67/83/EEG: Aanbeveling van de Commissie van 15 januari 1967 aan het Koninkrijk België, het Koninkrijk der Nederlanden en het Groothertogdom Luxemburg op grond van artikel 115, eerste alinea, van het Verdrag, voor de invoerregeling voor natriumdichromaat, van oorsprong uit de Oostelijke landen (Slechts de teksten in de Franse en de Nederlandse taal zijn authentiek)
Publicatieblad Nr. 016 van 27/01/1967 blz. 0245 - 0246
++++ ( 1 ) PB no . 74 van 26 . 4 . 1966 , blz . 1114/66 . ( 2 ) PB no . 146 van 9 . 8 . 1966 , blz . 2675/66 . AANBEVELING VAN DE COMMISSIE van 13 januari 1967 aan het Koninkrijk België , het Koninkrijk der Nederlanden en het Groothertogdom Luxemburg op grond van artikel 115 , eerste alinea , van het Verdrag , voor de invoerregeling voor natriumdichromaat , van oorsprong uit de Oostelijke landen ( Slechts de teksten in de Franse en de Nederlandse taal zijn authentiek ) ( 67/83/EEG ) Op 26 mei 1966 heeft de Italiaanse Republiek bij de Commissie een verzoek om toepassing van de in artikel 115 , alinea 1 , van het Verdrag neergelegde procedure ingediend dat er toe strekte machtiging te verkrijgen om natriumdichromaat van post ex 28.47 B II van het gemeenschappelijk douanetarief , van oorsprong uit de Oostelijke landen , en in andere Lid-Staten in het vrije verkeer gebracht , van de communautaire behandeling uit te sluiten . Dat verzoek werd gemotiveerd met de omstandigheid dat op de invoer van het betrokken produkt uit de Oostelijke landen in Italië kwantitatieve beperkingen zijn gesteld dan wel een verbod is gelegd ( U.S.S.R . ) , terwijl die invoer zonder kwantitatieve beperkingen mag geschieden in de Beneluxlanden , die het stelsel van onbeperkte afgifte van vergunningen toepassen . De Italiaanse autoriteiten hebben het verzoek om toepassing van artikel 115 ingediend in verband met invoertransacties die via België en Nederland tot stand zijn gebracht en die betrekking hadden op tamelijk grote hoeveelheden ( 186,7 ton in 1965 voor een waarde van 23,2 miljoen lire ) . Rekening houdende met de bestaande dispariteiten in de door de Lid-Staten ten opzichte van de Oostelijke landen toegepaste invoerregelingen , met de omvang van de reeds geconstateerde verleggingen van het handelsverkeer en met de voor de betrokken invoer geldende prijscondities , was de Commissie van oordeel dat in het onderhavige geval aan de voorwaarden voor de toepassing van artikel 115 was voldaan . Voorts achtte de Commissie het nodig om , voordat aan de Italiaanse Republiek definitief machtiging tot het nemen van beschermende maatregelen wordt verleend , na te gaan op welke wijze de andere Lid-Staten , en met name de Beneluxlanden , medewerking kunnen verlenen . Daarom heeft zij bij beschikking van 5 juli 1966 de Italiaanse Republiek gemachtigd om , bij wijze van conservatoire vrijwaringsmaatregel , beschermende maatregelen toe te passen totdat de vereiste vormen van samenwerking tot stand zijn gebracht ( 1 ) . In het onderhavige geval zijn de in 1965 en 1966 geconstateerde verleggingen van het handelsverkeer naar Italië vermoedelijk het gevolg van de aanmerkelijke stijging van de invoer uit de Oostelijke landen , voornamelijk in België . België heeft immers in 1965 tamelijk grote hoeveelheden uit de U.S.S.R . ingevoerd ( 1.583,3 ton ) , terwijl in 1963 en 1964 geen invoer plaats had gevonden ; terzelfder tijd heeft het de invoer uit andere derde landen nagenoeg geheel stopgezet . De invoer van Nederland geeft niet zulke grote schommelingen te zien ; hij bedroeg 286 ton in 1963 , 375 ton in 1964 en 320 ton in 1965 . De door de Beneluxlanden toegepaste invoerregeling ( stelsel van onbeperkte afgifte van vergunningen ) leidt er toe dat zonder kwantitatieve beperking machtiging tot invoeren wordt verleend . De produkten die boven de voor de binnenlandse behoeften benodigde hoeveelheid worden ingevoerd , komen derhalve in aanmerking voor wederuitvoer naar de andere Lid-Staten . Die regeling maakt het echter tevens mogelijk dat de terzake bevoegde autoriteiten nauwkeurig toezicht op de invoer houden door de methode van de voorafgaande vergunningen . Bovendien hebben de Beneluxlanden ten opzichte van de derde landen van oorsprong geen contractuele verplichtingen inzake de op het betrokken natriumdichromaat toe te passen invoerregeling . In die omstandigheden moeten de B.L.E.U . en Nederland in de gelegenheid zijn een scherpere controle uit te oefenen op hun invoer uit de Oostelijke landen en die invoer tot de behoeften van hun eigen markt te beperken . Door geschikte regelingen zouden de verleggingen van het handelsverkeer naar de andere Lid-Staten kunnen worden uitgeschakeld of althans in aanzienlijke mate beperkt en zou kunnen worden voorkomen dat die Lid-Staten beschermende maatregelen nemen die een belemmering zouden vormen voor het vrije verkeer van goederen binnen de Gemeenschap . Om deze redenen en op grond van artikel 115 , eerste alinea , en artikel 155 van het Verdrag beveelt de Commissie de Regering van het Koninkrijk België , van het Koninkrijk der Nederlanden en van het Groothertogdom Luxemburg aan , de afgifte van invoervergunningen voor natriumdichromaat ( post ex 28.47 B II van het gemeenschappelijk douanetarief ) , van oorsprong en van herkomst uit de Oostelijke landen en bestemd om in het vrije verkeer te worden gebracht , te beperken tot een hoeveelheid overeenkomende met de behoeften van hun markt . Brussel , 13 januari 1967 . Voor de Commissie De Voorzitter Walter HALLSTEIN