31983L0183

Richtlijn 83/183/EEG van de Raad van 28 maart 1983 betreffende de belastingvrijstellingen bij definitieve invoer uit een Lid-Staat van persoonlijke goederen door particulieren

Publicatieblad Nr. L 105 van 23/04/1983 blz. 0064 - 0067
Bijzondere uitgave in het Fins: Hoofdstuk 9 Deel 1 blz. 0117
Bijzondere uitgave in het Spaans: Hoofdstuk 09 Deel 1 blz. 0161
Bijzondere uitgave in het Zweeds: Hoofdstuk 9 Deel 1 blz. 0117
Bijzondere uitgave in het Portugees: Hoofdstuk 09 Deel 1 blz. 0161


++++

RICHTLIJN VAN DE RAAD

van 28 maart 1983

betreffende de belastingvrijstellingen bij definitieve invoer uit een Lid-Staat van persoonlijke goederen door particulieren

( 83/183/EEG )

DE RAAD VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN ,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap , inzonderheid op artikel 99 ,

Gezien het voorstel van de Commissie ( 1 ) ,

Gezien het advies van het Europese Parlement ( 2 ) ,

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité ( 3 ) ,

Overwegende dat het aanbeveling verdient , in het belang van de particulieren , de actie voort te zetten , die ertoe strekt om binnen de Gemeenschap soortgelijke omstandigheden als die welke op een binnenlandse markt heersen , in het leven te roepen , ten einde de bevolking van de Lid-Staten zich bewust te doen worden van het bestaan van de Europese Gemeenschap ;

Overwegende dat met name het bestaan van fiscale belemmeringen bij invoer in een Lid-Staat van persoonlijke goederen door particulieren uit een andere Lid-Staat , het vrije verkeer van personen binnen de Gemeenschap belemmert ; dat het derhalve dienstig is deze belemmeringen zoveel mogelijk te doen verdwijnen door het instellen van belastingvrijstellingen ;

Overwegende dat deze belastingvrijstellingen slechts mogen gelden voor invoer van goederen die in geen enkel opzicht commercieel of speculatief is en dat derhalve de grenzen en de wijze van toepassing daarvan dienen te worden vastgesteld ,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD :

TITEL I

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

Werkingssfeer

1 . De Lid-Staten verlenen , op de onderstaande voorwaarden en in de onderstaande gevallen , bij definitieve invoer door een particulier van persoonlijke goederen uit een andere Lid-Staat vrijstelling van omzetbelasting , accijnzen en andere verbruiksbelastingen die normaliter op dergelijke goederen worden geheven .

2 . Deze richtlijn heeft geen betrekking op de specifieke en/of periodieke rechten en heffingen op het gebruik van deze goederen in het land zelf , zoals bij voorbeeld rechten geheven bij de registratie van motorvoertuigen , wegenbelasting en kijkgelden .

Artikel 2

Voorwaarden betreffende de goederen

1 . Als " persoonlijke goederen " in de zin van deze richtlijn worden beschouwd de goederen die dienen voor het persoonlijk gebruik van de betrokkenen of voor de behoeften van hun gezin . Uit de aard of hoeveelheid van deze goederen mag niet afgeleid kunnen worden dat aan de invoer commerciële overwegingen ten grondslag liggen , noch dat zij bestemd zijn voor een economische activiteit in de zin van artikel 4 van Richtlijn 77/388/EEG ( 4 ) . Werktuigen die noodzakelijk zijn voor de uitoefening door de betrokkene van een technisch of vrij beroep , moeten evenwel ook als persoonlijke goederen worden beschouwd .

