Verordening (EEG) nr. 355/77 van de Raad van 15 februari 1977 inzake een gemeenschappelijke actie ter verbetering van de voorwaarden inzake verwerking en afzet van landbouwprodukten
Publicatieblad Nr. L 051 van 23/02/1977 blz. 0001 - 0006
Bijzondere uitgave in het Grieks: Hoofdstuk 03 Deel 17 blz. 0149
Bijzondere uitgave in het Spaans: Hoofdstuk 03 Deel 11 blz. 0239
Bijzondere uitgave in het Portugees: Hoofdstuk 03 Deel 11 blz. 0239
++++ VERORDENING ( EEG ) Nr . 355/77 VAN DE RAAD van 15 februari 1977 inzake een gemeenschappelijke actie ter verbetering van de voorwaarden inzake verwerking en afzet van landbouwprodukten DE RAAD VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN , Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap , inzonderheid op de artikelen 42 en 43 , Gezien het voorstel van de Commissie , Gezien het advies van het Europese Parlement ( 1 ) , Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité ( 2 ) , Overwegende dat veruit de meeste landbouwprodukten van de Gemeenschap worden verwerkt alvorens zij de eindverbruiker bereiken ; dat voorts verbetering van de verwerking en de afzet van de landbouwprodukten , met name door middel van de verbetering van kwaliteit en aanbiedingsvorm , ruimere en lonender afzetmogelijkheden opent , en aldus bijdraagt tot vergroting van de produktiviteit van de landbouw ; Overwegende dat de op dit gebied beoogde maatregelen van gemeenschappelijke aard zijn en erop gericht zijn de in artikel 39 , lid 1 , sub a ) , van het Verdrag omschreven doelstellingen te verwezenlijken ; dat zij derhalve een gemeenschappelijke actie zijn in de zin van artikel 6 van Verordening ( EEG ) nr . 729/70 van de Raad van 21 april 1970 betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid ( 3 ) , laatstelijk gewijzigd bij Verordening ( EEG ) nr . 2788/72 ( 4 ) ; Overwegende dat ten einde een samenhangende verbetering van de verwerking en de afzet van landbouwprodukten te verzekeren , slechts investeringssteun uit de afdeling Oriëntatie van het Europees Oriëntatie - en Garantiefonds voor de Landbouw moet worden toegekend , indien de betrokken projecten zijn ingepast in specifieke programma's welke een grondige analyse van de toestand in de betrokken sector en van de voorgenomen verbetering bevatten ; Overwegende voorts dat de projecten , willen deze voor financiering door de Gemeenschap in aanmerking komen , er met name voor moeten kunnen zorgen dat zowel een verbetering en rationalisatie van de verwerkings - en afzetstructuur voor landbouwprodukten als een duurzaam gunstig effect voor de landbouwsector worden gewaarborgd ; Overwegende dat , ten einde de bijstand van het Fonds te oriënteren , de criteria moeten worden vastgesteld waarmee kan worden bepaald , welke projecten in de eerste plaats in aanmerking moeten komen ; Overwegende dat het , om te verzekeren dat de maatregelen van de Gemeenschap en die van de Lid-Staten met elkaar harmoniëren , noodzakelijk blijkt dat de door het Fonds te financieren projecten de instemming van de betrokken Lid-Staat hebben en dat deze aan de financiering deelneemt ; Overwegende dat , om te verzekeren dat de bij de toekenning van de steun uit het Fonds gestelde voorwaarden door de begunstigden worden nageleefd , een doeltreffende controle moet worden ingesteld en in de mogelijkheid moet worden voorzien de bijstand uit het Fonds te schorsen , te verlagen of in te trekken ; Overwegende dat een bijdrage van het Fonds in de vorm van een kapitaalsubsidie ten bedrage van maximaal 25 % van het bedrag der investeringen een passende bijdrage in de investeringen vormt ; dat , ten einde rekening te houden met de bijzondere moeilijkheden van sommige gebieden , een grotere bijdrage gerechtvaardigd zou kunnen blijken voor