Richtlijn 79/113/EEG van de Raad van 19 december 1978 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten inzake het bepalen van het geluid dat door bouwterreinmachines en bouwterreinmaterieel wordt uitgestraald
Publicatieblad Nr. L 033 van 08/02/1979 blz. 0015 - 0030
Bijzondere uitgave in het Grieks: Hoofdstuk 13 Deel 8 blz. 0026
Bijzondere uitgave in het Spaans: Hoofdstuk 13 Deel 9 blz. 0176
Bijzondere uitgave in het Portugees: Hoofdstuk 13 Deel 9 blz. 0176
Bijzondere uitgave in het Fins: Hoofdstuk 15 Deel 2 blz. 0144
Bijzondere uitgave in het Zweeds: Hoofdstuk 15 Deel 2 blz. 0144
++++ RICHTLIJN VAN DE RAAD van 19 december 1978 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten inzake het bepalen van het geluid dat door bouwterreinmachines en bouwterreinmaterieel wordt uitgestraald ( 79/113/EEG ) DE RAAD VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN , Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap , inzonderheid op artikel 100 , Gezien het voorstel van de Commissie , Gezien het advies van het Europese Parlement ( 1 ) , Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité ( 2 ) , Overwegende dat in de Lid-Staten de voorschriften voor het toelaatbare geluidsniveau van bouwterreinmachines en bouwterreinmaterieel , alsmede voor de methode voor de meting van deze geluidsniveaus , van Lid-Staat tot Lid-Staat verschillen , hetgeen een belemmering vormt voor de handel in deze machines en dit materieel ; dat deze voorschriften derhalve onderling dienen te worden aangepast ; Overwegende dat moet worden overgegaan tot onderlinge aanpassing van de voorschriften betreffende het bepalen van het uitgestraalde geluid , waaraan bouwterreinmachines en bouwterreinmaterieel moeten voldoen om vrij te mogen worden ingevoerd en vrij in de handel te mogen worden gebracht , HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD : Artikel 1 1 . Deze richtlijn is van toepassing op bouwterreinmachines en bouwterreinmaterieel als omschreven in lid 2 waarvoor in bijzondere richtlijnen gedetailleerde voorschriften zijn vastgesteld . 2 . Onder bouwterreinmachines en bouwterreinmaterieel in de zin van deze richtlijn wordt verstaan toestellen , apparatuur , installaties en machines voor bouwterreinen of hun onderdelen die overeenkomstig hun constructietype dienen voor werkzaamheden op civieltechnische werken en bouwterreinen zonder hoofdzakelijk bestemd te zijn voor het vervoer van goederen of personen en waarvoor het uitgestraalde geluid moet worden bepaald . 3 . Land - en bosbouwtrekkers alsook hefapparaten zijn van het toepassingsgebied van deze richtlijn uitgesloten . Artikel 2 Indien een bijzondere richtlijn voorziet in het bepalen van het geluid dat wordt uitgestraald door bouwterreinmachines en bouwterreinmaterieel als bedoeld in artikel 1 dient dit te geschieden overeenkomstig de voorschriften van de bijlage . Artikel 3 De wijzigingen die noodzakelijk zijn om de voorschriften van de bijlage aan te passen aan de technische vooruitgang , worden vastgesteld overeenkomstig de procedure van artikel 5 . Artikel 4 1 . Er wordt een Comité voor de aanpassing aan de technische vooruitgang van de richtlijnen voor de opheffing van de technische handelsbelemmeringen in de sector bouwterreinmachines en bouwterreinmaterieel opgericht , hierna te noemen het " Comité " , samengesteld uit vertegenwoordigers van de Lid-Staten en voorgezeten door een vertegenwoordiger van de Commissie . 2 . Het Comité stelt zijn reglement van orde vast . Artikel 5 1 . In de gevallen waarin wordt verwezen naar de in dit artikel omschreven procedure , wordt deze procedure bij het Comité ingeleid door de voorzitter , hetzij op diens initiatief , hetzij op verzoek van een vertegenwoordiger van een Lid-Staat . 2 . De vertegenwoordiger van de Commissie legt aan het Comité een ontwerp voor van te nemen maatregelen . Het Comité brengt over dit ontwerp advies uit binnen een termijn die de voorzitter kan bepalen naargelang van de urgentie van het betrokken vraagstuk . Het spreekt zich uit met een meerderheid van eenenveertig stemmen , waarbij de stemmen van de Lid-Staten worden gewogen overeenkomstig het bepaalde in artikel 148 , lid 2 , van het Verdrag . De voorzitter neemt geen deel aan de stemming . 