Verordening (EEG) nr. 593/83 van de Commissie van 14 maart 1983 tot voortzetting van de in Verordening (EEG) nr. 1271/78 bedoelde acties ter verbetering van de kwaliteit van de melk in de Gemeenschap
Publicatieblad Nr. L 071 van 17/03/1983 blz. 0020 - 0023
***** VERORDENING (EEG) Nr. 593/83 VAN DE COMMISSIE van 14 maart 1983 tot voortzetting van de in Verordening (EEG) nr. 1271/78 bedoelde acties ter verbetering van de kwaliteit van de melk in de Gemeenschap DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN, Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, Gelet op Verordening (EEG) nr. 1079/77 van de Raad van 17 mei 1977 inzake een medeverantwoordelijkheidsheffing en maatregelen ter verruiming van de markten in de sector melk en zuivelprodukten (1), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EEG) nr. 1189/82 (2), en met name op artikel 4, Overwegende dat de maatregelen die op grond van Verordening (EEG) nr. 1271/78 van de Commissie (3), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EEG) nr. 2341/78 (4), zijn ingevoerd en bij de Verordeningen (EEG) nr. 2936/79 (5), (EEG) nr. 1079/81 (6) en (EEG) nr. 272/82 (7) zijn voortgezet, een doeltreffend middel zijn gebleken om de kwaliteit van de melk in de Gemeenschap te verbeteren; Overwegende dat het in het belang van een grotere doelmatigheid aanbeveling verdient de genomen maatregelen voort te zetten; Overwegende dat derhalve de organisaties, instellingen, ondernemingen en producentengroeperingen die over de vereiste kwalificaties en ervaring beschikken opnieuw moeten worden verzocht door hen uit te voeren gedetailleerde programma's voor te stellen; Overwegende dat voor het overige de bepalingen van de vroegere verordeningen in hoofdzaak kunnen worden overgenomen met inachtneming van de opgedane ervaring; Overwegende dat de in deze verordening vervatte maatregelen in overeenstemming zijn met het advies van het Comité van beheer voor melk en zuivelprodukten, HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD: Artikel 1 1. De onderstaande maatregelen worden, onder de in deze verordening vastgestelde voorwaarden, aangemoedigd: a) bacteriologische analyse van rauwe melk; b) onderzoek van de gezondheidsaspecten van rauwe melk; c) controle van de melkmachines; d) individuele voorlichting van de melkproducenten inzake produktie (stalhygiëne, melken en gezondheid van het vee) en bewaring van de melk (koeling); e) voorlichting in verband met de ophaling (collectieve installaties, melkophaalcentra) en het vervoer van rauwe melk (techniek, apparatuur en gebruik van tankwagens); f) inrichting van collectieve melkophaalcentra, eventueel met koelinstallaties. In gemotiveerde uitzonderlijke gevallen kan ook steun worden toegekend aan individuele bedrijven; g) in gemotiveerde gevallen, analyse van de samenstelling van rauwe melk en voorzieningen voor het vervoer van monsters; h) opleiding van gekwalificeerd personeel voor de kwaliteitscontrole en voor het ophalen van de melk. 2. De in lid 1 bedoelde acties komen slechts voor steun in aanmerking indien met de uitvoering wordt begonnen na 28 februari 1983; zij moeten voltooid zijn binnen een termijn van twee jaar na ondertekening van het in artikel 5, lid 3, bedoelde contract en in ieder geval vóór 1 oktober 1985. In uitzonderingsgevallen kan echter overeenkomstig artikel 5, lid 2, een langere termijn worden overeengekomen om de betrokken actie zo doeltreffend mogelijk te maken. 3. De in lid 2 vastgestelde termijn sluit niet uit dat later over verlenging daarvan kan worden overeengekomen, indien de contractsluitende partij vóór het verstrijken van de uitvoeringstermijn de bevoegde instantie daarom verzoekt en bewijst dat zij, wegens buitengewone omstandigheden waarvoor zij niet verantwoordelijk is, de oorspronkelijk vastgestelde termijn niet in acht kan nemen. Artikel 2 1. De in artikel 1, lid 1, bedoelde maatregelen worden voorgesteld en uitgevoerd door instellingen, organisaties, ondernemingen of producentengroeperingen die: a) over de vereiste kwalificaties en ervaring beschikken; b) de goede afloop van de maatregelen garanderen. Voorstellen van individuele ondernemingen worden slechts in aanmerking genomen indien zij bijzonder verantwoord zijn en niet nadelig zijn voor de acties van op dit gebied gespecialiseerde regionale organisaties. 