bepaalde projecten ; Overwegende dat de steun van het Fonds de mededingingsvoorwaarden niet nadelig mag beïnvloeden of mag kunnen beïnvloeden , op een wijze die onverenigbaar is met de beginselen van het Verdrag ; dat te dien einde deze steun met name geen economische machtspositie op de gemeenschappelijke markt of op een aanzienlijk deel ervan mag verstevigen of tot stand brengen , behalve wanneer zulks ter verwezenlijking van de doelstellingen van deze verordening noodzakelijk blijkt ; Overwegende dat de bijstand van het Fonds voor een periode van vijf jaar met een geraamd bedrag van 400 miljoen rekeneenheden kan bijdragen tot de verbetering van de voorwaarden voor de verwerking en de afzet van landbouwprodukten ; Overwegende dat het wenselijk is , voor de goedkeuring van de programma's en van de projecten te voorzien in een procedure waardoor een nauwe samenwerking wordt verzekerd tussen de Lid-Staten en de Commissie in het Permanent Comité voor de landbouwstructuur , ingesteld bij artikel 1 van de beschikking van de Raad d.d . 4 december 1962 , betreffende de coordinatie van het structuurbeleid in de landbouw ( 5 ) , of , voor de aangelegenheden in verband met de visserij , in genoemd Comité en het Permanent Comité voor de visserijstructuur , ingesteld bij artikel 11 van Verordening ( EEG ) nr . 101/76 van de Raad van 19 januari 1976 houdende de totstandbrenging van een gemeenschappelijk structuurbeleid in de visserijsector ( 6 ) ; dat ten aanzien van de projecten bovendien moet worden voorzien in raadpleging van het in artikel 11 van Verordening ( EEG ) nr . 729/70 bedoelde Comité van het Fonds ; Overwegende dat , ten einde rekening te houden met de tijd die nodig is voor het opstellen van de programma's , gedurende de eerste jaren waarin deze gemeenschappelijke actie wordt gevoerd , projecten moeten kunnen worden gefinancierd die niet in deze programma's zijn vervat , HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD : Artikel 1 1 . Ter verbetering van de structuur van de markt voor landbouwprodukten en in het bijzonder ter vergemakkelijking van de aanpassingen of de oriëntaties van de landbouw die door de economische gevolgen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid nodig zijn geworden of die ertoe strekken in de behoeften van dit gemeenschappelijk landbouwbeleid te voorzien , wordt een gemeenschappelijke actie gevoerd die het mogelijk moet maken ondernemingen die zich met de behandeling , de verwerking en/of de afzet van landbouwprodukten bezighouden , te ontwikkelen of te rationaliseren . 2 . Het geheel van de in deze verordening vervatte maatregelen vormt een gemeenschappelijke actie in de zin van artikel 6 , lid 1 , van Verordening ( EEG ) nr . 729/70 . 3 . De Commissie kan overeenkomstig de Titels III en IV bijstand verlenen voor de gemeenschappelijke actie door uit het Europees Oriëntatie - en Garantiefonds voor de Landbouw , afdeling Oriëntatie hierna te noemen het Fonds , projecten te financieren die in de in Titel I omschreven specifieke programma's passen en aan de vereisten van Titel II voldoen . TITEL I Specifieke programma's Artikel 2 De specifieke programma's , hierna te noemen programma's , hebben ten doel de behandeling , de verwerking en/of de afzet van één of meer landbouwprodukten in de gehe'e Gemeenschap of een gedeelte daarvan , te ontwikkelen of te rationaliseren . De programma's worden opgesteld door de Lid-Staten . Artikel 3 1 . De programma's bevatten ten minste de volgende gegevens : a ) een afbakening van het geografische gebied en de sector waarop het programma betrekking heeft , alsmede redenen voor deze afbakening ; b ) de uitgangssituatie en een analyse van de tendensen die eruit kunnen worden afgeleid , met name ten aanzien