31971R2396

Verordening (EEG) nr. 2396/71 van de Raad van 8 november 1971 ter uitvoering van het besluit van de Raad van 1 februari 1971 betreffende de hervorming van het Europees Sociaal Fonds

Publicatieblad Nr. L 249 van 10/11/1971 blz. 0054 - 0057
Bijzondere uitgave in het Deens: Serie I Hoofdstuk 1971(III) blz. 0804
Bijzondere uitgave in het Engels: Serie I Hoofdstuk 1971(III) blz. 0924
Bijzondere uitgave in het Grieks: Hoofdstuk 05 Deel 1 blz. 0120


++++

VERORDENING ( EEG ) Nr . 2396/71 VAN DE RAAD

van 8 november 1971

ter uitvoering van het besluit van de Raad van 1 februari 1971 betreffende de hervorming van het Europees Sociaal Fonds

DE RAAD VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN ,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap , inzonderheid op artikel 127 ,

Gelet op het besluit van de Raad van 1 februari 1971 betreffende de hervorming van het Europees Sociaal Fonds ( 1 ) ,

Gezien het voorstel van de Commissie ,

Gezien het advies van het Europese Parlement ( 2 ) ,

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité ( 3 ) ,

Overwegende dat in de artikelen 4 en 5 van het besluit van de Raad van 1 februari 1971 twee verschillende typen situaties worden omschreven waarin het verlenen van bijstand van het Europees Sociaal Fonds , hierna genoemd het " Fonds " , gerechtvaardigd is ;

Overwegende dat het in het eerste geval de taak van de Raad is om , op voorstel van de Commissie , aan te wijzen op welke terreinen bijstand van het Fonds mogelijk is , en te bepalen onder welke specifieke voorwaarden en regelingen het deze bijstand verleent , en dat in het tweede geval het Fonds kan interveniëren onder bijzondere voorwaarden en binnen bijzondere grenzen die in deze verordening worden vastgesteld ;

Overwegende dat er aanleiding bestaat de algemene actieprocedures van het Fonds en zijn werkmethoden te regelen met het oog op de nieuwe taken , die bij bovengenoemd besluit van de Raad aan het Fonds werden toebedeeld ;

Overwegende de omvang van de langdurige structurele werkloosheid en ondertewerkstelling in bepaalde gebieden van de Gemeenschap ;

Overwegende dat het noodzakelijk is de opleiding van in hoge mate geschoolde arbeidskrachten te bevorderen ;

Overwegende dat de lijst van de vormen van steun die in aanmerking kunnen komen voor een bijdrage van het Fonds door de Raad moet worden vastgesteld en al naar gelang van de behoeften gewijzigd , volgens een procedure waarbij de lijst snel aan de waargenomen behoeften kan worden aangepast ; dat het daartoe nodig is te preciseren welke groepen van steunmaatregelen in aanmerking kunnen worden genomen ;

Overwegende dat de bijstand van het Fonds op basis van de werkelijke kosten der activiteiten dient te worden verleend , en dat het aanbeveling verdient om , op grond van de in het eerste begrotingsjaar opgedane ervaring , na te gaan of de geconstateerde verschillen kunnen worden verminderd ;

Overwegende dat nadere bepalingen voor de indiening en goedkeuring van de aanvragen zijn vereist , en dat de Raad financiële bepalingen voor de uitkering van de bijstand en de organisatie van de controles dient vast te stellen ;

Overwegende dat het , ter vergemakkelijking van het optreden van de Raad en van de Commissie , en van de initiatieven die met de steun van het Fonds verwezenlijkt kunnen worden , nuttig kan zijn dat voorbereidende studies worden verricht en modelprojecten worden uitgevoerd ;

Overwegende dat de bevoegdheden van het Comité van het Europees Sociaal Fonds moeten worden aangepast aan de nieuwe taken van het Fonds ;

Overwegende dat dient te worden vastgesteld onder welke voorwaarden de uit hoofde van artikel 125 van het Verdrag toe te kennen bijstand kan worden verleend voor activiteiten waarmee voor de datum van inwerkingtreding van de onderhavige verordening een aanvang is gemaakt ,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD :

TITEL I

Werkingssfeer

Artikel 1

1 . Voor bijstand van het Fonds uit hoofde van artikel 5 van het besluit van de Raad van 1 februari 1971 kunnen activiteiten in aanmerking komen :

a ) bedoeld ter oplossing van de problemen die rijzen in gebieden waar de achterstand in ontwikkeling of de achteruitgang van de overheersende economische bedrijvigheid een ernstige en voortdurende verstoring van de werkgelegenheid teweegbrengen , of

b ) bedoeld om de aanpassing aan de technische vooruitgang te vergemakkelijken in bedrijfstakken waar deze vooruitgang belangrijke wijzigingen van het personeelsbestand en van de vereiste beroepskennis teweegbrengt , of

c ) die uitgevoerd worden wegens belangrijke veranderingen in de produktievoorwaarden of bij de afzet van de produkten in groepen van ondernemingen waarin dezelfde activiteit dan wel onderling samenhangende activiteiten worden uitgeoefend en die zich gedwongen voelen hun werkzaamheid definitief stop te zetten , te verminderen of te wijzigen .

