31982A0864

82/864/EEG: Avies van de Commissie van 15 december 1982 aan de Franse Regering over een ontwerp van oriëntatiewet voor het binnenlands vervoerr

Publicatieblad Nr. L 361 van 22/12/1982 blz. 0027 - 0029


*****

ADVIES VAN DE COMMISIE

van 15 december 1982

aan de Franse Regering over een ontwerp van oriëntatiewet voor het binnenlands vervoer

(82/864/EEG)

Overeenkomstig artikel 1 van de beschikking van de Raad van 21 maart 1962 houdende vaststelling van een procedure voor het voorafgaande onderzoek en overleg omtrent bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen welke door de Lid-Staten op het gebied van het vervoer worden overwogen (1), gewijzigd bij beschikking van de Raad van 22 november 1973 (2), heeft de Franse Regering de Commissie bij brief van 17 september 1982 van haar permanente vertegenwoordiging bij de Europese Gemeenschappen een ontwerp van oriëntatiewet voor het binnenlands vervoer toegezonden.

De brief van de permanente vertegenwoordiging is op 20 september 1982 door de Commissie ontvangen en is overeenkomstig artikel 1 van genoemde beschikking van de Raad eveneens aan de andere Lid-Staten ter kennis gebracht.

Op initiatief van de Commissie is op 11 oktober 1982 te Brussel een informatievergadering gehouden met de Franse Regering. Dezelfde dag is overeenkomstig artikel 2, lid 3, van genoemde beschikking overleg gepleegd met de Lid-Staten over de betrokken bepalingen.

Overeenkomstig artikel 2, lid 1, van de beschikking van de Raad brengt de Commissie het volgende advies uit:

1. De Commissie heeft met belangstelling kennis genomen van het ontwerp van oriëntatiewet voor het binnenlands vervoer, dat de Franse Regering haar voor onderzoek en overleg heeft voorgelegd. Zij constateert dat het ontwerp van wet volgens de Franse Regering ten doel heeft, een doelmatiger vervoersysteem ter beschikking van de collectiviteit te stellen en de voorwaarden te scheppen om in een algemeen kader een nieuwe actie te ondernemen ten einde de moeilijkheden die deze sector van economische bedrijvigheid in Frankrijk thans ondervindt te overwinnen.

2. Bij het onderzoek van het ontwerp beperkt de Commissie zich overeenkomstig de beschikking van de Raad van 21 maart 1962 tot de aspecten die voor de verwezenlijking van het gemeenschappelijk vervoerbeleid in het kader van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap van belang zijn. Het advies van de Commissie moet derhalve tot dit vlak, en meer bepaald tot de weerslag die de betrokken beleidsvoornemens op het communautair internationaal vervoer zouden kunnen hebben, worden beperkt. De Commissie roert de nationale aspecten van het ontwerp van wet slechts aan voor zover dat voor de uitvoering van het Verdrag of de communautaire voorschriften nodig is.

3. De Commissie keurt het initiatief van de Franse Regering goed om bij wet het algemene kader te scheppen voor een algemeen beleid inzake het binnenlands goederen- en personenvervoer. Aangezien het er hier slechts nog om gaat in deze kaderwet fundamentele principes vast te stellen, middelen vrij te maken en de procedures voor deze actie te bepalen, moet de Commissie haar definitieve goedkeuring nog voorbehouden tot wanneer de toepassingsmaatregelen die voortvloeien uit de uitvoering van de oriëntatiewet zijn onderzocht tegen de achtergrond van het communautair vervoerbeleid.

4. Ten aanzien van titel I van het ontwerp van wet, die algemene voorschriften voor de verschillende takken van vervoer bevat,

- merkt de Commissie met belangstelling de uitdrukkelijke erkenning op van het recht van het individu op vervoer, gekoppeld aan de vrije keuze van de middelen door de gebruiker (artikel 1);

- is zij van mening dat het aan dit beleid gestelde doel, te weten het verwezenlijken van een harmonische en complementaire ontwikkeling van de verschillende takken van individueel en openbaar vervoer, waarbij rekening wordt gehouden met de werkelijke economische kosten en de grondslagen worden gelegd voor een eerlijke concurrentie tussen de takken en ondernemingen van vervoer (artikel 3), in overeenstemming is met het gemeenschappelijk vervoerbeleid;

