31983D0674

83/674/EEG: Beschikking van de Raad van 12 december 1983 tot vaststelling van het jaarverslag over de economische toestand in de Gemeenschap en de richtsnoeren voor het economisch beleid in 1984

Publicatieblad Nr. L 378 van 31/12/1983 blz. 0001 - 0041


++++

BESCHIKKING VAN DE RAAD

van 12 december 1983

tot vaststelling van het jaarverslag over de economische toestand in de Gemeenschap en de richtsnoeren voor het economisch beleid in 1984

( 83/674/EEG )

DE RAAD VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN ,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap ,

Gelet op Beschikking 74/120/EEG van de Raad van 18 februari 1974 betreffende de verwezenlijking van een hoge mate van convergentie van de economische politiek van de Lid-Staten der Europese Economische Gemeenschap ( 1 ) , gewijzigd bij Beschikking 75/787/EEG ( 2 ) , inzonderheid op artikel 4 ,

Gezien het voorstel van de Commissie ,

Gezien het advies van het Europese Parlement ( 3 ) ,

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité ( 4 ) ,

HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING VASTGESTELD :

Artikel 1

De Raad stelt het jaarverslag over de economische toestand in de Gemeenschap zoals opgenomen in de punten 1 en 2 van deel I van het in bijlage opgenomen verslag , alsmede de richtsnoeren die de Lid-Staten bij hun economisch beleid voor 1984 dienen te volgen , zoals omschreven in de punten 3 en 4 van deel I en in deel II van het in bijlage opgenomen verslag , vast .

Artikel 2

Deze beschikking is gericht tot de Lid-Staten .

Gedaan te Brussel , 12 december 1983 .

Voor de Raad

De Voorzitter

G . ARSENIS

( 1 ) PB nr . L 63 van 5 . 3 . 1974 , blz . 16 .

( 2 ) PB nr . L 330 van 24 . 12 . 1975 , blz . 52 .

( 3 ) PB nr . C 342 van 19 . 12 . 1983 , blz . 66 .

( 4 ) Advies uitgebracht op 23/24 november 1983 ( nog niet verschenen in het PB ) .

ECONOMISCH JAARVERSLAG 1983/1984

INHOUD

Deel I - De economie van de Gemeenschap

* Bladzijde *

1 . Inleiding : het centrale vraagstuk * 3 *

2 . Aard en omvang van het aangevangen herstel * 3 *

2.1 . Aarzelend Europees herstel in een verwarde internationale situatie * 3 *

2.2 . Stabilisatie van het werkloosheidspercentage ? * 5 *

2.3 . Een geleidelijke convergentie in de richting van minder inflatie * 6 *

2.4 . Snelle betalingsbalansaanpassingen in Europa , maar internationaal problemen * 7 *

2.5 . Onvoldoende tekenen die wijzen op een structurele verbetering * 8 *

3 . Het beleid ter ondersteuning van het herstel : recente initiatieven en het doel van verdere maatregelen * 9 *

3.1 . Evaluatie van het macro-economische en financiële beleid * 10 *

3.2 . Beleid tot versterking van het produktieve potentieel en tot verbetering van de allocatie van middelen in de overheidssector en de particuliere sector * 12 *

- Herstructurering van de overheidsuitgaven en de belastingen * 12 *

- Loonontwikkeling * 14 *

- Heronderzoek van de regelgevende functies van de overheid * 14 *

3.3 . Rechtstreekse arbeidsmarktmaatregelen ter verlichting van het werkloosheidsprobleem * 15 *

3.4 . Maatregelen van de Europese Gemeenschap ter versterking van het herstel * 16 *

- Macro-economisch en monetair beleid * 16 *

- Structureel en micro-economisch beleid * 17 *

4 . Samenvatting en conclusies : consolidering van een Europese wederopleving * 18 *

Bijlage

Werkgelegenheidsmaatregelen in 1982/1983 * 20 *

- Tabellen * 21 *

- Grafieken * 23 *

Deel II - De economieën van de Lid-Staten

België * 28 *

Denemarken * 29 *

Bondsrepubliek Duitsland * 30 *

Griekenland * 32 *

Frankrijk * 33 *

Ierland * 35 *

Italië * 36 *

Luxemburg * 38 *

Nederland * 39 *

Verenigd Koninkrijk * 40 *

DEEL I

DE ECONOMIE VAN DE GEMEENSCHAP

1 . Inleiding : het centrale vraagstuk

Dit Economisch Jaarverslag 1983/1984 wordt aan de Instellingen van de Gemeenschap voorgelegd overeenkomstig de daarvoor vastgestelde procedures ( 1 ) .

De huidige vooruitzichten op korte termijn houden slechts een aarzelend herstel in , dat bovendien niet algemeen is . De recessie , die drie jaar , van 1980 tot en met 1982 , duurde , was uitzonderlijk lang en schadelijk voor de werkgelegenheid . Deze ontwikkeling volgde op een decennium waarin het bij een snelle groei van de beroepsbevolking onmogelijk bleek een krachtige groei van de werkgelegenheid te verwezenlijken . Dit Verslag is derhalve afgestemd op het centrale vraagstuk van economisch beleid waarvoor de Gemeenschap thans geplaatst is : met welke beleidsmaatregelen kan een krachtiger en duurzaam herstel van de groei van de produktie en de werkgelegenheid in de Europese economie worden bereikt .

Deze problemen werden vooropgesteld in de verzoeken die werden geformuleerd in de conclusies van de Europese Raad te Stuttgart van 17 - 19 juni 1983 . De Europese Raad verzocht de Commissie :

- " een gedetailleerde analyse voor te bereiden over de aard en mate van het herstel en van wat de overheden reeds doen om dit herstel te steunen , te bestendigen en te bespoedigen " ;

- " optimaal en op een gecoordineerde wijze gebruik te maken van de communautaire financiële instrumenten ter ondersteuning en zekerstelling van het economische herstel " ;

- " op basis daarvan aan te geven wat de Lid-Staten en de Gemeenschap aan nieuwe elementen zouden kunnen introduceren om het herstel zo nodig te schragen " .

Eind 1982 besloot het Europese Parlement zijnerzijds een onderzoek in te stellen naar de voorwaarden voor het herstel van de Europese economie . Vervolgens besloot het hierover in het begin van 1984 een debat te houden , voorafgegaan door een fase van raadplegingen .

Deze verschillende initiatieven betreffen in feite hetzelfde centrale complex van economische problemen . In antwoord op de opdracht van de Europese Raad worden in dit verslag de conclusies uiteengezet welke de Commissie heeft getrokken met betrekking tot de beleidslijnen welke volgens haar voor de komende periode moeten worden gevolgd .

2 . Aard en omvang van het aangevangen herstel

In de volgende paragrafen wordt een uiteenzetting gegeven van de omvang van de thans plaatsvindende wederopleving en de gevaren met betrekking tot de vooruitzichten , de mate waarin de problemen van werkloosheid , inflatie en betalingsbalans tot een oplossing komen , en ten slotte over de mate waarin de fundamentele ontwikkelingen van de Europese economie lijken te veranderen .

2.1 . Aarzelend Europees herstel in een verwarde internationale situatie

Voor de Gemeenschap als geheel kwam waarschijnlijk omstreeks het einde van 1982 een einde aan de recessie . De wederopleving welke thans vorm krijgt ( grafiek 1 ) houdt de mogelijkheid van een geleidelijke verbetering van de economische situatie in . Deze ontwikkeling , die in ieder geval van land tot land verschilt , mag niet al te optimistisch worden geïnterpreteerd . Het herstel blijft langzaam en is in alle opzichten kwetsbaar , in het bijzonder omdat de internationale situatie , zoals in het verslag wordt beschreven , een reeks gevaren inhoudt .

In de Europese Gemeenschap bleef de totale produktie ( BBP ) in het tweede kwartaal van 1983 reëel stabiel , na een stijging op jaarbasis van ongeveer 2 % in de voorafgaande twee kwartalen . Het niveau van de industriële produktie lag in het derde kwartaal van 1983 echter nog steeds lager dan in het derde kwartaal van 1982 . In de Verenigde Staten daarentegen gaf de industriële produktie een krachtige groei te zien ( grafiek 2 ) . Het is hoe dan ook kenmerkend voor de huidige conjunctuurcyclus dat in Europa het herstel niet sterk geprononceerd is , evenmin als het geval was met de recessie .

* ( Procentuele toeneming op jaarbasis , gecorrigeerd voor het seizoen ) *

* 1982 * 1983 *

* ( gehele jaar ) * ( 4e kwartaal ) * ( 1e kwartaal ) * ( 2e kwartaal ) *

Bruto binnenlands produkt : * * * * *

- Europese Gemeenschap * 0,4 * 2,3 * 2,1 * - 0,2 ( 1 ) *

- Verenigde Staten * - 2,2 * - 1,3 * 2,6 * 9,1 *

Industriële produktie : * * * * *

- Europese Gemeenschap * - 1,4 * - 6,6 * 2,8 * 2,8 *

- Verenigde Staten * - 8,5 * - 9,3 * 12,1 * 20,2 *

( 1 ) Kwartaalcijfers zijn dikwijls onbetrouwbaar ; de eerste uitkomsten dienen te worden herzien . In het tweede kwartaal van 1983 deed zich een krachtige produktiestijging voor in Duitsland , welke werd gecompenseerd door dalingen in Italië en het Verenigd Koninkrijk . In het geval van het Verenigd Koninkrijk wijzen evenwel andere officiële schattingen op een gelijkblijvende produktie in dit kwartaal .

De recente groei in Europa berust voornamelijk op een opleving van de particuliere consumptie , de voorraadvorming en de woningbouw . Dit werd zowel direct als indirect , via lagere nominale rentetarieven , bevorderd door de vermindering van de inflatie . Bedacht moet worden dat zich ook in het begin van 1982 tekenen van een bescheiden herstel voordeden . In deze ontwikkeling trad vervolgens een scherpe omslag op door de instorting van de wereldexportvraag , welke in de eerste plaats werd veroorzaakt door de internationale schuldenproblemen en monetaire onevenwichtigheden .

Uit vroegere conjunctuurcyclussen kan worden afgeleid dat de investeringen en de uitvoer in een tweede fase tot stuwende krachten van het herstelproces worden . Daartoe echter is het van belang dat de rentetarieven dalen . Daardoor zou niet alleen de groei van de particuliere investeringen in Europa worden bevorderd , maar ook , via een verlichting van de last die de schuldendienst vormt , een gestadig herstel van de wereldhandel .

De verdeling van de Europese wederopleving over de landen is vrij ongelijk . De krachtigste groei wordt verwacht voor het Verenigd Koninkrijk en Duitsland . In enkele landen wordt het herstel vertraagd wegens noodzakelijke beleidsombuigingen .

Een reeks van indicatoren bevestigt de verwachting van een geleidelijk herstel ( grafiek 10 ) . De enquêtes bij consumenten , bedrijfsleven en bouwnijverheid geven wijdverbreide verbeteringen te zien . Het indexcijfer van de aandelenprijzen is in de meeste landen opvallend gestegen en dit is gewoonlijk een vroege indicator van de conjunctuurvooruitzichten .

Volgens de herziene prognoses van de Commissie zal de groei van het BBP voor de Europese Gemeenschap als geheel van jaar op jaar voor 1983 0,5 % en voor 1984 1,5 % belopen . Van de vraagcomponenten zal de uitvoer in 1984 waarschijnlijk groeien met 3,4 % , de investeringen met 2,0 % , de particuliere consumptie met 0,5 % en de overheidsconsumptie met - 0,1 % , terwijl de voorraadvorming vermoedelijk een kleine bijdrage tot de groei zal leveren . Hoewel de totale groei bescheiden zal zijn zou de structurele samenstelling daarvan aldus in grote lijnen overeenstemmen met de beleidsdoelstellingen .

Dit langzame herstel in Europa contrasteert met de ontwikkeling in de Verenigde Staten . Hoewel niet ontkend kan worden dat in de Verenigde Staten krachtige stabilisatiemaatregelen werden getroffen en de US-economie onmiskenbare voordelen van omvang en aanpasbaarheid heeft , dient in aanmerking te worden genomen dat het herstel in de Verenigde Staten in belangrijke mate berust op een gebrek aan evenwicht tussen een begrotingsbeleid met expansieve effecten en een monetair beleid dat er in de allereerste plaats op gericht is de inflatie terug te dringen , ook al werd het onlangs iets minder stringent . De consequenties van dit beleid voor de rentetarieven , de wisselkoers en het tekort op de handelsbalans kunnen op korte termijn - en zolang de internationale gevolgen ervan buiten beschouwing worden gelaten - makkelijker worden gedragen door een machtige , homogene , economie die gebruik kan maken van de voordelen die voortvloeien uit de status van haar valuta . In de Gemeenschap zijn de marges voor het economisch beleid van de Lid-Staten smal en zij houden zwaardere beperkingen in , met name van externe aard . Deze situatie heeft twee consequenties . In de eerste plaats kan in de Gemeenschap geen economisch beleid worden gevoerd dat overeenkomt met dat van de Verenigde Staten . In de tweede plaats wordt de doeltreffendheid van Europees beleid in zeer grote mate bepaald door de mate waarin het gecoordineerd is .

Het effect van de werderopleving in de Verenigde Staten op Europa bestaat uit invloeden die elkaar via verschillende kanalen ten dele teniet doen : een krachtigere directe invoervraag van de Verenigde Staten , maar daarnaast een meer gecompliceerd geheel van effecten betreffende rente , wisselkoers en vertrouwen bij het bedrijfsleven . Om een eerste eenvoudige schets te geven : de totale Europese uitvoer van goederen en diensten naar de Verenigde Staten bedroeg in 1982 ongeveer 50 miljard dollar , dat is 2 % van het BBP van de Europese Gemeenschap . Elke verhoging van deze uitvoer met 5 % zou een rechtstreekse vraagimpuls van 0,1 % van het BBP betekenen . Rekening houdend met mogelijke verdere stijgingen van de Europese uitvoer naar zowel andere derde landen als de Verenigde Staten , ten dele als gevolg van de appreciatie van de wisselkoers van de dollar , zou de totale positieve invloed op de Europese uitvoer - ceteris paribus - twee of drie maal zo groot kunnen zijn . De factoren die deze expansieve impuls tegengaan zijn evenwel belangrijk . De yen bleef betrekkelijk zwak , hetgeen betekent dat de verbetering van de totale concurrentiepositie van Europa aanzienlijk beperkter is dan zou kunnen worden afgeleid uit een vergelijking tussen dollar en Ecu . Daarnaast wordt de invoercapaciteit van de derde-wereldlanden met buitenlandse schulden gedrukt door de hoge rentetarieven . Ten slotte zijn de financiële verhoudingen in Europa , als gevolg van de renteverhoudingen in de Verenigde Staten en van een sterkere appreciatie van de dollar ten opzichte van de Europese Gemeenschap , ongunstiger dan zij anders zouden zijn geweest . Al met al kan moeilijk worden bepaald waarin deze tegengestelde invloeden zullen resulteren ; voorshands mag niet worden aangenomen dat de uitkomst voor Europa positief zal zijn .

De wereldhandel was de afgelopen drie jaar duidelijk zwak ( met geen of negatieve groei in 1981 tot en met 1983 ) , zulks in de eerste plaats als een direct of indirect gevolg van de tweede oliecrisis en vervolgens van de grote en onvoorzienbare fluctuaties van de wereldrentetarieven en wisselkoersverhoudingen . Voor 1984 wordt een verbetering van de wereldhandel verwacht ( de groei zal volgens de prognoses van de Commissie 3,5 % kunnen bedragen ) . Naar verwachting zal de Europese Gemeenschap haar marktaandeel enigszins verbeteren .

2.2 . Stabilisatie van het werkloosheidspercentage ?

Hoewel nog geen volledige analyse mogelijk is en behoedzaamheid derhalve geboden is , schijnt de wederopleving van de bedrijvigheid in het begin van 1983 gepaard te zijn gegaan met een vertraging van de groei van de werkloosheid en zelfs met enige stabilisatie . Bij de interpretatie van deze ontwikkeling mag niet worden vergeten dat de voorspellingen voor 1984 een verdere lichte toeneming van de werkloosheid inhouden . In ieder geval blijft het niveau van werkloosheid uitzonderlijk hoog : de totale werkloosheid was eind augustus 11,7 miljoen , tegen 10,6 miljoen in augustus van het vorig jaar .

Van maart tot juni 1983 bleef het voor het seizoen gecorrigeerde gemiddelde werkloosheidspercentage in de Europese Gemeenschap stabiel op het hoogste niveau van 10,7 % . De cijfers voor juli laten een kleine daling tot 10,6 % zien ; dit was de eerste maal dat het maandcijfer daalde sedert juli 1979 . Dit niveau bleef ongewijzigd in augustus . De stabilisatie of lichte daling van de werkloosheid sedert het voorjaar van 1983 deed zich voor in alle vier grote Lid-Staten , ofschoon in de meeste andere landen nog verdere stijgingen optraden en de groei van de werkloosheid over de afgelopen twaalf maanden nog positief was voor alle landen van de Gemeenschap , uitgezonderd Frankrijk . Daartegenover is de werkloosheid in de Verenigde Staten door het snelle conjunctuurherstel vrij aanzienlijk verminderd van het hoogste niveau van 10,7 % eind 1982 tot 9,5 % voor juli van dit jaar .

Na drie jaar van voortdurend scherpe stijging van de werkloosheid dient de betekenis van deze recente ontwikkelingen zorgvuldig te worden onderzocht .

De statistische definitie van werkloosheid werd in verschillende landen herzien ( waardoor het totaal in Nederland hoger werd maar in België en het Verenigd Koninkrijk lager ) , maar de tijdreeksen werden gecorrigeerd , zodat dit geen werkelijke invloed heeft gehad op de recente tendens .

Een belangrijke vraag is of de zeer recente stabilisatie van de werkloosheid moet worden toegeschreven aan een verbetering van de vraag naar arbeid of aan een vermindering van het arbeidsaanbod , en of deze ontwikkeling zich zal doorzetten .

Ofschoon nog geen definitief oordeel kan worden gegeven over de recente ontwikkeling van arbeidsaanbod en arbeidsvraag kan uit bepaalde gegevens worden afgeleid dat de vraag naar arbeid enigszins is toegenomen : het aantal openstaande plaatsen nam in het tweede kwartaal van dit jaar toe in Duitsland , het Verenigd Koninkrijk , België en Nederland , maar niet in Frankrijk , waar het daalde . De bescheiden groei van de produktie in de laatste drie kwartalen zal althans een eind hebben gemaakt aan de tevoren lichtelijk dalende tendens van de totale werkgelegenheid .

De intensivering van de specifieke arbeidsmarktmaatregelen , betreffende in het bijzonder jongeren en vervroegde uittreding ( zie verder hieronder ) , heeft invloed gehad op zowel de vraag naar arbeid als op het arbeidsaanbod . Een gevolg daarvan is waarschijnlijk dat de beroepsbevolking thans vrijwel niet in omvang verandert , terwijl de bevolking in de arbeidsgeschikte leeftijd ( 15 - 64 ) in 1983 met meer dan 1 % toenam . In een aantal landen werden rechtstreekse maatregelen tot creatie van arbeidsplaatsen getroffen ( zie hieronder ) . Al met al lijkt het waarschijnlijk dat veranderingen in zowel de vraag naar arbeid als het arbeidsaanbod ten grondslag liggen aan de recente ontwikkeling van de werkloosheid .

Volgens de ramingen zal de werkloosheid weer toenemen en zal het jaargemiddelde in 1984 iets hoger liggen dan in 1983 . Bepaalde maatregelen tot verbetering van de arbeidsmarkt kunnen nauwelijks verder worden uitgebreid en daarom zou een nieuwe stijging van de werkloosheid slechts kunnen worden voorkomen door een sterkere toeneming van de produktie . Er heerst echter ook grote onzekerheid omtrent de ontwikkeling van de bedrijvigheidsgraad en van de produktiviteit en omtrent de mogelijke reactie van de arbeidsmarkt op aanpassingen van de reële lonen . Bovendien wordt waarschijnlijk meer gedaan aan verkorting en reorganisatie van de arbeidstijd en dit zou onder bepaalde voorwaarden ( waarop nog nader zal worden ingegaan ) een gunstige invloed op het werkloosheidspercentage kunnen hebben . Ten opzichte van de centrale raming vallen derhalve niet alle onbekende factoren pessimistisch uit .

2.3 . Een geleidelijke convergentie in de richting van minder inflatie

In de periode sedert de tweede olieschok in 1979/1980 werd aanzienlijke , maar nog lang niet voldoende vooruitgang geboekt bij het terugdringen van de inflatie . In 1980 lag de gemiddelde stijging van de consumptieprijzen in de Gemeenschap met ongeveer 14 % in dezelfde orde van grootte als in de Verenigde Staten . In augustus 1983 was de stijging over de laatste twaalf maanden teruggevallen tot 8,2 % in de Gemeenschap , maar tot 2,6 % in de Verenigde Staten . De afgelopen maanden waren er aanwijzingen dat zowel in de Verenigde Staten als in de Gemeenschap het inflatietempo geleidelijk iets minder is gaan vertragen .

( Stijging van de consumptieprijzen in % )

* 1980 * 1981 * 1982 * 12 maanden tot augustus 1983 *

België * 6,6 * 7,6 * 8,7 * 7,9 *

Denemarken * 12,3 * 11,7 * 10,1 * 6,1 *

Duitsland * 5,5 * 5,9 * 5,3 * 3,0 *

Griekenland * 24,9 * 24,5 * 21,0 * 20,0 *

Frankrijk * 13,6 * 13,4 * 12,0 * 9,6 *

Ierland * 18,2 * 20,4 * 17,2 * 10,0 *

Italië * 21,2 * 19,5 * 16,4 * 13,6 *

Luxemburg * 6,3 * 8,1 * 9,4 * 8,3 *

Nederland * 7,0 * 6,8 * 6,0 * 2,7 *

Verenigd Koninkrijk * 18,0 * 11,9 * 8,6 * 4,5 *

Europese Gemeenschap ( 10 ) * 14,3 * 12,8 * 10,9 * 8,2 *

Verenigde Staten * 13,5 * 10,3 * 6,2 * 2,6 *

In de totale teruggang van de inflatie ( gemeten aan het indexcijfer van de totale bestedingen ) in de Gemeenschap tussen 1980 en 1983 met 7 procentpunten droegen de invoerprijzen bij met 2,5 punten , de loonkosten per eenheid produkt met 4 punten en de indirecte belastingen met 0,5 punt . Hoewel de verminderde stijging van de loonkosten per eenheid produkt aldus het inflatietempo over het geheel genomen aanmerkelijk drukte , liepen de aanpassingen van de reële lonen naar aanleiding van de tweede olieschok van land tot land sterk uiteen . In 1981 en 1982 te zamen moest worden ingeleverd in verscheidene landen : België , Denemarken , Duitsland , Ierland , Luxemburg en Nederland . In Frankrijk , Italië , Griekenland en het Verenigd Koninkrijk bleven de reële lonen echter stijgen .

Uit bovenstaande cijfers voor de vier grotere landen blijkt dat enige vooruitgang is geboekt met betrekking tot de divergerende inflatiepercentages , in die zin dat de vertraging van het inflatietempo ( in procentpunten ) groter was in de landen waar de inflatie in 1980 boven de 10 % lag . Medio 1983 was de inflatie teruggelopen met 3 punten in Duitsland , 4 punten in Frankrijk , 6 punten in Italië en 14 punten in het Verenigd Koninkrijk . Medio 1983 had behalve Italië en Griekenland geen enkele Lid-Staat nog een inflatie van meer dan 10 % . In 1982 zaten Denemarken , Frankrijk en Ierland in de dubbele cijfers en in 1981 gold dit ook voor het Verenigd Koninkrijk .

