Verordening (EEG) nr. 1799/86 van de Raad van 9 juni 1986 betreffende de opening, de verdeling en de wijze van beheer van een communautair tariefcontingent voor fosforijzer van post ex 28.55 A van het gemeenschappelijk douanetarief
Publicatieblad Nr. L 157 van 12/06/1986 blz. 0004 - 0006
***** VERORDENING (EEG) Nr. 1799/86 VAN DE RAAD van 9 juni 1986 betreffende de opening, de verdeling en de wijze van beheer van een communautair tariefcontingent voor fosforijzer van post ex 28.55 A van het gemeenschappelijk douanetarief DE RAAD VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN, Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, inzonderheid op artikel 28, Overwegende dat de produktie in de Gemeenschap van fosforijzer, dat 15 gewichtspercenten of meer fosfor bevat, momenteel onvoldoende is om te voorzien in de behoeften van de verwerkende industrieën van de Gemeenschap; dat de bevoorrading van de Gemeenschap derhalve grotendeels van invoer uit derde landen afhankelijk is; dat het in het belang is van de Gemeenschap het recht van het gemeenschappelijk douanetarief voor de betrokken produkten, binnen de grenzen van een passend communautair tariefcontingent, volledig te schorsen; dat het, ten einde de vooruitzichten van de groei van deze communautaire produktie niet te schaden en om een toereikende voorziening van de verwerkende industrie te verzekeren, dienstig is het gebruik van het tariefcontingent te beperken tot die produkten die bestemd zijn voor de vervaardiging van fosforhoudend ruwijzer of van staal, dit contingent voor de periode van 1 juli 1986 tot en met 30 juni 1987 te openen met vrijstelling van rechten en het contingent vast te stellen op 60 000 ton; Overwegende dat met name dient te worden gewaarborgd dat alle importeurs van de Gemeenschap te allen tijde en in gelijke mate gebruik kunnen maken van de door het bedoelde contingent geboden mogelijkheden en dat het aan dat contingent verbonden recht zonder onderbreking wordt toegepast op alle invoer, totdat het contingent is uitgeput; dat een systeem voor de benutting van het communautaire tariefcontingent, gebaseerd op een verdeling over de Lid-Staten, in overeenstemming lijkt te zijn met het communautaire karakter van dat contingent in het licht van de hierboven uiteengezette beginselen; dat die verdeling om zo goed mogelijk bij de werkelijke ontwikkeling op de markt voor het betrokken produkt aan te sluiten, zou moeten geschieden naar verhouding van de behoeften van de Lid-Staten, berekend enerzijds aan de hand van de statistische gegevens betreffende de invoer uit derde landen gedurende een representatieve referentieperiode en anderzijds op basis van de economische vooruitzichten voor de betrokken contingentsperiode; Overwegende dat, aangezien het hier een autonoom communautair tariefcontingent betreft ter voorziening in invoerbehoeften van de Gemeenschap, een verdeling van het contingent op basis van de voorlopige, door ieder van de Lid-Staten geraamde behoeften aan import uit derde landen kan worden geaccepteerd; dat deze wijze van verdeling tevens de uniformiteit van de toepassing van het gemeenschappelijk douanetarief waarborgt; Overwegende dat, ten einde rekening te houden met de eventuele ontwikkeling van de invoer van het betrokken produkt, het contingent in twee gedeelten moet worden geplitst, waarbij het eerste gedeelte over bepaalde Lid-Staten wordt verdeeld, terwijl het tweede gedeelte een reserve vormt ter voorziening in de verdere behoeften van deze Lid-Staten wanneer zij hun aanvankelijke quotum hebben verbruikt en in de eventuele behoeften die zich in de andere Lid-Staten zouden kunnen voordoen; dat het, ten einde aan de importeurs van de Lid-Staten enige zekerheid te verschaffen, dienstig is het eerste gedeelte van het communautair tariefcontingent op een betrekkelijk hoog niveau vast te stellen, dat in het onderhavige geval 56 615 ton zou kunnen bedragen; Overwegende dat de aanvankelijke quota van de Lid-Staten meer of minder spoedig kunnen zijn verbruikt; dat het, ten einde hiermede rekening te houden en elke onderbreking te voorkomen, van belang is dat iedere Lid-Staat die zijn aanvankelijke quotum vrijwel geheel heeft benut, een extra quotum uit de reserve opneemt; dat dergelijke opnemingen door iedere Lid-Staat dienen te worden verricht wanneer elk van zijn extra quota nagenoeg geheel is benut, en wel zo vaak als de reserve dit toelaat; dat de aanvankelijke en de extra quota moeten gelden tot aan het einde van de contingentsperiode; dat deze wijze van beheer een nauwe samenwerking vereist tussen de Lid-Staten en de Commissie, die met name de benuttingsgraad van het contingent moet kunnen volgen en de Lid-Staten daarover moet kunnen inlichten; Overwegende dat, aangezien het Koninkrijk België, het Koninkrijk der Nederlanden en het Groothertogdom Luxemburg verenigd zijn in en vertegenwoordigd worden door de Benelux Economische Unie, elke handeling met betrekking tot het beheer van de aan genoemde Economische Unie toegewezen quota kan worden verricht door een van haar leden, HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD: Artikel 1 1. Van 1 juli 1986 tot en met 30 juni 1987 wordt het recht van het gemeenschappelijk douanetarief voor fosforijzer (ferrofosfor), dat 15 gewichtspercenten of meer fosfor bevat, van post ex 28.55 A, bestemd voor de vervaardiging van fosforhoudend ruwijzer of van staal, volledig geschorst binnen de grenzen van een communautair tariefcontingent van 60 000 ton. 2. Binnen de grenzen van dit tariefcontingent worden door het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek rechten toegepast welke berekend worden overeenkomstig de bepalingen ter zake in de Toetredingsakte. 