31985R2195

Verordening (EEG) nr. 2195/85 van de Raad van 25 juli 1985 betreffende de opening, de verdeling en de wijze van beheer van communautaire tariefcontingenten voor bepaalde visserijprodukten, gezouten, van de posten ex 03.02 A I b) en ex 03.02 A II a) van het gemeenschappelijk douanetarief

Publicatieblad Nr. L 204 van 02/08/1985 blz. 0005 - 0007


*****

VERORDENING (EEG) Nr. 2195/85 VAN DE RAAD

van 25 juli 1985

betreffende de opening, de verdeling en de wijze van beheer van communautaire tariefcontingenten voor bepaalde visserijprodukten, gezouten, van de posten ex 03.02 A I b) en ex 03.02 A II a) van het gemeenschappelijk douanetarief

DE RAAD VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, inzonderheid op artikel 113,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Overwegende dat de Gemeenschap zich ertoe heeft verbonden om voor kabeljauw, in gehele staat of ontdaan van kop, en voor filets van kabeljauw, gezouten, van post ex 03.02 A I b) en post ex 03.02 A II a) van het gemeenschappelijk douanetarief jaarlijks communautaire tariefcontingenten met vrijdom van rechten te openen die voor het jaar 1985 ten hoogste 4 000 en 2 500 ton bedragen; dat de laatste maanden aan deze verplichting werd voldaan door de totale schorsing van het recht van het gemeenschappelijk douanetarief overeenkomstig Verordening (EEG) nr. 3796/81 van de Raad van 29 december 1981 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector visserijprodukten (1); dat deze schorsing evenwel op 1 juli 1985 ten einde loopt krachtens Verordening (EEG) nr. 3655/84 (2) waarbij voornoemde verordening wordt gewijzigd; dat het wenselijk is het openen van deze tariefcontingenten uit te stellen tot 1 september 1985; dat het eerste contingent geldt voor vissen van de soort »Gadus morhua"; dat de betreffende tariefcontingenten derhalve op 1 september 1985 voor de rest van het lopende jaar dienen te worden geopend en over de Lid-Staten moeten worden verdeeld;

Overwegende dat de Helleense Republiek, overeenkomstig artikel 64 van de Toetredingsakte van 1979, gehouden is om voor het betrokken produkt vanaf 1 januari 1981 het invoerrecht van het gemeenschappelijk douanetarief volledig toe te passen; dat het derhalve noodzakelijk is om met ingang van die datum met gebruikmaking van het betrokken tariefcontingent te voorzien in de behoeften van deze Lid-Staat in de loop van het betrokken contingentstijdvak;

Overwegende dat met name dient te worden gewaarborgd dat alle importeurs in gelijke mate en te allen tijde gebruik kunnen maken van genoemd contingent en dat het aan het contingent verbonden recht zonder onderbreking op alle invoer wordt toegepast totdat dit contingent geheel is benut; dat, gezien bovengenoemde beginselen, een systeem voor de benutting van het communautaire tariefcontingent, gebaseerd op een verdeling over de Lid-Staten, in overeenstemming lijkt te zijn met het communautaire karakter van genoemd contingent; dat deze verdeling, om de werkelijke ontwikkeling op de markt van het betrokken produkt zo goed mogelijk weer te geven, zou moeten worden toegepast naar verhouding van de behoeften, berekend enerzijds op grond van de statistische gegevens betreffende de invoer uit derde landen gedurende een representatieve referentieperiode en anderzijds op grond van de economische vooruitzichten voor het betrokken contingentsjaar;

Overwegende evenwel dat het produkten betreft die niet als zodanig in de statistische nomenclatuur zijn vermeld; dat het daarom nog niet mogelijk is om voldoende nauwkeurige en representatieve statische gegevens te verzamelen; dat het bijgevolg dienstig is uit te gaan van de statistische gegevens met betrekking tot de invoer van kabeljauw en filets van kabeljauw, ongeacht de soort, de vorm waarin ze worden aangeboden en de wijze van conservering, uit derde landen die geen tariefpreferentie genieten; dat de percentages van de aanvankelijke deelneming in de contingenten derhalve als volgt kunnen luiden:

1.2.3 // // // // // ex 03.02 A I b) // ex 03.02 A II a) // // // // Benelux // 1,64 // 0,02 // Denemarken // 1,69 // 0,08 // Duitsland // 2,89 // 0,09 // Griekenland // 16,73 // 1,02 // Frankrijk // 29,02 // 4,15 // Ierland // 0,01 // 0,01 // Italië // 46,47 // 94,62 // Verenigd Koninkrijk // 1,57 // 0,01 // // //