- beoordeelt zij gunstig de door de Franse Regering in de artikelen 1 en 3 aangebrachte wijzigingen, die ertoe strekken de nationale beleidslijnen in een Europees verband te plaatsen en volgens welke het systeem van binnenlands vervoer »tot de uitbreiding van het internationale en met name Europese handelsverkeer" en het algemene vervoerbeleid »tot de ontwikkeling en verbetering van het Europees vervoerbeleid" bijdragen;

- neemt zij kennis van de voorgenomen decentralisatie-inspanning van de Franse Regering inzake vervoer en van de vaststelling van vervoerschema's op basis van een benadering van alle vervoertakken samen (artikel 4);

- heeft zij geen bezwaar tegen de voorziene taken voor het openbaar vervoer (artikel 5), noch tegen de voorwaarden waaronder het openbaar vervoer zal functioneren (artikelen 6 tot en met 8);

- brengt zij in herinnering dat de ten aanzien van de werking van de vervoermarkt alsmede op sociaal gebied te nemen uitvoeringsmaatregelen (artikelen 6 tot en met 13) verenigbaar moeten zijn met de van kracht zijnde communautaire voorschriften;

- merkt zij op dat in het ontwerp van wet veel belang wordt toegekend aan de naleving van de sociale voorschriften bij het vervoer, hetgeen tot uitdrukking moet komen in een strikte toepassing en een doelmatig toezicht op de naleving van de desbetreffende communautaire bepalingen;

- neemt zij kennis van de voorgenomen maatregelen, met name ten aanzien van de toerekening aan de betrokkenen van de niet-naleving van de sociale en veiligheidsvoorschriften alsook van de nietigheid van de contractuele clausules, hetgeen aanleiding geeft tot overschrijding van de maximaal toegestane afstanden en arbeidsduur;

- constateert zij dat de opzet van een infrastructuurprogrammering (artikelen 14 en 15) op basis van de uitkomsten van een onderzoek naar de sociaal-economische rentabiliteit van infrastructuurprojecten in de lijn ligt van die welke ten grondslag ligt aan de werkzaamheden van de Gemeenschap op dat gebied. Zij vestigt evenwel de aandacht op het feit dat de richtschema's ten aanzien van op middellange termijn uit te voeren projecten waarschijnlijk geen voldoende antwoord zullen inhouden om op het niveau van de Gemeenschap bij te dragen tot een uitwisseling van informatie betreffende de plannen en programma's (artikel 5 van de beschikking van 20 februari 1978 (1)), en dat het in dit verband dienstig zou zijn kennis te nemen van de beleidslijnen voor de Franse programmering in het algemeen.

5. Ten aanzien van titel II van het ontwerp van wet, die de bepalingen betreffende de afzonderlijke takken van vervoer bevat, merkt de Commissie het volgende op:

a) wat betreft het vervoer per spoor (artikelen 18 tot en met 26):

- neemt zij kennis van het voornemen van de Franse Regering om

i) met ingang van 1 januari 1983 de rechtspositie van de SNCF te wijzigen door een industriële en commerciële overheidsinstelling op te richten, die de naam behoudt van de maatschappij waarvoor zij in de plaats komt;

ii) de autonomie van de SNCF inzake beheer te handhaven in het kader van een nieuw vervoerreglement en van een plancontract;

iii) de SNCF de financiële bijstand van de staat te verzekeren, met name met het oog op herstel van haar financiële situatie;

- constateert zij dat deze maatregelen in overeenstemming zijn met het gemeenschappelijk vervoerbeleid en brengt zij in herinnering dat de Franse Regering, bij het uitwerken van de uitvoeringsvoorschriften van de wet en in het bijzonder van het vervoerreglement, het plancontract en de begrotingswetten, de desbetreffende communautaire voorschriften, en met name de Verordeningen (EEG) nr. 1191/69 (2), (EEG) nr. 1192/69 (3) en (EEG) nr. 1107/70 van de Raad (4), gewijzigd bij de Verordeningen (EEG) nr. 1473/75 (5) en (EEG) nr. 1658/82 (6), alsmede de Beschikkingen 75/327/EEG (7) en 82/529/EEG (8) van de Raad, zal moeten naleven;

b) wat betreft het vervoer over de weg (artikelen 29 tot en met 39):

