Richtlijn 79/488/EEG van de Commissie van 18 april 1979 houdende aanpassing aan de vooruitgang van de techniek van Richtlijn 74/483/EEG van de Raad inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende naar buiten uitstekende delen van motorvoertuigen
Publicatieblad Nr. L 128 van 26/05/1979 blz. 0001 - 0011
Bijzondere uitgave in het Fins: Hoofdstuk 13 Deel 9 blz. 0230
Bijzondere uitgave in het Grieks: Hoofdstuk 13 Deel 8 blz. 0112
Bijzondere uitgave in het Zweeds: Hoofdstuk 13 Deel 9 blz. 0230
Bijzondere uitgave in het Spaans: Hoofdstuk 13 Deel 10 blz. 0073
Bijzondere uitgave in het Portugees: Hoofdstuk 13 Deel 10 blz. 0073
++++ RICHTLIJN VAN DE COMMISSIE van 18 april 1979 houdende aanpassing aan de vooruitgang van de techniek van Richtlijn 74/483/EEG van de Raad inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende naar buiten uitstekende delen van motorvoertuigen ( 79/488/EEG ) DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN , Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap , Gelet op Richtlijn 70/156/EEG van de Raad van 6 februari 1970 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan ( 1 ) , laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 78/547/EEG van de Raad ( 2 ) , inzonderheid op de artikelen 11 , 12 en 13 , Gelet op Richtlijn 74/483/EEG van de Raad van 17 september 1974 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende naar buiten uitstekende delen van motorvoertuigen ( 3 ) , Overwegende dat het , in het licht van de opgedane ervaringen en gezien de huidige stand van de techniek , thans mogelijk is strengere voorschriften op te stellen die beter zijn aangepast aan de werkelijke omstandigheden van de proef ; Overwegende dat bagagerekken , skihouders en radioontvangst - en/of zendantennes thans reeds zowel afzonderlijk als gemonteerd in een voertuig in de handel worden gebracht ; dat voor zover deze inrichtingen ook kunnen worden gekeurd zonder dat zij in een voertuig gemonteerd zijn , het vrije verkeer ervan kan worden vergemakkelijkt door voor deze inrichtingen , die in de zin van artikel 9 bis van Richtlijn 70/156/EEG als technische eenheid worden beschouwd , een EEG-goedkeuring in te voeren ; Overwegende dat de bepalingen van deze richtlijn in overeenstemming zijn met het advies van het Comité voor de aanpassing aan de technische vooruitgang van de richtlijnen tot opheffing van technische handelsbelemmeringen in de sector motorvoertuigen , HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD : Artikel 1 Richtlijn 74/483/EEG wordt als volgt gewijzigd : 1 . De artikelen 2 , 3 en 4 komen te luiden als volgt : " Artikel 2 De Lid-Staten mogen de EEG-goedkeuring of de nationale goedkeuring van een motorvoertuig om redenen die verband houden met de naar buiten uitstekende delen of van bagegerekken , skihouders en radio-ontvangst - en/of zendantennes die een technische eenheid vormen , niet weigeren : - indien het motorvoertuig voor wat betreft de naar buiten uitstekende delen voldoet aan de voorschriften van bijlagen I en II , - indien bagagerekken , skihouders en radio-ontvangst - en/of zendantennes die als een technische eenheid in de zin van artikel 9 bis van Richtlijn 70/156/EEG worden beschouwd , aan de voorschriften van bijlage I voldoen . Artikel 3 1 . De Lid-Staten mogen de verkoop , de registratie , het in het verkeer brengen of het gebruik van voertuigen niet weigeren of verbieden , indien de naar buiten uitstekende delen aan de voorschriften van bijlagen I en II voldoen . 