Richtlijn 81/680/EEG van de Commissie van 30 juli 1981 tot wijziging van de Richtlijnen 71/250/EEG, 71/393/EEG, 72/199/EEG, 73/46/EEG, 74/203/EEG, 75/84/EEG, 76/372/EEG en 78/633/EEG houdende vaststelling van gemeenschappelijke analysemethoden voor de officiële controle van diervoeders
Publicatieblad Nr. L 246 van 29/08/1981 blz. 0032 - 0035
Bijzondere uitgave in het Fins: Hoofdstuk 3 Deel 13 blz. 0225
Bijzondere uitgave in het Spaans: Hoofdstuk 03 Deel 23 blz. 0057
Bijzondere uitgave in het Zweeds: Hoofdstuk 3 Deel 13 blz. 0225
Bijzondere uitgave in het Portugees: Hoofdstuk 03 Deel 23 blz. 0057
RICHTLIJN VAN DE COMMISSIE van 30 juli 1981 tot wijziging van de Richtlijnen 71/250/EEG , 71/393/EEG , 72/199/EEG , 73/46/EEG , 74/203/EEG , 75/84/EEG , 76/372/EEG en 78/633/EEG houdende vaststelling van gemeenschappelijke analysemethoden voor de officiële controle van diervoeders ( 81/680/EEG ) DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN , Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap , Gelet op Richtlijn 70/373/EEG van de Raad van 20 juli 1970 betreffende de invoering van gemeenschappelijke bemonstering- en analysemethoden voor de officiële controle van diervoeders ( 1 ) , laatstelijk gewijzigd bij de Toetredingsakte van Griekenland , inzonderheid op artikel 2 , Overwegende dat de bijlage bij de eerste Richtlijn 71/250/EEG van de Commissie van 15 juni 1971 betreffende gemeenschappelijke analysemethoden voor de officiële controle van diervoeders ( 2 ) bepalingen bevat voor de algemene toepassing van de analysemethoden die zijn omschreven in Richtlijn 71/250/EEG en in de Richtlijnen 71/393/EEG ( 3 ) , 72/199/EEG ( 4 ) , 73/46/EEG ( 5 ) , 74/203/EEG ( 6 ) , 75/84/EEG ( 7 ) , 76/372/EEG ( 8 ) en 78/633/EEG ( 9 ) van de Commissie houdende vaststelling van gemeenschappelijke analysemethoden voor de officiële controle van diervoeders ; dat echter in een aantal van deze richtlijnen is bepaald dat deze algemene voorschriften niet van toepassing zijn op de analysemethoden die betrekking hebben op toevoegingsmiddelen in diervoeders ; Overwegende dat het noodzakelijk is gebleken deze algemene voorschriften zodanig aan te passen dat zij zonder onderscheid gelden voor de analyse van alle bestanddelen van diervoeders ; dat bijgevolg de bepalingen van de betrokken richtlijnen dienovereenkomstig moeten worden gewijzigd ; Overwegende dat de in deze richtlijn vervatte maatregelen in overeenstemming zijn met het advies van het Permanent Comité voor diervoeders , HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD : Artikel 1 De eerste Richtlijn 71/250/EEG van de Commissie wordt als volgt gewijzigd : 1 . Aan artikel 1 wordt de volgende alinea toegevoegd : " De algemene bepalingen in deel 1 van de bijlage gelden voor de analysemethoden die zijn vastgesteld overeenkomstig Richtlijn 70/373/EEG van de Raad . " . 2 . In de bijlage wordt deel 1 " Inleiding " vervangen door de tekst van de bijlage bij deze richtlijn . Artikel 2 Het tweede lid van artikel 1 van de tweede Richtlijn 71/393/EEG van de Commissie vervalt . Artikel 3 Het tweede lid van artikel 1 en van artikel 2 van de derde Richtlijn 72/199/EEG van de Commissie vervalt . Artikel 4 Het tweede lid van artikel 1 en van artikel 2 van de vierde Richtlijn 73/46/EEG van de Commissie vervalt . Artikel 5 Het tweede lid van artikel 1 en van artikel 2 van de vijfde Richtlijn 74/203/EEG van de Commissie vervalt . Artikel 6 Het tweede lid van artikel 1 van de zesde Richtlijn 75/84/EEG van de Commissie vervalt . Artikel 7 Het tweede lid van artikel 1 van de zevende Richtlijn 76/372/EEG van de Commissie vervalt . Artikel 8 Het tweede lid van artikel 1 van de achtste Richtlijn 78/633/EEG van de Commissie vervalt . Artikel 9 De Lid-Staten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden die nodig zijn om op 1 december 1981 aan deze richtlijn te voldoen en stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis . Artikel 10 Deze richtlijn is gericht tot de Lid-Staten . Gedaan te Brussel , 30 juli 1981 . Voor de Commissie De Voorzitter Gaston THORN ( 1 ) PB nr. L 170 van 3 . 8 . 1970 , blz. 2 . ( 2 ) PB nr. L 155 van 12 . 7 . 1971 , blz. 13 . ( 3 ) PB nr. L 279 van 20 . 12 . 1971 , blz. 7. ( 4 ) PB nr. L 123 van 29 . 5 . 1972 , blz. 6 . ( 5 ) PB nr. L 83 van 30 . 3 . 1973 , blz. 21 . ( 6 ) PB nr. L 108 van 22 . 4 . 1974 , blz. 7. ( 7 ) PB nr. L 32 van 5 . 2 . 1975 , blz. 26 . ( 8 ) PB nr. L 102 van 15 . 4 . 1976 , blz. 8 . ( 9 ) PB nr. L 206 van 29 . 7 . 1978 , blz. 43 . BIJLAGE " BIJLAGE » 1 . ALGEMENE BEPALINGEN BETREFFENDE ANALYSEMETHODEN VOOR DIERVOEDERS A . BEREIDING VAN MONSTERS VOOR ANALYSE 1 . Doel De hieronder beschreven werkwijzen hebben betrekking op het voor analyse gereed maken van , na monstername , naar de controlelaboratoria gezonden monsters , in overeenstemming met de bepalingen welke zijn vastgesteld in de eerste Richtlijn 76/371/EEG van de Commissie van 1 maart 1976 houdende vaststelling van gemeenschappelijke bemonsteringsmethoden voor de officiële controle van diervoeders ( 1 ) . Deze monsters moeten zodanig bereid worden dat de afgewogen hoeveelheden , zoals in de analysemethoden is voorzien , homogeen zijn en representatief voor de eindmonsters . 2 . Voorzorgsmaatregelen Alle noodzakelijke bewerkingen moeten zodanig worden uitgevoerd dat verontreiniging van het monster en veranderingen in de samenstelling zoveel mogelijk worden vermeden . Het malen , mengen en zeven moet zo snel mogelijk gebeuren onder zo gering mogelijke blootstelling van het monster aan lucht en licht . Vermijd het gebruik van maaltoestellen welke het monster aanmerkelijk kunnen verwarmen . Voor voeders die bijzonder gevoelig zijn voor warmte , wordt malen met de hand aanbevolen . Ook moet er voor gewaakt worden dat het maaltoestel zelf niet de oorzaak van verontreiniging met sporenelementen vormt . Als de bereiding niet kan plaatsvinden zonder dat er duidelijke veranderingen in het vochtgehalte van het monster optreden , moet het vochtgehalte vóór en na de bereiding worden bepaald volgens de methode die is vastgelegd in deel 1 van de bijlage bij de tweede Richtlijn 71/393/EEG van de Commissie van 18 november 1971 betreffende de vaststelling van gemeenschappelijke analysemethoden voor officiële controle van veevoeders ( 2 ) , zoals gewijzigd door Richtlijn 73/47/EEG van de Commissie van 5 december 1972 ( 3 ) . 3 . Werkwijze Meng het eindmonster grondig , hetzij mechanisch hetzij met de hand . Verdeel het monster in twee gelijke porties ( indien mogelijk met de vierendeelmethode ) . Bewaar de ene portie in een geschikt schoon en droog vat , dat voorzien is van een luchtdichte stop , en bereid de andere portie , of een representatief deel van ten minste 100 g daarvan , als hieronder is aangegeven . 3.1 . Voeders die als zodanig gemalen kunnen worden Zeef , tenzij in de analysemethoden anders is aangegeven , het gehele monster door een zeef met openingen van 1 mm ( overeenkomstig aanbeveling ISO R.565 ) , zo nodig namalen . Maal niet te fijn . Meng het gezeefde monster en verzamel het in een geschikt schoon en droog vat , dat is voorzien van een luchtdichte stop . 