Verordening (EEG) nr. 1184/79 van de Raad van 12 juni 1979 betreffende de opening, de verdeling en de wijze van beheer van een communautair tariefcontingent voor pulp van abrikozen van onderverdeling ex 20.06 B II c) 1 aa) van het gemeenschappelijk douanetarief, van oorsprong uit Turkije
Publicatieblad Nr. L 148 van 16/06/1979 blz. 0009 - 0011
++++ VERORDENING ( EEG ) Nr . 1184/79 VAN DE RAAD van 12 juni 1979 betreffende de opening , de verdeling en de wijze van beheer van een communautair tariefcontingent voor pulp van abrikozen van onderverdeling ex 20.06 B II c ) 1 aa ) van het gemeenschappelijk douanetarief , van oorsprong uit Turkije DE RAAD VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN , Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap , inzonderheid op artikel 113 , Gezien het voorstel van de Commissie , Overwegende dat in artikel 13 van Verordening ( EEG ) nr . 1180/77 van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de invoer in de Gemeenschap van bepaalde landbouwprodukten van oorsprong uit Turkije ( 1 ) voorziet in de opening door de Gemeenschap , met ingang van 1 juli 1977 , van een jaarlijks communautair tariefcontingent van 90 ton voor pulp van abrikozen van onderverdeling ex 20.06 B II c ) 1 aa ) van het gemeenschappelijk douanetarief van oorsprong uit Turkije ; dat de douanerechten die van toepassing zijn binnen de grenzen van dit contingent 70 % bedragen van de daadwerkelijk ten opzichte van derde landen toegepaste douanerechten ; dat het betrokken tariefcontingent derhalve moet worden geopend , voor bovengenoemde hoeveelheid , voor het tijdvak van 1 juli 1979 tot en met 30 juni 1980 ; Overwegende dat met name dient te worden gewaarborgd dat alle importeurs van de Gemeenschap te allen tijde en in gelijke mate gebruik kunnen maken van de door dit contingent geboden mogelijkheden en dat het aan dit contingent verbonden recht zonder onderbreking wordt toegepast op alle invoer van de betrokken produkten in de Lid-Staten , totdat het contingent geheel is uitgeput ; dat een regeling voor de aanwending van het communautair tariefcontingent , gebasseerd op een verdeling over de Lid-Staten , in overeenstemming lijkt te zijn met het communautaire karakter van dit contingent in het licht van de hierboven uiteengezette beginselen ; dat die verdeling , om zo goed mogelijk de werkelijke ontwikkeling op de markt van de betrokken produkten weer te geven , dient te geschieden naar verhouding van de behoeften van de Lid-Staten berekend enerzijds aan de hand van de statistische gegevens betreffende de invoer van genoemde produkten uit Turkije gedurende een representatieve referentieperiode , en anderzijds op grond van de economische vooruitzichten voor de betrokken contingentsperiode ; Overwegende dat gedurende de drie afgelopen jaren waarvoor statistische gegevens beschikbaar zijn , die dienovereenkomstige invoer van elke Lid-Staat uit Turkije nihil of te verwaarlozen is geweest ; dat deze gegevens derhalve niet representatief kunnen worden geacht om als uitgangspunt te dienen voor een verdeling van het contingent over de Lid-Staten ; dat de raming van de invoerbehoeften van de Lid-Staten moeilijk blijkt , omdat betrouwbare gegevens over vroegere invoer ontbreken ; dat het bijgevolg niet mogelijk lijkt anders te werk te gaan dan een deel van het contingent toe te wijzen aan de communautaire reserve en een zevende deel van het saldo aan de Benelux-landen , Denemarken , Duitsland , Frankrijk , Ierland , Italië en het Verenigd Koninkrijk ; Overwegende dat de aanvankelijke quota meer of minder spoedig kunnen zijn uitgeput ; dat het , ten einde daarmede rekening te houden en elke onderbreking te voorkomen , van belang is dat iedere Lid-Staat die zijn aanvankelijke quotum nagenoeg geheel heeft opgebruikt , overgaat tot opneming van een extra quotum uit de communautaire reserve ; dat dergelijke opnemingen door elke Lid-Staat moeten worden verricht wanneer elk van zijn extra quota vrijwel geheel is benut , en wel zo vaak als de reserve dit toelaat ; dat de aanvankelijke en de extra quota moeten gelden tot aan het einde van de geldigheidsduur van het contingent ; dat deze wijze van beheer een nauwe samenwerking vereist tussen de Lid-Staten en de Commissie , die met name de uitputtingsgraad van het contingent moet kunnen volgen en de Lid-Staten daarover moet kunnen inlichten ; Overwegende dat het noodzakelijk is dat een Lid-Staat die op een bepaald tijdstip in de contingentsperiode een aanzienlijk overschot van een quotum heeft , daarvan een bepaald percentage in de reserve terugstort , ten einde te voorkomen dat een gedeelte van het communautaire contingent in een Lid-Staat onbenut blijft , terwijl andere Lid-Staten er gebruik van zouden kunnen maken ; Overwegende dat , aangezien het Koninkrijk België , het Koninkrijk der Nederlanden en het Groothertogdom Luxemburg verenigd zijn in en vertegenwoordigd worden door de Benelux Economische Unie , elke handeling met betrekking tot het beheer van de aan genoemde Economische Unie toegewezen quota kan worden verricht door één van haar leden , HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD : Artikel 1 1 . Met ingang van 1 juli 1979 en tot en met 30 juni 1980 wordt in de Gemeenschap een communautair tariefcontingent van 90 ton geopend voor pulp van abrikozen van onderverdeling ex 20.06 B II c ) 1 aa ) van het gemeenschappelijk douanetarief , van oorsprong uit Turkije . 