Aangezien de ontwikkeling van de mondiale inflatie soms sterk wordt beïnvloed door de grondstoffenprijzen op de wereldmarkt , dient te worden opgemerkt dat het dieptepunt in de evolutie van de grondstoffenprijzen in 1981 en 1982 nu voorbij is . Voor andere grondstoffen dan aardolie deed zich eind 1982 een duidelijke ommekeer voor toen de wereldmarktprijzen voor agrarische en minerale grondstoffen omhoog schoten ( 18 % in dollars en 34 % in Ecu in de eerste negen maanden van 1983 ) . Deze opwaartse tendens is de laatste weken echter tot stilstand gekomen . Het effect op de kosten en prijzen in de Gemeenschap wordt verminderd voor landbouwprodukten die onder het gemeenschappelijk landbouwbeleid vallen , maar wordt onmiddellijk gevoeld voor produkten zoals rubber of aluminium . Voor het ogenblik moeten de positieve aspecten van deze prijsaanpassingen worden erkend , zij verbeteren de ruilvoet van vele diep in de schulden zittende ontwikkelingslanden en zijn een voorwaarde voor uitbreiding van de produktiecapaciteit in een aantal gevallen .

De gemiddelde prijs voor in de Gemeenschap ingevoerde olie daalde in dollars van 33,7 US-dollar per vat in het vierde kwartaal van 1982 tot 29,4 US-dollar in het tweede kwartaal van 1983 na de verlaging van de officiële OPEC-prijs tot 29 US-dollar op 14 maart 1983 . Overtollige produktiecapaciteit in de OPEC-landen zal naar verwachting zorgen voor een periode van min of meer stabiele prijzen in dollars tot in 1984 . De olieprijs in Ecu is echter nauwelijks beneden de piek van medio 1981 gekomen en gezien de recente verdere appreciatie van de dollar is de prijs in Ecu in het derde kwartaal van 1983 waarschijnlijk weer gestegen .

Zoals uit bovenstaande tabel blijkt , liep het inflatietempo in Europa gemiddeld veel minder snel terug dan in de Verenigde Staten . Een groot deel van dit verschil kan worden verklaard door de appreciatie van de dollar met 40 % ten opzichte van de Ecu in de drie jaar van medio 1981 tot medio 1983 . Voor zover althans de meest recente stijgingen van de dollarkoers wel " wat teveel van het goede " zullen zijn , kan worden gezegd dat de mondiale inflatie tijdelijk is herverdeeld in het nadeel van Europa en andere landen met in waarde dalende valuta's . Het is moeilijk te kwantificeren in hoeverre de Europese prijzen relatief stabieler zouden zijn gebleven bij minder beweeglijke wisselkoersen . Indien echter de Ecu bij voorbeeld 15 % minder in waarde zou zijn gedaald ten opzichte van de dollar , zou volgens sommige ramingen het verschil in inflatieontwikkeling tussen de Gemeenschap en de Verenigde Staten in de periode van 1980 tot medio 1983 meer dan gehalveerd zijn . Wanneer in de toekomst de dollar/Ecu-koers zich anders ontwikkelt , zal het huidige Europese streven naar stabilisatie waarschijnlijk met meer succes worden bekroond indien vastberaden op de ingeslagen weg wordt voortgegaan .

2.4 . Snelle betalingsbalansaanpassingen in Europa , maar internationaal problemen

In de Europese Gemeenschap evolueerden de betalingsbalansen in het recente verleden onder invloed van een combinatie van verscheidene processen : de algemene aanpassing aan de tweede olieschok , in sommige gevallen de correctie van grote tekorten op zowel de begroting als de lopende rekening van de betalingsbalans ( b.v . Denemarken , Ierland en België ) , en in sommige gevallen de correctie van problemen in verband met de duidelijke desynchronisatie van de conjunctuurcyclussen ( b.v . in Frankrijk ) .

Over het geheel genomen verloopt dit ingewikkelde aanpassingsproces redelijk wel , zowel met betrekking tot de positie van de Gemeenschap in de wereld met een niet al te groot en verminderend tekort op de lopende rekening , als met betrekking tot de positie van de afzonderlijke Lid-Staten . Verscheidene EG-landen die ernstige tekorten op de lopende rekening van de betalingsbalans hadden , meldden de laatste maanden veel betere handelsresultaten . In januari van dit jaar meldden Denemarken en België voor de eerste maand sedert vele jaren een handelsbalansoverschot . Ook voor Ierland en Frankrijk worden de resultaten van de buitenlandse handel steeds beter , terwijl die voor Duitsland en het Verenigd Koninkrijk onlangs zijn achteruitgegaan . In de landen met een tekort heeft de handelsbalans snel gereageerd op corrigerende maatregelen waaronder afremming van de binnenlandse bestedingen . De zichtbare transacties leveren uiteraard slechts een onvolledig beeld op , en de stijgende schuldenlast in de deficitlanden vereist een verbetering van de handelsbalans alvorens de lopende rekening zich gunstiger gaat ontwikkelen . Ook de tekorten op de lopende rekening worden echter teruggebracht en volgens ramingen van de Commissie voor 1984 zal hun aandeel in het BBP in België , Denemarken en Frankrijk met meer dan twee derde verminderen in vergelijking met 1982 . Voor Ierland en Italië loopt het tekort nog duidelijker terug , maar voor Griekenland is nog geen verbetering in zicht .

Op mondiaal niveau zijn de saldi op de lopende rekening van de betalingsbalans aan belangrijke mutaties onderhevig :

Lopende rekening van de betalingsbalans ( 1 )

* ( in miljard US-dollar ) *

* 1980 * 1982 * 1983 *

Europese Gemeenschap * - 37 * - 14 * - 4 *

Verenigde Staten * 0 * - 11 * - 30 *

Japan * - 11 * + 7 * + 18 *

OPEC * + 111 * - 4 * - 22 *

Overige ontwikkelingslanden * - 76 * - 65 * - 47 *

( 1 ) In theorie moet de wereldbalans gelijk zijn aan nul ; de afwijking is te wijten aan statistische verschillen ( niet-registratie van sommige kredieten ) .

In vergelijking met de extreme situatie van 1980 hadden de geïndustrialiseerde en de olie-uitvoerende landen in 1982 de aanpassing aan de tweede olieprijsschok over het geheel genomen voltooid . De ontwikkelingslanden met buitenlandse schulden hadden echter hun aanpassing uitgesteld en hadden bovendien veel te lijden van de stijging van de mondiale rentetarieven . In 1982 was hun lopende rekening nog even ongunstig als in 1980 . Thans vindt een snelle aanpassing plaats ; zo heeft bij voorbeeld Mexico zijn invoer in de laatste twaalf maanden met 60 % verminderd .

Bij de industrielanden blijven de problemen in verband met het groeiende tekort op de lopende rekening van de Verenigde Staten en het overschot van Japan bestaan .

Voor de Gemeenschap is het zorgwekkend dat het gebrek aan evenwicht tussen de Verenigde Staten en Japan nog niet wordt ondervangen door koersontwikkelingen in de gewenste richting ( een zwakkere dollar en een sterkere yen ) . Dergelijke ontwikkelingen zouden het protectionisme overal in de wereld doen verminderen en de problemen in verband met het macro-economische beleid in Europa veel minder ernstig maken . Het gemiddelde indexcijfer van de concurrentiepositie van de Gemeenschap verbeterde tussen 1980 en 1982 met ongeveer 1/5e , terwijl dat van de Verenigde Staten met meer dan 1/4e achteruitging ; dat van Japan veranderde echter veel minder .

Met de handel gewogen indexcijfer van de concurrentiepositie

( gemiddelde van 1970 - 1975 = 100 )

* 1980 * 1982 * 1983 ( ramingen ) *

Europese Gemeenschap * 124 * 100 * 100 *

Verenigde Staten * 80 * 104 * 104 *

Japan * 92 * 89 * 97 *

Opgemerkt zij dat deze cijfers significant zijn wat betreft hun ontwikkeling in de tijd en niet zozeer wat betreft de relatieve niveau's van de indexcijfers in een bepaald jaar ; algemeen wordt aangenomen dat met name de yen ondergewaardeerd is .

2.5 . Onvoldoende tekenen die wijzen op een structurele verbetering

Nu de conjunctuur zich geleidelijk gunstiger ontwikkelt , blijft de belangrijke vraag of de Europese economie nu naar een meer fundamentele structurele verbetering op weg is . Het gaat hierbij met name om de problematiek rond de stimulering van de neiging om te investeren en werkgelegenheid te verschaffen op middellange termijn , alsmede om de resultaten in een aantal cruciale bedrijfstakken zoals de energiesector en de bedrijfstakken met een geavanceerde technologie alsmede de dienstensector .

Zolang zowel de werkgelegenheid als de investeringen stagneren , zoals gemiddeld in de Gemeenschap het geval is , is bij de beoordeling van de situatie de grootst mogelijke voorzichtigheid geboden . De enquêtes betreffende de investeringsplannen in het bedrijfsleven voor dit jaar bevestigen dit standpunt . Tussen 1975 en 1982 , de dieptepunten van de twee belangrijke recessies in het recente verleden , groeide de industriële produktie slechts met 1 % per jaar in de Gemeenschap als geheel . Volgens de ondernemers was de bezettingsgraad in deze beide jaren echter gelijk ( 76 % ) , hetgeen illustreert hoe weinig de bruikbare kapitaalvoorraad in de industrie netto is toegenomen en zelfs wijst op een mogelijke vermindering wanneer stijgingen van de produktiviteit van het kapitaal in aanmerking worden genomen .

Het aandeel van de totale investeringen in het BBP is blijven teruglopen tot waarschijnlijk 18,6 % in 1983 in vergelijking met 21,1 % in 1980 en eveneens in het recessiejaar 1975 . De investeringen concentreerden zich steeds meer in de tertiaire sector , doch de werkgelegenheid in deze sector nam wel toe , maar veel langzamer dan in de Verenigde Staten ( 1,5 % per jaar in de Gemeenschap tegen 3 % in de Verenigde Staten in de jaren 1973 tot 1981 ) .

In de energiesector werd aanzienlijke vooruitgang geboekt . De vraag naar energie is sterk gedaald , hetgeen wordt toegeschreven aan een sterke reactie op de prijsontwikkeling ( met een gemiddelde negatieve elasticiteit op lange termijn in de Gemeenschap van .45 ) en een lagere positieve elasticiteit ten opzichte van de produktiestijging dan voorheen werd gedacht ( .65 in plaats van rond 1 ) ( 2 ) .

Deze economische aanpassingen kunnen worden geïllustreerd door de dalingen van het finale verbruik van aardolie per eenheid BBP gedurende de periode 1973 tot 1981 :

- België/Luxemburg : - 34 %

- Denemarken : - 34 % ,

- Bondsrepubliek Duitsland : - 30 % ,

- Frankrijk : - 30 % ,

- Italië : - 24 % ,

- Nederland : - 36 % ,

- Verenigd Koninkrijk : - 26 % ,

- Europese Gemeenschap ( 10 ) : - 29 % .

Hieruit blijkt een sterke aanpassing in alle landen . De kosten van ingevoerde energie , eerst in dollars en vervolgens door de appreciatie van de dollar , bleven echter stijgen of zijn pas zeer onlangs gestabiliseerd voor de Europese landen . Dit kan men zien in de netto-invoerfactuur van de Lid-Staten voor engergieprodukten :

* ( in miljard Ecu ) * Gemeenschap ( 10 ) ( % van het BBP ) *

* België/Luxemburg * Denemarken * Duitsland * Frankrijk * Italië * Nederland * Verenigd Koninkrijk * Gemeenschap * *

1978 * 3 * 2 * 12 * 11 * 8 * 1 * 4 * 40 * 2,5 *

1980 * 5 * 3 * 25 * 22 * 16 * 2 * 1 * 76 * 3,8 *

1982 * 8 * 3 * 31 * 28 * 24 * 2 * - 7 * 91 * 3,8 *

Met betrekking tot de belangrijkste industriële technologieën blijkt nog steeds een achterstand voor Europa . Uit recente studies van de Commissie blijkt dat de traditioneel zeer sterke positie van de Gemeenschap in de kapitaalgoederensector slechter is geworden . De uitvoer/invoercoëfficiënt van de Gemeenschap in deze sector daalde van 3,4 in 1963 tot 2,5 in 1973 en tot onder 2 in 1981 . Terwijl Japan sterk vooruitging ( de coëfficiënt van dit land steeg van 2,2 in 1963 tot 9,7 in 1981 ) , lijkt de terugval van de Verenigde Staten te zijn gestopt ( de coëfficiënt van de Verenigde Staten daalde van 3,9 in 1963 tot 1,3 in 1973 , maar lag in 1981 nog altijd op dat niveau ) . Duitsland , de belangrijkste producent in de Gemeenschap , is het sterkst achteruitgegaan ( 3 ) .

Er waren een aantal voorbeelden van een opvallende stijging van de gemiddelde arbeidsproduktiviteit , met name in het Verenigd Koninkrijk , België en Denemarken . Tot dusverre weerspiegelde dit echter veeleer een vermindering van het aantal werknemers in sectoren of bedrijven die overbezet waren , dan een groei in bedrijven met een hoge produktiviteit . Elders is de produktiviteitsstijging aanmerkelijk teruggelopen :

Jaarlijkse gemiddelde groei van de produktiviteit in de industrie per werknemer

* België * Denemarken * Duitsland * Frankrijk * Italië * Nederland * Verenigd Koninkrijk * Gemeenschap *

1960 - 1980 * 5,3 * 4,5 * 4,2 * 4,7 * 4,6 * 5,3 * 2,4 * 4,0 *

1980 - 1982 * 3,8 * 4,4 * 1,0 * 1,5 * 0,6 * 2,7 * 4,7 * 2,2 *

Het aanpassingsvermogen van de reële arbeidskosten en van het aandeel van het arbeidsinkomen alsmede de stimulerende invloed daarvan op de investeringen en de werkgelegenheid in het bedrijfsleven zijn moeilijk te meten en te interpreteren . Zoals hieronder wordt uiteengezet , schijnt er echter enige relatieve verbetering in Europa te zijn geweest in de periode na de tweede olieschok in vergelijking met de eerste : de reële lonen schijnen minder star te zijn geweest en de winsten hebben zich enigszins hersteld , doch niet in alle landen en over het geheel genomen schijnt de verandering nog niet doorslaggevend te zijn in vergelijking met het meer positieve ondernemingsklimaat in de Verenigde Staten en Japan .

Samenvatfend kan worden gezegd dat de Europese economie een reeks belangrijke economische aanpassingen op gang heeft gebracht en er geleidelijk in slaagt het hoofd te bieden aan ernstige externe problemen . Zo mogen de reeds bereikte resultaten op het gebied van met name de inflatie niet worden onderschat . Deze resultaten bewijzen dat men zich collectief bewust is van de noodzakelijke veranderingen en in staat is het daartoe vereiste beleid ten uitvoer te leggen . Evenzo heeft de energiecrisis aangetoond dat de Gemeenschap zich kan aanpassen aan plotselinge ingrijpende verstoringen van de prijzen en de voorziening . Voor een terugkeer tot blijvende groei is het echter nodig dat het reeds ingezette aanpassingsproces actief wordt voortgezet . Hiervan zal het uiteindelijk afhangen of de Gemeenschap erin zal slagen een duurzame oplossing voor het werkloosheidsprobleem te vinden . De reeds bereikte resultaten en de nog te vervullen voorwaarden tonen aan dat de communautaire economie het proces van structurele aanpassing tot een goed einde moet en kan brengen en dat een geleidelijke stijging van het groeipercentage noodzakelijk en mogelijk is . Het zou in ieder geval een vergissing zijn de omvang van de taak die de Gemeenschap wacht , te onderschatten of te denken dat zij onvoldoende in staat zou zijn iets dergelijks te ondernemen en op de eruit voortvloeiende ontwikkelingen te reageren . Uit het tijdschema voor de verwezenlijking van deze taak blijkt bovendien de noodzaak en actief werkgelegenheidsbeleid te blijven voeren met het oog op de meer onmiddellijke verlichting van de werkloosheid , die op haar huidige hoge niveau belangrijke economische en budgettaire kosten alsook sociale kosten met zich meebrengt .

3 . Het beleid ter ondersteuning van het herstel : recente initiatieven en het doel van verdere maatregelen

Het in 1982/1983 in de Gemeenschap gevoerde stabilisatiebeleid levert thans , zoals hierboven uiteengezet werd , een aantal bemoedigende resultaten op : de inflatie wordt minder ; externe onevenwichtigheden worden recht getrokken ; de stabilisatie van de openbare financiën verloopt althans in verscheidende Lid-Staten gunstig . Het begin van een herstel wordt zichtbaar en in 1984 kan redelijkerwijs een versnelling van het groeitempo worden verwacht . De situatie en de vooruitzichten met betrekking tot de werkloosheid blijven echter een belangrijke bron van zorg . Bovendien zijn de positieve resultaten op het stabilisatiefront en dus ook de economische vooruitzichten voor 1984 uiterst fragiel : dit komt zowel door externe factoren als door de noodzaak om binnen de Gemeenschap de reeds bereikte resultaten te consolideren . Het tot nog toe dikwijls met veel moeilijkheden gevoerde beleid vormt een noodzakelijke voorwaarde voor een economische stabilisatie in de Gemeenschap ; het zou echter een vergissing zijn uit de tot dusverre zuiver conjuncturele opleving van de bedrijvigheid te concluderen dat de reeds genomen maatregelen alle noodzakelijke voorwaarden voor een duurzaam herstel in de Gemeenschap scheppen . De navolgende afdeling heeft juist ten doel een beeld te schetsen van de economische beleidsmaatregelen ( op macro-economisch en financieel gebied ) , de structurele maatregelen ( met name op het gebied van de werkloosheid ) en de ontwikkelingen ( met name ten aanzien van de lonen ) die vereist zijn om de voorwaarden voor een geleidelijk , doch duurzaam herstel in de Gemeenschap te scheppen . In deze analyse staan vier hoofdzaken centraal :

- sleutelproblemen van het macro-economische en financiële beleid , meer in het bijzonder met betrekking tot monetaire expansie , rentetarieven en begrotingstekorten ;

- vraagstukken in verband met de tenuitvoerlegging van een gehele reeks structurele , sectoriële of micro-economisch gerichte maatregelen die bepalend zijn voor de reële resultaten van de economieën , gezien in tegenstelling tot de prijsresultaten , en die een zeer directe invloed op de werkgelegenheid hebben ;

- rechtstreeks tegen de werkloosheid gerichte maatregelen ;

- de specifieke rol van de Europese Gemeenschap op het niveau van haar aandeel in de verantwoordelijkheid voor een belangrijk aantal onderdelen van het economisch beleid .

3.1 . Evaluatie van het macro-economische en financiële beleid

Grotere convergentie vormde het hoofdkenmerk van het macro-economische en financiële beleid in de Gemeenschap in het recente verleden . Dit komt weliswaar nog niet duidelijk genoeg tot uiting in alle belangrijke economische indicatoren - hoewel reeds aanzienlijke vooruitgang werd geboekt op het gebied van de inflatie . Afgezien van de gerealiseerde resultaten is er thans echter sprake van een in het algemeen gemeenschappelijke benadering van zowel de problemen op zeer korte termijn als de vereiste meer fundamentele aanpassingen . In dit opzicht is het veelzeggend dat momenteel een wijdverbreide overeenstemming bestaat over de belangrijkste doelstellingen op middellange termijn van het monetaire en budgettaire beleid - dat inderdaad in sterke mate wordt bepaald door het internationale monetaire klimaat . Zo streven de Lid-Staten van de Gemeenschap in het algemeen naar een heroriëntering van de economie in de richting van een sterkere groei van de particuliere sector en een meer bevredigende ontwikkeling van de investeringen alsmede een duurzame consolidatie van de vermindering van de inflatie .

In het recente verleden is het zeer moeilijk geweest monetaire ontwikkelingen op korte termijn te verenigen met het nastreven van doelstellingen op middellange termijn . De mondiale rentetarieven bleven hoog . Dit heeft het herstel van de produktieve bedrijvigheid in de Gemeenschap vertraagd - in verband waarmee alom werd getracht de begrotingstekorten te verminderen of te beperken . Dikwijls zeer uitgesproken onevenwichtigheden bij de overheidstekorten of overheidsschulden , alsmede het voornemen om geen verder uitstel te dulden bij de stabilisatie van de openbare financiën , hebben de Lid-Staten van de Gemeenschap ertoe gebracht zich in te spannen om de begrotingstekorten te beperken of te verminderen voor of ten laatste bij het begin van het herstel .

Zo werd voor de Gemeenschap als geheel het aandeel van de begrotingstekorten in het BBP ongeveer constant gehouden gedurende de langdurige recessie ( 5,2 % in 1981 en 1982 , 5,4 % in 1983 ) . Dit leidde tot restrictieve maatregelen op het gebied van overheidsuitgaven en belastingen wegens de steeds zwaarder wordende rentelast ( + 0,8 % van het BBP van 1981 tot 1983 in de Gemeenschap als geheel , en meer dan tweemaal zoveel voor België , Denemarken , Ierland en Italië ) . Bovendien veroorzaakte de recessie automatisch een stijging van bepaalde uitgaven en een daling van de belastingopbrengsten met wellicht ongeveer 1,5 % van het BBP in die twee jaar , zulks in vergelijking met wat een bescheiden groei zou hebben opgeleverd . Ook dit werd gecompenseerd door restrictieve beleidsmaatregelen . Het begrotingsbeleid getuigde derhalve over de gehele linie van soberheid . Volgens de ramingen zal het tekort van de Gemeenschap als geheel in 1984 teruglopen tot 4,7 % van het BBP .

In deze prognose komt een groeiende consensus tot uiting over de noodzaak niet langer te wachten met het corrigeren van de ontwikkeling van de begrotingstekorten . Een aanwijzing voor de omvang van de thans ondernomen begrotingsaanpassingen kan worden gevonden in de ontwikkeling van het gemiddelde begrotingstekort in de Europese Gemeenschap als aandeel van het BBP voor en na aftrek van rentebetalingen :

* 1981 * 1982 * 1983 * 1984 *

Voor aftrek van de rente * - 5,2 * - 5,2 * - 5,4 * - 4,7 *

Na aftrek van de rente * - 2,2 * - 1,9 * - 1,6 * - 0,6 *

Alleen al om de toenemende rentelast te compenseren en het totale begrotingstekort in grote lijnen stabiel te houden was het dus noodzakelijk over te gaan tot aanzienlijke belastingverhogingen of besnoeiingen op andere overheidsuitgaven .

In de Europese Gemeenschap als geheel neemt de liquiditeitenmassa thans toe in een tempo van 10 % op jaarbasis , terwijl het nominale BBP waarschijnlijk toeneemt in een tempo van 7 % . Gemiddeld verschaft het monetaire beleid aldus de ruimte voor een economische expansie , ondanks de beperkingen die voortvloeien uit het internationale renteniveau .

De nominale rentetarieven in de Europese Gemeenschap werden in verschillende gevallen aanzienlijk verlaagd .

