31986R1243

Verordening (EEG) nr. 1243/86 van de Raad van 28 april 1986 tot wijziging van de Verordeningen (EEG) nr. 288/82, (EEG) nr. 1765/82 en (EEG) nr. 1766/82 inzake de gemeenschappelijke regelingen voor de invoer

Publicatieblad Nr. L 113 van 30/04/1986 blz. 0001 - 0003


*****

VERORDENING (EEG) Nr. 1243/86 VAN DE RAAD

van 28 april 1986

tot wijziging van de Verordeningen (EEG) nr. 288/82, (EEG) nr. 1765/82 en (EEG) nr. 1766/82 inzake de gemeenschappelijke regelingen voor de invoer

DE RAAD VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, inzonderheid op artikel 113,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Overwegende dat in de Verordeningen (EEG) nr. 288/82 (1), (EEG) nr. 1765/82 (2) en (EEG) nr. 1766/82 (3) in de mogelijkheid is voorzien om deze op gezette tijden aan te passen, met name op het gebied van overgangsbepalingen met het oog op een verdergaande eenmaking van de invoerregelingen;

Overwegende dat de opgedane ervaring heeft uitgewezen dat thans sommige bepalingen overbodig zijn geworden en dat andere bepalingen moeten worden aangepast aan de bij de eenmaking van de gemeenschappelijke handelspolitiek gemaakte vorderingen;

Overwegende dat het nodig is dat de Commissie en de Lid-Staten op de hoogte worden gehouden van de nationale maatregelen die op de door de artikelen 19 en 21 van Verordening (EEG) nr. 288/82 en door artikel 16 van de Verordeningen (EEG) nr. 1765/82 en (EEG) nr. 1766/82 bestreken gebieden worden genomen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING

VASTGESTELD:

Artikel 1

De artikelen 19, 20 en 21 van Verordening (EEG) nr. 288/82 worden vervangen door:

»Artikel 19

1. Uiterlijk op 31 december 1988 spreekt de Raad zich uit over de wijzigingen die in deze verordening moeten worden aangebracht met het oog op een verdergaande eenmaking van de invoerregeling. De Raad besluit op voorstel van de Commissie, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen en in het licht van de in de gemeenschappelijke handelspolitiek gemaakte vorderingen.

2. In afwachting van deze wijzigingen:

a) mogen de Lid-Staten voor de produkten waarop Verordening (EEG) nr. 3420/83 (1) van toepassing is, de invoer afhankelijk stellen van de voorwaarden dat niet alleen het land van oorsprong van de betrokken produkten, doch ook het land van aankoop of van herkomst behoort tot de landen waarop de onderhavige verordening van toepassing is;

b) gelden de invoerdocumenten die uit hoofde van artikel 11 voor het communautaire toezicht zijn vereist, slechts in de Lid-Staat waar zij zijn afgegeven of geviseerd;

c) mogen de Benelux-landen en de Italiaanse Republiek de formaliteiten van de automatische vergunning of de invoerverklaring die zij thans op de invoer van oorsprong uit Japan en Hong-Kong toepassen, handhaven;

d) mogen de Benelux-landen en Ierland tot en met 30 juni 1987 voor textielprodukten die niet onder een specifieke gemeenschappelijke invoerregeling vallen, nationaal toezicht op de invoer van deze produkten handhaven, automatische vergunningen daaronder begrepen. Dit zelfde geldt voor Ierland voor de invoer van schoeisel van de NIMEXE-codes 64.01-11--19, 64.02-21-99, 64.03-00, 64.04-10, 90;

e) vormt deze verordening geen belemmering voor de handhaving tot en met 30 juni 1988 van de door de Italiaanse Republiek genomen maatregelen om de invoer van voorwerpen, machines en apparaten, gebruikt of nieuw, maar in slechte staat van onderhoud, die vallen onder de hoofdstukken 84 en 85, de posten 86.01 tot en met 86.04 en de hoofdstukken 87 en 93 van het gemeenschappelijk douanetarief, te onderwerpen aan een bijzondere vergunning - overeenkomstig het ministerieel besluit van 6 mei 1976, met inbegrip van de daaraan gehechte lijst en de latere wijzigingen daarvan.

