 1 februari 1986 een dochteronderneming van Norsk Hydro); Italië Agrimont SpA, Milaan (een dochter van Montedison), Enichem Agriculture, Milaan (een dochter van Enichem); Verenigd Koninkrijk Imperial Chemical Industries Ltd. PLC (ICI), Billingham. b) Niet-EEG-producenten/exporteurs Koeweit Petrochemical Industry Company (PIC), Koeweit (een dochter van Kuwait Petroleum Company); Saoedi-Arabië Al-Jubail Fertilizer Company (SAMAD), Al-Jubail, en Saudi-Arabian Fertilizer Company (SAFCO), Dammam, beide dochtermaatschappijen van Saudi Basic Industries Corporation (SABIC), Riyadh; Trinidad en Tobago National Energy Corporation of Trinidad and Tobago Ltd. (NEC), Point Lisas, en Fertilizers of Trinidad and Tobago Ltd. (FERTRIN), Point Lisas. (6) De Commissie heeft op haar verzoek van de communautaire producenten die de klacht hebben ingediend, de meeste exporteurs en het merendeel van de importeurs gedetailleerde schriftelijke gegevens ontvangen en deze gegevens, voor zover zulks nodig werd geacht, geverifieerd. (7) Het dumpingonderzoek had betrekking op het tijdvak van 1 juli 1985 tot en met 30 september 1986. B. DUMPING i) Normale waarde a) Saoedi-Arabië (8) De normale waarde werd voorlopig vastgesteld op basis van de binnenlandse prijzen van SAFCO, die gedurende de periode van onderzoek het door SAMAD vervaardigde ureum verkocht en voldoende bewijsmateriaal verstrekte. (9) Hiertoe werden de door SAFCO aan onafhankelijke afnemers berekende prijzen gebruikt. De Commissie heeft om de volgende redenen voor deze gedragslijn gekozen: Volgens artikel 2, lid 3, onder a), van Verordening (EEG) nr. 2176/84 dient de normale waarde gebaseerd te zijn op de bij normale handelstransacties werkelijk betaalde of te betalen prijzen; volgens artikel 2, lid 7, kan de Commissie de prijzen die bij transacties tussen geassocieerde ondernemingen worden berekend, buiten beschouwing laten, tenzij de betrokken prijzen en kosten vergelijkbaar zijn met die welke gelden bij transacties tussen partijen die niet een dergelijke band kennen. Aangezien er in dit geval geen verkopen van de vervaardigende onderneming (SAMAD) aan niet-geassocieerde derde partijen bestonden, kon de Commissie zich er niet van vergewissen dat de prijzen en kosten bij de verkopen tussen SAMAD en SAFCO overeenkwamen met die van transacties tussen niet-geassocieerde ondernemingen. Uit het gedurende het onderzoek overgelegde bewijsmateriaal bleek dat SAMAD en SAFCO een integrerend deel uitmaken van één concern (SABIC). Het feit dat zij juridisch afzonderlijke eenheden vormen doet niets af aan het bestaan van één enkele economische eenheid. Relevant is niet de juridische structuur, doch het feit dat SAFCO met betrekking tot het betrokken door SAMAD vervaardigde produkt optreedt als verkoopmaatschappij. (10) Aangezien de uitvoer naar de Gemeenschap gedurende het onderzochte tijdvak niet alleen bestond uit bewerkt, doch eveneens uit onbewerkt materiaal, werd het passend geacht de normale waarde voor elk van deze soorten afzonderlijk vast te stellen. b) Koeweit, Trinidad en Tobago (11) Bij het bepalen van de normale waarde diende de Commissie rekening te houden met het feit dat er van het soortgelijke produkt op de binnenlandse markt van deze landen geen verkopen van betekenis plaatsvonden. De Commissie besloot derhalve dat de normale waarde voor de producerende ondernemingen in deze landen op basis van de aangenomen waarde diende te worden bepaald. De aangenomen waarden werden bepaald door bij de produktiekosten een redelijke winstmarge te voegen. De produktiekosten werden berekend op basis van alle, zowel vaste als variabele, kosten in het kader van het normale handelsverkeer in het land van oorsprong, van materialen en vervaardiging, vermeerderd met een redelijk bedrag voor verkoop-, administratie- en andere algemene uitgaven. Met betrekking tot de producent in Koeweit werd een, gezien de eerdere resultaten van de onderneming, redelijk geachte winstmarge van 10 % bij deze kosten opgeteld. Met betrekking tot de producent in Trinidad en Tobago werd voorlopig een winstmarge van 7 % vastgesteld. Deze marge werd redelijk geacht aangezien de normale produktie eerst in 1985 begon en mede gezien de winstmarges geconstateerd bij exporteurs van het betrokken produkt in andere bij deze procedure betrokken landen. Deze marge werd bij de kosten opgeteld. De producent in Trinidad en Tobago verzocht de Commissie de afschrijving en waardevermindering uit te sluiten van de produktiekosten, aangezien hij de produktie van het betrokken produkt onlangs begonnen was en deze kosten derhalve niet mochten worden aangemerkt als te zijn gemaakt in het normale verloop van het handelsverkeer. Dit verzoek kan niet worden ingewilligd aangezien deze posten normale bestanddelen uitmaken van de produktiekosten van een onderneming in een land met markteconomie. Eveneens werd verzocht de financieringskosten met betrekking tot de de bouw van de fabriek uit te sluiten aangezien de Gemeenschap anders in strijd zou handelen met de artikelen 129 en 185 van de Derde Overeenkomst van Lomé. Op dit verzoek kan evenwel niet worden ingegaan omdat alleen rekening kan worden gehouden met de fase van ontwikkeling van het land van uitvoer wanneer onderzocht wordt welke maatregelen de meest geschikte zijn, doch niet wanneer moet worden nagegaan of dumping, waarvoor objectieve criteria moeten worden toegepast, heeft plaatsgevonden. Deze uitleg strookt met artikel 13 van de Overeenkomst inzake de toepassing van artikel VI van de GATT. c) Joegoslavië (12) Bij gebrek aan voldoende medewerking van de exporteur werd de normale waarde overeenkomstig artikel 7, lid 7, onder b), van Verordening (EEG) nr. 2176/84 voorlopig vastgesteld op basis van de beschikbare gegevens, met name de binnenlandse prijs die op de binnenlandse markt