2 . Overeenkomstig de in lid 1 gestelde voorwaarden en binnen de aldaar gestelde grenzen kunnen voor bijstand uit het Fonds de volgende activiteiten in aanmerking komen :

a ) activiteiten die de opheffing van langdurige structurele werkloosheid en ondertewerkstelling ten doel hebben ten gunste van diegenen onder de beroepsbevolking die geen werk hebben of die op het punt staan hun betrekking te verliezen alsmede van diegenen die zich in een toestand van ondertewerkstelling bevinden dan wel zich genoopt zien hun beroepsbezigheid anders dan in loondienst op te geven ;

b ) activiteiten die de opleiding ten doel hebben van arbeidskrachten wier bekwaamheid dient te worden aangepast ten einde hen in staat te stellen een in hoge mate geschoold beroep uit te oefenen ;

c ) activiteiten die gericht zijn op de opneming of wederopneming in het arbeidsproces , nadat de diensten voor arbeidsbemiddeling van de betrokken Lid-Staat of Lid-Staten de gegrondheid van deze activiteiten hebben erkend

- van werknemers van wie wordt aangenomen dat zij , gelet op hun leeftijd , moeilijk opnieuw in te schakelen zijn ,

- van vrouwen boven de leeftijd van 35 jaar die voor de eerste maal , of na een onderbreking waardoor hun beroepsbekwaamheid niet meer overeenstemt met de vraag op de arbeidsmarkt , een beroep wensen uit te oefenen ,

- van jongeren onder 25 jaar die zonder werk zijn wegens gebrek aan bekwaamheid of omdat hun bekwaamheid niet overeenstemt met de vraag op de arbeidsmarkt .

3 . Onafhankelijk van de in lid 1 vastgestelde voorwaarden en grenzen , kunnen activiteiten ten behoeve van gehandicapten van wie wordt aangenomen dat zij na revalidatie en om - of herscholing in staat zijn een beroepsbezigheid uit te oefenen , voor een bijdrage van het Fonds in aanmerking komen .

4 . Bovenbedoelde activiteiten dienen , behoudens in uitzonderlijke gevallen , een bijdrage te leveren tot de tenuitvoerlegging van een specifiek programma dat ten doel heeft de oorzaken van de verstoring van het evenwicht in de werkgelegenheid weg te nemen en dat voor het betrokken gebied , de betrokken bedrijfstak , groepen van ondernemingen of categorieën van personen is opgesteld . Uit dit programma moet onder meer blijken in welk economisch kader de daarin beoogde acties zijn uitgewerkt , welke doelstellingen ermee worden nagestreefd en welke middelen zullen worden aangewend .

Artikel 2

Voor elk begrotingsjaar wordt 60 % van de kredieten die beschikbaar zijn voor bijstand van het Fonds uit hoofde van artikel 5 van het besluit van 1 februari 1971 , bij voorrang gereserveerd voor activiteiten die de opheffing van de langdurige structurele werkloosheid en ondertewerkstelling in de in artikel 1 , lid 1 , sub a ) , bedoelde gebieden ten doel hebben .

TITEL II

Middelen van en regelingen voor de bijstand van het Fonds

Artikel 3

1 . De lijst van de vormen van steun die krachtens de artikelen 4 en 5 van het besluit van de Raad van 1 februari 1971 voor bijstand van het Fonds in aanmerking kunnen komen , wordt op voorstel van de Commissie door de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen vastgesteld en naar gelang van de behoeften gewijzigd .

2 . Deze lijst kan vormen van steun omvatten , die behoren tot één of meer van de volgende groepen , welke vormen van steun bestemd zijn om :

a ) de opleiding te vergemakkelijken van personen die beroepskennis en beroepsbekwaamheden moeten verkrijgen , dan wel vergroten , aanpassen of verbeteren ;

b ) de verplaatsing van personen die van verblijfplaats moeten veranderen om een beroepsbezigheid uit te oefenen , en van hun gezinnen , alsmede hun inschakeling in het nieuwe maatschappelijke en beroepsmilieu te vergemakkelijken ;

c ) tijdens een bepaald tijdvak het inkomen te handhaven van personen die geen werk meer hebben of wier activiteit beperkt of geschorst is en die wachten op een opleiding of werk ;

d ) de beroepskeuzevoorlichting van personen die werk zoeken of opnieuw te werk willen worden gesteld , te bevorderen ;

e ) hindernissen uit de weg te ruimen die voor bepaalde categorieën minder begunstigde werknemers de toegang tot beschikbare betrekkingen bemoeilijken ;

f ) betere voorwaarden te scheppen met betrekking tot de werkgelegenheid in gebieden met een achterstand in ontwikkeling .

