31985R0123

Verordening (EEG) nr. 123/85 van de Commissie van 12 december 1984 betreffende de toepassing van artikel 85, lid 3, van het Verdrag op groepen afzet- en klantenserviceovereenkomsten inzake motorvoertuigen

Publicatieblad Nr. L 015 van 18/01/1985 blz. 0016 - 0024
Bijzondere uitgave in het Fins: Hoofdstuk 8 Deel 1 blz. 0056
Bijzondere uitgave in het Spaans: Hoofdstuk 08 Deel 2 blz. 0150
Bijzondere uitgave in het Zweeds: Hoofdstuk 8 Deel 1 blz. 0056
Bijzondere uitgave in het Portugees: Hoofdstuk 08 Deel 2 blz. 0150


*****

VERORDENING (EEG) Nr. 123/85 VAN DE COMMISSIE

van 12 december 1984

betreffende de toepassing van artikel 85, lid 3, van het Verdrag op groepen afzet- en klantenserviceovereenkomsten inzake motorvoertuigen

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE

GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap,

Gelet op Verordening nr. 19/65/EEG van de Raad van 2 maart 1965 betreffende de toepassing van artikel 85, lid 3, van het Verdrag op groepen van overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen (1), laatstelijk gewijzigd bij de Toetredingsakte van Griekenland,

Na bekendmaking van de ontwerp-verordening (2),

Na raadpleging van het Adviescomité voor mededingingsregelingen en economische machtsposities,

(1) Overwegende dat overeenkomstig artikel 1, lid 1, sub a), van Verordening nr. 19/65/EEG aan de Commissie de bevoegdheid is verleend artikel 85, lid 3, van het Verdrag bij verordening toe te passen op bepaalde, onder artikel 85, lid 1, vallende groepen van tweezijdige overeenkomsten, waarbij de ene partij bij de overeenkomst zich jegens de andere verplicht bepaalde produkten met het oog op wederverkoop binnen een overeengekomen gedeelte van het grondgebied van de gemeenschappelijke markt slechts aan haar te leveren; dat op grond van de ervaring die is opgedaan sedert Beschikking 75/73/EEG van de Commissie (3) en de talrijke afzet- en klantenserviceovereenkomsten in de automobielsector, die overeenkomstig de artikelen 4 en 5 van Verordening nr. 17 van de Raad (4), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EEG) nr. 2821/71 (5), bij de Commissie zijn aangemeld, een groep overeenkomsten kan worden aangeduid, waarvan kan worden aangenomen dat zij aan de voorwaarden van Verordening nr. 19/65/EEG voldoen; dat het gaat om overeenkomsten van bepaalde of onbepaalde duur waarbij de leverende contractpartij de wederverkopende contractpartij ermee belast de afzet van en klantenservice voor bepaalde produkten uit de automobielsector binnen een afgebakend gebied te bevorderen en waarbij de leverancier ten opzichte van de dealer de verplichting op zich neemt contractprodukten binnen het contractgebied met het oog op wederverkoop slechts aan de dealer of, afgezien van deze laatste, slechts aan een beperkt aantal van het distributienet deel uitmakende ondernemingen te leveren;

Overwegende dat, voor de toepassing van deze verordening in artikel 13 een reeks begrippen wordt gedefinieerd;

(2) Overwegende dat de in de artikelen 1, 2 en 3 van de onderhavige verordening genoemde verplichtingen in de regel weliswaar ertoe strekken of ten gevolge hebben dat de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt wordt verhinderd, beperkt of vervalst en in de regel ook de handel tussen Lid-Staten ongunstig kunnen beïnvloeden; dat desalniettemin het verbod van artikel 85, lid 1, van het Verdrag voor deze verplichtingen, zij het alleen onder beperkende voorwaarden, overeenkomstig artikel 85, lid 3, buiten toepassing kan worden verklaard;

(3) Overwegende dat de toepasselijkheid van artikel 85, lid 1, van het Verdrag op afzet- en klantenserviceovereenkomsten in de automobielsector met name voortvloeit uit het feit dat de in de artikelen 1 tot en met 4 van deze verordening genoemde concurrentiebeperkingen en verplichtingen binnen het raam van het distributiestelsel van een fabrikant in het algemeen overal binnen de gemeenschappelijke markt in dezelfde of in een vergelijkbare vorm plegen te worden toegepast; dat de automobielfabrikanten de gehele gemeenschappelijke markt of wezenlijke delen daarvan door een bundeling van overeenkomsten met soortgelijke concurrentiebeperkingen bestrijken en daardoor niet slechts de afzet en klantenservice binnen de Lid-Staten maar ook de handel tussen de Lid-Staten ongunstig beïnvloeden;

(4) Overwegende dat de regelingen inzake exclusieve en selectieve afzet in de automobielsector kunnen worden geacht de rationalisering te dienen en onmisbaar te zijn, aangezien motorvoertuigen duurzame roerende consumptiegoederen zijn, die geregeld, maar ook op onvoor

ziene tijdstippen en niet steeds op dezelfde plaats onderhoud en herstel door vaklieden behoeven; dat de automobielfabrikanten met de geselecteerde dealers en garagebedrijven samenwerken, ten einde voor een op het specifieke produkt afgestemde klantenservice zorg te kunnen dragen; dat bij een dergelijke samenwerking reeds op grond van capaciteits- en efficiëntieoverwegingen geen onbeperkt aantal dealers en garagebedrijven kan worden betrokken; dat de koppeling van verkoop en klantenservice efficiënter moet worden geacht dan een scheiding tussen een afzetorganisatie voor nieuwe motorvoertuigen, enerzijds, en een klantenserviceorganisatie gepaard gaande met de verkoop van reserveonderdelen, anderzijds, te meer daar aan de aflevering van het aan de eindgebruiker verkochte nieuwe motorvoertuig een met de richtlijnen van de fabrikant overeenstemmende technische controle door de van het distributienet deel uitmakende onderneming vooraf moet gaan;