moet worden betaald als in de klacht aangevoerd. d) Libië (13) Bij gebrek aan voldoende medewerking van de exporteur werd de normale waarde overeenkomstig artikel 7, lid 7, onder b), van Verordening (EEG) nr. 2176/84 voorlopig vastgesteld op basis van de beschikbare gegevens, met name de in de klacht aangevoerde samengestelde waarde. De in de klacht voor de berekening van de aangenomen waarde aangehouden kosten werden door de Commissie voor zover mogelijk geverifieerd; zij werden redelijk bevonden. Dezelfde winstmarge als met betrekking tot de producent in Koeweit was toegepast, werd bij de kosten opgeteld. e) De Duitse Democratische Republiek, de Sowjetunie en Tsjechoslowakije (14) Ten einde vast te stellen of de invoer uit de Duitse Democratische Republiek, de Sowjetunie en Tsjechoslowakije met dumping plaatsvond, had de Commissie rekening te houden met het feit dat deze landen geen markteconomieën hebben: zij moest haar vaststellingen derhalve baseren op de normale waarde in een land met markteconomie. In dit verband hadden de indieners van de klacht de Oostenrijkse markt voorgesteld. (15) De meeste exporteurs en importeurs van het betrokken produkt van oorsprong uit genoemde drie landen maakten echter bezwaar tegen deze keuze. Voorts - ten einde een bijkomende administratieve belasting te vermijden - bepaalt de Commissie gewoonlijk de normale waarde in een van de landen met markteconomie die reeds bij de procedure zijn betrokken. Zij heeft derhalve de partijen uitgenodigd opmerkingen in te dienen aangaande de mogelijkheid om de normale waarde vast te stellen in één van de vijf landen met markteconomie die bij de onderhavige procedure waren betrokken en in het bijzonder Saoedi-Arabië, met betrekking tot welk land de klagers hadden voorgesteld de normale waarde op basis van de binnenlandse prijzen vast te stellen. De keuze van Saoedi-Arabië werd door een van de importeurs van het Sowjetprodukt betwist, hoofdzakelijk om de volgende redenen: i) door de binnenlandse prijzen in Saoedi-Arabië te kiezen zou de normale waarde hoger liggen dan de door de indieners van de klacht voorgestelde Oostenrijkse normale waarde; ii) de gebruikers van ureum in Saoedi-Arabië komen volgens deze importeur in aanmerking voor subsidies waardoor zij kunstmatig hoge prijzen kunnen betalen; iii) slechts een klein gedeelte van de produktie van ureum van Saoedi-Arabië wordt in het land zelf gebruikt. Deze argumenten worden evenwel verworpen aangezien: i) een door de klagers voorgestelde normale waarde slechts één van de elementen is die door de Commissie worden overwogen wanneer het passende land met markteconomie wordt gekozen; ii) er geen bewijsmateriaal werd ingediend waaruit bleek dat voor de gebruikers in Saoedi-Arabië subsidies gelden of dat de prijzen om deze reden in Saoedi-Arabië kunstmatig hoog zouden zijn; iii) geconstateerd werd dat er geen wanverhouding bestaat tussen de op de binnenlandse markt in Saoedi-Arabië verkochte hoeveelheid ureum enerzijds, en de naar de Gemeenschap uitgevoerde hoeveelheid, of wat dat aangaat de uitgevoerde hoeveelheid in het algemeen, anderzijds. (16) De Commissie was van oordeel dat voor de doeleinden van deze verordening inzake een voorlopig recht, Saoedi-Arabië in dit geval een passend en niet onredelijk land van vergelijking in de zin van artikel 2, lid 5, van Verordening (EEG) nr. 2176/84 is, en wel om de volgende redenen: i) Saoedi-Arabië is niet een bijzonder beschermde markt, aangezien er op de invoer van ureum, althans op ureum van oorsprong uit de Gemeenschap, geen douanerechten worden geheven; ii) de in Saoedi-Arabië voor door SAMAD vervaardigd ureum gerekende prijzen stonden niet in een onredelijke verhouding tot de produktiekosten; iii) het produkt van oorsprong uit Saoedi-Arabië is vergelijkbaar met het produkt van oorsprong uit de betrokken landen met staatshandel; iv) volgens de beschikbare gegevens bestaan er geen aanmerkelijke verschillen in technologie en produktieprocessen die tot aanzienlijke verschillen in de produktiekosten in Saoedi-Arabië en in de andere drie betrokken landen zouden kunnen leiden; v) tevens werd geconstateerd dat de aard van de grondstof, met name gas, gebruikt voor de produktie van ammonia waarvan ureum is afgeleid en die gewoonlijk minstens 50 % uitmaakt van de produktiekosten, vergelijkbaar is. In zoverre de eventuele voordelen die kunnen voortvloeien uit het feit dat de landen van uitvoer hun eigen gasvoorraden bezitten, tot uiting kunnen komen in de verkoopprijzen van ureum, wordt de keuze van Saoedi-Arabië passend geacht aangezien zowel Saoedi-Arabië als de Sowjetunie in deze positie verkeren. Met betrekking tot de Duitse Democratische Republiek en Tsjechoslowakije, die niet over dergelijke natuurlijke hulpbronnen beschikken, wordt deze keuze geacht in hun voordeel te zijn. ii) Prijzen bij uitvoer (17) De prijzen bij uitvoer werden in het algemeen bepaald op basis van de werkelijk betaalde of te betalen prijzen voor produkten die met het oog op uitvoer naar de Gemeenschap werden verkocht. Met betrekking tot de uitvoer naar de Gemeenschap van het produkt van oorsprong uit de Sowjetunie werd geconstateerd dat het merendeel geschiedde via een dochteronderneming in de Gemeenschap. De uitvoerprijs wordt ingevolge artikel 2, lid 8, onder b), van Verordening (EEG) nr. 2176/84 in dergelijke omstandigheden gewoonlijk samengesteld op basis van de prijs waartegen het ingevoerde produkt voor het eerst aan een onafhankelijke afnemer wordt doorverkocht. Het wordt voor een voorlopige vaststelling en in afwachting van een toekomstig onderzoek in de onderneming van de importeur evenwel voldoende geacht de uitvoerprijs voor deze transacties vast te stellen op basis van de door de importeur aan de exporteur betaalde factuurwaarde. In dit opzicht is er reden