Verordening (EEG) nr. 2169/86 van de Commissie van 10 juli 1986 houdende nadere voorschriften voor de controle op en de betaling van de produktierestituties in de sectoren granen en rijst
Publicatieblad Nr. L 189 van 11/07/1986 blz. 0012 - 0017
***** VERORDENING (EEG) Nr. 2169/86 VAN DE COMMISSIE van 10 juli 1986 houdende nadere voorschriften voor de controle op en de betaling van de produktierestituties in de sectoren granen en rijst DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN, Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, Gelet op Verordening (EEG) nr. 2727/75 van de Raad van 29 oktober 1975 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector granen (1), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EEG) nr. 1579/86 (2), Gelet op Verordening (EEG) nr. 1418/76 van de Raad van 21 juni 1976 houdende een gemeenschappelijke ordening van de rijstmarkt (3), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EEG) nr. 1007/86 (4), Gelet op Verordening (EEG) nr. 1009/86 van de Raad van 25 maart 1986 tot vaststelling van de algemene voorschriften inzake de restituties bij de produktie in de sectoren granen en rijst (5), en met name op artikel 6, Overwegende dat nadere voorschriften dienen te worden vastgesteld voor de controle op en de betaling van produktierestituties in de sectoren granen en rijst, zodat in alle Lid-Staten dezelfde voorschriften worden toegepast; Overwegende dat de berekeningswijze en de frequentie voor de vaststelling van de produktierestituties moeten worden bepaald; dat de meest bevredigende berekeningswijze thans die is, welke gebaseerd is op het verschil tussen de interventieprijs voor maïs en de prijs die als grondslag dient voor de berekening van de invoerheffing voor maïs; dat uit het oogpunt van stabiliteit de produktierestituties om de drie maanden dienen te worden vastgesteld; dat om te controleren dat de hoogte van de produktierestituties juist is, de prijzen van maïs en tarwe op de wereldmarkt en de markt van de Gemeenschap dienen te worden gevolgd; Overwegende dat voor het gebruik van zetmeel en van sommige derivaten voor de vervaardiging van bepaalde goederen produktierestituties moeten worden betaald; dat nauwkeurige gegevens vereist zijn om een passende controle op en de betaling van de produktierestituties aan de aanvragers te vergemakkelijken; dat de bevoegde autoriteit van de betrokken Lid-Staten zou moeten worden gemachtigd van de aanvragers te eisen dat zij alle gegevens ter beschikking stellen om dergelijke controles uit te voeren; Overwegende dat de fabrikant van het produkt misschien niet noodzakelijkerwijs basiszetmeel gebruikt; dat derhalve een lijst dient te worden opgesteld van bepaalde zetmeelderivaten bij gebruik waarvan de fabrikant voor de produktierestitutie in aanmerking komt; Overwegende dat betaling van de produktierestitutie niet zou mogen geschieden voordat de verwerking heeft plaatsgevonden, maar wel moet plaatsvinden binnen 150 dagen na ontvangst door de bevoegde autoriteit van de kennisgeving dat het zetmeel is verwerkt; dat het evenwel voor de fabrikant mogelijk zou moeten zijn een voorschot te krijgen voordat de controles zijn beëindigd; Overwegende dat Verordening (EEG) nr. 2220/85 van de Commissie van 22 juli 1985 tot vaststelling van gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen inzake de regeling voor het stellen van zekerheden voor landbouwprodukten (6) van toepassing is op de bij deze verordening vastgestelde regeling; dat derhalve de primaire eisen moeten worden vastgesteld voor de verplichtingen waaraan de fabrikanten moeten voldoen en waarvan door het stellen van een zekerheid de naleving wordt