3 . a ) De Commissie stelt de beoogde maatregelen vast wanneer zij in overeenstemming zijn met het advies van het Comité . b ) Wanneer de beoogde maatregelen niet in overeenstemming zijn met het advies van het Comité of bij gebreke van een advies , doet de Commissie onverwijld een voorstel aan de Raad betreffende de vast te stellen maatregelen . De Raad besluit met gekwalificeerde meerderheid van stemmen . c ) Indien na verloop van een termijn van drie maanden , te rekenen vanaf de indiening van het voorstel bij de Raad , deze geen besluit heeft genomen , worden de voorgestelde maatregelen door de Commissie vastgesteld . Artikel 6 1 . De Lid-Staten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om binnen achttien maanden na kennisgeving van deze richtlijn aan deze richtlijn te voldoen . Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis . 2 . De Lid-Staten dragen er zorg voor dat de tekst van alle bepalingen van intern recht die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen ter kennis van de Commissie wordt gebracht . Artikel 7 Deze richtlijn is gericht tot de Lid-Staten . Gedaan te Brussel , 19 december 1978 . Voor de Raad De Voorzitter G . BAUM ( 1 ) PB nr . C 76 van 7 . 4 . 1975 , blz . 37 . ( 2 ) PB nr . C 263 van 17 . 11 . 1975 , blz . 42 . BIJLAGE METHODE VOOR HET BEPALEN VAN HET LUCHTGELUID DAT DOOR MACHINES DIE IN OPEN LUCHT WORDEN GEBRUIKT WORDT UITGESTRAALD 1 . DOEL Deze methode is bestemd voor het bepalen van het geluid dat wordt uitgestraald door alle machines , onderdelen van machines en installaties die in de open lucht worden gebruikt . De machines , onderdelen of installaties worden in deze methode " geluidsbron " genoemd . In deze methode worden de verschillende akoestische gegevens gedefinieerd die kunnen worden gebruikt om een geluidsbron te karakteriseren , evenals de methode om die gegevens te bepalen . De verkregen waarden vormen de basis voor de controle op de overeenstemming van de geluidemissie van machines met de voorschriften en voor de bouwplaatsplanning voor wat betreft de bescherming tegen geluidshinder . Tenzij anders aangegeven , zijn de waarden inclusief toleranties . Deze methode is van toepassing voor zover in bijzondere richtlijnen geen andere of aanvullende bepalingen zijn opgenomen waarbij rekening wordt gehouden met de bijzondere eigenschappen van bepaalde machines . 2 . TOEPASSINGSGEBIED 2.1 . Soort geluid Deze meetmethode is van toepassing op elk soort geluid dat wordt uitgestraald door geluidsbronnen die normaliter in de open lucht worden gebruikt . 2.2 . Afmetingen van de geluidsbron Deze methode is van toepassing op geluidsbronnen van elke afmeting , behoudens andersluidende bepalingen in bijzondere richtlijnen . 3 . DEFINITIES 3.1 . Geluiddrukniveau L pA Het geluiddrukniveau L pA wordt verkregen door de A-weging toe te passen op het geluiddrukniveau L p Het geluiddrukniveau L p , uitgedrukt in decibel , wordt gedefinieerd als : L p 20 lg10 p/p o waarin : p is de effectieve geluiddruk , uitgedrukt in pascal ( Pa ) op een bepaald meetpunt veroorzaakt , en p o is de referentiegeluiddruk , gelijk van 20 m Pa Het A-gewogen , in decibel uitgedrukte , geluiddrukniveau L pA wordt verkregen door een weegfifter A in de meetketen op te nemen . 3.2 . Meetoppervlak Het meetoppervlak S is een denkbeeldig oppervlak dat de geluidsbron omsluit en waarop de meetpunten zich bevinden ( zie punt 6.4 ) . 3.3 . Gemiddelde geluiddrukniveau op het oppervlak L pAm Het geluiddrukniveau op het oppervlak L pAm is het volgens 8.4 berekende niveau van de gemiddelde kwadratische waarde van de geluiddrukken , die op het meer oppervlak zijn opgenomen . 3.4 . Geluidsvermogensniveau L WA Het geluidsvermogensniveau L WA wordt verkregen door de A-weging toe te passen op het geluidsvermogensniveau . Het geluidsvermogensniveau L W , uitgedrukt in decibel , wordt gedefinieerd als : L W = 10 lg10 W/W o waarin : - W is het totale door de geluidsbron voortgebrachte geluidsvermogen ( in watt ) - W o is het referentiegeluidsvermogen , gelijk aan 10 -12 W . Het A-gewogen , in decibel uitgedrukte , geluidsvermogensniveau L WA wordt verkregen door een weegfilter A in de meetketen op te nemen . 3.5 . Grenswaarde van het geluidsvermogensniveau L WA1 Het toelaatbare geluidsvermogensniveau , uitgedrukt in dB ( A ) , is de waarde voorgeschreven in de bijzondere richtlijnen en wordt L WA1 genoemd . 