van : - de algemene sociaal-economische situatie in het geografische gebied , voor zover deze het programma betreft , en meer in het bijzonder de vooruitzichten ten aanzien van de afzet der landbouwprodukten ; - de betekenis van de landbouwactiviteit , - de situatie in de betrokken sector van de verwerking en de afzet van de onder het programma vallende landbouwprodukten en met name de aanwezige capaciteit van de betrokken ondernemingen ; c ) de behoeften waarin het programma voorziet en de met het programma nagestreefde doeleinden , met name " te bereiken capaciteit " ; d ) de economische betekenis van het programma voor de sector van de betrokken produkten en van de uitwerking ervan op de landbouwbedrijven in het betrokken geografische gebied ; e ) de middelen om de doeleinden van het programma te verwezenlijken , met name " totaalbedrag van de investeringen " ; f ) plaats van het programma ten opzichte van andere eventuele maatregelen om een harmonische ontwikkeling van de economie van het betrokken geografische gebied in het algemeen , te bevorderen ; g ) de beoogde termijn voor de uitvoering van het programma , die in beginsel niet langer dan drie tot vijf jaar zou dienen te zijn . 2 . De in lid 1 bedoelde gegevens mogen niet achterhaald zijn . Artikel 4 1 . De programma's en de eventuele aanpassingen daarvan worden aan de Commissie toegezonden door de Lid-Staat of Lid-Staten op het grondgebied waarvan zij moeten worden uitgevoerd . 2 . Op verzoek van de Commissie worden door de bij een programma betrokken Lid-Staat of Lid-Staten aanvullende beoordelingsgegevens verstrekt in het kader van de krachtens artikel 3 vereiste gegevens . Artikel 5 Binnen een termijn van zes maanden na de datum van ontvangst van elk programma of de aanpassingen daarvan , beslist de Commissie over de goedkeuring ervan volgens de procedure van artikel 22 , op voorwaarde dat daarin alle in artikel 3 vermelde gegevens zijn vervat . TITEL II Projecten Artikel 6 1 . Onder project wordt in deze verordening verstaan elk project dat betrekking heeft op een materiële investering van de overheid , van semioverheidsinstanties of van particulieren , welke geheel of gedeeltelijk gericht is op gebouwen en/of uitrusting die met name bestemd zijn voor : a ) de rationalisatie of de ontwikkeling van de opslag , het marktklaat maken , de verduurzaming , de behandeling of de verwerking van landbouwprodukten ; b ) de verbetering van de afzetkanalen ; c ) een betere kennis van de gegevens inzake prijzen en prijsvorming op de markten voor landbouwprodukten . 2 . Deze verordening is niet van toepassing op investeringen op het gebied van de detailhandel . Artikel 7 1 . De projecten hebben betrekking op de afzet van de in bijlage II van het EEG-Verdrag opgenomen produkten of voor de vervaardiging van de in die bijlage opgenomen verwerkte produkten . 2 . Voor zover dit noodzakelijk blijkt kan de Raad , op voorstel van de Commissie , met gekwalificeerde meerderheid van stemmen besluiten dat projecten ook betrekking kunnen hebben op de verwerking van in bijlage II van het Verdrag opgenomen landbouwprodukten tot niet onder die bijlage vallende goederen , of voor de afzet van die goederen , op voorwaarde dat en voor zover de vervaardiging of de afzet van die goederen een belangrijke afzetmogelijkheid voor de gebruikte landbouwprodukten vormt . Artikel 8 Rekening houdende met de produktiedoelstellingen van de Gemeenschap kan de Raad , op voorstel van de Commissie , met gekwalificeerde meerderheid van stemmen , ten aanzien van bepaalde sectoren , besluiten de toepassing van deze verordening tijdelijk op te schorten of de bepalingen ervan tijdelijk te wijzigen . Artikel 9 1 . De projecten moeten bijdragen tot de verbetering van de situatie in de betrokken basissectoren van de landbouwproduktie ; met name moeten zij waarborgen dat de producenten van het basislandbouwprodukt een passend en duurzaam aandeel verkrijgen in de economische voordelen die uit de projecten voortvloeien . 