31984R3643

Verordening (EEG) nr. 3643/84 van de Commissie van 20 december 1984 houdende instelling van een voorlopig anti-dumpingrecht op de invoer van elektronische schrijfmachines van oorsprong uit Japan en beëindiging van de anti-dumpingprocedure met betrekking tot Nakajima All Co. Ltd

Publicatieblad Nr. L 335 van 22/12/1984 blz. 0043 - 0048


*****

VERORDENING (EEG) Nr. 3643/84 VAN DE COMMISSIE

van 20 december 1984

houdende instelling van een voorlopig anti-dumpingrecht op de invoer van elektronische schrijfmachines van oorsprong uit Japan en beëindiging van de anti-dumpingprocedure met betrekking tot Nakajima All Co. Ltd

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE

GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EEG) nr. 2176/84 van de Raad van 23 juli 1984 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping of subsidie uit landen die geen lid zijn van de Europese Economische Gemeenschap (1), inzonderheid op de artikelen 9 en 11,

Na overleg in het kader van het in genoemde verordening bedoelde Raadgevend Comité,

Overwegende hetgeen volgt:

A. Procedure

(1) In maart 1984 heeft de Commissie een klacht ontvangen, die werd ingediend door het Comité van Europese Fabrikanten van Schrijfmachines (CETMA) namens de producenten die vrijwel de gehele communautaire produktie van elektronische schrijfmachines voor hun rekening nemen. De klacht bevatte voldoende geacht bewijsmateriaal met betrekking tot dumping en daaruit voortvloeiende aanzienlijke schade om inleiding van een procedure te rechtvaardigen. De Commissie kondigde derhalve, met een bericht in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen (2), de inleiding aan van een antidumpingprocedure inzake de invoer in de Gemeenschap van alle soorten elektronische schrijfmachines, vallende onder post ex 84.51 A van het gemeenschappelijk douanetarief, overeenkomend met de NIMEXE-posten 84.51 ex 14, ex 19 en ex 20, van oorsprong uit Japan, en maakte een aanvang met een onderzoek.

(2) De Commissie heeft de exporteurs en importeurs waarvan bekend is dat zij bij deze invoer betrokken zijn, de vertegenwoordigers van het land van uitvoer en de indieners van de klacht daarvan officieel in kennis gesteld en de rechtstreeks belanghebbende partijen in de gelegenheid gesteld hun standpunt schriftelijk bekend te maken en te verzoeken dit mondeling toe te lichten.

Alle, voor zover bekend, betrokken producenten en exporteurs en enige importeurs hebben hun standpunt schriftelijk bekend gemaakt. Enige van de betrokken exporteurs verzochten om te worden gehoord, welk verzoek werd ingewilligd.

(3) De Commissie heeft alle inlichtingen die zij voor de voorlopige vaststelling nodig achtte, verzameld en geverifieerd en zij heeft ten kantore van de volgende ondernemingen een onderzoek ingesteld:

EEG-producenten:

- Ing. C. Olivetti & C. Spa, Ivrea (Italië),

- Olympia Werke AG, Wilhelmshaven (Bondsrepubliek Duitsland),

- Triumph-Adler Aktiengesellschaft fuer Buero- und Informationstechnik, Nuernberg (Bondsrepubliek Duitsland);

Exporteurs naar de EEG

- Brother Industries Ltd (Nagoya),

- Canon Inc. (Tokio),

- Nakajima All Co. Ltd (Tokio en Nagano),

- Sharp Corporation (Osaka),

- Silver Seiko (Tokio),

- TEC Tokyo Electric Co. Ltd (Tokio),

- Tokyo Juki Industrial Co. Ltd (Tokio en Yukote),

- Towa Sankiden Corporation (Tokio);

