31977R2829

Verordening (EEG) nr. 2829/77 van de Raad van 12 december 1977 met betrekking tot de inwerkingtreding van de Europese Overeenkomst nopens de arbeidsvoorwaarden voor de bemanningen van motorrijtuigen in het internationale vervoer over de weg (AETR)

Publicatieblad Nr. L 334 van 24/12/1977 blz. 0011 - 0012
Bijzondere uitgave in het Fins: Hoofdstuk 7 Deel 1 blz. 0225
Bijzondere uitgave in het Grieks: Hoofdstuk 07 Deel 2 blz. 0033
Bijzondere uitgave in het Zweeds: Hoofdstuk 7 Deel 1 blz. 0225
Bijzondere uitgave in het Spaans: Hoofdstuk 07 Deel 2 blz. 0078
Bijzondere uitgave in het Portugees: Hoofdstuk 07 Deel 2 blz. 0078


++++

VERORDENING ( EEG ) Nr . 2829/77 VAN DE RAAD

van 12 december 1977

met betrekking tot de inwerkingtreding van de Europese Overeenkomst nopens de arbeidsvoorwaarden voor de bemanningen van motorrijtuigen in het internationale vervoer over de weg ( AETR )

DE RAAD VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN ,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap , inzonderheid op artikel 75 ,

Gezien het voorstel van de Commissie ,

Gezien het advies van het Europese Parlement ( 1 ) ,

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité ( 2 ) ,

Overwegende dat de op 1 juli 1970 te Genève gesloten Europese Overeenkomst nopens de arbeidsvoorwaarden voor de bemanningen van motorijtuigen in het internationale vervoer over de weg ( AETR ) tot 31 maart 1971 openstond voor ondertekening en , na deze datum , voor toetreding door de Lid-Staten van de Economische Commissie voor Europa , en dat zij na nederlegging van de achtste akte van bekrachtiging op 5 januari 1976 in werking is getreden ;

Overwegende dat de AETR bepaalde arbeidsvoorwaarden in het grensoverschrijdende vervoer met motorvoertuigen tussen de partijen bij de Overeenkomst regelt die van essentieel belang zijn voor de sociale bescherming van de bemanningen en voor de verkeersveiligheid ; dat de Overeenkomst derhalve geschikt is om in het wegvervoer tussen Europese landen uniforme arbeidsvoorwaarden in de zin van sociale vooruitgang en grotere veiligheid tot stand te brengen ; dat zij bovendien regelingen bevat voor dezelfde gebieden als Verordening ( EEG ) nr . 543/69 van de Raad van 25 maart 1969 tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer ( 3 ) , laatstelijk gewijzigd bij Verordning ( EEG ) nr . 2827/77 ( 4 ) en bijgevolg de interne regeling van de Gemeenschap doeltreffend aanvult ; dat de Overeenkomst daarom in alle Lid-Staten zo spoedig mogelijk in werking moet treden ;

Overwegende dat de AETR zodanig in werking moet worden gesteld dat uiterlijk vanaf 1 januari 1978 de uniforme toepassing van de bepalingen ervan in de gehele Gemeenschap og de bemanningen van alle voertuigen die grensoverschrijdend vervoer verrichten tussen de Lid-Staten en derde landen die partij bij de Overeenkomst zijn gewaarborgd is ; dat de bepalingen van de Overeenkomst zo mogelijk ook moeten worden toegepast op het vervoer naar en van derde landen die geen partij bij de Overeenkomst zijn ; dat daartoe ook een dienovereenkomstige wijziging van artikel 2 van Verordening ( EEG ) nr . 543/69 vereist is ;

Overwegende dat , daar de inhoud van de AETR tot de werkingssfeer van Verordening ( EEG ) nr . 543/69 behoort , de bevoegdheid tot het onderhandelen over en de sluiting van de betrokken Overeenkomst sinds de inwerkingtreding van genoemde verordening bij de Gemeenschap berust ; dat de bijzondere omstandigheden waaronder de onderhandelingen over de AETR hebben plaatsgevonden evenwel bij uitzondering een procedure rechtvaardigen , volgens welke de Lid-Staten van de Gemeenschap de akten van bekrachtiging of toetreding afzonderlijk maar in het kader van een onderling afgestemd optreden nederleggen , waarbij zij echter in het belang van de Gemeenschap en namens haar handelen ;