Van begin 1982 tot september 1983 daalden de gemiddelde geldmarktrentetarieven in de Europese Gemeenschap van 14,3 % tot 10,5 % en in Duitsland van 10,3 % tot 5,9 % . Over dezelfde periode daalde de obligatierente gemiddeld in de Europese Gemeenschap met ongeveer 2,5 procentpunt en in Duitsland met 1,5 procentpunt . Belangrijke successen werden ook geboekt in enkele andere EG-landen zoals Denemarken , Ierland en België , waar een strenger begrotings - en inkomensbeleid verandering lijkt te hebben gebracht in de verwachtingen zodat grote renteverlagingen mogelijk werden . Het meest frappante voorbeeld is Denemarken waar de rente voor staatsobligaties op lange termijn tijdens de laatste twaalf maanden met 7 punten is teruggelopen .

Geldmarktrentetarieven

* België * Denemarken * Duitsland * Frankrijk * Ierland * Italië * Nederland * Verenigd Koninkrijk * Gemeenschap * Verenigde Staten *

januari 1982 * 16,0 * 15,3 * 10,3 * 15,0 * 18,5 * 20,5 * 10,2 * 14,5 * 14,3 * 13,4 *

september 1982 * 13,0 * 16,3 * 8,1 * 14,0 * 15,2 * 18,6 * 7,9 * 10,6 * 12,0 * 7,6 *

september 1983 * 9,3 * 11,9 * 5,9 * 12,6 * 12,8 * 17,5 * 6,3 * 9,8 * 10,5 * 9,1 *

In het algemeen zijn de Lid-Staten van de Europese Gemeenschap erin geslaagd een geleidelijke verlaging van de rentetarieven te bewerkstellingen , in tegenstelling tot de meer wisselvallige ontwikkelingen in de Verenigde Staten .

De reële rentevoet blijft evenwel hoog . Het reële rendement op overheidsleningen bedraagt thans 5,5 % in Duitsland en 6,5 % in het Verenigd Koninkrijk ( 4 ) . In de maanden juli en augustus , toen de rente in de Verenigde Staten weer opliep , werd in Europa bewust getracht de invloed op de Europese tarieven zo gering mogelijk te maken . Niettemin steeg het rendement op obligaties in Duitsland , dat weinig beïnvloed wordt door het gevoerde beleid op korte termijn , met een vol procentpunt ten opzichte van het laagste niveau van dit jaar .

Verschillende landen ( met name Duitsland , Frankrijk en Italië ) hebben ten behoeve van produktieve investeringen en van specifieke bedrijfstakken en regio's , selectieve rentesubsidies gehandhaafd of uitgebreid , ten dele met het doel de bescherming tegen de internationale renteontwikkelingen te vergroten .

Als gevolg van de vrij algemene Europese voorkeur voor een koers van het budgettair en monetair beleid die afwijkt van die van de Verenigde Staten volgde de wisselkoers van de Ecu ten opzichte van de dollar een dalende tendens . In het afgelopen jaar hebben de Europese monetaire autoriteiten van tijd tot tijd ingegrepen op de wisselmarkten ten einde de wisselkoersfluctuaties te matigen . In augustus 1983 vond een onderling afgestemde interventie plaats , waarbij de centrale banken van de Verenigde Staten , Japan en enkele Europese landen waren betrokken . Ofschoon de Gemeenschap de voorkeur zou hebben gegeven aan een grotere internationale convergentie van het financieel beleid heeft de depreciatie van de Ecu ten opzichte van de dollar in de huidige omstandigheden de Europese ondernemingen extra mogelijkheden geboden op de markten van de Verenigde Staten en de wereldmarkten . Zoals echter reeds werd opgemerkt wordt deze factor afgezwakt door andere , waaronder de lage wisselkoers van de yen .

Voor een zo goed mogelijke afstemming van het monetair beleid en het beleid inzake het begrotingstekort op de prioriteit die moet worden toegekend aan de consolidering van het herstel in 1984 kunnen de volgende hoofdlijnen worden aangegeven :

- Het monetair beleid blijft in zijn mogelijkheden beperkt door de internationale monetaire situatie en in vele landen ook door binnenlandse factoren . Een zekere loskoppeling van de rentetarieven in de Verenigde Staten is mogelijk , maar thans zijn daar grenzen aan gesteld . Indien wijzigingen in de marktsituatie dit mogelijk maken dient verdere voortgang te worden gemaakt met de verlaging van de Europese rentetarieven . Dit zal ten dele afhankelijk zijn van het vertrouwen dat zal worden gesteld in het binnenlandse economische beleid in Europa . Er is in de landen waar de inflatie nog niet onder controle is gebracht nauwelijks ruimte voor een snellere monetaire expansie . In landen met goede resultaten op het gebied van de prijsstabiliteit kan voor de liquiditeitenmassa een tijdelijke afwijking boven de doelzone gewettigd zijn , gezien de hoge reële rente en de lage niveaus van inflatie en bedrijvigheid . De doelstellingen voor de liquiditeitenmassa moeten tevens worden afgestemd op de eventuele onverwachte wijzigingen in de omloopsnelheid . In deze gevallen moet het echter duidelijk blijven dat de groei van de monetaire aggregaten weer zal worden bijgestuurd in de vastgestelde richting en zulks snel genoeg om te voorkomen dat zich inflatoire verwachtingen voordoen .

- De vermindering van de begrotingstekorten is in vele landen een onontbeerlijke stap op de weg naar duurzaam herstel . Verdere vooruitgang op dit gebied is nog nodig , temeer daar dit rechtstreeks zou bijdragen tot een verlaging van de rentetarieven . De tenuitvoerlegging van dit beleidspunt moet niettemin worden afgestemd op de algemene economische situatie en in het bijzonder moet rekening worden gehouden met de effecten die ervan uit zouden kunnen gaan op vraag en aanbod . Aldus dienen landen die reeds belangrijke vorderingen hebben gemaakt met hun aanpassing ( terugdringing van de inflatie , evenwicht op lopende rekening ) en die bescheiden begrotingstekorten hebben , een te overhaaste verlaging van deze tekorten te vermijden . In ieder geval zullen , ingeval de bedrijvigheid nog tekenen van zwakte vertoont , de automatische stabilisatoren moeten kunnen werken . Evenzeer als het onontbeerlijk is dat het beleid tot vermindering van de begrotingstekorten op overtuigende wijze wordt gepresenteerd moet het ook mogelijk zijn dit beleid uit te voeren zonder te star vast te houden aan de vooraf vastgestelde doelstellingen ; veeleer moet rekening worden gehouden met mogelijke destabiliserende effecten ervan op de ontwikkelingen op korte termijn . De vooruitgang die wordt gemaakt bij het verminderen van de tekorten dient in ieder geval in toenemende mate ruimte te laten voor een verlichting van de belastingdruk .

3.2 . Beleid tot versterking van het produktieve potentieel en tot verbetering van de allocatie van middelen in de overheidssector en de particuliere sector

Drie hoofdgebieden van actie zullen hier worden behandeld :

- herstructurering van de overheidsuitgaven en de belastingen , met prioriteit voor de verbetering van het produktieve potentieel ;

- rol van de sociale partners bij de verbetering van het concurrentievermogen en de stimulering van het herstelproces ;

- heronderzoek van de regelgevende functies van de overheid met het oog op de stimulering van de economie .

Herstructurering van de overheidsuitgaven en de belastingen ( 5 )

Alom worden pogingen in het werk gesteld om de totale overheidsuitgaven beter te beheersen . Gezien echter zowel de aanhoudende zwakte van de arbeidsmarkt , en derhalve de stijgende kosten van werkloosheidsuitkeringen en programma's tot creatie van arbeidsplaatsen en vermindering van het arbeidsaanbod , als de voortdurende toeneming van de nominale kosten van de schuldendienst kunnen deze pogingen nog niet beletten dat het aandeel van de totale overheidsuitgaven verder toeneemt . Dit aandeel nam voor de Europese Gemeenschap als geheel toe van 49 % in 1981 tot naar schatting 51 % in 1983 . In deze periode van twee jaar kon deze verhouding uitsluitend in Duitsland worden gestabiliseerd ; in het Verenigd Koninkrijk was de verhoging vrij gering . In de andere landen varieerden de toenemingen van 2 % tot 4,5 % van het BBP .

Over het geheel genomen is in de Europese Gemeenschap als geheel het aandeel van de overheidsconsumptie in het BBP gestabiliseerd op ongeveer 19,5 % . Veelal konden bij de inkomensoverdrachten de niveaus van uitkeringen in niet onbelangrijke mate worden teruggedrongen maar desalniettemin kon in vele landen een verdere toeneming van het aandeel van deze overdrachten in het BBP , te weten van 22,5 % van het BBP in 1981 tot 23,5 % in 1983 , niet worden voorkomen . Maatregelen tot beperking van de inkomensoverdrachten omvatten dikwijls verminderingen van bepaalde sociale uitkeringen en gezinstoelagen , een verscherping van de criteria aan de hand waarvan het recht op werkloosheidsuitkeringen wordt bepaald ( en in sommige gevallen verlaging van het niveau van deze uitkeringen ) , alsmede verschillende technieken tot verhoging van de kosten van gezondheidsdiensten voor de gebruiker zelf . De onlangs in de Lid-Staten met betrekking tot de begrotingen voor 1984 bekendgemaakte maatregelen wijzen op verdere inspanningen , dijkwijls uitzonderlijk streng , om de ontwikkeling van de overdrachtsbetalingen onder controle te brengen ( Duitsland , Italië , Frankrijk , België , Nederland en Denemarken ) .

Enkele landen , met name Frankrijk en Griekenland , hebben het niveau van de overheidsinvesteringen in absolute bedragen aanzienlijk verhoogd . Andere landen hebben een positieve discriminatie ingevoerd voor investeringsuitgaven , zodat het niveau daarvan reëel in stand wordt gehouden , naast een strenge inperking van vele programma's van lopende overheidsuitgaven ( Duitsland en Italië ) . Dit beleid volgt op een aantal jaren waarin de overheidsinvesteringen in meerdere mate afgeremd blijken te zijn geweest dan de gewone overheidsuitgaven .

Ter bevordering van de particuliere investeringen , wordt een aantal fiscale maatregelen uitgevoerd ( 6 ) . Deze categorie maatregelen krijgt waarschijnlijk zelfs een grotere prioriteit dan de overheidsinvesteringen , met name in het Verenigd Koninkrijk . In grote trekken kunnen twee categorieën maatregelen worden onderscheiden : fiscale voorzieningen ter bevordering van fysieke investeringen door ondernemingen en fiscale voorzieningen ter bevordering van de belegging van besparingen in risicodragend kapitaal .

In de eerste categorie werden in Frankrijk de afschrijvingsregelingen aanzienlijk verbeterd en dit wordt in Duitsland voor 1984 overwogen . In het Verenigd Koninkrijk werd een groot aantal fiscale maatregelen ingevoerd om de sector bedrijven te helpen ; sommige daarvan zijn gericht op bepaalde bedrijfstakken , zoals exploratie van aardolie , en op nieuwe kleine ondernemingen , terwijl andere de belastingen op ondernemingen in het algemeen verlichten . In Italië werd de BTW-behandeling van investeringen verbeterd , terwijl in Nederland de belastingdruk op ondernemingen werd verlicht .

Ter ondersteuning van de markt voor risicodragend kapitaal hebben Frankrijk en België belastingfaciliteiten voor beleggingen door natuurlijke personen in aandelen uitgebreid of ingevoerd , zoals ook het geval is in het Verenigd Koninkrijk voor investeringen in kleine ondernemingen . In Italië werd een wet aangenomen om de oprichting van beleggingsfondsen mogelijk te maken en te bevorderen . In Duitsland en het Verenigd Koninkrijk werden de fiscale regels voor werknemers die aandelen nemen in hun ondernemingen verbeterd ( 7 ) . Duitsland en andere landen onderzoeken hoe het aanbod van risicodragend kapitaal kan worden verbeterd .

Een algemene beleidsdoelstelling was de verlaging van de subsidies aan niet-economische sectoren en van de financiering van exploitatieverliezen van overheidsondernemingen . In het bijzonder werd getracht dit te koppelen aan de vermindering van overtollige capaciteit en aan herstructureringsmaatregelen in de betrokken bedrijfstakken en regio's . De resterende subsidies dienen beter te worden gecontroleerd op hun economische rechtvaardiging , in die zin dat zij moeten leiden tot een voldoende concurrentievermogen van de ontvangende onderneming en in ieder geval verenigbaar moeten zijn met de mededingingsregels van de Europese Economische Gemeenschap . Ten aanzien van de totale uitgaven zijn de statistieken weliswaar dikwijls onvolledig of moeilijk te interpreteren , maar het is duidelijk nog niet zeker dat de ontwikkeling van deze uitgaven over het geheel genomen wordt beheerst . De subsidies zijn nog steeds sterk geconcentreerd op de takken van industrie die achteruitgaan ( staal , scheepsbouw , textiel , kolen , spoorwegen ) vergeleken met de financiële inspanningen voor innovatie en moderne technologie . In het Verenigd Koninkrijk kunnen vele voorbeelden gevonden worden van verminderde subsidies of verliezen van staatsbedrijven ( automobielindustrie , spoorwegen , luchtvaart ) , in andere landen zijn deze gevallen meer incidenteel . In Italië hebben de verliezen in de sector staatsondernemingen macro-economisch nog een aanzienlijke omvang . In Duitsland werd in het recente " Subventionsbericht " nog melding gemaakt van enigszins stijgende federale subsidies ; het totaal daarvan wordt voor 1984 geraamd op 29 miljard DM . Andere landen zouden er goed aan doen eveneens systematisch informatie te publiceren over hun subsidies .

De verlaging van de belastingdruk , of althans het beëindigen van de verzwaring daarvan , wordt erkend als een belangrijk middel tot verbetering van de resultaten en de concurrentiepositie van de Europese economie . De combinatie van conjuncturele invloeden en de prioriteit die in het beleid wordt gegeven aan de beperking van de tekorten resulteert in feite in een verdere verhoging van het aandeel van de belastingen en sociale bijdragen in het BBP ( 46,6 % in 1983 , na 44,7 % in 1981 en 38 % tien jaar te voren voor de Europese Gemeenschap als geheel ) . In Duitsland bleef het totaal van 1981 tot en met 1983 ongewijzigd . In het Verenigd Koninkrijk bleef het aandeel vrijwel gelijk voor 1981/1982 en 1982/1983 , maar in alle andere landen steeg de belastingdruk , in enkele gevallen in aanzienlijke mate ( Frankrijk , Italië , Griekenland en Luxemburg ) .

In Duitsland en onlangs ook in het Verenigd Koninkrijk , werden veelomvattende wijzigingen aangebracht in de belastingstructuur met het doel de particuliere investeringen te bevorderen . In Frankrijk waren de grote wijzigingen in de belastingstructuur van 1981 en 1982 gericht op doelstellingen van fiscale billijkheid , met het gevolg dat het inkomensnivellerende effect van het belastingstelsel nader kwam tot het Europese gemiddelde .

De kosten van de sociale zekerheid zijn als element van de arbeidskosten in Europa onmiskenbaar hoog , vergeleken met andere geïndustrialiseerde landen . Alle landen hebben getracht deze kosten te beperken . Geen enkel land echter was in staat de gemiddelde percentages van de bijdragen voor de sociale zekerheid in het afgelopen jaar te verlagen , hoewel in het Verenigd Koninkrijk de bijkomende arbeidskosten in de vorm van de premiedruk op ondernemingen werden verlaagd . Verschillende landen hadden te kampen met stijgende uitgaven voor sociale zekerheid ( in het bijzonder werkloosheidsuitkeringen ) en waren genoodzaakt het totaal der bijdragen te verhogen ( Frankrijk , Luxemburg en Nederland ) . Deze maatregelen tot verlaging van de tekorten zijn nuttig met betrekking tot de rentetarieven . Met het oog op de toekomst van de bedrijvensector en de werkloosheid en ook al houdt dit probleem ten dele verband met het niveau van bedrijvigheid , zou de correctie echter minder door verhoging van de bijdragen dan door inperking van de uitgaven moeten plaatsvinden . Hogere bijdragen lijken nog steeds het meest gebruikelijke middel te vormen .

Ten aanzien van verdere maatregelen tot herstructurering van de overheidsuitgaven en de belastingen :

- terwijl de recente beleidsmaatregelen dikwijls belangrijk waren zal dit streven moeten worden voortgezet en in sommige gevallen geïntensiveerd om de structurele ontwikkeling van de overheidsuitgaven en de belastingen in het verleden op passende wijze te corrigeren ;

- in verschillende landen bestaat nog steeds de tendens de begrotingstekorten te bestrijden met een verdere verzwaring van de belastingdruk en niet door te bezuinigen op de uitgaven ; deze tendens dient te worden stopgezet of omgekeerd ;

- verbeteringen in de fiscale en financiële voorwaarden voor de ondernemingen zijn nodig om een grotere stroom van middelen naar investeringen en een groter aanbod van risicodragend kapitaal teweeg te brengen . In haar mededeling van april 1983 ( 8 ) heeft de Commissie geconcludeerd dat de belastingdruk op ondernemingen niet moest worden vernoogd en zelfs zou moeten worden verlaagd ; dat de stimulansen voor investeringen moeten worden verbeterd en aangepast ; dat het nemen van risico's moet worden aangemoedigd door aanpassing van bepaalde belastingregelingen ; en dat de besparingen , in het bijzonder de besparingen van de loon - en salaristrekkers , beter naar risicodragend kapitaal moeten worden geleid . Een aantal maatregelen van deze aard werd onlangs aangenomen of voorgesteld in de Lid-Staten . Het is van belang dat dit streven wordt voortgezet en aangepast overeenkomstig de lijnen die door de Commissie werden voorgesteld , afgestemd op de specifieke situatie in elke Lid-Staat . Op deze wijze dienen de ondernemingen in staat te worden gesteld beter te reageren op de vereisten met betrekking tot de modernisering van de produktiestructuur .

Loonontwikkeling

In vele EG-landen werden krachtige pogingen in het werk gesteld de stijging van de loonkosten te verminderen ten einde het internationale concurrentievermogen te verbeteren en de inflatie terug te dringen . De vorm van deze maatregelen varieerde sterk met de institutionele en andere aspecten van de nationale situaties . Als voorbeelden kunnen worden genoemd de maatregelen betreffende de prijscompensatie ( België , Italië , Denemarken , Nederland en Luxemburg ) , de aandacht voor de belangrijke functie die overheidscontracten vervullen ( Duitsland , Nederland en het Verenigd Koninkrijk ) en de zorg voor de algemene aspecten van het inkomensbeleid ( Frankrijk ) . In het algemeen kunnen in de EG-landen aanzienlijk strengere regelingen inzake de nominale en de reële loonkosten worden geconstateerd . Nominaal is de gemiddelde loonstijging per hoofd in de Europese Gemeenschap naar schatting gedaald tot 7,2 % in 1983 , te vergelijken met een top van 13 % in 1980 .

Een conjunctuurrecessie leidt gewoonlijk tot een daling van de arbeidsproduktiviteit , maar in dit geval heeft het streven tot verbetering van de produktiviteit de conjuncturele invloed meer dan gecompenseerd . Zo is de stijging van de arbeidskosten per eenheid in de Europese Gemeenschap gemiddeld verminderd tot naar schatting 5,5 % in 1983 , tegenover een hoogste percentage van 11,5 % in 1980 . Het EG-cijfer ligt niettemin nog boven de voor 1983 geschatte 3 % -stijging in zowel de Verenigde Staten als Japan . De reële loonkosten ( arbeidskosten per eenheid produkt , gedefleerd met de deflator van het BBP ) daalden in 1982 met ongeveer 1 % en waarschijnlijk met hetzelfde percentage in 1983 . Dit impliceert een herverdeling van het inkomen ten gunste van de bedrijfswinsten , een ontwikkeling die zich vrijwel in alle EG-landen voordoet .

In de komende periode moet op het gebied van de aanpassing van kosten en inkomensaandelen nog veel worden gedaan om een duurzaam economisch herstel mogelijk te maken :

- de ontwikkeling van het nominale loon moet , in het bijzonder in bepaalde EG-landen , blijven bijdragen tot de vertraging van de inflatie , waardoor tevens meer een ruimte ontstaat voor een reële economische groei . De mate waarin het financieel beleid , dat in nominale termen wordt geformuleerd , " reëel " restrictief is , wordt in belangrijke mate bepaald door het gedrag van de vakverenigingen en de ondernemingen ten aanzien van de lonen ;

- hoewel het moeilijk is normen voor de ontwikkeling van de reële lonen voor te schrijven voor een grote verscheidenheid van situaties per land , kan een aanvaardbaar uitgangspunt zijn dat er weinig of geen verwachting op reële loonstijgingen dient te bestaan op het niveau van de macro-economische grootheid , zulks totdat het economisch herstel voldoende ver gevorderd is in een fase van krachtige investeringen en schepping van werkgelegenheid . In sommige gevallen zijn negatieve aanpassingen van het reële loon nog noodzakelijk . De groei van het inkomen dient gedurende een periode van verschillende jaren met prioriteit te worden aangewend voor kapitaalaccumulatie en capaciteitsuitbreiding . Een fundamenteel probleem blijft de relatief geringe winstgevendheid van het Europese bedrijfsleven , die het herstelproces belemmert ;

- met betrekking tot de loononderhandelingen op ondernemingsniveau , zijn twee punten van algemene betekenis . In de eerste plaats is dikwijls een grotere flexibiliteit ten aanzien van de loonverschillen tussen bedrijfstakken vereist ten einde meer arbeidsplaatsen te kunnen scheppen en de arbeidsmarkt beter te doen functioneren , ook in landen waar de loonsom een redelijke ontwikkeling te zien heeft gegeven . In de tweede plaats moeten de loononderhandelingen veel directer worden afgestemd op de noodzaak de investeringen en de expansie van de individuele ondernemingen te ondersteunen . Europa zou er waarschijnlijk bij gebaat zijn als een groter deel van de lonen gekoppeld zou worden aan de ondernemingswinsten en -resultaten , een praktijk welke in Japan veel verder ontwikkeld is . De regelingen inzake de deelneming van werknemers in het kapitaal van de onderneming zijn nog van bescheiden betekenis . Inventieve regelingen zijn nodig om de komende jaren de lonen aan te passen aan de allereerst vereiste omvangrijke investeringen met risicodragend kapitaal . Hoewel het initiatief in de eerste plaats moet uitgaan van de sociale partners kan , zoals reeds werd aangegeven , de overheid het proces bevorderen met maatregelen op regelgevend en fiscaal gebied .

Heronderzoek van de regelgevende functies van de overheid

Steeds meer wordt ingezien dat vele regelgevende activiteiten en mechanismen niet geheel tot het beoogde doel leiden , of zulks doen tegen zeer hoge kosten - zowel administratieve kosten als belemmeringen voor innovatie en voor het bereiken van doelmatigheid van de allocatie van middelen ; aldus kunnen zij in feite een drukkende invloed hebben op de potentiële groei . Recente acties tot vermindering van de economische kosten van de ( in ruime zin gedefinieerde ) regelgeving zijn zeer uiteenlopend van aard en laten ongetwijfeld nog veel ruimte voor verdere hervormingen . Als voorbeelden kunnen worden genoemd : verruiming van de huurvoorschriften in Duitsland , van de voorwaarden voor aanwerving van arbeidskrachten in Italië en van de arbeidstijdregelingen in België ; invoering van industriezones waarvoor weinig regels gelden in België en in het Verenigd Koninkrijk ; de privatisering van bepaalde staatsondernemingen , en in Nederland een omvattend programma van acties tot het opheffen van door voorschriften veroorzaakte belemmeringen voor de economische bedrijvigheid .