EEG-importeurs

- Brother International (Belgium) SA, Zellik (België),

- Brother International Maskin A/S, Ishoej (Denemarken),

- Brother International GmbH, Bad Vilbel (Bondsrepubliek Duitsland),

- Brother Office Equipment Division, Manchester (Verenigd Koninkrijk),

- Brother International Corporation (Irl) Ltd, Dublin (Ierland),

- Canon Copier Belgium NV/SA, Diegem (België),

- Canon Europa NV, Amsterdam (Nederland),

- Canon France SA, Le Blanc Mesnil (Frankrijk),

- Canon-Rechner Deutschland, Muenchen (Bondsrepubliek Duitsland),

- Canon Verkooporganisatie Nederland BV, Heemstede (Nederland),

- Canon Italia SpA, Bussolengo (Italië),

- Canon (UK) Ltd, Croydon (Verenigd Koninkrijk),

- NV SCM Europe SA, Brussel (België),

- Olympia-Werke AG, Wilhelmshaven (Bondsrepubliek Duitsland),

- Sharp Electronics (Europe) GmbH, Hamburg (Bondsrepubliek Duitsland),

- Sharp Electronics (UK) Ltd, Manchester (Verenigd Koninkrijk),

- Silver Seiko International GmbH, Keltersbach (Bondsrepubliek Duitsland),

- Silver Reed, Watford (Verenigd Koninkrijk),

- TEC Belgium SA, Brussel (België),

- TEC France, Gentilly (Frankrijk),

- TOWA Sankiden - Welco, Parijs (Frankrijk).

(4) Tottori Sanyo Electric Co. verzocht de Commissie een onderzoek in te stellen in haar kantoren in Japan. Aangezien echter deze onderneming gedurende de periode van onderzoek noch elektronische schrijfmachines gefabriceerd, noch verkocht had, besloot de Commissie dat in haar geval een onderzoek niet gerechtvaardigd was.

(5) De Commissie heeft op haar verzoek van alle klagende producenten in de Gemeenschap, van alle exporteurs en van enige importeurs gedetailleerde schriftelijke gegevens ontvangen en deze voor zover nodig geverifieerd.

(6) Het dumpingonderzoek had betrekking op de periode van 1 april 1983 tot en met 31 maart 1984.

B. Normale waarde

(7) Voor Brother en Silver Seiko, die beiden een soorgelijk produkt op de Japanse markt verkopen, werd de normale waarde voorlopig vastgesteld op grondslag van de gewogen gemiddelde binnenlandse prijzen voor die modellen die in voldoende belangrijke aantallen in Japan werden verkocht. Voor alle andere modellen, waarvan de omvang van de verkopen op de nationale markt niet toereikend was om op die grondslag een normale waarde vast te stellen, werd deze aan de hand van een samengestelde waarde vastgesteld.

(8) Beide betrokken exporteurs maakten bezwaar tegen het gebruik van binnenlandse prijzen voor de vaststelling van de normale waarde, op grond van het feit dat de omvang van de verkopen op de Japanse markt te gering was en niet het niveau van 5 % van de export naar niet-EEG-landen bereikte dat door de Amerikaanse autoriteiten in dergelijke omstandigheden als criterium zou zijn gebruikt. Verder werd beweerd dat de Commissie in het verleden de nationale markt als grondslag voor normale waarde had verworpen wanneer de omvang van de binnenlandse verkopen in verhouding tot de totale uitvoer gering was geweest.

(9) De Commissie heeft de aangevoerde argumenten zeer zorgvuldig bestudeerd. Zij stelde vast dat in de GATT en in de Gemeenschapswetgeving de prijzen op de binnenlandse markt van het land van uitvoer in de regel de grondslag vormen voor het bepalen van de normale waarde. De wetgeving van andere handelspartners en de in het verleden gevolgde praktijk van de Gemeenschap tonen echter aan dat, wanneer de omvang van de verkopen op de binnnenlandse markt betrekkelijk gering is, rekening moet worden gehouden met het feit dat dergelijke verkoopprijzen kunnen beïnvloed zijn door andere dan commerciële overwegingen en dat het om resterende hoeveelheden kan gaan of om zodanig kleine hoeveelheden dat zij niet kunnen worden beschouwd de prijs in het kader van normale handelstransacties betrouwbaar weer te geven.

De Commissie is derhalve van mening dat, wanneer de verkopen op de binnenlandse markt en de verkopen naar de Gemenenschap kwantitatief te sterk uit elkaar lopen, de nationale markt als grondslag voor de vaststelling van de normale waarde moet worden verworpen. Tot dusver werd dit door de Commissie geval per geval beslist. De Commissie is nu van oordeel dat het in dergelijke gevallen dienstig is een drempel vast te stellen waar beneden de verkopen op de nationale markt buiten beschouwing zouden moeten blijven. Gezien de commerciële betekenis van de Gemeenschap als invoerende markt acht de Commissie het billijk deze drempel in verhouding tot de uitvoer naar de Gemeenschap op 5 % vast te stellen.

