87/104/EEG: Besluit van de Raad van 9 februari 1987 houdende aanvaarding van een verbintenis in het kader van de anti-dumpingprocedure betreffende de invoer van borstels, kwasten en penselen voor het schilderen, verven, behangen en dergelijke, van oorsprong uit de Volksrepubliek China, en beëindiging van de procedure
Publicatieblad Nr. L 046 van 14/02/1987 blz. 0045 - 0048
***** BESLUIT VAN DE RAAD van 9 februari 1987 houdende aanvaarding van een verbintenis in het kader van de anti-dumpingprocedure betreffende de invoer van borstels, kwasten en penselen voor het schilderen, verven, behangen en dergelijke, van oorsprong uit de Volksrepubliek China, en beëindiging van de procedure (87/104/EEG) DE RAAD VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN, Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, Gelet op Verordening (EEG) nr. 2176/84 van de Raad van 23 juli 1984 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping of subsidiëring uit landen die geen lid zijn van de Europese Economische Gemeenschap (1), inzonderheid op artikel 10, Gezien het voorstel van de Commissie, ingediend na overleg in het kader van het in genoemde verordening bedoelde Raadgevend Comité, Overwegende hetgeen volgt: A. Procedure (1) In april 1986 ontving de Commissie een klacht van de Europese Federatie van de borstel-, kwasten- en penselenindustrie namens producenten van borstels, kwasten en penselen in alle Lid-Staten, die vrijwel de gehele communautaire produktie van deze produkten voor hun rekening nemen. De klacht bevatte bewijsmateriaal van dumping en de hieruit voortvloeiende aanzienlijke schade, dat voldoende werd geacht om de inleiding van een anti-dumpingprocedure te rechtvaardigen. De Commissie heeft derhalve door middel van een bericht in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen (2) de inleiding van een anti-dumpingprocedure betreffende de invoer in de Gemeenschap van borstels, kwasten en penselen voor het schilderen, verven, behangen en dergelijke, vallende onder post ex 96.01 B III van het gemeenschappelijk douanetarief, overeenkomende met NIMEXE-code 96.01-49, van oorsprong uit de Volksrepubliek China, aangekondigd en is met een onderzoek begonnen. (2) De Commissie heeft de haar bekende betrokken exporteurs en importeurs, de vertegenwoordigers van het uitvoerende land en de indieners van de klacht hiervan officieel in kennis gesteld en de rechtstreeks betrokken partijen de gelegenheid gegeven hun standpunt schriftelijk kenbaar te maken en desgevraagd mondeling toe te lichten. (3) De meeste bekende producenten en de exporteur, alsmede enkele importeurs, hebben hun standpunt schriftelijk medegedeeld. Een aantal kreeg desgevraagd gelegenheid hun standpunt mondeling toe te lichten. (4) Namens afnemers in de Gemeenschap van het betrokken produkt werden geen opmerkingen ingediend. (5) De Commissie heeft alle gegevens die zij met het oog op een voorlopige vaststelling nodig achtte, verzameld en geverifieerd en een onderzoek ingesteld ten kantore van: EEG-producenten - Bechtloff KG, Burk, Bondsrepubliek Duitsland; - Briton Chadwick, Attleborough, Verenigd Koninkrijk; - D. O'Sullivan & Co. Ltd, Cork, Ierland; - Fleetwood Products Ltd, Dublin, Ierland; - L. G. Harris & Co. Ltd, Stoke Prior, Bromsgrove, Verenigd Koninkrijk; - Kronen Pinselfabrik GmbH & Co. KG, Lohne, Bondsrepubliek Duitsland; - Messerer GmbH, Wieseth, Bondsrepubliek Duitsland; - Mosley-Stone Ltd, Stockport, Verenigd Koninkrijk; - H. L. Sterkel GmbH, Ravensburg, Bondsrepubliek Duitsland; - Wistoba-Pinselfabrik, Bad Lauterberg, Bondsrepubliek Duitsland. EEG-importeurs - Bristle, Hair & Fibre Company Ltd, Londen, Verenigd Koninkrijk; - Charles Bentley & Son Ltd, Loughborough, Verenigd Koninkrijk; - Tobias Braude & Co. Ltd, Londen, Verenigd Koninkrijk; - Delbanco Meyer & Co. Ltd, Londen, Verenigd Koninkrijk. Derde landen Harris (Ceylon) Ltd, Meegoda, Sri Lanka. De Commissie heeft op haar verzoek gedetailleerde schriftelijke gegevens ontvangen van vrijwel alle producenten in de Gemeenschap die de klacht hebben ingediend, van de exporteur en van een aantal importeurs en deze gegevens, voor zover zulks nodig