3.6 . Richtingsindex DI : De in dB uitgedrukte richtingsindex van een geluidsbron , die bij toepassing van deze meetmethode gebruikt dient te worden , wordt als volgt gedefinieerd : DI = L pA(max ) - L pAm + 3 waarin : - L pA(max ) het hoogste op de meetpunten ( zie 6.4.2 ) gemeten geluiddrukniveau is , berekend volgens 8.1.1 en gecorrigeerd volgens de algemene beginselen van 8.6.1 , 8.6.3 en 8.6.4 ; - L pAm het geluiddrukniveau op het oppervlak is , vastgesteld overeenkomstig 8.4 . ; - 3 is een overeengekomen toegevoegde waarde . Voor de bepaling van L pA(max ) en L pAm dienen uitsluitend de voorgeschreven meetpunten in aanmerking te worden genomen . 3.7 . Ander geluid Ander geluid is het totaal van achtergrondgeluid en secundair geluid . 3.7.1 . Achtergrondgeluid Achtergrondgeluid is het geluid op de meetpunten dat niet door de geluidsbron wordt veroorzaakt . 3.7.2 . Secundair geluid Secundair geluid is elk geluid op de meetpunten dat wel door de geluidsbron wordt veroorzaakt , doch daardoor niet rechtstreeks wordt uitgestraald . 4 . BEOORDELINGSFACTOREN VOOR HET WEERGEVEN VAN DE RESULTATEN 4.1 . Het naar de omgeving uitgestraalde geluid : Het naar de omgeving van een bron uitgestraalde geluid wordt uitgedrukt : - hetzij door het geluidsvermogensniveau L WA van de bron - hetzij door het geluidsvermogensniveau van de bron L WA , aangevuld met de richtingsindex ( DI ) . Wanneer echter het berekende geluidsvermogensniveau L WA een in de bijzondere richtlijn vastgestelde waarde lager ligt dan het toelaatbare geluidsvermogensniveau L WA : , wordt de richtingsindex ( DI ) slechts ter informatie vermeld . 4.2 . Geluid op de bedieningsplaats : Voor de bedieningsplaats wordt het geluid in principe uitgedrukt als het geluiddrukniveau L pA . 5 . MEETAPPARATUUR 5.1 . Algemeen De apparatuur dient geschikt te zijn om het niveau van het gemiddelde van de gekwadrateerde volgens de A-kromme gewogen geluidsdruk te meten . Het niveau van het tijdsgemiddelde van de gekwadrateerde drukken voor een meetpunt wordt verkregen hetzij door rechtstreekse aflezing op het apparaat , hetzij volgens de in 11 vermelde berekening . 5.2 . Meetinstrumenten Ten einde aan bovengenoemde voorwaarden te voldoen kan men gebruik maken van : a ) een geluidsniveaumeter die voldoet aan de eisen van IEC-publikatie 179 , 2e druk , 1973 . De responsie " traag " ( slow ) dient te worden gebruikt . b ) een integrator die een analoge of digitale integratie verricht van het gekwadrateerde signaal over een gegeven tijdsinterval . Opmerking Indien voor een meting andere apparatuur dan de precisie-geluidsniveaumeter of combinaties van apparaten , zoals integratoren , worden gebruikt , moeten alle specificaties daarvan voldoen aan de eisen van IEC-publikatie 179 , 2e druk , 1973 . 5.3 . Microfoon en bijbehorende kabel Men dient gebruik te maken van een microfoon met kabel die voldoet aan IEC-publikatie 179 , 2e druk , 1973 , en die voor metingen in het vrije veld is geijkt . 5.4 . Frequentiewaardering Men dient een weegfilter A te gebruiken die voldoet aan de specificaties van publikatie IEC 179 , 2e druk , 1973 . 5.5 . Controle van de meetapparatuur 5.5.1 . Voor de proeven dient de overdrachtskwaliteit van de volledige apparatuur ( meetinstrument , inclusief microfoon en kabel ) met een akoestische calibrator waarvan de nauwkeurigheid ten minste 0,5 dB bedraagt ( bij voorbeeld een pistonfoon ) te worden gecontroleerd ; de apparatuur dient onmiddellijk na elke reeks metingen opnieuw te worden gecontroleerd . 5.5.2 . Deze controles ter plaatse dienen ten minste elk jaar door een uitgebreidere calibratie in een hiertoe uitgerust laboratorium te worden aangevuld . 6 . MEETOMSTANDIGHEDEN Alle details in verband met de wijze van opstellen , werking en gebruik van de te beproeven geluidsbron worden in de bijlagen van de bijzondere richtlijnen nader omschreven . De algemene aanwijzingen zijn opgenomen in 6.1 tot en met 6.4 . 6.1 . Meetobject Er dient nauwkeurig te worden aangegeven welke uitrusting , zoals hulpwerktuigen , aandrijvingen , enz . , een integrerend deel vormt van de te beproeven geluidsbron . De geluidsbronnen die voorzien zijn van uitwisselbare gereedschappen , zoals de diverse uitrustingsstukken voor bijzondere doeleinden , moeten ten minste met de standaarduitrusting worden gemeten . Het meetresultat is slechts geldig voor de beproefde combinatie . Zo nodig zal in de bijzondere richtlijnen verder worden aangegeven hoe tijdens de meting rekening dient te worden gehouden met eventuele delen die geen eigenlijke bestanddelen zijn van de machine ( afzonderlijke gereedschappen , enz . ) maar die onontbeerlijk zijn voor de werking van de machine . 