3. De controle op het gebruik van de produkten voor de bijzondere voorgeschreven bestemming geschiedt door toepassing van de communautaire voorschriften ter zake. Artikel 2 1. Van dit communautaire tariefcontingent wordt een eerste gedeelte, ter grootte van 56 615 ton, over bepaalde Lid-Staten verdeeld; de quota die gelden tot en met 30 juni 1987 bedragen voor ieder van de Lid-Staten de volgende hoeveelheden: 1.2 // // (in ton) // Benelux // 30 000 // Duitsland // 20 000 // Griekenland // 5 // Spanje // 400 // Frankrijk // 3 000 // Italië // 10 // Portugal // 200 // Verenigd Koninkrijk // 3 000. 2. Het tweede gedeelte, ter grootte van 3 385 ton, vormt de reserve. 3. Indien een importeur melding maakt van op handen zijnde invoer van het betrokken produkt in een Lid-Staat die niet deelneemt aan de oorspronkelijke verdeling en verzoekt om voor het contingent in aanmerking te komen, gaat de desbetreffende Lid-Staat door middel van een kennisgeving aan de Commissie over tot opneming van een hoeveelheid die overeenstemt met zijn behoeften voor zover het beschikbare saldo van de reserve dit toelaat. Artikel 3 1. Indien het aanvankelijke quotum van een Lid-Staat, zoals vastgesteld in artikel 2, lid 1, voor 90 % of meer is benut, gaat de betrokken Lid-Staat, door middel van een kennisgeving aan de Commissie, onverwijld over tot opneming, voor zover de reserve zulks toelaat, van een tweede quotum, gelijk aan 10 % van zijn aanvankelijke quotum, eventueel op de volgende eenheid naar boven afgerond. 2. Indien een Lid-Staat, na volledige benutting van zijn aanvankelijke quotum, het door hem opgenomen tweede quotum voor 90 % of meer heeft benut, gaat hij onder de in lid 1 genoemde voorwaarden, over tot opneming van een derde quotum, gelijk aan 5 % van zijn aanvankelijke quotum. 3. Indien een Lid-Staat, na volledige benutting van zijn tweede quotum, het door hem opgenomen derde quotum voor 90 % of meer heeft benut, gaat hij onverwijld, onder dezelfde voorwaarden, over tot opneming van een vierde quotum, dat gelijk is aan het derde. Deze procedure wordt verder gevolgd totdat de reserve is uitgeput. 4. In afwijking van het bepaalde in de leden 1, 2 en 3, kunnen de Lid-Staten overgaan tot opneming van kleinere quota dan de in die leden vastgestelde, indien er redenen zijn om aan te nemen dat die quota wellicht niet geheel zullen worden benut. Zij delen aan de Commissie de redenen mede die tot toepassing van dit lid hebben geleid. Artikel 4 De overeenkomstig artikel 3 opgenomen extra quota gelden tot en met 30 juni 1987. Artikel 5 De Lid-Staten storten uiterlijk op 1 april 1987 van het niet-benutte gedeelte van hun aanvankelijke quotum dat deel in de reserve terug dat op 15 maart 1987 20 % van het aanvankelijke quotum te boven gaat. Zij kunnen een grotere hoeveelheid terugstorten, indien er redenen zijn om aan te nemen dat deze wellicht niet zal worden benut. Elke Lid-Staat doet de Commissie uiterlijk op 1 april 1987 mededeling van de totale invoer van het betrokken produkt, die tot en met 15 maart 1987 heeft plaatsgevonden en op het communautaire contingent is afgeboekt, alsmede eventueel van het gedeelte van zijn aanvankelijke quotum, dat hij in de reserve terugstort. Artikel 6 De Commissie boekt de hoeveelheden van de door de Lid-Staten overeenkomstig de artikelen 2 en 3 geopende quota en brengt elke Lid-Staat, zodra de opgaven haar bereiken, op de hoogte van de uitputtingsgraad van de reserve. Zij stelt de Lid-Staten uiterlijk op 5 april 1987 in kennis van de omvang van de reserve na de overeenkomstig artikel 5 verrichte terugstortingen. Zij draagt er zorg voor dat de opneming uit een van de reserves tot de nog beschikbare hoeveelheid beperkt blijft en deelt daartoe aan de Lid-Staat die deze laatste opneming verricht, mede hoeveel dit saldo bedraagt. Artikel 7 1. De Lid-Staten nemen alle dienstige maatregelen opdat, bij opening van de met toepassing van artikel 3 door hen opgenomen extra quota, zonder onderbreking afboekingen kunnen plaatsvinden op hun gecumuleerde aandeel in het communautaire tariefcontingent. 2. De Lid-Staten waarborgen aan de importeurs van het betrokken produkt vrije toegang tot de hun toegekende quota. 3. De Lid-Staten boeken de ingevoerde hoeveelheden af op hun quota naar gelang het betrokken produkt bij de douane ten invoer in het vrije verkeer wordt aangegeven. 4. De uitputtingsgraad van de quota van de Lid-Staten wordt vastgesteld aan de hand van de ingevoerde hoeveelheden, die op de in lid 3 omschreven wijze zijn afgeboekt. Artikel 8 De Lid-Staten stellen de Commissie op haar verzoek in kennis van de invoer die daadwerkelijk op hun quota is afgeboekt. Artikel 9 De Lid-Staten en de Commissie werken nauw samen om te bereiken dat deze verordening wordt nagekomen. Artikel 10 Deze verordening treedt in werking op 1 juli 1986. Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke Lid-Staat. Gedaan te Luxemburg, 9 juni 1986. Voor de Raad De Voorzitter G. M. V. van AARDENNE