31985L0362

Zeventiende Richtlijn 85/362/EEG van de Raad van 16 juli 1985 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen van de Lid-Staten inzake omzetbelasting - Vrijstelling van belasting over de toegevoegde waarde bij de tijdelijke invoer van andere goederen dan vervoermiddelen

Publicatieblad Nr. L 192 van 24/07/1985 blz. 0020 - 0028
Bijzondere uitgave in het Spaans: Hoofdstuk 09 Deel 2 blz. 0009
Bijzondere uitgave in het Portugees: Hoofdstuk 09 Deel 2 blz. 0009


*****

ZEVENTIENDE RICHTLIJN VAN DE RAAD

van 16 juli 1985

betreffende de harmonisatie van de wetgevingen van de Lid-Staten inzake omzetbelasting - Vrijstelling van belasting over de toegevoegde waarde bij de tijdelijke invoer van andere goederen dan vervoermiddelen

(85/362/EEG)

DE RAAD VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, inzonderheid op de artikelen 99 en 100,

Gezien het voorstel van de Commissie (1),

Gezien het advies van het Europese Parlement (2),

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité (3),

Overwegende dat het van belang is de fiscale belemmeringen voor het goederenverkeer binnen de Gemeenschap te verminderen ten einde het verrichten van diensten te vergemakkelijken en aldus de interne markt te ontwikkelen en te versterken;

Overwegende dat een zo ruim mogelijke vrijstelling van BTW bij de tijdelijke invoer van goederen in een Lid-Staat uit een andere Lid-Staat kan bijdragen tot de verwezenlijking van deze doelstelling;

Overwegende dat de produkten die bestemd zijn om bij het eerste gebruik te worden verbruikt buiten de werkingssfeer van deze vrijstelling dienen te worden gehouden;

Overwegende dat, overeenkomstig artikel 14, lid 1, onder c), van de zesde Richtlijn 77/388/EEG van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake omzetbelasting - Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (4), de Lid-Staten, onverminderd andere communautaire bepalingen en onder de voorwaarden die zij vaststellen om onder meer alle fraude, ontwijking en misbruik te voorkomen, vrijstellingen dienen te verlenen voor de invoer van goederen die worden aangegeven in het kader van een douaneregeling voor tijdelijke invoer en uit dien hoofde in aanmerking komen voor vrijstelling van invoerrechten of die voor een dergelijke vrijstelling in aanmerking zouden komen indien zij uit een derde land zouden zijn ingevoerd;

Overwegende dat de Commissie overeenkomstig artikel 14, lid 2, van bovengenoemde richtlijn bij de Raad voorstellen moet indienen om communautaire belastingregels vast te stellen waarbij de werkingssfeer en de wijze van toepassing van de in lid 1 van genoemd artikel bedoelde vrijstellingen nader worden omlijnd;

Overwegende dat de Lid-Staten overeenkomstig artikel 16, lid 1, punt D, van bovengenoemde Richtlijn 77/388/EEG bijzondere maatregelen kunnen nemen ten einde geen BTW te heffen op leveringen van goederen die nog onderworpen zijn aan een douaneregeling voor tijdelijk invoer;

Overwegende dat de Commissie overeenkomstig artikel 16, lid 3, van bovengenoemde richtlijn voorstellen bij de Raad moet indienen betreffende de gemeenschappelijke bepalingen voor de toepassing van de BTW op de in lid 1 van genoemd artikel bedoelde handelingen;

Overwegende dat het voor de invoer uit derde landen wenselijk is een zo groot mogelijke mate van uniformiteit tot stand te brengen tussen de douaneregeling en de BTW-regeling, vooral omdat vele vrijstellingen bij tijdelijke invoer hun oorsprong vinden in multilaterale internationale overeenkomsten die van toepassing zijn op alle rechten en belastingen die bij of in verband met invoer moeten worden betaald;

Overwegende dat het in bepaalde omstandigheden voor de Lid-Staten mogelijk moet zijn vrijstelling bij tijdelijke invoer te weigeren of in te trekken of zekerheidstelling te verlangen ten einde ontwijking of misbruik te voorkomen;

Overwegende dat vrijstelling bij tijdelijke invoer slechts mag gelden voor de gevallen waarin de goederen zijn bestemd om te worden gebruikt voor de doeleinden waardoor zij voor vrijstelling in aanmerking komen en om vervolgens weer te worden uitgevoerd; dat toezicht op de regeling derhalve noodzakelijk is om ervoor te zorgen dat de BTW verschuldigd wordt in de gevallen waarin de goederen niet meer voor vrijstelling in aanmerking komen;

Overwegende dat het, in afwijking van de grondregels betreffende de regeling tijdelijke invoer, een administratieve vereenvoudiging zou betekenen indien bepaalde goederen die worden ingevoerd voor verkoop, voor een strikt beperkte periode in aanmerking zouden komen voor vrijstelling bij tijdelijke invoer;

Overwegende dat in passende periodes dient te worden voorzien om aanpassing van de nationale wettelijke bepalingen in bepaalde sectoren mogelijk te maken,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN

VASTGESTELD:

TITEL I

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

1. De Lid-Staten verlenen overeenkomstig deze richtlijn vrijstelling van BTW voor de tijdelijke invoer van de in deze richtlijn bedoelde goederen en stellen de voorwaarden vast om een juiste en eenvoudige toepassing van deze vrijstelling te verzekeren en fraude, ontwijking of misbruik te voorkomen.