om aan te nemen dat de gefactureerde prijzen niet wezenlijk afwijken van het niveau dat door samenstelling van de prijs bij uitvoer zal worden bereikt. Met betrekking tot de uitvoerprijzen die voor leveringen naar de Gemeenschap worden gerekend, betoogden verscheidene exporteurs dat zij geen andere keuze hadden dan te verkopen tegen de door de Commissie bij het onderzoek geconstateerde lage prijzen, als gevolg van het over de gehele wereld heersende gedrukte prijspeil voor dit produkt. Wat dit aangaat heeft de Commissie tegenstrijdige informatie ontvangen waaruit bleek dat de prijzen buiten de Gemeenschap soms hoger en soms lager dan binnen de Gemeenschap lagen. Hoe dit ook zij, het feit dat de prijzen voor enig produkt buiten de Gemeenschap onder druk staan, vormt geen enkele rechtvaardiging voor de exporteurs om hun produkten binnen de Gemeenschap tegen dumpingprijzen te verkopen. Of door dergelijke invoer aanzienlijke schade wordt veroorzaakt is een andere vraag, welke hierna aan de orde komt. iii) Vergelijking (18) Bij het vergelijken van de normale waarde met de prijzen bij uitvoer heeft de Commissie zo nodig rekening gehouden met verschillen die van invloed kunnen zijn op de vergelijkbaarheid van de prijzen. Voor zover het verschillen in verkoopvoorwaarden betreft, werden de correcties beperkt tot die verschillen die een rechtstreeks verband hielden met de betrokken verkopen, zoals kredietvoorwaarden, bankkosten, kosten voor vervoer, verzekering, commissies, verpakking, en lading en overlading. (19) Verzoeken om andere correcties, zoals salarissen van verkopers, technische bijstand, reclamekosten en opslagkosten, werden in dit stadium van de procedure niet ingewilligd aangezien er geen ondersteunend materiaal of afdoend bewijs werd overgelegd waaruit bleek dat verschillen in kosten rechtstreeks verband hielden met de betrokken verkopen. (20) De vergelijking van de prijzen bij uitvoer met de normale waarde heeft op de volgende grondslag plaatsgevonden: 1.2 // Saoedi-Arabië: // af-pakhuis // Koeweit, Trinidad en Tobago: // fob // Joegoslavië, Libië, Tsjechoslowakije, Duitse Democratische Republiek en de Sowjetunie: // af-fabriek iv) Dumpingmarges (21) De dumpingmarge werd voor elke exporteur berekend als het bedrag dat de vastgestelde normale waarde hoger was dan de prijs voor elke uitvoertransactie naar de Gemeenschap. Uit het voorlopige onderzoek van de feiten bleek het bestaan van dumping met betrekking tot de bij deze procedure betrokken producenten/exporteurs. (22) Deze marges lopen uiteen naar gelang van de exporteur, waarbij de gewogen gemiddelde marge voor elk der onderzochte exporteurs als volgt is: 1.2 // // % // a) Saoedi-Arabië // // SAMAD: // 61 // b) Koeweit // // PIC: // 45 // c) Trinidad en Tobago // // NEC: // 43 // d) Joegoslavië // // INA: // 78 // e) Libië // // NAPETCO: // 69 // f) Tsjechoslowakije // // Petrimex: // 40 // g) Duitse Democratische Republiek // // Chemie-Export-Import: // 59 // h) Sowjetunie // // Sojuzpromexport: // 63. C. SCHADE (23) Met betrekking tot de door de invoer met dumping berokkende schade blijkt uit het de Commissie ter beschikking staande bewijsmateriaal dat de invoer van ureum in de Gemeenschap uit de Duitse Democratische Republiek, Joegoslavië, Koeweit, Libië, Saoedi-Arabië, de Sowjetunie, Trinidad en Tobago en Tsjechoslowakije van 89 965 ton in 1984 tot 298 595 ton in 1985 is gestegen, dus met 232 %. Gedurende de eerste negen maanden van 1986 bedroeg deze invoer 713 621 ton. Aangenomen dat de invoer gedurende de laatste drie maanden van 1986 in hetzelfde tempo is verlopen, zou de invoer uit deze landen 951 496 ton hebben bedragen en een stijging van nog eens 219 % in 1986 vergeleken met 1985 te zien hebben gegeven. De invoer (in ton) uit elk van de bij deze procedures betrokken landen is tussen 1984 en 1986 (aannemende dat de invoer in de laatste drie maanden van 1986 in dezelfde mate is toegenomen als in de eerste negen maanden van 1986) als volgt gestegen: 1.2.3.4 // // // // // // 1984 // 1985 // 1986 // // // // // Tsjechoslowakije // 34 257 // 33 621 // 41 269 // Duitse Democratische Republiek // 33 771 // 26 180 // 96 365 // Koeweit // - // 11 212 // 62 279 // Libië // 2 188 // 15 252 // 243 158 // Saoedi-Arabië // - // 20 000 // 147 300 // Sowjetunie // 4 000 // 140 000 // 194 667 // Trinidad en Tobago // - // 30 209 // 126 495 // Joegoslavië // 15 749 // 22 121 // 39 963 // // // // (24) Deze ontwikkeling zou een toeneming van het marktaandeel van deze landen in de Gemeenschap betekenen van 2,32 % in 1984 tot 7,28 % in 1985 en tot 20 % in 1986. Indien de hoeveelheid door de EEG-producenten vervaardigd ureum bestemd voor niet-onafhankelijke gebruikers, wordt afgetrokken van het totale verbruik in de Gemeenschap, betekent deze ontwikkeling een toeneming in marktaandeel van de gedumpte invoer van 3,29 % in 1984 tot 10,15 % in 1985 en tot 26,00 % in 1986. Indien deze ontwikkeling wordt gerelateerd aan het gebruik van ureum alleen al in de sector landbouw en aannemende dat 90 % van de gedumpte invoer in deze sector wordt verkocht, betekent een dergelijke ontwikkeling een toeneming in marktaandeel van 3,85 % in 1984 tot 11,55 % in 1985 en 28,74 % in 1986. (25) Er werd door verschillende partijen aangevoerd dat bij een beoordeling van de gevolgen van de gedumpte invoer voor de bedrijfstak van de Gemeenschap rekening moest worden gehouden met het feit dat de EEG-producenten zelf een deel van de gedumpte invoer aankochten. Wat dit betreft werd geconstateerd dat gedurende het onderzoektijdvak ongeveer 80 000 ton ureum van oorsprong uit de Duitse Democratische Republiek, Libië, Trinidad en Tobago en de Sowjetunie al dan niet rechtstreeks door EEG-producenten van ureum was ingevoerd. a) Gedurende het onderzoektijdvak kochten de Franse producenten rond 