84/498/EEG: Beschikking van de Commissie van 18 juli 1984 inzake een steunvoornemen van de Ierse Regering ten behoeve van een producent van polyestergaren te Letterkenny (Slechts de tekst in de Engelse taal is authentiek)
Publicatieblad Nr. L 276 van 19/10/1984 blz. 0040 - 0042
***** BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE van 18 juli 1984 inzake een steunvoornemen van de Ierse Regering ten behoeve van een producent van polyestergaren te Letterkenny (Slechts de tekst in de Engelse taal is authentiek) (84/498/EEG) DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN, Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, en met name op artikel 93, lid 2, eerste alinea, Na belanghebbenden overeenkomstig genoemd artikel 93 te hebben aangemaand hun opmerkingen te maken, en gezien deze opmerkingen, Overwegende hetgeen volgt: I De Ierse Regering heeft de Commissie bij brief van 22 december 1983 in kennis gesteld van haar voornemen steun te verlenen aan een onderneming die de produktie-eenheid voor polyestergaren te Letterkenny van zijn vroegere eigenaar heeft overgenomen. De steun zou door de Industrial Development Authority (IDA) worden verleend in de vorm van subsidies tot een bedrag van 2,9 miljoen Iers £. De Commissie heeft de Ierse Regering bij telex-bericht van 12 januari 1984 om aanvullende gegevens verzocht, die op 19 en 30 januari 1984 zijn ontvangen. De Commissie was, na onderzoek van het steunvoornemen, van oordeel dat de steun de handel tussen Lid-Staten ongunstig zou beïnvloeden in een mate die met het gemeenschappelijk belang in strijd en derhalve met de gemeenschappelijke markt onverenigbaar zou zijn, vooral in een situatie waarin andere producenten van synthetische vezels in de Gemeenschap door een aanzienlijke vermindering van hun produktiecapaciteiten zich grote inspanningen getroosten om zich aan de huidige, door ernstige moeilijkheden als gevolg van overcapaciteiten gekenmerkte marktsituatie aan te passen. Ook overwoog de Commissie dat de steun niet zou bijdragen tot de herstructurering van het polyesterproduktiebedrijf in de zin van de van 1977 daterende en in 1979, 1981 en 1983 verlengde regeling van de Commissie voor de synthetische vezels, omdat de steun geen vermindering van de capaciteit zou bewerkstelligen, noch ertoe zou bijdragen dat de produktiefaciliteiten op andere produkten dan kunstvezels worden omgeschakeld. Om die redenen leidde de Commissie de procedure in van artikel 93, lid 2, eerste alinea, van het Verdrag en maande zij de Ierse Regering bij brief van 8 maart 1984 aan haar opmerkingen kenbaar te maken. II De Ierse Regering verklaarde in haar opmerkingen uit hoofde van de procedure van artikel 93, lid 2, van het Verdrag bij brief van 6 april en telex-bericht van 27 juni 1984 dat de steun van 2,9 miljoen Iers £ zou worden toegekend voor een investering van 5 miljoen Iers £ ter verhoging van de kwaliteit van het produkt en ter verbetering van de bedrijfscontrole en dat er voor het restant van de totale investering van 16,7 miljoen Iers £, die ook de verwerkingskosten van de produktie-eenheid te Letterkenny omvat, geen subsidie, noch andere staatsteun zou worden gegeven. De Ierse Regering heeft de Commissie bovendien medegedeeld dat de betrokken onderneming niet in de mogelijkheid verkeerde een formele of schriftelijke toezegging te doen, zelfs niet voor een beperkte tijdsduur, om de bestaande produktiecapaciteit te Letterkenny niet te verhogen. De opmerkingen van twee andere Lid-Staten, een federatie van ondernemingen in de sector en drie individuele ondernemingen, welke de Commissie in het kader van de procedure van artikel 93, lid 