31.5.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 142/25


BESLUIT Nr. 1/2016 VAN DE GEMENGDE COMMISSIE EU-EVA „ GEMEENSCHAPPELIJK DOUANEVERVOER ”

van 28 april 2016

tot wijziging van de Overeenkomst betreffende een gemeenschappelijke regeling inzake douanevervoer van 20 mei 1987 [2016/858]

DE GEMENGDE COMMISSIE,

Gezien de Overeenkomst betreffende een gemeenschappelijke regeling inzake douanevervoer tussen de Europese Economische Gemeenschap, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland, de Republiek IJsland, het Koninkrijk Noorwegen, het Koninkrijk Zweden en de Zwitserse Bondsstaat (1) (de „overeenkomst”), en met name artikel 15, lid 3, onder a) en c),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In artikel 15 van de overeenkomst wordt de bij die overeenkomst ingestelde Gemengde Commissie gemachtigd om aanbevelingen te doen voor en besluiten te nemen over wijzigingen van de overeenkomst en de aanhangsels.

(2)

Met Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad (2) en de desbetreffende gedelegeerde handeling en uitvoeringshandeling, die vanaf 1 mei 2016 van toepassing worden, wordt een gemoderniseerd kader voor douaneregelingen, met inbegrip van het douanevervoer, tot stand gebracht.

(3)

Om te garanderen dat het handelsverkeer tussen de Unie en de partijen bij de overeenkomst vlot kan verlopen, dient de regeling gemeenschappelijk douanevervoer zoveel mogelijk te worden aangepast aan de regeling Uniedouanevervoer, die is vastgesteld in Verordening (EU) nr. 952/2013 en de desbetreffende gedelegeerde handeling en uitvoeringshandeling. Te dien einde is het absoluut noodzakelijk materiële en terminologische wijzigingen in de overeenkomst en de aanhangsels aan te brengen.

(4)

Om voldoende duidelijkheid te scheppen, is een terminologische aanpassing aan Verordening (EU) nr. 952/2013 en de desbetreffende gedelegeerde handeling en uitvoeringshandeling noodzakelijk. De voorgestelde wijzigingen werden gepresenteerd aan en besproken in de werkgroep EU-EVA „Gemeenschappelijk douanevervoer” en „Vereenvoudiging van de formaliteiten in het goederenverkeer” en het voorstel voor een besluit van de Gemengde Commissie EG-EVA tot wijziging van de overeenkomst betreffende een gemeenschappelijke regeling inzake douanevervoer werd voorlopig goedgekeurd door die werkgroep.

(5)

De overeenkomst dient derhalve dienovereenkomstig te worden gewijzigd,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   De tekst van de overeenkomst betreffende een gemeenschappelijke regeling inzake douanevervoer van 20 mei 1987 wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage A bij dit besluit.

2.   De tekst van aanhangsel I van de overeenkomst, met inbegrip van de bijlagen bij aanhangsel I, wordt vervangen door de tekst in bijlage B bij dit besluit.

3.   De tekst van aanhangsel II van de overeenkomst wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage C bij dit besluit.

4.   De tekst van aanhangsel III van de overeenkomst wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage D bij dit besluit.

5.   De tekst van de bijlagen A1,A2, A4,A6, B1, B2, B3, B5, B6,B11 en C7 bij aanhangsel III van de overeenkomst wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage E bij dit besluit.

6.   De tekst van de bijlagen B7, B8, B9, B10, C1, C2, C3, C4, C5 en C6 bij aanhangsel III van de overeenkomst wordt vervangen door de tekst in bijlage F bij dit besluit.

7.   De tekst van aanhangsel IV van de overeenkomst, met inbegrip van de bijlagen bij aanhangsel IV, wordt vervangen door de tekst in bijlage G bij dit besluit.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de dag waarop het wordt vastgesteld.

Het is van toepassing met ingang van 1 mei 2016.

Gedaan te Brussel, 28 april 2016.

Voor de Gemengde Commissie

De voorzitter

Philip KERMODE


(1)   PB L 226 van 13.8.1987, blz. 2.

(2)  Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (PB L 269 van 10.10.2013, blz. 1).


BIJLAGE A

De Overeenkomst betreffende een gemeenschappelijke regeling inzake douanevervoer van 20 mei 1987 wordt als volgt gewijzigd:

1)

Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:

a)

in lid 1 worden de woorden „tussen de EVA-landen onderling” vervangen door „tussen de landen die deelnemen aan het gemeenschappelijk douanevervoer onderling”,

b)

in lid 2 worden de woorden „communautair douanevervoer” vervangen door „Uniedouanevervoer”.

2)

Artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:

a)

in lid 3, onder a), wordt de eerste alinea vervangen door:

„a)

in de Gemeenschap:

uitsluitend wanneer het Uniegoederen betreft. Onder „Uniegoederen” worden verstaan goederen behorende tot een van de volgende categorieën:

goederen die geheel zijn verkregen in het douanegebied van de Gemeenschap zonder toevoeging van goederen die zijn ingevoerd uit landen of gebieden buiten het douanegebied van de Gemeenschap;

goederen die in het douanegebied van de Gemeenschap zijn binnengebracht uit landen of gebieden buiten dat gebied en die in het vrije verkeer zijn gebracht;

goederen die in het douanegebied van de Gemeenschap zijn verkregen of geproduceerd, hetzij uitsluitend uit goederen als bedoeld in het tweede streepje, hetzij uit goederen als bedoeld in het eerste en het tweede streepje.”.

b)

in lid 3, onder a), tweede alinea worden de woorden „communautaire goederen” vervangen door „Uniegoederen”;

c)

in lid 3, onder b), wordt vervangen door:

„b)

in een land dat deelneemt aan het gemeenschappelijk douanevervoer:

uitsluitend wanneer de goederen in dit land zijn aangekomen met toepassing van de T2-regeling en worden doorgezonden onder de bijzondere voorwaarden bedoeld in artikel 9.”;

d)

in lid 4, worden de woorden „het communautaire karakter van de goederen” vervangen door „de douanestatus van Uniegoederen”.

3)

Artikel 3 wordt als volgt gewijzigd:

a)

in lid 1 worden de punten a) en b) vervangen door:

„a)   „douanevervoer”: een douaneregeling voor het vervoer van goederen onder douanetoezicht van één land naar hetzelfde of een ander land, waarbij ten minste één grens wordt overschreden;

b)   „land”: elk land dat deelneemt aan het gemeenschappelijk douanevervoer, elke lidstaat van de Gemeenschap of elke andere staat die tot deze overeenkomst is toegetreden;”;

b)

het volgende punt wordt toegevoegd:

„d)   „land dat deelneemt aan het gemeenschappelijk douanevervoer”: elk ander land dan een lidstaat van de Gemeenschap dat partij is bij deze overeenkomst.”;

c)

lid 2 wordt geschrapt;

d)

in lid 3 worden de woorden „de EVA-landen” vervangen door „de landen die deelnemen aan het gemeenschappelijk douanevervoer”.

4)

Artikel 7 wordt als volgt gewijzigd:

a)

de leden 1, 2 en 3 worden vervangen door:

„1.   Behoudens eventuele bijzondere bepalingen van deze Overeenkomst zijn de bevoegde douanekantoren van de landen die deelnemen aan het gemeenschappelijk douanevervoer gerechtigd de functies van douanekantoor van vertrek, douanekantoor van doorgang, douanekantoor van bestemming en douanekantoor van zekerheidstelling te vervullen.

2.   De bevoegde douanekantoren van de lidstaten van de Gemeenschap zijn gerechtigd documenten T 1 of T 2 af te geven voor douanevervoer naar een in een EVA-land gevestigd kantoor van bestemming. Behoudens eventuele bijzondere bepalingen van deze Overeenkomst zijn zij eveneens gerechtigd documenten T 2 L af te geven voor goederen welke naar een EVA-land worden verzonden.

3.   Wanneer een aantal zendingen wordt gegroepeerd en op één enkel vervoermiddel in de zin van artikel 16, lid 2, van Aanhangsel I wordt geladen en vervolgens als groepagezending door eenzelfde aangever, in het kader van één enkel T 1- of T 2-vervoer, van eenzelfde kantoor van vertrek naar eenzelfde kantoor van bestemming wordt verzonden en aldaar aan eenzelfde geadresseerde wordt geleverd, kan een Overeenkomstsluitende Partij eisen dat deze zendingen, behalve in uitzonderlijke, naar behoren gemotiveerde gevallen, met de overeenkomstige ladingslijsten op eenzelfde aangifte T 1 of T 2 worden vermeld.”;

b)

in lid 4 worden de woorden „het communautaire karakter van de goederen” vervangen door „de douanestatus van Uniegoederen”.

c)

in lid 5 worden de woorden „het communautaire karakter van de goederen” vervangen door „de douanestatus van Uniegoederen”.

5)

Artikel 9 wordt als volgt gewijzigd:

a)

in lid 1 worden de woorden „een EVA-land” vervangen door „een land dat deelneemt aan het gemeenschappelijk douanevervoer”;

b)

in lid 2 wordt de eerste alinea vervangen door:

„2.   Wanneer dergelijke goederen uit een land dat deelneemt aan het gemeenschappelijk douanevervoer, worden doorgezonden na in dat land onder een andere douaneregeling dan een douanevervoer- of entrepotregeling te zijn geplaatst, mag de T2-regeling niet worden toegepast.”,

c)

in lid 3 worden de woorden „uit een EVA-land” vervangen door „uit een land dat deelneemt aan het gemeenschappelijk douanevervoer,”;

d)

lid 4 wordt vervangen door:

„4.   Iedere T2-aangifte die wordt aanvaard of ieder document ten bewijze van de douanestatus van Uniegoederen dat wordt afgegeven door een bevoegd kantoor van een land dat deelneemt aan het gemeenschappelijk douanevervoer, dient een verwijzing te bevatten naar de overeenkomstige T2-aangifte of het overeenkomstige document ten bewijze van de douanestatus van Uniegoederen onder geleide waarvan de goederen zijn aangekomen in dit land dat deelneemt aan het gemeenschappelijk douanevervoer, evenals alle bijzondere vermeldingen die daarop voorkomen.”.

6)

Artikel 11 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 2, onder a), wordt vervangen door:

„a)

per laadruimte, wanneer het vervoermiddel of de container op grond van andere voorschriften is goedgekeurd of door het douanekantoor van vertrek geschikt is bevonden voor verzegeling;”;

b)

lid 3 wordt vervangen door:

„3.   Het douanekantoor van vertrek beschouwt vervoermiddelen en containers onder de volgende voorwaarden als zijnde geschikt voor verzegeling:

a)

de verzegelingen kunnen eenvoudig en doeltreffend op het vervoermiddel of de container worden aangebracht;

b)

het vervoermiddel of de container is zodanig gebouwd dat wanneer goederen worden onttrokken of toegevoegd de onttrekking of toevoeging zichtbare sporen nalaat, de onttrekking of toevoeging niet mogelijk is zonder dat de verzegelingen worden verbroken of tekenen van manipulatie vertonen, of een elektronisch bewakingssysteem de onttrekking of toevoeging registreert;

c)

het vervoermiddel of de container bevat geen geheime ruimten waarin goederen kunnen worden verborgen;

d)

de laadruimten zijn gemakkelijk toegankelijk voor controle door de douaneautoriteiten.”;

c)

in lid 4, worden de woorden „kantoor van vertrek” vervangen door „douanekantoor van vertrek”.

7)

Artikel 12 wordt als volgt gewijzigd:

a)

de leden 1 en 2 worden geschrapt;

b)

in lid 3 wordt het woord „aangever” vervangen door „houder van de regeling”.

8)

In artikel 13, lid 3, worden de woorden „het communautaire karakter van de goederen” vervangen door „de douanestatus van Uniegoederen”.

9)

In artikel 20, lid 1, worden de woorden „op de grondgebieden van de EVA-landen” vervangen door „op de grondgebieden van de landen die deelnemen aan het gemeenschappelijk douanevervoer”.


BIJLAGE B

Aanhangsel I van de overeenkomst wordt vervangen door:

„Aanhangsel 1

REGELINGEN VOOR GEMEENSCHAPPELIJK DOUANEVERVOER

TITEL 1

ALGEMENE BEPALINGEN

HOOFDSTUK 1

Onderwerp, toepassingsgebied en definities

Artikel 1

Onderwerp

1.   Dit aanhangsel bevat bepalingen ter uitvoering van de regeling gemeenschappelijk douanevervoer overeenkomstig artikel 1, lid 3, van de overeenkomst.

2.   Tenzij anders vermeld, zijn de bepalingen van dit aanhangsel van toepassing op het vervoer onder de regeling gemeenschappelijk douanevervoer.

Artikel 2

Niet-toepassing van de regeling gemeenschappelijk douanevervoer op postzendingen

De regeling gemeenschappelijk douanevervoer is niet van toepassing op postzendingen (met inbegrip van postpakketten) die worden vervoerd overeenkomstig de Akten van de Wereldpostunie, wanneer de goederen worden vervoerd door of voor rekening van personen die rechten en verplichtingen hebben op grond van die Akten.

