31983R0906

Verordening (EEG) nr. 906/83 van de Raad van 18 april 1983 houdende wijziging van Verordening (EEG) nr. 2761/81 tot instelling van een definitief anti-dumpingrecht op o-xyleen (orthoxyleen) van oorsprong uit Puerto Rico en de Verenigde Staten van Amerika

Publicatieblad Nr. L 101 van 20/04/1983 blz. 0004 - 0006
Bijzondere uitgave in het Spaans: Hoofdstuk 11 Deel 28 blz. 0135
Bijzondere uitgave in het Portugees: Hoofdstuk 11 Deel 28 blz. 0138


*****

VERORDENING (EEG) Nr. 906/83 VAN DE RAAD

van 18 april 1983

houdende wijziging van Verordening (EEG) Nr. 2761/81 tot instelling van een definitief anti-dumpingrecht op o-xyleen (orthoxyleen) van oorsprong uit Puerto Rico en de Verenigde Staten van Amerika

DE RAAD VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EEG) nr. 3017/79 van de Raad van 20 december 1979 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping of subsidiëring uit landen die geen lid zijn van de Europese Economische Gemeenschap (1), gewijzigd bij Verordening (EEG) nr. 1580/82 (2), inzonderheid op artikel 12,

Gezien het voorstel dat de Commissie heeft ingediend na overleg in het kader van het in voornoemde verordening bedoelde Raadgevend Comité,

Overwegende dat de Raad bij Verordening (EEG) nr. 2761/81 (3) een definitief anti-dumpingrecht van 14,47 % op de invoer van o-xyleen van post ex 29.01 D I van het gemeenschappelijk douanetarief, overeenkomende met NIMEXE-code 29.01-65, van oorsprong uit Puerto Rico en de Verenigde Staten van Amerika heeft ingesteld; dat het recht voor de Sun Petroleum Products Company 10,73 % bedroeg; dat vijf exporteurs van het recht werden vrijgesteld aangezien zij vrijwillig verbintenissen hadden aangeboden om hun prijzen te verhogen tot een niveau waarop geen sprake meer was van dumping; dat één exporteur van het recht werd vrijgesteld aangezien zijn verkoop naar de Gemeenschap gedurende de onderzoekperiode niet met dumping had plaatsgevonden;

Overwegende dat deze verordening vervolgens werd gewijzigd bij Verordening (EEG) nr. 3493/81 (4) waarin werd bepaald in welke mate een bepaald voorlopig recht definitief geïnd diende te worden;

Overwegende dat de Commissie sindsdien verzoeken heeft ontvangen van twee bedrijven uit de Verenigde Staten om de op hen van toepassing zijnde rechten te herzien, alsmede een verzoek van één verbruiker in de Gemeenschap om een algemene herziening van het recht;

Overwegende dat, aangezien de genoemde verzoeken voldoende bewijsmateriaal behelsden om een herziening van de procedure te billijken, de Commissie door een kennisgeving in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen (5) een herziening heeft aangekondigd van het definitieve anti-dumpingrecht op de invoer van o-xyleen van oorsprong uit Puerto Rico en de Verenigde Staten van Amerika, en op Gemeenschapsniveau met een onderzoek is begonnen;

Overwegende dat de Commissie de haar bekende belanghebbende exporteurs en importeurs alsmede de vertegenwoordigers van het uitvoerende land en de klagers hiervan in kennis heeft gesteld;

Overwegende dat de Commissie de rechtstreeks betrokken partijen in de gelegenheid gesteld heeft hun standpunt schriftelijk kenbaar te maken en mondeling toe te lichten;

Overwegende dat sommige van de betrokken exporteurs en enkele importeurs van deze gelegenheid gebruik hebben gemaakt om schriftelijk en mondeling opmerkingen te maken; dat evenwel verscheidene handelaars en distributeurs niet geantwoord hebben op het verzoek van de Commissie hun standpunt kenbaar te maken;

Overwegende dat de Commissie alle gegevens welke zij ten behoeve van de herzieningsprocedure nodig achtte heeft verzameld en geverifieerd en ter plaatse een onderzoek heeft uitgevoerd bij:

- producenten uit de Gemeenschap:

Total Chimie, Parijs,

Veba OEl, Gelsenkirchen,

Shell Chemical, London;

- exporteurs:

Arco Chemical Co., Philadelphia, Pennsylvania,

Exxon Chemical Co., Darien, Connecticut,

Koch Chemical Co., Wichita, Kansas,

Phillips Petroleum Chemicals, Overijse, namens International Petroleum Sales Inc., Panama, Phillips Paraxylene Inc., Puerto Rico en Phillips Puerto Rico Core Inc.,