Er bestaat een zeer groot aantal restrictieve regelingen voor takken van dienstverlening en vrije beroepen alsook voor de industrie en de arbeidsmarkten . Het concurrentiebeleid in traditionele zin is gewoonlijk vrij beperkt van strekking in vergelijking met wat gedaan zou moeten worden . Vele categorieën diensten , welke soms eigen regelingen kennen of plaatselijk zijn geregeld , komen bij uitstek in aanmerking voor deregulering , bij voorbeeld waar het gaat om de beperking van de openingstijden van winkels . Vele financiële diensten en vrije beroepen zijn onnodig afgescheiden en beschermd tegen concurrentie , wat hoge kosten voor de economie met zich brengt of , rechtstreeks , hogere kosten van levensonderhoud . Monopolistische regelingen in verschillende takken van industrie kunnen hun reden van bestaan hebben verloren , bij voorbeeld wegens opgetreden technologische veranderingen . Zonder af te doen aan bepaalde fundamentele normen dient van bepaalde arbeidswetten , die veelal werden ingevoerd in een periode van volledige werkgelegenheid en een veel geringere taak van de staat ten aanzien van de herverdeling van de inkomens , te worden nagegaan of zij nog beantwoorden aan de huidige economische en sociale prioriteiten .

Concluderend voor de komende periode : in de Lid-Staten dient veel te worden gedaan om onnodige starheden op de markt te verwijderen . Het doel moet zijn te komen tot een voortdurende stroom van hervormingen van bestaande voorschriften , gericht op een grotere produktiviteit en een minder inflatoire prijsstelling .

3.3 . Rechtstreekse arbeidsmarktmaatregelen ter verplichting van het werkloosheidsprobleem

Een aantal belangrijke opleidingsprogramma's werden verder ontwikkeld , bij voorbeeld in Duitsland , Frankrijk , Ierland , Nederland en het Verenigd Koninkrijk . De Raad heeft een resolutie over de beroepsopleiding aanvaard . Er bestaat een ruime consensus over het nut van zulke maatregelen . Zij vormen een middel ter bestrijding van dat deel van de werkloosheid dat structureel is . De technologische vooruitgang is zodanig dat de opleiding voortdurend dient te worden aangepast om te voorkomen dat op de arbeidsmarkt bekwaamheden en openstaande plaatsen niet op elkaar aansluiten . Voorts werden maatregelen ingevoerd of uitgebreid waarbij rechtstreekse steun wordt verleend voor de creatie van werkgelegenheid , hetzij via een vermindering van de sociale bijdragen van de werkgever , hetzij via werkgelegenheidssubsidies aan de private sector of het scheppen van arbeidsplaatsen in de openbare sector ( in het bijzonder in België , Denemarken , Duitsland , Griekenland , Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk ) . In Duitsland bij voorbeeld zijn thans 56 000 personen betrokken bij het programma van werkgelegenheidssubsidies , terwijl in het Verenigd Koninkrijk 130 000 arbeidsplaatsen voor langdurig werklozen worden geschapen . In beide gevallen zal de extra financiële last naar verwachting beperkt blijven , aangezien de voorgenomen uitgaven ten dele worden gecompenseerd door besparingen op de werkloosheidsuitkeringen .

Anderzijds vormen de regelingen inzake vervroegde uittreding ( zoals werden ingevoerd in België , Nederland en Frankrijk ) een groeiende financiële last op de begrotingen voor sociale zekerheid . Voorts bestaat twijfel aan de mate waarin deze maatregelen verder kunnen worden uitgebreid . Afhankelijk van de participatiegraad van een geleidelijke verlaging van de gemiddelde leeftijd van uittreding leiden tot een verslechtering van de verhouding tussen werkenden en gepensioneerden , in het bijzonder over enkele jaren ( 1986 ) als de demografische groei van de bevolking in de leeftijdsgroep 15 - 64 tot stilstand komt , terwijl de oudere bevolking snel toeneemt .

Programma's ter bevordering van plaatselijke initiatieven krijgen steeds meer aandacht , onder meer in Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk . Nieuwe zelfstandige werkzaamheden , zowel in de dienstensector als in de industrie , worden daarmee aangemoedigd . De benodigde ondersteuning betreft bij voorbeeld deskundige adviezen inzake organisatorische , fiscale en reglementaire aangelegenheden . Indien deze steun kan worden gegeven in het aanvangsstadium van deze initiatieven zou bovendien de groei van de zwarte economie worden afgeremd .

De Commissie bereidt over dit onderwerp een mededeling aan de Raad voor . De potentiële werkgelegenheid in de zeer kleine ondernemingen lijkt zeer aanzienlijk - afhankelijk van de verschillende wettelijke vormen : éénmansbedrijf , vennootschap onder firma , cooperatie , vereniging zonder winstoogmerk en vrijwilligersorganisatie . Bij deze initiatieven kan gebruik gemaakt worden van plaatselijke bekwaamheden op het gebied van ambacht en techniek en van plaatselijke natuurlijke hulpbronnen . Voorts kunnen zij ook het overnemen van levensvatbare delen van failliet verklaarde ondernemingen betreffen .

De verkorting en reorganisatie van de werktijd zijn belangrijke elementen in de discussie over de bestrijding van de zeer hoge mate van werkloosheid geworden . Desbetreffende maatregelen zijn reeds genomen .

In verschillende Lid-Staten zijn onderhandelingen aangevangen of afgesloten met het doel de verkorting van de werktijden te gebruiken als instrument van werkgelegenheidsbeleid . In Frankrijk is , na overheidsmaatregelen waarbij werd besloten de gemiddelde werkweek te verkorten van 40 tot 39 uur in 1981/1982 , de verkorting van de werktijd thans onderwerp van gedecentraliseerde onderhandelingen .

In België en Nederland werd in vele gevallen door middel van collectieve arbeidsovereenkomsten , zoals was voorgesteld door de regering , een verband gelegd tussen de verkorting van de jaarlijkse werktijd en de uitbreiding van de werkgelegenheid , gepaard gaande met loonbeperking . In Italië houden de nieuwe collectieve overeenkomsten specifieke verminderingen van de werktijd in . In enkele gevallen werd voor bepaalde dienstensectoren na onderhandelingen besloten tot een grotere flexibiliteit van de werktijd , te zamen met een verlenging van de openingstijden en een uitbreiding van de werkgelegenheid ( bij voorbeeld in het Belgische bankwezen ) .

Deze maatregelen kunnen slechts dan een duurzaam positief effect hebben op de totale werkgelegenheid indien strenge voorwaarden in acht worden genomen om kostenstijgingen voor de ondernemingen te voorkomen . Het blijkt namelijk dat zowel gunstige als ongunstige voorbeelden kunnen worden vermeld . Tot de positieve voorbeelden behoren een flexibelere en kortere individuele werktijd gecombineerd met langere openingstijden in de dienstensector , meer ploegenwerk in de industrie en meer deeltijdbanen . Al deze maatregelen kunnen bijdragen tot economisch herstel en vermindering van werkloosheid . Vele verder gedetailleerde en dikwijls gedecentraliseerde oplossingen komen voor , zoals de programma's tot verdeling van de beschikbare arbeid in het Verenigd Koninkrijk . In Frankrijk is het negende Plan mede gericht op de ontwikkeling van nieuwe formules voor deeltijdse arbeidsplaatsen . Zij zullen onderwerp vormen van de onderhandelingen over de verkorting van de werktijd .

Naar aanleiding van het memorandum van de Commissie van 1982 betreffende de verkorting en de reorganisatie van de werktijd heeft het Europese Parlement op 28 april 1983 een resolutie aangenomen , waarin wordt aanbevolen op korte termijn over te gaan tot een belangrijke verkorting van de werktijd , rekening houdend met nationale omstandigheden en met de voorwaarden die gelden voor afzonderlijke bedrijfstakken en ondernemingen . Deze maatregelen zouden zodanig moeten worden uitgevoerd dat kostenverhogingen worden voorkomen .

De sociale partners in het Economisch en Sociaal Comité hebben in juli 1983 een advies aangenomen waarin wordt gesteld dat de verkorting en de reorganisatie van de werktijd tot een verlichting van het werkloosheidsprobleem kunnen bijdragen mits wordt voldaan aan voorwaarden overeenkomende met die welke werden uiteengezet in het memorandum van de Commissie .

In september 1983 heeft de Commissie een aanbeveling van de Raad voorgesteld betreffende de verkorting en reorganisatie van de werktijd , welke tot doel heeft :

a ) te komen tot een verkorting van de individuele werktijd , gecombineerd met de reorganisatie daarvan , zulks in voldoende mate om tot een positieve ontwikkeling van de werkgelegenheid te leiden , mits het concurrentievermogen wordt gevrijwaard , evenals de fundamentele sociale rechten ; en

b ) systematische betaalde overuren strenger te beperken en uitbreiding te geven aan de mate waarin noodzakelijk overwerk wordt beloond met vrije tijd inplaats van met extra uitbetalingen .

Concluderend : voor de komende jaren moet een actief beleid worden gevoerd dat gericht is op terugdringing van de werkloosheid en de sociale en economische kosten daarvan . Hoewel tijd nodig is om de macro-economische verhoudingen in de gewenste richtingen te wijzigen moeten vele taken onmiddellijk krachtig ter hand worden genomen . In het bijzonder pleit de Commissie ervoor dat aan de volgende gebieden van het arbeidsmarktbeleid prioriteit wordt gegeven :

- opleidings - en omscholingsregelingen , in het bijzonder voor jongeren ( 9 ) ;

- maatregelen tot het scheppen van arbeidsplaatsen , eveneens met prioriteit voor jongeren ( 9 ) ;

- grotere nadruk op het stimuleren van plaatselijke initiatieven voor kleinschalige creatie van arbeidsplaatsen ;

- initiatieven tot vergroting van de werkgelegenheid via verkorting en reorganisatie van de werktijd , met inachtneming van de noodzaak de kosten per eenheid produkt niet te doen stijgen .

3.4 . Maatregelen van de Europese Gemeenschap ter versterking van het herstel

De eigen verantwoordelijkheden van de Europese Gemeenschap zijn aanzienlijk bij het beheer van het handelsbeleid , het beleid inzake de interne markt en het concurrentiebeleid . De Gemeenschap heeft bovendien een groeiende taak op macro-economisch gebied en ten aanzien van de vergroting van het concurrentievermogen , met name van de industrie , en meer in het algemeen ten aanzien van de versterking van de economische structuur in verband met de ontwikkeling van haar eigen financiële instrumenten . In dit verslag wordt een overzicht gegeven van recente ontwikkelingen en initiatieven , met name naar aanleiding van de conclusies van de Europese Raad in Stuttgart in juni 1983 .

Macro-economisch en monetair beleid

In de huidige economische situatie vervult het Europees Monetair Stelsel ( EMS ) verschillende functies die alle uiteindelijk strekken tot verzekering van een stabiele economische groei . Het is in de eerste plaats een instrument dat dient tot coordinatie van de wisselkoersen in het grootste deel van het Europese contingent ; het beschermt de deelnemende landen tegen de grote instabiliteit van de wisselkoersen welke in de gehele geïndustrialiseerde wereld heerst . Aldus verschaft het de economische eenheid die gevormd wordt door de Gemeenschap een zekere homogeniteit en samenhang . Het EMS draagt derhalve bij tot consolidering van de voordelen die een grote geïntegreerde markt biedt met name op industrieel gebied . Ook is het EMS een krachtig instrument tot coordinatie van het monetair beleid , terwijl het bovendien een raamwerk vormt voor de gedragsregels en ervaringen die nodig zijn voor een betere gemeenschappelijke praktijk van coordinatie van het economisch beleid . Aangezien het EMS een gemeenschappelijke evaluatie van externe monetaire beperkende factoren vereist , verschaft het de Gemeenschap tenslotte tevens een georganiseerde grondslag voor haar bijdrage tot de werkzaamheden inzake de verbetering van het internationale monetaire systeem .

In het afgelopen jaar , op 21 maart 1983 , vond een herschikking van de pariteiten in het EMS plaats . Deze koersaanpassing was om twee redenen opmerkelijk . Voor de meeste centrale koersen ging het om fijn afgestemde wijzigingen . Deze gingen gepaard met belangrijke aanpassingen van het binnenlandse beleid , in het bijzonder in Frankrijk , waardoor de toekomstige stabiliteit van het stelsel werd vergroot .

Het gebruik van de Ecu op particuliere markten nam in het afgelopen jaar eveneens aanzienlijk toe en dit zal op den duur bijdragen tot een meer evenwichtig internationaal financieel stelsel .

De wederopleving van de wereldeconomie wordt vrijwel zeker belemmerd door een langzaam toenemend protectionisme . Dit wordt thans nog aanzienlijk verergerd door de schikking van de wisselkoersen voor de US-dollar en de yen en een toenemend gebrek aan evenwicht op de lopende rekeningen van de Verenigde Staten en Japan . Meer stabiele en cooperatieve oplossingen voor deze problemen worden door de Europese Gemeenschap dringend wenselijk geacht .

Structureel en micro-economisch beleid

De interne markt van Europea biedt zeer grote , onvoldoende benutte mogelijkheden , en kan gezien haar omvang een economisch milieu vormen dat gunstig is voor groei , efficiency en een geringe inflatie ( in ruime zin benaderd ; het potentieel omvat de afschaffing van non-tarifaire belemmeringen , een actievere concurrentie en een actiever industriebeleid ) . De voltooiing van de interne markt , welke de ondernemingen toegang tot een markt van continentale omvang zou verzekeren , zou een even krachtige stuwende factor zijn als die welke gevormd werd door de voltooiing van de douane-unie door de Gemeenschap in de eerste tien jaren van haar bestaan . Thans moet de fundamentele interdependentie tussen dit geheel van micro-economische aspecten en de macro-economische vooruitzichten voor de economische wederopleving van de Europese Gemeenschap op middellange termijn worden erkend . De EG-maatregelen , of potentiële maatregelen , houden op vele punten zeer nauw verband met nationaal beleid . Deze twee - nationaal en communautair - vormen van beleid dienen elkaar krachtig te ondersteunen . Voor gehele takken en sectoren van de economie zijn de mogelijkheden voor grotere produktiviteitsstijgingen , groei en lagere kosten en prijzen thans geblokkeerd door een combinatie van nationale restricties en weerstand tegen een doeltreffend gebruik van de bevoegdheden van de Gemeenschap . Vrijwel de gehele handel in verwerkte industrieprodukten wordt ernstig belemmerd door vele non-tarifaire hindernissen , met inbegrip van het ontbreken van overeenstemming over gemeenschappelijke technische standaarden , door restrictieve aanbestedingsprocedures voor overheidsopdrachten en door vertragingen en kosten aan de grenzen . Snel groeiende , en potentieel nog sneller groeiende , takken van de dienstensector - zoals de burgerluchtvaart , het wegvervoer , de verzekeringen en de financiële diensten zijn in de gehele Europese Gemeenschap onderwerp van zeer ingrijpende beperkingen van reglementaire aard - en de onderhandelingen over de voorstellen van de Commissie op dit gebied maakten uiterst langzaam voortgang ; de conclusies van de Europese Raad van Kopenhagen zouden sneller ten uitvoer gelegd moeten worden .

De kapitaalmarkten van de Gemeenschap zijn eveneens uiterst gefragmenteerd : de Commissie heeft een nieuwe aanpak van deze problemen voorgesteld met het doel de grote Europese capaciteit voor besparingen ten goede te doen komen aan investeringen in de economie van de Gemeenschap ( 10 ) .

Met betrekking tot verschillende technologisch-geavanceerde groei-industrieën - zoals informatietechnologie , biotechnologie , lucht - en ruimtevaart , alternatieve energiebronnen - bestaan er naar de mening van de Commissie grote mogelijkheden voor een meer doeltreffende Europese samenwerking . Verschillende vormen van organisatie van een Europese benadering zijn succesvol gebleken . Een recent voorbeeld is het Esprit-programma van de Gemeenschap . Deze Europese acties moeten leiden tot een veel krachtiger strategische impuls welke een omslag kan bewerkstellingen in de industrieel-technologische tekortkomingen van Europa ( 11 ) .

Met betrekking tot de begroting van de Gemeenschap heeft de Commissie in haar jongste mededelingen aanbevolen een groter deel van de uitgaven te bestemmen voor acties tot herstel van de economie en tot verbetering van de werkgelegenheidssituatie : zij heeft voorgesteld over een periode van vijf jaar de middelen die worden bestemd voor doelstellingen van industriebeleid , regionaal beleid en energiebeleid en voor onderzoek en ontwikkeling reëel te verdubbelen .

De leningsactiviteiten van de Gemeenschap werden eveneens uitgebreid en aangepast aan de noodzaak verbetering te brengen in de ontwikkeling van de investeringen . In 1982 werd een bedrag van 5,3 miljard Ecu aan leningen verstrekt . Dit bedrag zal voor 1983 waarschijnlijk aanzienlijk hoger zijn , ook indien de betalingsbalanslening van 4 miljard Ecu aan Frankrijk buiten beschouwing wordt gelaten . De hoge prioriteit die wordt gegeven aan de financiering van investeringen in de produktieve sector blijkt uit het feit dat de desbetreffende leningen van 1981 op 1982 meer dan verdubbeld zijn ; bijzondere aandacht werd daarbij gegeven aan het midden - en kleinbedrijf .

De voortdurende groei van deze activiteiten in 1983 was mogelijk door de uitbreiding en verlenging van het Nieuw Communautair Instrument ( NCI ) . In dit verband werd de Commissie de bevoegdheid gegeven opnieuw 3 miljard Ecu aan leningen op te nemen ; vervolgens werd een eerste tranche van 1,5 miljard Ecu toegestaan . Daarnaast heeft de Commissie in juni 1983 financiering door de Gemeenschap van innovatie in kleine en middelgrote ondernemingen voorgesteld . Naar het oordeel van de Commissie zal het beschikbaar stellen van kredieten van de Gemeenschap , met het doel de particuliere financiële sector in de Lid-Staten aan te sporen actiever te worden ten gunste van innoverende investeringen in kleine en middelgrote ondernemingen , een aanzienlijk groeipotentieel tot ontwikkeling brengen en leiden tot de schepping van nieuwe , op de toekomst gerichte , arbeidsplaatsen .

Concluderend : voor de komende periode zijn de volgende maatregelen van de Gemeenschap nodig :

- De versterking van het Europees Monetair Stelsel kan dienen tot ondersteuning van de economische wederopleving . Een zeer belangrijke volgende stap zou kunnen zijn de uitbreiding van het lidmaatschap tot alle landen van de Gemeenschap . De versterking van de Europese monetaire mechanismen kan het economisch beleid in Europa een grotere bewegingsvrijheid ten opzichte van de internationale monetaire situatie geven . Uitbreiding van het particuliere en officiële gebruik van de Ecu en herziening van de capaciteit van zijn leningmechanismen behoren tot de mogelijke maatregelen .

- Een betere internationale samenwerking zou ongetwijfeld bijdragen tot versterking van het herstel . De Gemeenschap moet in meerdere gevallen een gezamenlijk standpunt innemen ten einde de gebeurtenissen zo doeltreffend mogelijk te kunnen beïnvloeden . In concreto is het in het belang van de Gemeenschap dat de grote industrielanden ernstige distorsies en externe schokimpulsen in hun financieel beleid corrigeren of het ontstaan daarvan voorkomen . In de huidige situatie is het voor het op ondersteuning van het herstel gerichte Europees beleid van belang dat de Verenigde Staten hun toekomstige begrotingstekorten verminderen . De Gemeenschap dient tevens werkzaamheden te stimuleren die gericht zijn op een door minder instabiele wisselkoersverhoudingen gekenmerkt internationaal monetair stelsel dat kan voorzien in de behoeften aan reservemiddelen . De Gemeenschap dringt aan op spoedige ratificatie door de Verenigde Staten van de uitbreiding van de financiële middelen van het IMF . De geïndustrialiseerde wereld moet pogingen in de ontwikkelingslanden met een zware schuldenlast om te komen tot juist evenwicht tussen aanpassing en financiering krachtig steunen .

- Een kwantitatieve stap vooruit bij de voltooiing van de interne markt van de Gemeenschap en de stimulering van haar capaciteit op het gebied van de industrie met moderne technologie is nu nodig als bijdrage tot het economische herstel op middellange termijn . Indien deze vooruitgang wordt gemaakt zal de produktieve sector nieuwe mogelijkheden krijgen voor de ontwikkeling van de handel en van de industriële produktie .

- De begroting van de Gemeenschap dient geleidelijk te worden afgestemd op een meer actieve ondersteuning van de verwezenlijking van doelstellingen op het gebied van het industriebeleid , het regionaal beleid en het energiebeleid en van doelstellingen op het gebied van onderzoek en ontwikkeling . Ten slotte dient de benutting van de kredietwaardigheid van de Gemeenschap via de ontwikkeling van haar leningsactiviteiten rechtstreeks bij te dragen tot een krachtigere ontwikkeling van de investeringen in de Gemeenschap , een doelstelling welke voor de Gemeenschap prioriteit heeft .

4 . Samenvatting en conclusies : consolidering van een Europese wederopleving

1 . De Europese Raad heeft de Commissie verzocht de omvang van het economisch herstel te analyseren en na te gaan welke maatregelen kunnen worden genomen om dit herstel te bevorderen .

2 . Een zeker conjunctuurherstel in Europa tekent zich af . Het is echter niet algemeen en veeleer zwak en potentieel kwetsbaar voor nieuwe ongunstige ontwikkelingen in de internationale economie . De werkloosheid neemt weliswaar minder snel toe , maar het niveau ervan blijft zeer hoog , ook al zou het niet verder oplopen . Aan enkele van de belangrijkste voorwaarden voor een krachtiger herstel - monetaire en financiële stabilisatie - is in verschillende landen grotendeels voldaan en elders wordt in deze zin vooruitgang geboekt . Er zijn steeds meer tekenen die erop wijzen dat thans in de gehele Gemeenschap gestreefd wordt naar het onder controle brengen van de openbare financiën en de arbeidskosten .

3 . De overgang van het aanpassingsproces in een volgende dynamische fase van wederopleving op grote en algemene schaal is nog niet duidelijk . In zekere zin kan deze overgang zich automatisch voordoen . Naar het oordeel van de Commissie is evenwel het gevaar van een terugval in een voortgezette quasi-stagnatie te groot om het beleid ongewijzigd te laten .

In verband met de voornamelijk externe gevaren die het herstel nog bedreigen dient de Gemeenschap naast de in dit verslag beschreven nationale en daarop aansluitende interne communautaire acties , de hoogste prioriteit te geven aan haar deelneming aan alle mogelijke acties tot stabilisering van de internationale verhoudingen , waarbij het zowel om een duurzame en evenwichtige oplossing van het schuldenprobleem als om de verbetering van het internationaal monetair stelsel gaat .

Intern zijn , zoals hierna wordt aangegeven , nieuwe stimulansen nodig om de Europese economie weer op het gewenste pad te brengen - het pad van significante groei , hoge niveaus van werkgelegenheid en concurrentievermogen en lage of dalende inflatiepercentage .

