82/47/EEG: Beschikking van de Commissie van 16 december 1981 betreffende een steun die de Britse Regering voornemens is te verlenen ten behoeve van de uitvoer van twee schepen naar Panama (Slechts de tekst in de Engelse taal is authentiek)
Publicatieblad Nr. L 020 van 28/01/1982 blz. 0043 - 0044
***** BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE van 16 december 1981 betreffende een steun die de Britse Regering voornemens is te verlenen ten behoeve van de uitvoer van twee schepen naar Panama (Slechts de tekst in de Engelse taal is authentiek) (82/47/EEG) DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN, Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, inzonderheid op artikel 93, lid 2, eerste alinea, Na belanghebbenden overeenkomstig artikel 93 te hebben aangemaand hun opmerkingen te maken en gezien deze opmerkingen, I Overwegende dat de steunmaatregelen van de Lid-Staten op het gebied van de exportkredieten voor schepen onderworpen zijn aan het bepaalde in artikel 2 van Richtlijn 81/363/EEG van de Raad van 28 april 1981 betreffende de steunverlening aan de scheepsbouw (1); dat dat artikel verwijst naar de bepalingen van de resolutie van de OESO-Raad van 30 juli 1981; Overwegende dat krachtens artikel 7 van de bijlage van Beschikking 73/391/EEG van de Raad (2) de afzonderlijke gevallen van steunverlening in de vorm van kredietfaciliteiten moeten worden onderworpen aan een procedure van voorafgaand communautair overleg; Overwegende dat de Britse Regering bij telex van 19 juni 1981 de Commissie en de andere Lid-Staten in het kader van deze procedure in kennis heeft gesteld van haar voornemen een krediet te verlenen van tien jaar met een rentevoet van 9 % ten bedrage van 95 % van de verkoopprijs van twee tankers van 29 900 brt; dat het land van bestemming van deze schepen Panama is; Overwegende dat krachtens de resolutie van de OESO-Raad van 30 juli 1981, die mede door de Gemeenschap is ondertekend en bijgevolg krachtens artikel 2 van Richtlijn 81/363/EEG, de kredietfaciliteiten van de overheid niet langer mogen worden verleend dan 8,5 jaar; dat de rentevoet niet lager mag zijn dan 8 % en het voorschot dat uiterlijk bij de levering wordt gestort niet lager mag zijn dan 20 %; Overwegende dat de Britse Regering blijk heeft gegeven van haar bereidheid de geboden kredietvoorwaarden aan te passen aan die welke de Zweedse Regering heeft verleend voor de levering van overeenkomstige schepen van hetzelfde type; Overwegende dat laatstgenoemde regering bevestigd heeft kredietvoorwaarden te hebben aangeboden betreffende de levering van twee soortgelijke schepen aan Indonesië in het kader van steunverlening aan een ontwikkelingsland; dat de Zweedse Regering een subsidie zou verlenen van 25 % van de contractprijs en een financiering voor tien jaar van 95 % van het saldo; II Overwegende dat in het kader van de bij Beschikking 73/391/EEG ingestelde procedure, de Commissie aan de Britse Regering op 25 juni 1981 een afwijzend advies heeft uitgebracht betreffende de door die regering overwogen steunmaatregel aangezien deze niet bleek te voldoen aan de uitzonderingsbepalingen van de resolutie van de OESO van 30 juli 1981; Overwegende dat de Commissie bij brief van 11 augustus 1981 de Britse Regering overeenkomstig artikel 93, lid 2, van het EEG-Verdrag heeft aangemaand haar opmerkingen te maken met betrekking tot de veronderstelde onverenigbaarheid van de overwogen steunmaatregel; Overwegende dat de Britse Regering haar opmerkingen heeft toegezonden bij brief van 11 september 1981 waarin zij erop heeft gewezen dat het naar haar mening gerechtvaardigd was over te gaan tot aanpassing van het Zweedse aanbod; dat de vastgestelde procedures in acht werden genomen om de Commissie in staat te stellen haar mening kenbaar te maken; III Overwegende dat het onderzoek van dit steunvoornemen in het kader van de beleidscooerdinatiegroep kredietverzekering, garanties en financieringskredieten, overeenkomstig Richtlijn 73/391/EEG, op geen enkele wijze vooruit kan lopen op het onderzoek naar de verenigbaarheid van de steun met artikel 92 van het EEG-Verdrag en met Richtlijn 81/363/EEG op het gebied van steunverlening aan de scheepsbouw; Overwegende dat de door de Britse Regering overwogen steunmaatregel de handel tussen de