2 . De in artikel 1 bedoelde vrijstelling wordt verleend voor persoonlijke goederen die :

a ) zijn verkregen onder toepassing van de algemene belastingregels voor de binnenlandse markt van een Lid-Staat en die uit hoofde van de uitvoer niet in aanmerking komen voor ontheffing of teruggave van omzetbelasting , accijnzen of andere verbruiksbelastingen . Voor de toepassing van deze richtlijn worden goederen die zijn verkregen in omstandigheden als bedoeld in artikel 15 , punt 10 , van Richtlijn 77/388/EEG , geacht aan deze voorwaarden te voldoen ;

b ) door de betrokkene werkelijk zijn gebruikt in de Lid-Staat waaruit zij worden uitgevoerd :

- gedurende zes maanden voor de verandering van verblijfplaats , voor wat betreft motorvoertuigen met inbegrip van hun aanhangwagens , caravans , verplaatsbare woningen , pleziervaartuigen en sportvliegtuigen ;

- gedurende drie maanden voor de verandering van verblijfplaats of de vestiging van een tweede verblijfplaats , voor wat betreft andere goederen .

Voor de goederen , bedoeld in de tweede zin sub a ) , kunnen de Lid-Staten bovenstaande termijnen echter op twaalf maanden brengen .

3 . De bevoegde autoriteiten verlangen een bewijs dat voor wat betreft motorvoertuigen met inbegrip van hun aanhangwagens , caravans , verplaatsbare woningen , pleziervaartuigen en sportvliegtuigen voldaan is aan de voorwaarden van lid 2 . Voor wat betreft de overige goederen verlangen zij een dergelijk bewijs slechts in geval van ernstige vermoedens van bedrog .

Artikel 3

Invoervoorwaarden

De invoer van persoonlijke goederen kan geschieden in een of meer zendingen binnen de termijnen die respectievelijk in de artikelen 7 , 8 , 9 en 10 worden genoemd .

Artikel 4

Verplichtingen na invoer

De ingevoerde goederen mogen gedurende twaalf maanden na invoer met vrijstelling niet worden overgedragen , verhuurd of uitgeleend , behalve in gevallen die ten genoegen van de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staat van invoer naar behoren zijn gemotiveerd .

Artikel 5

Specifieke voorwaarden voor bepaalde goederen

1 . De Lid-Staten kunnen bepalen dat de goederen , opgesomd in artikel 4 , lid 1 , van Richtlijn 69/169/EEG ( 5 ) , laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 82/443/EEG ( 6 ) , slechts met vrijstelling mogen worden ingevoerd tot ten hoogste de hoeveelheden die in dit laatste artikel zijn bepaald voor het verkeer tussen de Lid-Staten .

2 . Voor rijpaarden , motorvoertuigen met inbegrip van hun aanhangwagens , caravans , verplaatsbare woningen , pleziervaartuigen en sportvliegtuigen geldt slechts vrijstelling bij invoer indien de particulier zijn gewone verblijfplaats overbrengt naar de Lid-Staat van invoer .

Artikel 6

Algemene regels ter bepaling van de verblijfplaats

1 . Voor de toepassing van deze richtlijn wordt onder " gewone verblijfplaats " verstaan de plaats waar iemand gewoonlijk verblijft , dat wil zeggen gedurende ten minste 185 dagen per kalenderjaar , wegens persoonlijke en beroepsmatige bindingen , of , voor personen zonder beroepsmatige bindingen , wegens persoonlijke bindingen waarum nauwe banden tussen hemzelf en de plaats waar hij woont blijken .

De gewone verblijfplaats van iemand die zijn beroepsmatige bindingen op een andere plaats heeft dan zijn persoonlijke bindingen en daardoor afwisselend verblijft op verschillende plaatsen gelegen in twee of meer Lid-Staten , wordt evenwel geacht zich op dezelfde plaats te bevinden als zijn persoonlijke bindingen , op voorwaarde dat hij daar op geregelde tijden terugkeert . Deze laatste voorwaarde vervalt wanneer de betrokkene in een Lid-Staat verblijft voor een opdracht van een bepaalde duur . Het feit dat college wordt gelopen of een school wordt bezocht , houdt niet in dat de gewone verblijfplaats wordt verplaatst .

2 . Particulieren tonen met passende middelen , met name met hun identiteitskaart of enig ander legitimatiebewijs , aan waar hun gewone verblijfplaats is .

3 . Indien de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staat van invoer de juistheid van de verklaring van de gewone verblijfplaats die is afgelegd overeenkomstig lid 2 in twijfel trekken of met het oog op bepaalde specifieke controles , kunnen zij om aanvullende inlichtingen of bewijsstukken verzoeken .