De Lid-Staten kunnen eveneens voor latere met gebruikmaking van deze goederen te verrichten diensten, de voorwaarden vaststellen om de juiste en eenvoudige belasting te waarborgen en om fraude, ontwijking of misbruik te voorkomen.

2. Vervoermiddelen, pallets en containers zijn van de werkingssfeer van deze richtlijn uitgesloten.

3. Voor andere goederen dan die bedoeld in lid 2 omschrijft deze richtlijn:

a) de werkingssfeer van de vrijstelling van de BTW voor ingevoerde goederen die worden aangegeven in het kader van een douaneregeling voor tijdelijke invoer als bedoeld in artikel 14, lid 1, onder c), van Richtlijn 77/388/EEG, alsmede de wijze van toepassing ervan zoals bedoeld in artikel 14, lid 2, van dezelfde richtlijn;

b) de gemeenschappelijke bepalingen bedoeld in artikel 16, lid 3, van Richtlijn 77/388/EEG met het oog op de vrijstelling van leveringen van goederen die nog onderworpen zijn aan de regeling voor tijdelijke invoer.

4. Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:

a) het »grondgebied van een Lid-Staat" : het »binnenland" in de zin van artikel 3 van Richtlijn 77/388/EEG;

b) »vrijstelling bij tijdelijke invoer": de regeling waarbij goederen die bestemd zijn om tijdelijk op het grondgebied van een Lid-Staat te blijven en vervolgens weer te worden uitgevoerd mogen worden ingevoerd met vrijstelling van BTW overeenkomstig de bij deze richtlijn vastgestelde voorwaarden;

c) »bevoegde autoriteiten": de autoriteiten van de Lid-Staat waar de vrijstelling bij de tijdelijke invoer van goederen moet worden aangevraagd;

d) »persoon": natuurlijke of rechtspersoon.

Artikel 2

1. De bevoegde autoriteiten verlenen door middel van een vergunning vrijstelling bij tijdelijke invoer aan elke persoon die de goederen waarvoor vrijstelling wordt gevraagd, onder zijn verantwoordelijkheid gebruikt of doet gebruiken.

2. De bevoegde autoriteiten nemen alle maatregelen die zij noodzakelijk achten om de identificatie van de goederen en de controle op het gebruik ervan te verzekeren.

3. De bevoegde autoriteiten kunnen:

a) weigeren vrijstelling bij tijdelijke invoer te verlenen indien het onmogelijk wordt geacht de goederen in kwestie te identificeren of het gebruik ervan te controleren;

b) weigeren vrijstelling te verlenen aan personen die niet alle noodzakelijk geachte waarborgen bieden en met name aan personen die eerder op onregelmatige wijze gebruik hebben gemaakt van een vrijstelling bij tijdelijke invoer of die zich schuldig hebben gemaakt aan een ernstige overtreding van de douane- of de belastingwetgeving.

Artikel 3

1. Op het tijdstip waarop vrijstelling bij tijdelijke invoer wordt verleend, kunnen de bevoegde autoriteiten zekerheidstelling verlangen om te verzekeren dat de BTW wordt betaald, die verschuldigd kan worden wanneer zich een belastbaar feit voordoet overeenkomstig het bepaalde in artikel 8.

2. Voor de goederen die tijdelijk uit een Lid-Staat in een andere Lid-Staat worden ingevoerd, heeft de persoon aan wie vrijstelling bij tijdelijke invoer werd verleend, indien zekerheidstelling wordt verlangd, de keuze tussen:

a) storting van een geldsom in de valuta van de Lid-Staat waar de zekerheid wordt verlangd;

b) inschakeling van een borg die zijn gewone verblijfplaats of een vestiging heeft in de Lid-Staat waar de zekerheid wordt verlangd en die is goedgekeurd door de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staat;

c) elke andere zekerheid die aanvaardbaar is voor de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staat waar de zekerheid wordt verlangd.

3. Indien een zekerheid wordt verlangd, mag deze niet hoger zijn dan het bedrag aan BTW dat over de goederen verschuldigd geweest zou zijn op het tijdstip van invoer indien zij op dat tijdstip tot verbruik waren aangegeven.

4. Geen zekerheid wordt verlangd:

a) voor goederen die vallen onder de procedure van Verordening (EEG) nr. 3/84 van de Raad van 19 december 1983 tot instelling van een regeling voor intracommunautair verkeer van goederen die uit een Lid-Staat worden verzonden om tijdelijk te worden gebruikt in één of meer andere Lid-Staten (1);

b) voor goederen die worden ingevoerd uit een andere Lid-Staat of een derde land in de gevallen bepaald in de artikelen 3 en 33 van Verordening (EEG) nr. 3599/82 van de Raad van 21 december 1982 betreffende de regeling tijdelijke invoer (1).

Artikel 4

1. Personen aan wie vrijstelling bij tijdelijke invoer is verleend, zijn verplicht hun medewerking te verlenen aan de door de bevoegde autoriteiten voorgeschreven maatregelen inzake toezicht en controle.