(5) Overwegende dat voor een efficiënte distributie de verplichting tot afzet via het erkende distributienet echter niet in ieder opzicht onontbeerlijk is; dat de uitzonderingen op de vrijstelling erop gericht zijn dat levering van contractprodukten aan wederverkopers niet kan worden verboden, indien dezen

- deel uitmaken van hetzelfde distributienet (artikel 3, punt 10, sub a)), of

- voor herstelling en onderhoud reserveonderdelen kopen om deze zelf te gebruiken (artikel 3, punt 10, sub b));

dat met de overeenkomstig deze verordening verleende vrijstelling maatregelen van de fabrikant en van de ondernemingen uit zijn distributienet in overeenstemming zijn, die de bescherming van zijn selectief distributiestelsel beogen; dat dit met name geldt voor een verplichting van de dealer om aan eindgebruikers, die een tussenpersoon ingeschakeld hebben, alleen dan motorvoertuigen te verkopen, wanneer deze eindgebruikers aan de tussenpersoon een volmacht hebben verstrekt (artikel 3, punt 11);

(6) Overwegende dat het mogelijk moet zijn buiten het distributienet staande groothandelaren uit te sluiten van de wederverkoop van onderdelen die van de automobielfabrikant afkomstig zijn; dat het aannemelijk is dat de juist voor de gebruiker gunstige regeling van een snelle beschikbaarheid van onderdelen van het volledige, door het contract bestreken gamma, met inbegrip van vrij zelden verkochte onderdelen, zonder verkoopbinding niet kan worden gehandhaafd;

(7) Overwegende dat het concurrentieverbod en de tot bepaalde handelsbedrijven beperkte merkexclusiviteit in beginsel kunnen worden vrijgesteld, omdat zij ertoe bijdragen dat de tot het distributienet behorende ondernemingen zich op de door de fabrikant of met diens toestemming geleverde produkten concentreren en op die manier voor een afzet en een klantenservice zorg dragen die specifiek op de kenmerken van het motorvoertuig zijn afgestemd (artikel 3, punt 3); dat deze verplichtingen een steun vormen voor de inspanningen die de dealer zich ten aanzien van de afzet van en de klantenservice voor de contractprodukten getroost en derhalve ook de concurrentie tussen de contractprodukten en met concurrerende produkten bevorderen;

(8) Overwegende dat het concurrentieverbod echter niet in alle gevallen onmisbaar voor een efficiënte afzet kan worden geacht; dat dealers de vrijheid moeten hebben onderdelen die in kwalitatief opzicht overeenkomen met die welke door de leverancier worden aangeboden - die bij voorbeeld uit dezelfde produktie van een toeleverancier van de automobielfabrikant afkomstig zijn - van derden te betrekken, deze te gebruiken en door te verkopen; dat zij voorts de vrijheid van keuze moeten behouden ten aanzien van die onderdelen die kunnen worden gebruikt voor motorvoertuigen van het door de overeenkomst bestreken gamma en die niet alleen aan de kwaliteitsmaatstaven beantwoorden, maar deze zelfs overtreffen; dat met een dusdanige afbakening van het concurrentieverbod wordt bereikt, dat zowel met het veiligheidsaspect van het motorvoertuig als met de instandhouding van een daadwerkelijke mededinging rekening wordt gehouden (artikel 3, punt 4, en artikel 4, lid 1, punten 6 en 7);

(9) Overwegende dat de beperkingen waaraan de dealer buiten het contractgebied is onderworpen, tot meer inzet bij afzet en klantenservice binnen een overzichtelijk contractgebied tot een meer consumentgerichte marktkennis en tot een op de behoeften afgestemd aanbod (artikel 3, punten 8 en 9) leiden; dat de vraag naar contractprodukten echter flexibel moet kunnen blijven en niet tot een bepaald gebied mag worden beperkt; dat de dealers niet slechts aan de vraag naar contractprodukten binnen het contractgebied moeten voldoen, maar ook aan die van particulieren en ondernemingen uit andere gebieden van de gemeenschappelijke markt; dat het gebruik door de dealer van reclamemiddelen, waarmee hij zich tot afnemers binnen het contractgebied richt, doch die tezelfdertijd ook daarbuiten weerklank vinden, hem niet belet mag worden, aangezien daardoor aan de verplichting om een grotere inspanning tot afzetbevordering in het contractgebied te leveren, geen afbreuk wordt gedaan; (10) Overwegende dat de in artikel 4, lid 1, bedoelde verplichtingen met de in de artikelen 1, 2 en 3 genoemde verplichtingen in zakelijk verband staan en het concurrentiebeperkende effect ervan beïnvloeden; dat voor zover zij in een individueel geval onder het verbod van artikel 85, lid 1, van het Verdrag vallen, wegens het verband tussen die verplichtingen en één of meer van de overeenkomstig de artikelen 1, 2 en 3 vrijgestelde verplichtingen eveneens kunnen worden vrijgesteld (artikel 4, lid 2);