gewaarborgd; Overwegende dat het Comité van beheer voor granen geen advies heeft uitgebracht binnen de door zijn voorzitter bepaalde termijn, HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD: Artikel 1 In deze verordening wordt verstaan onder: - »zetmeel": basiszetmeel of zetmeelderivaat als genoemd in de bijlage; - »goedgekeurde produkten": alle produkten van de lijst in de bijlage bij Verordening (EEG) nr. 1009/86 alsook de produkten die zijn toegevoegd overeenkomstig de procedure van artikel 11 bis, lid 1, van Verordening (EEG) nr. 2727/75; - »fabrikant": de gebruiker van het zetmeel voor de produktie van de goedgekeurde produkten. Artikel 2 1. De produktierestitutie wordt vastgesteld voor elke periode van drie maanden die op 1 juli, 1 oktober, 1 januari en 1 april aanvangt. 2. De produktierestitutie uitgedrukt per ton basiszetmeel wordt berekend op basis van het verschil tussen: i) de interventieprijs voor maïs geldig gedurende de eerste maand van de in lid 1 omschreven periode en ii) het gemiddelde van de cif-prijzen die worden gebruikt voor de berekening van de invoerheffing voor maïs in de eerste twee maanden en de eerste vijftien dagen van de derde maand in het kwartaal voorafgaande aan de eerste dag van de in lid 1 omschreven periode, vermenigvuldigd met een coëfficiënt van 1,6. 3. Wanneer evenwel de marktprijzen voor maïs en/of tarwe in de Gemeenschap en/of op de wereldmarkt gedurende de in lid 1 omschreven periode een verandering van betekenis vertonen, kan de overeenkomstig lid 2 berekende produktierestitutie worden gewijzigd ten einde met deze verandering rekening te houden. 4. De te betalen produktierestitutie is de overeenkomstig lid 2 en, in voorkomend geval, overeenkomstig lid 3 berekende restitutie, vermenigvuldigd met de coëfficiënt die voor de tariefpost van het voor de vervaardiging van de goedgekeurde produkten gebruikte zetmeel in de bijlagen is vermeld. Artikel 3 1. Fabrikanten die voornemens zijn produktierestituties aan te vragen, dienen daarvan eerst kennis te geven aan de bevoegde autoriteit van de Lid-Staat waar het zetmeel zal worden gebruikt; hierbij moeten de volgende gegevens worden verstrekt: a) naam en adres van de fabrikant, b) het assortiment produkten dat uit zetmeel wordt vervaardigd, met inbegrip van die op de lijst in de bijlage van Verordening (EEG) nr. 1009/86 en de produkten die niet op die lijst voorkomen, met een volledige beschrijving en de tariefposten, c) wanneer het adres verschilt van dat bedoeld onder a), het adres van de plaatsen waar het zetmeel tot een goedgekeurd produkt zal worden verwerkt. De Lid-Staten kunnen de fabrikant om aanvullende inlichtingen verzoeken. 2. De fabrikanten moeten ook een schriftelijke verbintenis inzenden waarin zij verklaren dat zij de bevoegde autoriteiten zullen toestaan op het gebruik van het zetmeel alle mogelijke controles uit te oefenen en dat zij alle gevraagde inlichtingen zullen verstrekken. 3. De bevoegde autoriteit neemt maatregelen ten einde zich ervan te verzekeren dat de fabrikant een gevestigde onderneming is die officieel is erkend in de Lid-Staat. 4. Aan de hand van de bovenvermelde gegevens maakt de bevoegde autoriteit een lijst op van erkende fabrikanten en werkt deze lijst regelmatig bij. Alleen de aldus erkende fabrikanten kunnen overeenkomstig artikel 4 een aanvraag om een produktierestitutie indienen. Artikel 4 1. Wanneer een fabrikant een produktierestitutie wenst te verkrijgen, dient hij daartoe bij de bevoegde autoriteit van de Lid-Staat, waar het zetmeel zal worden verwerkt, een schriftelijke aanvraag voor een restitutiecertificaat in. 2. In de aanvraag dient te worden vermeld: a) naam en adres van de fabrikant, b) de hoeveelheid zetmeel die tot de goedgekeurde produkten zal worden verwerkt, c) de tariefpost en de omschrijving van het goedgekeurde produkt waarvoor het zetmeel zal worden gebruikt, d) de plaatsen waar het zetmeel zal worden verwerkt, e) het voorziene tijdschema van de verwerkingsoperaties. 