2 . De bijstand van het Fonds kan slechts worden verleend indien de begunstigde voldoende bewijzen levert dat aan de voorwaarden van artikel 7 en van lid 1 van het onderhavige artikel is voldaan . Er kan onder andere rekening worden gehouden met langlopende levering contracten die met de producenten van het basislandbouwprodukt zijn gesloten tegen voor deze producenten billijke voorwaarden . Artikel 10 De projecten moeten : a ) passen in programma's ; b ) voldoende waarborgen bieden ten aanzien van hun rentabiliteit ; c ) bijdragen tot een duurzaam economisch effect van de met de programma's nagestreefde verbetering van de structuur . Artikel 11 1 . Onverminderd artikel 9 is de bijstand van het Fonds in de eerste plaats bestemd voor de projecten die aan één of meer van de volgende criteria beantwoorden : a ) bijdragen tot de door het gemeenschappelijk landbouwbeleid nagestreefde oriëntering van de produktie of nieuwe afzetmogelijkheden scheppen voor de landbouwproduktie , met name door de vervaardiging van nieuwe produkten ; b ) de druk op de interventieregelingen van de gemeenschappelijke marktordeningen kunnen verlichten door in een behoefte tot verbetering van de structuur op lange termijn te voorzien ; c ) worden uitgevoerd in gebieden die bijzondere moeilijkheden ondervinden bij de aanpassing aan de omstandigheden en de economische gevolgen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid of deze gebieden ten goede komen ; d ) bijdragen tot verkorting of verbetering van de afzetkanalen of tot de rationalisatie van de verwerking van landbouwprodukten ; e ) bijdragen tot de verbetering van de kwaliteit , de aanbiedingsvorm en het marktklaar maken van de produkten of tot een beter gebruik van de bijprodukten , met name door het opnieuw voor gebruik geschikt maken van afvalstoffen . 2 . De Raad kan op voorstel van de Commissie met gekwalificeerde meerderheid van stemmen de lijst van de criteria in lid 1 wijzigen of aanvullen . Artikel 12 1 . In afwijking van het bepaalde in artikel 10 , sub a ) , kan tot 31 december 1980 bijstand van het Fonds worden verleend voor projecten met betrekking tot sectoren en geografische gebieden waarvoor nog geen programma's zijn goedgekeurd . 2 . Met ingang van 1 januari 1979 wordt de bijstand van het Fonds met voorrang verleend aan projecten die passen in goedgekeurde programma's . TITEL III Procedure voor het onderzoek van de projecten Artikel 13 1 . De verzoeken om bijstand van het Fonds moeten voor 1 mei via de betrokken Lid-Staat worden ingediend . 2 . De Commissie neemt tweemaal per jaar een beslissing over de ingediende verzoeken om bijstand . Dit geschiedt uiterlijk 30 juni en 31 december . De beschikkingen die tijdens de eerste helft van een jaar worden vastgesteld , hebben alleen betrekking op verzoeken om bijstand die uiterlijk op 31 december van het vorige jaar zijn ingediend . De van 1 januari tot en met 30 april ingediende verzoeken om bijstand kunnen slechts tijdens de tweede helft van hetzelfde jaar in overweging worden genomen . 3 . De projecten komen slechts voor bijstand van het Fonds in aanmerking indien er een gunstig advies over is uitgebracht door de Lid-Staat op het grondgebied waarvan zij moeten worden uitgevoerd . 4 . De verzoeken om bijstand moeten vergezeld gaan van gegevens aan de hand waarvan kan worden vastgesteld dat het project aan de in Titel II gestelde voorwaarden voldoet . 