6.2 . Werking van de geluidsbron gedurende de metingen Ten einde te komen tot reproduceerbare omstandigheden en de geluidsemissiewaarden te kunnen berekenen die kenmerkend zijn voor de geluidsbron , moet in de bijzondere richtlijnen een nauwkeurige omschrijving worden gegeven van de bij de meting toe te passen werkwijze . De metingen omvatten in principe : 6.2.1 . Een meting met de geluidsbron in vrijloop , bij nominaal toerental van de motor , maar zonder gebruik van het gereedschap of het voortbewegingsmechanisme . 6.2.2 . Met belasting uit te voeren metingen In dit geval voldoen de voorgeschreven bedrijfsomstandigheden hetzij aan de normale bedrijfsomstandigheden van de machine , hetzij aan een gebruikelijke werkmethode waarbij , in principe , gelijke effecten en hinder optreden als die bij de werkelijke werkmethode . Tijdens de meting dient voor een stabiele werking of een vastgesteld periodiek verloop van de verrichtingen te worden gezorgd . Voor elke bron zijn de werkcyclussen gespecificeerd in de bijlagen van de overeenkomstige bijzondere richtlijnen . 6.3 . Meetterrein De geluidsbron dient in vrije-veld-omstandigheden overeenkomstig haar werkelijke werkwijze te worden opgesteld en , tenzij anders is voorgeschreven , op een weerkaatsend oppervlak , op een terrein waar andere geluiden voldoende zwak zijn ( zie 8.6 ) . Wanneer voor een in een bijzondere richtlijn vastgestelde meting , het gebruik van een niet-weerkaatsende bodem nodig is ( bij voorbeeld een grasmat ) worden de akoestische eigenschappen van de bodem in de richtlijn omschreven . In het meetterrein mogen geen reflecterende objecten voorkomen die de resultaten van de meting kunnen beïnvloeden . Indien een standaardgeluidsbron wordt gebruikt moet zij ten minste de in ISC-norm nr . 3741 , bijlage B , uitgave 1975.07.15 voorgeschreven karakteristiek bezitten . 6.4 . Meetoppervlak , meetafstand , plaats en aantal van de meetpunten 6.4.1 . Meetoppervlak , meetafstand Het meetoppervlak is een denkbeeldig oppervlak dat de geluidsbron omsluit ; het wordt begrensd door de meetplaats waarop de machine staat . Het kan ook begrensd worden door een aantal vlakken ( figuur 1 ) . Het moet een eenvoudige geometrische vorm hebben , bij voorkeur een halve bol of een rechthoekig parallellepipedum . In het middelpunt van de meetplaats wordt de geluidsbron geplaatst ( figuur 2 en 3 ) . In principe worden grote meetafstanden gekozen . In het geval van een halve bol wordt dit bereikt wanneer de afstand tussen de halve bol en de omtrek van de machine met kleiner is dan tweemaal de grootste afmeting ( lengte , breedte , hoogte ) van de geluidsbron . Indien geen enkele afmeting van de te beproeven geluidsbron groter dan 4 m is , dient het meetoppervlak bij voorkeur een halve bol met een straal van 10 m te zijn . Indien geen enkele afmeting groter is dan , 1,5 m , wordt voor het meetoppervlak bij voorkeur een halve bol met een straal van 4 m gekozen . In het geval van zeer grote geluidsbronnen wordt men bij de meting geconfronteerd met moeilijkheden van praktische aard . Een parallellepipedumvormig meetoppervlak kan in dit geval voordelen bieden . Wanneer in bijlagen van bijzondere richtlijnen bepaalde meetoppervlakken worden omschreven , mogen alleen deze oppervlakken worden gebruikt . Opmerkingen a ) De uitstekende gedeelten van de geluidsbron die niet wezenlijk bijdragen tot de geluidsemissie , worden niet in aanmerking genomen voor de bepaling van de afmetingen van de bron . b ) Bij geluidsbronnen waarvan de grootste afmeting ( lengte , breedte , hoogte ) groter is dan de halve meetafstand , zijn de meetresultaten minder nauwkeurig te bepalen . Dit kan worden verholpen door een groter aantal meetpunten te nemen . Indien de afstand tussen twee naast elkaar gelegen meetpunten kleiner is dan de meetafstand , is de nauwkeurigheid van de meting vergelijkbaar met die welke wordt verkregen met een halve bol , zoals deze hierboven is omschreven . 6.4.2 . Plaats en aantal van de meetpunten 6.4.2.1 . Algemeen Indien de geluidsbron , door haar geometrische vorm of haar werking ( bij voorbeeld beweging ) een bepaalde richtwerking bezit , dienen de meetpunten volgens een dienovereenkomstig opgesteld coordinatiesysteem gekozen te worden . De oorsprong van het coordinatiesysteem moet mogelijk samenvallen met de projectie van het meetkundig middelpunt van de geluidsbron op de bodem . 