2. De bevoegde autoriteiten kunnen de vrijstelling bij tijdelijke invoer intrekken wanneer zij vaststellen dat de begunstigde niet heeft voldaan aan één of meer van de voorwaarden waaronder vrijstelling werd verleend.

Artikel 5

1. De bevoegde autoriteiten bepalen de verblijfsduur van de goederen onder de regeling »vrijstelling bij tijdelijke invoer" naar gelang van het toegestane gebruik. Onverminderd de in de artikelen 14, 15, 16, 18, 21, 26, 28 en 29 vastgestelde beperkingen bedraagt de maximumduur 24 maanden.

2. Wanneer uitzonderlijke omstandigheden zulks rechtvaardigen, kunnen de bevoegde autoriteiten echter op verzoek van de houder van de vergunning en onder de voorwaarden van deze richtlijn, de in lid 1 bedoelde termijnen, behalve die van artikel 28, voor het toegestane gebruik binnen redelijke grenzen verlengen.

Artikel 6

De bevoegde autoriteiten staan toe dat het recht om gebruik te maken van de vrijstelling bij tijdelijke invoer, op diens verzoek, aan een andere persoon wordt overgedragen indien deze persoon aan de in deze richtlijn gestelde voorwaarden voldoet en alle verplichtingen van de houder van de oorspronkelijke vergunning overneemt, met name die welke voortvloeien uit de vaststelling van de periode gedurende welke de goederen onder de vrijstelling bij tijdelijke invoer blijven vallen.

Artikel 7

De Lid-Staten stellen leveringen van goederen in de zin van artikel 5 van Richtlijn 77/388/EEG vrij van de belasting over de toegevoegde waarde op voorwaarde dat de koper buiten het grondgebied van de Lid-Staat van invoer is gevestigd en dat de goederen in aanmerking blijven komen voor vrijstelling bij tijdelijke invoer.

Artikel 8

1. Het recht op vrijstelling bij tijdelijke invoer vervalt zonder dat er zich een belastbaar feit voordoet, indien de goederen waarvoor vrijstelling werd verleend:

a) uit het grondgebied van de Lid-Staat worden uitgevoerd;

b) met het oog op hun latere uitvoer onder een van de volgende regelingen worden geplaatst:

- entrepot,

- vrije zone,

- communautair douanevervoer, of onder een van de regelingen voor internationaal vervoer als bedoeld in artikel 7, lid 1, van Verordening (EEG) nr. 222/77 van de Raad van 13 december 1976 betreffende communautair douanevervoer (2), voor zover gebruikmaking van laatstgenoemde regelingen is toegestaan bij de communautaire wetgeving; of

c) onder douanetoezicht worden vernietigd of wanneer ten genoegen van de bevoegde autoriteiten wordt bewezen dat zij onherstelbaar verloren zijn gegaan of zijn vernietigd ten gevolge van de aard van de goederen, omstandigheden die niet waren te voorzien of overmacht. In de zin van deze alinea worden goederen geacht onherstelbaar verloren te zijn indien zij na verdwijning door niemand meer kunnen worden gebruikt.

2. Een belastbaar feit vindt plaats en de belasting wordt verschuldigd:

a) op het tijdstip waarop de bevoegde autoriteiten in uitzonderlijke of in de in artikel 13 bedoelde gevallen toestaan dat de goederen waarvoor vrijstelling bij tijdelijke invoer werd verleend, tot verbruik worden aangegeven;

b) op het tijdstip waarop goederen die kunnen worden teruggewonnen in de vorm van afvalstoffen na een officieel toegestane vernietiging tot verbruik worden aangegeven; of

c) op het tijdstip waarop de in artikel 29 bedoelde goederen tot verbruik worden aangegeven.

3. Indien niet meer wordt voldaan aan een van de voorwaarden die voor het recht op vrijstelling bij tijdelijke invoer gelden, en het recht op vrijstelling niet is komen te vervallen overeenkomstig de bepalingen van lid 1, vallen de goederen niet meer onder deze regeling. In dergelijke gevallen wordt ervan uitgegaan dat een belastbaar feit heeft plaatsgevonden en de BTW wordt bijgevolg opeisbaar, hetzij op het tijdstip dat niet meer aan de voorwaarde wordt voldaan, hetzij, indien wordt vastgesteld dat nimmer aan de voorwaarde werd voldaan, op het tijdstip dat de goederen de Lid-Staat werden binnengebracht.

4. Wanneer de goederen in het vrije verkeer worden gebracht en de importeur een niet-belastingplichtige is dan wel een belastingplichtige is die niet het recht op volledige aftrek geniet, kunnen de Lid-Staten, ten

einde aanzienlijke concurrentieverstoring tegen te gaan, ervan uitgaan dat een belastbaar feit heeft plaatsgevonden op het tijdstip waarop de goederen de Lid-Staat zijn binnengebracht.

Artikel 9

1. Onverminderd de in artikel 28 bedoelde gevallen wordt geen vrijstelling bij tijdelijke invoer verleend voor goederen die tijdelijk worden ingevoerd uit derde landen met gedeeltelijke of volledige vrijstelling van invoerrechten ingevolge het bepaalde in titel III van Verordening (EEG) nr. 3599/82.