Artikel 3

Definities

In deze overeenkomst wordt verstaan onder:

a)   „douaneautoriteiten”: de douanediensten die bevoegd zijn voor de toepassing van de overeenkomst en alle overige autoriteiten die krachtens het nationale recht belast zijn met de toepassing van de overeenkomst;

b)   „persoon”: een natuurlijk persoon, een rechtspersoon of een vereniging van personen die geen rechtspersoonlijkheid bezit maar krachtens het Unierecht, het nationale recht of het recht van een land dat deelneemt aan het gemeenschappelijk douanevervoer, wel als handelingsbekwaam is erkend;

c)   „aangifte voor douanevervoer”: de handeling waarbij een persoon in de voorgeschreven vorm en op de voorgeschreven wijze het voornemen kenbaar maakt om goederen onder de regeling gemeenschappelijk douanevervoer te plaatsen;

d)   „begeleidingsdocument voor douanevervoer”: document dat met behulp van elektronische gegevensverwerkingstechnieken wordt afgedrukt ter begeleiding van de goederen, en dat gebaseerd is op de gegevens van de aangifte voor douanevervoer;

e)   „aangever”: de persoon die in eigen naam een aangifte voor douanevervoer indient, dan wel de persoon namens wie deze aangifte wordt ingediend;

f)   „houder van de regeling”: de persoon die de aangifte voor douanevervoer doet, of voor wiens rekening die aangifte wordt gedaan;

g)   „douanekantoor van vertrek”: het douanekantoor waar een aangifte voor douanevervoer wordt aanvaard;

h)   „douanekantoor van doorgang”: het douanekantoor dat bevoegd is voor de plaats van binnenkomst in het douanegebied van een overeenkomstsluitende partij, wanneer de goederen onder de regeling gemeenschappelijk douanevervoer worden vervoerd, of het douanekantoor dat bevoegd is voor de plaats van uitgang uit het douanegebied van een overeenkomstsluitende partij, wanneer de goederen dat douanegebied tijdens het douanevervoer verlaten via een grens tussen die overeenkomstsluitende partij en een derde land;

i)   „douanekantoor van bestemming”: het douanekantoor waar de onder de regeling gemeenschappelijk douanevervoer geplaatste goederen worden aangebracht om de regeling te beëindigen;

j)   „masterreferentienummer (MRN)”: het registratienummer dat aan een aangifte voor douanevervoer wordt toegekend door de bevoegde douaneautoriteit met behulp van elektronische gegevensverwerkingstechnieken;

k)   „douanekantoor van zekerheidstelling”: het door de douaneautoriteiten van elk land aangewezen douanekantoor waar zekerheid moet worden gesteld;

l)   „schuld”: de verplichting van een persoon tot betaling van het bedrag aan invoer- of uitvoerrechten en andere heffingen dat ter zake van onder de regeling gemeenschappelijk douanevervoer geplaatste goederen verschuldigd is;

m)   „schuldenaar”: elke persoon die een schuld verschuldigd is;

n)   „vrijgave van goederen”: de handeling waarbij de douaneautoriteiten goederen ter beschikking stellen voor de doeleinden waarin de regeling gemeenschappelijk douanevervoer waaronder deze goederen zijn geplaatst, voorziet;

o)   „in het douanegebied van een overeenkomstsluitende partij gevestigd persoon”:

indien het een natuurlijk persoon betreft, eenieder die in het douanegebied van die overeenkomstsluitende partij zijn gewone verblijfplaats heeft,

indien het een rechtspersoon of een vereniging van personen betreft, elke persoon die zijn statutaire zetel, zijn hoofdbestuur of een vaste inrichting heeft in het douanegebied van die overeenkomstsluitende partij;

p)   „elektronische gegevensverwerkingstechnieken”: elektronische uitwisseling van gegevens tussen marktdeelnemers en douaneautoriteiten, tussen douaneautoriteiten onderling en tussen douaneautoriteiten en andere betrokken overheids- of Europese instanties of instellingen of dergelijke instanties of instellingen van landen die deelnemen aan het gemeenschappelijk douanevervoer, in een overeengekomen en welomschreven formaat met het oog op de geautomatiseerde verwerking en opslag van de gegevens na ontvangst, met behulp van een van de volgende middelen:

i)

elektronische gegevensuitwisseling;

ii)

uitwisseling van computer naar computer;

iii)

elektronische overdracht van gestructureerde gegevens via standaardberichten of -diensten van de ene omgeving voor elektronische verwerking naar de andere, zonder menselijke interventie;

iv)

het online invoeren van gegevens in gegevensverwerkingssystemen van de douane om deze daar op te slaan en te verwerken, waarbij het resultaat online beschikbaar is.

q)   „elektronische gegevensuitwisseling”: elektronische verzending van gegevens, gestructureerd volgens overeengekomen berichtenstandaarden, tussen twee computersystemen;

r)   „elektronisch douanevervoersysteem”: elektronisch systeem gebruikt voor de elektronische uitwisseling van gegevens bij de regeling gemeenschappelijk douanevervoer;

s)   „standaardbericht”: een vooraf vastgestelde structuur voor de elektronische verzending van gegevens;

t)   „persoonsgegevens”: iedere informatie betreffende een geïdentificeerde of identificeerbare persoon;

u)   „vaste transportinrichting”: technisch middel (bv. pijpleidingen en elektriciteitsleidingen) voor het ononderbroken transport van goederen;

v)   „bedrijfscontinuïteitsprocedure”: op het gebruik van papieren documenten gebaseerde procedure, die is vastgesteld om aangiften voor douanevervoer en de follow-up van dat vervoer te kunnen doen wanneer de op elektronische gegevensverwerkingstechnieken gebaseerde procedure niet kan worden gevolgd.

HOOFDSTUK II

Algemene bepalingen betreffende de regeling gemeenschappelijk douanevervoer

Artikel 4

Elektronisch systeem voor de regeling

1.   Om de douaneformaliteiten van de regeling gemeenschappelijk douanevervoer te vervullen, wordt het elektronische douanevervoersysteem gebruikt, tenzij in dit aanhangsel anders is bepaald.

2.   De overeenkomstsluitende partijen stellen in onderling overleg maatregelen vast voor de toepassing van het elektronische douanevervoersysteem, houdende:

a)

de voorschriften die het voor de toepassing van de douanewetgeving vereiste berichtenverkeer tussen de douanekantoren definiëren en regelen;

b)

een gemeenschappelijke gegevensset en het formaat voor het berichtenverkeer in het kader van de douanewetgeving.

Artikel 5

Gebruik van het elektronische douanevervoersysteem

1.   De bevoegde autoriteiten maken gebruik van het elektronische douanevervoersysteem voor de uitwisseling van gegevens ten behoeve van de regeling gemeenschappelijk douanevervoer, tenzij in dit aanhangsel anders is bepaald.

2.   De overeenkomstsluitende partijen maken gebruik van het gemeenschappelijke communicatienetwerk met gemeenschappelijke systeeminterface (CCN/CSI) van de Europese Unie voor de in lid 1 bedoelde uitwisseling van gegevens.

De financiële bijdrage van de landen die deelnemen aan het gemeenschappelijk douanevervoer, de toegang van de landen die deelnemen aan het gemeenschappelijk douanevervoer tot het CCN/CSI en andere daarmee verband houdende aangelegenheden worden in overleg tussen de Unie en elk van de landen die deelnemen aan het gemeenschappelijk douanevervoer, vastgesteld.

Artikel 6

Veiligheid van gegevens

1.   De overeenkomstsluitende partijen stellen voorwaarden voor het vervullen van de formaliteiten met behulp van elektronische gegevensverwerkingstechnieken vast, waaronder maatregelen om de bron van de gegevens te controleren en gegevens te beschermen tegen vernietiging, hetzij per ongeluk, hetzij onrechtmatig, tegen verlies, vervalsing of niet-toegelaten toegang.

2.   Naast de in lid 1 bedoelde maatregelen treffen de bevoegde autoriteiten passende veiligheidsvoorzieningen en houden zij deze in stand met het oog op een effectieve, betrouwbare en veilige werking van het elektronische douanevervoersysteem.

3.   Elke wijziging of verwijdering van gegevens wordt vastgelegd met opgave van de reden voor en het nauwkeurige tijdstip van de wijziging of verwijdering en van de identiteit van de persoon die deze handeling heeft verricht.

De oorspronkelijke gegevens of alle gegevens die een bewerking hebben ondergaan, worden gedurende een periode van ten minste drie kalenderjaren bewaard vanaf het einde van het jaar waarin deze gegevens zijn vastgelegd dan wel langer indien de landen dit vereisen.

4.   De bevoegde autoriteiten zien regelmatig toe op de veiligheid van de gegevens.

5.   Alle betrokken bevoegde autoriteiten stellen elkaar in kennis van elk vermoeden van inbreuk op de veiligheid.

Artikel 7

Bescherming van persoonsgegevens

1.   De overeenkomstsluitende partijen gebruiken de persoonsgegevens die bij de toepassing van deze overeenkomst worden uitgewisseld, uitsluitend voor de doeleinden van de regeling gemeenschappelijk douanevervoer en voor daaropvolgende douaneregelingen of tijdelijke opslag.

Dit betekent niet dat deze gegevens door de douaneautoriteiten niet mogen worden gebruikt ten behoeve van risicoanalyse en onderzoek tijdens het gemeenschappelijk douanevervoer en in het kader van gerechtelijke procedures volgende op dat gemeenschappelijk douanevervoer. Wanneer deze gegevens voor die doeleinden worden gebruikt, worden de douaneautoriteiten die de inlichtingen hebben verstrekt, daarvan onmiddellijk in kennis gesteld.

2.   De overeenkomstsluitende partijen dragen er zorg voor dat de verwerking van de persoonsgegevens die bij de toepassing van deze overeenkomst worden uitgewisseld, geschiedt in overeenstemming met Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad (1).

3.   Elke overeenkomstsluitende partij neemt de nodige maatregelen om de inachtneming van dit artikel te garanderen.

HOOFDSTUK III

Verplichtingen van de houder van de regeling en van de vervoerder en de ontvanger van goederen die krachtens de regeling gemeenschappelijk douanevervoer worden vervoerd

Artikel 8

Verplichtingen van de houder van de regeling en van de vervoerder en de ontvanger van goederen die krachtens de regeling gemeenschappelijk douanevervoer worden vervoerd

1.   De houder van de regeling is verantwoordelijk voor al het volgende:

a)

het ongeschonden en met de vereiste gegevens binnen de gestelde termijn aanbrengen van de goederen bij het douanekantoor van bestemming met inachtneming van de door de douaneautoriteiten getroffen identificatiemaatregelen;

b)

het naleven van de douanebepalingen betreffende de regeling gemeenschappelijk douanevervoer;

c)

tenzij anders is bepaald in de overeenkomst, het stellen van een zekerheid voor de betaling van het bedrag van de schuld die kan ontstaan ten aanzien van de goederen.

2.   Een vervoerder of een ontvanger van goederen die goederen aanvaardt in de wetenschap dat deze onder de regeling gemeenschappelijk douanevervoer zijn geplaatst, is eveneens verplicht deze binnen de gestelde termijn ongeschonden bij het douanekantoor van bestemming aan te brengen met inachtneming van de door de douaneautoriteiten getroffen identificatiemaatregelen.

HOOFDSTUK IV

Zekerheidstelling

Artikel 9

Elektronisch systeem voor zekerheidstelling

Voor de uitwisseling en de opslag van informatie over zekerheidstellingen wordt gebruikgemaakt van elektronische gegevensverwerkingstechnieken.

Artikel 10

Verplichting tot zekerheidstelling

1.   De houder van de regeling stelt een zekerheid om de betaling van de schuld die kan ontstaan ten aanzien van de onder de regeling gemeenschappelijk douanevervoer geplaatste goederen, te waarborgen.

2.   De zekerheid wordt gesteld als:

a)

een zekerheid per aangifte, die geldt voor één enkele transactie, of

b)

een doorlopende zekerheid voor verschillende transacties in de vorm van een verbintenis van een borg, wanneer een vereenvoudiging als bedoeld in artikel 55, onder a), van toepassing is.

3.   De douaneautoriteiten kunnen de voorgestelde wijze van zekerheidstelling echter weigeren te aanvaarden indien deze onverenigbaar is met de goede werking van de regeling gemeenschappelijk douanevervoer.

Artikel 11

Vormen van zekerheidstelling per aangifte

1.   Een zekerheid per aangifte kan in een van de volgende vormen worden gesteld:

a)

een storting van contant geld;

b)

een verbintenis van een borg;

c)

een bewijs van zekerheidstelling.

2.   In het in lid 1, onder c), bedoelde geval wordt de zekerheid per aangifte gesteld door een verbintenis van een borg.

Artikel 12

Borg

1.   De borg als bedoeld in artikel 10, lid 2, onder b), artikel 11, lid 1, onder b), en artikel 11, lid 2, is een derde persoon die is gevestigd in de overeenkomstsluitende partij waar de zekerheid wordt gesteld en die is goedgekeurd door de douaneautoriteiten die de zekerheid eisen.

In zijn verbintenis moet de borg in elke overeenkomstsluitende partij die bij het desbetreffende gemeenschappelijk douanevervoer betrokken is, woonplaats kiezen of een gemachtigde aanwijzen.

2.   De borg verbindt zich er schriftelijk toe het bedrag van de schuld waarvoor zekerheid is gesteld, te betalen. De verbintenis geldt ook, binnen de grenzen van het bedrag waarvoor zekerheid is gesteld, voor bedragen aan schuld die opeisbaar worden na controles achteraf.

3.   De douaneautoriteiten kunnen weigeren hun goedkeuring te geven aan een borg indien deze naar hun mening niet alle waarborgen biedt dat het bedrag van de schuld binnen de gestelde termijn zal worden betaald.

