31985R0096

Verordening (EEG) nr. 96/85 van de Raad van 14 januari 1985 tot instelling van een definitief anti-dumpingrecht op de invoer van pentaërythritol van oorsprong uit Canada

Publicatieblad Nr. L 013 van 16/01/1985 blz. 0001 - 0004
Bijzondere uitgave in het Spaans: Hoofdstuk 11 Deel 28 blz. 0207
Bijzondere uitgave in het Portugees: Hoofdstuk 11 Deel 28 blz. 0210


*****

VERORDENING (EEG) Nr. 96/85 VAN DE RAAD

van 14 januari 1985

tot instelling van een definitief anti-dumpingrecht op de invoer van pentaerythritol van oorsprong uit Canada

DE RAAD VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap,

Gezien Verordening (EEG) nr. 2176/84 van de Raad van 23 juli 1984 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping of subsidiëring uit landen die geen lid zijn van de Europese Economische Gemeenschap (1), inzonderheid op artikel 12,

Gezien het voorstel van de Commissie, ingediend na overleg in het bij genoemde verordening ingestelde Raadgevend Comité,

Overwegende hetgeen volgt:

A. Voorlopige maatregelen

(1) De Commissie stelde bij Verordening (EEG) nr. 2681/84 (2) een voorlopig anti-dumpingrecht in op de invoer van pentaërythritol van oorsprong uit Canada.

B. Vervolg van de procedure

(2) Na de instelling van het voorlopige anti-dumpingrecht verzocht de desbetreffende exporteur in de gelegenheid te worden gesteld door de Commissie te worden gehoord, hetgeen werd toegestaan. De exporteur maakte zijn standpunt ten aanzien van het recht eveneens schriftelijk bekend.

(3) De exporteur verzocht op de hoogte te worden gehouden van bepaalde feiten en belangrijke overwegingen op grond waarvan de Commissie voornemens was definitieve maatregelen voor te stellen, welk verzoek werd ingewilligd.

C. Dumping

(4) Na de instelling van het voorlopige recht werd geen nieuw bewijsmateriaal inzake dumping ontvangen en de Commissie beschouwt derhalve haar bevindingen met betrekking tot dumping, die in Verordening (EEG) nr. 2681/84 zijn vervat, als definitief.

(5) De exporteur voerde echter aan dat het niet juist was bij de berekening van de exportprijzen rekening te houden met een redelijke marge voor algemene kosten en winst voor Celanese AG, de Zwitserse dochtermaatschappij die het desbetreffende produkt van haar moedermaatschappij afneemt en het aan klanten in de Gemeenschap doorverkoopt. De exporteur stelde voorts dat zelfs wanneer het juist was een marge in aanmerking te nemen, dit niet had moeten gebeuren zonder over gegevens te beschikken van de zijde van de exporteur of zijn dochtermaatschappij.

Aangezien de prijzen bij uitvoer moesten worden berekend op de grondslag van de prijzen waartegen het desbetreffende produkt door Celanese AG werd verkocht aan onafhankelijke afnemers in de Gemeenschap, werd het in het licht van artikel 2, lid 8, van Verordening (EEG) nr. 2176/84 dienstig geacht een redelijke marge voor algemene kosten en winst voor Celanese AG in aanmerking te nemen, ten einde tot een netto-ex-fabrieksprijs bij uitvoer te geraken die voor de berekening van de marge van dumping benodigd is.

Daar de winsten van Celanese AG door een dochtermaatschappij van de desbetreffende exporteur zijn gemaakt en ten einde te vermijden dat de door de Commissie in aanmerking genomen winstmarge zou worden beïnvloed door de betrekkingen tussen de exporteur en zijn dochtermaatschappij, was men bovendien van mening dat het onjuist zou zijn zich op de in de boeken van Celanese AG vermelde winstbedragen te baseren, doch dat een marge in aanmerking diende te worden genomen die door de Commissie aan de hand van de omvang van de door Celanese AG aan haar vertegenwoordigers betaalde commissielonen werd vastgesteld.

(6) De voorlopige vaststellingen worden bijgevolg bevestigd.

D. Schade

(7) Er werd geen nieuw bewijsmateriaal met betrekking tot de aan de bedrijfstak van de Gemeenschap toegebrachte schade ingediend.

(8) De exporteur voerde echter aan dat het niet juist was de invoer van pentaërythritol van oorsprong uit Canada te cumuleren met die van oorsprong uit Spanje en Zweden. In verband hiermee werd benadrukt dat de omvang van de invoer van het Canadese produkt in de Gemeenschap was afgenomen hetgeen overeenkwam met een afnemend marktaandeel van het Canadese produkt in de Gemeenschap.