2. Voor de goederen die recht geven op gedeeltelijke vrijstelling van invoerrechten vindt het belastbaar feit inzake BTW plaats op het tijdstip waarop de goederen het grondgebied van de Lid-Staat worden binnengebracht. In een dergelijk geval hebben de Lid-Staten de mogelijkheid te bepalen dat de BTW verschuldigd wordt op het tijdstip waarop het belastbaar feit plaatsvindt, dan wel op het tijdstip waarop het bedrag van de invoerrechten wordt geïnd.

Indien de belasting verschuldigd is op het tijdstip waarop het belastbaar feit plaatsvindt, wordt de maatstaf voor heffing van de BTW geregulariseerd wanneer de uit hoofde van de gedeeltelijke vrijstelling verschuldigde invoerrechten worden geïnd. De Lid-Staten kunnen evenwel van regularisering afzien wanneer de importeur een belastingplichtige is die recht heeft op volledige aftrek van de voor de ingevoerde goederen verschuldigde BTW.

TITEL II

WERKINGSSFEER VAN DE VRIJSTELLING BIJ TIJDELIJKE INVOER VOOR UIT EEN LID-STAAT IN EEN ANDERE LID-STAAT INGEVOERDE GOEDEREN

Artikel 10

Vrijstelling bij tijdelijke invoer wordt verleend voor goederen die tijdelijk uit een Lid-Staat in een andere Lid-Staat worden ingevoerd, op voorwaarde dat deze goederen:

a) bestemd zijn om, zonder be- of verwerking, weer te worden uitgevoerd;

b) voldoen aan de in de artikelen 9 en 10 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap vastgestelde voorwaarden of, in het geval van goederen die vallen onder het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal, zich in het vrije verkeer bevinden;

c) zijn verkregen overeenkomstig de regels voor de toepassing van de BTW in de Lid-Staat van uitvoer, en uit hoofde van hun uitvoer geen vrijstelling van de BTW hebben genoten;

d) toebehoren aan een buiten het grondgebied van de Lid-Staat van invoer gevestigde persoon; en

e) geen verbruiksgoederen zijn die slechts eenmaal gebruikt kunnen worden.

Artikel 11

Uit een Lid-Staat in een andere Lid-Staat ingevoerde goederen die niet voldoen aan de voorwaarden voor vrijstelling op grond van artikel 10, komen in aanmerking voor vrijstelling bij tijdelijke invoer ingeval zij, indien zij uit een derde land zouden zijn ingevoerd, in aanmerking zouden zijn gekomen voor die vrijstelling op grond van titel III.

Vrijstelling bij tijdelijke invoer wordt evenwel niet toegestaan ingeval

a) de goederen voldoen aan de voorwaarden van de artikelen 9 en 10 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap;

b) de goederen niet zijn verkregen overeenkomstig de regels die in de Lid-Staat van uitvoer gelden voor de toepassing van de BTW, of, ingevolge de uitvoer ervan, vrijstelling van BTW hebben genoten; en

c) de importeur een niet-belastingplichtige is of een belastingplichtige die niet in aanmerking komt voor het recht op volledige aftrek.

TITEL III

WERKINGSSFEER VAN DE VRIJSTELLING BIJ TIJDELIJKE INVOER VOOR UIT EEN DERDE LAND INGEVOERDE GOEDEREN

Hoofdstuk 1

Beroepsuitrusting

Artikel 12

1. Vrijstelling bij tijdelijke invoer wordt verleend voor beroepsuitrusting.

2. Onder beroepsuitrusting wordt verstaan het materieel en toebehoren dat nodig is voor de uitoefening van het ambacht of het beroep van een buiten het grondgebied van de Lid-Staat gevestigde persoon die zich in de Lid-Staat bevindt om bepaalde werkzaamheden te verrichten, voor zover deze uitrusting valt binnen de werkingssfeer van artikel 7 van Verordening (EEG) nr. 3599/82.

3. De in lid 1 bedoelde vrijstelling wordt verleend op voorwaarde dat de beroepsuitrusting:

a) toebehoort aan een buiten het grondgebied van de Lid-Staat gevestigde persoon;

b) wordt ingevoerd door een buiten genoemd grondgebied gevestigde persoon, en

c) uitsluitend door de persoon die zich op dat grondgebied begeeft, of onder zijn leiding, wordt gebruikt. De voorwaarde onder c) geldt echter niet voor filmmateriaal dat wordt ingevoerd voor het maken van films ter uitvoering van een overeenkomst inzake coproduktie die is gesloten met een op het grondgebied van de Lid-Staat van invoer gevestigde persoon.

In het geval van gemeenschappelijke radio- of televisieprogramma's kan voor de beroepsuitrusting een huurovereenkomst of een soortgelijke overeenkomst worden gesloten waarbij een op het grondgebied van de Lid-Staat van invoer gevestigde persoon partij is.

4. Vrijstelling wordt onder dezelfde voorwaarden als voor de uitrusting zelf verleend voor onderdelen die later worden ingevoerd met het oog op de reparatie van de in lid 1 bedoelde uitrusting.