(11) Overwegende dat overeenkomstig artikel 1, lid 2, sub b), van Verordening nr. 19/65/EEG, de voorwaarden moeten worden aangegeven waaraan moet zijn voldaan, om aan de in deze verordening vervatte buitentoepassingverklaring haar werking te kunnen geven;

(12) Overwegende dat volgens artikel 5, lid 1, punt 1, sub a) en b), als voorwaarde voor de vrijstelling geldt dat de van het distributienet deel uitmakende ondernemingen, in de minimumomvang die door de fabrikant wordt aangegeven, garantie, gratis service en service met betrekking tot terugroepingsacties verlenen, ongeacht waar het voertuig binnen de gemeenschappelijke markt werd verkocht; dat met deze bepalingen moet worden voorkomen dat de gebruikers in hun vrijheid worden beknot waar dan ook binnen de gemeenschappelijke markt te kunnen kopen;

(13) Overwegende dat met artikel 5, lid 1, punt 2, sub a), wordt beoogd, enerzijds, de fabrikant de mogelijkheid te bieden om een gecooerdineerd distributiestelsel op te zetten en, anderzijds, het totstandbrengen van een vertrouwensrelatie tussen dealer en subdealer niet nadelig te beïnvloeden; dat derhalve de leverancier een voorbehoud moet kunnen maken ten aanzien van zijn toestemming ingeval de dealer subdealers inschakelt, maar deze toestemming niet willekeurig mag weigeren;

(14) Overwegende dat de leverancier volgens artikel 5, lid 1, punt 2, sub b), verplicht is geen eisen overeenkomstig artikel 4, lid 1, te stellen waardoor een van het distributienet deel uitmakende dealer zou worden gediscrimineerd of onbillijk zou worden behandeld;

(15) Overwegende dat met artikel 5, lid 1, punt 2, sub c), wordt beoogd de concentratie van de vraag van de dealer bij de leverancier tegen te gaan, wanneer zij op de toekenning van cumulatieve kortingen kan worden teruggevoerd; dat daardoor voor de aanbieders van reserveonderdelen, wier aanbod niet zo omvangrijk is als dat van de autofabrikant, voor gelijke kansen zorg wordt gedragen;

(16) Overwegende dat artikel 5, lid 1, punt 2, sub d), aan de vrijstelling de voorwaarde verbindt dat de dealer in grote series vervaardigde personenauto's voor eindgebruikers op de gemeenschappelijke markt in de voor hun woonplaats of de plaats van kentekenregistratie vereiste uitvoeringen bij de leverancier kan bestellen, voor zover de fabrikant eveneens bij die plaatselijke, van het distributienet deel uitmakende onderneming een model aanbiedt dat met dat uit het gamma van de overeenkomst met de dealer overeenstemt (artikel 13, punt 10); dat deze regeling een garantie vormt tegen het gevaar dat de fabrikant en de van het distributienet deel uitmakende ondernemingen de nog tussen delen van de gemeenschappelijke markt bestaande verschillen tussen produkten uitbuiten om tot compartimentering te kunnen komen;

(17) Overwegende dat artikel 5, lid 2, de vrijstelling van het verbod om concurrerende produkten te verkopen en van de merkexclusiviteit van andere minimumvoorwaarden afhankelijk maakt; dat daardoor verhinderd moet worden, dat de dealer ten gevolge van dit verbod in een situatie van een te sterke economische afhankelijkheid van de leverancier terecht komt en reeds van te voren van bepaalde concurrentiehandelingen, die hem evenwel vrij staan, afziet omdat zij tegen de belangen van de fabrikant of van andere, van het distributienet deel uitmakende ondernemingen zouden indruisen;

(18) Overwegende dat overeenkomstig artikel 5, lid 2, punt 1, sub a), de dealer zich, wanneer daarvoor buitengewone redenen aanwezig zijn, kan verzetten tegen de toepassing van te ingrijpende, overeenkomstig artikel 3, punten 3 of 5, opgelegde verplichtingen;

(19) Overwegende dat de leverancier zich wel het recht moet kunnen voorbehouden om in het conctractgebied andere met afzet en klantenservice belaste ondernemingen in te schakelen of het contractgebied te wijzigen, echter slechts wanneer daarvoor buitengewone redenen aanwezig zijn (artikel 5, lid 2, punt 1, sub b), en lid 3); dat dit bij voorbeeld het geval is, wanneer anders een aanzienlijke nadelige beïnvloeding van de afzet van en de klantenservice voor contractprodukten te vrezen is;

(20) Overwegende dat in artikel 5, lid 2, punten 2 en 3, inzake duur en beëindiging van de afzet- en klantenserviceovereenkomsten minimumvoorwaarden voor de vrijstelling daarvan vastgesteld worden, omdat, met het oog op het concurrentieverbod of de merkexclusiviteit in samenhang met de investeringen van de dealer voor de verbetering van de structuur van de afzet en de klantenservice voor contractprodukten, de afhankelijkheid van de dealer ten opzichte van de leverancier door overeenkomsten op korte termijn of met korte opzegtermijnen aanzienlijk wordt vergroot; (21) Overwegende dat volgens artikel 1, lid 2, sub a), van Verordening nr. 19/65/EEG de beperkingen of de bepalingen moeten worden aange- geven die niet in de overeenkomsten mogen voorkomen, om aan de buitentoepassingverklaring van artikel 85, lid 1, van het Verdrag door de onderhavige verordening werking te kunnen geven;