3. De Lid-Staten delen de Commissie, desgevraagd, de voorschriften en alle gegevens mede betreffende de procedures voor het aanvragen van vergunningen, met inbegrip van de voorwaarden waaronder personen,

ondernemingen of instellingen dergelijke aanvragen kunnen indienen. Elke overwogen wijziging in deze voorschriften wordt eveneens aan de Commissie medegedeeld.

(1) PB nr. L 346 van 8. 12. 1983, blz. 6.

Artikel 20

1. Wanneer een Lid-Staat die een invoerbeperking als bedoeld in artikel 1, lid 2, laatste streepje, handhaaft, overweegt om deze te wijzigen, stelt hij de Commissie en de andere Lid-Staten hiervan in kennis.

2. a) Op verzoek van de Commissie of een Lid-Staat wordt over de in lid 1 bedoelde maatregelen voorafgaand overleg gepleegd in het Comité.

b) Wanneer de Commissie binnen een termijn van vijf werkdagen na de in lid 1 bedoelde kennisgeving, niet om overleg heeft verzocht op eigen initiatief of op verzoek van een Lid-Staat dat tijdig voor het verstrijken van genoemde termijn is ontvangen, kan de betrokken Lid-Staat de beoogde maatregel van kracht doen worden.

c) In de andere gevallen wordt het overleg binnen vijf werkdagen na het verstrijken van de onder b) genoemde termijn geopend.

3. a) Wanneer de andere Lid-Staten of de Commissie tijdens het overleg geen bezwaren uiten, stelt de Commissie de betrokken Lid-Staat daarvan onverwijld in kennis waarna laatstgenoemde de beoogde maatregel onmiddellijk van kracht kan doen worden.

b) In de andere gevallen kan de betrokken Lid-Staat de overwogen maatregel pas na het verstrijken van een termijn van twee weken, volgend op de datum waarop het overleg is begonnen, van kracht doen worden.

c) Indien de Commissie binnen deze termijn krachtens artikel 113 van het Verdrag bij de Raad een voorstel indient dat is gericht op het wegnemen van de geuite bezwaren, kan de overwogen maatregel niet van kracht worden voordat de Raad een besluit heeft genomen.

4. In uiterst dringende gevallen zijn tot en met 30 juni 1988 de volgende bepalingen van toepassing:

a) Wanneer, nadat een contingent is uitgeput, de economische behoeften van een Lid-Staat extra invoer noodzakelijk maken uit het land of de landen waaraan het contingent was toegewezen, kan de betrokken Lid-Staat zonder voorafgaande kennisgeving extra invoermogelijkheden scheppen tot ten hoogste 20 % van de omvang of het bedrag van het uitgeputte contingent; hij stelt de Commissie en de andere Lid-Staten hiervan onverwijld in kennis. De in dit lid ingestelde spoedprocedure is niet van toepassing vanaf het tijdstip waarop machtiging is verleend voor het openen van onderhandelingen met het betrokken derde land.

b) Op verzoek van een Lid-Staat of de Commissie wordt overeenkomstig lid 3 achteraf overleg gepleegd over de door een Lid-Staat krachtens dit lid genomen maatregelen.

5. Wanneer een Lid-Staat overweegt tot autonome wijziging van zijn invoerregeling over te gaan voor een in bijlage I opgenomen aardolieprodukt als bedoeld in artikel 3 van Verordening (EEG) nr. 802/68 van de Raad van 27 juni 1968 betreffende de gemeenschappelijke definitie van het begrip »oorsprong van goederen" (1), stelt hij de Commissie en de andere Lid-Staten hiervan in kennis. De procedure van de leden 2, 3 en 4 is in dit geval van toepassing; de overige bepalingen van de onderhavige verordening zijn niet van toepassing.