(10) In het onderhavige geval, waar de omvang van de verkopen per model op de nationale markt 5 % of minder van de omvang van de uitvoer naar de Gemeenschap bedroeg, stelde de Commissie de normale waarde vast op de grondslag van de aangenomen waarde. Voor alle andere modellen werden prijzen op de nationale markt gebruikt.

(11) De normale waarde werd derhalve vastgesteld op grondslag van de aangenomen waarde voor alle door Nakajima, TEC, Towa en voor bepaalde door Brother en Silver Seiko uitgevoerde modellen. Voor de overblijvende, door Brother en Silver Seiko uitgevoerde modellen werd de normale waarde vastgesteld op grondslag van binnenlandse prijzen.

(12) Voor Canon en Sharp moeten bepaalde gedetailleerde inlichtingen met betrekking tot binnenlandse verkopen nog worden verduidelijkt en de normale waarde werd daarom met het oog op de voorlopige vaststelling voor alle modellen op de aangenomen waarde gegrond.

(13) Brother Industries Ltd (BIL) betoogde dat de binnenlandse verkoopprijzen voor niet-verbonden dealers van de met haar verbonden handelsonderneming Brother Sales Ltd (BSL) niet door BIL worden gecontroleerd, aangezien zij geen meerderheidsbelang in BSL heeft en deze prijzen derhalve niet zouden moeten worden gebruikt voor de vaststelling van de normale waarde van BIL's uitvoertransacties. BIL voerde eveneens aan dat het gebruik van genoemde binnenlandse verkoopprijzen neerkomt op een reconstructie van de binnenlandse prijs waartoe Verordening (EEG) nr. 2176/84 geen mogelijkheid biedt. (14) De Commissie is van mening dat BIL wel degelijk een meerderheidsbelang in BSL heeft, aangezien alle andere aandeelhouders individueel slechts zeer kleine aandelenpakketten hebben en dat de bestaansreden voor BSL de verkoop van de produkten van BIL in Japan is. De handelsonderneming werd dus behandeld als de verkoopbranche van de moedermaatschappij in Japan. De Commissie was bijgevolg van mening dat in de zin van artikel 2, lid 3, sub a), van Verordening (EEG) nr. 2176/84 de verkoopprijs van BSL een vergelijkbare prijs vormt die bij normale handelstransacties werkelijk wordt betaald en zij heeft deze prijs derhalve gebruikt om de normale waarde vast te stellen. Dit komt in het geheel niet overeen met een reconstructie van de binnenlandse verkoopprijs.

(15) Uit het voorlopig onderzoek bleek dat de prijzen voor de verkopen van Tokyo Juki op haar binnenlandse markt gedurende een lang tijdsverloop en voor grote aantallen lager waren dan alle bij de produktie voorvallende kosten, zowel vaste als variabele. De normale waarde voor deze onderneming werd bijgevolg op basis van de aangenomen waarde vastgesteld.

(16) De aangenomen waarde werd berekend door in het land van oorsprong alle kosten zowel vaste als variabele, voor materiaal en vervaardiging vermeerderd met verkoop-, administratieve en andere algemene kosten in aanmerking te nemen met toevoeging van een winstmarge van 10 % die in het licht van de algemene resultaten van de onderneming over een representatieve winstopleverende periode, met betrekking tot de verkoop van dit produkt op de binnenlandse markt, als billijk werd beschouwd.

(17) In het geval van Sharp werden alle voor de berekening van de normale waarde benodigde gegevens slechts voor de tweeede helft van de periode waarop het onderzoek betrekking had, ter beschikking gesteld. Wat de eerste helft betreft verklaarde Sharp dat de gegevens met betrekking tot de materiaalkosten vernietigd waren met uitzondering van die van de laatste maand waarin produktie had plaatsgevonden en dat het buitengewoon moeilijk, zoniet onmogelijk was, gegevens inzake fabricagekosten en algemene bedrijfskosten te verzamelen. Op basis van verdere gegevens, verzameld in de loop van het onderzoek, concludeerde de Commissie dat de aangenomen waarde in de door Sharp voorgestelde periode niet representatief was voor de volledige periode van onderzoek. Kostenelementen voor de ontbrekende maanden werden bijgevolg vastgesteld op basis van de beschikbare gegevens, met betrekking tot de kostenontwikkeling vastgesteld bij andere producenten.