(22) Overwegende dat overeenkomsten waarbij een automobielfabrikant een andere automobielfabrikant met de distributie van zijn produkten belast, van de krachtens de onderhavige verordening verleende generieke vrijstelling dienen te worden uitgesloten, omdat deze tot een ernstige verstoring van de concurrentie leiden (artikel 6, punt 1);

(23) Overwegende dat minimumprijsbindingen en verplichtingen bepaalde kortingen niet te overschrijden van de bij de onderhavige verordening verleende vrijstelling worden uitgesloten (artikel 6, punt 2);

(24) Overwegende dat de vrijstelling niet van toepassing is, indien tussen partijen voor produkten die onder deze verordening vallen verplichtingen worden overeengekomen, die weliswaar volgens de Verordeningen (EEG) nr. 1983/83 (1) en (EEG) nr. 1984/83 (2) van de Commissie betreffende de toepassing van artikel 85, lid 3, van het Verdrag op groepen alleenverkoopovereenkomsten, respectievelijk exclusieve afnameovereenkomsten in het kader van de bij die verordeningen vrijgestelde combinatie van verplichtingen geoorloofd zouden zijn, maar dat van de bij de onderhavige verordening vrijgestelde verplichtingen overschrijden (artikel 6, punt 3);

(25) Overwegende dat de afzet- en klantenserviceovereenkomsten onder de in de artikelen 5 en 6 bepaalde voorwaarden kunnen worden vrijgesteld, zolang de overeenkomstig de artikelen 1 tot en met 4 van deze verordening genomen maatregelen tot een verbetering van de afzet en de klantenservice ten behoeve van de gebruiker leiden en zowel tussen de distributienetten van de fabrikanten als, tot op zekere hoogte, binnen deze netten binnen de gemeenschappelijke markt een daadwerkelijke mededinging blijft bestaan; dat er, ten aanzien van de onder artikel 1 van de onderhavige verordening vallende groepen produkten, momenteel van moet worden uitgegaan dat aan de voorwaarden voor een daadwerkelijke mededinging ook in de handel tussen Lid-Staten is voldaan, zodat mag worden aangenomen dat de voordelen die uit deze distributiestelsels voortvloeien in het algemeen de Europese gebruikers ten goede komen;

(26) Overwegende dat de artikelen 7, 8 en 9 betreffende de terugwerkende kracht van de vrijstelling op de artikelen 3 en 4 van Verordening nr. 19/65/EEG en op de artikelen 4 tot en met 7 van Verordening nr. 17 berusten; dat in artikel 10 de op grond van artikel 7 van Verordening nr. 19/65/EEG aan de Commissie verleende bevoegdheid besloten ligt, te beslissen dat de vrijstelling in een bepaald geval niet meer van toepassing is, dan wel dat de draagwijdte ervan wordt gewijzigd en dat daarin bij wijze van voorbeeld van een aantal belangrijke categorieën van gevallen een opsomming wordt gegeven;

(27) Overwegende dat het wegens de grote betekenis van deze verordening voor de betrokkenen dienstig is dat zij eerst op 1 juli 1985 in werking treedt (artikel 14); dat de in deze verordening bedoelde vrijstelling krachtens artikel 2, lid 1, van Verordening nr. 19/65/EEG voor een beperkte tijdsduur kan worden verleend; dat een periode die op 30 juni 1995 verstrijkt adequaat is, omdat in de automobielsector de alomvattende planning voor de distributienetten reeds jaren tevoren moet worden verricht;

(28) Overwegende dat overeenkomsten die aan de voorwaarden van deze verordening voldoen, niet behoeven te worden aangemeld;

(29) Overwegende dat deze verordening de toepassing van de Verordeningen (EEG) nr. 1983/83 en (EEG) nr. 1984/83 alsmede Verordening (EEG) nr. 3604/82 van de Commissie van 23 december 1982 betreffende de toepassing van artikel 85, lid 3, van het Verdrag op groepen specialisatieovereenkomsten (3), alsmede op het recht om in individuele gevallen overeenkomstig Verordening nr. 17 van de Raad een beschikking van de Commissie te verlangen, onverlet laat; dat zij geen afbreuk doet aan de wetten en administratieve maatregelen van de Lid-Staten, waarin deze wegens bijzondere omstandigheden concurrentiebeperkende verplichtingen die in een overeenkomstig deze verordening vrijgestelde overeenkomst zijn vervat, verbieden of daaraan rechtsbescherming onthouden; dat dit evenwel geen afbreuk mag doen aan de voorrang van het Gemeenschapsrecht,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING

VASTGESTELD:

Artikel 1

Artikel 85, lid 1, van het Verdrag wordt overeenkomstig artikel 85, lid 3, onder de in deze verordening genoemde voorwaarden, buiten toepassing verklaard voor overeenkomsten waarbij slechts twee ondernemingen partij zijn en waarbij de ene contractpartij zich

tegenover de andere verplicht binnen een afgebakend deel van de gemeenschappelijke markt bepaalde, voor het gebruik op de openbare weg bestemde drie- of meerwielige motorvoertuigen, alsmede in verband daarmee onderdelen ervan voor wederverkoop slechts:

1. aan hem te leveren, of

2. aan hem en aan een bepaald aantal van het distributienet deel uitmakende ondernemingen te leveren.

Artikel 2

De buitentoepassingverklaring, overeenkomstig artikel 85, lid 3, van het Verdrag, geldt eveneens wanneer de in artikel 1 genoemde verplichting is verbonden met die van de leverancier om binnen het contractgebied geen contractprodukten aan eindgebruikers te leveren en daarvoor geen klantenservice te verlenen.