De Commissie stelde echter vast dat, gezien de ontwikkeling van de invoer van het Canadese produkt, de beweerde vermindering tussen 1980 en 1983 niet ononderbroken had plaatsgevonden, daar in 1981 en 1983 ten opzichte van het voorgaande jaar een toeneming van respectievelijk 19,2 % en 5,0 % heeft plaatsgevonden. Bovendien zou, zelfs wanneer de invoer een voortdurend dalende lijn had vertoond, dit niet toereikend zijn geweest om deze invoer niet te cumuleren met die uit Zweden en Spanje, aangezien het marktaandeel van het Canadese produkt in 1983 nog steeds aanzienlijk was.

Ten aanzien van de vraag of het al dan niet opportuun zou zijn in dit geval te cumuleren, werd vastgesteld dat alle produkten waarop het onderzoek betrekking had, op de markt van de Gemeenschap zowel onderling als met de produkten van de Gemeenschap concurreerden, daar de gebruikers van het desbetreffende produkt het zonder rekening te houden met het land van oorsprong afnamen.

(9) De exporteur voerde aan dat andere invoer dan die waarop het onderzoek betrekking had, eveneens met dumping plaatsvond en beweerde dat, wanneer er dan toch moest worden gecumuleerd, deze invoer eveneens in aanmerking zou moeten worden genomen, in het bijzonder die van oorsprong uit Brazilië, Chili en Japan.

De Commissie was echter niet in staat dit te doen, aangezien door de producenten in de Gemeenschap geen dumpingklachten waren ingediend met betrekking tot de invoer van het desbetreffende produkt van oorsprong uit deze landen en er derhalve geen anti-dumpingprocedures waren ingeleid. Bovendien beschikte de Commissie niet over aanwijzingen die de gevolgtrekking konden schragen dat deze produkten in de Gemeenschap waren gedumpt en waardoor zij dus in staat zou zijn geweest op eigen initiatief procedures in te leiden met betrekking tot de produkten van oorsprong uit deze landen.

(10) De exporteur beweerde voorts dat rekening had moeten worden gehouden met de in wezen uiteenlopende belangen van, enerzijds, een nieuwe - Spaanse - exporteur en, anderzijds, gevestigde leveranciers op de markt van de Gemeenschap, zoals de Canadese en de Zweedse.

Ten aanzien van dit argument dient in de eerste plaats te worden onderstreept dat in een anti-dumpingprocedure niet de uiteenlopende belangen van nieuwe en gevestigde producenten van belang zijn, doch de uitwerking van de invoer tegen dumpingprijzen op de markt van de Gemeenschap. Wat dat betreft, schijnt de exporteur te suggereren dat de anti-dumpingprocedure beperkt had moeten worden tot de Spaanse exporteur, die de nieuweling op de communautaire markt is en die volgens hem de oorzaak van de schade voor de bedrijfstak in de Gemeenschap is, alsook dat deze procedure niet uitgebreid had moeten worden tot exporteurs, met inbegrip van de Canadese, die sinds lang op de communautaire markt aanwezig zijn en waartegen de producenten van de Gemeenschap geen klacht hadden ingediend voordat de nieuweling op de markt was verschenen. Het feit dat de producenten van de Gemeenschap tot dan toe geen dumpingklacht hadden ingediend, mag echter niet worden beschouwd als reden om later geen klacht in te dienen, noch als rechtvaardiging voor het achterwege laten van beschermende maatregelen tegen de van oudsher gevestigde producenten.

Bovendien is het feit dat de Canadese exporteur de door de Spaanse exporteur op de communautaire markt ingeleide prijsverlagingen niet heeft gevolgd, niet van betekenis, aangezien het in een anti-dumpingprocedure niet wezenlijk is vast te stellen welke exporteur een begin heeft gemaakt met het berokkenen van schade aan de industrie van de Gemeenschap, indien wordt vastgesteld dat alle desbetreffende exporteurs een aandeel hebben gehad in de door de bedrijfstak van de Gemeenschap geleden aanzienlijke schade. Gezien de omvang van de invoer van het produkt uit Canada en het marktaandeel ervan in de Gemeenschap werd vastgesteld dat de Canadese exporteur in dit geval eveneens heeft bijgedragen tot de door de communautaire industrie geleden schade.

(11) De exporteur beweerde eveneens dat rekening had moeten worden gehouden met de gunstige uitwerking van de sluiting van de fabriek van een vroegere producent in de Gemeenschap op de overblijvende producenten in de Gemeenschap.

De Commissie stelde echter vast dat het feit dat een producent in de Gemeenschap heeft besloten de fabriek waarin het desbetreffende produkt werd vervaardigd te sluiten en geen nieuw bedrijf te openen, voornamelijk in verband met de lage marktprijzen als gevolg van de dumping van produkten van oorsprong uit derde landen, elk van de overblijvende communautaire producenten in beginsel in staat zou kunnen hebben gesteld zijn bezettingsgraad en marktaandeel te verhogen. Zelfs wanneer een dergelijk resultaat als gunstig voor de bedrijfstak in de Gemeenschap in haar geheel zou kunnen worden beschouwd, vormt dit geen reden voor het achterwege laten van anti-dumpingmaatregelen. Bovendien werd in Verordening (EEG) nr. 2681/84 bij de vaststelling van de schade geen rekening gehouden met de uitwerking van de lage marktprijzen op het besluit van de vroegere producent van de Gemeenschap om geen nieuw bedrijf te openen.