4 . De Commissie is van mening dat de verdere ontwikkeling van het beleid tot vergroting van de mogelijkheden voor een grondig en duurzaam Europees economisch herstel de volgende vormen moet aannemen :

( i ) aanwending van de aanwezige ruimte voor een verdere verlaging van de rentetarieven voor zover en in geval de internationale en binnenlandse omstandigheden dit mogelijk maken ;

( ii ) vermindering van de structurele begrotingstekorten en vervolgens stabilisatie daarvan op een laag niveau ten einde een nieuwe groei van particuliere investeringen te vergemakkelijken , zonder echter een beroep op de automatisch stabiliserende effecten van de begroting uit te sluiten ;

( iii ) herstructurering van de overheidsuitgaven en de belastingen , met name om

- prioriteit te geven aan de uitgaven , in het bijzonder de infrastructuuruitgaven , welke bijdragen tot vergroting van het produktieve potentieel ,

- de groei van de belastingdruk te beëindigen en zelfs in een tegengestelde ontwikkeling te doen verkeren ,

- het fiscaal milieu voor de sector bedrijven verder te verbeteren ;

( iv ) herziening van de regelgevende activiteiten van de overheid ten einde ondoelmatigheden en starheden welke het produktieve potentieel beperken weg te nemen ;

( v ) een aanhoudend streven tot vermindering van de werkloosheid door middel van directe maatregelen zoals :

- opleidings - en omscholingsregelingen , in het bijzonder voor jongeren ,

- maatregelen tot schepping van arbeidsplaatsen , in het bijzonder door stimulering van plaatselijke en kleinschalige werkgelegenheid ,

- verkorting en reorganisatie van de werktijd , met inachtneming van de noodzaak kostenverhogingen te voorkomen ;

( vi ) een inkomensontwikkeling die beantwoordt aan voorwaarden voor economisch herstel , in het bijzonder :

- in vele landen een verdere nominale vermindering van de loonstijging , waardoor de inflatie zal dalen en het financieel beleid een meer expansief reëel effect kan hebben ,

- een zodanige ontwikkeling van de reële lonen dat de winstgevendheid van bedrijven aanmerkelijk wordt verbeterd , waardoor een opleving van de investeringen evenals een toeneming van de werkgelegenheid mogelijk wordt ,

- een grotere flexibiliteit in de loonstructuur , via collectieve onderhandelingen , waardoor de arbeidsmarkt beter wordt ontlast , en een uitbreiding van de systemen waarbij het loon wordt gekoppeld aan de resultaten van de onderneming en de deelneming van werknemers in de financiering van investeringen wordt bevorderd ;

( vii ) krachtige steun op het niveau van de Europese Gemeenschap voor deze gelijkgerichte nationale beleidsmaatregelen , met name door actie onder drie rubrieken :

- versterking van de monetaire mechanismen van de Gemeenschap en een vastberaden en doelgericht optreden van de Gemeenschap tot verbetering van het internationale monetaire stelsel en de wereldhandelsverhoudingen ,

- opbouw van het Europese potentieel in de nieuwe groeisectoren van geavanceerde technologie , zoals informatietechnologie , telecommunicatie en biotechnologie , zulks via elkaar aanvullende nationale en communautaire acties ,

- belangrijke vorderingen bij de voltooiing van de interne markt van de Gemeenschap , waarin de nog talrijke beperkingen de weg versperren voor een nieuwe groeibevorderende stuwkracht .

5 . Indien de Europese landen niet georganiseerd optreden bestaat er weinig hoop dat hetgeen werd bereikt uit een oogpunt van stabilisatie zal overgaan in een dynamisch herstelproces . Uitsluitend door het onderling afgestemde nationaal en communautair optreden een kwantitatieve stap vooruit te brengen , hetgeen tevens aanzienlijk zou kunnen worden bevorderd door een betere en ruimere internationale samenwerking , kan een krachtig herstel worden bereikt .

6 . Nu dat een aantal interne en externe factoren duidelijk een economisch herstel teweeg kunnen brengen is een snelle mobilisatie van alle actiemiddelen die hierboven werden genoemd nodig om deze ontwikkeling te bevestigen .

7 . Indien in de landen en in de Europese Gemeenschap als geheel een voldoende kritische hoeveelheid samenhangende beleidsinitiatieven tot stand wordt gebracht zou het fundamentele klimaat van de economische verwachtingen in Europa gewijzigd kunnen worden ten gunste van de groei van de investeringen en de werkgelegenheid en van een verbetering van het concurrentievermogen van het Europese bedrijfsleven .

8 . Het doel moet zijn 1984 te maken tot het jaar waarin deze fundamentele wijziging van de ontwikkeling van de Europese economie wordt bevestigd . Een strovuurtje van niet-duurzame groei kan geen doelstelling zijn . Wat nodig is een maximale positieve groei die verenigbaar is met een vermindering van de fundamentele structurele problemen die in het laatste decennium , zo niet in de laatste twee decennia , zijn geaccumuleerd .

( 1 ) Het " Economisch Jaarverslag " wordt door de Commissie aan de Gemeenschapsinstellingen voorgesteld ingevolge artikel 4 van Beschikking 74/120/EEG van de Raad van 18 februari 1974 betreffende de verwezenlijking van een hoge mate van convergentie van de economische politiek van de Lid-Staten der Europese Economische Gemeenschap ( PB nr . L 63 van 5 . 3 . 1974 , blz . 16 ) , zoals gewijzigd bij Beschikking 75/787/EEG ( PB nr . L 330 van 24 . 12 . 1975 , blz . 52 ) . De Raad is volgens de genoemde beschikking gehouden in het vierde kwartaal van elk jaar - op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Parlement en het Economisch en Sociaal Comité - een jaarverslag inzake de economische situatie van de Gemeenschap , alsmede door elke Lid-Staat te volgen richtsnoeren voor het economisch beleid , vast te stellen .

Evenals in voorgaande jaren stelt de Commissie tevens , als achtergrond voor het Economisch Jaarverslag , een afzonderlijk Economisch Jaaroverzicht op dat een verder gedetailleerde feitelijke analyse bevat van de recente economische ontwikkeling en de vooruitzichten voor het komende jaar . Dit tweede stuk wordt ter informatie aan de Raad , het Parlement en het Economisch en Sociaal Comité voorgelegd .

( 2 ) Zie voor een gedetailleerde analyse " Energie en economie : studie over de belangrijkste relaties in de landen van de Europese Gemeenschap " , Europese Economie nr . 16 , juli 1983 .

( 3 ) Zie voor een gedetailleerde analyse " De buitenlandse handel van de Gemeenschap : de kapitaalgoederenindustrie in gevaar " , Europese Economie nr . 16 , juli 1983 .

( 4 ) De gebruikte deflator is de stijging van het indexcijfer van de consumptieprijzen in de afgelopen twaalf maanden .

( 5 ) Zie ook de mededeling van de Commissie aan de Raad van 1 juli 1983 over " Begrotingsbeleid in de Lid-Staten in 1984 " en het daarmee verband houdende verslag van 6 juli 1983 over " Begrotingsdiscipline en economische convergentie " en " Herstructurering van de overheidsuitgaven ten behoeve van het produktieve potentieel " .

( 6 ) " Investeringen van de ondernemingen en fiscaal en financieel klimaat " , Europese Economie nr . 16 , juli 1983 , alsmede de mededeling van de Commissie aan de Raad betreffende de fiscale en financiële maatregelen ten gunste van de investeringen van 18 april 1983 ( eveneens in Europese Economie nr . 16 ) .

( 7 ) Door middel van een verhoging van de bedragen der deelnemingen in het aandelenkapitaal waarvoor belastingfaciliteiten gelden en , in het geval van Duitsland , waarvoor subsidies worden verstrekt .

( 8 ) " Financierings - en fiscale maatregelen ter bevordering van de investeringen " van 28 april 1983 ( COM(83 ) 218 def ) .

( 9 ) In april 1983 heeft de Commissie aan de Raad een " Resolutie inzake de bevordering van de werkgelegenheid voor jongeren " voorgesteld ; dit voorstel is thans in behandeling .

( 10 ) Zie mededeling van de Commissie aan de Raad " Financiële integratie " van 20 april 1983 .

( 11 ) Voor nadere bijzonderheden zie de mededeling van de Commissie over " De verbetering van het internationale concurrentievermogen van de Europese ondernemingen " , en vele denkbeelden die in dezelfde richting gaan en werden ontwikkeld in memoranda van de Franse Regering " Une nouvelle étape pour l'Europe : un espace commun de l'industrie et de la recherche " , van de Regering van het Verenigd Koninkrijk " The development of the Community : other policies " en van de Duitse Regering " Reconsideration of policies and the development of new actions ( excluding agriculture ) " , alle daterend uit september 1983 .

BIJLAGE

WERKGELEGENHEIDSMAATREGELEN IN 1982/1983 ( 1 )

België

Vervroegd pensioen voor werknemers bij bewijs van aanwerving ter vervanging ; tijdelijke verlaging van de sociale premies bij de aanwerving van de eerste werknemer ; financiële steun aan kleine en middelgrote ondernemingen die geregistreerde werklozen aanwerven ; verlenging van de schoolplicht ; mogelijkheid tot werktijdverkorting bij de aanwerving van extra personeel .

Denemarken

Overheidssteun aan ondernemingen en lagere overheden die jongere werklozen aanwerven .

Bondsrepubliek Duitsland

Tijdelijke steun aan ondernemingen die werklozen aanwerven ; scholings - en herscholingsprogramma's voor jongere en volwassen werklozen .

Griekenland

Financiële steun voor nieuwe arbeidsplaatsen voor jongeren ; reorganisatie van het leerlingstelsel ; verlaging van de werktijd tot 40 uur per week .

Frankrijk

Vakopleidingscontracten ( financiële steun aan werkgevers die een opleiding en een zekere tewerkstellingsduur garanderen ) ; plan voor het invoegen van jongeren in het beroepsleven ; steun voor vermindering van de arbeidstijd als dit geschiedt zonder produktieverlies en met behoud of uitbreiding van het personeelsbestand .

Ierland

Opleidingsprogramma's voor jongeren ; oprichting van een investeringsinstelling voor rechtstreekse werkgelegenheidsschepping .

Italië

Oprichting van een investeringsfonds voor de werkgelegenheid ; overeenkomst tussen de sociale partners en de regering over , onder meer , de glijdende loonschaal en de vermindering van het aantal arbeidsuren met 40 uur per jaar tegen het midden van 1985 .

Luxemburg

Steun voor de aanwerving van langdurig werklozen ; verbod van overwerk .

Nederland

Perioden van vakopleiding voor jongere werklozen ; subsidies aan werkgevers die leerovereenkomsten aanbieden ; overeenkomst tussen de sociale partners over de mogelijkheid tot verkorting van de arbeidsduur .

Verenigd Koninkrijk

Vakopleidingsprogramma met twaalf maanden opleiding voor 16-jarige schoolverlaters ; programma deeltijdbanen in de sector maatschappelijke dienstverlening ; baandelingsprogramma om deeltijdarbeid te bevorderen .

( 1 ) Deze lijst is niet exhaustief .

TABEL 1

Gemeenschap : voornaamste economische grootheden , 1961 - 1984

* BBP nominaal * BBP reëel * Prijsindexcijfer BBP * Prijsindexcijfer gezinsconsumptie * Loonsom per werknemer * Lopende tekening van de betalingsbalans * Financieringssaldo van de overheid * Groei van de geldhoeveelheid * Werkloosheid *

* % ( 4 ) * % ( 4 ) * % ( 4 ) * % ( 4 ) * % ( 4 ) * % van het BBP * % van het BBP * % ( 4 ) ( 5 ) * % *

1961 - 1970 * 9,1 * 4,7 * 4,3 * 3,8 * 8,9 * 0,4 * - 0,4 * 10,4 * 2,1 *

1971 - 1980 * 13,0 * 2,9 * 9,8 * 9,7 * 13,3 * - 0,1 * - 2,8 * 13,8 * 4,2 *

1981 * 8,7 * - 0,4 * 9,1 * 10,1 * 12,1 * - 0,6 * - 5,2 * 10,8 * 7,8 *

1982 * 9,5 * 0,4 * 9,1 * 8,7 * 9,6 * - 0,6 * - 5,2 * 10,7 * 9,5 *

1983 ( laatste verslag ) ( 1 ) * ( 7,5 ) * 1,1 * ( 7,0 ) * ( 6,6 ) * ( 7,4 ) * - 0,4 * - 4,9 * 10,0 * 10,3 *

1983 ( dit verslag ) ( 2 ) * 6,9 * 0,5 * 6,3 * 6,3 * 7,2 * - 0,2 * - 5,4 * 10,1 * 10,4 *

1984 ( 3 ) * 6,6 * 1,5 * 4,9 * 5,6 * 6,0 * 0,0 * - 4,7 * 7,8 * 10,9 *

( 1 ) Oktober 1982 . De cijfers tussen haakjes ui het laatste jaarverslag zijn herzien wegens de verandering in de statistische wegingsmethode .

( 2 ) Raming van de diensten van de Commissie , oktober 1983 .

( 3 ) Raming van de diensten van de Commissie , oktober 1983 , op grond van het huidige of het verwachte beleid .

( 4 ) Gemiddelde voor de Gemeenschap , berekend met de huidige BBP-gewichten tegen koopkrachtpariteit .

( 5 ) Ultimo ( jaarlijkse groei ) .

TABEL 2

Groei van het bruto binnenlands produkt in 1983 en 1984

* ( Procentuele verandering ) *

Lid-Staat * 1983 * 1984 *

* Nominaal BBP ( laatste verslag ) * Nominaal BBP * Reëel BBP * Prijsindexcijfer BBP * Nominaal BBP * Reëel BBP * Prijsindexcijfer BBP *

België * 7,9 * 6,2 * - 0,9 * 7,1 * 7,0 * 0,6 * 6,3 *

Denemarken * 8,6 * 9,8 * 2,2 * 7,4 * 6,5 * 1,2 * 5,2 *

Duitsland * 4,7 * 3,8 * 0,7 * 3,1 * 5,1 * 2,1 * 3,0 *

Griekenland * 23,0 * 19,5 * - 0,2 * 19,7 * 19,7 * 1,5 * 17,9 *

Frankrijk * 10,8 9,5 * - 0,3 * 9,8 * 7,7 * 0,4 * 7,3 *

Ierland * 15,5 * 11,2 * 0,5 * 10,6 * 10,1 * 1,8 * 8,2 *

Italië * 16,9 * 14,1 * - 0,8 * 15,1 * 12,0 * 1,5 * 10,4 *

Luxemburg * 8,8 * 5,6 * - 2,4 * 8,2 * 6,3 * - 1,0 * 7,4 *

Nederland * 3,3 * 1,9 * 0,3 * 1,6 * 2,4 * 0,0 * 2,4 *

Verenigd Koninkrijk * 8,2 * 7,9 * 2,8 * 4,9 * 7,2 * 2,2 * 4,8 *

Europese Gemeenschap * ( 7,5 ) * 6,9 * 0,5 * 6,3 * 6,6 * 1,5 * 5,1 *

Bron : diensten van de Commissie .

TABEL 3

Indicatoren van de macro-economische onevenwichtigheden en beperkende voorwaarden in 1983

Lid-Staat * Werkloosheidspercentage * Prijsindexcijfer van de gezinsconsumptie ( procentuele verandering ) * Lopende rekening van de betalingsbalans ( in % van het BBP ) * Reële rente op lange termijn ( 1 ) * Overheidsfinanciën * Overheidsschuld ( in % van het BBP ) ( 1982 ) ( 2 ) *

* * * * * Begrotingssaldo ( in % van het BBP ) * Begrotingssaldo minus rentebetalingen * *

België * 14,4 * 7,8 * - 2,4 * 3,6 * - 12,2 * - 2,9 * ( 97,8 )

Denemarken * 10,7 * 6,6 * - 2,2 * 7,8 * - 8,8 * - 3,9 * 25,8 *

Duitsland * 8,6 * 3,0 * 0,9 * 5,5 * - 3,3 * - 0,7 * 38,3 *

Griekenland * 7,8 * 20,5 * - 5,0 * - 0,6 * - 6,3 * : * : *

Frankrijk * 8,9 * 9,0 * - 1,8 * 4,1 * - 3,1 * - 1,4 * ( 16,8 ) *

Ierland * 14,6 * 11,0 * - 2,6 * 3,5 * - 13,4 * - 3,3 * 102,5 *

Italië * 9,0 * 15,0 * - 0,4 * 2,3 * - 11,9 * - 3,5 * 70,3 *

Luxemburg * 1,8 * 8,4 * : * : * - 2,9 * - 4,8 * : *

Nederland * 15,6 * 2,8 * 3,3 * 6,5 * - 6,7 * - 3,4 * ( 54,0 ) *

Verenigd Koninkrijk * 11,7 * 5,7 * 0,2 * 6,7 * - 2,2 * + 0,9 * 54,7 *

Europese Gemeenschap * 10,4 * 6,3 * - 0,2 * 3,6 * - 5,4 * - 1,6 * ( 43,4 ) *

( 1 ) Rendement van overheidspapier in juli 1983 , gecorrigeerd voor de inflatie in de voorafgaande twaalf maanden .

( 2 ) Schuld van de centrale overheid voor Denemarken , Griekenland , Frankrijk , Ierland , Luxemburg en Nederland ; schuld van de overheidssector voor de Bondsrepubliek Duitsland , van de " settore statale " voor Italië , de openbare sector voor België en het Verenigd Koninkrijk .

GRAFIEKEN 1 TOT EN MET 8

Vergelijking tussen de Gemeenschap , de Verenigde Staten en Japan , 1979-1983 : zie P.b .

GRAFIEK 9

Bruto binnenlands produkt van de Gemeenschap , nominaal , prijsindexcijfer en reëel ( procentuele groei ) : zie P.b .

GRAFIEK 10

Indicatoren van de produktie en het economisch klimaat in de Gemeenschap : zie P.b .

GRAFIEK 11

Grondstoffenprijzen : zie P.b .

DEEL II

DE ECONOMIEEN VAN DE LID-STATEN

In België werd dank zij de verbetering van de concurrentiepositie opnieuw vooruitgang geboekt op de weg naar herstel van het externe evenwicht . Voor het derde opeenvolgende jaar lag de economische activiteit echter op een laag peil hetgeen leidde tot een verdere toeneming van de werkloosheid . Het bruto binnenlands produkt voor 1983 daalde reëel met bijna 1 % .

Verwacht wordt dat in 1984 een geringe groei zal worden bereikt , hoofdzakelijk als gevolg van een snellere expansie van de uitvoer ; de binnenlandse vraag zal zich per saldo waarschijnlijk op hetzelfde niveau handhaven . Het particuliere verbruik zal ten gevolge van de druk op het beschikbare inkomen des gezinshuishoudingen vermoedelijk enigszins afnemen terwijl de bedrijfsinvesteringen waarschijnlijk geleidelijk aan kracht zullen winnen . De lopende rekening van de betalingsbalans zal een kleiner tekort opleveren dan in 1983 ; dit tekort , dat overeenkomt met 1,5 % van het BBP , is vooral toe te schrijven aan overdrachten van de overheid aan het buitenland en aan de interestbetalingen over de in buitenlandse valuta luidende overheidsschuld ; op de handelsbalans mag voor het eerst sinds 1975 een klein overschot worden verwacht . De werkloosheid zal in 1984 waarschijnlijk verder toenemen en gemiddeld 15,3 % van de burgerlijke beroepsbevolking belopen . De sinds eind 1982 , sectorieel of per onderneming , gesloten overeenkomsten , die loonmatiging , kortere werktijden en extra aanwerving voorzien zouden ertoe kunnen bijdragen de verdere groei van de werkloosheid af te remmen .

Na de valutaherschikking van maart 1983 heeft de Nationale Bank haar reserves aan buitenlandse betalingsmiddelen weer kunnen aanvullen en haar debiteurpositie in het Europees Monetair Stelsel kunnen vereffenen terwijl het wisseldisconto van 14 % tot 9 % werd verlaagd . Een monetair beleid dat gericht is op een voortgaande verlaging van de rentetarieven zou een krachtige bijdrage betekenen tot het herstel van de investeringen ; gegeven echter de vooruitgang die nog moet worden gemaakt bij het herstel van het externe evenwicht alsmede het aanzienlijke financieringstekort van de overheid , lijkt de verwezenlijking van een dergelijk beleid verre van gemakkelijk te zijn .

De inkomensmatiging moet gehandhaafd blijven ten einde de concurrentiekracht van de economie en de ontwikkeling van de produktieve investeringen in 1984 te waarborgen maar de vermindering van het begrotingstekort vormt thans de essentiële voorwaarde voor een economisch herstel en bepaalt in aanzienlijke mate de mogelijkheden van een duurzame heropleving van de economie . Gezien de zwakke groei , en de daarvan uitgaande ongunstige effecten op de belastingontvangsten , zal de vermindering van het financieringstekort van de centrale overheid tot 7 % van het bruto binnenlands produkt - het streefcijfer , dat volgens het regeringsakkoord van 1982 in 1985 moet worden bereikt - zeker niet gemakkelijk te realiseren zijn , zulks in weerwil van de krachtige uitgavenbeperkingen van de laatste twee jaren . Zelfs de geringe daling van het financieringstekort ten opzichte van 1983 , zoals voorzien in de ontwerp-begroting van 1984 , die in feite een zekere vertraging bij de verwezenlijking van de doelstelling voor 1985 impliceert , zal gezien de zwakke economische activiteit in 1984 moeilijk te effectueren zijn . De lasten van de overheidsschuld en de belastingdruk hebben echter een dusdanig niveau bereikt , dat een verdere verscherping van het reeds stringente uitgavenbeleid volstrekt noodzakelijk is . De limiet die is gesteld aan het tekort van de centrale overheid ( 11,3 % van het BBP in 1984 , vergeleken met 12,7 % in 1983 ) mag dan ook onder geen voorwaarde worden overschreden zoals in de voorgaande jaren het geval is geweest . Zo nodig zullen aanvullende maatregelen moeten worden genomen om het tekort gedurende het begrotingsjaar binnen deze grens te houden .

De sanering van de openbare financiën in de vorm van een verlaging van het structurele tekort is een essentiële voorwaarde voor een meer bevredigende ontwikkeling van de economische bedrijvigheid en de werkgelegenheid . Op middellange termijn zal deze echter vooral afhangen van een fundamentele wijziging van de economische structuur welke op zijn beurt weer afhangt van een aanmerkelijke stijging van de produktieve investeringen . De in 1982 genomen belastingmaatregelen zullen stellig hun bijdrage hiertoe leveren maar een beleid van matiging zowel van de directe als de indirecte loonkosten is ten minste van even groot belang . De tot dusverre verkregen resultaten bevestigen , behoudens de in het voorgaande gemaakte opmerkingen , dat het gevoerde beleid resultaten oplevert en dat in de komende jaren een terugkeer naar een duurzame groei van produktie en werkgelegenheid kan worden verwacht .

TABEL 4

België : belangrijkste economische grootheden , 1961 - 1984

* Groeivoet BBP in waarde * Groeivoet BBP in volume * Prijsindexcijfer van het BBP * Stijging van de consumptieprijzen * Loonsom per werknemer * Lopende rekening van de betalingsbalans * Saldo van de gehele overheid * Groei van de liquiditeitenmassa M2 ( 3 ) * Werkloosheid in % van de beroepsbevolking *

* % * % * % * % ( 2 ) * % ( 2 ) * % BBP * % BBP * % * % *

1961 - 1970 * 8,5 * 4,8 * 3,5 * 3,2 * 7,8 * 0,2 * - 1,3 * 8,6 * 2,2 *

1971 - 1980 * 10,4 * 3,2 * 7,0 * 7,0 * 11,9 * 0,4 * - 4,6 * 10,3 * 5,8 *

1981 * 4,0 * - 1,1 * 5,2 * 8,8 * 7,4 * - 4,2 * - 12,6 * 6,6 * 10,7 *

1982 * 8,1 * 1,0 * 7,0 * 7,4 * 8,0 * - 3,6 * - 11,9 * 5,7 * 12,6 *

1983 ( 1 ) * 6,2 * - 0,9 * 7,1 * 7,8 * 6,0 * - 2,4 * - 12,2 * 5,0 * 14,4 *

1984 ( 1 ) * 7,0 * 0,6 * 6,3 * 6,5 * 7,7 * - 1,5 * - 11,1 * 6,7 * 15,3 *

( 1 ) Voorlopige ramingen van de diensten van de Commissie op basis van huidig of te verwachten beleid .