Artikel 3

De buitentoepassingverklaring overeenkomstig artikel 85, lid 3, van het Verdrag geldt eveneens, wanneer de in artikel 1 bedoelde verplichting met die van de dealer verbonden is:

1. niet zonder toestemming van de leverancier contract- of daarmee overeenstemmende produkten te wijzigen, tenzij deze wijziging op bestelling van een eindgebruiker geschiedt en een door die eindgebruiker gekocht bepaald motorvoertuig van het door de overeenkomst bestreken gamma betreft;

2. geen met de contractprodukten concurrerende produkten te vervaardigen;

3. geen met de contractprodukten concurrerende nieuwe motorvoertuigen in de handel te brengen, noch in de handelsbedrijven waarin contractprodukten worden aangeboden, nieuwe, door anderen dan de fabrikant aangeboden motorvoertuigen te verkopen;

4. geen onderdelen die met de contractprodukten concurreren en niet aan het kwaliteitsniveau van de contractprodukten voldoen, te verkopen, noch deze bij herstelling of onderhoud van contract- of daarmee overeenstemmende produkten te gebruiken;

5. geen overeenkomsten inzake afzet van of klantenservice voor met de contractprodukten concurrerende produkten met derden te sluiten;

6. niet zonder toestemming van de leverancier met binnen het contractgebied optredende ondernemingen inzake contract- en daarmee overeenstemmende produkten afzet- en klantenserviceovereenkomsten te sluiten, noch reeds gesloten overeenkomsten van dien aard te wijzigen of te beëindigen;

7. aan ondernemingen, waarmee de dealer overeenkomsten als bedoeld onder punt 6 heeft gesloten, verplichtingen van dezelfde aard op te leggen als die waartoe hij tegenover de leverancier is gehouden en die aan het in de artikelen 1 tot en met 4 bepaalde beantwoorden en met de artikelen 5 en 6 in overeenstemming zijn;

8. buiten het contractgebied

a) geen vestigingen of opslagplaatsen in stand te houden voor de afzet van contract- en daarmee overeenstemmende produkten,

b) zich van klantenwerving voor contract- en daarmee overeenstemmende produkten te onthouden;

9. derden niet te belasten met de afzet van of de service voor contractprodukten en daarmee overeenstemmende produkten buiten het contractgebied;

10. aan een wederverkoper

a) contract- en daarmee overeenstemmende produkten slechts te leveren, wanneer deze een van het distributienet deel uitmakende onderneming is, of

b) reserveonderdelen van het door de overeenkomst bestreken gamma slechts te leveren voor zover deze die onderdelen bij herstelling of onderhoud van een motorvoertuig gebruikt;

11. motorvoertuigen uit het door de overeenkomst bestreken gamma of daarmee overeenstemmende produkten aan eindgebruikers die een tussenpersoon hebben ingeschakeld, slechts te verkopen, wanneer zij voor de aankoop van een bepaald motorvoertuig aan die tussenpersoon daartoe vooraf een schriftelijke, en bij inontvangstneming van het motorvoertuig door de tussenpersoon, tevens de inontvangstneming bestrijkende volmacht hebben gegeven;

12. de hem overeenkomstig de punten 1 en 6 tot en met 11 opgelegde verplichtingen na de beëindiging van de overeenkomst na te leven doch niet langer dan gedurende één jaar nadien.

Artikel 4

1. De volgende verplichtingen van de dealer doen geen afbreuk aan de toepassing van de artikelen 1, 2 en 3:

1. de naleving van minimumeisen voor de afzet en de klantenservice, in het bijzonder met betrekking tot:

a) uitrusting en technische voorzieningen van het handelsbedrijf met het oog op de klantenservice,

b) vak- en technische opleiding van het personeel,

c) reclame,

d) afname, opslag en aflevering van contract- en daarmee overeenstemmende produkten, alsmede klantenservice voor die produkten,

e) herstelling en onderhoud van contract- en daarmee overeenstemmende produkten, met name wat het veilig en betrouwbaar functioneren van het motorvoertuig betreft;

2. slechts op bepaalde tijdstippen of binnen bepaalde perioden contractprodukten bij de leverancier te bestellen, voor zover er niet meer dan drie maanden tussen de tijdstippen van bestelling liggen; 3. zich ervoor in te spannen binnen een bepaalde termijn in het contractgebied ten minste het aantal contractprodukten af te zetten, dat, wanneer de contractpartijen daarover niet tot overeenstemming komen, door de leverancier aan de hand van afzetprognoses van de dealer wordt vastgesteld;

4. een voorraad van contractprodukten aan te houden, waarvan de omvang, wanneer de contractpartijen daarover niet tot overeenstemming komen, door de leverancier wordt vastgesteld aan de hand van prognoses van de dealer met betrekking tot de afzet in het contractgebied van contractprodukten, binnen een bepaald tijdsbestek;

5. bepaalde tot demonstratie dienende motorvoertuigen van het door de overeenkomst bestreken gamma ter beschikking te houden of een bepaald aantal daarvan, dat, wanneer de contractpartijen daarover niet tot overeenstemming komen, door de leverancier aan de hand van afzetprognoses van de dealer van motorvoertuigen van het door de overeenkomst bestreken gamma wordt vastgesteld;