40 000 ton van de gedumpte produkten aan. Deze transacties vonden voornamelijk plaats omdat een van de producenten zijn voornaamste fabriek in 1985 voor negen maanden had gesloten ten einde de efficiëntie daarvan te verbeteren - waardoor onvoldoende materiaal beschikbaar was voor de toelevering aan de binnenlandse afnemers. Volgens de Franse producenten hadden zij tevens willen voorkomen dat enkele hunner klanten op een andere toeleveringsbron zouden overstappen. Volgens de gegevens die de Commissie ter beschikking staan waren de wederverkoopprijzen van het ingevoerde produkt ongeveer gelijk aan de door de producenten voor hun eigen produkt berekende prijzen. b) De Italiaanse producenten kochten de totale hoeveelheid ureum van oorsprong uit de Sowjetunie die Italië gedurende het onderzoektijdvak binnenkwam, wat neerkwam op 16 881 ton. Ongeveer 4 500 ton van deze hoeveelheid werd aan vaste afnemers doorverkocht tegen prijzen die duidelijk lager waren dan de verkoopprijzen die voor het in Italië vervaardigde produkt werden berekend. Voor de resterende hoeveelheid waren de wederverkoopprijzen ongeveer gelijk aan die welke voor het in Italië vervaardigde en verkochte produkt werden berekend. c) In 1986 had de Portugese producent van ureum 17 182 ton van het betrokken produkt van oorsprong uit Libië aangekocht, alsook ongeveer 6 000 ton ureum van oorsprong uit de Duitse Democratische Republiek. Reden voor deze transacties was een omvangrijke storing in de fabriek van deze producent. (1) PB nr. L 201 van 30. 7. 1984, blz. 1. (2) PB nr. C 254 van 11. 10. 1986, blz. 3. (3) PB nr. C 34 van 12. 2. 1987, blz. 3. De Commissie heeft onder deze omstandigheden en voor de doeleinden van deze verordening inzake een voorlopig recht besloten dat de Franse en Italiaanse producenten die het gedumpte produkt hadden ingevoerd en doorverkocht, niet hoefden te worden afgezonderd van de door de invoer met dumping getroffen bedrijfstak van de Gemeenschap. De hoeveelheid die door deze producenten werd ingevoerd en doorverkocht is slechts een gering aandeel (van onderscheidenlijk 0,33 % en 3,8 % in 1985 en de eerste negen maanden van 1986) van de totale verkopen van voor de landbouw bestemd ureum van de EEG-producenten die de klacht hadden ingediend, en slechts een gering gedeelte, overeenkomend met onderscheidenlijk 0,14 % en 1,44 % van het totale verbruik in de Gemeenschap, werd tegen bijzonder lage prijzen wederverkocht. De Commissie erkent dat als er door deze laaggeprijsde verkopen al schade aan EEG-producenten werd berokkend, zij deze schade aan zichzelf hadden toegebracht. Gezien het beperkte belang van de betrokken transacties, is dit niet van invloed op de hoogte van het voorlopige recht. In zoverre het merendeel van deze invoer werd doorverkocht tegen prijzen die overeenkwamen met de eigen prijzen van de producenten, werd aan de EEG-producenten zelf geen schade toegebracht. Aangezien evenwel de Portugese producent in 1986 zelf geen produktie van betekenis had gerealiseerd, wordt het passend geacht deze onderneming van de schadebeoordeling uit te sluiten. Er werd tevens aangevoerd dat rekening moest worden gehouden met het feit dat een deel van de invoer van het in Frankrijk gedumpte produkt werd verricht door SIPA, aangezien deze importeur, naar beweerd werd, banden had met de Franse producenten. Er werd evenwel geconstateerd dat de Franse producenten aanmerkelijk minder dan 50 % van het aandelenkapitaal van deze onderneming in handen hebben (de verbruikers en importeurs te zamen bezitten meer dan 50 % van de aandelen). (26) Geconstateerd werd dat, aannemende dat de tendens van de eerste negen maanden zich gedurende de laatste drie maanden van 1986 had doorgezet, tussen 1984 en 1986 het verbruik van ureum in de Gemeenschap op de vrije markt met 33,7 % en het verbruik voor landbouwdoeleinden met 41,6 % steeg. Bij een onderzoek naar de invloed daarvan op de markt van de Gemeenschap werd geconstateerd dat de totale produktie van ureum van ongeveer 5 567 000 ton in 1984 tot 4 870 000 ton in 1985 en tot 4 313 000 ton in 1986 terugliep (aannemende dat de produktietrend van de eerste negen maanden van 1986 gedurende de laatste drie maanden van 1986 zou aanhouden), dus met onderscheidenlijk 12,5 % in 1985 en 11,4 % in 1986. De produktie van ureum dat voor de vrije markt beschikbaar was liep van naar schatting 4 415 321 ton in 1984 terug tot naar schatting 3 710 000 ton in 1985 en naar schatting 3 228 000 ton in 1986, steeds aannemende dat de produktietrend de eerste negen maanden van 1986 in de resterende maanden van 1986 zou aanhouden. Deze ontwikkeling zou in vergelijking met de voorafgaande jaren een vermindering van onderscheidenlijk 16 % en 13 % in 1985 en 1986 inhouden. (27) De benuttingsgraad van de capaciteit in de EEG-bedrijfstak daalde van ongeveer 85 % in 1984 tot ongeveer 77 % in 1985 en vervolgens tot ongeveer 66 % in 1986. Afzonderlijke gegevens aangaande de capaciteitsbenutting met betrekking tot de produktie van ureum alleen voor de vrije markt, waren niet beschikbaar. (28) De totale verkopen in de Gemeenschap van in de Gemeenschap vervaardigd ureum stegen van ongeveer 3 587 000 ton in 1984 tot ongeveer 3 615 000 ton in 1985. In 1986 daalden zij tot ongeveer 3 461 000 ton (aannemende dat de tendens van de eerste negen maanden van 1986 in de laatste drie maanden van 1986 zou aanhouden, dus tot een peil dat 3,5 % onder dat van 1984 lag. De verkopen van de EEG-producenten van ureum dat voor de vrije markt in de Gemeenschap bestemd was, liepen terug van 2 435 771 ton in 1984 tot 1 782 315 ton in de eerste negen maanden van 1986. Aannemende dat de trend van de verkopen van de eerste negen maanden van 1986 in de resterende drie maanden van 1986 gelijk zou blijven, zouden de verkopen in 1986 2 376 420 ton hebben