31986D0020

86/20/EEG: Besluit van de Commissie van 31 januari 1986 tot beëindiging van de anti-dumpingprocedure betreffende de invoer van hamers van oorsprong uit de Volksrepubliek China

Publicatieblad Nr. L 029 van 04/02/1986 blz. 0036 - 0037


*****

BESLUIT VAN DE COMMISSIE

van 31 januari 1986

tot beëindiging van de anti-dumpingprocedure betreffende de invoer van hamers van oorsprong uit de Volksrepubliek China

(86/20/EEG)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE

GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EEG) nr. 2176/84 van de Raad van 23 juli 1984 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping of subsidiëring uit landen die geen lid zijn van de Europese Economische Gemeenschap (1), inzonderheid op artikel 9,

Na overleg in het kader van het in genoemde verordening bedoelde Raadgevend Comité,

Overwegende hetgeen volgt:

A. Procedure

(1) In 1984 heeft de Commissie een klacht ontvangen, ingediend door het European Tool Committee (het Europees Comité voor Gereedschap (ECG)) namens producenten in de Gemeenschap die vrijwel de gehele produktie in de Gemeenschap van het betrokken produkt voor hun rekening nemen. De klacht bevatte bewijsmateriaal van dumping en van daaruit voortvloeiende aanmerkelijke schade, dat voldoende werd geacht om inleiding van een procedure te rechtvaardigen. Bijgevolg heeft de Commissie met een bericht in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen (2) de inleiding aangekondigd van een anti-dumpingprocedure betreffende de invoer in de Gemeenschap van bolkophamers, klauwhamers, bankwerkershamers en voorhamers van onedel metaal, vallende onder post ex 82.04 van het gemeenschappelijk douanetarief, overeenkomende met NIMEXE-code ex 82.04-50, van oorsprong uit de Volksrepubliek China, en is zij met een onderzoek begonnen.

(2) De Commissie heeft de naar haar weten belanghebbende exporteurs en importeurs en de indieners van de klacht daarvan officieel in kennis gesteld en de rechtstreeks belanghebbende partijen in de gelegenheid gesteld hun standpunt schriftelijk kenbaar te maken en een verzoek in te dienen om te worden gehoord.

(3) Ten einde alle inlichtingen te verkrijgen die zij noodzakelijk achtte heeft de Commissie aan 19 Duitse, Franse en Britse ondernemingen uit welker naam de klacht was ingediend, vragenlijsten gezonden om elke onderneming in de gelegenheid te stellen de schade aan te tonen die haar berokkend was door de invoer van de uit de Volksrepubliek China ingevoerde hamers.

(4) Er werd antwoord ontvangen van slechts negen ondernemingen, waarvan er slechts vijf de in de vragenlijst verzochte inlichtingen verstrekten; twee gaven onvolledige antwoorden en twee andere gaven ten antwoord dat zij zichzelf niet benadeeld achtten door de invoer van de betrokken produkten uit de Volksrepubliek China.

(5) Ondanks daaropvolgende verzoeken van de Commissie aan het ECG om een meer volledig antwoord van haar leden, werden van de andere tien producenten geen verdere antwoorden ontvangen. De Commissie heeft een grondig onderzoek verricht inzake de ondernemingen waarvan een antwoord werd ontvangen. Geen van de producenten verzocht door de Commissie te worden gehoord. Wel is één importeur op zijn verzoek gehoord.

(6) De Commissie verifieerde de ingekomen inlichtingen voor zover zij dit voor een voorlopige vaststelling noodzakelijk achtte en heeft onderzoeken verricht ten kantore van de navolgende EEG-producenten:

- Hermann Bremer KG, Wuppertal, Duitsland,

- Burgon & Ball Ltd, Sheffield, Verenigd Koninkrijk,

- Goldenberg SA, Saverne, Frankrijk,

- Outillage Mob, Le Chambon-Feugerolles, Frankrijk,

- Carl Dan Peddinghaus GmbH & Co. KG, Ennepetal, Duitsland,

- Joh. Herm Picard, Wuppertal, Duitsland,

- Spear & Jackson (Tools) Ltd, West Midlands, Verenigd Koninkrijk,

- Stanley Tools Ltd, Sheffield, Verenigd Koninkrijk,

- WM Whitehouse & Co. (Tools) Ltd, West Midlands, Verenigd Koninkrijk.

De indiener van de klacht ontving desgevraagd alle bij de Commissie beschikbare inlichtingen, voor zover deze inlichtingen zijn belang dienden, die door de Commissie gedurende het onderzoek waren gebruikt en op haar bevindingen van doorslaggevende invloed waren geweest.

De vrijgegeven inlichtingen werden door de Commissie niet beschouwd als vertrouwelijk in de zin van artikel 8 van Verordening (EEG) nr. 2176/84.