6.4.2.2 . Plaats van de meetpunten op een halve bol met straal r Op de halve bol bevinden zich in beginsel twaalf meetpunten met de volgende coordinatie ( zie figuur 2 ) : x = ( x/r ) r y = ( y/r ) r z = ( z/r ) r . Voor x/r , y/r , z en z/r dient men de in onderstaande tabel I vermelde waarden te nemen : TABEL I * x/r * y/r * z/r * z * 1 * 1 * 0 * - * 1,5 m * 2 * 0,7 * 0,7 * - * 1,5 m * 3 * 0 * 1 * - * 1,5 m * 4 * - 0,7 * 0,7 * - * 1,5 m * 5 * - 1 * 0 * - * 1,5 m * 6 * - 0,7 * - 0,7 * - * 1,5 m * 7 * 0 * - 1 * - * 1,5 m * 8 * 0,7 * - 0,7 * - * 1,5 m * 9 * 0,65 * 0,27 * 0,71 * - * 10 * - 0,27 * 0,65 * 0,71 * - * 11 * - 0,65 * - 0,27 * 0,71 * - * 12 * 0,27 * - 0,65 * 0,71 * - * 6.4.2.3 . Plaats van de meetpunten op een parallellepipedum Indien het meetoppervlak op een rechthoekig parallellepipedum ligt , liggen de meetpunten bij voorbeeld zoals weergegeven in figuur 3 . Het aantal meetpunten en de ligging daarvan zijn afhankelijk van de grootte van de geluidsbron . In het middelpunt van elk vlak ( in het algemeen 4 zijkanten en 1 bovenvlak ) , en in de 4 hoeken van het bovenvlak van het parallellepipedum dient zich echter ten minste één meetpunt te bevinden . Men dient daarenboven rekening te houden met opmerking b ) van 6.4.1 . Opmerkingen betreffende 6.4.2.2 en 6.4.2.3 In de bijzondere richtlijnen kunnen voor de meetpunten een afwijkende plaatsing en een afwijkend aantal worden voorgeschreven . 6.5 . Metingen op de bedieningsplaats Indien de werking van de machine de aanwezigheid van personeel vereist ( bij voorbeeld de bestuurder ) , moeten aanvullende metingen op de bedieningsplaats worden verricht . Gedetailleerde specificaties hiervoor zullen elders worden gegeven . 7 . UITVOERING VAN DE METINGEN 7.1 . Vaststelling van de akoestische eigenschappen van het meetterrein De condities van het meetterrein moeten voor de meting nagegaan worden . De te onderzoeken verstorende invloeden zijn : a ) Geluiden van andere bronnen b ) Invloed van de wind c ) Bedrijfsomstandigheden : bij voorbeeld trillingen , temperatuur , vochtigheidsgraad , luchtdruk d ) Eigenschappen van het meetterrein e ) Reflecterende objecten in het meetterrein , die de uitkomsten van de geluidsmetingen kunnen beïnvloeden . 7.1.1 . Ander geluid In de bijlagen van de bijzondere richtlijnen zal worden omschreven met welke andere geluiden rekening dient te worden gehouden . a ) Meting van het achtergrondgeluid Het achtergrondgeluid dient op de meetpunten te worden gemeten ( zie 6.4.2 ) bij uitgeschakelde geluidsbron ( zonder geluidemissie ) ( zie 7.2 ) . b ) Meting van secundair geluid Het secundaire geluid dient op de meetpunten te worden gemeten ( zie 6.4.2 ) , eventueel na afschermen van de te onderzoeken geluidsbron ( zie punt 7.2 ) , met schermwanden . Opmerking Voor dergelijke schermwanden is in het algemeen een massa van 25 kg/m2 voldoende . Zij dienen bij voorkeur geluidabsorberend te zijn aan de zijde die naar de te onderzoeken geluidsbron gekeerd is . 7.1.2 . Windsnelheid en windrichting De windsnelheid en de windrichting moeten op een bepaald punt van de meetplaats worden vastgesteld . Er dient rekening te worden gehouden met het bepaalde in 8.6.4 . 7.1.3 . Meting van temperatuur , vochtigheid , luchtdruk en andere verstoringen Alleen verstoringen die mogelijkerwijs de akoestische metingen beïnvloeden , hoeven te worden gemeten ( zie 8.6.3 ) . 7.1.4 . Meting van de akoestische eigenschappen van de meetplaats De akoestische eigenschappen van de meetplaats kunnen door de omgevingsconstante C worden vastgesteld volgens de methode van 8.6.2 . De toe te passen methode om de in de 8.6.2 gedefinieerde constante C te bepalen , wordt elders aangegeven . Met deze constante kan eveneens worden nagegaan of een deels reflecterende bodem bruikbaar is als meetplaats . 7.1.5 . Aanwezigheid van obstakels In het algemeen is visuele controle voldoende om na te gaan of wordt voldaan aan het bepaalde in de derde alinea van 6.3 . Het te controleren gebied wordt in de bijzondere richtlijnen omschreven . 