bedragen, hetgeen overeenkomt met een afneming van 2,44 % vergeleken met 1984. De verkopen van ureum voor landbouwdoeleinden bleven voor deze ondernemingen over hetzelfde tijdvak stabiel. De verkopen van de EEG-producenten van ureum buiten de Gemeenschap vielen terug van ongeveer 1 901 000 ton in 1984 tot ongeveer 1 492 000 ton in 1985 en ongeveer 728 000 ton in 1986 (aannemende dat de tendens van de eerste negen maanden in de laatste drie maanden zou aanhouden). Deze tendens was evenwel niet van invloed op de produktiekosten die als grondslag voor de berekening van het anti-dumpingrecht werden gebruikt. (29) Het aandeel van de vrij beschikbare ureummarkt van de EEG-producenten bedroeg in 1984 89,15 %. In 1985 daalde het tot 83,47 % en in de eerste negen maanden van 1986 daalde het verder, tot ongeveer 65 %. Het marktaandeel van ureum voor landbouwdoeleinden daalde voor deze producenten van 87,32 % in 1984 tot 81,18 % in 1985 en 61,46 % in de eerste negen maanden van 1986. In Frankrijk en Italië, welke landen vóór de toetreding van Spanje en Portugal tot de Gemeenschap de voornaamste markten voor landbouwureum vormden, viel het aandeel van de EEG-producenten op de markt voor landbouwureum onderscheidenlijk terug van 97,35 % tot 81,49 % en van 89,54 % tot 72,10 % tussen 1984 en 1986. (30) Wat de prijzen en winstgevendheid betreft, achtte de Commissie het dienstig de volgende factoren na te gaan: i) de ontwikkeling van de verkoopprijzen waartegen de klagende producenten gedurende het gehele tijdvak van 1 juli 1985 tot en met 30 september 1986 in de Gemeenschap ureum hadden verkocht; ii) de relaties tussen deze prijzen, de produktiekosten van de EEG-producenten van ureum in deze periode en de winstgevendheid met betrekking tot hun verkopen van ureum in de Gemeenschap; iii) de verhouding tussen de prijzen die door de klagende producenten werden gerekend en de prijzen waartegen de gedumpte produkten in de Gemeenschap werden verkocht. Aangezien een groot aantal importeurs gedurende het onderzoek geen medewerking aan de Commissie verleende, was het moeilijk het globale peil van prijsonderbieding van de gedumpte invoer te berekenen. De gewogen gemiddelde marges werden derhalve voorlopig berekend op basis van de beschikbare gegevens, met name de prijzen bij uitvoer vermeerderd met invoerheffingen, een redelijke winstmarge voor de importeur en andere kosten. Zowel in Italië als in Frankrijk werden aanzienlijke marges van prijsonderbieding vastgesteld (zie punten 31 en 32). Aangezien naar schatting 90 % van de gedumpte invoer ten behoeve van de landbouw werd verkocht, werden de gegevens op de eerste plaats onderzocht met betrekking tot de EEG-producenten die ureum afzetten op de traditionele markten van landbouwureum, met name Italië en Frankrijk, en die gedurende het onderzoek in voldoende mate medewerking aan de Commissie verleenden. Deze producenten verzorgden in 1985 meer dan 50 % van de verkopen van landbouwureum dat door EEG-producenten in Italië en Frankrijk was vervaardigd. Op de tweede plaats heeft de Commissie eveneens, waar dienstig, onderzocht in welke mate de gedumpte invoer van invloed was op de prijzen van ureum dat voor technische toepassingen, voornamelijk voor de produktie van lijmen en kunstharsen, wordt aangewend. (31) Italië a) De markt voor landbouwureum In 1985 bedroeg het verbruik op deze markt ongeveer 1 000 000 ton, hetgeen ongeveer 52 % van het totale verbruik van landbouwureum in de Gemeenschap in haar samenstelling tot en met 31 december 1985 uitmaakte. De Italiaanse overheid stelt gewoonlijk CIP-prijzen vast (CIP = Comitato Interministeriale Prezzi) zijnde maandelijkse maximum-verkoopprijzen, voorafgaande aan of aan het begin van het landbouwjaar (juni/mei), op basis van gegevens met betrekking tot de ontwikkeling van de produktiekosten voor ureum die door de Italiaanse producenten worden voorgelegd. De prijsstructuur is gewoonlijk als volgt: i) voor de maanden november en december wordt een basisprijs vastgesteld; ii) aangezien in het tijdvak juni-oktober het verbruik van ureum laag is, worden de prijzen op een lager niveau vastgesteld dan de basisprijs ten einde de gebruikers aan te moedigen het produkt eerder aan te kopen en dit zelf op te slaan; iii) aangezien de vraag naar en het verbruik van ureum van januari tot en met mei hoog is, worden de prijzen dan boven de basisprijs vastgesteld. Er werd geconstateerd dat de marktprijzen voor het grootste deel van het tijdvak 1 juli 1985 tot en met 30 september 1986 sterk afweken van de voor elk van de betrokken maanden vastgestelde CIP-prijzen. Met betrekking tot een van de twee Italiaanse producenten van ureum met een aanzienlijk marktaandeel in Italië werd geconstateerd dat zijn maandelijks gemiddelde netto-factuurwaarde (vóór kortingen) tussen juli 1985 en juni 1986 met ongeveer 15 % was teruggelopen. Ook werd geconstateerd dat de gewogen gemiddelde marge van prijsonderbieding schommelde tussen 15 % en 21 % en dat de betrokken EEG-producent verplicht was kortingen te geven waarvan de bedragen in de loop van dit tijdvak gedurig toenamen. In de periode 1 juli 1985 tot en met 30 juni 1986 vertegenwoordigden deze kortingen voor in klontjes of in korrels aangeboden ureum in totaal onderscheidenlijk 18,3 % en 22,6 % van de totale netto-factuurwaarde. Dientengevolge zakten de nettoprijzen voor in klontjes of in korrels aangeboden ureum, na kortingen, in hetzelfde tijdvak met respectievelijk 31 % en 32 %. Met betrekking tot de ontwikkeling van de produktiekosten (per eenheid) van deze onderneming werd geconstateerd dat deze in 1985 15 % hoger waren dan in 1984, terwijl de gemiddelde netto-verkoopprijzen tussen 1984 en 1985 met rond 2 % waren gedaald. Ook werd geconstateerd dat in de eerste negen maanden van 1986 de produktiekosten per eenheid in