Sun Refining and Marketing Co. en Sunoco Overseas Inc., Philadelphia, Pennsylvania,

Tenneco Oil, Houston, Texas;

dat ook de volgende ondernemingen de diensten van de Commissie te Brussel gegevens ter beschikking gesteld hebben:

- Montedipe, Milaan,

- Alusuisse Italia SpA, Milaan,

- Pecten Chemicals Inc., Houston, Texas,

- BASF, Ludwigshafen;

Overwegende dat de Commissie het laatste kwartaal van 1981 en de eerste drie kwartalen van 1982 gekozen heeft als relevant tijdvak voor het onderzoek;

Overwegende dat normale waarden werden vastgesteld door de gewogen gemiddelde kwartaalprijzen te nemen van de onderscheiden verkopen op de binnenlandse markt van de betrokken ondernemingen; dat deze prijzen per kwartaal schommelden en in 1982 over het algemeen waren gedaald;

Overwegende dat, ter bepaling van de rentabiliteit van de binnenlandse verkopen, bewijsmateriaal werd ingediend dat de Commissie ervan overtuigde dat bij de verkoop over het algemeen geen verlies werd geleden;

Overwegende dat de prijzen bij uitvoer werden vastgesteld op basis van de feitelijk betaalde of te betalen prijzen voor de gedurende het onderzoektijdvak naar de Gemeenschap uitgevoerde goederen;

Overwegende dat de Commissie bij haar vergelijking van de normale waarden met de prijzen bij uitvoer waar nodig rekening hield met verschillen die van invloed zijn op de vergelijkbaarheid van de prijzen, zoals verschillen in de kosten van vervoer, lading, overlading, lossen en bijkomende kosten; dat alle vergelijkingen plaatsvonden in het fob-stadium;

Overwegende dat uit bovengenoemd onderzoek van de feiten gebleken is dat de ondernemingen die na het aanvankelijke onderzoek verbintenissen hadden aangeboden, zich aan die verbintenissen hebben gehouden, maar dat in bepaalde gevallen de prijsstijging op hun binnenlandse markt in de Verenigde Staten betekende dat er weer dumping was ontstaan; dat de dumping-marges per exporteur uiteenlopen; dat de gewogen gemiddelde marge voor elk der aan het onderzoek medewerkende exporteurs bedroeg:

1.2 // - Arco Chemical Co. // 2 %, // - Exxon Chemical Co. // 9,55 %, // - Koch Chemical Co. // 4 %, // - Phillips Petroleum // 0 %, // - Sun Refining & Marketing Co. // 1,8 %, // - Sunoco Overseas Inc. // geen verkoop, // - Tenneco Oil // 0 %;

dat, aangezien de uitvoer van Pecten Chemicals Inc. via internationale makelaars geschiedde, deze onderneming niet in staat was haar verkoop naar de Gemeenschap na te gaan;

Overwegende dat het voor de exporteurs die de vragenlijst van de Commissie niet beantwoord hebben en zich evenmin in de loop van het herzieningsonderzoek op andere wijze kenbaar gemaakt hebben, en die naar schatting 34 % van de betrokken uitvoer voor hun rekening nemen, volgens de Commissie een beloning voor hun weigering tot medewerking zou zijn indien werd aangenomen dat de dumpingmarge in hun geval lager is geweest dan de na het aanvankelijke onderzoek voor hen vastgestelde marge van 14,47 %;

Overwegende dat, wat de door de invoer met dumping veroorzaakte schade betreft, volgens het de Commissie beschikbare bewijsmateriaal de invoer in de Gemeenschap uit Puerto Rico en de Verenigde Staten van Amerika van o-xyleen, die na het instellen van de voorlopige en definitieve rechten in 1981 daalde, in 1982 waarschijnlijk tot hetzelfde peil als in 1979 zou stijgen;

Overwegende dat de communautaire producenten met de verkoopprijzen van dit produkt in de Gemeenschap in de meeste gevallen niet hun kosten kunnen dekken of een redelijke winst kunnen boeken;

Overwegende dat een en ander voor de betrokken communautaire bedrijfstak heeft geleid tot een produktiedaling van 10 % in de periode 1981-1982, een vermindering van 11 % van de bezettingsgraad over hetzelfde tijdvak, en een toenemende verliestrend in 1982;