2 . De Lid-Staten mogen de handel in bagegerekken , skihouders en radio-ontvangst - en/of zendantennes die als technische eenheden in de zin van artikel 9 bis van Richtlijn 70/156/EEG worden beschouwd , niet verbieden , indien deze in de zin van artikel 2 overeenkomen met een type waarvoor de goedkeuring is verleend . Artikel 4 De Lid-Staat die de goedkeuring heeft verleend neemt de nodige maatregelen opdat hij in kennis wordt gesteld van elke wijziging van een van de in bijlage I , punt 2.2 , bedoelde onderdelen of kenmerken . De bevoegde instanties van deze Lid-Staat beoordelen of het gewijzigde aan nieuwe proeven moet worden onderworpen en of daarvoor een nieuw keuringsrapport moet worden opgesteld . Indien uit de proeven blijkt dat niet is voldaan aan de voorschriften van deze richtlijn , wordt de wijziging niet toegestaan . " . 2 . De bijlagen I , II en III worden gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze richtlijn . Artikel 2 1 . Met ingang van 1 januari 1980 mogen de Lid-Staten om redenen die verband houden met naar buiten uitstekende delen : - noch weigeren de EEG-typegoedkeuring te verlenen of weigeren het goedkeuringsformulier als genoemd in artikel 10 , eerste alinea , laatste streepje , van Richtlijn 70/156/EEG te verstrekken of de nationale typegoedkeuring te verlenen , - noch weigeren de EEG-goedkeuring te verlenen voor bagagerekken , skihouders en radio-ontvangst - en/of zendantennes , die als technische eenheden in de zin van artikel 9 bis van Richtlijn 70/156/EEG worden beschouwd , of - noch het voor de eerste maal in het verkeer brengen van motorvoertuigen verbieden , indien de naar buiten uitstekende delen van het betreffende type motorvoertuig of van de betreffende motorvoertuigen of bovengenoemde technische eenheden voldoen aan de voorschriften van Richtlijn 74/483/EEG , als laatstelijk gewijzigd bij deze richtlijn . 2 . Met ingang van 1 oktober 1981 mogen de Lid-Staten : - het in artikel 10 , lid 1 , laatste streepje , van Richtlijn 70/156/EEG genoemde goedkeuringsformulier voor een type motorvoertuig niet meer afgeven indien voor wat betreft de naar buiten uitstekende delen , niet is voldaan aan de voorschriften van de Richtlijn 74/483/EEG , als laatstelijk gewijzigd bij deze richtlijn , - de nationale goedkeuring voor een type motorvoertuig weigeren , indien dit type voor wat betreft de naar buiten uitstekende delen niet in overeenstemming is met de voorschriften van Richtlijn 74/483/EEG , als laatstelijk gewijzigd bij deze richtlijn . 3 . Met ingang van 1 oktober 1983 mogen de Lid-Staten het voor de eerste maal in het verkeer brengen verbieden van motorvoertuigen , die voor wat betreft de naar buiten uitstekende delen niet voldoen aan de voorschriften van Richtlijn 74/483/EEG , als laatstelijk gewijzigd bij deze richtlijn . 4 . De Lid-Staten doen voor 1 januari 1980 de voorschriften van kracht worden die nodig zijn om aan deze richtlijn te voldoen en stellen de Commissie hiervan onmiddellijk in kennis . Artikel 3 Deze richtlijn is gericht tot de Lid-Staten . Gedaan te Brussel , 18 april 1979 . Voor de Commissie Etienne DAVIGNON Lid van de Commissie ( 1 ) PB nr . L 42 van 23 . 2 . 1970 , blz . 1 . ( 2 ) PB nr . L 168 van 26 . 6 . 1978 , blz . 39 . ( 3 ) PB nr . L 266 van 2 . 10 . 1974 , blz . 4 . BIJLAGE Wijzigingen van de bijlagen bij Richtlijn 74/483/EEG BIJLAGE I ALGEMEEN , DEFINITIES , AANVRAAG VAN EEG-GOEDKEURING , EEG-GOEDKEURING , ALGEMENE VOORSCHRIFTEN , BIJZONDERE VOORSCHRIFTEN , OVEREENSTEMMING VAN DE PRODUKTIE Punt 1.1 luidt als volgt : " 1.1 . Buitenspiegels en kogels van trekinrichtingen vallen buiten het toepassingsgebied van deze bijlage . " . Punt 1.2 wordt aangevuld met de volgende zin : " Dit geldt zowel voor stilstaande als rijdende motorvoertuigen . " . Punt 2.3 luidt als volgt : " 2.3 . " buitenoppervlak " , de buitenzijde van het voertuig , met inbegrip van motorkap , kofferdeksel , deuren , spatborden , het dak , verlichtings - en lichtsignaalinrichtingen en de zichtbare versterkingselementen . " . Punt 2.4 luidt als volgt : " 2.4 . " vloerlijn " , een lijn die als volgt wordt bepaald : rondoin een beladen motorvoertuig wordt een kegel met verticale as , een willekeurige hoogte en een halve hoek van 30 * verplaatst , en wel zodanig dat deze zo laag mogelijk in aanraking blijft met het buitenoppervlak van het voertuig . De vloerlijn is de meetkundige lijn tussen de aanrakingspunten . Bij het bepalen van de vloerlijn wordt geen rekening gehouden met de steunpunten voor de krik , de uitlaatpijpen en de wielen . Ten aanzien van de openingen van de wielkasten geldt dat deze worden verondersteld te zijn gedicht met een denkbeeldig vlak dat in het verlengde ligt van het aangrenzende buitenoppervlak . Aan voor - en achterzijde van het voertuig wordt bij het bepalen van de vloerlijn rekening gehouden met de bumper . De vloerlijn loopt , afhankelijk van het voertuigtype , langs de buitenkant van de bumper of langs de carrosseriebeplating onder de bumper . Bij gelijktijdig voorkomen van twee of meer contractpunten wordt voor de bepaling van de vloerlijn uitgegaan van het laagst gelegen contractpunt . " . Punt 2.5 luidt als volgt : " 2.5 . " afrondingsstraal " , de straal van een cirkelboog welke de ronding van het betreffende constructiedeel zo goed mogelijk benadert . " . Na punt 2.5 worden onderstaande nieuwe punten 2.6 , 2.7 , 2.8 en 2.9 toegevoegd : " 2.6 . " beladen voertuig " , het tot zijn maximum toelaatbare technische massa beladen voertuig . Voertuigen uitgerust met hydropneumatische , hydraulische of pneumatische vering of met een inrichting voor automatische niveauregeling naar gelang van de belading moeten worden beproefd onder de meest ongunstige , normale rijomstandigheden op de weg , zoals aangegeven door de fabrikant . 2.7 . " de uiterste buitenrand " van een voertuig , wanneer deze term betrekking heeft op de zijkanten , het vlak dat evenwijdig loopt aan het middenlangsvlak van het voertuig en raakt aan de zijdelingse buitenrand daarvan , en wanneer deze term betrekking heeft op de voor - en achterkant , het verticale dwarsvlak dat raakt aan de voorste en achterste buitenrand van het voertuig , ongeacht het uitsteken van : 2.7.1 . banden in de omgeving van het punt waar deze de grond raken , en aansluitingen voor bandendrukmeters ; 2.7.2 . anti-slipinrichtingen op de wielen ; 2.7.3 . achteruitkijkspiegels ; 2.7.4 . zijdelings geplaatste richtingaanwijzers , markeringslichten , zijdelings geplaatste breedte - en achterlichten en parkeerlichten ; 2.7.5 . aan voor - en achterzijde : uitsteeksels aan bumpers , kogels van trekinrichtingen en uitlaatpijpen . 2.8 . " de afmeting van een uitsteeksel " van een op een paneel gemonteerd onderdeel , de afmeting bepaald volgens de methode beschreven in bijlage II , punt 2 . 2.9 . " de nominale lijn van een paneel " , de lijn die loopt door de twee punten gevormd door de plaats die door het middelpunt van een bol wordt ingenomen , wanneer het oppervlak hiervan zijn eerste en laatste contact maakt met een onderdeel bij toepassing van de meetmethoden beschreven in bijlage II , punt 2.2 . " . Punt 3 luidt als volgt : " 3 . AANVRAAG OM EEG-GOEDKEURING 3.1 . Aanvraag om EEG-goedkeuring van een type voertuig voor wat betreft de naar buiten uitstekende delen 3.1.1 . De aanvraag om EEG-goedkeuring van een type voertuig voor wat de naar buiten uitstekende delen betreft , moet worden ingediend door de fabrikant van het voertuig of door zijn gevolmachtigde . 3.1.2 . Deze aanvraag dient vergezeld te gaan van de hierna genoemde documenten in drievoud : 3.1.2.1 . foto's van de voor - en achterkant alsmede van de zijkanten van het voertuig die onder een hoek van 30 * tot 45 * ten opzichte van het verticale middenlangsvlak van het voertuig zijn genomen ; 3.1.2.2 . tekeningen van de bumpers , en eventueel 3.1.2.3 . tekeningen van bepaalde naar buiten uitstekende delen en , indien nodig , van bepaalde delen van het buitenoppervlak overeenkomstig punt 6.9.1 . 