Artikel 13

Ontheffing van zekerheidstelling

1.   Er wordt geen zekerheid geëist in elk van de volgende gevallen:

a)

voor goederen vervoerd door de lucht waarbij gebruik wordt gemaakt van de regeling douanevervoer door de lucht op basis van een elektronisch manifest;

b)

voor goederen vervoerd over de Rijn, de Rijnvaartwegen, de Donau of de vaarwegen van de Donau;

c)

voor goederen vervoerd via een vaste transportinrichting;

d)

voor goederen vervoerd per spoor of door de lucht waarbij gebruik wordt gemaakt van de papieren regeling douanevervoer per spoor of door de lucht.

2.   In de in lid 1, onder d), bedoelde gevallen is de ontheffing van zekerheidstelling uitsluitend van toepassing op vóór 1 mei 2016 verleende vergunningen voor het gebruik van de papieren regeling gemeenschappelijk douanevervoer per spoor of door de lucht.

HOOFDSTUK V

Diverse bepalingen

Artikel 14

Juridische status van documenten en vastleggingen

1.   Documenten die zijn afgegeven en gegevens die zijn vastgelegd overeenkomstig de voorschriften van het land waar zij zijn afgegeven of vastgelegd, ongeacht het technische formaat ervan en de maatregelen die zijn genomen of aanvaard door de bevoegde autoriteiten van een land, hebben dezelfde rechtsgevolgen op het grondgebied van andere landen als in het land waar zij zijn afgegeven of vastgelegd.

2.   Resultaten van controles die in het kader van de regeling gemeenschappelijk douanevervoer door de bevoegde autoriteiten van een land zijn verricht, hebben in andere landen dezelfde bewijskracht als resultaten van controles die door de bevoegde autoriteiten van elk van die andere landen zijn verricht.

Artikel 15

Lijst van voor gemeenschappelijk douanevervoer bevoegde douanekantoren

Elk land voert in het door de Europese Commissie (hierna „de Commissie” genoemd) beheerde computersysteem in welke douanekantoren voor gemeenschappelijk douanevervoer bevoegd zijn, onder opgave van hun identificatienummer, bevoegdheden en openingstijden. Wijzigingen moeten eveneens in het computersysteem worden ingevoerd.

De Commissie stelt alle landen in kennis van deze informatie via dat computersysteem.

Artikel 16

Centralisatiekantoor

Wanneer een land een centralisatiekantoor heeft opgericht dat belast is met het beheer van en het toezicht op de regeling gemeenschappelijk douanevervoer alsook de verzending en de ontvangst van documenten in verband met die regeling, deelt het de Commissie mee welk dat kantoor is.

De Commissie bezorgt deze informatie aan de andere landen.

Artikel 17

Inbreuken en strafmaatregelen

De landen nemen de nodige maatregelen om inbreuken en onregelmatigheden tegen te gaan en deze op doeltreffende, evenredige en afschrikkende wijze te bestraffen.

TITEL II:

WERKING VAN DE PROCEDURE

HOOFDSTUK I

Zekerheidstelling per aangifte

Artikel 18

Berekening van het bedrag van de zekerheid per aangifte

Een overeenkomstig artikel 10, lid 2, onder a), gestelde zekerheid per aangifte dekt het bedrag van de schuld die kan ontstaan, berekend aan de hand van de hoogste rechten die van toepassing zijn op goederen van dezelfde soort. Voor deze berekening worden Uniegoederen die met toepassing van de overeenkomst worden vervoerd, als niet-Uniegoederen beschouwd.

Artikel 19

Zekerheid per aangifte in de vorm van een storting van contant geld

1.   Een zekerheid per aangifte in de vorm van een storting van contant geld of van een gelijkwaardig betaalmiddel wordt gesteld overeenkomstig de geldende voorschriften in het land van vertrek waar de zekerheid wordt geëist.

2.   Een zekerheid per aangifte in de vorm van een storting van contant geld in een van de overeenkomstsluitende partijen, is geldig in alle overeenkomstsluitende partijen. Dit bedrag wordt terugbetaald wanneer de regeling is aangezuiverd.

3.   Zekerheidstelling in de vorm van een storting van contant geld of van een gelijkwaardig betaalmiddel geeft geen recht op betaling van interesten door de douaneautoriteiten.

Artikel 20

Zekerheid per aangifte in de vorm van een verbintenis van een borg

1.   Een verbintenis van een borg die dient als zekerheid per aangifte, wordt gesteld met gebruikmaking van het formulier in bijlage C1 bij aanhangsel III. Deze verbintenis wordt gedurende de geldigheidsduur ervan bewaard door het douanekantoor van zekerheidstelling.

2.   Wanneer dit volgens de nationale wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen of de gebruiken vereist is, kan een land toestaan dat de in lid 1 bedoelde verbintenis in een andere vorm wordt opgesteld, mits deze dezelfde rechtsgevolgen heeft als de verbintenis in het formulier.

3.   Voor iedere verbintenis deelt het kantoor van zekerheidstelling de houder van de regeling de volgende gegevens mee:

(a)

een zekerheidsreferentienummer;

(b)

een toegangscode die betrekking heeft op het zekerheidsreferentienummer.

De houder van de regeling mag die toegangscode niet wijzigen.

Artikel 21

Zekerheid per aangifte in de vorm van bewijzen van zekerheidstelling

1.   Een verbintenis van een borg die dient als zekerheid per aangifte in de vorm van bewijzen van zekerheidstelling, wordt gesteld met gebruikmaking van het formulier in bijlage C2 bij aanhangsel III. Deze verbintenis wordt gedurende de geldigheidsduur ervan bewaard door het douanekantoor van zekerheidstelling.

Artikel 20, lid 2, is van overeenkomstige toepassing.

2.   Bewijzen van zekerheidstelling worden opgesteld door een borg met gebruikmaking van het formulier in bijlage C3 bij aanhangsel III en afgegeven aan personen die voornemens zijn als houder van de regeling op te treden. Deze bewijzen zijn geldig in alle overeenkomstsluitende partijen.

Elk bewijs van zekerheidstelling dekt een bedrag van 10 000 EUR waarvoor de borg aansprakelijk is. De geldigheidsduur van een bewijs is één jaar na de datum van afgifte.

3.   De borg verstrekt het douanekantoor van zekerheidstelling alle vereiste gegevens over de door hem afgegeven bewijzen van zekerheidstelling per aangifte.

4.   Voor elk bewijs van zekerheidstelling deelt de borg aan de persoon die voornemens is als houder van de regeling op te treden, de volgende gegevens mee:

(a)

een zekerheidsreferentienummer;

(b)

een toegangscode die betrekking heeft op het zekerheidsreferentienummer.

De persoon die voornemens is als houder van de regeling op te treden, mag die toegangscode niet wijzigen.

5.   De persoon die voornemens is als houder van de regeling op te treden, dient bij het douanekantoor van vertrek een aantal bewijzen van zekerheidstelling in dat overeenstemt met het veelvoud van 10 000 EUR dat vereist is om het totale bedrag van de schuld die kan ontstaan, te dekken.

6.   Wanneer een papieren aangifte voor douanevervoer wordt aanvaard overeenkomstig artikel 26, lid 1, onder b), worden de bewijzen van zekerheidstelling verstrekt op papier en door het douanekantoor van vertrek bewaard. Dit douanekantoor deelt het identificatienummer van elk bewijs van zekerheidstelling mee aan het op dat bewijs vermelde kantoor van zekerheidstelling.

Artikel 22

Goedkeuring van de verbintenis

De verbintenis van een borg moet worden goedgekeurd door het douanekantoor van zekerheidstelling, dat de persoon die de zekerheid moet stellen, in kennis zal stellen van de goedkeuring ervan.

Artikel 23

Intrekking van de goedkeuring van de borg of van de verbintenis en opzegging van de verbintenis

1.   Het douanekantoor van zekerheidstelling kan de goedkeuring van de borg of de goedkeuring van de verbintenis van een borg te allen tijde intrekken. Het douanekantoor van zekerheidstelling stelt de borg en de persoon die zekerheid moet stellen, in kennis van de intrekking.

De intrekking van de goedkeuring van de borg of van de verbintenis van de borg wordt van kracht op de zestiende dag na de datum waarop de beschikking tot intrekking door de borg is ontvangen of wordt geacht te zijn ontvangen.

2.   Een borg kan zijn verbintenis te allen tijde opzeggen. De borg stelt het douanekantoor van zekerheidstelling in kennis van de opzegging.

De opzegging van de verbintenis door de borg heeft geen gevolgen voor goederen die op het tijdstip waarop de opzegging van kracht wordt, op grond van de opgezegde verbintenis reeds onder een regeling gemeenschappelijk douanevervoer zijn geplaatst en dat nog steeds zijn.

De opzegging van de verbintenis door de borg wordt van kracht op de zestiende dag na de datum waarop de opzegging door de borg is meegedeeld aan het douanekantoor van zekerheidstelling.

3.   De douaneautoriteiten van het land die verantwoordelijk zijn voor het betrokken douanekantoor van zekerheidstelling, voeren in het elektronische systeem zoals bedoeld in artikel 9 gegevens in met betrekking tot iedere intrekking van een goedkeuring van een borg of iedere opzegging van een verbintenis door een borg, en de datum waarop deze van kracht wordt.

HOOFDSTUK II

Vervoermiddelen en aangiften

Artikel 24

Aangifte voor douanevervoer en vervoermiddelen

1.   Op een aangifte voor douanevervoer mogen alleen onder de regeling gemeenschappelijk douanevervoer geplaatste goederen worden vermeld die in of op één vervoermiddel, in een container of in een collo, worden of moeten worden vervoerd van één douanekantoor van vertrek naar één douanekantoor van bestemming.

Een aangifte voor douanevervoer mag echter goederen bevatten die in meer dan één container of in meer dan één collo van één douanekantoor van vertrek naar één douanekantoor van bestemming worden of moeten worden vervoerd, wanneer de containers of colli in of op één vervoermiddel zijn geladen.

2.   Voor de toepassing van dit artikel worden de onderstaande vervoermiddelen als één vervoermiddel beschouwd, op voorwaarde dat de vervoerde goederen samen worden verzonden:

a)

een voertuig voor wegverkeer met een of meer aanhangwagens of opleggers;

b)

twee of meer aan elkaar gekoppelde spoorwagons;

c)

twee of meer schepen die één geheel vormen.

3.   Wanneer met het oog op de regeling gemeenschappelijk douanevervoer één vervoermiddel wordt gebruikt voor het laden van goederen bij verschillende douanekantoren van vertrek en het lossen van goederen bij verschillende douanekantoren van bestemming, moet voor elk van de zendingen een afzonderlijke aangifte voor douanevervoer worden ingediend.

Artikel 25

Aangifte voor douanevervoer met behulp van elektronische gegevensverwerkingstechnieken

De nadere informatie en de structuur van de gegevens van de aangifte voor douanevervoer zijn opgenomen in de bijlagen A1, A2 en B6 bij aanhangsel III.

Artikel 26

Papieren aangiften voor douanevervoer

1.   De douaneautoriteiten aanvaarden een papieren aangifte voor douanevervoer in de volgende gevallen:

a)

wanneer de goederen worden vervoerd door reizigers die geen rechtstreekse toegang hebben tot het elektronische douanevervoersysteem, overeenkomstig de in artikel 27 omschreven wijze;

b)

wanneer de bedrijfscontinuïteitsprocedure wordt toegepast overeenkomstig bijlage II, in geval van een tijdelijke storing van:

i)

het elektronische douanevervoersysteem;

ii)

het geautomatiseerde systeem dat door de houders van de regeling wordt gebruikt om de aangifte voor gemeenschappelijk douanevervoer met behulp van elektronische gegevensverwerkingstechnieken in te dienen;

iii)

de elektronische verbinding tussen het geautomatiseerde systeem dat door de houders van de regeling wordt gebruikt om de aangifte voor gemeenschappelijk douanevervoer met behulp van elektronische gegevensverwerkingstechnieken in te dienen en het elektronische douanevervoersysteem;

c)

wanneer een land dat deelneemt aan het gemeenschappelijk douanevervoer, daartoe besluit.

2.   Voor de toepassing van lid 1, onder a) en c), dragen de douaneautoriteiten er zorg voor dat de gegevens met betrekking tot het douanevervoer in het elektronische douanevervoersysteem worden vastgelegd en tussen de douaneautoriteiten worden uitgewisseld met behulp van dat systeem.

3.   Voor het aanvaarden van een papieren aangifte voor douanevervoer zoals bedoeld in lid 1, onder b), ii) en iii), is de goedkeuring van de douaneautoriteiten vereist.

Artikel 27

Aangifte voor douanevervoer door reizigers

In de in artikel 26, lid 1, onder a), bedoelde gevallen stelt de reiziger de papieren aangifte voor douanevervoer op overeenkomstig de artikelen 5 en 6 en bijlage B6 bij aanhangsel III.

Artikel 28

Gemengde zendingen

Een zending kan zowel onder de T1-regeling als onder de T2-regeling te plaatsen goederen bevatten, op voorwaarde dat elk artikel dienovereenkomstig op de aangifte voor douanevervoer is geïdentificeerd aan de hand van de codes T1, T2 of T2F.