2, kenbaar werden gemaakt, hielden steun in voor het oordeel van de Commissie en daarin werd op de moeilijke situatie van de producenten van polyestergarens gewezen, gezien de problemen van overcapaciteit. Voorts werd daarin de noodzaak onderstreept om de regeling voor synthetische vezels ten volle in acht te nemen, vooral in een situatie waarin de marktperspectieven uiterst somber zijn. Bovendien werd betoogd dat de steun de betrokken garenfabrikant in zijn concurrentie met andere fabrikanten in de Gemeenschap ongerechtvaardigd bevoordeelde. III In polyestergarens bestaat er een omvangrijke handel en er heerst een levendige concurrentie tussen de Lid-Staten. De voorgenomen steunverlening door de Ierse Regering dreigt in de zin van artikel 92, lid 1, van het Verdrag door begunstiging van de betrokken onderneming de handel tussen de Lid-Staten ongunstig te beïnvloeden en dreigt de mededinging te vervalsen. In artikel 92, lid 1, van het Verdrag ligt het beginsel besloten dat steun die de hierbeschreven aspecten vertoont, onverenigbaar is met de gemeenschappelijke markt. In de uitzonderingen op dit beginsel in artikel 92, lid 3, zijn doelstellingen in het communautaire belang aangegeven die het belang van de begunstigde van de steun te boven gaan. Deze uitzonderingen moeten bij het onderzoek van een regionale of industriële steunregeling of van een individuele toekenning van steun krachtens een algemene steunregeling strikt worden geïnterpreteerd. Zij mogen met name alleen worden toegepast, wanneer de Commissie vaststelt dat het vrije spel van vraag en aanbod op de markt alleen, zonder de steun, de aspirant-begunstigde van de steun niet tot een gedrag zou aansporen dat tot de verwezenlijking van een van de genoemde doelstellingen zou bijdragen. Toepassing van de uitzonderingsbepalingen op gevallen die niet tot de verwezenlijking van een dergelijke doelstelling bijdragen, zou erop neerkomen dat bepaalde Lid-Staten ongerechtvaardigde voordelen worden geboden en dat wordt toegelaten dat het handelsverkeer tussen Lid-Staten ongunstig wordt beïnvloed en de mededinging vervalst zonder dat zulks in ook maar enig opzicht door het communautaire belang wordt gewettigd. De Commissie moet bij de toepassing van deze beginselen in haar onderzoek van individuele gevallen van steunverlening kunnen vaststellen dat de steun gerechtvaardigd is op grond van de bijdragen welke ter verwezenlijking van een van de doelstellingen van artikel 92, lid 3, door de begunstigde wordt geleverd en die steun daartoe onmisbaar is. Indien dit niet kan worden aangetoond, en met name indien de gesteunde investering toch zou plaatsvinden, is het duidelijk dat de steun geen bijdrage vormt tot de verwezenlijking van de in de uitzonderingsbepalingen aangegeven doelstellingen, maar slechts ter versterking van de financiële positie van de steunontvangende onderneming dient. Van de begunstigde in dit geval kan niet worden beweerd dat tegenover de steun enigerlei tegenprestatie wordt geboden. De Ierse Regering heeft geen gronden kunnen aantonen, noch heeft de Commissie er kunnen ontdekken, die de gevolgtrekking wettigen, dat de voorgenomen steunverlening onder een van de categorieën uitzonderingen in artikel 92, lid 3, valt. Bij de polyestergarens heerst in de Gemeenschap een aanzienlijke overcapaciteit; de markt voor dit produkt is sinds 1978 voortdurend ingekrompen en er zijn geen tekenen dat deze ontwikkeling verandering zal ondergaan. De capaciteitsbenutting wordt voor 1983, evenals voor de voorafgaande jaren het geval is geweest, op aanzienlijk minder dan 70 % geschat, hetgeen onvoldoende is voor een economisch levensvatbare