5 . De gegevens welke in de verzoeken moeten voorkomen , alsmede de vorm waarin zij moeten worden ingekleed , worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 22 na raadpleging van het Comité van het Fonds over de financiële aspecten . Artikel 14 1 . De Commissie neemt volgens de procedure van artikel 22 een beslissing over de bijstand van het Fonds na raadpleging van het Comité van het Fonds over de financiële aspecten . 2 . De beschikking van de Commissie wordt ter kennis gebracht van de betrokken Lid-Staat , alsmede van de begunstigde . Artikel 15 1 . Bij haar beslissing houdt de Commissie met name rekening met andere dan in deze verordening bedoelde rechtstreekse of indirecte investeringssteun welke aan het betrokken project wordt verleend . Te dien einde stelt de betrokken Lid-Staat de Commissie in kennis van deze steun . 2 . Projecten waarvoor communautaire steun kan worden verleend in het kader van andere gemeenschappelijke acties in de zin van artikel 6 , lid 1 , van Verordening ( EEG ) nr . 729/70 , vallen niet binnen de werkingssfeer van de onderhavige verordening . TITEL IV Financiële en algemene bepalingen Artikel 16 1 . De beoogde termijn voor de uitvoering van de gemeenschappelijke actie bedraagt vijf jaar te rekenen vanaf 1 januari 1978 . 2 . Voor het einde van de in lid 1 genoemde periode wordt deze verordening door de Raad op voorstel van de Commissie opnieuw bestudeerd . 3 . De kosten van de gemeenschappelijke actie die ten laste van het Fonds komen , worden geraamd op 400 miljoen rekeneenheden voor het tijdvak 1 januari 1978 tot en met 31 december 1982 , dit is 80 miljoen rekeneenheden per jaar . 4 . Artikel 6 , lid 5 , van Verordening ( EEG ) nr . 729/70 is van toepassing op deze verordening . Artikel 17 1 . De bijstand van het Fonds bestaat in kapitaalsubsidies die al dan niet ineens worden uitgekeerd . 2 . Voor elk project en in verhouding tot de gedane investering : a ) mag de financiële deelneming van de begunstigde niet minder dan 50 % bedragen ; b ) draagt de Lid-Staat op het grondgebied waarvan het project moet worden uitgevoerd , in de financiering ervan bij tot een percentage van ten minste 5 % ; c ) is de door het Fonds verstrekte subsidie gelijk aan ten hoogste 25 % ; de Commissie kan echter dit percentage volgens de procedure van artikel 22 verhogen tot maximaal 30 % voor projecten bedoeld in artikel 11 , sub c ) . 3 . De bijstand van het Fonds voor de in artikel 12 , lid 1 , bedoelde projecten mag in verhouding tot de gedane investering niet meer bedragen dan : - 25 % voor de projecten , gefinancierd uit de middelen van de begrotingsjaren 1978 en 1979 ; - 15 % voor de projecten , gefinancierd uit de middelen van het begrotingsjaar 1980 . Artikel 18 De bijstand van het Fonds mag de mededingingsvoorwaarden niet wijzigen op een wijze die onverenigbaar is met de beginselen die in de bepalingen van het Verdrag zijn vervat . Artikel 19 1 . De bijstand van het Fonds wordt verleend aan de natuurlijke personen of rechtspersonen of aan groeperingen daarvan die uiteindelijk de aan de uitvoering van het project verbonden kosten dragen . De bijstand van het Fonds wordt uitgekeerd via daartoe door de betrokken Lid-Staat aangewezen lichamen . 2 . Tijdens de gehele duur van de bijstand van het Fonds verstrekt de instantie of het lichaam dat daartoe door de betrokken Lid-Staat is aangewezen aan de Commissie op haar verzoek alle ter motivering dienende stukken en bescheiden , waaruit blijkt dat aan de voor elk project opgelegde financiële of andere voorwaarden is voldaan . De Commissie kan zo nodig ter plaatse een onderzoek verrichten . Na het Comité van het Fonds over de financiële aspecten te hebben geraadpleegd , kan de Commissie beslissen de bijstand van het Fonds te schorsen , te verlagen of in te trekken volgens de procedure van artikel 22 : - indien het project niet wordt uitgevoerd zoals beoogd , of - indien aan bepaalde opgelegde voorwaarden niet wordt voldaan of - indien de begunstigde , in tegenstelling tot de in zijn aanvraag en in de beschikking tot het verlenen van bijstand vervatte gegevens , niet met de uitvoering van de werkzaamheden begint binnen een termijn van twee jaar te rekenen vanaf de kennisgeving van de beschikking tot het verlenen van bijstand en indien de begunstigde niet voor het verstrijken van die termijn voldoende waarborgen voor de uitvoering van het project heeft gegeven . De beschikking wordt ter kennis gebracht van de betrokken Lid-Staat , alsmede van de begunstigde . De Commissie vordert de bedragen terug waarvan de betaling niet gerechtvaardigd was of niet meer gerechtvaardigd is . 3 . Onverminderd artikel 6 , lid 5 , van het Financieel Reglement van toepassing op de begroting van de Europese Gemeenschappen van 25 april 1973 ( 7 ) , laatstelijk gewijzigd bij Financieel Reglement van 21 december 1976 ( 8 ) , kunnen de kredieten die beschikbaar komen door een overeenkomstig lid 2 , tweede alinea , van het onderhavige artikel gegeven beschikking of door het feit dat de begunstigde afziet van de uitvoering van het project dan wel de investeringen , bedoeld in de beschikking tot het verlenen van bijstand , beperkt , worden aangewend voor de financiering van andere projecten . 4 . De overeenkomstig artikel 22 , lid 3 , van Verordening nr . 17/64/EEG van de Raad van 5 februari 1964 betreffende de voorwaarden voor het verlenen van bijstand door het Europees Oriëntatie - en Garantiefonds voor de Landbouw ( 9 ) , laatstelijk gewijzigd bij Verordening ( EEG ) nr . 3171/75 ( 10 ) , beschikbaar gekomen kredieten kunnen worden aangewend voor de financiering van uit hoofde van de onderhavige verordening ingediende projecten vanaf het jaar waarin overeenkomstig artikel 6 , lid 4 , van Verordening ( EEG ) nr . 729/70 een einde komt * aan de financiering van projecten uit hoofde van Verordening nr . 17/64/EEG . 5 . De wijze van toepassing van dit artikel wordt vastgesteld volgens de procedure van artikel 13 van Verordening ( EEG ) nr . 729/70 . Artikel 20 1 . Voor elk project waarvoor bijstand van het Fonds is verleend , zendt de begunstigde aan de Commissie via de Lid-Staat een verslag over de financiële resultaten van het project . Dit verslag moet worden ingediend binnen de termijn die door de Commissie in haar beschikking houdende toekenning is vastgesteld . 2 . Indien de begunstigde de in lid 1 vermelde verplichting niet nakomt , kan de Commissie , na voorafgaande ingebrekestelling , volgens de procedure van artikel 22 en na raadpleging van het Comité van het Fonds over de financiële aspecten , besluiten , geheel of gedeeltelijk terug te komen op haar beslissing tot het verlenen van bijstand . De beschikking wordt ter kennis gebracht van de betrokken Lid-Staat en van de begunstigde . De Commissie vordert de uitgekeerde bedragen geheel of gedeeltelijk terug . 3 . De wijze van toepassing van dit artikel , met name ten aanzien van de gegevens die moeten voorkomen in het in lid 1 bedoelde verslag , wordt vastgesteld volgens de procedure van artikel 22 en na raadpleging van het Comité van het Fonds over de financiële aspecten . Artikel 21 De aanvragen om bijstand van het Fonds die bij de Commissie zijn ingediend en die betrekking hebben op projecten waarvoor deze bijstand niet kon worden verleend in verband met een tekort aan beschikbare middelen , kunnen door de betrokken Lid-Staten in overleg met de aanvragers worden overgeboekt naar het volgende begrotingsjaar . De aanvragen om overboeking moeten bij de Commissie worden ingediend binnen een termijn van dertig dagen na de datum waarop de Lid-Staat in kennis is gesteld van het resultaat van de procedure van artikel 22 . Een aanvraag om bijstand kan evenwel slechts eenmaal worden overgeboekt . Artikel 22 1 . In de gevallen waarin wordt verwezen naar de in dit artikel omschreven procedure , wordt het Permanent Comité voor de landbouwstructuur , of , voor vraagstukken in verband met de visserijsector , dit Comité te zamen met het Permanent Comité voor de visserijstructuur , ingeschakeld door de voorzitter , hetzij op diens initiatief , hetzij op verzoek van de vertegenwoordiger van een Lid-Staat . 