6. voor contract- en daarmee overeenstemmende produkten garantie en gratis klantenservice te verlenen dan wel deze in het kader van terugroepingsacties te verlenen;

7. in het kader van garantie, gratis service en terugroepingsacties betreffende contract- en daarmee overeenstemmende produkten slechts reserveonderdelen van het door de overeenkomst bestreken gamma of daarmee overeenstemmende produkten te gebruiken;

8. de eindgebruikers op algemene wijze in te lichten, wanneer hij bij herstelling of onderhoud van contract- of daarmee overeenstemmende produkten tevens reserveonderdelen uit andere bron gebruikt;

9. de eindgebruikers in te lichten wanneer hij bij herstelling of onderhoud van contract- of daarmee overeenstemmende produkten reserveonderdelen uit andere bron heeft gebruikt, terwijl er tevens onderdelen van het door de overeenkomst bestreken gamma of daarmee overeenstemmende produkten beschikbaar waren en waarop het merk van de fabrikant was aangebracht.

2. De buitentoepassingverklaring overeenkomstig artikel 85, lid 3, van het Verdrag geldt eveneens wanneer de in artikel 1 genoemde verplichting met verplichtingen overeenkomstig lid 1 verbonden is, en wanneer die in een individueel geval onder het in artikel 85, lid 1, bedoelde verbod vallen.

Artikel 5

1. De artikelen 1, 2 en 3 en artikel 4, lid 2, zijn van toepassing, onder voorwaarde dat:

1. de dealer zich ertoe verplicht,

a) voor motorvoertuigen die tot het door de overeenkomst bestreken gamma behoren of daarmee overeenstemmen en door een andere van het distributienet deel uitmakende onderneming binnen de gemeenschappelijke markt zijn verkocht, garantie en gratis klantenservice te verlenen dan wel deze in het kader van terugroepingsacties te verlenen in de omvang die overeenstemt met de verplichting waaraan hij overeenkomstig artikel 4, lid 1, punt 6, dient te voldoen, doch die echter niet verder dient te gaan dan die welke aan de verkopende, van het distributienet deel uitmakende onderneming werd opgelegd of door de verkopende fabrikant werd aangegaan;

b) de binnen het contractgebied optredende ondernemingen waarmee hij afzet- en klantenserviceovereenkomsten als bedoeld in artikel 3, punt 6, heeft gesloten, de verplichting op te leggen in ten minste de hemzelf opgelegde omvang garantie en gratis klantenservice te verlenen, dan wel deze in het kader van terugroepingsacties te verlenen;

2. de leverancier

a) zijn toestemming voor sluiting, wijziging of beëindiging van subdealerovereenkomsten als bedoeld in artikel 3, punt 6, niet zonder objectief gerechtvaardigde redenen weigert;

b) in het kader van de in artikel 4, lid 1, bedoelde verplichtingen van de dealer geen minimumeisen en criteria voor prognoses toepast, waardoor de dealer een onbillijke of zonder objectief gerechtvaardigde redenen discriminerende behandeling krijgt;

c) bij toepassing van kortingstelsels, betreffende bij hem en bij met hem verbonden ondernemingen binnen bepaalde termijnen gekochte produkten, de berekende hoeveelheden en omzetten bij samentelling ten minste opsplitst volgens aankopen van:

- motorvoertuigen van het door de overeenkomst bestreken gamma,

- reserveonderdelen van het door de overeenkomst bestreken gamma, waarbij de dealer op het aanbod van ondernemingen die van het distributienet deel uitmaken, is aangewezen,

- andere produkten;

d) aan de dealer, met het oog op de uitvoering van een door deze met een eindgebruiker gesloten koopovereenkomst, een met een model van het door de overeenkomst bestreken gamma overeenstemmende personenauto levert, wanneer die door de fabrikant of met diens toestemming in de Lid-Staat, waarin het motorvoertuig voor het kenteken moet worden geregistreerd, aangeboden wordt.

2. Wanneer de dealer overeenkomstig artikel 4, lid 1, verplichtingen voor de verbetering van de structuur van afzet en klantenservice op zich heeft genomen, geldt de vrijstelling overeenkomstig artikel 3, punten 3 en 5, voor verplichtingen om geen andere nieuwe motorvoertuigen te verkopen dan die van het door de overeenkomst bestreken gamma en verplichtingen om eerstbedoelde motorvoertuigen niet tot voorwerp van een afzet- en klantenserviceovereenkomst te maken, op voorwaarde dat:

1. contractpartijen overeenkomen dat de leverancier:

a) ermee instemt dat de dealer van uit artikel 3, punten 3 en 5, voortvloeiende verplichtingen wordt ontheven, wanneer deze aantoont dat daarvoor objectief gerechtvaardigde redenen aanwezig zijn,

b) slechts wanneer deze aantoont dat daarvoor objectief gerechtvaardigde redenen aanwezig zijn, zich het recht mag voorbehouden met bepaalde andere, binnen het contractgebied werkzame ondernemingen afzet- en klantenserviceovereenkomsten inzake contractprodukten te sluiten of het contractgebied te wijzigen;

2. de duur van de overeenkomst ten minste vier jaar bestrijkt of dat de termijn voor regelmatige opzegging van een voor onbepaalde duur gesloten overeenkomst voor beide contractpartijen ten minste één jaar bedraagt:

- tenzij de leverancier verplicht is bij beëindiging van de overeenkomst krachtens de wet of op grond van een bijzondere overeenkomst een redelijke vergoeding te betalen, of

- tenzij het de toetreding van de dealer tot het distributienet en de eerste overeengekomen looptijd, dan wel de mogelijkheid tot regelmatige opzegging betreft;

3. iedere contractpartij zich ertoe verplicht de andere partij ten minste zes maanden vóór het verstrijken van de overeenkomst kennis te geven van zijn voornemen een voor een bepaalde duur gesloten overeenkomst niet te verlengen.

