Richtlijn 74/346/EEG van de Raad van 25 juni 1974 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid- Staten betreffende de achteruitkijkspiegels van landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen
Publicatieblad Nr. L 191 van 15/07/1974 blz. 0001 - 0004
Bijzondere uitgave in het Fins: Hoofdstuk 13 Deel 4 blz. 0030
Bijzondere uitgave in het Grieks: Hoofdstuk 13 Deel 2 blz. 0262
Bijzondere uitgave in het Zweeds: Hoofdstuk 13 Deel 4 blz. 0030
Bijzondere uitgave in het Spaans: Hoofdstuk 13 Deel 4 blz. 0003
Bijzondere uitgave in het Portugees: Hoofdstuk 13 Deel 4 blz. 0003
++++ RICHTLIJN VAN DE RAAD van 25 juni 1974 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende de achteruitkijkspiegels van landbouw - of bosbouwtrekkers op wielen ( 74/346/EEG ) DE RAAD VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN , Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap , inzonderheid op artikel 100 , Gezien het voorstel van de Commissie , Gezien het advies van het Europese Parlement ( 1 ) , Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité ( 2 ) , Overwegende dat de technische voorschriften waaraan trekkers krachtens de nationale wetgevingen moeten voldoen , onder andere betrekking hebben op de achteruitkijkspiegels ; Overwegende dat deze voorschriften van Lid-Staat tot Lid-Staat verschillen : dat het derhalve noodzakelijk is dat alle Lid-Staten dezelfde voorschriften aannemen , hetzij ter aanvulling , hetzij in plaats van hun huidige regeling , met name ten einde voor ieder type trekker de E.E.G.-goedkeuringsprocedure van Richtlijn nr . 74/150/EEG van de Raad van 4 maart 1974 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende de goedkeuring van landbouw - en bosbouwtrekkers op wielen , te kunnen invoeren ( 3 ) , HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD : Artikel 1 1 . Onder trekker ( landbouw - of bosbouwtrekker ) wordt verstaan ieder motorvoertuig op wielen of rupsbanden met ten minste twee assen , voornamelijk bestemd voor tractiedoeleinden en in het bijzonder ontworpen voor het trekken , duwen , dragen of in beweging brengen van bepaalde werktuigen , machines of aanhangwagens die voor gebruik in de land - of bosbouw zijn bestemd . De trekker kan zijn ingericht voor het vervoer van een lading en van meerijders . 2 . Deze richtlijn geldt slechts voor de in lid 1 omschreven trekkers , gemonteerd op luchtbanden , met twee assen en met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid die ligt tussen 6 en 25 km/h . Artikel 2 De Lid-Staten mogen de E.E.G.-goedkeuring of de nationale goedkeuring van een trekker niet weigeren om redenen die verband houden met de achteruitkijkspiegels indien deze beantwoorden aan de in de bijlage opgenomen voorschriften . Artikel 3 De Lid-Staten mogen de verkoop , de inschrijving , het in het verkeer brengen of het gebruik van trekkers niet weigeren of verbieden om redenen die verband houden met de achteruitkijkspiegels indien deze beantwoorden aan de in de bijlage vermelde voorschriften . Artikel 4 De wijzigingen die noodzakelijk zijn om de voorschriften van de bijlage aan te passen aan de technische vooruitgang , worden vastgesteld overeenkomstig de procedure van artikel 13 van Richtlijn nr . 74/150/EEG . Artikel 5 1 . Binnen achttien maanden na kennisgeving van deze richtlijn voeren de Lid-Staten de nodige maatregelen in om aan het bepaalde in deze richtlijn te voldoen . Zij stellen de Commissie hiervan onmiddellijk in kennis . 2 . De Lid-Staten zien erop toe dat de tekst van alle belangrijke interne rechtsbepalingen die zij aanvaarden op het gebied waarop deze richtlijn van toepassing is , ter kennis van de Commissie wordt gebracht . Artikel 6 Deze richtlijn is gericht tot de Lid-Staten . Gedaan te Luxemburg 25 juni 1974 . Voor de Raad De Voorzitter H . D . GENSCHER ( 1 ) PB nr . 28 van 17 . 2 . 1967 , blz . 462/67 . ( 2 ) PB nr . 42 van 7 . 3 . 1967 , blz . 620/67 . ( 3 ) PB nr . L 84 van 28 . 3 . 1974 , blz . 