2. De bijdrage van de Gemeenschap bedraagt ten hoogste 90 % van de uitgaven die verbonden zijn aan de voorgenomen acties. De bijdrage van de Gemeenschap in de in artikel 1, lid 1, sub h), bedoelde acties mag niet hoger zijn dan 10 % van de uitgaven die verbonden zijn aan de acties in de zin van artikel 1, lid 1, die in de betrokken Lid-Staat worden uitgevoerd. 3. Voor de bijdrage van de Gemeenschap voor wat betreft artikel 1, lid 1, sub a), b) en g), komt slechts in aanmerking de eerste technische uitrusting van laboratoria met: - apparatuur (inclusief eventuele incubators) voor bacteriologisch onderzoek van de melk, inclusief computers waarop deze apparatuur eventueel wordt aangesloten, maar zonder de programmatuur; - apparatuur voor het opsporen van vreemde bestanddelen, antibiotica en remstoffen in de rauwe melk, inclusief computers waarop deze apparatuur eventueel wordt aangesloten, maar zonder de programmatuur; - apparatuur om de rauwe melk op mastitis te controleren. In behoorlijk gemotiveerde gevallen: - apparatuur voor het nemen van monsters, en voor het transporteren, sorteren, conserveren en prepareren van de monsters; - apparatuur voor het bepalen van het vet-, proteïne- en lactosegehalte van de melk, inclusief computers waarop deze apparatuur eventueel wordt aangesloten, maar zonder de programmatuur. De eerste technische uitrusting van reeds bestaande laboratoria met verbeterde, meer economische apparatuur wordt beschouwd als een maatregel in de zin van artikel 1, lid 1, sub a), b) en g). Alleen apparatuur waarvan de technische capaciteit voldoende wordt benut, komt voor financiering in aanmerking. 4. Bovendien kunnen de betrokkenen, in behoorlijk gemotiveerde gevallen, financiering vragen van de kosten voor de in artikel 1, lid 1, sub a) en b) bedoelde analyses en onderzoekingen. 5. De communautaire bijdrage wordt slechts toegekend indien de betrokkene zich ertoe verbindt om binnen de in het contract vastgestelde termijn voor de uitvoering van de subsidiabele maatregelen in zijn werkingsgebied een gedifferentieerde betalingsregeling in te voeren op basis van de bacteriologische kwaliteit van de melk of, indien een dergelijke regeling al bestaat, deze voort te zetten. 6. De algemene kosten die aan de in artikel 1, lid 1, bedoelde acties zijn verbonden, worden slechts gefinancierd tot een bedrag dat ten hoogste gelijk is aan 2 % van het totale goedgekeurde bedrag. Artikel 3 1. De betrokkenen worden verzocht vóór 15 april 1983 bij de door hun land aangewezen bevoegde instantie, hier »bevoegde instantie" te noemen, gedetailleerde en complete voorstellen voor de in artikel 1, lid 1, bedoelde acties in te dienen. Bij niet-inachtneming van deze termijn wordt het voorstel als niet gedaan beschouwd. 2. De overige bepalingen voor de indiening van de voorstellen zijn die welke door de bevoegde instanties zijn bekendgemaakt in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen nr. C 17 van 23 januari 1980, blz. 2, en nr. C 35 van 11 februari 1982, blz. 8. Artikel 4 1. In de volledige voorstellen moeten worden vermeld: a) de naam en het adres van de betrokkene; b) alle details over de voorgestelde acties, de termijn van uitvoering, de verwachte resultaten en de derden die eventueel bij de uitvoering betrokken worden; c) de voor deze acties gevraagde nettoprijs, exclusief belastingen, uitgedrukt in de valuta van de Lid-Staat op het grondgebied waarvan de betrokkene is gevestigd, met specificatie per post en financieringsplan; d) de gewenste wijze van betaling van de communautaire bijdrage overeenkomstig artikel 7, lid 1, sub a) of b); e) het meest recente verslag over de werkzaamheden van de betrokkene, voor zover de bevoegde instantie dit niet reeds in haar bezit heeft. 2. Een voorstel is slechts geldig als het: a) wordt ingediend door een belanghebbende die voldoet aan de voorwaarden van artikel 2, lid 1; b) vergezeld gaat van een verbintenis dat de bepalingen van deze verordening, met name de verbintenis bedoeld in artikel 2, lid 5, alsmede de bepalingen van het in artikel 6 bedoelde bestek, in acht zullen worden genomen. (1) PB nr. L 131 van 26. 5. 1977, blz. 6. (2) PB nr. L 140 van 20. 5. 1982, blz. 8. (3) PB nr. L 156 van 14. 6. 1978, blz. 39. (4) PB nr. L 282 van 7. 10. 1978, blz. 11. (5) PB nr. L 334 van 28. 12. 1979, blz. 16. (6) PB nr. L 112 van 24. 4. 1981, blz. 15. (7) PB nr. L 28 van 5. 2. 1982, blz. 17.