3. De aanvraag moet vergezeld gaan van - het stellen van een zekerheid overeenkomstig artikel 7, - een verklaring waarin wordt bevestigd dat het zetmeel dat zal worden gebruikt, niet uit een andere grondstof dan maïs, tarwe, rijst of aardappelen is vervaardigd. 4. De Lid-Staten kunnen van de aanvragers nadere inlichtingen verlangen. Artikel 5 1. Na verificatie, die onmiddellijk na ontvangst van de overeenkomstig artikel 4 ingediende aanvraag plaatsvindt, geeft de bevoegde autoriteit onverwijld het restitutiecertificaat af. 2. De Lid-Staten dienen voor het restitutiecertificaat nationale formulieren te gebruiken, die onverminderd de bepalingen van andere, door de Instellingen van de Gemeenschap vastgestelde verordeningen, richtlijnen of beschikkingen, ten minste de in lid 3 genoemde gegevens moeten bevatten. 3. Het restitutiecertificaat bevat de in artikel 4, lid 2, genoemde gegevens, het bedrag van de geldende produktierestitutie en de laatste dag van geldigheid van het certificaat, zijnde de laatste dag van de driemaandelijkse in artikel 2, lid 1, omschreven periode na de vaststellingsperiode waarin de aanvraag werd ontvangen. 4. Het bedrag van de te betalen produktierestitutie die op het certificaat dient te worden vermeld, stemt overeen met het op de dag van ontvangst van de aanvraag geldende bedrag. Wanneer echter een zekere hoeveelheid van het op het certificaat vermelde zetmeel gedurende het verkoopseizoen voor granen, volgende op het jaar waarin de aanvraag werd ontvangen, werd verwerkt, wordt de te betalen produktierestitutie voor het zetmeel dat gedurende het nieuwe verkoopseizoen werd verwerkt, aangepast overeenkomstig het verschil tussen de voor de berekening van de te betalen produktierestitutie gebruikte interventieprijs en de interventieprijs die in juli van datzelfde jaar geldt. Artikel 6 1. Fabrikanten die in het bezit zijn van een overeenkomstig artikel 5 afgegeven restitutiecertificaat kunnen overeenkomstig het bepaalde in artikel 8 om betaling van de in het certificaat aangegeven produktierestitutie verzoeken nadat het zetmeel tot het betrokken goedgekeurde produkt is verwerkt. 2. De uit het certificaat voortvloeiende rechten zijn niet overdraagbaar. Artikel 7 1. Het certificaat wordt afgegeven onder voorwaarde dat de fabrikant bij de bevoegde autoriteit een zekerheid stelt van 25 Ecu per ton basiszetmeel, in voorkomend geval vermenigvuldigd met de in de bijlage vermelde coëfficiënt voor de soort zetmeel die zal worden gebruikt. 2. De primaire eis in de zin van artikel 20 van Verordening (EEG) nr. 2220/85 is de verwerking binnen de geldigheidsduur van het certificaat van de in de aanvraag aangegeven hoeveelheid zetmeel tot de als zodanig vermelde goedgekeurde produkten. Wanneer een fabrikant evenwel ten minste 95 % van de in de aanvraag aangegeven hoeveelheid zetmeel heeft verwerkt, wordt aangenomen dat hij aan de voorgenoemde primaire eis heeft voldaan. 3. In geval van overmacht kan de gestelde zekerheid eveneens worden vrijgegeven. Artikel 8 1. De fabrikant verstrekt de bevoegde autoriteit bij het aanvragen van de produktierestitutie de volgende gegevens: a) datum, onderscheidenlijk data, van aankoop en levering van het zetmeel, b) naam en adres van de zetmeelleveranciers, c) naam en adres van de zetmeelproducent, d) datum, onderscheidenlijk data, waarop het zetmeel is verwerkt, e) hoeveelheid en soort van het gebruikte zetmeel, met inbegrip van de tariefpost, f) hoeveelheid van het goedgekeurde produkt dat uit het zetmeel is vervaardigd, als aangegeven in het certificaat. 