Artikel 29

Waarmerking van de aangifte voor douanevervoer en aansprakelijkheid van de houder van de regeling

1.   De aangifte voor douanevervoer wordt gewaarmerkt door de aangever.

2.   Met de indiening van een aangifte voor douanevervoer bij de douaneautoriteiten stelt de houder van de regeling zich aansprakelijk voor:

a)

de juistheid en volledigheid van de in de aangifte voor douanevervoer verstrekte gegevens;

b)

de echtheid, juistheid en geldigheid van de stukken ter staving van de aangifte voor douanevervoer;

c)

de naleving van alle verplichtingen in verband met de plaatsing van de op de aangifte voor douanevervoer vermelde goederen onder de regeling gemeenschappelijk douanevervoer.

HOOFDSTUK 3

Formaliteiten bij het douanekantoor van vertrek

Artikel 30

Indiening en aanvaarding van een aangifte voor douanevervoer

1.   De aangifte voor douanevervoer wordt ingediend bij het douanekantoor van vertrek.

2.   Het douanekantoor van vertrek aanvaardt de aangifte voor douanevervoer, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a)

zij bevat alle gegevens die nodig zijn voor de toepassing van de regeling gemeenschappelijk douanevervoer zoals gespecificeerd in bijlage II bij aanhangsel III;

b)

zij gaat vergezeld van alle vereiste documenten;

c)

de goederen waarop de aangifte voor douanevervoer betrekking heeft, zijn bij de douane aangebracht tijdens de officiële openingsuren.

Het douanekantoor van vertrek kan op verzoek van de aangever toestaan dat de goederen buiten de officiële openingsuren of op een andere plaats worden aangebracht.

3.   De douaneautoriteiten kunnen toestaan dat de in lid 1, onder b), bedoelde documenten niet aan het douanekantoor van vertrek hoeven te worden overgelegd. In dat geval moeten die documenten in het bezit zijn van de aangever en ter beschikking staan van de douaneautoriteiten.

Artikel 31

Wijziging van een aangifte voor douanevervoer

1.   De aangever wordt, op zijn verzoek, toegestaan een of meer gegevens in de aangifte voor douanevervoer te wijzigen nadat deze door de douaneautoriteiten is aanvaard. De wijziging mag niet tot gevolg hebben dat de aangifte voor douanevervoer betrekking heeft op andere goederen dan die waarop zij oorspronkelijk betrekking had.

2.   Dergelijke wijzigingen worden niet toegestaan als het verzoek daartoe wordt gedaan na een van de volgende gebeurtenissen:

a)

de douaneautoriteiten hebben de aangever in kennis gesteld van hun voornemen de goederen aan een onderzoek te onderwerpen;

b)

de douaneautoriteiten hebben geconstateerd dat de gegevens van de douaneaangifte onjuist zijn;

c)

de douaneautoriteiten hebben de goederen vrijgegeven.

Artikel 32

Ongeldigmaking van een aangifte voor douanevervoer

1.   Op verzoek van de aangever maakt het douanekantoor van vertrek een reeds aanvaarde aangifte voor douanevervoer ongeldig in elk van de volgende gevallen:

a)

indien voldoende wordt aangetoond dat de goederen onmiddellijk onder een andere douaneregeling zullen worden geplaatst;

b)

indien voldoende wordt aangetoond dat ten gevolge van bijzondere omstandigheden de plaatsing van de goederen onder de douaneregeling waarvoor zij zijn aangegeven, niet meer gerechtvaardigd is.

Indien het douanekantoor van vertrek de aangever evenwel in kennis heeft gesteld van zijn voornemen de goederen aan een onderzoek te onderwerpen, kan het verzoek tot ongeldigmaking van de douaneaangifte slechts worden aanvaard nadat het onderzoek heeft plaatsgevonden.

2.   De aangifte voor douanevervoer wordt niet ongeldig gemaakt nadat de goederen zijn vrijgegeven tenzij:

a)

goederen die zich in het vrije verkeer in een overeenkomstsluitende partij bevinden, bij vergissing zijn aangegeven voor een regeling gemeenschappelijk douanevervoer en hun douanestatus van goederen die zich in het vrije verkeer in dezelfde overeenkomstsluitende partij bevinden, nadien is aangetoond;

b)

goederen bij vergissing zijn aangegeven op meer dan één douaneaangifte.

Artikel 33

Route voor het verkeer van goederen onder de regeling gemeenschappelijk douanevervoer

1.   De onder de regeling gemeenschappelijk douanevervoer geplaatste goederen worden volgens een economisch verantwoorde route naar het douanekantoor van bestemming vervoerd.

2.   Wanneer het douanekantoor van vertrek of de aangever dit nodig acht, schrijft dit douanekantoor een route voor het vervoer van de goederen tijdens de regeling gemeenschappelijk douanevervoer voor, waarbij rekening wordt gehouden met alle relevante informatie die door de aangever is meegedeeld.

Wanneer een route wordt voorgeschreven, vermeldt het douanekantoor in het elektronische douanevervoersysteem ten minste de landen via welke het douanevervoer plaatsvindt.

Artikel 34

Termijn voor het aanbrengen van goederen

1.   Het douanekantoor van vertrek stelt een termijn vast waarbinnen de goederen bij het douanekantoor van bestemming moeten worden aangebracht, waarbij met het volgende rekening wordt gehouden:

a)

de route;

b)

het vervoermiddel;

c)

de vervoerswetgeving of andere wetgeving die van invloed kan zijn op de vaststelling van een termijn;

d)

alle relevante informatie die de houder van de regeling heeft meegedeeld.

2.   Wanneer de termijn door het douanekantoor van vertrek is vastgesteld, is deze bindend voor de douaneautoriteiten van de landen over het grondgebied waarvan de goederen gedurende het gemeenschappelijk douanevervoer worden vervoerd, en kan deze termijn niet door deze autoriteiten worden gewijzigd.

Artikel 35

Verificatie van een aangifte voor douanevervoer en onderzoek van de goederen

1.   Met het oog op de verificatie van de juistheid van de in de aanvaarde aangifte voor douanevervoer vermelde gegevens kan het douanekantoor van vertrek:

a)

de aangifte en de bij te voegen documenten aan een onderzoek onderwerpen;

b)

van de aangever eisen dat andere documenten worden overgelegd;

c)

de goederen aan een onderzoek onderwerpen;

d)

monsters nemen voor een analyse of grondige controle van de goederen.

2.   Het douanekantoor van vertrek controleert het bestaan en de geldigheid van de zekerheid.

3.   Het onderzoek van de in lid 1, onder c), bedoelde goederen wordt verricht op de plaatsen die daartoe zijn aangewezen door het douanekantoor van vertrek, en tijdens de officiële openingsuren. De douaneautoriteiten kunnen evenwel, op verzoek van de aangever, het onderzoek van de goederen verrichten buiten de officiële openingsuren of op een andere plaats.

Artikel 36

Identificatie van verzegelingen

Het douanekantoor van vertrek vermeldt het aantal verzegelingen dat het heeft aangebracht, en de individuele kenmerken van de verzegelingen aan de hand waarvan deze kunnen worden geïdentificeerd in het elektronische douanevervoersysteem.

Artikel 37

Geschiktheid voor verzegeling

Wegvoertuigen, aanhangers, opleggers en containers die zijn goedgekeurd voor vervoer onder douaneverzegeling uit hoofde van een internationale overeenkomst waarbij de Unie en de landen die deelnemen aan het gemeenschappelijk douanevervoer, een partij zijn, worden eveneens geacht voor verzegeling geschikt te zijn.

Artikel 38

Kenmerken van douaneverzegelingen

1.   Douaneverzegelingen moeten ten minste de volgende essentiële kenmerken bezitten en aan de volgende technische specificaties voldoen:

a)

essentiële kenmerken van de verzegelingen:

i)

ze moeten bij normaal gebruik ongeschonden en stevig vastgemaakt blijven;

ii)

ze moeten op eenvoudige wijze kunnen worden gecontroleerd en identificeerbaar zijn;

iii)

ze zijn zodanig vervaardigd dat elke verbreking, manipulatie of verwijdering sporen nalaat die met het blote oog waarneembaar zijn;

iv)

ze zijn ontworpen voor eenmalig gebruik of, wanneer het gaat om verzegelingen die bestemd zijn om meermaals te worden gebruikt, zodanig ontworpen dat ze telkens als ze worden hergebruikt van een duidelijk en individueel identificatiekenmerk kunnen worden voorzien;

v)

ze zijn voorzien van individuele identificatiekenmerken die permanent, gemakkelijk leesbaar en uniek genummerd zijn;

b)

technische specificaties:

i)

de vorm en afmetingen van de verzegelingen kunnen variëren naargelang van de gebruikte verzegelingsmethode, maar de afmetingen moeten zodanig zijn dat de identificatiekenmerken duidelijk leesbaar zijn;

ii)

de identificatiekenmerken van de verzegelingen zijn onmogelijk te vervalsen en moeilijk na te maken;

iii)

het gebruikte materiaal moet zo stevig zijn dat het niet mogelijk is het per ongeluk te breken. Het mag niet vervalst of ongemerkt opnieuw gebruikt kunnen worden.

2.   Wanneer de verzegelingen door een bevoegde instantie zijn gecertificeerd overeenkomstig ISO-norm 17712:2013 „Vrachtcontainers — Mechanische afdichtingen”, worden deze verzegelingen geacht aan de vereisten in lid 1 te voldoen.

Bij containervervoer wordt zoveel mogelijk gebruikt gemaakt van verzegelingen met hoge veiligheidskenmerken.

3.   Op de douaneverzegeling komen de volgende vermeldingen voor:

a)

het woord „douane” in één van de officiële talen van de Unie of een land dat deelneemt aan het gemeenschappelijk douanevervoer, of een overeenkomstige afkorting;

b)

een landcode in de vorm van de tweeletterige ISO-landcode die het land identificeert waarin de verzegeling is aangebracht.

De overeenkomstsluitende partijen kunnen in onderling overleg besluiten gebruik te maken van gemeenschappelijke veiligheidskenmerken en technologie.

4.   Elk land informeert de Commissie over de soorten verzegelingen die het in gebruik heeft. De Commissie stelt deze informatie beschikbaar aan alle landen.

5.   Wanneer een verzegeling moet worden verwijderd om inspectie door de douane mogelijk te maken, tracht de douaneautoriteit opnieuw een verzegeling aan te brengen zoals vereist is, met behulp van een douaneverzegeling die ten minste gelijkwaardige veiligheidskenmerken heeft, en vermeldt zij de gegevens van de actie, inclusief het nieuwe verzegelingsnummer, op de vrachtdocumentatie.

6.   Douaneverzegelingen die voldoen aan bijlage II bij dit aanhangsel zoals gewijzigd bij Besluit nr. 1/2008 (2), mogen verder worden gebruikt totdat de voorraden zijn uitgeput of tot 1 mei 2019, indien deze datum eerder valt.

Artikel 39

Alternatieve identificatiemaatregelen voor verzegeling

1.   In afwijking van artikel 11, lid 1, van de overeenkomst kan het douanekantoor van vertrek besluiten de goederen die onder de regeling gemeenschappelijk douanevervoer zijn geplaatst, niet te verzegelen en zich in plaats daarvan te baseren op de omschrijving van de goederen in de aangifte voor douanevervoer of in de aanvullende documenten, op voorwaarde dat de omschrijving voldoende nauwkeurig is om de goederen gemakkelijk te identificeren en melding maakt van de hoeveelheid en aard van de goederen en van eventuele bijzondere kenmerken zoals volgnummers van de goederen.

2.   In afwijking van artikel 11, lid 1, van de overeenkomst worden, tenzij het douanekantoor van vertrek anders besluit, noch het vervoermiddel, noch de afzonderlijke colli verzegeld wanneer:

a)

de goederen door de lucht worden vervoerd en ofwel op elke zending etiketten zijn aangebracht met daarop het nummer van de begeleidende luchtvrachtbrief, ofwel de zending een laadeenheid vormt waarop het nummer van de begeleidende luchtvrachtbrief is vermeld;

b)

de goederen per spoor worden vervoerd en identificatiemaatregelen door de spoorwegondernemingen worden toegepast.

Artikel 40

Vrijgave van de goederen voor de regeling gemeenschappelijk douanevervoer

1.   Alleen goederen die zijn verzegeld in overeenstemming met artikel 11, leden 1, 2 en 3, van de overeenkomst of waarvoor alternatieve identificatiemaatregelen zijn genomen in overeenstemming met artikel 11, lid 4, van de overeenkomst en artikel 39 van dit aanhangsel, worden vrijgegeven voor de regeling gemeenschappelijk douanevervoer.

2.   Bij vrijgave van de goederen zendt het douanekantoor van vertrek de gegevens van het gemeenschappelijk douanevervoer:

a)

naar het opgegeven douanekantoor van bestemming;

b)

naar elk opgegeven douanekantoor van doorgang.

Deze gegevens worden gebaseerd op gegevens uit de, eventueel gewijzigde, aangifte voor douanevervoer.

3.   Het douanekantoor van vertrek stelt de houder van de regeling in kennis van de vrijgave van de goederen voor de regeling gemeenschappelijk douanevervoer.

Artikel 41

Begeleidingsdocument voor douanevervoer

1.   Het douanekantoor van vertrek verstrekt de aangever een begeleidingsdocument voor douanevervoer. Het begeleidingsdocument voor douanevervoer wordt opgesteld met behulp van het formulier in bijlage 3 bij aanhangsel III en bevat de gegevens die zijn opgenomen in bijlage A4 bij aanhangsel III.