De bijstand van het Fonds kan niet worden verleend om de eerste opleiding van jongeren onmiddellijk na hun leerplichtige leeftijd te financieren ; de bijstand van het Fonds kan echter wel worden verleend aan jongeren die , hoewel zij op de arbeidsmarkt beschikbaar zijn , geen werk kunnen vinden wegens gebrek aan bekwaamheid of omdat zij bekwaamheden bezitten waarnaar geen vraag bestaat .

3 . De Commissie kent de bijstand van het Fonds toe op basis van de werkelijke kosten van de activiteiten .

In het licht van de resultaten van de werkzaamheid van het Fonds en van de door de Commissie aan het einde van het eerste begrotingsjaar gedane constateringen bestudeert de Raad , op voorstel van de Commissie , opnieuw de grondslagen waarop de bijstand van het Fonds zal worden verleend , ten einde met name de mogelijkheid na te gaan om de eventuele verschillen tussen de door het Fonds verleende bijstandbedragen ten opzichte van de werkelijke kosten te verkleinen .

Artikel 4

Ter uitvoering van artikel 8 , lid 2 , van het besluit van de Raad van 1 februari 1971 zendt elke Lid-Staat aan de Commissie - die voor bekendmaking hiervan in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen zorg draagt - een lijst toe met namen van de overheidsinstanties die door hem gemachtigd zijn financiële bijstand te verlenen ten behoeve van acties , verricht door privaatrechtelijke organen of lichamen , en de goede uitvoering van de activiteiten te garanderen .

Artikel 5

1 . Alleen de betrokken Lid-Staten zijn bevoegd bij de Commissie aanvragen in te dienen om een bijstand van het Fonds ; voor iedere aanvraag geven de Lid-Staten aan , van welke juridische aard huns inziens de instanties , organen of lichamen zijn die de betrokken activiteiten ten uitvoer moeten brengen .

2 . Iedere aanvraag wordt voor de tenuitvoerbrenging van de activiteit ingediend . De aanvraag geeft een beschrijving van het project van de activiteit en preciseert de doelstellingen , de wijze van ten uitvoer brengen , de duur , wie verantwoordelijk is voor de financiering en voor de uitvoering , de categorieën van personen die erbij betrokken zijn , de geraamde kosten , de wijze van financiering , de spreiding van de uitgaven per jaar , de vormen van steun die zullen worden gebruikt ; de aanvraag geeft alle overige inlichtingen die van nut kunnen zijn bij de beoordeling van de draagwijdte en de doeltreffendheid van de activiteit en bij eventuele controles inzicht kunnen verschaffen omtrent de opzet ervan . De aanvraag vermeldt de wijze waarop de sociale partners aan de uitwerking van het project hebben deelgenomen .

De activiteiten waarvoor een aanvraag om bijstand wordt ingediend , moeten verenigbaar zijn met de door de Gemeenschap nagestreefde economische en sociale doeleinden .

Indien het om aanvragen gaat uit hoofde van artikel 5 van het besluit van de Raad van 1 februari 1971 , worden eveneens inlichtingen verstrekt aan de hand waarvan kan worden geconstateerd dat de voorwaarden en grenzen , vastgesteld in artikel 1 , in acht zijn genomen .

Artikel 6

De goedkeuring van de Commissie , bedoeld in artikel 7 van het besluit van de Raad van 1 februari 1971 , heeft betrekking op de overeenstemming van de aanvragen om bijstand met de bepalingen van deze verordening en met de besluiten die door de Raad en de Commissie ter uitvoering daarvan worden genomen .

Artikel 7

1 . De Commissie kan kredieten die voor dat doel op de begroting van de Gemeenschappen zijn uitgetrokken , besteden voor de bevordering , de uitvoering of het financieel steunen van voorbereidende studies en modelprojecten , ten einde de Raad en de Commissie voor te lichten bij de keuze van de werkterreinen die aan het Fonds dienen te worden toegewezen en ten einde de Lid-Staten en hen die verantwoordelijk zijn voor bepaalde activiteiten , in staat te stellen de meest doeltreffende vormen van steun uit te kiezen en te zorgen voor een zo goed mogelijk gebruik ervan .

2 . De modelprojecten worden gefinancierd door de Commissie en de overheidsdiensten of de belanghebbende openbare of particuliere instanties .

De bijdrage van de Commissie mag niet meer bedragen dan 50 % van de reële kosten .

Alvorens deze modelprojecten uit te voeren , moet de Commissie de instemming hebben verkregen van de Lid-Staat of Lid-Staten op het grondgebied waarvan de uitvoering zal plaatsvinden .