2. De bevoegde autoriteit stelt vervolgens vast dat het zetmeel is gebruikt voor de vervaardiging van de goedgekeurde produkten overeenkomstig de in het certificaat vermelde gegevens. Dit zal gewoonlijk geschieden aan de hand van administratieve controles die, indien nodig geoordeeld, dienen te worden aangevuld met fysieke controles. 3. De in lid 2 bedoelde administratieve controles zullen gewoonlijk worden aangevuld met de door de fabrikant overeenkomstig artikel 4 en overeenkomstig lid 1 van dit artikel verstrekte gegevens. De bevoegde autoriteit kan de fabrikant evenwel vragen hoeveel zetmeel tevoren voor de produktie van het betrokken produkt is gebruikt of om andere inlichtingen ter zake verzoeken. 4. Opdat betaling van de restitutie overeenkomstig artikel 1 kan plaatsvinden, moeten alle controles zijn voltooid en moet het recht van de fabrikant op de produktierestitutie zijn gevestigd binnen 150 dagen na ontvangst door de bevoegde autoriteit van de in lid 1 bedoelde gegevens. Artikel 9 1. Wanneer de bevoegde autoriteit haar controles heeft voltooid, wordt voor de bij de verwerking gebruikte hoeveelheid zetmeel de in het certificaat vermelde produktierestitutie betaald. Tegelijkertijd wordt de zekerheid overeenkomstig Verordening (EEG) nr. 2220/85, titel V, vrijgegeven. 2. Betaling van de restitutie vindt plaats binnen 150 dagen na de ontvangst door de bevoegde autoriteiten van de in artikel 8, lid 1, genoemde gegevens. Op verzoek van de fabrikant kan de bevoegde autoriteit dertig dagen na ontvangst van genoemde gegevens een bedrag voorschieten dat gelijk is aan dat van de produktierestitutie. Dit voorschot wordt evenwel slechts betaald na het stellen door de fabrikant van een zekerheid die gelijk is aan het voorgeschoten bedrag. De zekerheid wordt vrijgegeven overeenkomstig het bepaalde in artikel 19, lid 1, van Verordening (EEG) nr. 2220/85. Artikel 10 Om de bevoegde autoriteit in staat te stellen het bedrag van de te betalen restitutie te berekenen, moeten de fabrikanten in de verkoopseizoenen voor granen 1986/1987, 1987/1988 en 1988/1989, naast de in de artikelen 4 en 8 bedoelde gegevens, schriftelijke bewijzen leveren waaruit de oorsprong van het zetmeel blijkt. Wanneer deze bewijzen niet worden geleverd, neemt de bevoegde autoriteit voor de berekening van de restitutie aan dat het tarwezetmeel betreft. Artikel 11 Binnen drie maanden na het einde van iedere in artikel 2, lid 1, omschreven periode doen de Lid-Staten de Commissie mededeling van de soort en de hoeveelheden zetmeel waarvoor produktierestituties zijn uitgekeerd en de soort en de hoeveelheden produkten waarvoor zetmeel is gebruikt. Artikel 12 Deze verordening treedt in werking op de dag van haar bekendmaking in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen. Zij is van toepassing met ingang van 1 juli 1986. Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke Lid-Staat. Gedaan te Brussel, 10 juli 1986. Voor de Commissie Frans ANDRIESSEN Vice-Voorzitter (1) PB nr. L 281 van 1. 11. 1975, blz. 1. (2) PB nr. L 139 van 24. 5. 1986, blz. 29. (3) PB nr. L 166 van 25. 6. 1976, blz. 3. (4) PB nr. L 94 van 9. 4. 1986, blz. 3. (5) PB nr. L 94 van 9. 4. 1986, blz. 6. (6) PB nr. L 205 van 3. 8. 