TITEL II

INVOER VAN PERSOONLIJKE GOEDEREN NAAR AANLEIDING VAN EEN VERANDERING VAN DE GEWONE VERBLIJFPLAATS

Artikel 7

1 . De in artikel 1 bedoelde vrijstelling wordt overeenkomstig de voorwaarden van de artikelen 2 tot en met 5 verleend voor de invoer van persoonlijke goederen door een particulier bij verandering van zijn gewone verblijfplaats .

2 . De laatste invoer moet uiterlijk twaalf maanden na de verandering van de gewone verblijfplaats geschieden .

TITEL III

INVOER VAN PERSOONLIJKE GOEDEREN NAAR AANLEIDING VAN DE MEUBILERING VAN EEN TWEEDE VERBLIJFPLAATS OF VAN HET VERLATEN ERVAN

Artikel 8

1 . De in artikel 1 bedoelde vrijstelling wordt overeenkomstig de in de artikelen 2 tot en met 5 gestelde voorwaarden verleend voor de invoer van persoonlijke goederen door een particulier voor het meubileren van een tweede verblijfplaats .

De vrijstelling wordt slechts verleend indien :

i ) de betrokkene eigenaar of gedurende ten minste twaalf maanden huurder van de tweede verblijfplaats is ;

ii ) de hoeveelheid van de ingevoerde goederen overeenkomt met het gewone meubilair van de tweede verblijfplaats .

2 . De vrijstelling wordt ook verleend onder de voorwaarden van lid 1 voor invoer van goederen naar de gewone verblijfplaats of naar een andere tweede verblijfplaats ingevolge het verlaten van een tweede verblijfplaats , op voorwaarde dat de betrokkene de bewuste goederen gedurende een periode van ten minste twaalf maanden werkelijk in bezit heeft gehad en gebruikt .

De laatste invoer moet uiterlijk twaalf maanden na het verlaten van de tweede verblijfplaats geschieden .

Het bepaalde in artikel 4 is niet van toepassing op het opnieuw invoeren van goederen .

TITEL IV

INVOER VAN GOEDEREN TER GELEGENHEID VAN EEN HUWELIJK

Artikel 9

1 . In afwijking van artikel 2 , lid 2 , sub b ) , tweede streepje , doch onverminderd de overige bepalingen van de artikelen 2 tot en met 5 , kan een ieder , ter gelegenheid van zijn huwelijk , de minder dan drie maanden te voren verkregen of in zijn bezit zijnde persoonlijke goederen met vrijstelling van de in artikel 1 bedoelde belastingen invoeren in de Lid-Staat waarnaar hij zijn gewone verblijfplaats wil overbrengen , op de volgende voorwaarden :

a ) de invoer moet plaatsvinden in de periode die aanvangt twee maanden voor de vastgestelde huwelijksdatum en eindigt vier maanden na de datum waarop het huwelijk is gesloten ;

b ) de particulier moet het bewijs leveren dat zijn huwelijk heeft plaatsgevonden of dat de eerste officiële stappen met het oog op zijn huwelijk zijn genomen .

2 . Vrijstelling wordt eveneens verleend voor de gewoonlijk ter gelegenheid van een huwelijk aangeboden geschenken die door personen die hun normale verblijfplaats hebben in een andere Lid-Staat dan die van invoer , worden gezonden aan een persoon die voldoet aan de in lid 1 genoemde voorwaarden . De vrijstelling is van toepassing op geschenken waarvan de waarde per eenheid niet meer bedraagt dan 200 Ecu . De Lid-Staten kunnen evenwel een vrijstelling van meer dan 200 Ecu verlenen mits de waarde van elk geschenk dat met vrijstelling mag worden ingevoerd , niet meer bedraagt dan 1 000 Ecu .

3 . De Lid-Staten kunnen het verlenen van vrijstelling afhankelijk stellen van het stellen van een passende waarborg , wanneer de invoer voor de datum van het huwelijk plaatsvindt .

