31983R1027

Verordening (EEG) nr. 1027/83 van de Raad van 27 april 1983 tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 3072/80 houdende instelling van een definitief compenserend recht op bepaalde naadloze buizen van ongelegeerd staal van oorsprong uit Spanje

Publicatieblad Nr. L 116 van 30/04/1983 blz. 0007 - 0008


*****

VERORDENING (EEG) Nr. 1027/83 VAN DE RAAD

van 27 april 1983

tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 3072/80 houdende instelling van een definitief compenserend recht op bepaalde naadloze buizen van ongelegeerd staal van oorsprong uit Spanje

DE RAAD VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EEG) nr. 3017/79 van de Raad van 20 december 1979 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping of subsidiëring uit landen die geen lid zijn van de Europese Economische Gemeenschap (1), gewijzigd bij Verordening (EEG) nr. 1580/82 (2),

Gezien het voorstel van de Commissie ingediend na raadpleging van het bij voornoemde verordening ingestelde Raadgevend Comité,

Overwegende dat de Raad op 1 december 1980 bij Verordening (EEG) nr. 3072/80 (3) een definitief compenserend recht op bepaalde naadloze buizen van ongelegeerd staal van de posten ex 73.18 A en ex 73.18 C van het gemeenschappelijk douanetarief, overeenkomend met NIMEXE-codes 73.18-ex 13, ex 23, ex 27, ex 28, ex 72 en ex 74, van oorsprong uit Spanje, heeft ingesteld;

Overwegende dat de Vereniging van Spaanse Staalproducenten (UNESID) namens de Spaanse exporteurs van naadloze buizen heeft verzocht om herziening van het recht; dat zij dit verzoek motiveerde met de bewering dat de omzetbelastingtarieven in Spanje sinds 1980 aanzienlijk zijn gestegen;

Overwegende dat, aangezien deze belasting één van de voornaamste factoren was waarop de Commissie de vaststelling van het subsidiepercentage baseerde, een onderzoek wenselijk bleek te zijn; dat de Commissie derhalve na overleg heeft besloten dat de anti-dumpingprocedure opnieuw diende te worden geopend; dat zij de instelling van een nieuw onderzoek bekend heeft gemaakt (4);

Overwegende dat de Commissie de belanghebbende partijen in de gelegenheid heeft gesteld hun standpunt kenbaar te maken, met name door beantwoording van de vragenlijst die de naar haar weten betrokken partijen werd toegezonden; dat de Commissie bovendien de Spaanse autoriteiten opnieuw formeel om inlichtingen over de omvang van de indirecte fiscale belastingen op de produkten in kwestie heeft verzocht;

Overwegende dat door de Spaanse exporteurs geen bewijsmateriaal werd verstrekt dat de Commissie in staat zou hebben gesteld de werkelijke cumulatieve indirecte fiscale belasting op de desbetreffende naar de Gemeenschap uitgevoerde naadloze stalen buizen te onderzoeken; dat het formele verzoek om inlichtingen dat de Commissie tot de Spaanse autoriteiten heeft gericht evenmin werd beantwoord;

Overwegende dat de Commissie zich derhalve gedwongen zag de nieuwe berekening van het subsidieaspect van de Spaanse exportkorting op basis van de door de verzoekende partijen vertrouwelijk medegedeelde inlichtingen te verrichten; dat de vertegenwoordigers van de Spaanse exporteurs zich uitdrukkelijk met deze procedure akkoord verklaarden;

Overwegende dat door de Commissie dezelfde berekeningsmethode werd gevolgd als die welke werd toegepast bij de vaststelling van het definitieve compenserende recht in Verordening (EEG) nr. 3072/80; dat op basis van de meest recente inlichtingen van de verzoekende partijen en de thans in Spanje vigerende algemene tarieven van de verhoogde cumulatieve omzetbelasting de Commissie tot de conclusie is gekomen dat voor alle betrokken exporteurs het gewogen gemiddelde van de fiscale belasting waarvoor exportkorting wordt verleend van 2,75 % tot 4,5 % is gestegen;

Overwegende dat onder deze omstandigheden het definitieve compenserende recht in evenredigheid met de stijging van de fiscale belasting kan worden verlaagd en wel van 11,75 % tot 10 % van de desbetreffende uitvoerprijs, waarbij rekening moet worden gehouden met eventuele in de uitvoerprijs vervatte commissies waarvoor geen exportkorting wordt toegekend,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING

VASTGESTELD:

Artikel 1

Lid 2 en lid 3, eerste alinea, van artikel 1 van Verordening (EEG) nr. 3072/80 worden als volgt gelezen:

»2. Het bedrag van het definitieve compenserende recht bedraagt 10 % van de uitvoerprijs fob-Spaanse uitvoerhaven of franco-Spaanse grens, naar gelang van het geval.

Wanneer de importeur geen redelijk bewijsmateriaal kan voorleggen met betrekking tot deze prijs bedraagt het recht 10 % van de desbetreffende douanewaarde na aftrek van een vast bedrag van 29,40 Ecu per ton.

3. In het geval van zendingen naar de Bondsrepubliek Duitsland door Tubexport namens Tubos Reunidos SA of Babcock and Wilcox Española SA en ingevoerd door Goosmann GmbH Stahlrohrvertrieb, handelend als alleenvertegenwoordiger van genoemde maatschappijen, bedraagt het recht 9,6 % van de in lid 2 genoemde prijs of waarde, indien deze de commissie betaald aan Goosmann GmbH omvat.".

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de derde dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke Lid-Staat.

Gedaan te Luxemburg, 27 april 1983.

Voor de Raad

De Voorzitter

I. KIECHLE

(1) PB nr. L 339 van 31. 12. 1979, blz. 1.

(2) PB nr. L 178 van 22. 6. 1982, blz. 9.

(3) PB nr. L 322 van 28. 11. 1980, blz. 30.

(4) PB nr. C 196 van 3. 7. 1982, blz. 3.