exploitatie. Bijgevolg heerst er een sterke concurrentie tussen de polyesterproducenten in de Gemeenschap waarvan een groot aantal bij de polyesterproduktie verliezen blijft lijden, omdat de prijzen zeer laag liggen. Voor de periode van heden tot einde 1985 zijn er nieuwe omvangrijke capaciteitsverminderingen noodzakelijk en reeds overeengekomen. Polyestergaren behoort tot de groep produkten waarvoor er tussen de bedrijfsgenoten overeenkomsten gelden krachtens welke de capaciteit moet worden verminderd en valt tevens onder de regeling voor synthetische vezels die in 1977 door de Commissie is ingevoerd en in 1979, 1981 en 1983 is verlengd. Zowel de overeenkomsten binnen de bedrijfstak als het communautaire stelsel van controle op steunverlening aan de kunstvezelindustrie zijn wegens aanzienlijke en onbetwiste overcapaciteit in deze sector tot stand gebracht en vervolgens verlengd. De Commissie heeft de Lid-Staten in haar brief van 8 augustus 1983, waarbij zij het controlesysteem op steunmaatregelen opnieuw voor twee jaar verlengde tot 19 juli 1985, medegedeeld dat zij bij voorbaat zich afwijzend zal opstellen ten aanzien van steunvoornemens die, ongeacht of zij sectorieel, regionaal of algemeen zijn, tot gevolg hebben dat de netto-produktiecapaciteit door ondernemingen in deze sector wordt vergroot. Zij herinnerde de Lid-Staten tevens eraan dat zij voornemens om steun te verlenen aan een bespoediging of vergemakkelijking van het proces van omschakeling van synthetische vezels naar andere activiteiten, of van herstructurering die tot capaciteitsvermindering leidt, welwillend in overweging zal blijven nemen. Elke steun aan de synthetische vezelsector moet niet alleen voldoen aan de voorwaarden van de synthetische vezelregeling, maar valt ook onder de richtsnoeren van de Commissie van 1971 en 1977 voor steun aan de textielindustrie, krachtens welke steun aan investeringen gekoppeld aan de verwezenlijking van herstructureringsdoelstellingen moet worden gekoppeld en met een aanzienlijke bijdrage van de begunstigde in de kosten van het gesubsidieerde project gepaard moet gaan. De in dit geval voorgenomen investering heeft echter betrekking op moderniseringsinspanningen binnen een verouderd bedrijf, die niet als herstructurering kunnen worden beschouwd en waarvan tenuitvoerlegging met inzet van de eigen middelen van de betrokken onderneming zou moeten geschieden zonder inschakeling van staatssteun, vooral omdat een zeer groot percentage van de produktie van het bedrijf naar de andere Lid-Staten wordt geëxporteerd. Voorts kan de bijdrage van de potentiële begunstigde in de kosten van het gesteunde project, gezien de intensiteit van de voorgenomen subsidie van 58 % van de totale investering, niet als aanzienlijk worden aangemerkt. De Commissie is steeds principieel gekant geweest tegen bedrijfssteun en heeft gemeend dat vooral in de textielsector een investering van een onderneming ter voortzetting van haar bedrijf of ter handhaving van haar omzet, zonder enige fundamentele verandering te weeg te brengen, niet voor bijstand in aanmerking komt. De capaciteit van het bedrijf te Letterkenny blijft bij de voorgenomen investering ongewijzigd op 14 000 ton/jaar, maar de produktie zal geleidelijk stijgen van de huidige 10 000 ton tot volle capaciteit, stellig ten kosten van een verlaging van de capaciteitsbenutting bij andere ondernemingen binnen de Gemeenschap. Met betrekking tot de uitzonderingsbepalingen in artikel 92, lid 3, sub a) en c), inzake steun om de ontwikkeling van bepaalde streken te bevorderen dient eraan te worden herinnerd dat de levensstandaard in de regio Letterkenny zeer laag