Overwegende dat, ten einde rekening te houden met de eventuele ontwikkeling van de invoer van genoemde vissoort, het contingent in twee gedeelten moet worden gesplitst, waarbij het eerste gedeelte over de Lid-Staten wordt verdeeld en het tweede gedeelte een reserve vormt om de latere behoeften te dekken van de Lid-Staten die hun aanvankelijk quotum hebben uitgeput; dat ten einde de importeurs een zekere waarborg te bieden, het eerste gedeelte van het communautaire tariefcontingent moet worden vastgesteld op een hoog niveau, dat in het onderhavige geval 80 % van het contingent zou kunnen bedragen;

Overwegende dat de aanvankelijke quota meer of minder spoedig kunnen zijn uitgeput; dat het, ten einde hiermee rekening te houden en elke onderbreking te vermijden, dienstig is dat iedere Lid-Staat die zijn aanvankelijk quotum nagenoeg geheel heeft benut, een extra quotum uit de reserve opneemt; dat deze opneming door iedere Lid-Staat moet worden verricht wanneer elk van zijn extra quota bijna geheel is benut en wel zo vaak als de reserve dat toelaat; dat de aanvankelijke en de extra quota geldig moeten zijn tot aan het einde van de contingentsperiode; dat deze wijze van beheer een nauwe samenwerking vereist tussen de Lid-Staten en de Commissie, die met name de benuttingsgraad van het contingent moet kunnen volgen en de Lid-Staten hierover moet kunnen inlichten;

Overwegende dat het, indien in een Lid-Staat op een bepaald tijdstip van de contingentsperiode een belangrijk overschot bestaat, noodzakelijk is dat die Staat daarvan een aanzienlijk percentage terugstort in de reserve, ten einde te vermijden dat een gedeelte van het communautaire contingent in een Lid-Staat onbenut blijft, terwijl andere Lid-Staten er gebruik van zouden kunnen maken;

Overwegende dat, aangezien het Koninkrijk België, het Koninkrijk der Nederlanden en het Groothertogdom Luxemburg verenigd zijn in en vertegenwoordigd worden door de Benelux Economische Unie, elke handeling met betrekking tot het beheer van de aan de genoemde Economische Unie toegewezen quota kan worden verricht door één van haar leden,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING

VASTGESTELD:

Artikel 1

1. Met ingang van 1 september 1985 en tot en met 31 december 1985 worden voor de hierna genoemde produkten tariefcontingenten tot de aangegeven maxima geopend:

1.2.3 // // // // Nr. van het gemeen- schappelijk douanetarief // Omschrijving // Contingent // // // // ex 03.02 A I b) // Kabeljauw van de soort »Gadus morhua", in gehele staat of ontdaan van kop, gezouten // 4 000 ton // ex 03.02 A II a) // Filets van kabeljauw, gezouten // 2 500 ton // // //

2. Binnen de grenzen van deze tariefcontingenten wordt het recht van het gemeenschappelijk douanetarief volledig geschorst.

Artikel 2

1. De in artikel 1 genoemde communautaire tariefcontingenten worden in twee gedeelten gesplitst.

2. Een eerste gedeelte van respectievelijk 3 200 en 2 000 ton wordt over de Lid-Staten verdeeld; de quota die, behoudens artikel 5, van 1 september tot en met 31 december 1985 gelden, hebben de onderstaande omvang (in ton):

1.2.3 // // // // // ex 03.02 A I b) // ex 03.02 A II a) // // // // Benelux // 52 // 1 // Denemarken // 54 // 2 // Duitsland // 92 // 2 // Griekenland // 535 // 20 // Frankrijk // 929 // 83 // Ierland // 1 // 1 // Italië // 1 487 // 1 890 // Verenigd Koninkrijk // 50 // 1 // // //

3. Het tweede gedeelte van respectievelijk 800 en 500 ton vormt de overeenkomstige reserve.

Artikel 3

1. Indien het aanvankelijk aan een Lid-Staat toegekende quotum - zoals dit in artikel 2, lid 2, is vastgesteld - dan wel datzelfde quotum verminderd met het bij toepassing van artikel 5 in de reserve teruggestorte gedeelte, voor 90 % of meer is benut, gaat deze Lid-Staat door middel van een kennisgeving aan de Commissie onverwijld over tot opneming, voor zover de reserve zulks toelaat, van een tweede quotum, gelijk aan 10 % van zijn aanvankelijk quotum, eventueel op de volgende eenheid naar boven afgerond.