3.1.3 . Een voertuig dat representatief is voor het goed te keuren type moet ter beschikking worden gesteld van de technische dienst die met de goedkeuringsproeven is belast . Op verzoek van voornoemde technische dienst moeten tevens bepaalde delen of monsters van de gebruikte materialen ter beschikking worden gesteld . 3.2 . Aanvraag om EEG-goedkeuring voor bagagerekken , skihouders en/of radio-ontvangst - of zendantennes als technische eenheid 3.2.1 . Aanvragen om EEG-goedkeuring van bagagerekken , skihouders en radio-ontvangst - en/of zendantennes die als technische eenheid in de zin van artikel 9 bis van Richtlijn 70/156/EEG worden beschouwd , moeten worden ingediend door de fabrikant van het voertuig , de fabrikant van deze technische eenheden of hun gevolmachtigde . 3.2.2 . Voor elk type van een der sub 3.2.1 genoemde inrichtingen moet de aanvraag vergezeld gaan van : 3.2.2.1 . documenten in drievoud met de beschrijving van de technische kenmerken van de technische eenheid , alsmede de montagevoorschriften die bij elke ten verkoop aangeboden technische eenheid moeten worden meegeleverd ; 3.2.2.2 . een exemplaar van het type technische eenheid . De bevoegde instanties kunnen , indien zij dit nodig achten , een extra exemplaar vragen . Op deze exemplaren moeten de in artikel 9 bis , lid 3 , van Richtlijn 70/156/EEG voorgeschreven gegevens duidelijk leesbaar en onuitwisbaar zijn aangebracht . Bovendien moet bij bagagerekken en skihouders de plaats worden aangegeven waar het nummer van de EEG-goedkeuring moet worden aangebracht . Dit nummer moet worden voorafgegaan door de kenletter(s ) van het land dat de goedkeuring heeft verleend ( 1 ) . " . Punt 4.6 luidt als volgt : " 4.6.1 . Indien aan een aanvraag volgens punt 3.1 wordt voldaan , wordt bij het goedkeuringsformulier een formulier gevoegd volgens het in bijlage III afgebeelde model . 4.6.2 . Indien aan een aanvraag volgens punt 3.2 wordt voldaan , wordt een formulier afgegeven volgens het in bijlage IV afgebeelde model . 4.6.3 . Indien in een aanvraag volgens punt 3.1 . naar een formulier als bedoeld in bijlage IV wordt verwezen , wordt de omvang van de keuring van het type voertuig met betrekking tot de naar buiten uitstekende delen dienovereenkomstig beperkt . Bij het goedkeuringsformulier voor het type voertuig wordt in een dergelijk geval ook een afschrift van het goedkeuringsformulier voor de technische eenheid gevoegd . " . Punt 5.1.3 luidt als volgt : " 5.1.3 . zodanig zijn gelegen dat zij , zowel in rusttoestand als in werking niet kunnen worden geraakt door een bol met een diameter van 100 mm . " . Punt 5.4 luidt als volgt : " 5.4 . De afrondingsstraal van uitstekende delen op het buitenoppervlak moet ten minste 2,5 mm bedragen . Dit voorschrift geldt niet voor delen van het buitenoppervlak die minder dan 5 mm uitsteken ; de naar buiten gerichte hoeken van deze delen moeten echter zijn gebroken , tenzij zij minder dan 1,5 mm uitsteken . " . Punt 5.5 hier wordt het volgende toegevoegd : " Bij het meten van de hardheid moet het onderdeel op het voertuig zijn bevestigd . Indien hardheidsmeting volgens de Shore-A-methode onmogelijk is , moet de beoordeling geschieden door metingen volgens een vergelijkbare methode . " . Na punt 5.5 dient een nieuw punt 5.6 te worden opgenomen : " 5.6 . De voorschriften van bovenvermelde punten 5.1 t/m 5.5 zijn na de bepalingen van onderstaand punt 6 van toepassing , behalve waar in deze bijzondere bepalingen uitdrukkelijk anders is bepaald . " . Punt 6.1.1 wordt als volgt aangevuld : " Voor het uitoefenen van de kracht van 10 daN moet een doorn met afgeplat uiteinde met een diameter van ten hoogste 50 mm worden gebruikt . Indien dit niet mogelijk is , mag van een gelijkwaardige methode gebruik worden gemaakt . Nadat de versieringen naar binnen zijn geschoven , afgebroken of verbogen , mogen de overblijvende uitsteeksels niet meer dan 10 mm uitsteken . Deze uitstekende delen moeten in ieder geval voldoen aan het bepaalde in punt 5.2 . Is de versiering op een steun gemonteerd , dan wordt deze laatste beschouwd als behorend tot de versiering en niet tot het steunvlak . " . Punt 6.1.3 vervalt . Punt 6.2.1 wordt als volgt aangevuld : " Indien een koplamp achter een extra transparant oppervlak is aangebracht , wordt het uitstekende gedeelte gemeten ten opzichte van het buitenste transparante oppervlak . De meting van het uitstekende gedeelte gebeurt volgens de in bijlage II , punt 3 , beschreven methode . " . Na punt 6.2.2 wordt een nieuw punt 6.2.3 toegevoegd : " 6.2.3 . De bepalingen van punt 6.2.1 zijn niet van toepassing op koplampen die in de carrosserie verzonken zijn of daardoor worden " o * erdekt " , indien de carrosserie in overeenstemming is met de voorschriften van punt 6.9.1 . " . Punt 6.3.1 luidt als volgt : " 6.3.1 . De voorschriften van punt 5.4 zijn niet van toepassing op ruimten tussen vaste of beweeglijke delen , met inbegrip van de delen van de luchtin - of luchtuitlaatroosters en van het sierrooster , mits de afstand tussen twee opeenvolgende delen niet meer dan 40 mm bedraagt en de roosters en ruimten een functioneel doel hebben . Wanneer genoemde afstand ligt tussen 40 mm en 25 mm moeten de afrondingsstralen ten minste 1 mm bedragen . Wanneer de afstand tussen twee opeenvolgende delen gelijk aan of kleiner dan 25 mm is , moeten de afrondingsstralen van de buitenvlakken der delen ten minste 0,5 mm bedragen . De afstand tussen opeenvolgende delen van roosters en ruimten wordt volgens de in bijlage II , punt 4 , beschreven methode bepaald . " . Punt 6.4.1 luidt als volgt : " 6.4.1 . De ruitewissers moeten zodanig zijn gemonteerd dat de as van de wisserarmhouder wordt bedekt door een beschermkap met een afrondingsstraal die voldoet aan de eisen van punt 5.4 en met een eindoppervlak van ten minste 150 mm2 . Bij afgeronde kappen moeten deze een geprojecteerd oppervlak hebben van ten minste 150 mm2 , gemeten op ten hoogste 6,5 mm van het verst uitstekende punt . Ook achterruitwissers en koplampwissers moeten aan deze eisen voldoen . " . Punt 6.4.2 wordt als volgt : " 6.4.2 . Punt 5.4 is niet van toepassing op de wisserbladen , noch op enig deel van de wisserbladhouder . Deze onderdelen mogen evenwel geen scherpe hoeken , noch puntige of scherpe delen bezitten . " . Punt 6.5.1 wordt als volgt : " 6.5.1 . De uiteinden der bumpers moeten naar het buitenoppervlak zijn omgebogen ten einde het gevaar voor haken zo klein mogelijk te maken . Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan , indien de bumper zich in een uitsparing bevindt of in de carrosserie is ingebouwd , of indien het uiteinde van de bumper zodanig is omgebogen dat dit niet kan worden geraakt door een bol met een diameter van 100 mm en de ruimte tussen de uiteinden van de bumper en de direct daartegenover liggende carrosseriegedeelten niet meer dan 20 mm bedraagt . Na punt 6.5.2 wordt een nieuw punt 6.5.3 toegevoegd : " 6.5.3 . Het voorschrift van punt 6.5.2 geldt niet voor bumperdelen en daarop aangebrachte onderdelen , voor zover deze een uitsteeksel of uitsparing van minder dan 5 mm vormen , zoals afdekstrips of koplampsproeiers ; de naar buiten gerichte hoeken van deze delen moeten evenwel zijn afgerond , tenzij zij minder dan 1,5 mm uitsteken . " . Punt 6.6 wordt als volgt : " 6.6 . Handgrepen , scharnieren en drukknoppen van deuren , bagegeruimten en motorkappen ; brandstoftankdoppen en -kleppen 6.6.1 . Handgrepen van deuren en bagageruimten mogen niet meer dan 40 mm en alle andere onderdelen niet meer dan 30 mm uitsteken . 