7.2 . Meting van het geluiddrukniveau LpA Voor de meting van het geluiddrukniveau ( LpA ) dient een instrument gebruikt te worden zoals omschreven in 5.2 . Het geluiddrukniveau LpA op een bepaald meetpunt is het geluiddrukniveau dat overeenkomt met de in de tijd gemiddelde gekwadrateerde geluiddrukken . Indien een geluidsniveaumeter wordt gebruikt , dient het tijdsgemiddelde van een aantal aflezingen bepaald te worden , zoals aangegeven in 11 . In principe dient de meettijd op ieder meetpunt 15 s te bedragen . In het geval van werkcycli met periodiek wisselend geluidsniveau dient de meettijd ten minste drie volledige werkcycli te omvatten . Indien men gebruik maakt van een integratorgeluidsniveaumeter dient de integratietijd gelijk aan de meettijd te zijn . 7.3 . Bepaling van de aard van het door de geluidsbron uitgestraalde geluid Op milieuhygiënische gronden dient de aard van het uitgestraalde geluid te worden vastgesteld , ten einde de hierdoor veroorzaakte hinder te kunnen beoordelen . Daarom verdient het aanbeveling , over een methode te beschikken om geluid met impulskarakter en geluid met tonaal karakter te kunnen opsporen . 7.3.1 . Bepaling van het impulskarakter van geluid Door de aanwijzingen van een precisie-geluidsniveaumeter met " trage " responsie en die van een precisie-impulsgeluidsniveaumeter in de stand " impuls " ( IEC-179 A/1973 ) met elkaar te vergelijken kan men bepalen of het geluid al dan niet een impulskarakter bezit . Als indicatie voor het impulskarakter van het geluid neemt men volgens deze methode het verschil tussen de in de tijd gemiddelde gekwadrateerde geluiddrukken , gemeten met de geluidsniveaumeter , in de stand " impuls " en in de stand " traag " . Het geluiddrukniveau dat wordt gemeten in de stand " impuls " wordt " impulsgeluiddrukniveau " genoemd . Dit wordt bepaald in één van de meetpunten . Een geluid wordt als geluid met impulskarakter beschouwd wanneer het verschil tussen de twee genoemde geluiddrukniveaus 4 dB of meer bedraagt . 7.3.2 . Bepaling van een geluid met tonaal karakter ( In verband met de ontwikkeling van de techniek , is dit punt nog in studie ; de definitieve tekst zal volgens de procedure van het " Comité voor de aanpassing aan de vooruitgang van de techniek " worden bepaald . ) 8 . VERWERKING VAN DE RESULTATEN 8.1 . Berekening van de gemiddelde geluiddrukniveaus 8.1.1 . In de tijd gemiddelde niveau op een meetpunt De waarden die verkregen worden uit de metingen volgens 7.2 zijn in de tijd gemiddelde waarden . 8.1.2 . Ruimtelijk gemiddelde niveau op het meetoppervlak Met behulp van de volgens 8.1.1 verkregen waarden , wordt het ruimtelijk gemiddelde geluiddrukniveau van alle meetpunten berekend . 8.2 . Berekening van het gemiddelde niveau van ander geluid Het gemiddelde niveau van ander geluid op het meetoppervlak wordt verkregen door de methode van punt 8.1.2 toe te passen op de niveaus van het ander geluid dat op de diverse meetpunten wordt vastgesteld . Het niveau van ander geluid op een meetpunt is gelijk aan het niveau van de energetische som van de geluiddrukniveaus veroorzaakt door respectievelijk achtergrondgeluid en secundair geluid op dat punt . 8.3 . Berekening van de oppervlakte 5 van het meetoppervlak In het geval van een halve bol is de oppervlakte S in m2 van het meetoppervlak : S = 2 p r2 waarin : r = straal van de halve bol in m . In het geval van een parallellepipedum , is de oppervlakte S in m2 van het meetoppervlak : S = 4 ( ab + bc + ca ) waarin : 2a = 2d + 1 lengte van het meetoppervlak in meters 2b = 2d + e breedte van het meetoppervlak in meters c = d + h hoogte van het meetoppervlak in meters d afstand tussen het meetoppervlak en de geluidsbron in meters l lengte van de geluidsbron in meters e breedte van de geluidsbron in meters h hoogte van de geluidsbron in meters . De oppervlakte van het meetoppervlak hoeft slechts bij benadering te worden berekend ; een fout van min of meer 20 % geeft een afwijking van min of meer 1 dB op de uitkomst van de formule 10 lg10 S/S o ( geluiddrukniveau op het oppervlak ) . 8.4 . Berekening van het geluiddrukniveau op het oppervlak LpAm : Het geluiddrukniveau op het oppervlak is het niveau dat wordt berekend volgens 8.1.2 en daarna wordt gecorrigeerd volgens 8.6.1 , 8.6.3 en 8.6.4 . 