vergelijking met de eerste negen maanden van 1985 met 16 % waren gedaald terwijl de gemiddelde nettoprijs per eenheid na kortingen met 27 % was teruggelopen. Ten aanzien van de winstgevendheid van deze zelfde producent, bleken de winsten in 1985 met 13 % te zijn gedaald en beliepen de verliezen op de totale binnenlandse ureumverkopen in de eerste negen maanden van 1986 8 %. b) De technische ureummarkt In 1985 bereikte het verbruik op deze markt een bedrag dat overeenkwam met ongeveer 24 % van het totale verbruik van de technische variant van ureum in de Gemeenschap in haar samenstelling tot en met 31 december 1985. De Italiaanse autoriteiten stellen voor dit soort ureum geen CIP-prijzen vast. Er werd geconstateerd dat de gewogen gemiddelde marge van prijsonderbieding schommelde tussen 5 % en 17 % en dat de gemiddelde netto-verkoopprijs voor deze variant tussen juli 1985 en juni 1986 met 40 % was gedaald. Voorts werd geconstateerd dat de produktiekosten voor deze produktvariant vergelijkbaar waren met die van de landbouwvariant en dat de winstgevendheid tussen juli 1985 en september 1986 dezelfde lijn had vertoond als voor landbouwureum. (32) Frankrijk In 1985 bedroeg het verbruik op de markt van landbouwureum ongeveer 375 000 ton, hetgeen overeenkwam met ongeveer 20 % van het totale verbruik van landbouwureum in de Gemeenschap in haar samenstelling tot en met 31 december 1985. De leveranciers van ureum in Frankrijk stellen hun lijstprijzen gewoonlijk vast aan het begin van het seizoen (juli - juni), voor een tijdvak van twaalf maanden. Ten einde de afnemers aan te moedigen om het ureum enige tijd vóór het verbruik aan te schaffen en op te slaan, waren de lijstprijzen aan het begin van het seizoen aanzienlijk lager. De laagste prijzen werden voor leveranties in juli vastgesteld. Voor leveringen in de daaropvolgende maanden werd door middel van een vastgestelde marge boven de basisprijs een maandelijkse prijs vastgesteld. Dit stelsel is sedert 1984/1985 vervangen door dat van de »clause de baisse" (een prijsaanpassingsclausule) volgens welke de factuurwaarde achteraf gedurende het seizoen, gelet op de lagere prijzen die op de markt door andere leveranciers worden geboden, wordt aangepast. Met betrekking tot drie EEG-producenten die in de eerste negen maanden van 1986 ongeveer 80 % van de EEG-leveranties van landbouwureum in Frankrijk voor hun rekening namen kwam men tot de volgende bevindingen. De gemiddelde factuurwaarde (vóór kortingen) van de betrokken EEG-producenten werd door de gedumpte invoer onderboden met een gewogen gemiddelde marge schommelend tussen 27 % en 35 %. i) Onderneming A: De onderneming moest haar factuurwaarde verlagen en achteraf kortingen geven die tot een daling van de gemiddelde netto-verkoopprijzen met 30 % hebben geleid. De gemiddelde produktiekosten in de fabriek, waarvan vrijwel de gehele produktie op de binnenlandse markt werd verkocht, bleef in deze periode vrijwel stabiel. Met betrekking tot de verkopen op de binnenlandse markt in de tweede helft van 1985 bleef de onderneming winstgevend. In de eerste zes maanden van 1986 werden evenwel verliezen geleden die tot 28 % van de binnenlandse verkopen beliepen. Met betrekking tot de verkopen van technisch ureum, bleek de gemiddelde netto-verkoopprijs aan de grootste afzonderlijke afnemer, welke het merendeel van de verkopen van dit produkt betrof, tussen juli 1985 en juni 1986 met 20 % te zijn gedaald. ii) Onderneming B: De netto gemiddelde verkoopprijs daalde tussen juli 1985 en juni 1986 met 32 %, als gevolg van een lagere factuurwaarde en kortingen achteraf. De grootste produktie-eenheid van ureum voor de Franse markt van deze onderneming werd in 1985 evenwel voor een tijdsduur van negen maanden gesloten en de produktie kwam eerst in maart 1986 weer op haar gewone peil. Het wordt derhalve onjuist geacht met de ontwikkeling van de produktiekosten of de winstgevendheid van deze onderneming rekening te houden. iii) Onderneming C: De gemiddelde netto-verkoopprijs van deze producent, vóór kortingen, daalde in dat tijdvak met 37 %. Bovendien maakte de onderneming in november 1985 een aanvang met de vorming van voorzieningen in verband met de concurrentie op de markt en de noodzaak haar prijzen achteraf bij te stellen. In maart 1986 werd deze voorziening met 20 % per ton verhoogd. De werkelijk betaalde kortingen bedroegen tussen juni 1985 en mei 1986 5,3 % van de netto-omzet. Voor de ureumleveringen in de periode juni 1986 tot en met september 1986 werd de voorziening met nog eens 10 % verhoogd. Het totale bedrag aan voorzieningen kwam overeen met 17,7 % van de omzet over dit zelfde tijdvak. Tussen de eerste helft van 1985 en de eerste negen maanden van 1986 daalden de gemiddelde produktiekosten met 31 %, doch daalden de winsten met ongeveer 83 %. (33) Spanje Spanje is een andere grote markt met een omvangrijk ureumverbruik. Doch aangezien de marktomstandigheden in Spanje voorafgaande aan de toetreding aanmerkelijk verschilden van de in de Gemeenschap in haar samenstelling tot en met 31 december 1985 heersende omstandigheden, en in 1986 voor de sector meststoffen een Spaans omschakelingsplan in werking was, werd het onjuist geacht bijkomende bevindingen van schade met betrekking tot de Spaanse producenten op te stellen. (34) Bij haar bepalen van de gevolgen van de gedumpte invoer voor de bedrijstak van de Gemeenschap heeft de Commissie de uitwerking nagegaan van alle gedumpte invoer uit alle betrokken landen. Analyserende of cumulatie dienstig was, heeft de Commissie nagegaan of de gedumpte invoer in kwestie aan de door de Gemeenschap geleden aanmerkelijke schade heeft bijgedragen. De Commissie heeft, concluderende, de vergelijkbaarheid van de ingevoerde produkten in termen van scheikundige en natuurkundige kenmerken, de ingevoerde