31978R2749

Verordening (EEG) nr. 2749/78 van de Raad van 23 november 1978 betreffende het handelsverkeer in oliën en vetten tussen de Gemeenschap en Griekenland

Publicatieblad Nr. L 331 van 28/11/1978 blz. 0001 - 0004
Bijzondere uitgave in het Grieks: Hoofdstuk 03 Deel 23 blz. 0059


++++

VERORDENING ( EEG ) Nr . 2749/78 VAN DE RAAD

van 23 november 1978

betreffende het handelsverkeer in oliën en vetten tussen de Gemeenschap en Griekenland

DE RAAD VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN ,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap , inzonderheid op artikel 43 ,

Gezien het voorstel van de Commissie ( 1 ) ,

Gezien het advies van het Europese Parlement ( 2 ) ,

Overwegende dat bij Verordening nr . 136/66/EEG van de Raad van 22 september 1966 houdende de totstandbrenging van een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector oliën en vetten ( 3 ) , laatstelijk gewijzigd bij Verordening ( EEG ) nr . 1562/78 ( 4 ) , een gemeenschappelijke regeling van het handelsverkeer in oliën en vetten met derde landen is ingevoerd ; dat deze regeling voor olijfolie , voor de vervaardiging van olijfolie bestemde olijven , voor bepaalde perskoeken van olijven en voor andere residuen voorziet in een stelsel van heffingen bij de invoer en , voor de andere produkten , in de toepassing van het gemeenschappelijk douanetarief ;

Overwegende dat de douanerechten die de Lid-Staten ten opzichte van Griekenland toepassen , zijn vastgelegd in de Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en Griekenland ;

Overwegende dat in het aan genoemde Overeenkomst gehechte Protocol nr . 12 is bepaald dat - vooruitlopend op de harmonisatie van het landbouwbeleid van de Gemeenschap en van Griekenland - bij een eventuele vaststelling van heffingen op olijfolie en olijven hetzelfde stelsel voor Griekenland geldt als tussen de Lid-Staten onderling ;

Overwegende dat de bij Verordening nr . 136/66/EEG ingestelde prijsregeling niet op Griekenland van toepassing is ; dat derhalve verschillen kunnen optreden tussen de prijs op de Griekse markt en de prijs in de Gemeenschap ; dat deze verschillen overeenkomstig de beginselen van het stelsel van heffingen moeten worden overbrugd door een heffing die , voor de vaststelling van de gemeenschappelijke prijzen wordt berekend volgens de in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid ten aanzien van het handelsverkeer tussen de Lid-Staten algemeen geldende regels ;

Overwegende dat de toepassing van genoemde bijzondere heffing op de uitvoer van Griekenland naar de Gemeenschap van produkten die echter niet geheel en al in Griekenland zijn voortgebracht tot een aanzienlijke verlegging van het handelsverkeer kan leiden , aangezien Griekenland niet verplicht is ten opzichte van olijfolie en olijven uit derde landen het stelsel van heffingen toe te passen dat door de Gemeenschap is ingesteld ; dat de toepassing van de bijzondere heffing derhalve moet worden beperkt tot de invoer van produkten die geheel en al in Griekenland zijn voortgebracht ;

Overwegende dat Verordening ( EEG ) nr . 2844/76 van de Raad van 23 november 1976 tot vaststelling van bijzondere maatregelen met name voor het bepalen van aanbiedingen van olijfolie op de Griekse markt ( 5 ) , gewijzigd bij Verordening ( EEG ) nr . 2361/77 ( 6 ) , afwijkt van de vaststelling van de bijzondere heffing bij invoer in Griekenland door de bepaling dat de heffing bij openbare inschrijving wordt vastgesteld ;

Overwegende dat de moeilijkheden bij de evaluatie van de werkelijke situatie op de Griekse markt , die de reden waren voor de vaststelling van deze bijzondere regeling , zich ook in de toekomst nog dreigen voor te doen ; dat het daarom dienstig is de mogelijkheid te openen om , na schorsing van de toepassing van de oorspronkelijke regeling voor de vaststelling van de heffing , opnieuw van deze regeling gebruik te maken ;