8.5 . Berekening van het geluidsvermogensniveau LWA Het A-gewogen geluidsvermogensniveau LWA van de geluidsbron wordt berekend met behulp van de volgende formule : LWA = LpAm + 10 lg10 S/S o + K2 waarin : LWA = het geluidsvermogensniveau van de te onderzoeken geluidsbron in dB ( zie 3.4 ) LpAm = het A-gewogen geluiddrukniveau op het oppervlak , zoals gedefinieerd in 3.3 S = de grootte van het meetoppervlak in m2 berekend volgens 8.3 S o = het referentieoppervlak ( 1 m2 ) K2 = de correctieterm voor de meetplaats , uitgedrukt in dB ; deze term is gelijk aan o , tenzij deze , gelet op het bepaalde in 8.6.2 en in de bijzondere richtlijnen , gelijk moet zijn aan C . Opmerking ( zie 6.4.1 ) Indien r = 4 m , dan is 10 lg10 S/S o = 20 dB . Indien r = 10 m , dan is 10 lg10 S/S o = 28 dB . 8.6 . Correcties op de meetgegevens 8.6.1 . Ander geluid Het gemiddelde van de geluiddrukniveaus op het meetoppervlak , berekend volgens de methode van 8.1 , dient eventueel te worden gecorrigeerd op ander geluid , bepaald volgens de methode van 8.2 . De correctieterm K1 , in dB , die van het gemiddelde moet worden afgetrokken , is aangegeven in tabel II . TABEL II Verschil in dB tussen het berekende geluiddrukniveau met de geluidsbron in werking en het geluiddrukniveau van het overige geluid alleen * Correctieterm K1 in dB minder dan 6 * meting niet geldig * 6 * 1,0 * 7 * 1,0 * 8 * 1,0 * 9 * 0,5 * 10 * 0,5 * meer dan 10 * geen correctie * 8.6.2 . Akoestische eigenschappen van de meetplaats De constante C , die de akoestische eigenschappen van de meetplaats aangeeft , wordt bepaald met de formule C = LWAr - LWAs waarbij LWAr : nominaal geluidsvermogensniveau van de standaardgeluidsbron in dB LWAs : geluidsvermogensniveau van de standaardgeluidsbron , berekend uit de op de meetplaats verrichte metingen , en rekening houdend met punt 7.1 ( a , b , c ) . Er hoeft geen omgevingsconstante C te worden bepaald indien de bodem van de meetplaats hard is , gemaakt is van beton of asfalt dat niet poreus is en indien het meetterrein vrij is van reflecterende objecten . Bij een gedeeltelijk weerkaatsende bodem dient de waarde C te liggen tussen uiterste waarden die in de bijzondere richtlijnen zijn vastgesteld . De effectieve waarde van C die de akoestische eigenschappen van de gebruikte meetplaats beschrijft , wordt bepaald met bovenstaande formule . Deze waarde wordt gebruikt als K2 voor de vaststelling van het geluidsvermogensniveau van de bron , behoudens andersluidende specificatie in de bijzondere richtlijnen . Bovendien verdient het aanbeveling andere correcties aan te brengen die verband houden met het functioneren van de geluidsbron ( bij voorbeeld hoogte van het meetterrein ) . 8.6.3 . Verstorende invloeden : temperatuur , vochtigheid , hoogte van de meetplaats en andere verstoringen - Meetapparatuur Ten einde rekening te houden met de invloed van alle door de fabrikant genoemde verstorende invloeden , zoals temperatuur , luchtdruk , vechtigheidsgraad van de lucht , dient men zich te houden aan de voorschriften van de meetapparatuurfabrikant . - Geluidsbron In de bijzondere richtlijnen zullen de eventuele verstoringen worden aangegeven die de metingen kunnen beïnvloeden , alsook de methode om hiermee rekening te houden . 8.6.4 . Invloed van de wind De maximaal toelaatbare windsnelheid is 8 m/s . Een windkap dient te worden gebruikt bij windsnelheden boven de daarvoor door de microfoon-fabrikant opgegeven waarde . De eventuele correcties voor de berekeningen volgens 8.4 worden aangegeven door de fabrikant van de windkap . 9 . TE REGISTREREN GEGEVENS In principe dienen bij alle metingen die volgens de specificaties van deze meetmethode worden verricht , de volgende gegevens verzameld en in een rapport opgenomen te worden . 9.1 . De geluidsbron waaraan de meting wordt verricht a ) beschrijving van de onderzochte geluidsbron ( inclusief afmetingen ) ; b ) bedrijfsomstandigheden van de geluidsbron gedurende de metingen ; c ) wijze van opstelling op de meetplaats ; d ) plaats van de geluidsbron op het meetterrein ; e ) indien het onderzochte materieel meer dan een geluidsbron heeft , beschrijving van de bronnen die tijdens de meting in werking zijn . 9.2 . Akoestische omgeving a ) beschrijving van de meetplaats en de fysische kenmerken ervan : schets met plaatsaanduiding van de geluidsbron ten opzichte van eventuele reflecterende objecten op het meetterrein ; b ) weersomstandigheden : weer ( zonnig , bewolkt , regenachtig , mistig , ... ) , luchttemperatuur , luchtdruk , windsnelheid en -richting , vochtigheidsgraad ; c ) correctieterm die de akoestische eigenschappen van de meetplaats aangeeft . 