werd geacht, geverifieerd. (6) Het dumpingonderzoek had betrekking op de periode van 1 april 1985 tot en met 31 maart 1986. B. Normale waarde (7) Ten einde vast te stellen of bij de invoer van oorsprong uit de Volksrepubliek China dumping werd toegepast, diende de Commissie rekening te houden met het feit dat dit land geen markteconomie heeft en moest zij dientengevolge de vaststelling baseren op de normale waarde in een land met markteconomie. In dit verband hadden de indieners van de klacht de markt van Sri Lanka voorgesteld. De Chinese exporteur en één importeur betwistten de keuze van Sri Lanka als een derde-land-markt, maar deden geen voorstel voor een ander, analoog land. Meer in het bijzonder betoogde een importeur dat er in Sri Lanka vrijwel geen produktie bestaat. Deze bewering bleek in feite niet juist. (8) De Commissie is van mening dat er geen buitengewone verschillen in produktiemethoden zijn tussen Sri Lanka en het uitvoerende land. Voorts werd vastgesteld dat er in Sri Lanka tussen twee grote en een aantal kleinere producenten voldoende binnenlandse mededinging bestaat om ervoor te zorgen dat het prijspeil in een redelijke verhouding tot de produktiekosten staat. (9) De Commissie is derhalve tot de bevinding gekomen dat het passend en niet onredelijk zou zijn om de normale waarde te bepalen op basis van de binnenlandse prijzen van Sri Lanka. C. Prijs bij uitvoer (10) De prijzen bij uitvoer werden bepaald aan de hand van de werkelijk betaalde of te betalen prijzen voor de produkten die met het oog op uitvoer naar de Gemeenschap werden verkocht. D. Vergelijking (11) Voor de vergelijking van de normale waarde met de prijzen bij uitvoer verzocht de Chinese exporteur om een correctie voor invoerrechten en indirecte belastingen in Sri Lanka; deze werd toegestaan. Dit was de enige correctie die werd verlangd. Alle vergelijkingen werden gemaakt in het stadium af fabriek. E. Dumpingmarges (12) Uit het voorlopige onderzoek van de feiten blijkt dat de Chinese exporteur dumping toepast waarbij de dumpingmarge gelijk is aan het verschil tussen de vastgestelde normale waarde en de prijs bij uitvoer naar de Gemeenschap. De dumpingmarges varieerden al naar gelang van het soort borstel, kwast of penseel en de Lid-Staat van invoer. De gewogen gemiddelde dumpingmarge bleek voor alle uitvoer naar de Gemeenschap meer dan 100 % te zijn. F. Schade (13) Tijdens het onderzoek kwam aan het licht dat ongeveer 90 % van de Chinese uitvoer op drie markten in de Gemeenschap was geconcentreerd, namelijk die van de Bondsrepubliek Duitsland, van Ierland en van het Verenigd Koninkrijk. De beoordeling van de schade was derhalve in hoofdzaak op deze Lid-Staten gericht. (14) Ten aanzien van door de invoer met dumping veroorzaakte schade blijkt uit het de Commissie ter beschikking staande bewijsmateriaal dat de invoer in de Gemeenschap uit de Volksrepubliek China in 1980 reeds aanzienlijk was en tussen 1980 en 1981 meer dan verdubbelde. Sedertdien bleef de invoer op jaarbasis op het zeer hoge niveau van minstens 25 miljoen stuks (1) en in sommige jaren zelfs aanzienlijk meer. De exacte cijfers werden echter sterk beïnvloed door grootscheepse zendingen van borstels die normaal slechts geleidelijk op de markten zouden komen maar niettemin, aangezien zij in grote zendingen werden uit- en ingevoerd, een abrupte en onmiddellijke uitwerking op de invoercijfers hebben gehad, waardoor sterkere schommelingen ontstonden. (15) Aangezien slechts een klein aantal importeurs voldoende medewerking verleende, bleek het niet mogelijk op basis van de feitelijke verkopen in de Gemeenschap nauwkeurige cijfers voor het marktaandeel vast te stellen. De Commissie kon aan de hand van informatie van de Chinese exporteur echter vaststellen dat het marktaandeel van de Chinese invoer sedert 1982 30 à 40 % bedroeg en dat de jaarlijkse schommelingen over het algemeen daartussen bleven liggen. (16) De prijzen waartegen de ingevoerde Chinese produkten in de Gemeenschap werden verkocht, lagen tijdens de periode van onderzoek gemiddeld meer dan 50 % onder de prijzen van de communautaire industrie; de exacte prijsonderbiedingen