Overwegende dat het handelsverkeer met Griekenland in olijven , perskoeken van olijven en andere residuen in vergelijking met het handelsverkeer in olijfolie , slechts een geringe hoeveelheid betreft ; dat ter administratieve vereenvoudiging , de vaststelling van de heffing via openbare inschrijving beperkt dient te blijven tot de invoer van olijfolie ; dat het , om dezelfde reden , dienstig is de mogelijkheid te openen om de betrokken regeling niet toe te passen op de invoer van hoeveelheden olijfolie die geen invloed hebben op de ontwikkeling van het handelsverkeer in het betrokken produkt ;

Overwegende dat de in deze verordening bedoelde regeling van de invoer en de uitvoer van olijfolie en olijven in bepaalde omstandigheden tot verstoring van de markt van de Gemeenschap zou kunnen leiden ; dat derhalve dient te worden voorzien in maatregelen waardoor aan zodanige situaties het hoofd kan worden geboden ;

Overwegende dat invoering van de bovenvermelde regeling het mogelijk maakt elke andere belemmering voor het handelsverkeer tussen de Gemeenschap en Griekenland op te heffen ;

Overwegende dat , onverminderd de uit de Associatieovereenkomst voortvloeiende verbintenissen , sommige bepalingen van Verordening nr . 136/66/EEG op het handelsverkeer tussen de Gemeenschap en Griekenland kunnen worden toegepast ;

Overwegende dat Verordening ( EEG ) nr . 162/66/EEG van de Raad van 27 oktober 1966 betreffende het handelsverkeer in oliën en vetten tussen de Gemeenschap en Griekenland ( 7 ) moet worden ingetrokken ,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD :

Artikel 1

Voor het handelsverkeer tussen de Gemeenschap en Griekenland in de produkten bedoeld in artikel 1 , lid 2 , van Verordening nr . 136/66/EEG , hierna " basisverordening " genoemd , gelden de volgende bepalingen .

Artikel 2

De Lid-Staten passen in het handelsverkeer tussen de Gemeenschap en Griekenland in de in artikel 1 , lid 2 , sub a ) , b ) en d ) , van de basisverordening genoemde produkten , met uitzondering van de produkten van de onderverdelingen 07.01 N II en 07.03 A II van het gemeenschappelijk douanetarief , alsook voor het handelsverkeer in de produkten van onderverdeling 23.04 A I van het gemeenschappelijk douanetarief , de douanerechten toe die voortvloeien uit de toepassing van de Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en Griekenland , hierna " Overeenkomst " te noemen .

Artikel 3

1 . Bij invoer van niet-behandelde olijfolie van onderverdeling 15.07 A I van het gemeenschappelijk douanetarief die geheel en al in Griekenland is voortgebracht en rechtstreeks van dit land naar de Gemeenschap wordt vervoerd , wordt een heffing toegepast waarvan het bedrag gelijk is aan het met een forfaitair bedrag verminderd verschil tussen de overeenkomstig de artikelen 4 , 9 en 10 van de basisverordening vastgestelde drempelprijs en een prijs franco grens .

2 . De prijs franco grens , berekend voor de overeenkomstig artikel 9 van de basisverordening vastgestelde plaats van overschrijding van de grens van de Gemeenschap , wordt bepaald , uitgaande van de meest gunstige aankoopmogelijkheden op de Griekse markt ; de noteringen worden aangepast aan de hand van de eventuele verschillen ten opzichte van de benaming of de kwaliteit waarvoor de drempelprijs is vastgesteld .

3 . Het niveau van het forfaitaire bedrag wordt voor elk verkoopseizoen door de Raad , op voorstel van de Commissie , vastgesteld met gekwalificeerde meerderheid van stemmen , waarbij Griekenland vooraf wordt geraadpleegd over het niveau van dit bedrag .

4 . De Commissie stelt de heffing vast .

De uitvoeringsbepalingen van dit artikel worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 38 van de basisverordening .