3. Bepaalde objectief gerechtvaardigde redenen, in de zin van dit artikel, die bij de sluiting van de overeenkomst in bijzonderheden zijn vastgesteld, mogen door een contractpartner slechts worden ingeroepen, wanneer zij in vergelijkbare gevallen zonder discriminatie ten opzichte van ondernemingen van het distributienet worden ingeroepen.

4. De in dit artikel genoemde voorwaarden voor vrijstelling laten het recht van een contractpartij op een buitengewone opzegging van de overeenkomst onverlet.

Artikel 6

De artikelen 1, 2 en 3 en artikel 4, lid 2, zijn niet van toepassing, wanneer:

1. beide contractpartijen of met hen verbonden ondernemingen motorvoertuigen fabriceren, of

2. de fabrikant, de leverancier of een andere van het distributienet deel uitmakende onderneming de dealer verplicht bij wederverkoop van contract- of daarmee overeenstemmende produkten niet beneden bepaalde prijzen te verkopen, noch bepaalde kortingen te overschrijden, of

3. de contractpartijen met betrekking tot drie- of meerwielige motorvoertuigen of reserveonderdelen daarvoor, overeenkomsten sluiten of feitelijke gedragingen afstemmen, waarvoor artikel 85, lid 1, van het Verdrag overeenkomstig de Verordeningen (EEG) nr. 1983/83 of (EEG) nr. 1984/83 van de Commissie in een verderreikende omvang dan in de onderhavige verordening, buiten toepassing is verklaard.

Artikel 7

1. Voor overeenkomsten die op 13 maart 1962 bestonden en vóór 1 februari 1963 zijn aangemeld, alsmede voor overeenkomsten bedoeld in artikel 4, lid 2, punt 1, van Verordening nr. 17, ongeacht of zij al dan niet zijn aangemeld, geldt de in deze verordening bedoelde buitentoepassingverklaring van artikel 85, lid 1, van het Verdrag met terugwerkende kracht vanaf het tijdstip waarop aan de voorwaarden van deze verordening was voldaan.

2. Voor alle overige vóór de inwerkingtreding van deze verordening aangemelde overeenkomsten geldt de in deze verordening bedoelde buitentoepassingverklaring van artikel 85, lid 1, van het Verdrag vanaf het tijdstip waarop aan de voorwaarden van deze verordening was voldaan, doch niet eerder dan vanaf de dag van aanmelding.

Artikel 8

Indien overeenkomsten die op 13 maart 1962 bestonden en vóór 1 februari 1963 zijn aangemeld, alsmede overeenkomsten bedoeld in artikel 4, lid 2, punt 1, van Verordening nr. 17 die vóór 1 januari 1967 zijn aangemeld, vóór 1 oktober 1985 in dier voege worden gewijzigd dat zij aan de voorwaarden van deze verordening voldoen en deze wijziging vóór 31 december 1985 aan de Commissie wordt medegedeeld, geldt het verbod van artikel 85, lid 1, van het Verdrag niet voor de aan de wijziging voorafgaande periode. De mededeling verkrijgt rechtsgevolg op het tijdstip van haar ontvangst door de Commissie. In geval zij als aangetekende brief wordt verzonden, geldt de datum van het poststempel van de plaats van verzending als tijdstip van ontvangst.

Artikel 9

1. De artikel 7 en 8 gelden voor overeenkomsten waarop ingevolge de toetreding van het Verenigd Koninkrijk, Ierland en Denemarken artikel 85 van het Verdrag van toepassing is, met dien verstande dat in plaats van 13 maart 1962, 1 januari 1973 en in plaats van 1 februari 1963 en 1 januari 1967, 1 juli 1973 wordt gelezen. 2. De artikelen 7 en 8 gelden voor overeenkomsten waarop ingevolge de toetreding van Griekenland artikel 85 van het Verdrag van toepassing is, met dien verstande dat in plaats van 13 maart 1962, 1 januari 1981 en in plaats van 1 februari 1963 en 1 januari 1967, 1 juli 1981 wordt gelezen.

Artikel 10

Overeenkomstig artikel 7 van Verordening nr. 19/65/EEG kan de Commissie de krachtens de onderhavige verordening geldende vrijstelling intrekken, indien zij vaststelt dat in een individueel geval een overeenkomst die op grond van deze verordening werd vrijgesteld, desalniettemin bepaalde gevolgen heeft die met de in artikel 85, lid 3, van het Verdrag bedoelde voorwaarden onverenigbaar zijn, en met name wanneer:

1. contract- of daarmee overeenstemmende produkten op de gemeenschappelijke markt of een wezenlijk deel daarvan geen concurrentie ondervinden van produkten die door de gebruiker wegens de eigenschappen ervan, het gebruik waarvoor zij zijn bestemd en de prijs ervan als gelijksoortig worden beschouwd;

2. eindgebruikers of andere van het distributienet deel uitmakende ondernemingen bij voortduring of systematisch door de fabrikant of een van het distributienet deel uitmakende onderneming op een verderreikende wijze dan de door deze verordening verleende vrijstelling worden bemoeilijkt binnen de gemeenschappelijke markt contract- of daarmee overeenstemmende produkten te betrekken en daarvoor klantenservice te verkrijgen;

3. voor contract- en daarmee overeenstemmende produkten bij voortduring prijzen of voorwaarden worden toegepast die tussen de Lid-Staten onderling aanzienlijk van elkaar afwijken, en deze aanzienlijke verschillen overwegend op overeenkomstig deze verordening vrijgestelde verplichtingen berusten;

4. in overeenkomsten betreffende de bevoorrading van de dealer met personenauto's, die met een model van het door de overeenkomst bestreken gamma overeenstemmen, prijzen of voorwaarden worden toegepast die objectief niet gerechtvaardigd zijn en een compartimentering van delen van de gemeenschappelijke markt ten doel of ten gevolge hebben.