2. Indien, na uitputting van zijn aanvankelijk quotum, ook het tweede door een Lid-Staat opgenomen quotum voor 90 % of meer is benut, gaat deze Lid-Staat onder de in lid 1 genoemde voorwaarden onverwijld over tot opneming van een derde quotum, gelijk aan 5 % van zijn aanvankelijk quotum, eventueel op de volgende eenheid naar boven afgerond.

3. Indien, na uitputting van zijn tweede quotum, ook het derde door een Lid-Staat opgenomen quotum voor 90 % of meer is benut, gaat deze Lid-Staat onder de in lid 1 genoemde voorwaarden over tot opneming van een vierde quotum, dat gelijk is aan het derde.

Deze handelwijze wordt toegepast todat de reserve is uitgeput.

4. In afwijking van de leden 1, 2 en 3 kan elke Lid-Staat overgaan tot opneming van kleinere quota dan in die leden is bepaald, indien er redenen zijn om aan te nemen dat deze wellicht niet zullen worden uitgeput. Hij deelt aan de Commissie de redenen mede die tot toepassing van dit lid hebben geleid. Artikel 4

De overeenkomstig artikel 3 opgenomen extra quota gelden tot en met 31 december 1985.

Artikel 5

De Lid-Staten storten uiterlijk op 1 november 1985 van het niet-benutte gedeelte van hun aanvankelijk quotum dat deel in de reserve terug dat op 15 oktober 1985 20 % van het aanvankelijk quotum te boven gaat. Zij kunnen een grotere hoeveelheid terugstorten, indien er redenen zijn om aan te nemen dat deze wellicht niet zal worden benut.

Elke Lid-Staat doet de Commissie uiterlijk op 1 november 1985 mededeling van de totale invoer van het betrokken produkt die tot en met 15 oktober 1985 heeft plaatsgevonden en op het communautaire contingent is afgeboekt, alsmede eventueel van het gedeelte van zijn aanvankelijk quotum dat hij in de reserve terugstort.

Artikel 6

De Commissie boekt de hoeveelheden van de door de Lid-Staten overeenkomstig de artikelen 2 en 3 geopende quota en brengt elke Lid-Staat, zodra de opgaven haar bereiken, op de hoogte van de uitputtingsgraad van de reserve.

Zij stelt de Lid-Staten uiterlijk op 5 november 1985 in kennis van de omvang van de reserve na de overeenkomstig artikel 5 verrichte terugstortingen.

Zij draagt er zorg voor dat de opneming uit de reserve tot de nog beschikbare hoeveelheid beperkt blijft en deelt daartoe aan de Lid-Staat die deze laatste opneming verricht, mede hoeveel dit saldo bedraagt.

Artikel 7

1. De Lid-Staten nemen alle dienstige maatregelen opdat bij opening van de met toepassing van artikel 3 door hen opgenomen extra quota, de door hen ingevoerde hoeveelheden zonder onderbreking kunnen worden afgeboekt op hun gecumuleerd aandeel in het communautaire contingent.

2. De Lid-Staten waarborgen de importeurs van het produkt vrije toegang tot de hun toegekende quota.

3. De Lid-Staten boeken de ingevoerde hoeveelheden af op hun quota naar gelang het betrokken produkt bij de douane ten invoer in het vrije verkeer wordt aangegeven.

4. De benuttingsgraad van de quota van de Lid-Staten wordt vastgesteld op grond van de ingevoerde hoeveelheden, die onder de in lid 3 bepaalde voorwaarden worden afgeboekt.

Artikel 8

De Lid-Staten stellen de Commissie op haar verzoek op de hoogte van de invoer die daadwerkelijk op hun quota is afgeboekt.

Artikel 9

De Lid-Staten en de Commissie werken nauw samen om te bereiken dat deze verordening wordt nagekomen.

Artikel 10

Deze verordening treedt in werking op 1 september 1985.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke Lid-Staat.

Gedaan te Brussel, 25 juli 1985.

Voor de Raad

De Voorzitter

J. POOS

(1) PB nr. L 379 van 31. 12. 1981, blz. 1.

(2) PB nr. L 340 van 28. 12. 1984, blz. 1.