Aan de hand van andere in de loop van het onderzoek verzamelde gegevens kwam de Commissie tot de gevolgtrekking dat de aangenomen waarde in de door Sharp voorgestelde periode niet representatief was voor de voledige periode van onderzoek. Kostenelementen voor de ontbrekende maanden werden bijgevolg vastgesteld aan de hand van de beschikbare gegevens, met andere woorden door terug te grijpen op de bij andere producenten vastgestelde kostenontwikkeling.

(18) In het geval van Sharp en Nakajima werden bepaalde toerekeningen op de kosten in verband met directe en indirecte algemene kosten voor fabricage en bedrijf onaanvaardbaar geacht en vervangen door een toerekening in verhouding tot de omzet, ingevolge artikel 2, lid 11, van Verordening (EEG) nr. 2176/84.

(19) Verscheidene exporteurs voerden aan dat de verkoopkosten, de algemene en de administratieve kosten die door hun verkooporganisaties in Japan worden gedragen bij de berekening van een aangenomen waarde niet zouden moeten worden meegerekend daar, onder andere, deze organisaties geen uitvoertransacties verrichten en dergelijke kosten in rechtstreeks verband staan met de verkopen op de binnenlandse markt en eveneens omdat de verkooporganisaties in Japan moeten worden gelijkgesteld met de verbonden importeurs in de Gemeenschap wier kosten worden afgetrokken ten einde de prijs bij uitvoer samen te stellen.

(20) De Commissie is van mening dat dergelijke kosten om de volgende redenen bij de vaststelling van de normale waarde in aanmerking dienen te worden genomen:

- wanneer de normale waarde wordt gebaseerd op binnenlandse verkoopprijzen omvatten zulke prijzen, wanneer zij bij normale handelstransacties worden toegepast, alle door de verkooporganisaties gedragen verkoopkosten, algemene kosten en administratieve kosten;

- wanneer de normale waarde wordt vastgesteld op grond van de aangenomen waarde zou, gezien de structuur van Verordening (EEG) nr. 2176/84 van de Gemeenschap, deze surrogaatmethode tot hetzelfde resultaat moeten voeren als boven uiteengezet. Bij artikel 2, lid 3, sub b), ii, is derhalve uitdrukkelijk bepaald dat de uitgaven in verband met verkoop en administratie en andere algemene uitgaven inbegrepen zijn.

Dit sluit echter niet uit dat het in beide gevallen mogelijk is naderhand de vastgestelde normale waarde te verminderen met die kosten voor verkoop en administratie en andere algemene uitgaven die volgens artikel 2, lid 10, sub c), toelaatbaar zijn, hetgeen in het algemeen niet het geval is voor algemene kosten en uitgaven.

(21) Bij de toerekening van haar produktiekosten per produkt grondde Tokyo Juki sommige van haar berekeningen op een standaardproduktie en de cijfers werden dienovereenkomstig door de Commissie aangepast met het oogmerk correcties aan te brengen op grond van werkelijk geproduceerde aantallen. (22) Bij de vaststelling van het bedrag dat voor uitgaven in verband met verkoop en administratie en andere algemene uitgaven in de berekening dient te worden opgenomen, zijn bepaalde correcties op de kosten die door sommige ondernemingen werden aangebracht op grond van een zogenaamd rechtstreeks verband tussen deze algemene uitgaven en de verkopen waarop het onderzoek betrekking had niet door de Commissie aanvaard, aangezien het bestaan van een dergelijk rechtstreeks verband niet op bevredigende wijze werd aangetoond. Correcties op de desbetreffende kosten werden derhalve aangebracht aan de hand van de omzet voor elke markt waarop het onderzoek betrekking had.

C. Prijs bij uitvoer

(23) Wat de uitvoer door Japanse ondernemingen naar onafhankelijke importeurs in de Gemeenschap betreft werden de prijzen bij uitvoer vastgesteld aan de hand van de voor het verkochte produkt werkelijk betaalde of te betalen prijzen.

(24) In alle andere gevallen waarin de uitgevoerde goederen aan dochterondernemingen in de Gemeenschap werden verkocht, werden de prijzen bij uitvoer samengesteld op de grondslag van de prijzen waartegen het ingevoerde produkt voor de eerste maal aan een onafhankelijke afnemer werd doorverkocht, waarbij naar behoren rekening werd gehouden met alle tussen de invoer en de wederverkoop voorvallende kosten, met ingebrip van alle rechten en een winstmarge van 5 %. Deze winstmarge werd, gezien de winstmarges van onafhankelijke importeurs voor het desbetreffende produkt, redelijk geacht. De kosten hadden meer in het bijzonder betrekking op:

- relatiegeschenken of verkooppromotie »in natura";

- door de exporteur rechtstreeks gefinancierde reclamecampagnes.