4 . Indien de particulier niet binnen vier maanden na de voor het huwelijk aangekondigde datum het bewijs van zijn huwelijkssluiting levert , zijn de belastingen verschuldigd op de datum van invoer .

TITEL V

INVOER VAN PERSOONLIJKE GOEDEREN VAN DE ERFLATER VERKREGEN DOOR ERFOPVOLGING

Artikel 10

1 . In afwijking van artikel 2 , leden 2 en 3 , artikel 4 en artikel 5 , lid 2 , doch onverminderd de overige bepalingen van de artikelen 2 , 3 en 5 mag iedere particulier die door erfopvolging ( causa mortis ) de eigendom of het vruchtgebruik verwerft van persoonlijke goederen van een erflater die zich in een Lid-Staat bevinden , met vrijstelling van de in artikel 1 bedoelde belastingen deze goederen in een andere Lid-Staat waar hij een verblijfplaats heeft , invoeren op de volgende voorwaarden :

a ) de particulier moet aan de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staat van invoer een door een notaris of enig andere bevoegde autoriteit van de Lid-Staat van uitvoer afgegeven verklaring tonen waaruit blijkt dat de ingevoerde goederen door middel van vererving zijn verkregen ;

b ) de invoer moet geschieden binnen een termijn van twee jaar na de datum waarop de betrokken particulier in het bezit komt van de goederen .

TITEL VI

SLOTBEPALINGEN

Artikel 11

1 . Tot aan de inwerkingtreding van de communautaire belastingvoorschriften ter uitvoering van artikel 14 , lid 2 , van Richtlijn 77/388/EEG , trachten de Lid-Staten binnen de grenzen en overeenkomstig de voorwaarden van deze richtlijn , zoveel mogelijk de door de particulieren te verrichten invoerformaliteiten te beperken , en trachten zij invoerformaliteiten te voorkomen die controles met zich brengen welke tot gevolg hebben dat een belangrijk deel van een zending aan de grens wordt gelost en opnieuw geladen .

2 . De Lid-Staten mogen voor het verlenen van vrijstelling meer liberale voorwaarden handhaven en/of vaststellen dan bedoeld in de onderhavige richtlijn , met uitzondering van de in artikel 2 , lid 2 , bedoelde voorwaarden .

3 . Onverminderd het bepaalde in artikel 2 , lid 2 , mogen de Lid-Staten uit hoofde van deze richtlijn binnen de Gemeenschap geen minder gunstige belastingvrijstellingen verlenen dan voor de invoer van persoonlijke goederen door particulieren uit een derde land .

Artikel 12

1 . De Lid-Staten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op 1 januari 1984 aan deze richtlijn te voldoen . Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis . De Helleense Republiek mag echter , op voorwaarde dat dubbele heffingen worden vermeden , haar vigerende belastingstelsel handhaven tot het gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde wordt ingevoerd .

2 . De Lid-Staten delen de Commissie de tekst van alle belangrijke bepalingen van intern recht mede die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen , met name die welke voortvloeien uit de toepassing van artikel 11 , leden 2 en 3 . De Commissie stelt de andere Lid-Staten van deze bepalingen in kennis .

3 . Na raadpleging van de Lid-Staten brengt de Commissie om de twee jaar aan de Raad en het Europese Parlement verslag uit over de toepassing van de richtlijn in de Lid-Staten .

Artikel 13

Deze richtlijn is gericht tot de Lid-Staten .

Gedaan te Brussel , 28 maart 1983 .

Voor de Raad

De Voorzitter

J . ERTL

( 1 ) PB nr . C 267 van 21 . 11 . 1975 , blz . 11 .

( 2 ) PB nr . C 53 van 8 . 3 . 1976 , blz . 39 .

( 3 ) PB nr . C 131 van 12 . 6 . 1976 , blz . 49 .

( 4 ) PB nr . L 145 van 13 . 6 . 1977 , blz . 1 .

( 5 ) PB nr . L 133 van 4 . 6 . 1969 , blz . 6 .

( 6 ) PB nr . L 206 van 14 . 7 . 1982 , blz . 35 .