B. Schade

(7) Met betrekking tot de stelling dat de invoer van hamers uit het betrokken land schadelijk was voor de EEG-producenten van dit produkt, bleek uit het onderzoek dat de invoer in de Gemeenschap uit de Volksrepubliek China van 3 501 ton in 1980 was gestegen tot 4 344 ton in 1982, doch was gedaald tot 4 028 ton in 1983, tot 3 685 ton in 1984 en tot 1 184 ton in het eerste halfjaar van 1985. Deze daling betekende een verlies aan marktaandeel van ongeveer 40 % in 1982 tot 16 % in het eerste halfjaar van 1985.

(8) Uit de inlichtingen die van de ondernemingen die de klacht hadden ingediend en die aan het onderzoek meewerkten werden ontvangen, bleek dat hun produktie van 2 167 ton in 1980 tot 2 404 ton in 1984 was gestegen. Met betrekking tot de stelling dat de benuttingsgraad wegens de betrokken invoer was afgenomen, bleek dat deze tot 1983 een gestage daling vertoonde, gevolgd door een opwaartse tendens in 1984 en in het eerste halfjaar 1985. Inzake de verkopen in de Gemeenschap en de verkopen buiten de Gemeenschap kon zelfs van de ondernemingen die hun medewerking aan deze procedure verleenden, geen concrete informatie worden verkregen. Niettemin kan, gezien het feit dat de omvang van de voorraden tussen 1980 en 1984 niet wezenlijk veranderde en dat de totale uitvoer naar derde landen stabiel bleef, worden geconcludeerd dat het marktaandeel van de EEG-producenten in de Gemeenschap tussen 1980 en 1984 met ongeveer 5 % is gestegen.

(9) Ofschoon de prijsontwikkeling, voorafgaand aan en gedurende de referentieperiode, overal in de Gemeenschap over het algemeen vrij geringe stijgingen vertoonde, is de Commissie van mening dat over het algemeen uit het beschikbare bewijsmateriaal inzake de hoeveelheden die zowel uit het betrokken land als uit andere landen zijn ingevoerd, uit de prijsstelling van deze invoer en de prijsstelling van de produkten van de EEG-producenten blijkt dat het feit dat de prijzen niet sneller gestegen zijn niet op afdoende wijze aan de betrokken invoer toe te schrijven is. De Commissie heeft evenwel geïsoleerde regionale gevallen van druk op de prijzen aangetroffen die konden worden toegeschreven aan een bepaald gedeelte van de betrokken invoer, doch het schadelijke gevolg daarvan op de prijzen was beperkt, zowel in tijdsduur als tot de onmiddellijke omgeving van de haven van binnenkomst, en kon, gelet op de betrokken hoeveelheden, op communautaire schaal niet aanmerkelijk worden geacht.

Bovendien hadden alle ondernemingen die de klacht hadden ingediend en die aan het onderzoek hadden medegewerkt, bij hun verkopen van hamers in de Gemeenschap gedurende de referentieperiode op één uitzondering na winst gemaakt, en in sommige gevallen op een, gezien de algemene economische toestand, vrij hoog niveau.

(10) Op grond van het beschikbare bewijsmateriaal is de Commissie derhalve van mening dat voor zover de ondernemingen die de klacht hadden ingediend en die hadden medegewerkt gedurende de referentieperiode, wellicht schade hadden opgelopen die afdoende kon worden toegeschreven aan de betrokken invoer, deze schade niet als aanmerkelijk kan worden beschouwd. Bovendien bleef een groot aantal ondernemingen die de klacht hadden ingediend, ondanks herhaalde verzoeken, in gebreke mee te werken door de nodige gegevens inzake schade te verstrekken, hetgeen het onderzoek aanzienlijk belemmerde. Uit deze houding heeft de Commissie afgeleid dat het onwaarschijnlijk was dat de eventueel door deze ondernemingen geleden schade aanmerkelijk was.

C. Dumping

(11) Gezien de bovengenoemde bevindingen met betrekking tot schade, acht de Commissie het onnodig de bewerking inzake dumping met betrekking tot de invoer in kwestie te onderzoeken, aangezien anti-dumpingmaatregelen alleen kunnen worden genomen wanneer uit het onderzoek blijkt dat gedurende de door het onderzoek bestreken periode dumping heeft plaatsgevonden, dat daarbij aanmerkelijke schade is veroorzaakt en dat dergelijke maatregelen in het belang van de Gemeenschap vereist zijn.

Onder deze omstandigheden wordt het passend geacht de procedure zonder de instelling van beschermende maatregelen te beëindigen.

In het Raadgevend Comité werd hiertegen geen bezwaar gemaakt,

BESLUIT:

Enig artikel

De anti-dumpingprocedure betreffende de invoer van hamers van oorsprong uit de Volksrepubliek China wordt beëindigd.

Gedaan te Brussel, 31 januari 1986.

Voor de Commissie

Willy DE CLERCQ

Lid van de Commissie

(1) PB nr. L 201 van 30. 7. 1984, blz. 1.

(2) PB nr. C 96 van 17. 4. 1985, blz. 3.