2.   Zo nodig wordt het begeleidingsdocument voor douanevervoer aangevuld met een lijst van artikelen die wordt opgesteld met behulp van het formulier in bijlage A5 bij aanhangsel III en de gegevens bevat die zijn opgenomen in bijlage A6 bij aanhangsel III. De lijst van artikelen maakt integrerend deel uit van het begeleidingsdocument voor douanevervoer.

HOOFDSTUK IV

Formaliteiten tijdens het vervoer

Artikel 42

Overlegging van het begeleidingsdocument voor douanevervoer

Het begeleidingsdocument voor douanevervoer en andere documenten die het vervoer van de goederen vergezellen, worden op elk verzoek van de douaneautoriteiten overgelegd.

Artikel 43

Aanbrengen van goederen die worden vervoerd in het kader van de regeling gemeenschappelijk douanevervoer, bij het douanekantoor van doorgang

1.   De goederen en het begeleidingsdocument voor douanevervoer met het overeenkomstige MRN worden bij elk kantoor van doorgang aangebracht.

2.   Het douanekantoor van doorgang registreert de grensoverschrijding van de goederen op basis van de gegevens van het gemeenschappelijk douanevervoer die het van het douanekantoor van vertrek heeft ontvangen. De douanekantoren van doorgang stellen het douanekantoor van vertrek in kennis van deze grensoverschrijding.

3.   De douanekantoren van doorgang kunnen de goederen controleren. Een controle van de goederen geschiedt in de eerste plaats op basis van de gegevens van het gemeenschappelijk douanevervoer die van het douanekantoor van vertrek zijn ontvangen.

4.   Wanneer goederen via een ander douanekantoor van doorgang worden vervoerd dan het opgegeven kantoor, verzoekt het feitelijke douanekantoor van doorgang het douanekantoor van vertrek om de gegevens van het gemeenschappelijk douanevervoer en stelt het dit kantoor in kennis van de grensoverschrijding van de goederen.

5.   De leden 1, 2 en 4 zijn niet van toepassing op het vervoer van goederen per spoor, op voorwaarde dat het douanekantoor van doorgang de grensoverschrijding van de goederen op een andere manier kan verifiëren. Een dergelijke verificatie dient alleen te geschieden indien deze noodzakelijk wordt geacht. De verificatie kan achteraf plaatsvinden.

Artikel 44

Voorvallen tijdens het verkeer van goederen in het kader van het gemeenschappelijk douanevervoer

1.   De vervoerder voorziet het begeleidingsdocument voor douanevervoer van de nodige vermeldingen en brengt de goederen samen met dat document onmiddellijk na het voorval aan bij de dichtstbijzijnde douaneautoriteit van het land op wiens grondgebied het vervoermiddel zich bevindt wanneer:

a)

de vervoerder door omstandigheden buiten zijn wil genoodzaakt is geweest om af te wijken van de overeenkomstig artikel 33, lid 2, voorgeschreven route;

b)

de verzegelingen zijn verbroken of gemanipuleerd tijdens het douanevervoer door een oorzaak buiten de wil van de vervoerder;

c)

goederen onder toezicht van de douaneautoriteit van het ene vervoermiddel in of op het andere vervoermiddel zijn overgeladen;

d)

het verzegelde vervoermiddel door dreigend gevaar onmiddellijk gedeeltelijk of geheel gelost moet worden;

e)

zich een voorval heeft voorgedaan dat tot gevolg kan hebben dat de houder van de regeling of de vervoerder niet langer aan zijn verplichtingen kan voldoen;

f)

een van de onderdelen van een samenstel van vervoermiddelen dat als één vervoermiddel wordt beschouwd zoals bedoeld in artikel 24, lid 2, is gewijzigd.

Wanneer de douaneautoriteiten op het grondgebied waarvan het vervoermiddel zich bevindt, van mening zijn dat het gemeenschappelijk douanevervoer in kwestie kan worden voortgezet nadat zij alle eventueel noodzakelijke maatregelen hebben genomen, viseren zij de vermeldingen die de vervoerder in het begeleidingsdocument voor douanevervoer heeft aangebracht.

2.   In geval van een voorval als bedoeld in lid 1, onder c), zien de douaneautoriteiten af van de aanbrenging van de goederen en de overlegging van het begeleidingsdocument voor douanevervoer met daarop de nodige vermeldingen wanneer de goederen worden overgeladen vanuit een vervoermiddel dat niet is verzegeld.

3.   In geval van een voorval zoals bedoeld in lid 1, onder f), is het de vervoerder, nadat hij de nodige vermeldingen in het begeleidingsdocument voor douanevervoer heeft aangebracht, toegestaan het douanevervoer voort te zetten wanneer een of meer spoorwagons van een reeks aan elkaar gekoppelde spoorwagons worden losgekoppeld wegens technische problemen.

4.   Wanneer in het geval van een voorval zoals bedoeld in lid 1, onder f), de trekker van een wegvoertuig wordt veranderd zonder dat de aanhangwagens of opleggers worden veranderd, ziet de douaneautoriteit af van aanbrenging van de goederen en de overlegging van het begeleidingsdocument voor douanevervoer met daarop de nodige vermeldingen.

5.   In de gevallen zoals bedoeld in de leden 2, 3 en 4, wordt afgezien van de verplichting dat de vervoerder de goederen moet aanbrengen bij en het begeleidingsdocument voor douanevervoer met daarop de nodige vermeldingen moet overleggen aan de in lid 1 bedoelde douaneautoriteit.

6.   Alle relevante gegevens in het begeleidingsdocument voor douanevervoer met betrekking tot de in lid 1 bedoelde voorvallen worden in het elektronische douanevervoersysteem ingevoerd door, naargelang van het geval, de douaneautoriteiten van het douanekantoor van doorgang dan wel van het douanekantoor van bestemming.

HOOFDSTUK V

Formaliteiten bij het douanekantoor van bestemming

Artikel 45

Aanbrengen van onder de regelinggemeenschappelijk douanevervoer geplaatste goederen bij het douanekantoor van bestemming

1.   Wanneer onder een regeling gemeenschappelijk douanevervoer geplaatste goederen bij het douanekantoor van bestemming aankomen, dient het volgende bij dat douanekantoor te worden aangebracht:

a)

de goederen;

b)

het begeleidingsdocument voor douanevervoer;

c)

de door het douanekantoor van bestemming vereiste informatie.

Het aanbrengen vindt plaats tijdens de officiële openingsuren. Het douanekantoor van bestemming kan echter op verzoek van de betrokkene toestaan dat het aanbrengen buiten de officiële openingsuren of op een andere plaats geschiedt.

2.   Wanneer het aanbrengen heeft plaatsgevonden na het verstrijken van de door het douanekantoor van vertrek in overeenstemming met artikel 34, lid 1, vastgestelde termijn, wordt de houder van de regeling geacht de termijn in acht te hebben genomen wanneer hij of de vervoerder ten genoegen van het douanekantoor van bestemming kan aantonen dat de vertraging niet aan hem kan worden toegerekend.

3.   Het douanekantoor van bestemming bewaart het begeleidingsdocument voor douanevervoer en de controle van de goederen geschiedt in de eerste plaats op basis van de gegevens van de aangifte voor gemeenschappelijk douanevervoer die van het douanekantoor van vertrek zijn ontvangen.

4.   Wanneer de regeling gemeenschappelijk douanevervoer is beëindigd, er door het douanekantoor van bestemming geen onregelmatigheid is geconstateerd en de houder van de regeling het begeleidingsdocument voor douanevervoer overlegt, viseert dit douanekantoor dat document op verzoek van de houder van de regeling als alternatief bewijs in overeenstemming met artikel 51, lid 1. De visering bestaat uit een stempel van dat douanekantoor, de handtekening van de ambtenaar, de datum en de volgende vermelding:

„—

Alternatief bewijs — 99202”.

5.   De regeling gemeenschappelijk douanevervoer kan bij een ander douanekantoor dan het in de aangifte voor douanevervoer opgegeven kantoor worden beëindigd. Dat douanekantoor wordt dan beschouwd als het douanekantoor van bestemming.

Artikel 46

Ontvangstbewijs

1.   Op verzoek van de persoon die de goederen bij het douanekantoor van bestemming aanbrengt, viseert dit douanekantoor een ontvangstbewijs ter bevestiging dat de goederen zijn aangebracht bij en het begeleidingsdocument voor douanevervoer is overgelegd aan dat douanekantoor.

2.   Het bewijs wordt verstrekt door gebruik te maken van het formulier in bijlage B10 bij aanhangsel III en moet vooraf door de betrokkene worden ingevuld.

3.   Het ontvangstbewijs kan niet dienen als alternatief bewijs dat de regeling gemeenschappelijk douanevervoer in de zin van artikel 51, lid 1, is beëindigd.

Artikel 47

Kennisgeving van aankomst van goederen onder de regeling gemeenschappelijk douanevervoer en controleresultaten

1.   Het douanekantoor van bestemming stelt het douanekantoor van vertrek in kennis van de aankomst van de goederen op de dag waarop de goederen en het begeleidingsdocument voor douanevervoer overeenkomstig artikel 45, lid 1, zijn aangebracht.

2.   Wanneer de regeling gemeenschappelijk douanevervoer bij een ander douanekantoor wordt beëindigd dan het in de aangifte voor douanevervoer opgegeven kantoor, deelt het douanekantoor dat wordt beschouwd als het douanekantoor van bestemming overeenkomstig artikel 45, lid 5, het douanekantoor van vertrek de aankomst mee op de dag waarop de goederen en het begeleidingsdocument voor douanevervoer overeenkomstig artikel 45, lid 1, zijn aangebracht.

Het douanekantoor van vertrek deelt de aankomst ook mee aan het in de aangifte voor douanevervoer opgegeven douanekantoor van bestemming.

3.   De in de leden 1 en 2 bedoelde kennisgeving van aankomst wordt niet beschouwd als bewijs dat de regeling gemeenschappelijk douanevervoer naar behoren is beëindigd.

4.   Het douanekantoor van bestemming deelt de controleresultaten mee aan het douanekantoor van vertrek uiterlijk op de derde dag volgende op de dag waarop de goederen bij het douanekantoor van bestemming of op een andere plaats in overeenstemming met artikel 45, lid 1, zijn aangebracht. In uitzonderlijke gevallen kan deze termijn tot zes dagen worden verlengd.

5.   In afwijking van lid 4 van dit artikel, geldt dat wanneer de goederen worden ontvangen door een toegelaten geadresseerde zoals bedoeld in artikel 87, het douanekantoor van vertrek uiterlijk op de zesde dag volgende op de dag waarop de goederen bij de toegelaten geadresseerde zijn afgeleverd, in kennis wordt gesteld.

HOOFDSTUK VI

Formaliteiten in verband met de beëindiging van de regeling

Artikel 48

Beëindiging en aanzuivering van de regeling

1.   De regeling gemeenschappelijk douanevervoer is beëindigd en de houder van de regeling is zijn verplichtingen nagekomen als de onder de regeling geplaatste goederen en de vereiste informatie op het douanekantoor van bestemming beschikbaar zijn overeenkomstig de douanewetgeving.

2.   De douaneautoriteiten zuiveren de regeling gemeenschappelijk douanevervoer aan indien zij op grond van een vergelijking van de gegevens van het douanekantoor van vertrek met die van het douanekantoor van bestemming, kunnen vaststellen dat de regeling naar behoren is beëindigd.

Artikel 49

Nasporingsprocedure voor goederen die worden vervoerd in het kader van de regeling gemeenschappelijk douanevervoer

1.   Wanneer het douanekantoor van vertrek na ontvangst van de kennisgeving van aankomst van de goederen de controleresultaten niet binnen zes dagen heeft ontvangen overeenkomstig artikel 47, lid 4, of artikel 47, lid 5, verzoekt dat douanekantoor het douanekantoor van bestemming dat de kennisgeving van aankomst van de goederen heeft verzonden, onmiddellijk om de controleresultaten.

Het douanekantoor van bestemming zendt de controleresultaten onmiddellijk na ontvangst van het verzoek van het douanekantoor van vertrek.

2.   Wanneer de douaneautoriteit van het land van vertrek nog geen informatie heeft ontvangen die de aanzuivering van de regeling gemeenschappelijk douanevervoer of de invordering van de schuld mogelijk maakt, vraagt zij de relevante informatie in de volgende gevallen aan de houder van de regeling of, indien voldoende gegevens beschikbaar zijn ter bestemming, aan het douanekantoor van bestemming:

a)

het douanekantoor van vertrek heeft de kennisgeving van aankomst van de goederen bij het verstrijken van de termijn voor het aanbrengen van de goederen in overeenstemming met artikel 34 nog niet ontvangen;

b)

het douanekantoor van vertrek heeft de overeenkomstig lid 1 gevraagde controleresultaten niet ontvangen;

c)

het douanekantoor van vertrek stelt vast dat de kennisgeving van aankomst van de goederen of de controleresultaten bij vergissing zijn verzonden.

3.   De douaneautoriteit van het land van vertrek stuurt verzoeken om informatie overeenkomstig lid 2, onder a), binnen een termijn van zeven dagen na het verstrijken van de daarin genoemde termijn en verzoeken om informatie overeenkomstig lid 2, onder b), binnen een termijn van zeven dagen na het verstrijken van de in lid 1 genoemde toepasselijke termijn.

Indien de douaneautoriteit van het land van vertrek echter vóór het verstrijken van deze termijnen verneemt dat de regeling gemeenschappelijk douanevervoer niet naar behoren is beëindigd, of vermoedt dat dit het geval is, stuurt zij het verzoek onmiddellijk.