6.6.2 . Indien handgrepen van zijportieren van het draaitype zijn , moeten zij aan één van beide onderstaande eisen voldoen . 6.6.2.1 . Bij handgrepen die parallel met het deurvlak draaien moet het open uiteinde van de handgreep naar achteren zijn gericht . Dit uiteinde moet bovendien teruggebogen zijn in de richting van het deurvlak en binnen een beschermkap of in een uitsparing zijn bevestigd . 6.6.2.2 . Handgrepen die naar buiten scharnieren in elke richting die niet evenwijdig is aan het deurvlak moeten in gesloten stand zijn omgeven door een beschermkap of in een uitsparing zijn aangebracht . Het open uiteinde moet naar achteren of naar beneden zijn gericht . Handgrepen die aan deze laatste eis niet voldoen kunnen toch worden goedgekeurd , voor zover - ze een onafhankelijk terugveersysteem bezitten , - ze niet meer dan 15 mm uitsteken , wanneer dit terugveersysteem weigert , - zij in geopende toestand voldoen aan de voorschriften van punt 5.4 , - en het eindoppervlak gemeten op ten hoogste 6,5 mm afstand van het verst naar buiten uitstekende punt ten minste 150 mm2 bedraagt . " . Punt 6.7 wordt als volgt : " 6.7 . Wielen , wielmoeren , naafdoppen en sierschijven " . Punt 6.7.2 wordt als volgt : " 6.7.2 . Wielen , wielmoeren , naafdoppen en sierschijven mogen geen puntige of scherpe uitsteeksels vertonen die buiten het buitenste vlak van de wielvelg uitsteken . Vleugelmoeren mogen niet worden gebruikt . " . Punt 6.8.1 . hieraan wordt de volgende nieuwe zin toegevoegd : " Een onbeschermde rand wordt als teruggevouwen beschouwd , indien deze over een hoek van 180 * is teruggebogen of indien deze zodanig in de richting van de carrosserie is teruggebogen dat de rand niet in aanraking kan komen met een bol met een diameter van 100 mm . " . Punt 6.9.1 . de laatste regel moet luiden : " ... bijlage II , punt 1 , ... " , in plaats van " ... bijlage II ... " Punt 6.11 wordt als volgt : " 6.11 . Steunpunten voor de krik en de uitlaatpijpen 6.11.1 . De steunpunten voor de krik en de uitlaatpijpen mogen niet meer dan 10 mm buiten de verticale projectie van de vloerlijn die zich verticaal daarboven bevindt uitsteken . Als uitzondering op deze eis mag een uitlaatpijp meer dan 10 mm buiten de verticale projectie van de vloerlijn uitsteken , indien deze pijp aan het uiteinde afgeronde kanten heeft met een minimum-afrondingsstraal van 2,5 mm . " . Na punt 6.11 komen als nieuwe punten 6.12 t/m 6.18 : " 6.12 . Luchtinlaat - en uitlaatkleppen 6.12.1 . Luchtinlaat - en uitlaatkleppen moeten in alle gebruiksstanden voldoen aan de eisen van de punten 5.2 , 5.3 en 5.4 . 6.13 . Dak 6.13.1 . Te openen daken worden alleen beschouwd in gesloten stand . 6.13.2 . Cabriolets worden gecontroleerd met de kap zowel neergeslagen als opstaand . 6.13.2.1 . Bij een voertuig met neergeslagen kap wordt geen onderzoek ingesteld binnen een denkbeeldig oppervlak gevormd door de kap in opstaande positie . 6.13.2.2 . Indien een losse hoes over de neergeslagen kap van het voertuig tot de standaarduitrusting behoort , wordt het onderzoek verricht met de aangebrachte hoes . 6.14 . Vensters 6.14.1 . Vensters die ten opzichte van het buitenoppervlak van het voertuig naar buiten scharnieren moeten in alle gebruiksstanden aan de volgende voorwaarden voldoen : 6.14.1.1 . er mogen geen naar voren gerichte scherpe kanten aanwezig zijn ; 6.14.1.2 . geen enkel raamgedeelte mag buiten de uiterste buitenrand van het voertuig uitsteken . 