3.2 . Voeders die gemalen kunnen worden na droging Droog het monster , tenzij in de analysemethoden anders is aangegeven , zo ver dat het vochtgehalte tot 8-12 % is teruggebracht , overeenkomstig de voorlopige droogmethode , welke beschreven is onder punt 4.3 van de hierboven in paragraaf 2 vermelde vochtbepalingsmethode . Ga dan verder te werk als in paragraaf 3.1 . 3.3 . Vloeibare of halfvloeibare voeders Verzamel het monster is een geschikt schoon en droog vat , dat voorzien is van een luchtdichte stop . Meng het grondig , vlak voor de hoeveelheid voor analyse wordt afgewogen . 3.4 . Andere diervoeders Monsters die niet volgens een van de bovenstaande methoden kunnen worden bereid , moeten worden behandeld volgens een andere werkwijze , die zodanig is dat in ieder geval de voor de analyse afgewogen hoeveelheden homogeen zijn en representatief voor de eindmonsters . 4 . Bewaren van monsters Bewaar de monsters bij een temperatuur die hun samenstelling niet zal beïnvloeden . Monsters die bestemd zijn voor de analyse van vitaminen of produkten die bijzonder gevoelig zijn voor licht moeten worden bewaard in bruine glazen vaten . B . BEPALINGEN BETREFFENDE IN DE ANALYSEMETHODEN GEBRUIKTE REAGENTIA EN APPARATUUR 1 . Tenzij in de analysemethoden anders is aangegeven , moeten alle reagentia voor analysedoeleinden analytisch zuiver zijn ( p.a. ) . Bij het bepalen van spoorelementen moet de zuiverheid van de reagentia gecontroleerd worden door een blancoproef ; afhankelijk van de verkregen uitkomst , kan verdergaande zuivering van reagentia nodig zijn . 2 . Elke in de analysemethoden genoemde handeling waar het gaat om bereiding van oplossingen , verdunning , spoelen of wassen , zonder dat de aard van het gebruikte oplosmiddel is aangegeven , houdt in dat water moet worden gebruikt . Als algemene regel geldt dat water moet zijn gedemineraliseerd of gedestilleerd . In bepaalde gevallen die in de analysemethoden nader worden aangeduid motet het een speciale zuiveringsbehandeling hebben ondergaan . Water dat gebruikt wordt voor de bepaling van spoorelementen moet twee maal worden gedestilleerd in boorsilicaat- of kwartsapparatuur of twee maal zijn behandeld op een ionenwisselaar . 3 . Van de standaardapparatuur , die normaal in de controlelaboratoria aanwezig is , worden slechts speciale instrumenten en toestellen of apparatuur waaraan bijzondere eisen zijn gesteld in de analysemethoden vermeld . Deze moeten schoon zijn , vooral wanneer het gaat om de bepaling van kleine hoeveelheden stof . C . TOEPASSING VAN ANALYSEMETHODEN EN WEERGAVE VAN DE RESULTATEN 1 . In het algemeen wordt voor de bepaling van elk bestanddeel in diervoeders één analysemethode vastgesteld . Wanneer er meer methoden zijn opgegeven , moet de door het controlelaboratorium gebruikte methode in het analyserapport worden aangegeven . 2 . Het in het analyserapport vermelde resultaat is de gemiddelde waarde uit ten minste twee , op aparte porties van het monster uitgevoerde bepalingen , met voldoende herhaalbaarheid . Het resultaat moet worden opgegeven op de in de methoden vastgelegde wijze , met een passend aantal significante cijfers en waarbij zo nodig rekening wordt gehouden met het vochtgehalte van het eindmonster voor de behandeling . " . ( 1 ) PB nr. L 102 van 15 . 4 . 1976 , blz. 1 . ( 2 ) PB nr. L 279 van 20 . 12 . 1971 , blz. 7 . ( 3 ) PB nr. L 83 van 30 . 3 . 1973 , blz. 35 .