hoeveelheden, de groei in omvang van de invoer sedert 1984, het lage prijsniveau dat toe te schrijven is aan produkten van alle leveringslanden en de mate waarin elk van de ingevoerde produkten in de Gemeenschap met het soortgelijke produkt van de EEG-bedrijfstak concurreerde, in aanmerking genomen. Op basis van deze analyse is de Commissie tot de slotsom gekomen dat voor de vaststelling van het door de EEG-bedrijfstak geleden schadeniveau, gelet moet worden op de uitwerking van de gecumuleerde invoer met dumping, uit alle betrokken landen van uitvoer. Met betrekking tot de invoer van het produkt van oorsprong uit Trinidad en Tobago werd aangevoerd dat deze niet in concurrentie was met het produkt van oorsprong uit de andere drie bij de procedure betrokken landen, aangezien het vervaardigde en naar de Gemeenschap uitgevoerde materiaal bestond uit de in korrels aangeboden variant, gebruikt voor vermenging tot gemengde meststoffen, terwijl de variant van oorsprong uit de andere in deze procedure betrokken landen, en in de Gemeenschap verkocht, bestond uit in klontjes aangeboden materiaal. Voorts werd gesteld dat het gewoonlijk tegen hogere prijzen werd verkocht dan voor in klontjes aangeboden ureum werden gerekend. Er werd evenwel tijdens het onderzoek geconstateerd dat ureum in korrelvorm en in klontjesvorm soortgelijke produkten vormen. Op de eerste plaats zijn ureum in klontjesvorm en in korrelvorm scheikundig identiek. Ten tweede zijn natuurkundige verschillen zoals omvang per eenheid, pletweerstand of afslijpweerstand, niet echt van invloed op de onderlinge uitwisselbaarheid van de beide varianten. Er werd derhalve geen bewijsmateriaal aangetroffen waaruit bleek dat tijdens het onderzoektijdvak voor ureum in korrelvorm een opslag was betaald. Voor zover de invoerprijzen van het produkt van oorsprong uit Trinidad en Tobago betreft, werd geconstateerd dat de gemiddelde door de exporteur uit Trinidad en Tobago gedurende het onderzoektijdvak gerekende prijs niet hoger was dan de in dezelfde tijd door de meeste andere bij deze procedure betrokken exporteurs was gerekend. (35) De Commissie heeft overwogen of er schade was berokkend door andere factoren zoals de over de gehele wereld merkbare verzadiging met ureum, die volgens een aantal exporteurs en importeurs tot een algemene druk op de prijzen heeft geleid. Voorts opperden enkele partijen dat, zo al werd vastgesteld dat de EEG-producenten moeilijkheden ondervonden, deze te wijten waren aan de felle concurrentie tussen de EEG-producenten zelf en niet aan de invoer uit derde landen. Uit de gegevens die de Commissie ter beschikking staan blijkt dat er sedert 1984 een aanzienlijke, wereldwijde, niet-gebruikte produktiecapaciteit heeft bestaan, en een grotere produktie dan verbruik van ureum en andere meststoffen, hetgeen zelfs zonder invoer met dumping tot een prijsdaling in de Gemeenschap had kunnen leiden, in het bijzonder aangezien de markt voor meststoffen een zeer doorzichtige markt is waarin alle gegevens meestal vlot aan kopers en verkopers ter beschikking staan. Met deze factor is rekening gehouden bij de berekening van het bedrag van het anti-dumpingrecht dat nodig is om de schade op te heffen (zie punt 42). Met betrekking tot de intracommunautaire verkopen werd geconstateerd dat er grote hoeveelheden ureum voor landbouwtoepassingen op de Franse markt zijn verkocht door EEG-producenten die in andere Lid-Staten zijn gevestigd. Overwegende dat ureum een zeer prijsgevoelig produkt is, moesten deze producenten derhalve op de Franse markt hun verkoopprijzen verlagen of kortingen verlenen. Van andere EEG-producenten vonden geen verkopen van betekenis in Italië plaats. Voor zover de invoer uit niet bij deze procedure betrokken derde landen betreft, onderzocht de Commissie alvorens deze procedure aan te vangen, de marktaandelen van elk dezer landen van uitvoer op de markt van de Gemeenschap, op basis van het dor de klagers ingediende voorlopige bewijsmateriaal. De omvang van de afzonderlijke marktaandelen werd niet belangrijk genoeg bevonden om ze in deze procedure op te nemen. (36) De Commissie heeft met al het voorgaande rekening gehouden. Toch overwoog zij dat de sterke groei van de gedumpte invoer en de bijzonder lage prijzen waartegen deze in de Gemeenschap te koop werd aangeboden, een belangrijke, dwingende factor vormden voor de bedrijfstak van de Gemeenschap om zijn prijzen neerwaarts aan te passen tot niveaus die onvoldoende waren om de bedrijfstak kostendekkend te laten werken. In het bijzonder voor een produkt als ureum, waarbij de aankoopprijs de bepalende factor lijkt te zijn en waarbij de klantenbinding met de leverancier van weinig of geen belang schijnt, kunnen goedkope aanbiedingen van buitenaf ernstige negatieve gevolgen voor de binnenlandse bedrijfstak hebben. Dit heeft de Commissie tot de vaststelling gebracht dat ondanks de bestaande overcapaciteit en verzadiging van de markt, de gevolgen van de gedumpte invoer van ureum van oorsprong uit de in deze procedure betrokken landen, afzonderlijk genomen, aangemerkt dienen te worden als een vorm van aanmerkelijke schade voor de betrokken bedrijfstak van de Gemeenschap. D. BELANG VAN DE GEMEENSCHAP (37) De landbouwproducentenverenigingen voerden aan dat het niet in het belang van de Gemeenschap was maatregelen te nemen aangezien dit de door de landbouwers te betalen aankoopprijs van ureum zou verhogen. Er werd evenwel geen bewijsmateriaal overgelegd waaruit zou blijken dat beschermende maatregelen grote weerslag zouden hebben op de produktiekosten van de landbouwers of dat het hun onmogelijk zou zijn een dergelijke prijsverhoging aan de consumenten door te berekenen. (38) Er werd tevens gesteld dat beschermende maatregelen de EEG-producenten van ureum niet zouden aanmoedigen hun verkoopprijzen