Artikel 11

De bepalingen van deze verordening zijn van toepassing in zoverre de in de artikelen 1 tot met 4 genoemde verplichtingen op met een contractpartij verbonden ondernemingen betrekking hebben.

Artikel 12

De bepalingen van deze verordening zijn van overeenkomstige toepassing op onderling afgestemde feitelijke gedragingen van de in artikel 1 tot en met 4 bedoelde aard.

Artikel 13

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

1. afzet- en klantenserviceovereenkomsten: kaderovereenkomsten van bepaalde of onbepaalde duur tussen twee ondernemingen, waarin de onderneming die produkten levert de andere met de afzet van een klantenservice voor deze produkten belast;

2. contractpartijen: de aan een overeenkomst als bedoeld in artikel 1 deelnemende ondernemingen, namelijk de contractprodukten leverende onderneming of »de leverancier" en de met de afzet van en klantenservice voor de contractprodukten van de leverancier belaste onderneming of »de dealer";

3. contractgebied: het afgebakende gebied van de gemeenschappelijke markt, waarop de exclusieve leveringsverplichting als bedoeld in artikel 1 betrekking heeft;

4. contractprodukten: de voor het gebruik op de openbare weg bedoelde drie- of meerwielige motorvoertuigen, alsmede reserveonderdelen daarvoor, die het voorwerp zijn van een overeenkomst als bedoeld in artikel 1;

5. door de overeenkomst bestreken gamma: alle contractprodukten;

6. reserveonderdelen: onderdelen, die ter vervanging van onderdelen van het motorvoertuig in of op het motorvoertuig worden gemonteerd. De verkeersopvatting in de betrokken branche is bepalend voor de afbakening van andere onderdelen en accessoires;

7. fabrikant: de onderneming

a) die motorvoertuigen van het door de overeenkomst bestreken gamma fabriceert of laat fabriceren, of

b) die met ondernemingen als bedoeld sub a) verbonden is;

8. verbonden ondernemingen: ondernemingen,

a) waarvan er één rechtstreeks of onrechtstreeks:

- meer dan de helft van het kapitaal of het bedrijfsvermogen van de andere onderneming bezit, of

- over meer dan de helft van de stemrechten in de andere onderneming beschikt, of - meer dan de helft van de leden van de raad van toezicht of van de krachtens de wet met vertegenwoordiging belaste organen van de andere onderneming kan benoemen, of

- gerechtigd is het bedrijf van de andere onderneming te leiden;

b) waarin een derde onderneming rechtstreeks of onrechtstreeks beschikt over rechten of beïnvloedingsmogelijkheden als bedoeld sub a);

9. ondernemingen die deel uitmaken van het distributienet: behalve de contractpartijen, tevens de fabrikant en de ondernemingen, die door hem of met zijn toestemming met de afzet van of de klantenservice voor contract- of daarmee overeenstemmende produkten zijn belast;

10. personenauto's die met een model van het door de overeenkomst bestreken gamma overeenstemmen: motorvoertuigen,

- die de fabrikant in serie vervaardigt of monteert, en

- waarvan de carosserie dezelfde vorm heeft en die hetzelfde aandrijvingsmechanisme, het- zelfde chassis, alsmede hetzelfde motortype hebben als personenauto's uit het door de overeenkomst bestreken gamma;

11. overeenstemmende produkten, overeenstemmende motorvoertuigen of overeenstemmende reserveonderdelen: produkten van dezelfde aard als die van het door de overeenkomst bestreken gamma, die door de fabrikant of met zijn toestemming worden verkocht en het voorwerp zijn van een, met een van het distributienet deel uitmakende onderneming gesloten afzet- en klantenserviceovereenkomst;

12. onder »afzetten" en »verkopen" zijn eveneens andere afzetvormen zoals »leasing" begrepen.

Artikel 14

De verordening treedt in werking op 1 juli 1985.

Zij is van toepassing tot en met 30 juni 1995.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke Lid-Staat.

Gedaan te Brussel, 12 december 1984.

Voor de Commissie

Frans ANDRIESSEN

Lid van de Commissie

(1) PB nr. 36 van 6. 3. 1965, blz. 533/65.

(2) PB nr. C 165 van 24. 6. 1983, blz. 2.

(3) PB nr. L 29 van 3. 2. 1975, blz. 1.

(4) PB nr. 13 van 21. 2. 1962, blz. 204/62.

(5) PB nr. L 285 van 29. 12. 1971, blz. 49.

(1) PB nr. L 173 van 30. 6. 1983, blz. 1.

(2) PB nr. L 173 van 30. 6. 1983, blz. 5.

(3) PB nr. L 376 van 31. 12. 1982, blz. 33.