4.   Verzoeken die overeenkomstig lid 2 zijn gedaan, worden beantwoord binnen 28 dagen na de datum waarop het verzoek werd verzonden.

5.   Wanneer het douanekantoor van bestemming na een verzoek overeenkomstig lid 2 onvoldoende informatie heeft verstrekt om de regeling gemeenschappelijk douanevervoer aan te zuiveren, verzoekt de douaneautoriteit van het land van vertrek de houder van de regeling om deze informatie binnen 28 dagen na de inleiding van de nasporingsprocedure te verstrekken.

De houder van de regeling antwoordt op dit verzoek binnen 28 dagen na de datum waarop het verzoek werd verzonden.

6.   Wanneer de informatie in het antwoord van de houder van de regeling in overeenstemming met lid 4 onvoldoende is om de regeling gemeenschappelijk douanevervoer aan te zuiveren, maar de douaneautoriteit van het land van vertrek het voldoende acht om de nasporingsprocedure voort te zetten, stuurt deze autoriteit onmiddellijk een verzoek om aanvullende informatie naar het betrokken douanekantoor.

Dat douanekantoor antwoordt op het verzoek binnen 40 dagen na de datum waarop het verzoek werd verzonden.

7.   Wanneer gedurende de stappen van een nasporingsprocedure, zoals beschreven in de leden 1 tot en met 6, wordt vastgesteld dat de regeling gemeenschappelijk douanevervoer naar behoren is beëindigd, zuivert de douaneautoriteit van het land van vertrek de regeling gemeenschappelijk douanevervoer aan en deelt zij dit onmiddellijk mee aan de houder van de regeling en, in voorkomend geval, aan de douaneautoriteit die de invorderingsprocedure voor de aanzuivering van die regeling heeft ingeleid.

8.   Wanneer gedurende de stappen van een nasporingsprocedure, zoals beschreven in de leden 1 tot en met 6, wordt vastgesteld dat de regeling gemeenschappelijk douanevervoer niet kan worden aangezuiverd, moet de douaneautoriteit van het land van vertrek vaststellen of er een schuld is ontstaan.

Indien er een schuld is ontstaan, neemt de douaneautoriteit van het land van vertrek de volgende maatregelen:

(a)

de schuldenaar wordt geïdentificeerd;

(b)

er wordt vastgesteld welke douaneautoriteit verantwoordelijk is voor de mededeling van de schuld.

Artikel 50

Verzoek om overdracht van de invordering van de schuld

1.   Wanneer de douaneautoriteit van het land van vertrek tijdens de nasporingsprocedure en vóór het verstrijken van de termijn zoals bedoeld in artikel 114, lid 2, het bewijs verkrijgt dat de plaats waar de feiten zich hebben voorgedaan die tot het ontstaan van de schuld hebben geleid in een andere lidstaat is gelegen, zendt deze douaneautoriteit onmiddellijk en in ieder geval voor het verstrijken van de termijn alle beschikbare informatie naar de voor die plaats bevoegde douaneautoriteit.

2.   De voor die plaats bevoegde douaneautoriteit bevestigt de ontvangst van de informatie en deelt de douaneautoriteit van het land van vertrek mee of zij verantwoordelijk is voor de invordering. Indien de douaneautoriteit van het land van vertrek deze informatie niet binnen 28 dagen heeft ontvangen, hervat zij onmiddellijk de nasporingsprocedure of begint zij de invordering.

Artikel 51

Alternatief bewijs van de beëindiging van de regeling gemeenschappelijk douanevervoer

1.   De regeling gemeenschappelijk douanevervoer wordt geacht naar behoren te zijn beëindigd wanneer de houder van de regeling ten genoegen van de douaneautoriteit van het land van vertrek een van de volgende documenten overlegt, die de goederen identificeren:

a)

een door de douaneautoriteit van het land van bestemming gewaarmerkt document aan de hand waarvan de goederen kunnen worden geïdentificeerd en waaruit blijkt dat de betrokken goederen bij het douanekantoor van bestemming zijn aangebracht of bij een toegelaten geadresseerde zoals bedoeld in artikel 87 zijn afgeleverd;

b)

een document of een registratie van de douane, door de douaneautoriteit van een land gewaarmerkt, waaruit blijkt dat de betrokken goederen het douanegebied van de overeenkomstsluitende partij fysiek hebben verlaten;

c)

een douanedocument dat is afgegeven in een derde land waar de goederen onder een douaneregeling zijn geplaatst;

d)

een in een derde land afgegeven document dat is geviseerd of anderszins door de douaneautoriteit van dat land is gewaarmerkt, waarin wordt vastgesteld dat de goederen worden geacht zich in dat land in het vrije verkeer te bevinden.

2.   In plaats van de in lid 1 bedoelde documenten kunnen kopieën daarvan, mits deze voor conform zijn gewaarmerkt door de instantie die de originele documenten heeft gewaarmerkt, als bewijs worden verstrekt door de autoriteit van het betrokken derde land of de autoriteit van een land.

Artikel 52

Verificatie en administratieve bijstand

1.   De bevoegde douaneautoriteiten kunnen na vrijgave van de goederen overgaan tot controles van de verstrekte informatie en van de documenten, formulieren, vergunningen of gegevens die verband houden met het gemeenschappelijk douanevervoer, om te controleren of de vermeldingen, de uitgewisselde informatie en de stempels authentiek zijn. Deze controles worden verricht in geval van twijfel aan de juistheid en de echtheid van de verstrekte informatie of wanneer fraude wordt vermoed. Zij kunnen eveneens op basis van een risicoanalyse of bij wijze van steekproef worden verricht.

2.   Een bevoegde douaneautoriteit die een verzoek om een controle achteraf ontvangt, beantwoordt dit verzoek onmiddellijk.

3.   Wanneer de bevoegde douaneautoriteit van het land van vertrek een verzoek indient bij de bevoegde douaneautoriteit voor een controle achteraf van informatie die verband houdt met het gemeenschappelijk douanevervoer, wordt geacht niet aan de voorwaarden van artikel 48, lid 2, voor de aanzuivering van de regeling douanevervoer te zijn voldaan totdat de echtheid en juistheid van de gegevens zijn bevestigd.

HOOFDSTUK VII

Regeling gemeenschappelijk douanevervoer voor het vervoer van goederen via een vaste transportinrichting

Artikel 53

Regeling gemeenschappelijk douanevervoer voor het vervoer van goederen via een vaste transportinrichting

1.   Wanneer via een vaste transportinrichting vervoerde goederen het douanegebied van een overeenkomstsluitende partij binnenkomen via deze inrichting, worden deze goederen bij het binnenkomen van dat douanegebied geacht onder de regeling gemeenschappelijk douanevervoer te zijn geplaatst.

2.   Wanneer goederen al aanwezig zijn in het douanegebied van een overeenkomstsluitende partij en via een vaste transportinrichting worden vervoerd, worden deze goederen geacht onder de regeling gemeenschappelijk douanevervoer te zijn geplaatst wanneer zij in de vaste transportinrichting zijn geplaatst.

3.   Wanneer goederen via een vaste transportinrichting worden vervoerd, is voor de toepassing van de regeling gemeenschappelijk douanevervoer de houder van de regeling de exploitant van de vaste transportinrichting die gevestigd is in de overeenkomstsluitende partij over wier grondgebied de goederen het douanegebied van de overeenkomstsluitende partijen binnenkomen in het in lid 1 bedoelde geval, of de exploitant van de vaste transportinrichting in de overeenkomstsluitende partij waarin het vervoer begint in het in lid 2 bedoelde geval.

De houder van de regeling en de douaneautoriteit bereiken overeenstemming over de methoden voor het douanetoezicht op de vervoerde goederen.

4.   Voor de toepassing van artikel 8, lid 2, wordt de exploitant van een vaste transportinrichting die is gevestigd in een land over wiens grondgebied de goederen via een vaste transportinrichting worden vervoerd, geacht de vervoerder te zijn.

5.   Onverminderd de bepalingen van lid 8 wordt de regeling gemeenschappelijk douanevervoer geacht te zijn beëindigd wanneer de desbetreffende vermelding is aangebracht in de bedrijfsadministratie van de geadresseerde of de exploitant van de vaste transportinrichting waaruit blijkt dat de via een vaste inrichting vervoerde goederen:

a)

bij de installatie van de geadresseerde zijn aangekomen;

b)

in het distributienetwerk van de geadresseerde zijn opgenomen of

c)

het douanegebied van de overeenkomstsluitende partijen hebben verlaten.

6.   Wanneer goederen die via een vaste transportinrichting tussen twee overeenkomstsluitende partijen worden vervoerd, worden geacht onder de regeling gemeenschappelijk douanevervoer te zijn geplaatst overeenkomstig lid 2 en tijdens het vervoer het grondgebied passeren van een land dat deelneemt aan het gemeenschappelijk douanevervoer waar de regeling gemeenschappelijk douanevervoer niet voor het vervoer via een vaste transportinrichting wordt toegepast, wordt deze regeling gedurende de passage over dit grondgebied geschorst.

7.   Wanneer goederen via een vaste transportinrichting worden vervoerd vanuit een land dat deelneemt aan het gemeenschappelijk douanevervoer waar de regeling gemeenschappelijk douanevervoer voor het vervoer via een vaste transportinrichting niet wordt toegepast, naar een plaats van bestemming in een overeenkomstsluitende partij waar deze regeling voor dit soort vervoer wel wordt toegepast, wordt deze regeling geacht aan te vangen op het tijdstip waarop de goederen het grondgebied van deze laatste overeenkomstsluitende partij binnenkomen.

8.   Wanneer goederen via een vaste transportinrichting worden vervoerd vanuit een overeenkomstsluitende partij waar de regeling gemeenschappelijk douanevervoer voor het vervoer via een vaste transportinrichting wordt toegepast, naar een plaats van bestemming in een land dat deelneemt aan het gemeenschappelijk douanevervoer waar deze regeling voor dit soort vervoer niet wordt toegepast, wordt deze regeling geacht te worden beëindigd op het tijdstip waarop de goederen het grondgebied van de overeenkomstsluitende partij verlaten waar deze regeling wordt toegepast.

Artikel 54

Facultatieve toepassing van de regeling gemeenschappelijk douanevervoer voor het vervoer van goederen via een vaste transportinrichting

Een land dat deelneemt aan het gemeenschappelijk douanevervoer, kan besluiten de regeling gemeenschappelijk douanevervoer niet toe te passen op het vervoer van goederen via een vaste transportinrichting. Dit besluit wordt aan de Commissie meegedeeld, die de andere landen daarvan in kennis stelt.

TITEL III:

IN HET KADER VAN DE REGELING GEMEENSCHAPPELIJK DOUANEVERVOER GEBRUIKTE VEREENVOUDIGINGEN

HOOFDSTUK I

Algemene bepalingen inzake vereenvoudigingen

Artikel 55

Soorten vereenvoudigingen voor douanevervoer

De douaneautoriteiten kunnen op aanvraag een vergunning verlenen voor een van de volgende vereenvoudigingen:

a)

het gebruik van een doorlopende zekerheid of ontheffing van zekerheidstelling;

b)

het gebruik van een verzegeling van een bijzonder model wanneer verzegeling vereist is om de identificatie van de onder de regeling gemeenschappelijk douanevervoer geplaatste goederen te garanderen;

c)

de status van toegelaten afzender, op grond waarvan de vergunninghouder goederen onder de regeling gemeenschappelijk douanevervoer mag plaatsen zonder deze aan te brengen bij de douane;

d)

de status van toegelaten geadresseerde, op grond waarvan de vergunninghouder onder de regeling gemeenschappelijk douanevervoer vervoerde goederen op een goedgekeurde plaats mag ontvangen om de regeling overeenkomstig artikel 48, lid 1, te beëindigen;

e)

het gebruik van de papieren regeling gemeenschappelijk douanevervoer door de lucht of van de regeling gemeenschappelijk douanevervoer door de lucht op basis van een elektronisch manifest;

f)

het gebruik van de papieren regeling gemeenschappelijk douanevervoer per spoor;

g)

het gebruik van andere vereenvoudigde procedures op grond van artikel 6 van de overeenkomst.

Artikel 56

Territoriaal toepassingsgebied van de vergunningen voor vereenvoudigingen

1.   De in artikel 55, onder b) en c), bedoelde vereenvoudigingen zijn alleen van toepassing op gemeenschappelijk douanevervoer dat aanvangt in de overeenkomstsluitende partij waar de vergunning voor die vereenvoudigingen is verleend.

2.   De in artikel 55, onder d), bedoelde vereenvoudiging is alleen van toepassing op gemeenschappelijk douanevervoer dat eindigt in de overeenkomstsluitende partij waar de vergunning voor die vereenvoudiging is verleend.

3.   De in artikel 55, onder e), bedoelde vereenvoudiging is alleen van toepassing in de overeenkomstsluitende partijen die in de vergunning voor die vereenvoudiging zijn gespecificeerd.

4.   De in artikel 55, onder a) en f), bedoelde vereenvoudigingen zijn van toepassing in alle overeenkomstsluitende partijen.