van het betrokken produkt, naar aanleiding van de aanzienlijke sedert begin 1986 opgetreden prijsdaling voor gas, de voornaamste grondstof bij de vervaardiging van ureum, te verlagen. Toch werd geconstateerd dat gedurende het onderzoektijdvak de prijzen van de EEG-producenten over het algemeen een grotere verlaging hadden gekend dan hun produktiekosten. Wat dit aangaat is overwogen dat aan de EEG-producenten geen buitensporige prijsontwikkelingen als gevolg van een sterke toeneming van de invoer tegen oneerlijk lage prijzen mogen worden opgelegd. (39) Voorts werd aangevoerd dat het niet in het belang van de Gemeenschap zou zijn beschermende maatregelen tegen landen als Trinidad en Tobago, Koeweit en Saoedi-Arabië te nemen vanwege de speciale kenmerken van de betrekkingen tussen de Gemeenschap en deze derde landen. De Commissie oordeelt dat, ofschoon goede betrekkingen met deze landen voor de Gemeenschap van groot belang zijn, normale handelsbetrekkingen verlangen dat verkopen niet tegen dumpingprijzen geschieden. De Gemeenschap zou bovendien discriminerend optreden indien zij beschermende maatregelen nam tegen exporteurs uit bepaalde landen die in de Gemeenschap tegen dumpingprijzen verkochten, doch niet tegen exporteurs uit andere landen die er dezelfde praktijken op na hielden. (40) Met betrekking tot de bijzonder ernstige moeilijkheden die de EEG-bedrijfstak onder ogen moest zien, is de Commissie tot de gevolgtrekking gekomen dat in het belang van de Gemeenschap moet worden opgetreden. Ten einde te voorkomen dat gedurende de rest van de procedure nog schade zou worden toegebracht, zou dit optreden de vorm van een voorlopig anti-dumpingrecht dienen te krijgen. E. HOOGTE VAN HET RECHT (41) Gezien de omvang van de berokkende schade zou de hoogte van een dergelijk recht minder dienen te bedragen dan de voorlopig vastgestelde dumping-marges, doch toereikend moeten zijn om de veroorzaakte schade op te heffen. (42) Ten einde de hoogte van het recht vast te stellen dat voorlopig nodig zou zijn om de door de bedrijfstak van de Gemeenschap geleden schade op te heffen, hield de Commissie rekening met: - de verkoopprijs, nodig om de van 1 juli 1985 tot en met 30 september 1986 gemaakte produktiekosten te dekken en voor de EEG-bedrijfstak een toereikende winstmarge te verschaffen; - de niet-gebruikte produktiecapaciteit en het produktieoverschot ten opzichte van het verbruik van ureum, die werden geacht geleid te hebben tot een toestand waarin de representatieve EEG-producenten bij het niet-bestaan van dumping geen winst zouden hebben gemaakt. Na zorgvuldige bestudering van deze elementen heeft de Commissie het wegens de huidige wereldwijde, ongebruikte produktiecapaciteit en het overschot van de produktie ten opzichte van het verbruik van ureum, passend geacht de hoogte van het recht op een dergelijk niveau vast te stellen dat een representatieve producent in de Gemeenschap in staat wordt gesteld op basis van de gedurende het tijdvak 1 juli 1985 tot en met 30 september 1986 gemaakte produktiekosten tot een exploitatie-evenwichtsniveau te komen. Bij de keuze van de representatieve producent van de Gemeenschap werd rekening gehouden met de omvang van de onderneming, de verscheidenheid, de ouderdom en de efficiency van de produktie-inrichtingen en de algemene produktiekosten. Op deze grondslag heeft de Commissie bepaald dat het bedrag van het recht overeen dient te komen met het bedrag dat de nettoprijs franco grens Gemeenschap, niet ingeklaard, lager is dan 133 Ecu per metrieke ton. (43) Er dient een tijdslimiet te worden vastgesteld waarbinnen de betrokken partijen hun standpunten bekend kunnen maken en kunnen verzoeken te worden gehoord, HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD: Artikel 1 1. Op de invoer van ureum, vallende onder de posten 31.02 B en ex 31.02 C van het gemeenschappelijk douanetarief, overeenkomende met de NIMEXE-codes 31.02-15 en 31.02-80, van oorsprong uit de Duitse Democratische Republiek, Joegoslavië, Koeweit, Libië, Saoedi-Arabië, de Sowjetunie, Trinidad en Tobago en Tsjechoslowakije, wordt een voorlopig anti-dumpingrecht ingesteld. 2. De hoogte van het recht is gelijk aan het bedrag dat de nettoprijs per ton, franco grens Gemeenschap, niet ingeklaard, lager is dan 133 Ecu. 3. De voor de heffing van douanerechten geldende bepalingen zijn van toepassing. 4. Het in de Gemeenschap in het vrije verkeer brengen van de in lid 1 bedoelde produkten is onderworpen aan het stellen van een zekerheid tot het bedrag van het voorlopige recht. Artikel 2 Onverminderd het bepaalde in artikel 7, lid 4, onder b) en c), van Verordening (EEG) nr. 2176/84 mogen de betrokken partijen binnen één maand na de inwerkingtreding van deze verordening hun standpunt schriftelijk kenbaar maken en verzoeken door de Commissie te worden gehoord. Artikel 3 Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen. Onverminderd de artikelen 11, 12 en 14 van Verordening (EEG) nr. 2176/84 geldt zij voor een periode van vier maanden tenzij de Raad vóór de afloop van die periode definitieve maatregelen vaststelt. Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke Lid-Staat. Gedaan te Brussel, 8 mei 1987. Voor de Commissie Willy DE CLERCQ Lid van de Commissie ARTIKEL 3 DEZE VERORDENING TREEDT IN WERKING OP DE DAG VOLGENDE OP DIE VAN HAAR BEKENDMAKING IN HET PUBLIKATIEBLAD VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN . ONVERMINDERD DE ARTIKELEN 11, 12 EN 14 VAN VERORDENING ( EEG ) NR . 2176/84 GELDT ZIJ VOOR EEN PERIODE VAN VIER MAANDEN TENZIJ DE RAAD VOOR DE AFLOOP VAN DIE PERIODE DEFINITIEVE MAATREGELEN VASTSTELT . DEZE VERORDENING IS VERBINDEND IN AL HAAR ONDERDELEN EN IS RECHTSTREEKS TOEPASSELIJK IN ELKE LID-STAAT . GEDAAN TE BRUSSEL, 8 MEI 1987 . VOOR DE COMMISSIE WILLY DE CLERCQ LID VAN DE COMMISSIE