2 . Binnen de grenzen van dit tariefcontingent wordt het voor deze produkten geldende recht van het gemeenschappelijk douanetarief tot 11,9 % geschorst . Artikel 2 1 . Een eerste gedeelte van 70 ton wordt over de Lid-Staten verdeeld ; de quota die , behoudens het bepaalde in artikel 5 , voor de periode van 1 juli 1979 tot en met 30 juni 1980 gelden , bedragen voor ieder der Lid-Staten : Benelux : 10 ton , Denemarken : 10 ton , Duitsland : 10 ton , Frankrijk : 10 ton , Ierland : 10 ton , Italië : 10 ton , Verenigd Koninkrijk : 10 ton . 2 . Het tweede gedeelte , dat 20 ton beloopt , vormt de communautaire reserve . Artikel 3 1 . Indien het aanvankelijk quotum van een Lid-Staat - zals vastgesteld in artikel 2 , lid 1 , dan wel dat zelfde quotum verminderd met het bij toepassing van artikel 5 in de reserve teruggestorte gedeelte - voor 90 % of meer is benut , gaat die Lid-Staat door middel van een kennisgeving aan de Commissie , onverwijld over tot opneming van een tweede quotum , gelijk aan 15 % van zijn aanvankelijke quotum , voor zover in de reserve nog een voldoende hoeveelheid aanwezig is , eventueel op de volgende eenheid naar boven afgerond . 2 . Indien een Lid-Staat , na volledige benutting van zijn aanvankelijke quotum het door hem opgenomen tweede quotum voor 90 % of meer heeft benut , gaat hij onder de in lid 1 genoemde voorwaarden over tot opneming van een derde quotum , gelijk aan 7,5 % van zijn aanvankelijke quotum , eventueel op de volgende eenheid naar boven afgerond . 3 . Indien een Lid-Staat , na volledige benutting van zijn tweede quotum , het door hem opgenomen derde quotum voor 90 % of meer heeft benut , gaat hij onder dezelfde voorwaarden over tot opneming van een vierde quotum dat gelijk is aan het derde . Deze procedure wordt verder op overeenkomstige wijze toegepast todat de reserve is uitgeput . 4 . In afwijking van het bepaalde in de leden 1 , 2 en 3 kan iedere Lid-Staat overgaan tot de opneming van kleinere hoeveelheden dan de in die leden vastgestelde quota , wanneer er aanleiding is om aan te nemen dat die quota wellicht niet geheel zullen worden benut . De betrokken Lid-Staat deelt de Commissie de redenen mede die tot toepassing van de bepalingen van het onderhavige lid hebben geleid . Artikel 4 De overeenkomstig artikel 3 opgenomen extra quota gelden tot en met 30 juni 1980 . Artikel 5 De Lid-Staten storten uiterlijk op 1 april 1980 het niet benutte gedeelte van hun aanvankelijke quotum in de reserve terug , dat op 15 maart 1980 20 % van het aanvankelijke quotum te boven gaat . Zij kunnen een grotere hoeveelheid terugstorten , wanneer er redenen zijn om aan te nemen dat deze wellicht onbenut zal blijven . De Lid-Staten geven uiterlijk op 1 april 1980 aan de Commissie kennis van de totale invoer van de betrokken produkten , die gedurende de periode tot en met 15 maart 1980 heeft plaatsgevonden en op het communautaire contingent is afgeboekt , alsmede eventueel van het gedeelte van hun aanvankelijke quotum , dat zij in de reserve terugstorten . Artikel 6 De Commissie houdt boek van de door de Lid-Staten overeenkomstig de artikelen 2 en 3 geopende quota en geeft , zodra de opgaven haar bereiken , aan iedere Lid-Staat kennis van de in de reserve nog aanwezige hoeveelheid . Zij stelt de Lid-Staten uiterlijk op 5 april 1980 in kennis van de stand van de reserve , na de overeenkomstig artikel 5 verrichte terugstortingen . Zij ziet erop toe , dat de opneming waardoor de reserve volledig wordt uitgeput , tot de nog beschikbare hoeveelheid beperkt blijft , en deelt daartoe aan de Lid-Staat die de laatste opneming heeft verricht mede , hoeveel het saldo bedraagt . Artikel 7 1 . De Lid-Staten nemen alle dienstige maatregelen opdat bij opening van de met toepassing van artikel 3 door hen opgenomen extra quota , de door hen ingevoerde hoeveelheden zonder onderbreking kunnen worden afgeboekt op hun gecumuleerd aandeel in het communautaire tariefcontingent . 2 . De Lid-Staten waarborgen aan de op hun grondgebied gevestigde importeurs van de betrokken produkten vrije toegang tot de quota die hun zijn toegekend . 3 . De Lid-Staten boeken de ingevoerde hoeveelheden op hun quota af naar gelang de betrokken produkten bij de douane ten invoer tot verbruik worden aangegeven . 4 . De uitputtingsgraad van de quota van iedere Lid-Staat wordt vastgesteld op grond van de ingevoerde hoeveelheden , die onder de in lid 3 bepaalde voorwaarden zijn afgeboekt . Artikel 8 Op verzoek van de Commissie stellen de Lid-Staten haar op de hoogte van de invoer van de betrokken produkten die daadwerkelijk op hun quota is afgeboekt . Artikel 9 De Lid-Staten en de Commissie werken nauw samen om te bereiken dat deze verordening wordt nageleefd . Artikel 10 Deze verordening treedt in werking op 1 juli 1979 . Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke Lid-Staat . Gedaan te Luxemburg , 12 juni 1979 . Voor de Raad De Voorzitter J . FRANCOIS-PONCET ( 1 ) PB nr . L 142 van 9 . 6 . 1977 , blz . 10 .