Artikel 4

1 . Bij de invoer van olijfolie van onderverdeling 15.07 A II van het gemeenschappelijk douanetarief die geheel en al in Griekenland is voortgebracht en uit dit land rechtstreeks naar de Gemeenschap wordt vervoerd , wordt een heffing toegepast die overeenkomt met de heffing op de hoeveelheid olijfolie die nodig is voor de produktie van het betrokken produkt , welke hoeveelheid forfaitair kan worden vastgesteld .

2 . De uitvoeringsbepalingen van dit artikel worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 38 van de basisverordening .

Artikel 5

1 . Wanneer het niet mogelijk is de feitelijke tendens op de Griekse markt voor niet-behandelde olijfolie vast te stellen aan de hand van de aanbiedingen op deze markt , wordt de heffing bij invoer van de in de artikelen 3 en 4 bedoelde produkten bij openbare inschrijving vastgesteld .

2 . De Commissie stelt periodiek een minimumheffing vast ; zij houdt daarbij met name rekening met de door de inschrijvers aangegeven heffingen . Elke inschrijver die een heffing heeft aangegeven die gelijk is aan of hoger is dan de minimumheffing , ontvangt de toewijzing en wordt verplicht de in de aanvraag vermelde hoeveelheid tegen de door hem aangegeven heffing in te voeren .

3 . De regeling inzake de vaststelling van de heffing bij openbare inschrijving geldt evenwel niet voor invoer van hoeveelheden die geen invloed hebben op de marktsituatie . In dit geval geldt de laatste voor de invoer vastgestelde minimumheffing .

4 . Indien de ontwikkeling van de Griekse markt verschilt naargelang van de aanbiedingsvorm van niet-behandelde olijfolie , kunnen verschillende minimumheffingen voor de betrokken aanbiedingsvormen worden vastgesteld .

5 . De Raad stelt , op voorstel van de Commissie , met gekwalificeerde meerderheid van stemmen , de algemene voorschriften voor de toepassing van dit artikel vast .

6 . De uitvoeringsbepalingen van dit artikel worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 38 van de basisverordening .

Artikel 6

1 . Bij invoer van olijven van onderverdelingen 07.01 N II en 07.03 A II van het gemeenschappelijk douanetarief die in Griekenland zijn geoogst en rechtstreeks van dit land naar de Gemeenschap worden vervoerd , wordt een heffing toegepast die , uitgaande van de krachtens artikel 3 voor olijfolie geldende heffing , wordt berekend op basis van het oliegehalte van het ingevoerde produkt .

2 . Bij invoer van de produkten van onderverdelingen 23.04 A II en 15.17 B I van het gemeenschappelijk douanetarief die geheel en al in Griekenland zijn voortgebracht en rechtstreeks van dit land naar de Gemeenschap worden vervoerd , wordt een heffing toegepast die , uitgaande van de voor in artikel 3 bedoelde olijfolie geldende heffing , wordt berekend op basis van het oliegehalte van het ingevoerde produkt .

3 . Wanneer artikel 5 wordt toegepast , wordt bij invoer van de in de leden 1 en 2 bedoelde produkten een heffing vastgesteld bij de vaststelling waarvan rekening wordt gehouden met de minimumheffing op de hoeveelheid olijfolie in deze produkten .

4 . De Commissie stelt de in dit artikel bedoelde heffingen periodiek vast .

5 . De uitvoeringsbepalingen van dit artikel , en met name de voorschriften inzake de bepaling van het oliegehalte , dat forfaitair kan worden vastgesteld , worden volgens de procedure van artikel 38 van de basisverordening vastgesteld .