(25) Ten aanzien van sommige kosten die rechtstreeks door een exporteur werden gedragen, werd vastgesteld dat zij verband hielden met personeel dat door de exporteur werd betaald ten einde gegevens omtrent markt en produkten te verzamelen doch die met het betrokken produkt geen verband hielden. Deze kosten werden derhalve niet in aanmerking genomen.

D. Vergelijking

(26) Ten einde de normale waarde en de prijzen bij uitvoer op een vergelijkbare basis vast te stellen, heeft de Commissie, waar nodig, rekening gehouden met verschillen in verkoopvoorwaarden die op de vergelijkbaarheid van de prijzen van invloed zijn en correcties aangebracht voor verschillen in kredietvoorwaarden, commissielonen en vervoerkosten.

Alle vergelijkingen werden gemaakt op het niveau af-fabriek.

E. Marges

(27) De normale waarde werd over het algemeen afgemeten naar de prijzen bij uitvoer per transactie. Met het oog op de voorlopige vaststelling door de Commissie van dumping werden echter voor die exporteurs waarvan het totaal der verrichte transacties zo omvangrijk was dat een analyse per transactie de voorlopige vaststelling onnodig zou hebben vertraagd, gewogen maandelijkse gemiddelden genomen.

(28) Uit het hiervoor weergegeven voorlopige onderzoek van de feiten blijkt dat bij de invoer van elektronische schrijfmachines van oorsprong uit Japan dumping wordt toegepast, waarbij de dumpingmarge gelijk is aan het verschil tussen de prijs voor uitvoer naar de Gemeenschap en de vastgestelde normale waarde.

Deze marges lopen naar gelang van de betrokken exporteur uiteen waarbij de gewogen gemiddelde marge voor elk van de exporteurs waarbij een onderzoek werd ingesteld, het volgende beeld biedt:

Brother Industries Ltd 43,7 %

Canon Inc. 33,3 %

Nakajima All Co. Ltd 1,2 %

Sharp Corporation 21,1 %

Silver Seiko Ltd 26,6 %

TEC Tokyo Electric Co. Ltd 6,9 %

Tokyo Juki Industrial Co. Ltd 34,2 %

Towa Sankiden Corporation 20,2 %.

(29) Gezien de situatie van de markt voor het desbetreffende produkt moet de voor Nakajima All Co. Ltd vastgestelde dumpingmarge als minimaal worden beschouwd en wordt deze onderneming derhalve niet onder de toepassing van beschermende maatregelen begrepen.

F. Schade

(30) Met betrekking tot de door de invoer met dumping veroorzaakte schade blijkt uit het de Commissie ter beschikking staande bewijsmateriaal dat de verkoop in de Gemeenschap van elektronische schrijfmachines van oorsprong uit Japan, van 145 277 eenheden in 1982 is gestegen tot 368 722 eenheden in het per 31 maart 1984 afgesloten jaar, met ten gevolge daarvan een stijging van het marktaandeel van de Japanse exporteurs van 28 % tot 39,7 % in dezelfde periode.

(31) Tijdens de periode waarop het onderzoek betrekking had, lagen de wederverkoopprijzen voor invoer met dumping in het algemeen onder de prijzen van de producenten in de Gemeenschap. De mate van onderbieding liep uiteen naar gelang van model en markt. Alhoewel er soms geen onderbieding plaatsvond, liepen de marges in het algemeen van 11,4 % tot 30 % en in sommige gevallen zelfs tot 48,5 % uiteen. De uitwerking van de invoer tegen lage prijzen kwam tot uiting in een aanzienlijke vermindering van de winstmogelijkheden van de producenten in de Gemeenschap. Voor de twee producenten die tijdens deze periode aanhoudend winst maakten, lag de gemiddelde winst over de verkopen tussen 1982 en het per 31 maart 1984 afgesloten jaar, alhoewel in beide gevallen berekend op een lage basis ruim 46 % lager. De winstmogelijkheden voor elektronische schrijfmachines hebben nu een niveau bereikt waarop nieuwe investeringen voor onderzoek en ontwikkeling en de faciliteiten die voor de toekomst van de industrie van elektronische schrijfmachines onontbeerlijk zijn, in gevaar komen. Ten gevolge van de zeer scherpe prijsdaling is het de overblijvende producent in de Gemeenschap onmogelijk zijn verkoopprijzen op te trekken tot een niveau waarop zijn kosten zouden zijn gedekt en maakt hij dientengevolge aanzienlijke verliezen.