( 2 ) Procentuele verandering ten opzichte van de voorafgaande periode op jaarbasis .

( 3 ) Eind van het jaar .

In Denemarken liep , met name als gevolg van de restrictieve koers van het budgettaire en het inkomensbeleid sinds het eind van 1982 , de economische groei van 3,4 % in 1982 tot ongeveer 2,2 % in 1983 terug terwijl de inflatie daalde van 9,8 % tot 6,6 % . Na de duidelijke verslechtering in 1982 vertoonde het tekort op de lopende rekening van de betalingsbalans een aanzienlijke verbetering als gevolg van het gevoerde beleid en een gunstigere ontwikkeling van de ruilvoet . Ofschoon de situatie van de overheidsfinanciën zich in 1983 , vergeleken met 1982 , verder verslechterde , deed zich in de loop van 1983 een zekere verbetering voor aangezien de sociale overdrachtsuitgaven en de salarissen in de publieke sector langzamer stegen en ook de lasten van de overheidsschuld minder snel toenamen . Zodoende bleef het financieringstekort van de centrale overheid beperkt tot 12 % van het BBP , hetgeen iets lager is dan als richtsnoer vorig jaar door de Raad was aangenomen . Hoewel de geringere inflatie bijdroeg tot vergroting van de speelruimte voor het economische beleid vertoonde de werkgelegenheid geen verbetering . De weinig dynamische ontwikkeling van de economische activiteit betekende een afneming van de vraag naar arbeidskrachten in de private sector en bemoeilijkte dientengevolge de beoogde reallocatie van de produktiefactoren over de overheidssector en de private sector .

Voor 1984 wordt een tamelijk langzame groei verwacht vergezeld van een matige stijging van de nominale lonen en prijzen . De reële binnenlandse vraag zal zich waarschijnlijk op hetzelfde niveau handhaven , waarbij het particuliere verbruik zal stagneren , het overheidsverbruik zal dalen en de particuliere investeringen een matige stijging te zien zullen geven . In weerwil van toenemende netto-interestbetalingen aan het buitenland mag worden verwacht , dat de lopende rekening van de betalingsbalans een verbetering zal ondergaan vooral omdat de substitutie van ingevoerde energie door binnenlandse steeds belangrijker wordt .

Het in de loop van 1983 gevolgde en voor 1984 beoogde economische beleid is in de eerste plaats gericht op versterking van de competitieve sectoren van de economie en op verbetering van de allocatie van de produktiefactoren . Op lange termijn zullen hierdoor gunstigere resultaten kunnen worden verkregen al zullen er op kortere termijn enige contractieve effecten op de economische bedrijvigheid uitgaan .

Het is de bedoeling van de regering in 1984 het financieringstekort van de centrale overheid tot 11 % van het BBP te beperken . Daartoe heeft het Parlement een reeks maatregelen aanvaard die met name gericht zijn op een minder snelle stijging van diverse verplichte en niet-verplichte uitgaven , op uitbreiding van de toepassing van bijdragen van gebruikers en op verhoging van bepaalde tarieven der overheidsdiensten . De vermindering van het overheidstekort past geheel in het streven naar een betere economische convergentie binnen de Gemeenschap . De lasten van de stijgende overheidsschuld leggen een zware druk op de overheidsfinanciën en maken het absoluut noodzakelijk ter vermindering van het financieringstekort van de centrale overheid andere overheidsuitgaven terug te dringen ofschoon dit niet zou mogen leiden tot verlaging van de posten die nodig zijn voor de ontwikkeling van produktieve activiteiten . Een aanmerkelijk lager overheidstekort zal ongetwijfeld een gunstig effect hebben op de inflatieverwachtingen en de rentevoet en aldus voor de ondernemingen een belangrijke aansporing gaan vormen tot vergroting van de investeringen en invoering van de noodzakelijke structurele veranderingen .

De tweejaarlijkse loonakkoorden die in het voorjaar van 1983 werden afgesloten komen overeen met het richtsnoer van de regering van een nominale toeneming van 4 % in 1983 en 1984 en betekenen een stijging van de loonkosten per eenheid die beneden het EEG-gemiddelde ligt . Niettemin dient bij de toepassing van deze beleidslijn een zekere flexibiliteit op de arbeidsmarkt in acht te worden genomen die voldoende is om een betere allocatie van produktiefactoren te bevorderen . Dit zou bijdragen tot vermijding van spanningen in sommige delen van de arbeidsmarkt en te zamen met de uitvoering van diverse opleidingsprogramma's de herscholing van de beroepsbevolking vergemakkelijken .

Het structurele beleid van de overheid , dat deel uitmaakt van de algemene strategie , vindt hoofdzakelijk gestalte in het investeringsprogramma dat in de herfst van 1982 werd gelanceerd en het programma voor groei en modernisering dat in oktober 1983 door de regering werd aangekondigd . Het doel van deze programma's is de particuliere en overheidsactiviteiten op gebieden als onderwijs en onderzoek , technologische innovatie , infrastructuur en communicatie te coordineren . Aangezien de investeringen in de energiesector in 1984 zullen dalen zal meer ruimte beschikbaar zijn voor investeringen in geavanceerde technologie met het doel de concurrentiekracht van de economie te versterken .

Voorts is de regering voornemens de toevloeiing van risicodragend kapitaal naar de ondernemingen te vergemakkelijken en de belastingwetgeving zodanig te veranderen dat investeringen en groei in de particuliere sector van de economie worden bevorderd . Ten slotte zijn er initiatieven genomen om de openbare sector efficiënter te maken onder andere door een grotere flexibiliteit van begrotingsprocedures en besluitvorming .

TABEL 5

Denemarken : belangrijkste economische grootheden , 1961 - 1984

* Groeivoet BBP in waarde * Groeivoet BBP in volume * Prijsindexcijfer van het BBP * Stijging van de consumptieprijzen * Loonsom per werknemer * Lopende rekening van de betalingsbalans * Saldo van de gehele overheid * Groei van de liquiditeitenmassa M2 ( 3 ) * Werkloosheid in % van de beroepsbevolking *

* % * % * % * % ( 2 ) * % ( 2 ) * % BBP * % BBP * % * % *

1961 - 1970 * 11,2 * 4,9 * 6,0 * 5,2 * 10,5 * - 2,2 * 0,7 * 10,2 * 1,1 *

1971 - 1980 * 12,2 * 2,3 * 9,7 * 10,2 * 11,1 * - 2,9 * 0,0 * 11,3 * 3,8 *

1981 * 10,9 * 0,1 * 10,8 * 11,8 * 10,2 * - 3,1 * - 7,0 * 9,6 * 8,3 *

1982 * 13,6 * 3,4 * 9,9 * 9,8 * 11,0 * - 4,2 * - 9,1 * 11,7 * 9,7 *

1983 ( 1 ) * 9,8 * 2,2 * 7,4 * 6,6 * 7,5 * - 2,2 * - 8,8 * 12,5 * 10,7 *

1984 ( 1 ) * 6,5 * 1,2 * 5,2 * 5,4 * 5,5 * - 1,3 * - 7,8 * 7,5 * 11,8 *

( 1 ) Voorlopige ramingen van de diensten van de Commissie op basis van huidig of te verwachten beleid .

( 2 ) Procentuele verandering ten opzichte van de voorafgaande periode op jaarbasis .

( 3 ) Eind van het jaar . Tot 1979 : M2 .

In de Bondsrepubliek Duitsland vond in de eerste helft van 1983 een duidelijk herstel plaats van de economische bedrijvigheid maar aangezien dit herstel op een laag niveau inzette zal de stijging van het BBP ten opzichte van het voorgaande jaar waarschijnlijk slechts bescheiden blijven ( 0,75 % ) . Terwijl de uitvoer bleef stagneren als gevolg van de geografische spreiding van de uitvoer en de samenstelling van het uitvoerpakket , steeg het binnenlandse particuliere verbruik in tamelijk snel tempo . De consumptieve bestedingen , die sinds het eind van 1980 een constante daling hadden vertoond , begonnen weer te stijgen als gevolg van de afzwakking van de inflatie en een daling van de spaarquote terwijl de loonstijgingen zeer bescheiden bleven . Ook de investeringen in vaste activa herstelden zich als gevolg van de maatregelen van de regering in 1982 en van een zeker herstel van het vertrouwen bij de ondernemers . Het inflatiepercentage daalde tot omstreeks 3 % en aan de stijging van de werkloosheid kwam in de herfst praktisch een einde .

De vooruitzichten voor 1984 wijzen op een voortzetting van het herstel voornamelijk onder invloed van de binnenlandse vraag . Toch kan een kleine vertraging in de loop van het jaar niet worden uitgesloten . De directe effecten van de overheidsmaatregelen ter stimulering van de investeringen worden zwakker , terwijl andere factoren die de investeringsontwikkeling bepalen , zoals de bezettingsgraad en de rentevoet , waarschijnlijk geen gunstig effect zullen hebben zoals in vroegere perioden van economische opleving het geval was . Hoewel de huidige matige loonstijgingen bijdragen tot verbetering van de slechte rentabiliteitspositie van het bedrijfsleven , betekenen zij op korte termijn geen directe versterking van de vraag . In feite impliceert de voortzetting van de bescheiden stijging van de consumptieve bestedingen die ook voor 1984 wordt verwacht een verdere afneming van de spaarquote . Het saldo op de lopende rekening zal vermoedelijk positief blijven ( 0,75 % van het BBP ) terwijl de inflatie zich op ongeveer 3 % zal handhaven . Het BBP zal in 1984 vermoedelijk met 2 % stijgen .

De autoriteiten hebben inzake het begrotingsbeleid in 1984 en de daaropvolgende jaren kenbaar gemaakt , dat zij vastbesloten zijn zowel het aandeel van de overheidsuitgaven in het BBP als het structurele tekort te verminderen . Dit komt tot uiting in de beslissing de groei van de uitgaven van de Bond in 1984 tot 2 % en die van het financieringstekort van de Bond tot 37,340 miljard DM te beperken hetgeen iets lager is dan de vermoedelijke uitkomsten voor 1983 ( rekening houdende met het feit dat de Bundesbank lagere winsten naar de Bond zal overdragen ) . Voor de gehele overheid zou het financieringstekort kunnen dalen van 54 miljard DM ( 3,4 % van het BBP ) in 1983 tot ongeveer 37 miljard DM in 1984 ( 2,1 % ) .

Deze weloverwogen strategie van sanering van de overheidsfinanciën op een tijdstip waarop de vooruitzichten voor de groei slechts bescheiden zijn heeft ten doel een groter beslag op de produktiefactoren door de private sector mogelijk te maken . Mochten zich echter duidelijke tekenen van een weer afzwakkende bedrijvigheid voordoen dan zou een tijdelijke afwijking van het ontworpen consolidatiepad in overweging kunnen worden genomen door de automatische stabilisatoren toe te staan de vraag te ondersteunen . Indien echter een bevredigende vermindering van het begrotingstekort kan worden bereikt , met name als resultaat van gunstige economische omstandigheden , dan zou het mogelijk moeten zijn zowel de belastingdruk enigszins te verlichten als een meer actief investeringsbeleid te voeren . In ieder geval moet ter zake van subsidies en overdrachten een stringent beleid worden gehandhaafd . Beleidsmaatregelen met betrekking tot subsidies moeten de weg banen voor een actiever op de versterking van het aanbod gericht beleid , waarbij middelen meer worden aangewend voor de aanmoediging van nieuwe technologieën dan voor de ondersteuning van wegkwijnende bedrijfstakken . Een expansie van de investeringen van de publieke sector zou eveneens kunnen bijdragen tot de gestadige groei van de particuliere investeringen en tot het proces van structurele aanpassing .

Op grond van de restricitieve koers van het begrotingsbeleid die voor 1983 is vastgesteld , heeft de Bundesbank medegedeeld voornemens te zijn de groei van het centrale bankgeld te doen evolueren in het bovenste gedeelte van de marge van 4 tot 7 % , welke voor het in het vierde kwartaal eindigende boekjaar wordt nagestreefd . Vanaf het begin van dit jaar is de groei van het centrale bankgeld het streefcijfer teboven gegaan . Aangezien de Bundesbank van mening was dat deze ontwikkelingen voornamelijk moesten worden toegeschreven aan incidentele factoren ( zoals de effecten van de overdracht van de Bundesbankwinsten naar de Bond , speculatieve bewegingen in verband met de herschikking van de EMS-valuta's in maart en ongebruikelijk hoge vervaltermijnbetalingen voor spaarcontracten ) , zag zij af van het nemen van maatregelen die ongunstige effecten zouden hebben gehad in een vroeg stadium van economisch herstel . Eerst in september , toen het bijzonder onwaarschijnlijk werd dat de groei van het centrale bankgeld zou terugkeren tot binnen de nagestreefde marge reageerde de Bundesbank met een verhoging van de prolongatierente , zulks in overeenstemming met de ontwikkeling van de geldmarktrente . Deze ontwikkelingen tonen aan dat het interne monetaire beleid aan zekere grenzen gebonden is , welke althans voor een deel door de ontwikkelingen op de internationale markten worden bepaald .

Van grote betekenis voor de ontwikkeling van de investeringen in vaste activa zijn naast de rentevoet de ontwikkelingen op de arbeidsmarkt . Wel is in de laatste tijd enige vooruitgang geboekt in de richting van een beter evenwicht van de relatieve factorinkomens maar het is van belang dat de verhouding tussen de reële loonstijging en de groei van de produktiviteit zodanig is dat de kapitaalinvesteringen weer een bevredigend rendement opleveren . Wat dit betreft is het belangrijk dat thans grotere aandacht wordt besteed aan de rol die deelneming van de werknemers in toekomstige winsten zou kunnen spelen bij de vorming van produktief kapitaal . Overigens zou op een tijdstip dat noch de externe vraag noch de publieke sector een positieve bijdrage leveren tot de totale vraag de ontwikkeling van de reële lonen verenigbaar moeten zijn met een versterking van de investeringsneiging van de ondernemers .

Hoewel passende loonsverhogingen van fundamenteel belang zijn voor het herstel van de groei kunnen zij op korte termijn de grote onevenwichtigheden die in de loop der jaren op de arbeidsmarkt zijn ontstaan niet wegnemen . Specifieke arbeidsmarktmaatregelen blijven derhalve van groot belang met name die welke leiden tot verbetering van opleiding , aanwervingen bevorderen , en de mobiliteit van het arbeidspotentieel vergroten . Verkortingen van de werktijd worden thans in vele sectoren in overweging genomen . Er is echter vooralsnog geen consensus over de effecten van zodanige maatregelen noch over de voorwaarden waaronder zij op lange termijn een gunstig effect op de economie zouden hebben . Ook al lijkt een algemene arbeidsduurverkorting niet aangewezen , toch zouden via onderhandelingen speciale regelingen kunnen worden bereikt op het niveau van de bedrijfstakken of van de ondernemingen , waarbij rekening dient te worden gehouden met bijzondere omstandigheden zoals de structurele problemen van de betrokken bedrijfstak , de kosten - en rentabiliteitspositie en de leeftijdsopbouw van het arbeidspotentieel .

TABEL 6

Bondsrepubliek Duitsland : belangrijkste economische grootheden , 1961 - 1984

* Groeivoet BBP in waarde * Groeivoet BBP in volume * Prijsindexcijfer van het BBP * Stijging van de consumptieprijzen * Loonsom per werknemer * Lopende rekening van de betalingsbalans * Saldo van de gehele overheid * Groei van de liquiditeitenmassa M2 ( 3 ) * Werkloosheid in % van de beroepsbevolking *

* % * % * % * % ( 2 ) * % ( 2 ) * % BBP * % BBP * % * % *

1961 - 1970 * 8,4 * 4,7 * 3,5 * 2,9 * 8,6 * 0,7 * 0,5 * 10,4 * 0,8 *

1971 - 1980 * 8,2 * 2,9 * 5,2 * 5,2 * 8,6 * 0,6 * - 2,2 * 9,8 * 2,8 *

1981 * 4,2 * 0,2 * 4,0 * 5,6 * 5,3 * - 1,0 * - 3,9 * 5,0 * 4,7 *

1982 * 3,7 * - 1,0 * 4,8 * 5,3 * 4,4 * 0,5 * - 3,5 * 7,1 * 6,8 *

1983 ( 1 ) * 3,8 * 0,7 * 3,1 * 3,0 * 3,8 * 0,9 * - 3,3 * 7,5 * 8,6 *

1984 ( 1 ) * 5,1 * 2,1 * 3,0 * 3,2 * 3,5 * 0,9 * - 2,1 * 5,5 * 8,7 *

( 1 ) Voorlopige ramingen van de diensten van de Commissie op basis van huidig of te verwachten beleid .

( 2 ) Procentuele verandering ten opzichte van de voorafgaande periode op jaarbasis .

( 3 ) Eind van het jaar .

In Griekenland is het economisch beleid zowel gericht op externe aanpassing als op een herstel van de investeringen . Op geen van deze beide punten is echter van een duidelijke verbetering sprake . Tegenover een zwak particulier verbruik stond een krachtigere vraag van de overheid , met name in de vorm van overheidsinvesteringen . De bedrijfsinvesteringen gaven een verdere verzwakking te zien . Bovendien is het reële saldo op de goederen - en dienstenrekening opnieuw iets slechter geworden .

Over het geheel genomen resulteerden deze tegenstrijdige ontwikkelingen in de eerste helft van 1983 in een kleine daling van de bedrijvigheid ; in de tweede helft van het jaar kan enig herstel worden verwacht . Aangezien de landbouwproduktie scherp daalde moet het onwaarschijnlijk worden geacht dat het bruto binnenlands produkt enige groei zal vertonen . De stijging van de consumptieprijzen heeft zich met een stijging van omstreeks 20 % op jaarbasis op een hoog niveau gehandhaafd .

Het economisch beleid moet vooralsnog voorrang blijven geven aan de verbetering van de handels - en dienstenbalans in reële zin en gericht zijn op vergroting van de concurrerende produktiecapaciteit . In weerwil van een lichte verbetering van de ruilvoet vertoont de lopende rekening van de betalingsbalans nog steeds een ernstig tekort , terwijl de last van de buitenlandse schuld snel blijft groeien . Het herstel van de bedrijfsinvesteringen , waarvan de vooruitzichten voor het herstel van het externe evenwicht zeer sterk afhangen , blijft onzeker . Met het oog hierop moet in 1984 een duidelijke stijging van het particulier verbruik worden vermeden en kan slechts van een matige groei van het overheidsverbruik sprako zijn . Daarnaast moet in versterkte mate worden gestreefd naar een beperking van de inflatoire druk om aldus zo spoedig mogelijk de verstorende effecten - die op het gedrag van de economische subjecten uitgaan en die onder meer de terughouding bij de particuliere investeerders versterken - te verminderen . De groei zou in 1984 ongeveer 1,5 % kunnen bedragen en de inflatie zal als jaargemiddelde ongeveer 18 % bereiken , terwijl de lopende rekening van de betalingsbalans wederom een fors tekort zal opleveren ten bedrage van meer dan 5 % van het bruto binnenlands produkt .

Zelfs deze bescheiden resultaten impliceren een stringent beleid zowel wat de inkomensontwikkeling als de uitvoering van de begroting betreft . Met name de loonpolitiek moet gericht zijn op vermindering van de reële loonkosten per eenheid produkt . Hierbij dienen de effecten van de automatische indexering , alsmede een verdere denivellering , zoveel mogelijk te worden vermeden . Dit beleid , dat gepaard moet gaan met een gelijktijdige matiging van de inkomensoverdrachten , dient erop gericht te zijn de groei van het reële beschikbaar inkomen der gezinshuishoudingen in voldoende mate te beperken , zonder dat van een grotere druk van de directe belastingen , anders dan die voortvloeiende uit energiekere maatregelen ter bestrijding van de belastingontwijking , sprake is . Hoewel van de genomen maatregelen mag worden verwacht dat zij zullen leiden tot een beter evenwicht in de overheidsfinanciën , zullen zij niet voldoende zijn om het overheidstekort te reduceren tot een peil dat past bij doelstellingen voor de groei en de prijzen : een financieringstekort van minder dan 6 % van het bruto binnenlands produkt in 1984 voor de gehele overheid en een bruto financieringssaldo van minder dan 9 % en 12 % van het BBP respectievelijk voor de centrale overheid en de publieke sector . Ofschoon deze cijfers slechts ongeveer een half procentpunt beneden de verwachte resultaten van 1983 liggen , zullen zij toch tegen een achtergrond van een aarzelend economisch herstel moeilijk zijn te verwezenlijken . Met name impliceren zij een aanmerkelijk lagere groei van de werkingskosten in reële zin en een toeneming van de tarieven van de overheidsdiensten die groot genoeg is om de reële last van subsidies aan bedrijven in de publieke sector te verlichten .

Een vermindering van het overheidstekort is vooral daarom noodzakelijk omdat van de financiering daarvan sterk inflatoire effecten uitgaan . Ook al zal de liquiditeit in toenemende mate zich spontaan in een stijging van de spaartegoeden weerspiegelen , toch zal de vermindering van de inflatie in de economie een duurzamer karakter hebben naarmate het tempo van de groei van de liquiditeitenmassa en de liquiditeitsquote in ruime zin dalen . Bij een vermindering van het tekort van de overheid kan het monetaire beleid een dergelijke doelstelling bereiken zonder dat te stringente beperkingen aan de kredietverlening aan ondernemingen behoeven te worden gesteld . Een vermindering van de inflatie vereist echter eveneens een krachtigere stabilisatie der besparingen en dit kan nauwelijks worden bereikt zonder een geleidelijke stijging van de reële interesttarieven die op het ogenblik , in tegenstelling tot de internationale ontwikkelingen , nog steeds negatief zijn . Enige toeneming van de reële rentetarieven moet thans worden aangemoedigd , zij het behoedzaam , ten einde te vermijden dat het volstrekt noodzakelijke herstel van de bedrijfsinvesteringen in gevaar wordt gebracht .

Het externe monetaire beleid moet bijdragen tot de vermindering van de inflatie door een depreciatie van de nationale munt zoveel mogelijk te beperken .