(12) Volgens de Commissie wijzen de uiteindelijk vastgestelde feiten derhalve uit dat de schade die door de invoer met dumping van pentaërythritol van oorsprong uit Spanje, Canada en Zweden wordt berokkend, afgezien van die welke door andere factoren wordt veroorzaakt, op zichzelf als aanzienlijk moet worden beschouwd.

(13) De Commissie bevestigde bijgevolg de in Verordening (EEG) nr. 2681/84 vervatte gevolgtrekkingen ter zake van schade.

E. Belang van de Gemeenschap

(14) Met het oog op de bijzonder ernstige moeilijkheden waartegenover de industrie van de Gemeenschap zich geplaatst ziet, is de Raad tot de slotsom gekomen dat in het belang van de Gemeenschap dient te worden ingegrepen.

(15) Onder deze omstandigheden vereist de bescherming van de belangen van de Gemeenschap de instelling van een definitief anti-dumpingrecht op de invoer van pentaërythritol van oorsprong uit Canada. Hoewel de desbetreffende exporteur verklaarde dat hij belangstelling had voor een oplossing in de vorm van het aanbieden van een prijsverbintenis, werd geen aanbod gedaan. Over de vraag of een prijsverbintenis, wanneer deze in dit geval zou zijn aangeboden, al dan niet zou zijn aanvaard, kon derhalve geen uitspraak worden gedaan. Bij het onderzoek van een eventuele verbintenis van een Canadese exporteur zou echter rekening zijn gehouden met het feit dat de nieuwe Canadese wetgeving geen bevredigende bepalingen bevat voor door exporteurs aan te bieden verbintenissen met het oog op schorsing of beëindiging van procedures.

F. Definitief recht

(16) Gezien het feit dat na de instelling van het voorlopige anti-dumpingrecht geen nieuw bewijsmateriaal aangaande dumping of schade ter beschikking werd gesteld, zou het bedrag van het definitieve anti-dumpingrecht in beginsel hetzelfde moeten zijn als dat van het voorlopige recht. Aangezien de tegen de Spaanse en Zweedse exporteurs getroffen maatregelen echter de vorm hebben aangenomen van een verbintenis tot naleving van een minimumprijs is het wenselijk ten aanzien van de Canadese exporteur een variabel, op een minimumprijs gebaseerd recht in te stellen. De economische uitwerking zal in de drie gevallen neerkomen op een prijsverhoging door de exporteur, hoewel het minimumprijsniveau niet hetzelfde zal zijn.

(17) Rekening houdend met de produktiekosten van de producenten van de Gemeenschap en met een redelijke winstmarge heeft de Commissie vastgesteld dat de schade zou worden opgeheven wanneer het bedrag van het recht overeenkomt met het verschil tussen de prijs franco grens Gemeenschap, vóór inklaring, die aan de eerste onafhankelijke importeur in de Lid-Staat van invoer wordt berekend, en 1 062 Ecu per ton.

G. Inning van het voorlopige recht

(18) De bedragen die tot zekerheid zijn gesteld voor het voorlopige anti-dumpingrecht, moeten worden geïnd,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING

VASTGESTELD:

Artikel 1

1. Er wordt een definitief anti-dumpingrecht ingesteld op de invoer van pentaërythritol van oorsprong uit Canada, vallende onder post ex 29.04 C 1 van het gemeenschappelijk douanetarief, overeenkomende met NIMEXE-code 29.04-66.

2. Het bedrag van het recht is gelijk aan het verschil tussen de prijs, netto, per ton, franco grens Gemeenschap, vóór inklaring, die aan de eerste onafhankelijke importeur wordt berekend, en 1 062 Ecu.

De prijs franco grens Gemeenschap is netto wanneer luidens de verkoopvoorwaarden betaling binnen dertig dagen na verzending dient te geschieden. De prijs wordt met 1 % verminderd of verhoogd voor elke maand dat de betalingstermijn langer of korter is.

3. De inzake douanerechten geldende bepalingen zijn van toepassing.

Artikel 2

De bedragen die overeenkomstig Verordening (EEG) nr. 2681/84 tot zekerheid zijn gesteld voor het voorlopige anti-dumpingrecht, worden definitief geïnd.

Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op de dag van haar bekendmaking in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen. Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke Lid-Staat.

Gedaan te Brussel, 14 januari 1985.

Voor de Raad

De Voorzitter

F. PANDOLFI

(1) PB nr. L 201 van 30. 7. 1984, blz. 1.

(2) PB nr. L 254 van 22. 9. 1984, blz. 5.