2 . De vertegenwoordiger van de Commissie legt een ontwerp van te treffen maatregelen voor . Het Permanent Comité voor de landbouwstructuur , of , in voorkomend geval , dit Comité te zamen met het Permanent Comité voor de visserijstructuur , brengt over deze maatregelen binnen een termijn , welke de voorzitter kan vaststellen naar gelang van de urgentie der te onderzoeken vraagstukken , een advies uit met een meerderheid van eenenveertig stemmen ; de stemmen van de Lid-Staten worden gewogen overeenkomstig artikel 148 , lid 2 , van het Verdrag . De voorzitter neemt niet aan de stemming deel . 3 . De Commissie stelt de maatregelen vast , welke onmiddellijk van toepassing zijn . Indien deze maatregelen echter niet in overeenstemming zijn met het door het Permanent Comité voor de landbouwstructuur uitgebrachte advies of , in voorkomend geval , het gezamenlijk advies van dit Comité en het Permanent Comité voor de visserijstructuur , worden zij door de Commissie onverwijld ter kennis van de Raad gebracht ; in dat geval kan de Commissie de toepassing van de maatregelen waartoe zij heeft besloten , tot ten hoogste een maand na deze kennisgeving uitstellen . De Raad kan binnen een maand met gekwalificeerde meerderheid van stemmen een andersluidend besluit nemen . Artikel 23 De artikelen 92 , 93 en 94 van het Verdrag blijven van toepassing op het door deze verordening bestreken gebied . Artikel 24 1 . De eerste bijstandsbeschikkingen ter uitvoering van deze verordening worden vastgesteld uit hoofde van het begrotingsjaar 1978 . Zij hebben betrekking op de vanaf de datum van inwerkingtreding van deze verordening en tot en met 30 april 1978 ingediende verzoeken . 2 . Vanaf de inwerkingtreding van deze verordening is Verordening nr . 17/64/EEG , tweede deel , niet meer van toepassing op de in haar artikel 11 , lid 1 , sub c ) en d ) , bedoelde gebieden . Zij blijft evenwel van toepassing op de beschikkingen die inzake deze gebieden moeten worden vastgesteld uit hoofde van het begrotingsjaar 1977 . 3 . De projecten die vallen onder de in lid 2 bedoelde gebieden en - bij de Commissie zijn ingediend krachtens Verordening nr . 17/64/EEG tussen 20 december 1976 en de inwerkingtreding van de onderhavige verordening , of - van het begrotingsjaar 1977 zijn overgeboekt naar het begrotingsjaar 1978 , kunnen in het kader en onder de voorwaarden van de onderhavige verordening in aanmerking worden genomen . Artikel 25 Deze verordening treedt in werking op de derde dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen . Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke Lid-Staat . Gedaan te Brussel , 15 februari 1977 . Voor de Raad De Voorzitter J . SILKIN ( 1 ) PB nr . C 178 van 2 . 8 . 1976 , blz . 36 . ( 2 ) PB nr . C 45 van 27 . 2 . 1976 , blz . 11 . ( 3 ) PB nr . L 94 van 28 . 4 . 1970 , blz . 13 . ( 4 ) PB nr . L 295 van 30 . 12 . 1972 , blz . 1 . ( 5 ) PB nr . 136 van 17 . 12 . 1962 , blz . 2892/62 . ( 6 ) PB nr . L 20 van 28 . 1 . 1976 , blz . 19 . ( 7 ) PB nr . L 116 van 1 . 5 . 1973 , blz . 1 . ( 8 ) PB nr . L 362 van 31 . 12 . 1976 , blz . 52 . ( 9 ) PB nr . 34 van 27 . 2 . 1964 , blz . 586/64 . ( 10 ) PB nr . L 315 van 5 . 12 . 1975 , blz . 1 .