is en dat daar een ernstig gebrek aan werkgelegenheid in de zin van lid 3, sub a), heerst. Echter moet op de sectoriële gevolgen van regionale steunmaatregelen, zelfs in de meest onderontwikkelde gebieden, toezicht worden uitgeoefend, hetgeen de reden is waarom de Commissie haar analyse van de economische en sociale situatie in het licht van het Gemeenschapsbelang moet zien. De investering die in de situatie waarin de betrokken bedrijfstak momenteel verkeert en vermoedelijk in de toekomst nog zal blijven verkeren, voor steunverlening wordt voorgesteld, zal het produktiebedrijf vermoedelijk niet financieel en economisch levensvatbaar maken, noch de thans bestaande werkgelegenheid veiligstellen. De voorgenomen steunmaatregel zou derhalve de economische ontwikkeling van de regio Letterkenny niet in de zin van artikel 92, lid 3, sub a) en c), bevorderen, omdat hij deze regio geen duurzame verhoging van inkomen of verlaging van werkloosheid zou brengen, maar vermoedelijk de mededinging in de handel tussen Lid-Staten zou vervalsen zonder de noodzakelijke compenserende bijdrage aan de regionale ontwikkeling te leveren. Ten aanzien van de uitzonderingsbepaling in artikel 92, lid 3, sub b), moet worden opgemerkt dat de voorgenomen maatregel niet het kenmerk vertoont van een »project van gemeenschappelijk Europees belang" of van een project »om een ernstige verstoring in het economisch leven van een Lid-Staat op te heffen", waarvan bevordering de toepassing van deze uitzondering zou rechtvaardigen. De bevordering van een van de doelstellingen van artikel 92, lid 3, sub b), is trouwens een oogmerk, waarvoor de steun niet is bedoeld. Ten aanzien van de uitzonderingsbepaling in artikel 92, lid 3, sub c), ten gunste van steun »om de ontwikkeling van bepaalde vormen van economische bedrijvigheid te vergemakkelijken", blijkt bij onderzoek van de polyesterindustrie in de Gemeenschap dat door de moderniseringskosten van de betrokken onderneming kunstmatig te verlagen de voorgenomen steunmaatregel de concurrentiepositie van andere producenten die dankzij herstructurering en de verbetering van de produktiviteit en kwaliteit met eigen middelen, tot dusver konden overleven, verzwakt; deze ondernemingen zouden zelfs wellicht uit de markt worden gedreven. Bijgevolg kan de voorgenomen steunmaatregel dus niet worden geacht »de ontwikkeling te vergemakkelijken". Voorts dient te worden opgemerkt dat de produktie van de onderneming waaraan men steun wil verlenen, voornamelijk naar andere Lid-Staten wordt geëxporteerd, in een situatie waarin de vraag dalende is, zodat het onwaarschijnlijk is dat het handelsverkeer door een maatregel die, zoals deze steunmaatregel, in strijd is met het gemeenschappelijk belang, niet ongunstig zou worden beïnvloed; Gezien het bovenstaande voldoet het Ierse steunvoornemen niet aan de voorwaarden voor toepassing van een van de uitzonderingsbepalingen in artikel 92, lid 3, van het Verdrag, HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN: Artikel 1 Ierland mag haar bij brief van 22 december 1938 van haar Permanente Vertegenwoordiger bij de Europese Gemeenschappen bij de Commissie aangemelde voornemen om ten bedrage van 2,9 miljoen Iers £ steun voor een investering door een producent van polyestergaren in Letterkenny toe te kennen, niet ten uitvoer leggen. Artikel 2 Ierland stelt de Commissaie binnen twee maanden na de datum van de kennisgeving van deze beschikking van de maatregelen die zij tot nakoming ervan heeft getroffen, in kennis. Artikel 3 Deze beschikking is gericht tot Ierland. Gedaan te Brussel, 18 juli 1984. Voor de Commissie Frans ANDRIESSEN Lid van de Commissie