TABEL 7

Griekenland : belangrijkste economische grootheden , 1961 - 1984

* Groeivoet BBP in waarde * Groeivoet BBP in volume * Prijsindexcijfer van het BBP * Stijging van de consumptieprijzen * Loonsom per werknemer * Lopende rekening van de betalingsbalans * Saldo van de gehele overheid * Groei van de liquiditeitenmassa M2 ( 3 ) * Werkloosheid in % van de beroepsbevolking *

* % * % * % * % ( 2 ) * % ( 2 ) * % BBP * % BBP * % * % *

1961 - 1970 * 11,0 * 7,6 * 3,1 * 2,5 * 9,8 * - 3,1 * : * 17,6 * : *

1971 - 1980 * 19,1 * 4,7 * 13,8 * 13,6 * 18,3 * - 2,7 * : * 23,8 * : *

1981 * 18,9 * - 0,7 * 19,7 * 24,4 * 27,1 * - 0,2 ( 4 ) * - 10,1 * 34,3 * 4,1 *

1982 * 25,4 * 0,0 * 25,4 * 21,1 * 26,2 * - 3,8 ( 4 ) * - 6,4 * 29,1 * 5,7 *

1983 ( 1 ) * 19,7 * 0,0 * 19,7 * 20,5 * 17,3 * - 5,0 ( 4 ) * - 6,3 * 22,6 * 7,4 *

1984 ( 1 ) * 19,7 * 1,5 * 17,9 * 18,5 * 18,5 * - 5,5 ( 4 ) * - 6,3 * 20,2 * 7,9 *

( 1 ) Voorlopige ramingen van de diensten van de Commissie op basis van huidig of te verwachten beleid .

( 2 ) Procentuele verandering ten opzichte van de voorafgaande periode op jaarbasis .

( 3 ) Eind van het jaar .

( 4 ) Volgens de inlichtingen van de Bank van Griekenland berustend op statistische gegevens omtrent de betalingen zouden deze cijfers als volgt moeten luiden : 1981 : 6,5 % ; 1982 : 5 % ; 1983 : 5,5 % ( raming ) ; 1984 : 5,5 % ( verwachting ) .

In Frankrijk werd het stringente economische beleid nog verscherpt door de maatregelen na de EMS-valutaherschikking van 21 maart 1983 ( 1 ) . Zij versterkten de beginnende daling van het verbruik , terwijl daarna met enige vertraging de voorraadvorming tot stilstand kwam . Te zamen met opeenvolgende dalingen van de wisselkoers van de Franse frank leidde dit tot de verbetering van de handelsbalans die thans een aanmerkelijk kleiner tekort vertoont dan in 1982 . De inflatie is eveneens geringer geworden en zou in 1983 gemiddeld beneden de 9 % kunnen komen te liggen . De economische bedrijvigheid , welke slechts door de zich enigszins herstellende uitvoer wordt ondersteund , loopt terug en de werkgelegenheid krimpt verder in .

Gezien de groeiende schuldenlast lijkt het volledig herstel van het externe evenwicht nog vrij ver verwijderd . De huidige koers van het economisch beleid zal derhalve in 1984 gehandhaafd moeten blijven zodat in dat jaar vermoedelijk slechts een zwak herstel van de bedrijvigheid zal worden bereikt terwijl op jaarbasis van een geringe positieve groei sprake zal kunnen zijn . Aldus kan een aanmerkelijke vooruitgang worden geboekt in de richting van het herstel van het economisch evenwicht . Het inflatiepercentage zal op jaarbasis waarschijnlijk tot aanmerkelijk beneden het cijfer voor 1983 dalen , terwijl mag worden aangenomen dat de handelsbalans tegen het eind van het jaar een positief saldo zal opleveren .

De verwezenlijking van een dergelijke vooruitgang , die een doeltreffende bestrijding van de structurele oorzaken van de inflatie , een verdere vertraging van de kostenstijging en een strikte beperking van de consumptieve vraag impliceert , hangt in de allereerste plaats af van de loonmatiging . Deze hangt met name af van de handhaving van het huidige inkomensbeleid dat erop is gericht de inkomensstijgingen los te maken van de voorafgaande prijsstijging en veeleer aan de toekomstige ontwikkelingen te koppelen , dat wil zeggen aan de stijging die voor het jaar is voorzien , waarbij echter de mogelijkheid van prijscompensaties aan het eind van de periode wordt opengelaten . Als dit beginsel wordt toegepast en als , bij een praktische nulgroei , een pauze intreedt in de optrekking van de laagste lonen zullen de lonen waarschijnlijk aanzienlijk minder snel stijgen dan in 1983 .

Handhaving van de restrictieve koers van het economisch beleid betekent eveneens dat het netto-financieringstekort van de gehele overheid tot ongeveer 3 % van het bruto binnenlands produkt wordt teruggedrongen , zoals is voorzien in de ontwerp-begroting van 1984 , welke door de regering op 21 september is vastgesteld . Gezien de geringere stijging van de ontvangsten , de verdere toenemende last van de interestbetalingen en de talrijke factoren die bijdragen tot een stijging van het volume der sociale uitgaven impliceert dit streefcijfer een verdere ingrijpende besnoeiing van de uitgaven en een verdere uitbreiding van verplichte heffingen . De uitgaven van de centrale overheid zullen op zijn best in reële zin constant blijven en in talrijke gevallen zelfs afnemen ; een uitzondering hierop vormen de prioritaire uitgaven zoals die ten behoeve van werkgelegenheid , opleiding , research en ondersteuning van produktieve investeringen . De beperkingen zullen weliswaar ook betrekking hebben op de overheidsinvesteringen en overheidssteun , maar het accent ligt hierbij toch op de operationele uitgaven , waarvan de stijging geringer zal zijn dan de gemiddelde prijsstijging . De groei van de uitkeringen in het kader van de sociale zekerheid zal ook streng worden beperkt , met name door middel van de voortgezette inspanningen tot ombuiging van de expansie van de uitgaven voor de gezondheidszorg en door het beletten van reële stijging van de uitkeringen in contanten die niet gekoppeld zijn aan de loonontwikkeling . De extra inspanning die nodig is om de ontvangsten op te voeren tot het gewenste peil - en in het bijzonder de ontvangsten van de sociale zekerheid - is eveneens van groot belang en zal meer dan 1 % van het BBP bedragen ; deze verhoging wordt ongeveer gelijk verdeeld over belastingheffing en sociale premies .

Deze strenge discipline is volstrekt noodzakelijk om een financiering van de economie mogelijk te maken welke in overeenstemming is met de nagestreefde vermindering van de inflatie en het herstel van het externe evenwicht . Zij moet vergezeld gaan van maatregelen tot verwezenlijking van een monetaire groei die past bij de vooruitzichten voor het nominale bruto binnenlands produkt . Bovendien zullen strikte kwantitatieve kredietbeperkingen en tamelijk hoge reële interesttarieven gehandhaafd moeten blijven ten einde stabiele besparingen te bevorderen en het herstel van de betalingsbalanspositie te ondersteunen .

De huidige restrictieve fase van het economisch beleid moet de grondslagen leggen voor de geleidelijke verbetering van de bedrijfsinvesteringen die vereist is voor het herstel van een duurzaam extern evenwicht en een gestadige groei . De positieve effecten van de depreciaties van de Franse frank en de minder snelle stijging van de exploitatiekosten van de ondernemingen zullen de beste waarborg bieden voor een dergelijke verbetering . De kapitaalmarkten blijken in staat op bevredigende wijze het noodzakelijke kapitaal naar het bedrijfsleven te leiden . Het restrictieve begrotingsbeleid laat dit aspect van de overheidsinterventie - die , afgezien van algemene en sectoriële fiscale voordelen , grote financiële bijstand en met name kapitaaldotaties aan recentelijk genationaliseerde ondernemingen inhouden - grotendeels ongemoeid . Het is dus redelijk om te verwachten dat de eerste tekenen van een herstel van de bedrijfsinvesteringen in 1984 waarneembaar zullen zijn , in het bijzonder wat betreft de investeringen van industriële ondernemingen in de competitieve sector die gedurende de laatste jaren hoe langer hoe meer achterop raakten en derhalve hebben bijgedragen tot de recente moeilijkheden ten aanzien van de buitenlandse handel . Dit herstel moet worden geconsolideerd zonder dat de zich aftekenende verbetering van de rentabiliteit in gevaar wordt gebracht . In het bijzonder moet bij beslissingen omtrent de financiering van de sociale zekerheid en omtrent de aanpassing van de werktijden met dit punt rekening worden gehouden .

Het verwachte herstel van de investeringen en van de groei zijn niet zo sterk dat zij veel hoop bieden op een spontane vermindering van de onevenwichtigheid tussen het aanbod van en de vraag naar arbeid in de naaste toekomst . Een vermindering op langere termijn is echter nog steeds bereikbaar . Met name een betere aanpassing van de beroepsopleiding aan de behoeften zou een beter gebruik van het potentiële arbeidsaanbod mogelijk maken . Grotere flexibiliteit ten aanzien van de werktijden zou kunnen worden ingevoerd mits de aanpassing geen kostenverhogende werking heeft noch ongunstige invloeden uitoefent op de kapitaalproduktiviteit .

Over het geheel genomen zal 1984 een overgangsjaar zijn dat is gekenmerkt door een belangrijke vooruitgang in de richting van het herstel van het economisch evenwicht , waardoor de grondslag wordt gelegd voor een terugkeer naar een gestadige groei .

( 1 ) Gevolgd door het verstrekken van een Gemeenschapslening van 4 miljard Ecu aan Frankrijk .

TABEL 8

Frankrijk : belangrijkste economische grootheden , 1961 - 1984

* Groeivoet BBP in waarde * Groeivoet BBP in volume * Prijsindexcijfer van het BBP * Stijging van de consumptieprijzen * Loonsom per werknemer * Lopende rekening van de betalingsbalans * Saldo van de gehele overheid * Groei van de liquiditeitenmassa M2 ( 3 ) * Werkloosheid in % van de beroepsbevolking *

* % * % * % * % ( 2 ) * % ( 2 ) * % BBP * % BBP * % * % *

1961 - 1970 * 10,2 * 5,6 * 4,4 * 4,3 * 9,4 * 0,2 * 0,4 * 12,7 * 0,9 *

1971 - 1980 * 13,4 * 3,6 * 9,5 * 9,5 * 13,8 * - 0,4 * - 0,1 * 14,8 * 3,8 *

1981 * 12,1 * 0,2 * 11,9 * 12,9 * 14,5 * - 1,4 * - 1,8 * 11,4 * 7,8 *

1982 * 14,8 * 1,8 * 12,8 * 10,9 * 14,5 * - 2,9 * - 2,7 * 10,8 * 8,7 *

1983 ( 1 ) * 9,5 * - 0,3 * 9,8 * 9,0 * 9,7 * - 1,8 * - 3,1 * 8,8 * 8,9 *

1984 ( 1 ) * 7,7 * 0,4 * 7,3 * 7,2 * 8,2 * - 1,2 * - 3,3 * 6,5 * 9,7 *

( 1 ) Voorlopige ramingen van de diensten van de Commissie op basis van huidig of te verwachten beleid .

( 2 ) Procentuele verandering ten opzichte van de voorafgaande periode op jaarbasis .

( 3 ) Eind van het jaar .

De economische bedrijvigheid in Ierland vertoonde , gegeven de ongunstige internationale situatie , in 1983 bijna geen groei . Toch ontbrak het niet aan bemoedigende ontwikkelingen . De prijsstijging , die thans omstreeks 11 % bedraagt , is weliswaar nog steeds hoog maar geeft ten opzichte van het cijfer van 17,2 % van 1982 een aanmerkelijke verlaging te zien . Met een daling tot beneden 3 % van het BBP geeft het tekort op de lopende rekening van de betalingsbalans een aanmerkelijke verbetering te zien . De tendens van stijgende begrotingstekorten , met name op de lopende rekening , is krachtig omgebogen en het financieringstekort van de Staat is in 1983 met omstreeks 3 % van het BBP verminderd . Daartegenover moet er echter op worden gewezen dat het werkloosheidscijfer is blijven stijgen en aan het eind van het jaar waarschijnlijk ongeveer 16 % zal bereiken .

De vooruitzichten voor 1984 wijzen op een bescheiden opleving van de economische groei . De buitenlandse vraag zal stijgen maar hiertegenover zullen de effecten van de binnenlandse deflatoire krachten staan aangezien er op middellange termijn geen alternatief is voor een doelbewuste voortzetting van het huidige restrictieve beleid dat tot een lager consumptiepeil zal leiden .

Aan de huidige moeilijkheden liggen verschillende factoren ten grondslag . Demografische ontwikkelingen voegen elk jaar grote aantallen jongeren toe aan de beroepsbevolking en op middellange termijn ontstaat daardoor een toenemende vraag naar de noodzakelijke sociale voorzieningen . Reeds sedert vele jaren is het beleid gericht op een bevordering van de groei en de werkgelegenheid door middel van een stimulering van de exportindustrieën . Dit maakt aanzienlijke overheidsuitgaven welke door leningen moeten worden gefinancierd alsmede de aanwezigheid van de noodzakelijke economische en sociale infrastructuur noodzakelijk . De recessie in de internationale handel en met name tot voor kort van de handel met het Verenigd Koninkrijk heeft betekend dat de omvangrijke investeringen niet volledig rendabel konden worden gemaakt . Bovendien bleef het budgettaire beleid ook na de twee oliecrises expansief en droeg daardoor bij tot de inkomensvorming op korte termijn , zulks ten nadele van de produktieve capaciteit van het land . Pogingen om de reële inkomens ondanks ongunstige ontwikkelingen van de ruilvoet te handhaven en te verhogen verminderden de concurrentiekracht van vele bedrijfstakken en maakten de lopende rekening van de betalingsbalans in weerwil van de aanhoudend zeer gunstige uitvoerresultaten deficitair .

De in het licht hiervan getroffen ingrijpende maatregelen , waren vooral geconcentreerd op vermindering van het netto-financieringstekort van de overheid en de autoriteiten hebben zich ten doel gesteld het tekort op de lopende rekening tot 1987 geleidelijk te doen verdwijnen . Bij het nastreven van deze doelstelling dient een behoorlijk evenwicht te bestaan tussen belastingverhoging enerzijds en uitgavenbesnoeiing anderzijds al naar gelang de daarmee gemoeide economische kosten . In de begrotingen van de recente jaren lag de nadruk vooral op een aanzienlijke verhoging van de belastingtarieven en op een uitbreiding van het draagvlak der belastingen ; het huidige lage peil van de bedrijvigheid heeft daarbij tot een vermindering van de belastingopbrengsten geleid . Een nieuwe algemene toeneming van de belastingen in 1984 lijkt derhalve niet raadzaam te zijn . Het zwaartepunt dient thans veeleer te worden gelegd bij een belangrijke besnoeiing op het uitgavenvolume . De ontoereikendheid van de ontvangsten van de staat zal waarschijnlijk een probleem blijven vormen , hoofdzakelijk wegens de voortdurend stijgende lasten welke voortvloeien uit de stijgende nationale schuld en wegens toenemende vraag naar sociale voorzieningen . Grote inspanningen zijn derhalve noodzakelijk om de programma's voor andere lopende uitgaven en kapitaaluitgaven in te krimpen . Het lijkt gewenst het netto-financieringstekort van de overheid in 1984 met 1 tot 1,5 % van het BBP te verminderen ten opzichte van het vermoedelijke cijfer voor 1983 , een en ander op basis van de gebruikelijke begrotingsdefinities .

Het is van het allergrootste belang dat de autoriteiten hun streven naar loonmatiging voortzetten en intensiveren . Dit is belangrijk niet alleen uit een oogpunt van de terugdringing van de overheidsuitgaven waarvan de loonuitgaven een groot deel vormen , maar ook uit het oogpunt van de bescherming van de werkgelegenheid .

Het monetaire beleid dient de noodzakelijke aanpassing van het begrotingsbeleid te ondersteunen , zonder daarbij zelf een additionele deflatoire ombuiging van het macro-economische beleid tebewerkstellingen . Onder gunstige externe omstandigheden , zullen vermindering van de inflatie en vermindering van het tekort op de lopende rekening een verdere verlaging van de interesttarieven vergemakkelijken . Tevens dient het tekort van de Staat zoveel mogelijk met binnenlandse middelen te worden gefinancierd .

De pogingen om de situatie op de arbeidsmarkt in 1984 meer direct te verbeteren dienen vooral te bestaan in vergroting van de flexibiliteit van de arbeidsmarkt en het tegengaan van overuren , terwijl de werkloosheid onder de jongeren voorwerp van bijzondere zorg moet zijn .

TABEL 9

Ierland : belangrijkste economische grootheden , 1961 - 1984

* Groeivoet BBP in waarde * Groeivoet BBP in volume * Prijsindexcijfer van het BBP * Stijging van de consumptieprijzen * Loonsom per werknemer * Lopende rekening van de betalingsbalans * Saldo van de gehele overheid * Groei van de liquiditeitenmassa M2 ( 3 ) * Werkloosheid in % van de beroepsbevolking *

* % * % * % * % ( 2 ) * % ( 2 ) * % BBP * % BBP * % * % *

1961 - 1970 * 9,9 * 4,2 * 5,5 * 4,6 * 9,9 * - 2,3 * - 2,7 * 10,4 * 4,5 *

1971 - 1980 * 18,3 * 4,1 * 13,6 * 13,8 * 18,0 * - 4,6 * - 8,1 * 18,5 * 7,4 *

1981 * 19,0 * 1,1 * 17,7 * 19,5 * 18,5 * - 13,1 * - 15,8 * 17,4 * 10,2 *

1982 * 18,3 * 1,2 * 16,8 * 17,1 * 14,9 * - 8,3 * - 16,2 * 12,9 * 11,7 *

1983 ( 1 ) * 11,2 * 0,5 * 10,6 * 11,0 * 12,2 * - 2,6 * - 13,4 * 14,4 * 14,6 *

1984 ( 1 ) * 10,1 * 1,8 * 8,2 * 8,8 * 8,9 * - 0,6 * - 11,8 * 14,4 * 16,6 *

( 1 ) Voorlopige ramingen van de diensten van de Commissie op basis van huidig of te verwachten beleid .

( 2 ) Procentuele verandering ten opzichte van de voorafgaande periode op jaarbasis .

( 3 ) Eind van het jaar .

In Italië hebben de fiscale maatregelen en de wijzigingen van overheidstarieven die in het begin van het jaar van kracht werden alsmede de moeilijkheden bij de afsluiting van de collectieve arbeidsovereenkomsten bijgedragen tot een aanhoudende zwakte van de binnenlandse vraag en van de economische activiteit , welke slechts door een duidelijke verbetering van de uitvoer werd ondersteund . Een en ander heeft bijgedragen tot het herstel van het externe evenwicht , dat voor wat de lopende rekening betreft tegen het eind van 1983 waarschijnlijk vrijwel gerealiseerd zal worden . Ook de inflatie werd er aanzienlijk door afgeremd en de gemiddelde maandelijkse prijsstijging zal in de tweede helft van dit jaar vermoedelijk minder dan 1 % bedragen .

Van nu af aan mag worden verwacht dat de verschillende componenten van de vraag een tendens tot expansie zullen vertonen terwijl ook de bedrijvigheid zich waarschijnlijk zal uitbreiden . Het verwachte herstel van het verbruik , dat zich vermoedelijk in 1984 zal voortzetten , zou zelfs zodanige omvang kunnen aannemen , dat het zich aftekenende maar vooralsnog te zwakke herstel van het evenwicht zou kunnen worden onderbroken en dat met name de inflatie , die in vergelijking met de andere geïndustrialiseerde landen groter is , de concurrentiekracht van de Italiaanse economie blijft ondermijnen .

Ten einde het herstel in de hand te houden en te verzekeren dat het een duurzaam karakter zal hebben moet derhalve de inflatiebestrijding krachtig worden voortgezet onder een optimale combinatie van de drie beschikbare instrumenten namelijk een geconcerteerde inkomens - en prijsmatiging , het beperken van het overheidstekort en een stringent monetair beleid . Als van deze instrumenten ten volle gebruik wordt gemaakt mag in 1984 een groei van ongeveer 1,5 % worden verwacht , terwijl de lopende rekening van de betalingsbalans ongeveer in evenwicht zou blijven en de stijging van de consumptieprijzen op jaarbasis tot beneden 10 % zou kunnen dalen .

Een vooruitgang zal in de eerste plaats afhangen van de vraag of het inkomens - en prijsbeleid er in kan slagen de spiraal van lonen en prijzen zo veel mogelijk af te remmen , zulks in overeenstemming met de richtsnoeren van de driepartijenovereenkomst van 22 januari 1983 inzake de lonen en de arbeidsvoorwaarden . Dit betekent niet alleen dat de voor stijgingen van de loonvoet voor 1983 en 1984 vastgestelde grenzen uiterst streng in acht moeten worden genomen ( zoals tot dusver in grote lijnen het geval is geweest ) , maar ook dat weloverwogen maatregelen tot vertraging van de effecten van de automatische prijscompensatie voor zover mogelijk moeten worden genomen ; dit is bij voorbeeld mogelijk door de verdiensten te koppelen aan geprojecteerde en niet aan de effectief geregistreerde inflatie . De recente overeenkomsten tussen de regering en de beroepsorganisaties inzake stabilisatie van de prijzen van enige essentiële goederen en diensten zouden een bijdrage moeten leveren tot de ombuiging van de nominale ontwikkeling in de gewenste richting .

De grootste inspanning zal echter vereist zijn op het gebied van de openbare financiën . Aangezien een groot deel van de uitgaven automatisch stijgt - met name de uitgaven voor de sociale zekerheid en de interestbetalingen - en sommige van de in 1983 ter terugdringing van het tekort genomen belastingmaatregelen éénmalig waren , vertoont het te verwachten tekort voor 1984 opnieuw een grote stijging , terwijl een dalend tekort noodzakelijk zou zijn in het licht van de inflatiebestrijding . Een verdere veel energiekere inspanning dan in 1983 is derhalve overeengekomen ten einde het tekort te beperken tot een bedrag dat verenigbaar is met macro-economische doelstellingen , dat wil zeggen ongeveer 10 % van het bruto binnenlands produkt voor het financieringstekort van de gehele overheid en minder dan 15 % van het BBP voor het financieringstekort van de schatkist , waarop de extra last van de financieringsoperaties rust . De vermindering van het tekort moest opnieuw voor een deel plaatsvinden via fiscale maatregelen die deels een permanent , deels opnieuw een tijdelijk karakter hebben . Ten einde echter de stijging van de belastingdruk binnen bepaalde grenzen te houden werd besloten dat thans een behoorlijk deel van de inspanning betrekking zou moeten hebben op de uitgaven , hetgeen grote besnoeiingen inhield op de uitgaven voor de algemene overheidsdiensten , de volksgezondheid en de sociale uitkeringen .

Het restrictieve karakter van het monetaire beleid moet gehandhaafd blijven in een nieuwe poging om de liquiditeitsquote , die in 1983 opnieuw is gestegen , te verlagen . Daartoe dienen de financieringsnormen voor de economie vanaf 1984 niet alleen in termen van totaal binnenlands krediet zoals tot dusver , maar ook in termen van groei van de liquiditeitenmassa te worden gedefinieerd . Een verdere krachtige toeneming van de openbare emissies van overheidsfondsen zal in dit verband van essentieel belang zijn . Dit impliceert dat de reële interesttarieven positief moeten blijven , zulks in overeenstemming met de internationale ontwikkelingen .

Door de in het bovenstaande geschetste beïnvloeding van de vraag kunnen passende voorwaarden worden gecreëerd voor een succesrijke bestrijding van de structurele problemen . Het ernstigste daarvan is stellig de gestadige stijging van de werkloosheid die een bewijs is van een inadequate beheersing van de kosten , de chronische zwakte van de produktieve investeringen en het groeiende aandeel van vervroegde investeringen . Het is derhalve van essentieel belang , dat het beleid inzake kostenbeheersing en inzake werkgelegenheid duurzaam op elkaar wordt afgestemd . Dit betekent een blijvende loonmatiging . De daartoe in de overeenkomst van 22 januari 1983 geboden mogelijkheden dienen echter niet alleen te worden gebruikt voor een bestrijding van de inflatie maar ook voor een verbetering van de rentabiliteitspositie van de ondernemingen . Op dit punt moet er met name op worden toegezien dat de op de middellange termijn verwachte voordelen , voortvloeiende uit de beperking van overeengekomen stijgingen , niet worden aangetast door het uit de hand lopen van extra verdiensten of verkorting van de werktijden met ongunstige effecten op de loonkosten per eenheid produkt .