(32) De Commissie heeft nagegaan of schade door andere factoren, zoals aantallen en prijzen van invoer zonder dumping of stagnering van de vraag, werd veroorzaakt. Vastgesteld werd dat de invoer uit andere landen dan Japan tussen 1982 en 1983/1984 stabiel is gebleven en dat hierbij geen prijzen werden toegepast die de producenten in de Gemeenschap schade konden berokkenen. Wat het verbruik betreft wees het onderzoek uit dat tussen 1982 en 1983/1984 de markt voor deze produkten in de Gemeenschap met bijna 79 % toe is genomen. In dezelfde periode namen de verkopen van de producenten in de Gemeenschap op de communautaire markt niet in een zelfde tempo toe als de vraag, hetgeen tot gevolg had dat hun marktaandeel van ongeveer 63 % in 1982 tot ongeveer 51 % in 1983/1984 afnam.

(33) Bij de vaststelling van de schade nam de Commissie in aanmerking dat ten aanzien van de verkopen van Nakajima in de Gemeenschap de marge van dumping als uiterst gering moet worden beschouwd.

Tevens werd naar behoren rekening gehouden met het feit dat alle verkopen van Tokyo Juki in de Gemeenschap naar één van de klagende partijen hedden plaatsgevonden. Aangenomen werd dat de bedrijfstak in de Gemeenschap, met uitzondering van deze klagende partij, door deze invoer is benadeeld.

(34) Geheel afgezien van de schade die tijdens de periode waarop het onderzoek betrekking had, reeds werd veroorzaakt, wees het voorlopige onderzoek uit dat de capaciteit van de Japanse producenten van elektronische schrijfmachines ongeveer 2,5 miljoen eenheden per jaar bedraagt. Aangezien de verkoop van alfanumerieke schrijfmachines in Japan beperkt is, worden vrijwel alle in Japan vervaardigde elektronische schrijfmachines voor uitvoer bestemd en aangezien de markt voor dit produkt in de Gemeenschap minder ontwikkeld is dan in de Verenigde Staten, is het zeer waarschijnlijk dat een groot deel van de machines in de nabije toekomst naar de Gemeenschap zal worden uitgevoerd waardoor een verdere dreiging van schade ontstaat die de reeds toegebrachte schade zou kunnen vergroten.

(35) De omvang van de invoer met dumping, het marktaandeel ervan en de prijzen waartegen in de Gemeenschap wordt verkocht, hebben de Commissie tot de vaststelling geleid dat de gevolgen van de invoer met dumping van elektronische schrijfmachines van oorsprong uit Japan, op zich, moeten worden beschouwd als aanzienlijke schade voor de betrokken bedrijfstak in de Gemeenschap op te leveren.

G. Belang van de Gemeenschap

(36) Het voorlopige onderzoek heeft uitgewezen dat de gehele toekomst van de industrie van kantooruitrusting in de Gemeenschap van de levensvatbaarheid van het betrokken produkt zou kunnen afhangen. In verband met de omvang van de toegebrachte schade is de Commissie tot de slotsom gekomen dat in het belang van de Gemeenschap maatregelen dienen te worden getroffen. Ten einde te vermijden dat tijdens het verdere verloop van de procedure nog meer schade wordt veroorzaakt, zouden deze maatregelen de vorm moeten krijgen van een voorlopig anti-dumpingrecht op de invoer van elektronische schrijfmachines uit Japan, daaronder niet begrepen die welke van Nakajima All Co. Ltd, worden ingevoerd.

H. Verbintenis

(37) Kyushu Matsushita Electric Co. Ltd (Matsushita), een fabrikant die niet op de Japanse markt heeft verkocht en nooit naar de Gemeenschap heeft uitgevoerd, verzocht van eventuele beschermende maatregelen die ten opzichte van dit produkt worden getroffen, te worden uitgezonderd en bood met het oog op toekomstige uitvoer een verbintenis aan. Ter staving van haar aanbod verstrekte de onderneming voorlopige gegevens over de produktiekosten voor de modellen die zij voornemens is naar de Gemeenschap uit te voeren.