Artikel 7

1 . Ingeval de olijfoliemarkt in de Gemeenschap ernstige verstoringen ondergaat of dreigt te ondergaan als gevolg van :

- de invoer van in artikel 1 , lid 2 , sub c ) , d ) en e ) , van de basisverordening bedoelde produkten , die geheel en al in Griekenland zijn voortgebracht en rechtstreeks van dit land naar de Gemeenschap vervoerd , met name wanneer de interventiebureaus er , wegens deze invoer , toe gebracht zouden worden belangrijke hoeveelheden olijfolie aan te kopen ter uitvoering van artikel 12 , lid 1 , van de basisverordening , of

- de uitvoer van olijfolie naar Griekenland , met name wanneer wegens deze uitvoer de marktprijs van olijfolie het niveau van de representatieve marktprijs aanzienlijk overschrijdt of dreigt te overschrijden , of wanneer wegens deze uitvoer besloten is tot verkoop van de buffervoorraad ,

kunnen passende maatregelen worden toegepast totdat deze verstoringen opgeheven zijn , of het gevaar daarvoor geweken is .

2 . Elk op grond van lid 1 genomen besluit wordt ter kennis van Griekenland gebracht .

3 . De aard van de maatregelen die getroffen kunnen worden , alsmede de voorwaarden voor de toepassing van dit artikel , worden , na raadpleging van Griekenland , op voorstel van de Commissie door de Raad , met gekwalificeerde meerderheid van stemmen , vastgesteld .

Artikel 8

Onder voorbehoud van het bepaalde in de artikelen 7 , 9 en 10 , zijn in het handelsverkeer met Griekenland onverenigbaar met de toepassing van de bepalingen van deze verordening :

- de toepassing van enig ander douanerecht of van enige andere heffing van gelijke werking dan die welke in deze verordening zijn bedoeld ;

- de toepassing van enige kwantitatieve beperking of maatregel van gelijke werking ;

- het beroep op artikel 41 van de Overeenkomst voor de produkten bedoeld in artikel 1 , lid 2 , sub c ) , d ) en e ) , van de basisverordening met uitzondering van die van de onderverdelingen 07.02 A en ex 07.04 B van het gemeenschappelijk douanetarief .

Artikel 9

Onder voorbehoud van de bepalingen van de Overeenkomst zijn de volgende artikelen van de basisverordening , alsmede de ter toepassing daarvan genomen maatregelen , van toepassing : de artikelen 18 , 19 , 20 en 20 bis , artikel 27 , lid 3 , sub c ) en lid 5 , de artikelen 28 en 35 , en artikel 41 , lid 1 .

Artikel 10

Wanneer de in de Gemeenschap ingevoerde produkten niet geheel en al in Griekenland zijn voortgebracht of niet rechtstreeks van dit land naar de Gemeenschap zijn vervoerd , zijn de artikelen 14 , 15 , 16 , 17 en 20 ter , van de basisverordening , onder voorbehoud van de bepalingen van de Overeenkomst , van toepassing op de onder deze artikelen vallende produkten .

Artikel 11

Op voorstel van de Commissie kan de Raad , na overleg met Griekenland , met gekwalificeerde meerderheid van stemmen , de lijst van produkten wijzigen , waarop deze verordening van toepassing is , of afwijkende maatregelen nemen ten einde rekening te houden met de bijzondere omstandigheden waarin deze produkten zich zouden kunnen bevinden .

Artikel 12

Verordening nr . 162/66/EEG wordt ingetrokken .

Artikel 13

Deze verordening treedt in werking op de derde dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen .

Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 1979 .

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke Lid-Staat .

Gedaan te Brussel , 23 november 1978 .

Voor de Raad

De Voorzitter

J . ERTL

( 1 ) PB nr . C 235 van 5 . 10 . 1978 , blz . 3 .

( 2 ) Advies uitgebracht op 17 . 11 . 1978 ( nog niet verschenen in het PB ) .

( 3 ) PB nr . 172 van 30 . 9 . 1966 , blz . 3025/66 .

( 4 ) PB nr . L 185 van 7 . 7 . 1978 , blz . 1 .

( 5 ) PB nr . L 327 van 26 . 11 . 1976 , blz . 6 .

( 6 ) PB nr . L 277 van 29 . 10 . 1977 , blz . 2 .

( 7 ) PB nr . 197 van 29 . 10 . 1966 , blz . 3393/66 .