1985, blz. 5. BIJLAGE 1.2.3 // // // // Nr. van het gemeen- schappelijk douanetarief // Omschrijving // Voor het vervaardigen van 1 ton benodigde hoeveelheid zetmeel - Coëfficiënt - // // // A. BASISZETMEEL (1) 1.2.3 // // // // 11.08 // A. I. Maïszetmeel // 1,00 // // II. Rijstzetmeel // 1,00 // // III. Tarwezetmeel // 1,00 // // IV. Aardappelzetmeel // 1,00 // // // B. DE HIERNA VOLGENDE DERIVATEN, WANNEER ZIJ VERVAARDIGD ZIJN UIT DE BOVENSTAANDE PRODUKTEN: 1.2.3 // // // // 17.02 // B. Glucose (druivesuiker) en glucosestroop, maltodextrine en maltodextrinestroop: // // // I. Glucose en glucosestroop bevattende, in droge toestand, 99 of meer gewichtspercenten zuivere glucose: // // // a) Glucose in wit kristallijn poeder, ook indien geagglomereerd // 1,304 // // b) andere (2) // 1,00 // // II. andere: // // // a) in wit kristallijn poeder, ook indien geagglomereerd // 1,304 // // b) andere (2) // 1,00 // // F. Karamel: // // // II. andere: // // // a) in poeder, ook indien geagglomereerd // 1,366 // // b) overige (2) // 0,95 // 29.04 // C. II. D-Mannitol (mannitol) // 1,52 // // III. D-Glucitol (sorbitol): // // // a) in waterige oplossing (2): // // // 1. met een gehalte aan D-mannitol van 2 of minder gewichtspercenten, berekend op het D-glucitolgehalte // 1,068 // // 2. andere // 0,944 // // b) andere: // // // 1. met een gehalte aan D-mannitol van 2 of minder gewichtspercenten, berekend op het D-glucitolgehalte // 1,52 // // 2. andere // 1,52 // 35.05 // Dextrine en lijm van dextrine; oplosbaar of geroost zetmeel; lijm van zetmeel: // // // A. Dextrine; oplosbaar of geroost zetmeel // 1,174 // // B. Lijm van dextrine en lijm van zetmeel met een gehalte aan dextrine of aan zetmeel: // // // I. van 20 of meer, doch minder dan 25 gewichtspercenten // 0,30 // // II. van 25 of meer, doch minder dan 55 gewichtspercenten // 0,59 // // III. van 55 of meer, doch minder dan 80 gewichtspercenten // 0,94 // // IV. van 80 of meer gewichtspercenten // 1,174 1.2.3 // // // // Nr. van het gemeen- schappelijk douanetarief // Omschrijving // Voor het vervaardigen van 1 ton benodigde hoeveelheid zetmeel - Coëfficiënt - // // // // 38.12 // A. Preparaten voor het appreteren: // // // I. op basis van zetmeel of van zetmeelderivaten, met een gehalte aan deze stoffen: // // // a) van 45 of meer, doch minder dan 55 gewichtspercenten // 0,59 // // b) van 55 of meer, doch minder dan 70 gewichtspercenten // 0,82 // // c) van 70 of meer, doch minder dan 83 gewichtspercenten // 1,00 // // d) van 83 of meer gewichtspercenten // 1,174 // 38.19 // T. D-Glucitol (sorbitol), andere dan die bedoeld bij onderverdeling C III van post 29.04: // // // I. in waterige oplossing (2): // // // a) met een gehalte aan D-mannitol van 2 of minder gewichtspercenten, berekend op het D-glucitolgehalte // 1,068 // // b) andere // 0,944 // // II. andere: // // // a) met een gehalte aan D-mannitol van 2 of minder gewichtspercenten, berekend op het D-glucitolgehalte // 1,52 // // b) overige // 1,52 // // // (1) De aangegeven coëfficiënt geldt voor zetmeel met een drogestofgehalte van ten minste 87 % voor maïs-, rijst- en tarwezetmeel en ten minste 80 % voor aardappelzetmeel. De produktierestitutie voor basiszetmeel met een lager drogestofgehalte dan hetwelk is aangegeven wordt aangepast volgens de volgende formule: 1. Maïs-, rijst- of tarwezetmeel: 1.2 // % drogestofgehalte 87 // × produktierestitutie 2. Aardappelzetmeel: 1.2 // % drogestofgehalte 80 // × produktierestitutie De zuiverheid van het zetmeel in de droge stof moet in elk geval ten minste 97 % bedragen. (2) De produktierestitutie wordt betaald voor produkten van deze posten met een drogestofgehalte van ten minste 78 %. De produktierestitutie voor produkten van deze posten met een drogestofgehalte van minder dan 78 % wordt aangepast volgens de volgende formule: 1.2 // % drogestofgehalte 78 // × produktierestitutie