6.15 . Kentekenplaatsteunen 6.15.1 . Kentekenplaatsteunen die door de fabrikant van het voertuig worden meegeleverd moeten voldoen aan de voorschriften van punt 5.4 van deze bijlage , indien deze geraakt kunnen worden door een bol met een diameter van 100 mm wanneer de kentekenplaat overeenkomstig de aanwijzingen van de fabrikant van het voertuig is aangebracht . 6.16 . Bagagerekken en skihouders 6.16.1 . Bagagerekken en skihouders moeten zodanig op het voertuig zijn bevestigd dat zij in ten minste één richting zijn geblokkeerd en overbrenging van horizontale krachten in de lengte - en dwarsrichting mogelijk is die niet kleiner zijn dan het door de fabrikant opgegeven maximale verticale draagvermogen . Bij de beproeving van een bagagerek of skihouder , bevestigd overeenkomstig de instructies van de fabrikant , mogen de krachten niet als puntlast worden aangebracht . 6.16.2 . Oppervlakken die na het aanbrengen van het rek of de houder kunnen worden geraakt door een bol met een diameter van 165 mm mogen geen puntige of scherpe delen met een afrondingsstraal die kleiner is dan 2,5 mm vertonen , voor zover de voorschriften van punt 6.3 niet van toepassing zijn . 6.16.3 . Verbindingsdelen , zoals schroeven die zonder gebruik van gereedschap kunnen worden vast - of losgedraaid , mogen niet meer dan 40 mm buiten de in punt 6.16.2 genoemde oppervlakken uitsteken . Het uitsteeksel wordt gemeten volgens de in bijlage II , punt 2 , aangegeven methode , terwijl een bol met een diameter van 165 mm moet worden gebruikt , wanneer de methode van punt 2.2 wordt toegepast . 6.17 . Radio-ontvangst - en/of zendantennes 6.17.1 . Radio-ontvangst - en/of zendantennes moeten zodanig op het voertuig zijn aangebracht , dat , indien het vrije uiteinde in één van de door de fabrikant aangegeven mogelijke gebruiksstanden minder dan 2 m van het wegdek is verwijderd , het vrije uiteinde binnen een zone ligt die wordt begrensd door verticale vlakken op een binnenwaarts gemeten afstand van 10 cm van de in punt 2.7 bedoelde uiterste buitenrand van het voertuig . 6.17.2 . De antenne moet bovendien zo op het voertuig zijn aangebracht en het vrije uiteinde moet indien noodzakelijk zodanig worden geleid dat de antenne niet gedeeltelijk uitsteekt buiten de in punt 2.7 bedoelde uiterste buitenrand van het voertuig . 6.17.3 . De schacht van de antenne mag een afrondingsstraal van minder dan 2,5 mm hebben . Op het vrije uiteinde van de antenne moet evenwel een vast aangebracht dopje worden aangebracht , waarvan de afrondingsstraal ten minste 2,5 mm moet bedragen . 6.17.4 . De voet van de antenne mag niet meer dan 30 mm uitsteken , waarbij deze afstand volgens de in bijlage II , punt 2 , beschreven methode wordt gemeten . Bij antennes met versterkers in de voet mag deze maat 40 mm bedragen . 6.18 . Montagevoorschrift 6.18.1 . Bagagerekken , skihouders en radio-ontvangst - en/of zendantennes mogen , wanneer zij als technische eenheden zijn goedgekeurd , slechts ter verkoop aangeboden , verkocht of gekocht worden , indien zij vergezeld gaan van voorschriften voor de montage . Deze moeten voldoende gegevens bevatten om de goedgekeurde onderdelen zodanig op het voertuig te kunnen bevestigen dat aan de desbetreffende voorschriften van de punten 5 en 6 kan worden voldaan . Met name moet voor telescopische antennes worden aangegeven welke gebruiksstanden zijn toegestaan . " . ( 1 ) B = België , D = Duitsland , DK = Denemarken , F = Frankrijk , GB = Verenigd Koninkrijk , I = Italië , IRL = Ierland , L = Luxemburg , NL = Nederland . BIJLAGE II krijgt als titel : " METHODEN VOOR HET BEPALEN VAN DE AFMETINGEN VAN UITSTEKENDE DELEN EN OPENINGEN " Punt 1 wordt : " 1 . METHODE VOOR HET METEN VAN DE UITSTEKENDE VOUWEN IN CAROSSERIEPANELEN " . De huidige punten 1 , 2 , 3 en 4 krijgen de nieuwe nummering 1.1 , 1.2 , 1.3 en 1.4 . Na punt 1 komen de volgende nieuwe punten 2 , 3 en 4 : " 2 . METHODE VOOR HET BEPALEN VAN DE AFMETING VAN DE AFMETING VAN HET UITSTEKENDE GEDEELTE VAN EEN OP HET BUITENOPPERVLAK AANGEBRACHT ONDERDEEL 2.1 . De afmeting van het uitstekend gedeelte van een onderdeel dat op een convex paneel is gemonteerd kan , hetzij direct door meting worden vastgesteld , hetzij aan de hand van een tekening van een daartoe geschikte doorsnede van het onderdeel in gemonteerde toestand . 