Overwegende dat om in het vervoer binnen de Gemeenschap de voorrang van het Gemeenschapsrecht te verzekeren , de Lid-Staten bij de nederlegging van hun akten van bekrachtiging of toetreding een voorbehoud dienen te doen gelden krachtens hetwelk grensoverschrijdend vervoer tussen de Lid-Staten niet als grensoverschrijdend vervoer in de zin van de Overeenkomst moet worden beschouwd ;

Overwegende dat de in de Overeenkomst zelf bepaalde mogelijkheden van afwijkende bilaterale overeenkomsten tussen de Partijen bij de Overeenkomst voor het vervoer in grensgebieden en het transitovervoer in beginsel onder de bevoegheid van de Gemeenschap vallen ;

Overwegende dat indien een wijziging van de interne regeling van de Gemeenschap op het betreffende gebied een dienovereenkomstige wijziging van de Overeenkomst vereist , de Lid-Staten gemeenschappelijk zullen optreden om een zodanige wijziging in de Overeenkomst te bewerkstelligen volgens de daarin voorgeschreven procedure ,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD :

Artikel 1

Artikel 2 van Verordning ( EEG ) nr . 543/69 wordt als volgt gelezen :

" Artikel 2

1 . Deze verordening is van toepassing op het wegvervoer voor het traject dat binnen de Gemeenschap wordt afgelegd met in een Lid-Staat of een derde land ingeschreven voertuig .

2 . Vanaf 1 januari 1978 echter is :

- voor het gehele traject de Europese Overeenkomst nopens de arbeidsvoorwaarden voor de bemanningen van motorrijtuigen in het internationale vervoer over de weg ( AETR ) van toepassing op internationaal vervoer over de weg uit en/of naar derde landen die partij zijn bij deze Overeenkomst , en op transitovervoer door deze landen , wanneer dit vervoer plaatsvindt met motorvoertuigen die zijn ingeschreven in een Lid-Staat of in een van die derde landen .

- bij vervoer uit en/of naar een derde land met voertuigen die zijn ingeschreven in een derde land dat geen partij is bij de Overeenkomst , de Overeenkomst van toepassing voor het traject dat binnen de Gemeenschap wordt afgelegd . "

Artikel 2

1 . Gelet op de aanbeveling van de Raad van 23 september 1974 , handelen de Lid-Staten bij de bekrachtiging van of de toetreding tot de AETR namens de Gemeenschap .

De Lid-Staten stellen de Secretaris-generaal van de Verenigde Naties er schriftelijk van in kennis dat de bekrachtiging of de toetreding hunnerzijds overeenkomstig deze verordening is geschied .

Bovengenoemde maatregelen worden zo spoedig mogelijk en uiterlijk op 1 januari 1978 ten uitvoer gelegd .

2 . Bij de akten van bekrachtiging of van toetreding wordt het volgende voorbehoud gemaakt :

" Het vervoer tussen Lid-Staten van de Europese Economische Gemeenschap wordt beschouwd als nationaal vervoer in de zin van de AETR , voor zover dit vervoer geen transitovervoer is over het grondgebied van een derde land dat partij is bij de AETR . " .

3 . Wanneer wijzigingen in de communautaire bepalingen ter zake het noodzakelijk maken dat de Overeenkomst wordt aangepast , leiden de Lid-Staten de wijzigingsprocedure van artikel 23 van de Overeenkomst in .

Artikel 3

De uit hoofde van artikel 2 , lid 2 , van de AETR met derde landen te sluiten overeenkomsten worden door de Gemeenschap gesloten . Op voorstel van de Commissie stelt de Raad de in artikel 3 , lid 2 , van de AETR bedoelde maatregelen vast .

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke Lid-Staat .

Gedaan te Brussel , 12 december 1977 .

Voor de Raad

De Voorzitter

L . DHOORE

( 1 ) PB nr . C 157 van 14 . 7 . 1975 , blz . 92 .

( 2 ) PB nr . C 263 van 17 . 11 . 1975 , blz . 75 .

( 3 ) PB nr . L 77 van 29 . 3 . 1969 , blz . 49 .

( 4 ) Zie blz . 1 van dit Publikatieblad .