9.3 . Instrumenten a ) voor de meting gebruikte instrumenten , inclusief benamingen , type , serie - en individuele nummers van de apparaten en namen van de fabrikanten ; b ) toegepaste methode voor de controle van de meetapparatuur zoals aangegeven in 5.5.1 . Naam van het laboratorium dat de controle overeenkomstig 5.5.2 heeft uitgevoerd en datum van de laatste controle . 9.4 . Akoestische gegevens a ) vorm en afmetingen van het meetoppervlak , meetafstand , plaatsing van de microfoons . De nummers van de meetpunten en de windrichting dienen op de in 9.2.a ) voorgeschreven schets te worden aangegeven ; b ) grootte van het meetoppervlak S in m2 ( zie 8.3 ) en waarde van 10 lg10 S/S o ( zie 8.5 ) ; c ) geluiddrukniveaus die bij de meetpunten zijn gemeten ( zie 8.1.1 ) ; d ) gemiddeld geluiddrukniveau op het meetoppervlak ( zie 8.1.2 ) ; e ) eventuele correcties in decibel ( zie 8.6.1 , 8.6.3 en 8.6.4 ) ; f ) geluiddrukniveau op het oppervlak LpAm ( zie 8.4 ) ; g ) eventuele omgevingsconstante C ( zie 8.6.2 ) ; h ) geluidsvermogensniveau ( zie 8.5 ) ; i ) richtingsindex en nummer van het meetpunt waar LpA(max ) is bepaald ( zie 3.6 ) ; j ) aard van het geluid ( zie 7.3 ) ; k ) geluiddrukniveaus op de eventuele bedieningsplaatsen ( zie 6.5 ) ; l ) datum en uur waarop de metingen zijn verricht . 10 . IN HET RAPPORT OP TE NEMEN GEGEVENS ( OVEREENKOMSTIG 9 ) Alleen de overeenkomstig 9 geregistreerde gegevens die noodzakelijk zijn voor de metingen , dienen in het rapport te worden opgenomen . In het rapport dient nadrukkelijk te worden vermeld dat de geluidsvermogensniveaus werden verkregen in overeenstemming met deze methode . Tevens dient te worden vermeld dat deze geluidsvermogensniveaus in dB(A ) ref 1 pW zijn uitgedrukt . 11 . METHODE VOOR HET BEREKENEN VAN DE GEMIDDELDE WAARDEN VAN VERSCHILLENDE GELUIDDRUKNIVEAUS De gemiddelde waarde van een aantal geluiddrukniveaus van een reeks metingen op één punt ( tijdsgemiddelde ) of van een reeks metingen op verschillende punten rond de bron ( ruimtegemiddelde ) wordt berekend met de volgende formule : LpAm = LpAo + 10 lg10 1/n S ( i = n , i = 1 ) g i = LpAo + 10 lg10 * g m waarbij LpAi = geluiddrukniveau van de i-de meting LpAo = hulpgeluiddrukniveau om de berekening te vereenvoudigen , bij voorbeeld de kleinste waarde van LpAi g i = 10 0,1 ( Lp A1 - LpAo ) , de hulpwaarde voor de i-de meting g m = 1/n S ( i = n , i = 1 ) g i , gemiddelde waarde van g i D L wordt genoemd het verschil : D L = LpAi - LpAo Tabel III geeft de waarden van g voor de verschillende waarden van D L . TABEL III Waarde van g als functie van D L De tabel kan in beide richtingen worden uitgebreid . DL dB * g * - 20,0 * 0,010 * - 19,5 * 0,011 * - 19,0 * 0,013 * - 18,5 * 0,014 * - 18,0 * 0,016 * - 17,5 * 0,018 * - 17,0 * 0,020 * - 16,5 * 0,022 * - 16,0 * 0,025 * - 15,5 * 0,028 * - 15,0 * 0,032 * - 14,5 * 0,035 * - 14,0 * 0,040 * - 13,5 * 0,045 * - 13,0 * 0,050 * - 12,5 * 0,056 * - 12,0 * 0,063 * - 11,5 * 0,071 * - 11,0 * 0,079 * - 10,5 * 0,089 * - 10,0 * 0,100 * DL dB * g * - 10,0 * 0,100 * - 9,5 * 0,112 * - 9,0 * 0,126 * - 8,5 * 0,141 * - 8,0 * 0,158 * - 7,5 * 0,178 * - 7,0 * 0,2 * - 6,5 * 0,224 * - 6,0 * 0,251 * - 5,5 * 0,282 * - 5,0 * 0,316 * - 4,5 * 0,355 * - 4,0 * 0,398 * - 3,5 * 0,447 * - 3,0 * 0,501 * - 2,5 * 0,562 * - 2,0 * 0,631 * - 1,5 * 0,708 * - 1,0 * 0,794 * - 0,5 * 0,891 * - 0,0 * 1 * DL dB * g * 0,0 * 1 * 0,5 * 1,12 * 1,0 * 1,26 * 1,5 * 1,41 * 2,0 * 1,58 * 2,5 * 1,78 * 3,0 * 2,00 * 3,5 * 2,24 * 4,0 * 2,51 * 4,5 * 2,82 * 5,0 * 3,16 * 5,5 * 3,55 * 6,0 * 3,98 * 6,5 * 4,47 * 7,0 * 5,01 * 7,5 * 5,62 * 8,0 * 6,31 * 8,5 * 7,08 * 9,0 * 7,94 * 9,5 * 8,91 * 10,0 * 10 * DL dB * g * 10,0 * 10,0 * 10,5 * 11,2 * 11,0 * 12,6 * 11,5 * 14,1 * 12,0 * 15,8 * 12,5 * 17,8 * 13,0 * 20,0 * 13,5 * 22,4 * 14,0 * 25,1 * 14,5 * 28,2 * 15,0 * 31,6 * 15,5 * 35,5 * 16,0 * 39,8 * 16,5 * 44,7 * 17,0 * 50,1 * 17,5 * 56,2 * 18,0 * 63,1 * 18,5 * 70,8 * 19,0 * 79,4 * 19,5 * 89,1 * 20,0 * 100 * DL dB * g * 20,0 * 100,0 * 20,5 * 112,2 * 21,0 * 125,9 * 21,5 * 141,3 * 22,0 * 158,5 * 22,5 * 177,8 * 23,0 * 199,5 * 23,5 * 223,9 * 24,0 * 251,2 * 24,5 * 281,8 * 25,0 * 316,2 * 25,5 * 354,8 * 26,0 * 398,1 * 26,5 * 446,7 * 27,0 * 501,2 * 27,5 * 562,3 * 28,0 * 631,0 * 28,5 * 707,9 * 29,0 * 794,3 * 29,5 * 891,3 * 30,0 * 1 000,0 * Figuur 1 : zie P.b . Figuur 2 : zie P.b . Figuur 3 : zie P.b .