Hoofdstuk 2

Goederen die bestemd zijn om op tentoonstellingen, jaarbeurzen, congressen of soortgelijke manifestaties te worden getoond of gebruikt

Artikel 13

1. Vrijstelling bij tijdelijke invoer wordt verleend voor:

a) goederen bestemd om te worden tentoongesteld of waarmee zal worden gedemonstreerd tijdens een manifestatie;

b) goederen bestemd om ten behoeve van de presentatie van ingevoerde produkten op een manifestatie te worden gebruikt, zoals:

- goederen die nodig zijn voor het demonstreren van tentoongestelde machines of apparaten die zijn ingevoerd;

- bouw- en decoratiemateriaal, met inbegrip van de elektrische uitrusting, voor tijdelijk op te richten stands van een buiten het grondgebied van de Lid-Staat van invoer gevestigde persoon;

- reclame-, demonstratie- en uitrustingsmateriaal, bestemd om voor publiciteitsdoeleinden voor tentoongestelde ingevoerde goederen te worden gebruikt, zoals geluids-, film- en diaopnamen, alsmede de voor het gebruik daarvan noodzakelijke apparatuur;

c) materiaal - met ingebrip van tolkenapparatuur, geluidsopnameapparatuur en films van opvoedkundige, wetenschappelijke of culturele aard - bestemd om op internationale vergaderingen, conferenties en congressen te worden gebruikt;

d) levende dieren bestemd om te worden tentoongesteld of aan manifestaties deel te nemen;

e) produkten die tijdens de manifestatie worden verkregen uit tijdelijk ingevoerde goederen, machines, apparaten of dieren.

2. Onder manifestaties worden verstaan:

a) tentoonstellingen, jaarbeurzen, beurzen en dergelijke manifestaties op het gebied van handel, industrie, landbouw en ambachtelijke nijverheid;

b) tentoonstellingen of manifestaties die voornamelijk voor liefdadige doeleinden worden georganiseerd;

c) tentoonstellingen of manifestaties die voornamelijk worden georganiseerd met een wetenschappelijk, technisch, ambachtelijk, artistiek, opvoedkundig of cultureel, sportief of religieus doel, of voor een cultus, op vakverenigingsgebied, met een toeristisch doel of met het doel de volkeren te helpen elkaar beter te begrijpen;

d) vergaderingen van vertegenwoordigers van internationale organisaties of groeperingen;

e) plechtigheden en manifestaties met een officieel of herdenkingskarakter;

met uitzondering van particuliere tentoonstellingen die in winkels of handelsruimten worden georganiseerd met het oog op de verkoop van ingevoerde goederen.

Hoofdstuk 3

Opvoedkundig en wetenschappelijk materiaal

Artikel 14

1. Vrijstelling bij tijdelijke invoer wordt verleend voor:

a) opvoedkundig materiaal;

b) onderdelen en toebehoren voor dit materiaal;

c) gereedschap dat speciaal voor onderhoud, controle, afstelling of reparatie van dit materiaal is ontworpen.

2. Onder opvoedkundig materiaal wordt verstaan alle voor onderwijs of beroepsopleiding gebruikt materiaal en met name modellen, instrumenten, apparaten, machines en toebehoren, voor zover dit materiaal valt binnen de werkingssfeer van artikel 10 van Verordening (EEG) nr. 3599/82.

3. De in lid 1 bedoelde vrijstelling wordt verleend op voorwaarde dat het opvoedkundig materiaal, de onderdelen, het toebehoren en het gereedschap:

a) worden ingevoerd door openbare of particuliere onderwijs- of beroepsopleidingsinstellingen die hoofdzakelijk zonder winstoogmerk opereren en door de bevoegde autoriteiten zijn erkend met het oog op deze vrijstelling en worden gebruikt onder het toezicht en de verantwoordelijkheid van die instellingen;

b) niet voor commerciële doeleinden worden gebruikt;

c) gelet op de bestemming ervan, in redelijke hoeveelheden worden ingevoerd; en

d) tijdens hun verblijf op het grondgebied van de Lid-Staat van invoer eigendom blijven van een buiten het grondgebied van deze Lid-Staat gevestigde persoon.

4. De periode waarin opvoedkundig materiaal onder de vrijstelling valt, mag niet langer zijn dan zes maanden. Artikel 15

1. Vrijstelling bij tijdelijke invoer wordt verleend voor:

a) wetenschappelijk materiaal en toebehoren;

b) onderdelen voor materiaal bedoeld onder a);

c) gereedschap dat speciaal is ontworpen voor onderhoud, controle, afstelling of reparatie van wetenschappelijk materiaal dat op het grondgebied van de Lid-Staat van invoer uitsluitend voor wetenschappelijk onderzoek of onderwijs wordt gebruikt.

2. Onder wetenschappelijk materiaal wordt verstaan de instrumenten, apparaten, machines en toebehoren die uitsluitend voor wetenschappelijk onderzoek of onderwijs worden gebruikt.

3. De in lid 1 bedoelde vrijstelling wordt verleend op voorwaarde dat het wetenschappelijk materiaal, de onderdelen, het toebehoren en het gereedschap:

a) worden ingevoerd door wetenschappelijke of onderwijsinstellingen die hoofdzakelijk zonder winstoogmerk opereren en door de bevoegde autoriteiten zijn erkend met het oog op deze vrijstelling, en worden gebruikt onder het toezicht en de verantwoordelijkheid van die instellingen;

b) niet voor commerciële doeleinden worden gebruikt;

c) gelet op de bestemming ervan, in redelijke hoeveelheden worden ingevoerd; en

d) tijdens hun verblijf op het grondgebied van de Lid-Staat van invoer eigendom blijven van een buiten het grondgebied van deze Lid-Staat gevestigde persoon.