- constateert zij dat de voorgenomen specifieke bepalingen, voor zover deze op basis van de in hoofdstuk 1 vastgestelde algemene beginselen zullen worden uitgewerkt, verenigbaar zijn met de algemene lijnen van het gemeenschappelijk vervoerbeleid;

- neemt zij kennis van het voornemen, de ontwikkeling van het goederenvervoer over de weg overeenkomstig de eigen voordelen van dit vervoer en de samenwerking tussen de ondernemingen van wegvervoer onder elkaar en met de andere takken van vervoer te bevorderen;

c) wat betreft het vervoer over de binnenwateren (artikelen 40 t/m 42):

- merkt zij op dat voor het vervoer over de binnenwateren een ontwikkelingsschema zal worden opgesteld dat een richtschema voor de waterwegen en een geheel van economische en sociale maatregelen die op de doelstellingen van de oriëntatiewet zijn afgestemd zal omvatten;

- neemt zij in het bijzonder kennis van de oprichting van een nationale kamer van particuliere schippers, hetgeen een interessante benadering kan zijn in het kader van een structuurbeleid voor de binnenvaart;

d) wat betreft het luchtvervoer (artikelen 43 en 44) constateert zij dat de voorgestelde wijzigingen van de bestaande nationale wetgeving geen bezwaren opleveren voor het gemeenschappelijk vervoerbeleid.

6. Ten aanzien van titel III van het ontwerp van wet (artikelen 45 t/m 48), die gewijd is aan diverse bepalingen,

- heeft de Commissie opgemerkt dat, volgens de verstrekte bijzonderheden, de definitie van binnenlands vervoer in artikel 45 bestemd is om bepaalde specifieke gevallen te verduidelijken die voortvloeien hetzij uit de bijzondere situatie van gebieden buiten het moederland hetzij uit een eventuele toepassing van internationale verdragen of akkoorden op binnenlands vervoer;

- vestigt zij evenwel de aandacht van de Franse Regering op het dubbelzinnig karakter van de huidige redactie van artikel 45, waaruit niet duidelijk kan worden opgemaakt hoe deze definitie in communautair verband moet worden gezien en of zij bij voorbeeld van toepassing is op een transport van en naar Frans grondgebied dat voor een deel over het grondgebied van een of meer Lid-Staten loopt;

- verzoekt zij de Franse Regering derhalve, de tekst van het ontwerp van wet te wijzigen ten einde deze dubbelzinnigheid op te heffen.

Door deze verandering zou gepreciseerd moeten worden dat de wet van toepassing is zonder te prejudiceren op de verplichtingen die voortvloeien uit het Verdrag waarbij de Europese Economische Gemeenschap is opgericht alsmede uit andere internationale verdragen en akkoorden ter zake.

7. De Commissie constateert dat het haar voorgelegde ontwerp van wet betrekking heeft op de algemene lijnen van het nationale beleid voor het binnenlands vervoer en dat de draagwijdte ervan slechts met kennis van de uitvoeringsmaatregelen die eruit zullen voortvloeien ten volle zal kunnen worden beoordeeld. Zij verzoekt de Franse Regering derhalve, haar in het kader van de bij de beschikking van de Raad van 21 maart 1962 vastgestelde procedure voor voorafgaand onderzoek en overleg tijdig kennis te geven van die uitvoeringsmaatregelen.

8. De Commissie stelt de andere Lid-Staten van dit advies in kennis.

Gedaan te Brussel, 15 december 1982.

Voor de Commissie

Giorgios CONTOGEORGIS

Lid van de Commissie

(1) PB nr. 23 van 3. 4. 1962, blz. 720/62.

(2) PB nr. L 347 van 17. 12. 1973, blz. 48.

(1) Beschikking van de Raad van 20 februari 1978 tot instelling van een overlegprocedure en tot oprichting van een Comité voor de vervoerinfrastructuur, PB nr. L 54 van 25. 2. 1978.

(2) PB nr. L 156 van 28. 6. 1969, blz. 1.

(3) PB nr. L 156 van 28. 6. 1969, blz. 8.

(4) PB nr. L 130 van 15. 6. 1970, blz. 1.

(5) PB nr. L 152 van 12. 6. 1975, bz. 1.

(6) PB nr. L 184 van 29. 6. 1982, blz. 1.

(7) PB nr. L 152 van 12. 6. 1975, blz. 3.

(8) PB nr. L 234 van 9. 8. 1982, blz. 5.