(1) PB nr. L 148 van 28. 6. 1968, blz. 1.

Artikel 21

1. Deze verordening vormt geen beletsel voor de nakoming van verplichtingen uit bijzondere regels die in tussen de Gemeenschap en derde landen gesloten overeenkomsten zijn vervat.

2. a) Onderminderd andere communautaire bepalingen vormt deze verordening geen beletsel voor aanvaarding of toepassing door de Lid-Staten:

i) van verboden, kwantitatieve beperkingen of maatregelen inzake toezicht die gerechtvaardigd zijn uit hoofde van bescherming van de openbare zedelijkheid, de openbare orde, de openbare veiligheid, de gezondheid en het leven van personen, dieren of planten, het nationaal artistiek, historisch en archeologisch bezit of uit hoofde van bescherming van de industriële of commerciële eigendom;

ii) van speciale formaliteiten op het gebied van het deviezenverkeer;

iii) van formaliteiten die in overeenstemming met het Verdrag zijn ingevoerd uit hoofde van internationale overeenkomsten.

b) De Lid-Staten stellen de Commissie in kennis van de maatregelen of formaliteiten die uit hoofde van dit lid moeten worden ingevoerd of gewijzigd. In uiterst dringende gevallen worden de betrokken nationale maatregelen of formaliteiten onmiddellijk na aanneming ervan ter kennis van de Commissie gebracht.".

Artikel 2

De artikelen 15 en 16 van de Verordeningen (EEG) nr. 1765/82 en (EEG) nr. 1766/82 worden vervangen door:

»Artikel 15

1. Uiterlijk 31 december 1988 spreekt de Raad zich op voorstel van de Commissie met gekwalificeerde meerderheid van stemmen uit over de wijzigingen die in deze verordening moeten worden aangebracht, in het bijzonder met het oog op de invoering van een in de gehele Gemeenschap geldend communautair invoerdocument. 2. Intussen:

- kan elke Lid-Staat weigeren invoerdocumenten in de zin van artikel 10, lid 1, onder b), af te geven of te viseren voor personen die niet op zijn grondgebied gevestigd zijn; deze bepaling doet geen afbreuk aan de verplichtingen die voortvloeien uit de richtlijnen inzake de vrijheid van vestiging en diensten;

- gelden de invoerdocumenten in de zin van artikel 10, lid 1, onder b), slechts in de Lid-Staat waar zij zijn afgegeven of geviseerd.

Artikel 16

1. Deze verordening vormt geen beletsel voor de nakoming van verplichtingen uit bijzondere regels die in tussen de Gemeenschap en derde landen gesloten overeenkomsten zijn vervat.

2. a) Onverminderd de overige communautaire bepalingen vormt deze verordening geen beletsel voor de aanvaarding of de toepassing door een Lid-Staat van verboden of kwantitatieve beperkingen van invoer die gerechtvaardigd zijn uit hoofde van bescherming van de openbare zedelijkheid, de openbare orde, de openbare veiligheid, de gezondheid en het leven van personen, dieren of planten, het nationaal artistiek, historisch en archeologisch bezit of uit hoofde van bescherming van de industriële en commerciële eigendom.

b) De Lid-Staten stellen de Commissie in kennis van de maatregelen of formaliteiten die uit hoofde van dit lid moeten worden ingevoerd of gewijzigd. In uiterst dringende gevallen worden de betrokken nationale maatregelen of formaliteiten onmiddellijk na aanneming ervan ter kennis van de Commissie gebracht.".

Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op de derde dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke Lid-Staat.

Gedaan te Luxemburg, 28 april 1986.

Voor de Raad

De Voorzitter

H. RUDING

(1) PB nr. L 35 van 9. 2. 1982, blz. 1.

(2) PB nr. L 195 van 5. 7. 1982, blz. 1.

(3) PB nr. L 195 van 5. 7. 1982, blz. 21.