4. De periode waarin wetenschappelijk materiaal onder de vrijstelling valt, mag niet langer zijn dan zes maanden.

Hoofdstuk 4

Medisch-chirurgisch en laboratoriummateriaal

Artikel 16

1. Vrijstelling bij tijdelijke invoer wordt verleend voor medisch-chirurgisch en laboratoriummateriaal dat bestemd is voor ziekenhuizen en andere gezondheidsinstellingen, op voorwaarde dat:

a) het een incidentele en gratis uitgeleende zending van dit materaal betreft, en

b) het materiaal voor diagnostische of therapeutische doeleinden wordt aangewend.

2. De periode waarin medisch-chirurgisch en laboratoriummateriaal onder de vrijstelling valt, mag niet langer zijn dan zes maanden.

Hoofdstuk 5

Materiaal ter bestrijding van de gevolgen van rampen

Artikel 17

1. Vrijstelling bij tijdelijke invoer wordt verleend voor materiaal dat bestemd is om te worden gebruikt in het kader van maatregelen ter bestrijding van de gevolgen van rampen op het grondgebied van de Lid-Staat van invoer, op voorwaarde dat dit materiaal:

a) als gratis uitgeleend wordt ingevoerd; en

b) bestemd is voor overheidsorganisaties of organisaties die door de bevoegde autoriteiten zijn erkend.

Hoofdstuk 6

Verpakkingen

Artikel 18

1. Vrijstelling bij tijdelijke invoer wordt verleend voor verpakkingen.

2. Onder verpakkingen worden verstaan:

a) recipiënten die worden gebruikt of bestemd zijn om te worden gebruikt voor de externe of interne verpakking van goederen;

b) materiaal waarop goederen zijn opgerold, gewonden of bevestigd of dat daarvoor is bestemd,

met uitzondering van verpakkingsmaterialen als stro, papier, glasvezels en schaafkrullen die in bulk worden ingevoerd.

3. De in lid 1 bedoelde vrijstelling wordt verleend op voorwaarde dat de verpakkingen:

a) wanneer zij gevuld worden ingevoerd, worden aangegeven als bestemd om leeg of gevuld weer te worden uitgevoerd, of

b) wanneer zij leeg worden ingevoerd, worden aangegeven als bestemd om gevuld weer te worden uitgevoerd.

4. Onder de regeling vrijstelling bij tijdelijke invoer geplaatste verpakkingen mogen niet, zelfs niet incidenteel, tussen twee op het grondgebied van de Lid-Staat van invoer gelegen punten worden gebruikt, behalve met het oog op de uitvoer van goederen, uit dit grondgebied. In geval van gevuld ingevoerde verpakkingen is dit verbod pas van toepassing vanaf het tijdstip waarop zij van hun inhoud zijn ontdaan.

5. De periode waarin de verpakkingen onder de vrijstelling vallen, mag niet langer zijn dan 6 maanden wanneer zij gevuld worden ingevoerd en 3 maanden wanneer zij leeg worden ingevoerd. Hoofdstuk 7

Persoonlijke goederen van reizigers

Artikel 19

1. Vrijstelling bij tijdelijke invoer wordt verleend voor persoonlijke goederen die een reiziger zelf of in zijn persoonlijke bagage meevoert voor de duur van zijn verblijf op het grondgebied van de Lid-Staat van invoer.

2. Onder persoonlijke goederen worden alle kledingstukken en andere nieuwe of gebruikte voorwerpen verstaan die bestemd zijn voor persoonlijk gebruik van de reiziger.

Persoonlijke bagage heeft de betekenis die eraan werd gegeven in Richtlijn 69/169/EEG van de Raad van 28 mei 1969 inzake de harmonisatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen met betrekking tot de vrijstellingen van omzetbelastingen en accijnzen die bij invoer worden geheven in het internationale reizigersverkeer (1).

Hoofdstuk 8

Handelsmonsters, reclamemateriaal en goederen voor proeven

Artikel 20

Vrijstelling bij tijdelijke invoer wordt verleend voor:

a) monsters die representatief zijn voor een bepaalde groep goederen en bestemd zijn om te worden getoond of gedemonstreerd met het oog op het nastreven van bestellingen van soortgelijke goederen;

b) films die de aard of de werking tonen van materiaal of produkten uit het buitenland op voorwaarde dat zij niet bestemd zijn voor openbare vertoning met winstoogmerk;

c) toeristisch reclamemateriaal dat valt binnen de werkingssfeer van artikel 20, onder d), van Verordening (EEG) nr. 3599/82;

d) goederen van ongeacht welke aard die onderworpen moeten worden aan proeven, experimenten of demonstraties, met inbegrip van proeven en experimenten die noodzakelijk zijn voor typegoedkeuring, met uitzondering van proeven, experimenten of demonstraties die een winstgevende bezigheid vormen;

e) goederen van ongeacht welke aard die moeten dienen voor het uitvoeren van proeven, experimenten of demonstraties, met uitzondering van proeven, experimenten of demonstraties die een winstgevende bezigheid vormen.