varieerden al naar gelang van het soort produkt. De Commissie stelde vast dat de wederverkoopprijzen van deze invoer over het algemeen aanzienlijk lager waren dan de prijzen die nodig zouden zijn om de kosten van de communautaire producenten te dekken en een redelijke winst te verschaffen. Er waren zelfs gevallen waarin producenten in de Gemeenschap Chinese borstels werden aangeboden door importeurs in de Gemeenschap tegen prijzen die lager waren dan de aankoopprijs van de voornaamste grondstof, namelijk varkenshaar, dat eveneens door dezelfde exporteur in de Volksrepubliek China werd geleverd. (17) De gevolgen voor de communautaire industrie in de drie, in hoofdzaak betrokken Lid-Staten was een daling van de produktie tussen 1982 en de referentieperiode die, afhankelijk van de betrokken markt, varieerde van 28 % tot 15 %. Dit betekende een aanzienlijke vermindering van de benuttingsgraad van die producenten die, in de gegeven situatie, besloten hun capaciteit niet te verminderen of die, in tegenstelling tot een aantal andere producenten, hun produktie niet gingen diversifiëren. De Commissie onderzocht verder of de gedumpte invoer belangrijke gevolgen had voor de voorraadvorming en de werkgelegenheid. Met betrekking tot de voorraadvorming bleek dat de producenten, over het algemeen kleine bedrijven, gewoonlijk gedwongen waren eerder hun produktie, tijdelijk of voorgoed, te verlagen dan de voorraden te verhogen, aangezien financiering daarvan voor hen niet mogelijk zou zijn. De beschikbare cijfers omtrent werkgelegenheid leverden geen gevolgtrekkingen van betekenis op, aangezien de meeste producenten voor de rationalisering van het produktieproces nieuwe machines hadden ingevoerd en vrijwel alle producenten een heel gamma van produkten vervaardigden waarvoor hun personeel eveneens kon worden ingezet. Wel werd vastgesteld dat een aantal producenten van borstels, kwasten en penselen in de laatste jaren de produktie had gestaakt, mede als gevolg van de aanwezigheid van zeer goedkope gedumpte Chinese borstels, kwasten en penselen. Bij het vaststellen van het exacte marktaandeel van de communautaire producenten stuitte de Commissie op dezelfde moeilijkheden als bij het bepalen van het marktaandeel van de Chinese export zoals hierboven uiteengezet. De Commissie kon echter met zekerheid vaststellen dat hun marktaandeel, afhankelijk van de jaarlijkse schommelingen, tussen de 50 en 60 % was gebleven. Met betrekking tot de winstsituatie van de overgebleven producenten in de Gemeenschap stelde de Commissie vast dat dezen, geconfronteerd met de zeer lage prijzen van Chinese borstels, kwasten en penselen die normaal de variabele produktiekosten van de producenten in de Gemeenschap zelfs niet dekten, gewoonlijk hun toevlucht namen tot een of meer alternatieven of een combinatie ervan om te overleven. Zij gingen over tot de produktie van aanverwante artikelen, waardoor hun vaste bedrijfsuitgaven voor borstels, kwasten en penselen daalden, of weigerden eenvoudig hun produkten onder de kostprijs te verkopen, aangezien zij, als kleine bedrijven, een dergelijke actie niet lang zouden kunnen volhouden, of zij kochten zelf beperkte hoeveelheden Chinese borstels, kwasten en penselen van onafhankelijke importeurs en verkochten deze met winst om op deze wijze hun eigen produktie te subsidiëren. Op basis van de beschikbare gegevens stelde de Commissie vast dat de hoeveelheid Chinese borstels, kwasten en penselen die door deze groep producenten van de Gemeenschap in de referentieperiode werd verkocht, afhankelijk van de Lid-Staat, varieerde van 0 % tot 25 % van alle verkopen van het Chinese produkt en dat de overgebleven producenten, in tegenstelling tot een aantal bedrijven dat de produktie van borstels, kwasten en penselen staakte om verder alleen ingevoerde produkten te verkopen, louter daarom met de verkoop van Chinese borstels, kwasten en penselen begonnen om te voorkomen dat hun gevestigde markten zouden worden overgenomen door leveranciers die alleen ingevoerde goederen aanboden; dat de producenten in de Gemeenschap nimmer het initiatief namen Chinese produkten in te voeren; dat de bevindingen