Artikel 57

Algemene voorwaarden betreffende vergunningen voor vereenvoudigingen

1.   De in artikel 55, onder a), bedoelde vergunning wordt verleend aan aanvragers die aan de volgende voorwaarden voldoen:

a)

de aanvrager is gevestigd in het douanegebied van een overeenkomstsluitende partij;

b)

de aanvrager heeft geen ernstige of herhaalde overtredingen van de douanewetgeving en belastingvoorschriften begaan en heeft geen strafblad met zware misdrijven in verband met zijn economische activiteit;

c)

de aanvrager maakt regelmatig gebruik van de regeling gemeenschappelijk douanevervoer of hij beschikt over de praktische vakbekwaamheid of beroepskwalificaties die rechtstreeks samenhangen met de verrichte activiteit.

2.   De in artikel 55, onder b), c) en d), bedoelde vergunningen worden verleend aan aanvragers die aan de volgende voorwaarden voldoen:

a)

de aanvrager is gevestigd in het douanegebied van een overeenkomstsluitende partij;

b)

de aanvrager verklaart dat hij regelmatig gebruik zal maken van de regeling gemeenschappelijk douanevervoer;

c)

de aanvrager heeft geen ernstige of herhaalde overtredingen van de douanewetgeving en belastingvoorschriften begaan en heeft geen strafblad met zware misdrijven in verband met zijn economische activiteit;

d)

de aanvrager toont aan dat hij zijn handelingen en de goederenstroom goed onder controle heeft dankzij een handels- en, in voorkomend geval, vervoersadministratie die passende douanecontroles mogelijk maakt;

e)

de aanvrager beschikt over de praktische vakbekwaamheid of beroepskwalificaties die rechtstreeks samenhangen met de verrichte activiteit.

3.   De in artikel 55, onder e), bedoelde vergunningen worden verleend aan aanvragers die aan de volgende voorwaarden voldoen:

a)

in het geval van de papieren regeling gemeenschappelijk douanevervoer door de lucht: de aanvrager is een luchtvaartmaatschappij en is gevestigd in het douanegebied van een overeenkomstsluitende partij;

b)

in het geval van de regeling gemeenschappelijk douanevervoer door de lucht op basis van een elektronisch manifest: de aanvrager is een luchtvaartmaatschappij die een beduidend aantal vluchten tussen luchthavens in de overeenkomstsluitende partijen uitvoert, en is gevestigd in het douanegebied van een overeenkomstsluitende partij of heeft daar zijn statutaire zetel, zijn hoofdbestuur of een vaste inrichting;

c)

de aanvrager maakt regelmatig gebruik van de regeling gemeenschappelijk douanevervoer of de bevoegde douaneautoriteit weet dat hij aan de verplichtingen uit hoofde van de regeling kan voldoen;

d)

de aanvrager heeft geen ernstige of herhaalde inbreuken op de douane- of belastingwetgeving gepleegd.

4.   De in artikel 55, onder f), bedoelde vergunningen worden verleend aan aanvragers die aan de volgende voorwaarden voldoen:

a)

de aanvrager is een spoorwegmaatschappij;

b)

de aanvrager is gevestigd in het douanegebied van een overeenkomstsluitende partij;

c)

de aanvrager maakt regelmatig gebruik van de regeling gemeenschappelijk douanevervoer of de bevoegde douaneautoriteit weet dat hij aan de verplichtingen uit hoofde van de regeling kan voldoen; en

d)

de aanvrager heeft geen ernstige of herhaalde inbreuken op de douane- of belastingwetgeving gepleegd.

5.   De vergunningen worden slechts verleend op voorwaarde dat de douaneautoriteit van oordeel is dat zij in staat zal zijn om toezicht te houden op de regeling gemeenschappelijk douanevervoer en controles te verrichten zonder dat zij daarvoor administratieve maatregelen moet nemen die niet in verhouding staan tot de behoeften van de betrokkene.

Artikel 58

Toezicht op de vergunningsvoorwaarden

De douaneautoriteiten zien toe op de voorwaarden waaraan de vergunninghouder moet voldoen. Zij zien ook toe op de naleving van de uit de vergunning voortvloeiende verplichtingen. Indien de vergunninghouder minder dan drie jaar gevestigd is, houdt de douaneautoriteit nauw toezicht op hem gedurende het eerste jaar na het verlenen van de vergunning.

Artikel 59

Inhoud van de aanvraag voor een vergunning

1.   Een aanvraag voor een vergunning voor het gebruik van vereenvoudigingen wordt gedateerd en ondertekend. De overeenkomstsluitende partijen bepalen op welke wijze de aanvraag moet worden ingediend.

2.   Een aanvraag moet alle gegevens bevatten aan de hand waarvan de douaneautoriteiten kunnen beoordelen of aan de voorwaarden voor het verlenen van de aangevraagde vereenvoudigingen is voldaan.

Artikel 60

Verantwoordelijkheid van de aanvrager

De persoon die een aanvraag voor een vereenvoudiging doet, is, overeenkomstig de in de overeenkomstsluitende partijen geldende bepalingen en onverminderd de mogelijke toepassing van strafbepalingen, verantwoordelijk voor:

a)

de juistheid en volledigheid van de in de aanvraag verstrekte gegevens;

b)

de echtheid, juistheid en geldigheid van de stukken ter staving van de aanvraag.

Artikel 61

Tot verlening van de vergunning bevoegde douaneautoriteiten

1.   Een aanvraag voor de in artikel 55, onder c), bedoelde vereenvoudiging wordt ingediend bij de douaneautoriteiten die bevoegd zijn om de vergunning te verlenen in het land waar het gemeenschappelijk douanevervoer normaal zal aanvangen.

2.   Een aanvraag voor de in artikel 55, onder d), bedoelde vereenvoudiging wordt ingediend bij de douaneautoriteiten die bevoegd zijn om de vergunning te verlenen in het land waar het gemeenschappelijk douanevervoer normaal zal worden beëindigd.

3.   Een aanvraag voor de in artikel 55, onder a), b), e) en f), bedoelde vereenvoudigingen wordt ingediend bij de douaneautoriteiten die bevoegd zijn voor de plaats waar de hoofdboekhouding voor douanedoeleinden van de aanvrager zich bevindt of waar deze toegankelijk is, en waar op zijn minst een deel van de activiteiten die onder de vergunning moeten vallen, zal worden uitgevoerd.

De hoofdboekhouding van de aanvrager heeft betrekking op de administratie en de documentatie aan de hand waarvan de douaneautoriteiten de vergunning kunnen verlenen.

Artikel 62

Aanvaarding en afwijzing van aanvragen en verlening van vergunningen

1.   Aanvragen worden aanvaard of afgewezen en vergunningen worden verleend overeenkomstig de in de overeenkomstsluitende partijen geldende bepalingen.

2.   Beschikkingen tot afwijzing van een aanvraag worden met redenen omkleed en aan de aanvrager meegedeeld binnen de termijnen en overeenkomstig de bepalingen die gelden in de betrokken overeenkomstsluitende partij.

Artikel 63

Inhoud van de vergunning

1.   De vergunning en, zo nodig, een of meer gewaarmerkte kopieën worden aan de vergunninghouder verstrekt.

2.   In de vergunning worden de voorwaarden vermeld waaronder van de vereenvoudigingen gebruik kan worden gemaakt en de wijze waarop deze worden toegepast en gecontroleerd.

Artikel 64

Datum van vankrachtwording van de vergunning

1.   De vergunning wordt van kracht op de datum waarop de aanvrager deze ontvangt of wordt geacht deze te hebben ontvangen, en vanaf die datum uitvoerbaar door de douaneautoriteiten.

Tenzij in de douanewetgeving anders is bepaald, is de vergunning onbeperkt geldig.

2.   In de volgende gevallen wordt de vergunning van kracht op een andere datum dan die waarop de aanvrager de vergunning ontvangt of wordt geacht deze te hebben ontvangen:

a)

wanneer de vergunning gunstig is voor de aanvrager en de aanvrager heeft verzocht om een andere datum waarop deze van kracht wordt, wordt de vergunning van kracht op de door de aanvrager gevraagde datum, mits deze later is dan de datum waarop zij van toepassing zou zijn in overeenstemming met lid 1;

b)

wanneer een eerdere vergunning met een beperkte geldigheidsduur is verleend en de huidige vergunning er alleen toe strekt die geldigheidsduur te verlengen, wordt de vergunning van kracht vanaf de dag na het verstrijken van de geldigheidsduur van de vorige vergunning;

c)

wanneer de vergunning pas van kracht wordt nadat de aanvrager bepaalde formaliteiten heeft vervuld, wordt de vergunning van kracht op de datum waarop de aanvrager de mededeling van de bevoegde douaneautoriteit waarin wordt verklaard dat de formaliteiten naar behoren zijn vervuld, ontvangt of wordt geacht te hebben ontvangen.

Artikel 65

Nietigverklaring, intrekking en wijziging van vergunningen

1.   De vergunninghouder stelt de douaneautoriteiten in kennis van alle voorvallen die zich na het verlenen van de vergunning voordoen en die op de handhaving of de inhoud ervan van invloed kunnen zijn.

2.   De douaneautoriteiten verklaren een vergunning nietig als aan alle volgende voorwaarden is voldaan:

a)

de vergunning is verleend op grond van onjuiste of onvolledige gegevens;

b)

de vergunninghouder wist of had redelijkerwijze moeten weten dat de gegevens onjuist of onvolledig waren;

c)

indien de gegevens juist en volledig waren geweest, zou de beschikking betreffende de vergunning anders hebben geluid.

3.   Een vergunning wordt ingetrokken of gewijzigd indien, in andere dan de in lid 2 bedoelde gevallen:

a)

aan een of meer voor de verlening van de vergunning gestelde voorwaarden niet of niet meer is voldaan; of

b)

de vergunninghouder daarom verzoekt.

4.   De vergunninghouder wordt in kennis gesteld van de nietigverklaring, intrekking of wijziging van de vergunning binnen de termijnen en overeenkomstig de bepalingen die gelden in de overeenkomstsluitende partij.

5.   De nietigverklaring van een vergunning wordt van kracht op de datum waarop de oorspronkelijke vergunning van kracht werd, tenzij in de beschikking anders is bepaald overeenkomstig de douanewetgeving.

6.   De intrekking of wijziging van een vergunning wordt van kracht op de datum waarop de aanvrager deze ontvangt of wordt geacht deze te hebben ontvangen. In uitzonderlijke gevallen en voor zover de rechtmatige belangen van de vergunninghouder dit vereisen, kunnen de douaneautoriteiten evenwel de datum waarop de intrekking of wijziging van kracht wordt, later doen ingaan, binnen de termijnen die in de overeenkomstsluitende partijen gelden. De datum waarop de beschikking van kracht wordt, wordt in de beschikking betreffende de intrekking of wijziging van de vergunning vermeld.

Artikel 66

Herbeoordeling van een vergunning

1.   De tot verlening van de vergunning bevoegde douaneautoriteit gaat over tot herbeoordeling van een vergunning in de volgende gevallen:

a)

n geval van wijzigingen in de desbetreffende Uniewetgeving die gevolgen hebben voor de vergunning;

b)

indien noodzakelijk naar aanleiding van het uitgeoefende toezicht;

c)

indien noodzakelijk naar aanleiding van informatie verstrekt door de vergunninghouder overeenkomstig artikel 65, lid 1, of door andere autoriteiten.

2.   De tot verlening van de vergunning bevoegde douaneautoriteit deelt het resultaat van de herbeoordeling mee aan de vergunninghouder.

Artikel 67

Schorsing van een vergunning

1.   De tot verlening van de vergunning bevoegde douaneautoriteit gaat over tot schorsing van de vergunning in plaats van nietigverklaring, intrekking of wijziging wanneer:

a)

die douaneautoriteit van oordeel is dat er voldoende redenen zijn om de vergunning nietig te verklaren, in te trekken of te wijzigen, maar zij nog niet over alle nodige elementen voor die nietigverklaring, intrekking of wijziging beschikt;

b)

die douaneautoriteit van oordeel is dat de voorwaarden voor de vergunning niet zijn vervuld of dat de vergunninghouder de verplichtingen uit hoofde van die vergunning niet nakomt, en het passend is dat de vergunninghouder de tijd krijgt om maatregelen te treffen ter waarborging van de naleving van de voorwaarden of van de verplichtingen;

c)

de vergunninghouder om de schorsing verzoekt omdat hij tijdelijk niet in staat is aan de voorwaarden voor de vergunning te voldoen of de verplichtingen uit hoofde van die vergunning na te komen.

2.   In de in lid 1, onder b) en c), bedoelde gevallen stelt de vergunninghouder de tot verlening van de vergunning bevoegde douaneautoriteit in kennis van de maatregelen waartoe hij zich verbindt om te waarborgen dat de voorwaarden of de verplichtingen zullen worden nageleefd, en van de tijd die hij nodig heeft om deze maatregelen te nemen.

Artikel 68

Duur van de schorsing van een vergunning

1.   De door de bevoegde douaneautoriteit bepaalde duur van de schorsing komt overeen met de termijn die die douaneautoriteit nodig heeft om vast te stellen of aan de voorwaarden voor nietigverklaring, intrekking of wijziging is voldaan.

Wanneer de douaneautoriteit van oordeel is dat de vergunninghouder mogelijkerwijs niet voldoet aan de criteria van artikel 57, lid 1, onder b), wordt de vergunning evenwel geschorst totdat is vastgesteld of er ernstige of herhaalde overtredingen zijn begaan door een van de volgende personen:

a)

de vergunninghouder;

b)

de persoon die aan het hoofd staat van het bedrijf dat houder is van de desbetreffende vergunning, of die zeggenschap heeft over de leiding ervan;

c)

de persoon die verantwoordelijk is voor douanezaken in het bedrijf dat houder is van de desbetreffende vergunning.