Hoofdstuk 9

Welzijnsgoederen, bestemd voor zeelieden

Artikel 21

1. Vrijstelling bij tijdelijke invoer wordt verleend voor welzijnsgoederen, bestemd voor zeelieden.

2. Worden verstaan onder:

- welzijnsgoederen: materiaal dat bestemd is voor de activiteiten van zeelieden op cultureel, educatief, recreatief, godsdienstig of sportief gebied, voor zover dit materiaal valt binnen de werkingssfeer van artikel 21 van Verordening (EEG) nr. 3599/82;

- zeelieden: alle personen die aan boord van een schip worden vervoerd en die belast zijn met taken die verband houden met de werking of de dienst van dit schip op zee.

3. De in lid 1 bedoelde vrijstelling wordt verleend op voorwaarde dat het materiaal:

a) aan wal wordt gebracht om door de bemanning tijdelijk aan land te worden gebruikt gedurende een periode die niet langer is dan de aanlegperiode in de haven;

b) wordt ingevoerd om tijdelijk te worden gebruikt in culturele of sociale instellingen, gedurende een periode van ten hoogste zes maanden. Onder culturele of sociale instelling wordt verstaan ontmoetingscentra, clubs en recreatieruimten voor zeelieden, die worden beheerd door officiële instanties, of door godsdienstige of andere instellingen zonder winstoogmerk, alsmede plaatsen voor de eredienst waar regelmatig diensten voor zeelieden worden gehouden.

Hoofdstuk 10

Goederen die bestemd zijn om door een overheidsdienst te worden gebruikt in grensgebieden

Artikel 22

Vrijstelling bij tijdelijke invoer wordt verleend voor diverse materialen die onder het toezicht en de verantwoordelijkheid van een overheidsdienst worden gebruikt voor de aanleg, het herstel of het onderhoud van infrastructuurvoorzieningen van algemeen belang in grensgebieden.

Hoofdstuk 11

Dieren

Artikel 23

Vrijstelling bij tijdelijke invoer wordt verleend voor:

a) levende dieren van elke soort die worden ingevoerd voor dressuur, voor training, voor fokdoeleinden of om aan veeartsenijkundige behandelingen te worden onderworpen;

b) levende dieren van elke soort die worden ingevoerd met het oog op het be- en verweiden;

c) trekdieren en bijbehorend materiaal, toebehorend aan personen die zijn gevestigd buiten het grondgebied van de Gemeenschap maar wel in de nabijheid van dat grondgebied en door deze personen ingevoerd voor de exploitatie van onroerende goederen gelegen in dat grondgebied, welke exploitatie landbouwwerkzaamheden, dan wel het verslepen of vervoeren van hout omvat.

Hoofdstuk 12

Films, banden en andere geluidsdragers

Artikel 24

Vrijstelling bij tijdelijke invoer wordt verleend voor:

a) cinematografische films, belicht en ontwikkeld, positief, bestemd om te worden bekeken, alvorens zij commercieel in omloop worden gebracht;

b) films, magnetische banden en gemagnetiseerde draden, bestemd om van geluid te worden voorzien, te worden nagesynchroniseerd of voor de vervaardiging van kopieën;

c) informatie- en geluidsdragers, van opname voorzien, met inbegrip van ponskaarten, die gratis ter beschikking worden gesteld van een al dan niet op het grondgebied van de Lid-Staat van invoer gevestigde persoon.

Hoofdstuk 13

Goederen die bestemd zijn om te worden gebruikt bij de produktie met het oog op de uitvoer

Artikel 25

Vrijstelling bij tijdelijke invoer wordt verleend voor:

a) gietvormen, matrijzen, clichés, tekeningen, ontwerpen en andere soortgelijke voorwerpen die bestemd zijn voor een op het grondgebied van de Lid-Staat van invoer gevestigde persoon, wanneer ten minste 75 % van de met behulp daarvan verkregen produktie uit het grondgebied van de Gemeenschap wordt uitgevoerd;

b) meet-, controle- en verificatie-instrumenten en andere soortgelijke voorwerpen die bestemd zijn voor een op het grondgebied van de Lid-Staat van invoer gevestigde persoon om tijdens een frabricageprocédé te worden gebruikt, wanneer ten minste 75 % van de met behulp daarvan verkregen produktie uit het grondgebied van de Gemeenschap wordt uitgevoerd;

c) speciale gereedschappen en instrumenten die gratis ter beschikking worden gesteld van een op het grondgebied van de Lid-Staat van invoer gevestigde persoon om te worden gebruikt bij de vervaardiging van in hun geheel uit te voeren goederen, op voorwaarde dat die speciale gereedschappen en instrumentn eigendom blijven van de geadresseerde van genoemde goederen.

Hoofdstuk 14

Vervangende produktiemiddelen

Artikel 26

1. Vrijstelling bij tijdelijke invoer wordt verleend voor vervangende produktiemiddelen die tijdelijk gratis ter beschikking van de importeur worden gesteld op initiatief van de leverancier van soortgelijke produktiemiddelen die later worden ingevoerd om tot verbruik te worden aangegeven, of voor produktiemiddelen die na te zijn gerepareerd opnieuw in gebruik worden genomen.

2. De periode waarin vervangende produktiemiddelen onder de vrijstelling vallen mag niet langer zijn dan zes maanden.

Hoofdstuk 15

Andere gevallen waarin vrijstelling bij tijdelijke invoer kan worden verleend

Artikel 27

De bevoegde autoriteiten van de Lid-Staten van invoer verlenen vrijstelling bij tijdelijke invoer wanneer zij menen dat het een bijzonder geval zonder economische consequenties betreft.