3 . Onder modelprojecten in de zin van dit artikel moeten worden verstaan projecten waarmee ten hoogste 30 arbeidsplaatsen zijn gemoeid .

Artikel 8

1 . De goedkeuring van de aanvragen om bijstand van het Fonds houdt in dat de Commissie zich ertoe verplicht de nodige uitgaven te doen onder de in het financiële reglement vermelde voorwaarden .

2 . De toegekende bijstand wordt uitgekeerd naarmate de activiteiten vorderen .

3 . Overeenkomstig artikel 209 van het Verdrag stelt de Raad de voor de toepassing van dit artikel vereiste financiële bepalingen vast .

TITEL III

Het Comité van het Europees Sociaal Fonds

Artikel 9

1 . Het in artikel 124 van het Verdrag bedoelde Comité wordt geraadpleegd over alle belangrijke aangelegenheden betreffende de werkzaamheid van het Fonds ; het ontvangt alle daartoe nuttige inlichtingen .

2 . Indien de Commissie afwijkt van een advies van het Comité , moet zij het Comité binnen een termijn van zes weken meedelen welke motieven aan haar besluit ten grondslag liggen .

3 . Het Comité kan op eigen initiatief adviezen aan de Commissie uitbrengen .

4 . Het Comité wordt regelmatig voorgelicht over de diverse aspecten van het algemene beleid van de Gemeenschap op economisch en sociaal gebied , alsmede over de werkzaamheden van het Permanent Comité voor arbeidsmarktvraagstukken , die voor de activiteit van het Fonds van belang kunnen zijn .

Artikel 10

De Commissie wint van tevoren het advies van het Comité in over :

a ) het voorontwerp van de titel van de begroting van de Gemeenschappen betreffende het Fonds ;

b ) de voorstellen aan de Raad inzake het openstellen van werkterreinen voor het Fonds , als bedoeld in artikel 4 van het besluit van 1 februari 1971 ;

c ) elk voorstel aan de Raad en elke verordening betreffende de werkzaamheid van het Fonds ;

d ) de ter goedkeuring ingediende aanvragen om bijstand ;

e ) de wenselijkheid om een modelproject te stimuleren , uit te voeren of financieel te steunen ;

f ) de wenselijkheid om deze verordening te wijzigen en eventuele voorstellen daartoe ;

g ) de wenselijkheid van een nieuwe toepassing van artikel 126 van het Verdrag .

TITEL IV

Algemene bepalingen

Artikel 11

In het kader van de bevoegdheden die de Commissie krachtens het Verdrag , inzonderheid artikel 124 daarvan , bezit , moet zij in nauwe samenwerking met de bevoegde instanties van de Lid-Staten en onverminderd de bepalingen die worden vastgesteld op basis van artikel 209 van het Verdrag , zorg dragen voor het toezicht op het gebruik van de krachtens deze verordening toegewezen gelden .

Artikel 12

1 . De in artikel 125 van het Verdrag bedoelde bijstand van het Fonds wordt volgens de bepalingen van Verordening nr . 9 van de Raad van 25 augustus 1960 ( 4 ) , laatstelijk gewijzigd bij Verordening nr . 37/67/EEG ( 5 ) , verleend voor activiteiten waarmee voor de datum van inwerkingtreding van deze verordening een aanvang is gemaakt en die voor het einde van de helft van het kalenderjaar , waarin deze datum valt , worden beëindigd .

2 . Voor de uitgaven ingevolge het verlenen van deze bijstand worden onder de titel " Europees Sociaal Fonds " van de begroting der Gemeenschappen kredieten geboekt .

Artikel 13

Onverminderd artikel 127 van het Verdrag is de Commissie belast met het nemen van de maatregelen die noodzakelijk zijn ter uitvoering van de in deze verordening vastgestelde voorschriften .

Artikel 14

Behoudens het bepaalde in artikel 12 van deze verordening wordt Verordening nr . 9 ingetrokken .

Artikel 15

Deze verordening treedt in werking op 1 januari 1972 , of , indien de vereiste financiële regeling op die datum niet in werking treedt , op de datum van inwerkingtreding van die regeling .

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke Lid-Staat .

Gedaan te Brussel , 8 november 1971 .

Voor de Raad

De Voorzitter

A . MORO

( 1 ) PB nr . L 28 van 4 . 2 . 1971 , blz . 15 .

( 2 ) PB nr . C 66 van 1 . 7 . 1971 , blz . 22 .

( 3 ) PB nr . C 88 van 6 . 9 . 1971 , blz . 6 .

( 4 ) PB nr . 56 van 31 . 8 . 1960 , blz . 1189/60 .

( 5 ) PB nr . 33 van 24 . 2 . 1967 , blz . 526/67 .