Verordening (EEG) nr. 3038/79 van de Commissie van 21 december 1979 tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1536/77 houdende vaststelling van de voorwaarden en bepalingen voor de indeling van zaaigoed onder de posten 07.01 A I, 10.05 A en 12.01 A van het gemeenschappelijk douanetarief
Publicatieblad Nr. L 341 van 31/12/1979 blz. 0044 - 0045
Bijzondere uitgave in het Grieks: Hoofdstuk 02 Deel 8 blz. 0086
Bijzondere uitgave in het Spaans: Hoofdstuk 02 Deel 6 blz. 0144
Bijzondere uitgave in het Portugees: Hoofdstuk 02 Deel 6 blz. 0144
++++ VERORDENING ( EEG ) Nr . 3038/79 VAN DE COMMISSIE van 21 december 1979 tot wijziging van Verordening ( EEG ) nr . 1536/77 houdende vaststelling van de voorwaarden en bepalingen voor de indeling van zaaigoed onder de posten 07.01 A I , 10.05 A en 12.01 A van het gemeenschappelijk douanetarief DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN , Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap , Gelet op Verordening ( EEG ) nr . 97/69 van de Raad van 16 januari 1969 betreffende de maatregelen die moeten worden getroffen voor de uniforme toepassing van de Nomenclatuur van het gemeenschappelijk douanetarief ( 1 ) , laatstelijk gewijzigd bij Verordening ( EEG ) nr . 280/77 ( 2 ) , inzonderheid op de artikelen 3 en 4 , Overwegende dat in de bijlage " gemeenschappelijk douanetarief " van Verordening ( EEG ) nr . 950/68 van de Raad ( 3 ) , laatstelijk gewijzigd bij Verordening ( EEG ) nr . 2999/79 ( 4 ) , rijst bestemd voor zaaidoeleinden wordt genoemd onder post 10.06 A ; dat indeling onder deze post aan de door de bevoegde autoriteiten vast te stellen voorwaarden en bepalingen is onderworpen ; dat , ten einde een uniforme toepassing van de Nomenclatuur van het gemeenschappelijk douanetarief te verzekeren , deze voorwaarden en bepalingen dienen te worden vastgesteld ; Overwegende dat de Raad Richtlijn 66/402/EEG van 14 juni 1966 betreffende het in de handel brengen van zaaigranen ( 5 ) , laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 79/692/EEG ( 6 ) heeft vastgesteld ; Overwegende dat in artikel 16 van die richtlijn is bepaald dat de Raad vaststelt of het in een derde land geoogste zaaigoed , dat dezelfde waarborgen biedt ten aanzien van de eigenschappen daarvan , alsmede van de toepassing van de maatregelen betreffende het onderzoek , de verzekering van de identiteit , de aanduiding en de controle , in dit opzicht gelijkwaardig is aan overeenkomstig zaaigoed dat in de Gemeenschap is geoogst en voldoet aan de bepalingen van de desbetreffende richtlijn ; Overwegende dat de Raad deze vaststellingen ten aanzien van bepaalde derde landen heeft verricht voor rijst , bestemd voor zaaidoeleinden , bij zijn Vijfde Beschikking 76/539/EEG van 17 mei 1976 betreffende de gelijkstelling van in derde landen voortgebracht zaaizaad ( 7 ) , laatstelijk gewijzigd bij Beschikking 79/803/EEG ( 8 ) en bij zijn Vijfde Beschikking 76/538/EEG van 17 mei 1976 betreffende de gelijkstelling van in derde landen verrichte veldkeuringen van voor de voortbrenging van zaaizaad dienende gewassen ( 9 ) , laatstelijk gewijzigd bij Beschikking 79/804/EEG ( 10 ) ; Overwegende dat onder genoemde post , op grond van de omschrijving zelf , slechts produkten kunnen worden ingedeeld die de specifieke eigenschappen bezitten om als zaaigoed te kunnen worden gebruikt ; Overwegende dat door de Raad bepaalde specifieke eigenschappen werden vastgesteld op het ogenblik waarop het in bepaalde derde landen voortgebrachte zaaigoed werd gelijkgesteld met het in de Gemeenschap geoogste zaaigoed ; dat het derhalve voor de hand ligt dat dezelfde eigenschappen als voorwaarde worden gesteld voor de indeling onder de desbetreffende post ; Overwegende dat hiervoor Verordening ( EEG ) nr . 1536/77 van de Commissie ( 11 ) dient te worden gewijzigd ; Overwegende dat de in deze verordening vervatte maatregelen in overeenstemming zijn met het advies van het Comité Nomenclatuur van het gemeenschappelijk douanetarief , HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD : Artikel 1 Verordening ( EEG ) nr . 1536/77 wordt gewijzigd als volgt : 1 . In de titel : na " 10.05 A " invoegen : " 10.06 A " ; 2 . Artikel 1 wordt als volgt gelezen : " Artikel 1 De indeling van pootaardappelen , maïshybriden , rijst en oliehoudende zaden en vruchten onderscheidenlijk onder de posten - 07.01 A I Pootaardappelen - 10.05 A Maïshybriden , bestemd voor zaaidoeleinden - 10.06 A Rijst , bestemd voor zaaidoeleinden - 12.01 A Oliehoudende zaden en vruchten , ook indien gebroken , bestemd voor zaaidoeleinden van het gemeenschappelijk douanetarief is aan de in de artikelen 2 tot en met 5 vastgestelde voorwaarden en bepalingen onderworpen . " 3 . Artikel 3 wordt als volgt gelezen : " Artikel 3 Maïshybriden , bestemd voor zaaidoeleinden en rijst , bestemd voor zaaidoeleinden moeten voldoen aan de voorwaarden en bepalingen , vastgesteld op grond van artikel 16 van Richtlijn 66/402/EEG van de Raad van 14 juni 1966 betreffende het in de handel brengen van zaaigranen , laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 79/692/EEG . " Artikel 2 Deze verordening treedt in werking op 1 januari 1980 . Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke Lid-Staat . Gedaan te Brussel , 21 december 1979 . Voor de Commissie Etienne DAVIGNON Lid van de Commissie ( 1 ) PB nr . L 14 van 21 . 1 . 1969 , blz . 1 . ( 2 ) PB nr . L 40 van 1 . 2 . 1977 , blz . 1 . ( 3 ) PB nr . L 172 van 22 . 7 . 1968 , blz . 1 . ( 4 ) Zie blz . 1 van dit Publikatieblad . ( 5 ) PB nr . 125 van 11 . 7 . 1966 , blz . 2309/66 . ( 6 ) PB nr . L 205 van 13 . 8 . 1979 , blz . 1 . ( 7 ) PB nr . L 162 van 23 . 6 . 1976 , blz . 10 . ( 8 ) PB nr . L 237 van 21 . 9 . 1979 , blz . 31 . ( 9 ) PB nr . L 162 van 23 . 6 . 1976 , blz . 1 . ( 10 ) PB nr . L 237 van 21 . 9 . 1979 , blz . 33 . ( 11 ) PB nr . L 171 van 9 . 7 . 1977 , blz . 13 .