(38) De redenen waarom verbintenissen van potentiële exporteurs over het algemeen niet zouden moeten worden aanvaard, werden reeds in Verordening (EEG) nr. 3337/84 van de Raad (1) uiteengezet. In het bijzondere geval van Matsushita is de Commissie van mening dat de door de onderneming ingediende gegevens voor haar onderzoek niet ter zake dienend zijn, aangezien zij niet op dezelfde periode betrekking hebben als die welke in aanmerking werd genomen voor het onderzoek ten aanzien van die Japanse producenten die naar de Gemeenschap uitvoerden.

(39) Bovendien is het, gezien het feit dat verklaard werd dat eventuele toekomstige verkopen in de Gemeenschap zullen geschieden langs de dochterondernemingen van Matsushita om, ten aanzien waarvan de Commissie geen onderzoek verrichtte, niet mogelijk passende prijzen vast te stellen voor de toekomstige uitvoer van Matsushita's produkten naar de Gemeenschap.

In het licht van het vorenstaande kwam de Commissie, na overleg, tot het besluit de door Matsushita aangeboden verbintenis niet te aanvaarden. Wanneer de onderneming echter naar de Gemeenschap begint uit te voeren zou het dienstig kunnen zijn de bepalingen van de artikelen 14 en 16 van Verordening (EEG) nr. 2176/84 met betrekking tot onderscheidenlijk herziening en terugbetaling van anti-dumpingrechten toe te passen.

I. Niveau van het recht

(40) Met het oog op de omvang van de toegebrachte schade, zou het niveau van een dergelijk recht overeen moeten komen met de voorlopig vastgestelde marge van dumping.

(41) Een termijn dient te worden vastgesteld waarbinnen de belanghebbenden hun standpunt bekend kunnen maken en kunnen verzoeken dit mondeling toe te mogen lichten,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING

VASTGESTELD:

Artikel 1

1. Op de invoer van elektronische schrijfmachines vallende onder post ex 84.51 A van het gemeenschappelijk douanetarief, overeenkomend met de NIMEXE-posten 84.51 ex 14, ex 19 en ex 20, van oorsprong uit Japan, wordt een voorlopig anti-dumpingrecht ingesteld.

2. Het recht is niet van toepassing op de door Nakajima All Co. Ltd vervaardigde en uitgevoerde elektronische schrijfmachines. De procedure wordt hierbij ten aanzien van deze onderneming beëindigd.

3. De hoogte van het recht wordt, zoals onderstaand weergegeven, uitgedrukt als percentage van de nettoprijs, franco grens Gemeenschap, vóór inklaring:

1.2 // Fabrikanten/Exporteurs // Hoogte van het anti-dumpingrecht (in %) // Brother Industries Ltd // 43,7 // Canon Inc. // 33,3 // Sharp Corporation // 21,1 // Silver Seiko Ltd // 26,6 // TEC Tokyo Electric Co. Ltd // 6,9 // Tokyo Juki Industrial Co. Ltd // 34,2 // Towa Sankiden Corporation // 20,2 // Andere // 43,7.

4. De inzake douanerechten geldende bepalingen zijn van toepassing.

5. Voor het in het vrije verkeer brengen in de Gemeenschap van de in lid 1 bedoelde produkten dient een met het bedrag van het voorlopige recht overeenkomende zekerheid te worden gesteld.

Artikel 2

Onverminderd artikel 7, lid 4, sub b) en c), van Verordening (EEG) nr. 2176/84 kunnen de belanghebbenden binnen één maand na de inwerkingtreding van deze verordening hun standpunt aan de Commissie mededelen en verzoeken om te worden gehoord.

Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op de dag volgend op die van haar bekendmaking in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Behoudens de artikelen 11, 12 en 14 van Verordening (EEG) nr. 2176/84, geldt artikel 1 van deze verordening voor een tijdvak van vier maanden, tenzij de Raad vóór het verstrijken ervan definitieve maatregelen treft.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke Lid-Staat.

Gedaan te Brussel, 20 december 1984.

Voor de Commissie

Wilhelm HAFERKAMP

Vice-Voorzitter

(1) PB nr. L 201 van 30. 7. 1984, blz. 1.

(2) PB nr. C 83 van 24. 3. 1984, blz. 4.

(1) PB nr. L 311 van 29. 11. 1984, blz. 26.