10 . BIJLAGE 1 . DEFINITIES 1.1 . Onder " achteruitkijkspiegel " wordt verstaan een inrichting welke ten doel heeft , binnen een in punt 2.5 geometrisch omschreven zichtveld een duidelijk zicht naar achteren te verschaffen , dat binnen redelijke grenzen niet wordt belemmerd door delen van de trekker of door de inzittenden van de trekker . 1.2 . Onder " binnenspiegel " wordt verstaan een inrichting , als omschreven onder punt 1.1 , die is aangebracht aan de binnenzijde van de opbouw . 1.3 . Onder " buitenspiegel " wordt verstaan een inrichting , als omschreven onder punt 1.1 , die is aangebracht aan de buitenzijde van de trekker . 1.4 . Onder " klasse van achteruitkijkspiegels " worden verstaan alle achteruitkijkspiegels die één of meer gemeenschappelijke kenmerken of functies bezitten . Binnenspiegels worden ingedeeld in klasse I . Buitenspiegels worden ingedeeld in klasse II . 2 . VOORSCHRIFTEN VOOR DE BEVESTIGING 2.1 . Algemeen 2.1.1 . Op trekkers mogen slechts achteruitkijkspiegels van de klassen I en II worden gemonteerd die het E.E.G.-goedkeuringsmerk dragen , als bedoeld in Richtlijn nr . 71/127/EEG van de Raad van 1 maart 1971 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende achteruitkijkspiegels van motorvoertuigen ( 1 ) , gewijzigd bij de Akte van Toetreding ( 2 ) . 2.1.2 . Elke achteruitkijkspiegel moet zodanig zijn bevestigd dat hij onder normale rijomstandigheden niet uit zijn stand wordt gebracht . 2.2 . Aantal Elke trekker moet zijn uitgerust met ten minste één buitenspiegel , welke in Lid-Staten met rechts wegverkeer op de linkerzijde is aangebracht en in Lid-Staten met links wegverkeer op de rechterzijde . 2.3 . Plaatsing 2.3.1 . De buitenspiegel moet zodanig zijn aangebracht dat de bestuurder , in normale houding achter het stuur zittende , het gedeelte van de weg , aangegeven in punt 2.5 , kan overzien . 2.3.2 . De buitenspiegel moet zichtbaar zijn door het deel van de voorruit dat door de ruitewisser wordt bestreken of door de zijruiten , wanneer die er zijn . 2.3.3 . De buitenspiegel mag niet aanzienlijk verder buiten het profiel van de trekker of van de combinatie trekker plus aanhangwagen uitsteken dan noodzakelijk is om aan de in punt 2.5 voorgeschreven eis inzake het zichtveld te voldoen . 2.3.4 . Indien de onderkant van een buitenspiegel zich bij een beladen trekker op minder dan 2 m afstand van het wegdek bevindt , mag deze buitenspiegel niet verder dan 0,20 m uitsteken buiten de uiterste breedte die de trekker of de combinatie trekker plus aanhangwagen zou bezitten indien deze buitenspiegel niet was aangebracht . 2.3.5 . Onder de voorwaarden , bepaald in de punten 2.3.3 en 2.3.4 mogen de buitenspiegels uitsteken buiten de toegestane maximale breedte van de trekker . 2.4 . Verstelbaarheid 2.4.1 . De binnenspiegel moet door de bestuurder in normale rijhouding kunnen worden versteld . 2.4.2 . De buitenspiegel moet vanuit de binnenzijde kunnen worden versteld door de bestuurder . De vergrendeling in een bepaalde stand kan van buitenaf geschieden . 2.4.3 . Aan de voorschrifter van punt 2.4.2 behoeft niet te worden voldaan door buitenspiegels die na door een duw omgeklapt te zijn automatisch in de vroegere stand terugkeren of daarin zonder gereedschap kunnen worden teruggebracht . 2.5 . Zichtveld 2.5.1 . Lid-Staten met rechts wegverkeer Het zichtveld van de linker buitenspiegel moet zodanig zijn dat de bestuurder ten minste een vlak weggedeelte van achteren tot de horizon kan overzien , welk gedeelte links is gelegen van het aan de lengteas evenwijdige verticale vlak door het meest linkse punt van de totale breedte van de trekker of van de trekker plus aanhangwagen . 2.5.2 . Lid-Staten met links wegverkeer Het zichtveld van de rechter buitenspiegel moet zodanig zijn dat de bestuurder ten minste een vlak weggedeelte van achteren tot de horizon kan overzien , welk gedeelte rechts is gelegen van het aan de lengteas evenwijdige verticale vlak door het meest rechtse punt van de totale breedte van de trekker of van de trekker plus aanhangwagen . ( 1 ) PB nr . L 68 van 22 . 3 . 1971 , blz . 1 . ( 2 ) PB nr . L 73 van 27 . 3 . 1972 , blz . 14 .