met betrekking tot schade niet aan waarde verliezen door het feit dat de producenten in de Gemeenschap zelf beperkte hoeveelheden van de Chinese goederen verkochten. Deze gevolgtrekking werd door de exporteur niet aangevochten. (18) Sommige importeurs betoogden dat zij een nieuwe markt hadden geschapen voor goedkope wegwerpborstels, -kwasten en -penselen, met name in supermarkten en doe-het-zelf-winkels en dat de traditionele producenten in de Gemeenschap geen belangstelling hadden voor verkoop op deze markt. De Commissie kan dit argument niet aanvaarden. Een nieuwe markt wordt niet gecreëerd door een gevestigd produkt gewoonweg tegen minder dan de helft van de prijs waartegen het gewoonlijk op de markt wordt verkocht, te verkopen. Door de lage dumpingprijzen zal een consument trouwens eerder bereid zijn te overwegen een borstel, kwast of penseel weg te gooien na een beperkt gebruik dan een duurdere borstel, kwast of penseel te kopen die na gebruik gereinigd moet worden. Voorts is het begrijpelijk dat de communautaire industrie alleen al op grond van overlevingsredenen geen belangstelling heeft voor verkoop tegen prijzen die onder de variabele produktiekosten liggen. (19) De Commissie heeft overwogen of de schade werd veroorzaakt door andere factoren, zoals de invoer uit andere bronnen of een belangrijke wijziging in het consumptiepatroon. De invoer uit andere derde landen op de betrokken markt werd geraamd op een niveau van ten hoogste 10 % en het verbruik lijkt sedert 1982 geen belangrijke wijzigingen te hebben ondergaan. Het voortdurende hoge niveau van de invoer met dumping en in het bijzonder de zeer lage prijzen waartegen deze produkten in de Gemeenschap te koop worden aangeboden, hebben de Commissie tot de vaststelling gebracht dat de invoer met dumping van borstels, kwasten en penselen voor schilderen, verven, behangen en dergelijke, van oorsprong uit de Volksrepubliek China, afzonderlijk genomen, de betrokken bedrijfstak schade heeft berokkend. G. Belang van de Gemeenschap (20) De Commissie heeft van de zijde van de verbruikers van het betrokken produkt geen opmerkingen ontvangen. Gezien de hierboven uiteengezette ernstige moeilijkheden van de industrie in de Gemeenschap is de Commissie tot de slotsom gekomen dat in het belang van de Gemeenschap maatregelen dienen te worden genomen. H. Verbintenissen (21) Na de voltooiing van het voorlopige onderzoek, bood de exporteur een verbintenis aan met betrekking tot zijn uitvoer van borstels, kwasten en penselen voor het schilderen, verven, behangen en dergelijke. Een dergelijke verbintenis zal tot gevolg hebben dat met uitvoer in die mate zal worden gestopt dat de industrie in de Gemeenschap geen verdere schade wordt toegebracht. Het lijkt mogelijk op de correcte uitvoering van deze verbintenis een doeltreffend toezicht uit te oefenen. Onder deze omstandigheden wordt de aangeboden verbintenis aanvaardbaar geacht en het onderzoek kan derhalve zonder instelling van anti-dumpingrechten worden beëindigd. (22) In het Raadgevend Comité werden hiertegen bezwaren gemaakt, BESLUIT: Artikel 1 De verbintenis die door de China National Native Produce & Animal By-Products Import & Export Corporation werd aangegaan in verband met de anti-dumpingprocedure betreffende de invoer van borstels, kwasten, penselen voor het schilderen, verven, behangen en dergelijke, vallende onder post ex 96.01 B III van het gemeenschappelijk douanetarief, overeenkomende met NIMEXE-code 96.01-49, van oorsprong uit de Volksrepubliek China, wordt hierbij aanvaard. Artikel 2 Het onderzoek in verband met de anti-dumpingprocedure waarnaar in artikel 1 wordt verwezen wordt hierbij beëindigd. Gedaan te Brussel, 9 februari 1987. Voor de Raad De Voorzitter M. EYSKENS (1) PB nr. L 201 van 30. 7. 1984, blz. 1. (2) PB nr. C 103 van 30. 4. 1986, blz. 2. (1) De exporteur verschafte nauwkeurige gegevens die echter vertrouwelijk zijn; de invoerstatistieken van de Gemeenschap kunnen niet worden gebruikt aangezien deze betrekking hebben op een reeks van produkten en de hoeveelheden deels betrekking kunnen hebben op voorverpakte zendingen van borstels, kwasten of penselen.