In het licht van de noodzakelijke versterking van de produktiestructuren ten einde de concurrentiekracht en de werkgelegenheid te verbeteren moet aan geleidelijke vermindering van het overheidstekort een hoge prioriteit worden toegekend . Deze vermindering is noodzakelijk niet alleen om te voorkomen dat het particuliere bedrijfsleven van de kapitaalmarkt wordt verdrongen maar ook en vooral om een streng uitgavenbeleid te bewerkstelligen en meer in het algemeen om de allocatie van middelen te verbeteren . Het zwaartepunt van de inspanning moet derhalve worden gelegd op een rationelere aanwending van de overheidsuitgaven door het beheer van de overheidsdiensten , van de sociale maatregelen alsmede van de overheids - en semi-overheidsbedrijven aan strengere criteria te onderwerpen . Op middellange termijn dienen de maatregelen tot vermindering van het tekort zoveel mogelijk een verdere toeneming van belastingdruk en sociale premies te vermijden , tenzij parallel maatregelen gericht op een billijker belastingstelsel worden getroffen .

TABEL 10

Italië : belangrijkste economische grootheden , 1961 - 1984

* Groeivoet BBP in waarde * Groeivoet BBP in volume * Prijsindexcijfer van het BBP * Stijging van de consumptieprijzen * Loonsom per werknemer * Lopende rekening van de betalingsbalans * Saldo van de gehele overheid * Groei van de liquiditeitenmassa M2 ( 3 ) * Werkloosheid in % van de beroepsbevolking *

* % * % * % * % ( 2 ) * % ( 2 ) * % BBP * % BBP * % * % *

1961 - 1970 * 10,5 * 5,7 * 4,5 * 3,8 * 10,7 * 1,8 * - 2,3 * 13,3 * 5,2 *

1971 - 1980 * 18,3 * 3,1 * 14,7 * 14,6 * 18,4 * - 0,2 * - 8,0 * 19,5 * 6,0 *

1981 * 17,4 * - 0,2 * 17,6 * 19,0 * 22,0 * - 2,3 * - 11,7 * 16,0 * 8,8 *

1982 * 17,1 * - 0,3 * 17,5 * 16,7 * 17,1 * - 1,6 * - 11,9 * 17,2 * 8,7 *

1983 ( 1 ) * 14,1 * - 0,8 * 15,1 * 15,0 * 15,6 * - 0,4 * - 11,9 * 16,0 * 9,0 *

1984 ( 1 ) * 12,0 * 1,5 * 10,4 * 11,5 * 12,4 * - 0,2 * - 10,0 * 11,0 * 9,4 *

( 1 ) Voorlopige ramingen van de diensten van de Commissie op basis van huidig of te verwachten beleid .

( 2 ) Procentuele verandering ten opzichte van de voorafgaande periode op jaarbasis .

( 3 ) Eind van het jaar .

In Luxemburg onderging de economische bedrijvigheid in 1983 de ongunstige invloed van de staalcrisis en de zwakte van de binnenlandse vraag . Het reële bruto binnenlands produkt daalde met 2,4 % . Ondanks loonmatiging in de staalsector en de tijdelijke schorsing van de automatische prijsaanpassing van de lonen , bleven de prijzen tamelijk snel stijgen niet alleen wegens de vertraagde effecten van de devaluatie maar ook als gevolg van de verhoging van de belasting over de toegevoegde waarde .

De economische activiteit zal in 1984 waarschijnlijk zwak blijven . Aan de exportzijde zijn de vooruitzichten voor de belangrijkste Luxemburgse bedrijfstakken niet bijzonder rooskleurig . De automatische prijsaanpassing van de lonen zal in 1984 onafhankelijk van de prijsontwikkeling slechts eenmaal plaatsvinden . Dit zal de rentabiliteit van de Luxemburgse bedrijven buiten de staalsector verbeteren en zal voorts bijdragen tot de herstructurering binnen de staalsector . Er zal van deze maatregel echter eveneens een dempend effect op het particuliere verbruik uitgaan .

De wet van 1 juli 1983 inzake de herstructurering van de staalindustrie heeft ten doel de produktiecapaciteit zodanig te verminderen , dat de financiële en sociale gevolgen daarvan draagbaar blijven in een land waar deze sector van zeer groot belang blijft . De regering stelt als eerste prioriteit herstel van een krachtige en internationaal concurrerende economische structuur . De strategie is gebaseerd op loonmatiging parallel aan die van de concurrerende landen ; daarnaast is echter de voortzetting van een restrictief begrotingsbeleid van groot belang . Het netto-financieringstekort van de overheid is in 1983 wederom aanmerkelijk gestegen als gevolg van bijzondere maatregelen ter ondersteuning van de staalsector . De verbetering van het netto-financieringstekort van de centrale overheid die in 1984 wordt verwacht ( een vermindering van 4,9 % van het BBP in 1983 tot ongeveer 1 % in 1984 ) en die wordt verkregen door een verhoging van de ontvangsten bestemd om de extra uitgaven ten behoeve van de staalsector te compenseren , impliceert eveneens een verdere afremming van de uitgaven terwijl zonodig additionele compenserende maatregelen moeten worden genomen .

TABEL 11

Luxemburg : belangrijkste economische grootheden , 1961 - 1984

* Groeivoet BBP in waarde * Groeivoet BBP in volume * Prijsindexcijfer van het BBP * Stijging van de consumptieprijzen * Loonsom per werknemer * Lopende rekening van de betalingsbalans Saldo van de gehele overheid * Groei van de liquiditeitenmassa M2 ( 3 ) * Werkloosheid in % van de beroepsbevolking *

* % * % * % * % ( 2 ) * % ( 2 ) * % BBP * % BBP * % * % *

1961 - 1970 * 7,6 * 3,6 * 3,9 * 2,5 * 6,7 * 7,1 * 1,6 * : * 0,1 *

1971 - 1980 * 9,5 * 3,0 * 6,3 * 6,7 * 10,5 * 18,5 * 2,0 * : * 0,3 *

1981 * 6,5 * - 0,3 * 6,8 * 7,7 * 8,3 * 31,1 * - 2,3 * : * 1,0 *

1982 * 6,7 * - 1,1 * 7,9 * 10,0 * 6,9 * 38,8 * - 2,0 * : * 1,2 *

1983 ( 1 ) * 5,6 * - 2,4 * 8,2 * 8,4 * 7,1 * 37,2 * - 2,9 * : * 1,8 *

1984 ( 1 ) * 6,3 * - 1,0 * 7,4 * 7,7 * 5,9 * 36,3 * - 1,5 * : * 2,4 *

( 1 ) Voorlopige ramingen van de diensten van de Commissie op basis van huidig of te verwachten beleid .

( 2 ) Procentuele verandering ten opzichte van de voorafgaande periode op jaarbasis .

( 3 ) Eind van het jaar .

In Nederland droegen begrotingsrestricties en loonmatiging in de particuliere sector bij tot een verdere verlaging van de binnenlandse vraag in 1983 . Anderzijds stelde de gunstige kostenontwikkeling de Nederlandse exporteurs in staat van de lichte verbetering van de wereldhandel te profiteren . Nadat het bruto binnenlands produkt in 1981 en 1982 met in totaal 2,9 % was gedaald , gaf de economische activiteit in 1983 geen teruggang meer te zien . Niettemin nam de werkloosheid aanmerkelijk toe , hoofdzakelijk wegens een sterke toeneming van de beroepsbevolking . Het werkloosheidscijfer , dat in 1980 met 4,7 % duidelijk beneden het Gemeenschapsgemiddelde lag , beliep in 1983 15,6 % , vergeleken met een Gemeenschapscijfer van 10,4 % . Daarentegen daalde het inflatiepercentage tot gemiddeld 2,8 % , terwijl het in 1982 reeds aanzienlijke overschot op de lopende rekening van de betalingsbalans in 1983 waarschijnlijk 3,3 % van het bruto binnenlands produkt zal bedragen .

Onder invloed van het herstel van de wereldeconomie zal de Nederlandse uitvoer in 1984 sneller toenemen . Daarentegen zal de binnenlandse vraag , in het bijzonder het gezinsverbruik , vermoedelijk opnieuw dalen . Het reële bruto binnenlands produkt zal ten opzichte van 1983 niet stijgen , terwijl het werkloosheidscijfer waarschijnlijk tot 17,6 % zal oplopen . De inflatie zal betrekkelijk gering blijven en gezien de zwakte van de binnenlandse vraag zal het overschot op de lopende rekening van de betalingsbalans waarschijnlijk opnieuw stijgen .

Het is niet eenvoudig tegen deze achtergrond een strategie voor het economische beleid te ontwikkelen . Het stijgende overschot op de lopende rekening van de betalingsbalans , de sterke positie van de gulden op de valutamarkten , het grote besparingsoverschot in de particuliere sector , de slapte van de investeringen , de stabiliteit van de prijzen , het hoge werkloosheidscijfer en de lage bezettingsgraad van de produktiecapaciteiten zijn even zovele aanwijzingen dat de economie zonder grote moeilijkheden een veel grotere binnenlandse vraag zou kunnen opvangen . De loonmatiging bij voorbeeld , die praktisch geen verandering van de lonen per hoofd in 1984 zal betekenen doch welke als een noodzakelijke voorwaarde voor de handhaving van de concurrentiekracht en voor de verbetering van de rentabiliteit van de bedrijven en het investeringsklimaat wordt beschouwd , zal , indien te ver doorgevoerd , een overmatig contractief effect op de finale vraag hebben . De aanwending van het begrotingsbeleid als instrument ter bevordering van het economisch herstel stoot echter ongetwijfeld op grote bezwaren .

De mogelijkheden voor maatregelen op het gebied van de openbare financiën zijn bijzonder beperkt als gevolg van de snelle stijging van het financieringstekort gedurende de laatste jaren . Dit is namelijk in drie jaar verdubbeld en zou nog sneller toenemen indien geen passende maatregelen worden genomen . De situatie is des te zorgwekkender daar de collectieve lastendruk hoger is dan in enig ander land van de Gemeenschap en zowel het reële beschikbare inkomen van de gezinnen als de rentabiliteit van het bedrijfsleven in toenemende mate worden uitgehold . Daarom is de voortzetting van een restrictief begrotingsbeleid onontkoombaar , dit te meer daar de belastingontvangsten wegens de zwakke economische bedrijvigheid en de lage inflatie slechts zeer langzaam stijgen , het inkomen uit aardgas niet meer toeneemt en sommige uitgavenposten , met name die welke verband houden met de werkloosheid , nog steeds snel groeien . De ontwerp-begroting voor 1984 voorziet wederom in een programma ter vermindering van de uitgaven en wel tot een bedrag van ruim 10 miljard gulden met name op het gebied van de overheidssalarissen , de sociale zekerheid en de volksgezondheid . In de ontwerp-begroting is eveneens een lastenverlichting voor het bedrijfsleven van 2 miljard gulden opgenomen , alsmede nieuwe ontvangsten ten bedrage van ongeveer 3 miljard gulden , zodat de totale belastingdruk nauwelijks verandering ondergaat . Het netto-financieringstekort van de centrale overheid en de lagere overheden , volgens de nationale definities , zal aldus van 12,4 % van het netto nationale inkomen in 1983 tot 12,1 % in 1984 kunnen worden teruggebracht . Dit zou kunnen bijdragen tot een verlaging van de rentevoet - die reëel gezien nog steeds tot de hoogste in de Gemeenschap behoort - en de produktieve investeringen kunnen stimuleren .

Op middellange termijn wordt verwacht , dat de gekozen strategie de groei zal bevorderen : door een versterking van de competitiviteit zal de uitvoer worden gestimuleerd terwijl door een verbetering van de rentabiliteit de investeringen worden versterkt . Een verdere stijging van de werkloosheid in 1984 zal echter niet kunnen worden voorkomen . Bijzondere aandacht moet derhalve worden besteed aan het vinden van mogelijkheden van arbeidstijdverkorting en van vergroting van de mobiliteit van de arbeidskrachten , zonder dat hiermee echter een verhoging van de loonkosten gepaard mag gaan .

TABEL 12

Nederland : belangrijkste economische grootheden , 1961 - 1984

* Groeivoet BBP in waarde * Groeivoet BBP in volume * Prijsindexcijfer van het BBP * Stijging van de consumptieprijzen * Loonsom per werknemer * Lopende rekening van de betalingsbalans * Saldo van de gehele overheid * Groei van de liquiditeitenmassa M2 ( 3 ) * Werkloosheid in % van de beroepsbevolking *

* % * % * % * % ( 2 ) * % ( 2 ) * % BBP * % BBP * % * % *

1961 - 1970 * 10,6 * 5,2 * 5,2 * 4,1 * 10,6 * 0,0 * - 0,9 * 9,1 * 0,9 *

1971 - 1980 * 10,7 * 2,8 * 7,6 * 7,7 * 10,7 * 1,3 * - 1,4 * 10,8 * 3,4 *

1981 * 4,3 * - 1,2 * 5,6 * 6,2 * 3,3 * 2,2 * - 5,2 * 5,2 * 7,1 *

1982 * 4,0 * - 1,6 * 5,7 * 5,7 * 5,7 * 2,7 * - 6,9 * 7,6 * 12,7 *

1983 ( 1 ) * 1,9 * 0,3 * 1,6 * 2,8 * 3,2 * 3,3 * - 6,7 * 5,5 * 15,6 *

1984 ( 1 ) * 2,4 * 0,0 * 2,4 * 3,6 * 0,1 * 4,4 * - 7,1 * 6,0 * 17,6 *

( 1 ) Voorlopige ramingen van de diensten van de Commissie op basis van huidig of te verwachten beleid .

( 2 ) Procentuele verandering ten opzichte van de voorafgaande periode op jaarbasis .

( 3 ) Eind van het jaar .

In het Verenigd Koninkrijk is de economische bedrijvigheid in 1983 betrekkelijk snel gestegen ( groei van het BBP : 2,5 - 3 % ) , sneller dan in enige periode sinds 1978 en in een tempo dat beduidend hoger ligt dan het Gemeenschapsgemiddelde . Dit is vooral toe te schrijven aan de krachtige ontwikkeling van het particuliere verbruik . De spaarneiging van de consumenten bleef namelijk dalen en de stijging van de consumentenprijzen viel terug tot 5 à 6 % . Daarnaast kwam aan de lange periode van voorraadvermindering gedurende de jaren 1980 tot en met 1982 een einde . De invloed van deze ontwikkelingen op de binnenlandse produktie is echter beperkt gebleven door een aanzienlijke groei van de invoer , terwijl de uitvoer naar volume niet overeenkomstig is gestegen . De werkloosheid neemt nog steeds toe zij het in een minder snel tempo dan in de voorgaande jaren . De uitvoering van de begroting kwam grosso modo met de doelstellingen overeen . Daarentegen hebben sommige monetaire aggregaten ondanks de hoge reële rentevoet een snellere stijging te zien gegeven dan werd nagestreefd .

De groei zal waarschijnlijk in 1984 voortgaan doch wellicht in een lager tempo dan in het lopende jaar , namelijk met 2 à 2,5 % . Het particulier verbruik zal vermoedelijk langzamer expanderen en dit zal niet volledig worden gecompenseerd door een snellere groei van investeringen en uitvoer . Aangenomen mag worden dat de industriële produktie iets sneller zal toenemen dan in 1983 . Gevreesd moet worden voor een verdere stijging van de werkloosheid . Lonen en prijzen zullen in dezelfde mate blijven stijgen .

Gedurende de laatste paar jaren heeft de economie van het Verenigd Koninkrijk een aanzienlijke structurele aanpassing ondergaan , deels als gevolg van de exploitatie van de aardolie in de Noordzee en deels dank zij beleidsmaatregelen die voornamelijk gericht waren op een aanzienlijke vermindering van de inflatie . Aangezien deze aanpassingen samenvielen met een periode van internationale recessie waren hun effecten op de binnenlandse vraag , de produktie en de werkgelegenheid zelfs groter dan anders had mogen worden verwacht . Ondanks het herstel dat thans gaande is ligt het peil van de BBP eerst sinds kort op dat van 1979 en een periode van duurzame groei zou noodzakelijk zijn om het werkloosheidspeil aanmerkelijk te verlagen . De realisatie van een zodanige groei zal worden bevorderd door verbeteringen van de industriële structuur en van de produktiviteit en door matiging van lonen en prijzen . Desalniettemin blijven de vooruitzichten nog steeds onzeker wegens de onevenwichtige aard van het huidige herstel , dat althans gedurende deze beginfase hoofdzakelijk wordt gedragen door de consumptieve vraag . Aangezien het Verenigd Koninkrijk iets eerder dan zijn belangrijkste handelspartners uit de recessie is gekomen en als gevolg van de relatieve zwakte van de internationale concurrentiepositie , is een aanmerkelijke verslechtering van de betalingsbalans opgetreden , waarbij de handelsbalans voor wat industrieprodukten betreft deficitair is geworden . De investeringen in vaste activa hebben tot dusver weinig reactie getoond op de groei van de vraag , hetgeen een factor is die een ongunstig effect kan hebben op de aanbodszijde in een later stadium van de cyclus .

Om een meer evenwichtige groei te bewerkstelligen is het nodig de op de arbeidsmarkt bereikte verbeteringen te consolideren . Wat de internationale concurrentiepositie betreft hebben de aanzienlijke produktiviteitsverbeteringen gedurende de recessie ertoe bijgedragen dat een gedeelte van de appreciatie van het pond is gecompenseerd ; in de komende jaren zal deze vooruitgang echter geringer zijn . Ter bevordering van de investeringen is een verdere herverdeling van de relatieve factorinkomens , in die zin dat geïnvesteerd vermogen een hoger rendement oplevert , noodzakelijk . Het is derhalve van belang dat de lonen niet sneller toenemen , ook al zou dit wel het geval zijn ten aanzien van de consumptieprijzen . De vooruitzichten voor de industriële produktie en de werkgelegenheid op langere termijn zijn afhankelijk van een versterking van de concurrentiepositie . Deze zou moeten worden verkregen door loonmatiging en - indien de markt dit toelaat - door een zekere aanpassing van de wisselkoers .

Gedurende de laatste jaren is de monetaire situatie sterk verbeterd aangezien de inflatie , de nominale rentevoet en de groei van de monetaire grootheden een daling te zien gaven ten opzichte van het zeer hoge niveau dat tevoren werd geregistreerd . De groei van het gezinsverbruik gedurende de laatste 18 maanden ging echter vergezeld van een scherpe stijging van de consumptieve kredietverlening en enige versnelling van de monetaire groei . Terzelfdertijd heeft de reële rentevoet de kredietopneming door bedrijven ondanks de expansie van de vraag ontmoedigd . Ofschoon de monetaire groei de doelmarge ( 7 tot 11 % op jaarbasis ) die voor 1983/1984 werd aangehouden in de in maart gepubliceerde Medium Term Financial Strategy ( MTFS ) heeft overschreden , bleven de autoriteiten zoals uit andere indicatoren blijkt een behoedzaam beleid voeren ; wellicht zouden zij thans een zekere verlaging van de rentevoet in overweging kunnen nemen ten einde de kredietopneming voor investeringen en voorraadvorming te stimuleren . Voor 1984/1985 werd in de MTFS van maart 1983 een illustratieve marge van 6 tot 10 % voor de groei van de monetaire agregaten vastgesteld . Dit lijkt verenigbaar met de financiële vooruitzichten voor die periode - vooral in het licht van het te verwachten financieringstekort van de publieke sector - en lijkt een bescheiden verdere daling van de rentevoet mogelijk te maken .

De ontwikkeling van de openbare financiën in het lopende begrotingsjaar is van zodanige aard dat het netto-financieringstekort van de publieke sector ( PSBR ) waarschijnlijk dicht bij het in de MTFS aangegeven streefcijfer zal komen te liggen ( 8 200 miljoen pond sterling of 2,75 % van het BBP ) . In juli 1983 werden maatregelen afgekondigd ten einde de uitgaven binnen de grenzen van de begrotingskredieten te houden . Het blijft echter mogelijk dat de werkelijke cijfers voor zowel uitgaven als ontvangsten iets boven de geplande niveaus zullen liggen .

Voor 1984/1985 betekent het MTFS-streefcijfer voor het PSBR van 8 000 miljoen pond sterling of 2,5 % van het BBP een in grote lijnen ongewijzigd financieel beleid , gegeven de stijging van de ontvangsten voortvloeiende uit de matige groei van de economie . Gezien het bescheiden peil van het nagestreefde financieringstekort zowel voor het lopende als voor het volgende begrotingsjaar , zou een zekere overschrijding kunnen worden aanvaard .

Op langere termijn kan er ruimte zijn voor verlaging van het relatieve peil van de overheidsbestedingen en derhalve ook van de belastingdruk . Daarbij zou de structuur van de uitgaven moeten worden verbeterd in de zin van een versterking van de produktieve uitgaven . Dit hangt af , deels van het algemene peil van de uitgaven en deels van het bereiken van een toereikende economische groei zodat de uitgavencategorieën die door de vraag in de economie worden bepaald , zoals de met de werkloosheid verband houdende uitkeringen , kunnen worden verminderd . De mogelijkheden voor inkrimpingen van andere uitgavenprogramma's lijken beperkter gezien demografische factoren ( de stijgende gemiddelde leeftijd van de bevolking ) en het lage peil van de overheidsinvesteringen in de afgelopen jaren .

TABEL 13

Verenigd Koninkrijk : belangrijkste economische grootheden , 1961 - 1984

* Groeivoet BBP in waarde * Groeivoet BBP in volume * Prijsindexcijfer van het BBP * Stijging van de consumptieprijzen * Loonsom per werknemer * Lopende rekening van de betalingsbalans * Saldo van de gehele overheid * Groei van de liquiditeitenmassa M2 ( 3 ) * Werkloosheid in % van de beroepsbevolking *

* % * % * % * % ( 2 ) * % ( 2 ) * % BBP * % BBP * % * % *

1961 - 1970 * 7,2 * 2,8 * 4,2 * 4,0 * 7,1 * 0,0 * - 0,7 * 5,9 * 1,9 *

1971 - 1980 * 16,0 * 1,9 * 13,9 * 13,3 * 16,2 * - 0,7 * - 3,2 * 14,5 * 4,4 *

1981 * 9,9 * - 2,0 * 12,1 * 11,0 * 14,7 * 2,4 * - 2,9 * 14,6 * 9,6 *

1982 * 9,4 * 1,5 * 7,8 * 8,0 * 8,8 * 1,5 * - 2,1 * 9,3 * 11,1 *

1983 ( 1 ) * 7,9 * 2,8 * 4,9 * 5,7 * 7,9 * 0,2 * - 2,2 * 10,6 * 11,7 *

1984 ( 1 ) * 7,2 * 2,2 * 4,8 * 5,8 * 6,3 * - 0,2 * - 2,1 * 8,6 * 11,9 *

( 1 ) Voorlopige ramingen van de diensten van de Commissie op basis van huidig of te verwachten beleid .

( 2 ) Procentuele verandering ten opzichte van de voorafgaande periode op jaarbasis .

( 3 ) Sterling M3 .