Overwegende dat de Commissie geen nieuw bewijsmateriaal ontvangen heeft dat haar opvatting had kunnen wijzigen dat voortgezette toepassing van het bestaande recht en handhaving van de prijsverbintenissen noodzakelijk zijn voor de opheffing van de geleden schade en het voorkomen van nieuwe schade; dat de schommelende prijsbewegingen in de laatste kwartalen en de voortdurende neerwaartse druk op zowel de markt van de Verenigde Staten als van de Gemeenschap, de veronderstelling wettigen dat eventuele opheffing van het bestaande definitieve recht of intrekking van de verbintenissen de betrokken exporteurs ertoe zou kunnen brengen hun overschotten in de Gemeenschap af te zetten, waardoor de situatie voor de communautaire bedrijfstak zou verslechteren;

Overwegende dat de verwerkende industrieën in de Gemeenschap hebben aangevoerd dat het verlengen van de beschermende maatregelen niet in het belang van de Gemeenschap zou zijn aangezien dit hen minder concurrerend zou maken; dat de Commissie gezien de bijzonder ernstige problemen voor de communautaire bedrijfstak toch tot de bevinding gekomen is dat het in het belang van de Gemeenschap is de definitieve maatregelen te continueren, vooral omdat die exporteurs welke aan het onderzoek van de Commissie hebben meegewerkt en vervolgens prijsverbintenissen hebben aangeboden, slechts 66 % van de uitvoer uit de Verenigde Staten naar de Gemeenschap vertegenwoordigen;

Overwegende dat derhalve de uiteindelijk vastgestelde feiten uitwijzen dat er dumping en daardoor veroorzaakte schade bestaat, en dat de belangen van de Gemeenschap het handhaven van het bestaande definitieve anti-dumpingrecht op o-xyleen van oorsprong uit Puerto Rico en de Verenigde Staten van Amerika noodzakelijk maken;

Overwegende dat de betrokken exporteurs zijn ingelicht over de voornaamste conclusies van het onderzoek en daarop hebben gereageerd; dat de ondernemingen die bij de aanvankelijke procedure verbintenissen hadden aangeboden, vrijwillig hebben voorgesteld deze te vernieuwen op een prijspeil dat nodig wordt geacht om hernieuwde schade voor de communautaire bedrijfstak te voorkomen; dat ook Koch Chemical Company zich vrijwillig verbonden heeft tot inachtneming van een minimumprijs voor haar uitvoer; Overwegende dat de genoemde verbintenissen tot resultaat zullen hebben dat de prijzen bij invoer gehandhaafd blijven op het peil dat nodig is om schade te voorkomen; dat deze verbintenissen in geen geval verder gaan dan de dumpingmarge;

Overwegende dat de Raad derhalve heeft bepaald dat de invoer van o-xyleen, uitgevoerd door Arco Chemical Co., Exxon Chemical Co., Koch Chemical Co., Phillips Paraxylene Inc., Phillips Puerto Rico Core Inc., International Petroleum Sales Inc., Sunoco Overseas Inc. en Tenneco Oil van de toepassing van het recht vrijgesteld dient te worden;

Overwegende dat de Sun Refining & Marketing Company, opvolger van Sun Petroleum Products Company, geweigerd heeft vrijwillige verbintenissen tot inachtneming van minimumprijzen voor haar uitvoer aan te bieden en er derhalve geen reden bestaat deze onderneming van de algemene toepassing van het recht vrij te stellen;

Overwegende dat Commonwealth Oil Refinery Co. Inc., welke eerder van het definitieve recht was vrijgesteld, nu niet meer in deze bedrijfstak werkzaam is, en dus van de lijst van vrijgestelde bedrijven dient te worden geschrapt,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING

VASTGESTELD:

Artikel 1

Artikel 1, leden 2 en 3, van Verordening (EEG) nr. 2761/81 wordt als volgt gelezen:

»2. Dit recht is niet van toepassing op o-xyleen dat wordt uitgevoerd door:

- Arco Chemical Company,

- Phillips Paraxylene Inc., International Petroleum Sales Inc. Panama, en Phillips Puerto Rico Core Inc., leden van de Phillips Petroleum Group,

- Tenneco Oil Company,

- Exxon Chemical International Supply SA,

- Sunoco Overseas Inc. en Sun International Inc.,

- Koch Chemical Company.

3. Het recht bedraagt 14,47 % van de douanewaarde vastgesteld overeenkomstig de voorschriften die gelden voor de douanerechten.".

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke Lid-Staat.

Gedaan te Luxemburg, 18 april 1983.

Voor de Raad

De Voorzitter

I. KIECHLE

(1) PB nr. L 339 van 31. 12. 1979, blz. 1.

(2) PB nr. L 178 van 22. 6. 1982, blz. 9.

(3) PB nr. L 270 van 25. 9. 1981, blz. 1.

(4) PB nr. L 353 van 9. 12. 1981, blz. 1.

(5) PB nr. C 124 van 15. 5. 1982, blz. 3.