2.2 . Indien de afmeting van het uitstekende gedeelte van een onderdeel dat op een niet-convex paneel is gemonteerd niet rechtstreeks door meting kan worden bepaald , dan moet dit gebeuren aan de hand van de maximale verplaatsing van het middelpunt van een bol met een diameter van 100 mm ten opzichte van de nominale lijn van het paneel , wanneer de bol in voortdurende aanraking met dat onderdeel wordt voortbewogen . In figuur 3 wordt een voorbeeld van de toepassing van deze methode gegeven . 3 . METHODE VOOR HET BEPALEN VAN HET UITSTEKENDE GEDEELTE VAN AFSCHERMKAPPEN EN RANDEN VAN KOPLAMPEN 3.1 . Het ten opzichte van het buitenoppervlak uitstekende gedeelte van de koplamp wordt in horizontale richting vanuit het contactpunt van een bol met een diameter van 100 mm gemeten , zoals weergegeven in figuur 4 . 4 . METHODE VOOR HET BEPALEN VAN DE AFMETING VAN EEN OPENING OF AFSTAND TUSSEN DE DELEN VAN EEN ROOSTER 4.1 . De afmeting van een opening of ruimte tussen de delen van een rooster wordt bepaald door de afstand tussen twee door de contactpunten van de bol lopende vlakken die loodrecht staan op de verbindingslijn tussen de contactpunten . In figuur 5 en figuur 6 worden voorbeelden van de toepassing van deze methode gegeven . " . Figuur 3 : zie P.b . Figuur 4 : zie P.b . Figuur 5 : zie P.b . Figuur 6 : zie P.b . BIJLAGE III : De titel wordt als volgt : " BIJLAGE III MODEL Aanduiding van de bevoegde instantie BIJLAGE BIJ HET EEG-GOEDKEURINGSFORMULIER VOOR EEN TYPE VOERTUIG VOOR WAT BETREFT DE NAAR BUITEN UITSTEKENDE DELEN ( Artikel 4 , lid 2 , en artikel 10 van de richtlijn van de Raad van 6 februari 1970 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan ) Rekening houdende met de wijzigingen overeenkomstig Richtlijn 79/488/EEG " Na bijlage III volgt een nieuwe bijlage IV : " BIJLAGE IV MODEL ( maximumformaat : A4 ( 210 mm maal 297 mm ) ) Naam van de bevoegde instantie FORMULIER VOOR DE EEG-GOEDKEURING VAN EEN TECHNISCHE EENHEID ( Artikel 9 bis van Richtlijn 70/156/EEG van de Raad van 6 februari 1970 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan ) Technische eenheid : type bagagerok , skihouder , radio-ontvangst - en/of zendantenne ( 2 ) EEG-goedkeuringsnummer van de technische eenheid ... 1 . Fabrieks - of handelsmerk ... 2 . Type ... 3 . Naam en adres van de fabrikant ... 4 . Eventueel naam en adres van de gevolmachtigde van de fabrikant ... 5 . Beschrijving van de kenmerken van de technische eenheid ... 6 . Eventuele beperkingen van het gebruik en montagevoorschriften ... 7 . Datum van aanbieding van het proefmodel met het oog op het verkrijgen van de EEG-goedkeuring van een technische eenheid ... 8 . Technische dienst ... 9 . Datum van het door de technische dienst afgegeven rapport ... 10 . Nummer van het door de technische dienst afgegeven rapport ... 11 . De EEG-goedkeuring van een technische eenheid voor het bagagerek , de skihouder , de radio-ontvangst - en/of zendantenne is verleend/geweigerd ( 2 ) 12 . Plaats ... 13 . Datum ... 14 . Handtekening ... 15 . De volgende documenten , voorzien van bovenvermeld nummer van de EEG-goedkeuring van een technische eenheid , zijn bij deze mededeling gevoegd : ... ( in te vullen indien nodig ) 16 . Eventuele opmerkingen ... ( 1 ) Doorhalen wat niet van toepassing is . "