Lid-Staten kan beïnvloeden en de mededinging in de zin van artikel 92, lid 1, van het EEG-Verdrag kan vervalsen door steunverlening voor de bouw en verkoop van Overwegende dat de verlening van een dergelijke steun voor de verkoop ertoe in staat stelt bepaalde produktiecapaciteiten in de scheepsbouwsector te laten voortbestaan en dat de financiële toestand van bepaalde ondernemingen in het Verenigd Koninkrijk wordt versterkt, terwijl de scheepswerven van de andere Lid-Staten, waaraan een dergelijke steun niet of in mindere mate wordt verleend, zelf de totale kosten van verkoop van hun schepen moeten dragen; Overwegende dat in Richtlijn 81/363/EEG in artikel 2 is bepaald dat steunmaatregelen in de vorm van door de Lid-Staten verleende kredietfaciliteiten als verenigbaar met de gemeenschappelijke markt kunnen worden beschouwd, mits zij in overeenstemming zijn met de resolutie van de OESO-Raad van 30 januari 1980 of met de akkoorden die eventueel in de plaats daarvan komen, in dit geval de resolutie van de OESO-Raad van 30 juli 1981; Overwegende dat de Britse Regering de toekenning van kredietfaciliteiten voor de export van de schepen wenst te baseren op gunstiger voorwaarden dan die welke normaliter bij de resolutie van de OESO-Raad van 30 juli 1981 zijn gesteld voor de in paragraaf 8 van genoemde resolutie bepaalde mogelijkheid voor de betrokken regeringen dergelijke voorwaarden aan te bieden ten einde een aanpassing in deze te verkrijgen voor transacties waaraan overheidssteun wordt verleend en de inbreuken die door andere deelnemers zouden kunnen worden gepleegd te bestrijden of wel het hoofd te bieden aan de mededinging van niet-deelnemende landen; Overwegende dat in het onderhavige geval de Commissie geen aanbod bekend is van een niet-deelnemend land en de Britse Regering geen melding heeft gemaakt van een dergelijk aanbod; dat er overigens geen inbreuk wordt gepleegd op de normale voorwaarden van de resolutie van 30 juli 1981 door een ander deelnemend land; dat het Zweedse aanbod, dat uiteindelijk voor gelijke schepen schijnt te gelden als die waarvoor het Britse aanbod geldt, een Indonesische reder betreft, hetgeen de toekenning van gunstiger kredietvoorwaarden rechtvaardigt om echte redenen van hulpverlening; dat het Britse aanbod daarentegen een in Panama gevestigde reder betreft; dat er derhalve geen enkele deugdelijke reden is voor de Britse Regering gunstiger kredietvoorwaarden te verstrekken dan de normale bij de resolutie van 30 juli 1981 gestelde voorwaarden; dat de ondertekenaars door middel van deze resolutie overigens hebben willen vermijden dat dergelijke voorwaarden worden verstrekt voor schepen die onder de vlag van een land met vrije registratie zullen varen; Overwegende dat de Britse Regering zelf in haar brief van 11 september 1981 heeft geconstateerd dat paragraaf 6 van de resolutie van de OESO-Raad niet van toepassing is; dat deze regering een eventuele toepassing van paragraaf 7 van die resolutie niet heeft kunnen rechtvaardigen; Overwegende derhalve dat de steun waarvan door de Britse Regering kennis is gegeven niet voldoet aan enige uitzonderingsbepaling van de resolutie van de OESO-Raad; Overwegende dat derhalve de bovengenoemde voorgenomen steun niet aan de nodige voorwaarden tot toepassing van de uitzonderingsbepalingen van artikel 2 van Richtlijn 81/363/EEG, de enige bepaling van de richtlijn die in aanmerking zou komen, voldoet; dat deze steun om dezelfde redenen niet aan de uitzonderingsbepalingen van artikel 92, lid 3, van het EEG-Verdrag voldoet, HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN: Artikel 1 Het Verenigd Koninkrijk mag zijn bij telex van 19 juni 1981 aan de Commissie gemelde voornemen, kredietfaciliteiten toe te kennen voor de verkoop van twee tankers aan een Panamese reder, niet tot uitvoering brengen. Artikel 2 Het Verenigd Koninkrijk zal de Commissie, binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van deze beschikking, mededeling doen van de maatregelen die het getroffen heeft tot nakoming daarvan. Artikel 3 Deze beschikking is gericht tot het Verenigd Koninkrijk. Gedaan te Brussel, 16 december 1981. Voor de Commissie Frans ANDRIESSEN Lid van de Commissie (1) PB nr. L 137 van 23. 5. 1981, blz. 39. (2) PB nr. L 346 van 17. 12. 1973, blz. 1.