Artikel 28

De Lid-Staten kunnen vrijstelling bij tijdelijke invoer verlenen voor goederen die tijdelijk voor niet- commerciële doeleinden en incidenteel worden ingevoerd voor een beperkte termijn van maximaal zes maanden, wanneer de importeur geen recht heeft op volledige aftrek of terugbetaling van de BTW die anders voor de ingevoerde goederen verschuldigd zou zijn.

TITEL IV

GOEDEREN DIE WORDEN INGEVOERD MET HET OOG OP EVENTUELE VERKOOP

Artikel 29

1. In afwijking van artikel 1, lid 4, onder b), wordt vrijstelling bij tijdelijke invoer verleend voor:

a) tweedehands goederen die worden ingevoerd met het oog op verkoop bij opbod;

b) goederen die worden ingevoerd in het kader van een koopovereenkomst onder voorbehoud van bevredigend uitvallende proeven;

c) zichtzendingen van geconfectioneerde pelterijen, edelstenen, tapijten en bijouterieën, mits zij wegens hun bijzondere kenmerken niet als monsters kunnen worden ingevoerd;

d) kunstwerken en andere voor decoratie bestemde goederen die echter over het algemeen niet voor utilitair gebruik bestemd zijn, die worden ingevoerd om met het oog op eventuele verkoop te worden tentoongesteld. 2. Voor de toepassing van lid 1, onder d), wordt gedoeld op onderstaande goederen:

- schilderijen, tekeningen en pastellen met inbegrip van kopieën, geheel met de hand vervaardigd, met uitzondering van met de hand versierde voorwerpen en industriële tekeningen (post 99.01 van het gemeenschappelijk douanetarief);

- litho's, entsen en gravures, gesigneerd en genummerd door de kunstenaar, gemaakt met lithografiestenen, platen of andere gegraveerde oppervlakken, geheel met de hand vervaardigd (post 99.02 van het gemeenschappelijk douanetarief);

- originele standbeelden en origineel beeldhouwwerk, met uitzondering van in massa geproduceerde afgietsels en ambachtswerk van commerciële aard (post 99.03 van het gemeenschappelijk douanetarief);

- tapisserieën (post 58.03 van het gemeenschappelijk douanetarief) en wandtextiel (post ex 62.02 B IV van het gemeenschappelijk douanetarief), met de hand vervaardigd volgens originele ontwerpen van kunstenaars, mits er niet meer dan één exemplaar van elk is;

- origineel aardewerk en originele mozaïeken op hout.

3. De in lid 1 bedoelde vrijstelling is zowel van toepassing op uit andere Lid-Staten ingevoerde goederen als op uit derde landen ingevoerde goederen.

4. De periode waarin de in lid 1 bedoelde goederen onder de vrijstelling vallen, mag niet langer zijn dan zes maanden in de onder a), b) en d) bedoelde gevallen en vier weken in het onder c) bedoelde geval.

5. De prijs die de eerste koper van de goederen heeft betaald in de Lid-Staat van invoer moet als maatstaf voor heffing worden beschouwd indien de goederen niet langer vallen onder de vrijstelling bij tijdelijke invoer.

TITEL V

SLOTBEPALINGEN

Artikel 30

Alle verwijzingen in andere communautaire bepalingen naar artikel 14, lid 1, onder c), en artikel 16, lid 1, onder D), van Richtlijn 77/388/EEG, worden geacht eveneens naar de onderhavige richtlijn te verwijzen.

Artikel 31

1. De Lid-Staten doen de nodige maatregelen in werking treden om uiterlijk op 1 januari 1986 aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

Niettemin:

- is de Bondsrepubliek Duitsland gemachtigd de toepassing van artikel 7 uit te stellen tot 1 januari 1987;

- is de Helleense Republiek gemachtigd de toepassing van artikel 9 uit te stellen tot 1 januari 1989.

2. De machtigingen die krachtens nationale bepalingen zijn verleend voordat de Lid-Staten de nodige maatregelen in werking hebben doen treden om aan deze richtlijn te voldoen worden uiterlijk twee jaar na de inwerkingtreding van deze maatregelen ingetrokken indien zij niet uit hoofde van de bepalingen van deze richtlijn kunnen worden gehandhaafd.

Artikel 32

Deze richtlijn is gericht tot de Lid-Staten.

Gedaan te Brussel, 16 juli 1985.

Voor de Raad

De Voorzitter

M. FISCHBACH

(1) PB nr. C 244 van 13. 9. 1984, blz. 4, en PB nr. C 68 van 15. 2. 1985, blz. 6.

(2) PB nr. C 12 van 14. 1. 1985, blz. 111.

(3) PB nr. C 25 van 28. 1. 1985, blz. 8.

(4) PB nr. L 145 van 13. 6. 1977, blz. 1.

(1) PB nr. L 2 van 4. 1. 1984, blz. 1.

(1) PB nr. L 376 van 21. 12. 1982, blz. 1.

(2) PB nr. L 38 van 9. 2. 1977, blz. 1.

(1) PB nr. L 133 van 4. 6. 1969, blz. 6.