2.   In de in artikel 67, lid 1, onder b) en c), bedoelde gevallen komt de duur van de schorsing die door de tot verlening van de vergunning bevoegde douaneautoriteit is bepaald, overeen met de door de vergunninghouder meegedeelde termijn overeenkomstig artikel 67, lid 2. De duur van de schorsing kan in voorkomend geval verder worden verlengd op verzoek van de vergunninghouder.

De duur van de schorsing kan verder worden verlengd met de tijd die de bevoegde douaneautoriteit nodig heeft om na te gaan of deze maatregelen de naleving van de voorwaarden of van de verplichtingen waarborgen, waarbij deze verlenging niet meer dan 30 dagen mag bedragen.

3.   Wanneer de tot verlening van de vergunning bevoegde douaneautoriteit, na de schorsing van een vergunning, voornemens is die vergunning nietig te verklaren, in te trekken of te wijzigen overeenkomstig artikel 65, wordt de duur van de schorsing zoals bepaald overeenkomstig de leden 1 en 2 van dit artikel in voorkomend geval verlengd totdat de beschikking tot nietigverklaring, intrekking of wijziging van kracht wordt.

Artikel 69

Einde van de schorsing van een vergunning

1.   Een schorsing eindigt bij het verstrijken van de duur van de schorsing, tenzij vóór het verstrijken van die duur zich een van de volgende situaties voordoet:

a)

e schorsing wordt herroepen omdat er, in de gevallen zoals bedoeld in artikel 67, lid 1, onder a), geen redenen zijn om de vergunning nietig te verklaren, in te trekken of te wijzigen overeenkomstig artikel 65, in welk geval de schorsing eindigt op de datum van herroeping;

b)

de schorsing wordt herroepen omdat, in de gevallen zoals bedoeld in artikel 67, lid 1, onder b) en c), de vergunninghouder ten genoegen van de tot verlening van de vergunning bevoegde douaneautoriteit de nodige maatregelen heeft genomen om de naleving van de voorwaarden voor de vergunning of van de verplichtingen uit hoofde van die vergunning te waarborgen, in welk geval de schorsing eindigt op de datum van herroeping;

c)

de schorsing eindigt op de datum van nietigverklaring, intrekking of wijziging.

2.   De tot verlening van de vergunning bevoegde douaneautoriteit stelt de vergunninghouder in kennis van het einde van de schorsing.

Artikel 70

Geldigheid van een vergunning

Douaneautoriteiten kunnen aanvragen voor het verlenen van vergunningen zoals bedoeld in artikel 55 aanvaarden en vergunningen verlenen vóór 1 mei 2016. Die vergunningen worden verleend volgens de voorwaarden van dit aanhangsel en zijn niet geldig vóór 1 mei 2016.

Artikel 71

Herbeoordeling van op 1 mei 2016 reeds van kracht zijnde vergunningen

1.   Op basis van artikel 55, onder a), b), d) en e), van de overeenkomst zoals gewijzigd bij Besluit nr. 1/2008 verleende vergunningen die geldig zijn op 1 mei 2016 en waarvan de geldigheidsduur niet beperkt is, worden uiterlijk op 1 mei 2019 herbeoordeeld.

2.   Op basis van artikel 55, onder a), b), d) en e), van de overeenkomst zoals gewijzigd bij Besluit nr. 1/2008 verleende vergunningen die geldig zijn op 1 mei 2016, blijven geldig als volgt.

a)

in het geval van vergunningen met een beperkte geldigheidsduur: tot het verstrijken van die duur of tot 1 mei 2019, indien deze datum eerder valt;

b)

in het geval van alle andere vergunningen: totdat de vergunning wordt herbeoordeeld.

3.   Na de herbeoordeling wordt een beschikking gegeven waarbij de herbeoordeelde vergunning wordt ingetrokken en, in voorkomend geval, een nieuwe vergunning wordt verleend. De vergunninghouder wordt onmiddellijk in kennis gesteld van die beschikking.

4.   Niettegenstaande lid 1 blijven op basis van artikel 55, onder f), i) en ii), van de overeenkomst zoals gewijzigd bij Besluit nr. 1/2008 verleende vergunningen die geldig zijn op 1 mei 2016, na die datum geldig en hoeven zij niet te worden herbeoordeeld.

Artikel 72

Administratievoering door de douaneautoriteiten

1.   De douaneautoriteiten bewaren aanvragen en daarbij gevoegde stukken samen met een kopie van afgegeven vergunningen.

2.   Wanneer een aanvraag wordt afgewezen of een vergunning nietig verklaard, ingetrokken, gewijzigd of geschorst, worden de aanvraag en, naar gelang van het geval, de beschikking tot afwijzing van de aanvraag of tot nietigverklaring, intrekking, wijziging of schorsing van de vergunning en alle daarbij gevoegde stukken gedurende ten minste drie jaar bewaard vanaf het einde van het kalenderjaar waarin de aanvraag is afgewezen of de vergunning nietig verklaard, ingetrokken, gewijzigd of geschorst.

Artikel 73

Geldigheid van op 1 mei 2016 reeds in gebruik zijnde verzegelingen

Douaneverzegelingen zoals bedoeld in artikel 38 en verzegelingen van een bijzonder model zoals bedoeld in artikel 82 die voldoen aan bijlage A2 bij de overeenkomst zoals gewijzigd bij Besluit nr. 1/2008, mogen verder worden gebruikt totdat de voorraden zijn uitgeput of tot 1 mei 2019, indien deze datum eerder valt.

HOOFDSTUK II

Doorlopende zekerheid en ontheffing van zekerheidstelling

Artikel 74

Referentiebedrag

1.   Tenzij anders is bepaald in artikel 75, is het bedrag van de doorlopende zekerheid gelijk aan een referentiebedrag dat door het douanekantoor van zekerheidstelling is vastgesteld.

2.   Het referentiebedrag van de doorlopende zekerheid komt overeen met het bedrag van de schuld dat in verband met elk gemeenschappelijk douanevervoer waarvoor de zekerheid wordt gesteld, verschuldigd kan worden in de periode tussen het plaatsen van de goederen onder de regeling gemeenschappelijk douanevervoer en het tijdstip waarop deze regeling wordt aangezuiverd.

Voor deze berekening wordt rekening gehouden met de hoogste tarieven voor de schuld die van toepassing zijn op goederen van dezelfde soort in het land van het douanekantoor van zekerheidstelling, en in overeenstemming met de overeenkomst vervoerder Uniegoederen worden als niet-Uniegoederen beschouwd.

Wanneer het douanekantoor van zekerheidstelling niet beschikt over de gegevens die nodig zijn om het referentiebedrag vast te stellen, wordt dat bedrag op 10 000 EUR per douanevervoer vastgesteld.

3.   Het douanekantoor van zekerheidstelling stelt het referentiebedrag vast samen met de houder van de regeling. Bij de vaststelling van het referentiebedrag stelt het douanekantoor van zekerheidstelling dat bedrag vast op basis van de informatie over de goederen die in de voorgaande twaalf maanden onder de regeling gemeenschappelijk douanevervoer zijn geplaatst en een raming van de omvang van de voorgenomen handelingen, zoals met name blijkt uit de handelsdocumentatie en de boekhouding van de houder van de regeling.

4.   Het douanekantoor van zekerheidstelling onderzoekt het referentiebedrag op eigen initiatief of naar aanleiding van een verzoek van de houder van de regeling, en past dit bedrag zo nodig aan.

5.   Elke houder van de regeling zorgt ervoor dat het verschuldigde of mogelijk verschuldigde bedrag het referentiebedrag niet overschrijdt.

Die persoon stelt het douanekantoor van zekerheidstelling in kennis wanneer het referentiebedrag niet langer voldoende is om zijn handelingen te dekken.

6.   Het toezicht op het referentiebedrag dat het bedrag van de schuld dekt dat verschuldigd kan worden voor onder de regeling gemeenschappelijk douanevervoer geplaatste goederen, wordt door middel van het elektronische systeem zoals bedoeld in artikel 4, lid 1, voor elk gemeenschappelijk douanevervoer gewaarborgd op het tijdstip dat de goederen onder de regeling gemeenschappelijk douanevervoer worden geplaatst.

Artikel 75

Hoogte van de doorlopende zekerheid

1.   Aan de houder van de regeling kan vergunning worden verleend voor het stellen van een doorlopende zekerheid voor een verminderd bedrag dan wel voor ontheffing van zekerheidstelling.

2.   Het bedrag van de doorlopende zekerheid wordt verminderd tot:

a)

50 % van het overeenkomstig artikel 74 vastgestelde referentiebedrag, voor zover aan de volgende voorwaarden is voldaan:

i)

de aanvrager voert een boekhouding die in overeenstemming is met de algemeen aanvaarde boekhoudkundige beginselen van de overeenkomstsluitende partij waar de boekhouding wordt gevoerd, en die de douane in staat stelt bedrijfscontroles te verrichten en voorziet in een historische gegevensregistratie die een controlespoor vormt vanaf het moment van gegevensinvoer;

ii)

de aanvrager beschikt over een administratieve organisatie die in overeenstemming is met het soort en de omvang van de bedrijfsactiviteiten en geschikt is voor het beheer van de goederenstroom, en over een systeem van interne controles waarmee fouten kunnen worden voorkomen, opgespoord en rechtgezet en onrechtmatige of frauduleuze transacties kunnen worden voorkomen en opgespoord;

iii)

de aanvrager is niet verwikkeld in een faillissementsprocedure;

iv)

gedurende de afgelopen drie jaar voorafgaand aan de indiening van de aanvraag heeft de aanvrager voldaan aan zijn financiële verplichtingen met betrekking tot de betaling van schulden die op of in verband met de invoer of uitvoer van goederen worden geheven;

v)

de aanvrager toont aan de hand van de administratie en de gegevens die beschikbaar zijn voor de afgelopen drie jaar voorafgaand aan de indiening van de aanvraag, aan dat hij over voldoende financiële draagkracht beschikt om aan zijn verplichtingen te voldoen en zijn verbintenissen na te komen met betrekking tot het soort en de omvang van de bedrijfsactiviteiten, daaronder begrepen dat zijn nettoactiva niet negatief zijn, tenzij deze kunnen worden gedekt;

vi)

de aanvrager kan aantonen dat hij over voldoende financiële middelen beschikt om aan zijn verplichtingen te voldoen, voor het referentiebedrag dat niet door de zekerheid gedekt is.

b)

30 % van het overeenkomstig artikel 74 vastgestelde referentiebedrag, voor zover aan de volgende voorwaarden is voldaan:

i)

de aanvrager voert een boekhouding die in overeenstemming is met de algemeen aanvaarde boekhoudkundige beginselen van de overeenkomstsluitende partij waar de boekhouding wordt gevoerd, en die de douane in staat stelt bedrijfscontroles te verrichten en voorziet in een historische gegevensregistratie die een controlespoor vormt vanaf het moment van gegevensinvoer;

ii)

de aanvrager beschikt over een administratieve organisatie die in overeenstemming is met het soort en de omvang van de bedrijfsactiviteiten en geschikt is voor het beheer van de goederenstroom, en over een systeem van interne controles waarmee fouten kunnen worden voorkomen, opgespoord en rechtgezet en onrechtmatige of frauduleuze transacties kunnen worden voorkomen en opgespoord;

iii)

de aanvrager draagt er zorg voor dat relevante werknemers de opdracht hebben om de douaneautoriteiten kennis te geven van eventuele nalevingsproblemen en stelt procedures voor de kennisgeving van dergelijke problemen aan de douaneautoriteiten vast;

iv)

de aanvrager is niet verwikkeld in een faillissementsprocedure;

v)

gedurende de afgelopen drie jaar voorafgaand aan de indiening van de aanvraag heeft de aanvrager voldaan aan zijn financiële verplichtingen met betrekking tot de betaling van schulden die op of in verband met de invoer of uitvoer van goederen worden geheven;

vi)

de aanvrager toont aan de hand van de administratie en de gegevens die beschikbaar zijn voor de afgelopen drie jaar voorafgaand aan de indiening van de aanvraag, aan dat hij over voldoende financiële draagkracht beschikt om aan zijn verplichtingen te voldoen en zijn verbintenissen na te komen met betrekking tot het soort en de omvang van de bedrijfsactiviteiten, daaronder begrepen dat zijn nettoactiva niet negatief zijn, tenzij deze kunnen worden gedekt;

vii)

de aanvrager kan aantonen dat hij over voldoende financiële middelen beschikt om aan zijn verplichtingen te voldoen, voor het deel van het referentiebedrag dat niet door de zekerheid gedekt is;

c)

0 % van het overeenkomstig artikel 74 vastgestelde referentiebedrag, voor zover aan de volgende voorwaarden is voldaan:

i)

de aanvrager voert een boekhouding die in overeenstemming is met de algemeen aanvaarde boekhoudkundige beginselen van de overeenkomstsluitende partij waar de boekhouding wordt gevoerd, en die de douane in staat stelt bedrijfscontroles te verrichten en voorziet in een historische gegevensregistratie die een controlespoor vormt vanaf het moment van gegevensinvoer;

ii)

de aanvrager verleent de douane fysieke toegang tot zijn boekhoudsystemen en, in voorkomend geval, zijn handels- en vervoersadministratie;

iii)

de aanvrager beschikt over een logistiek systeem dat een onderscheid maakt tussen goederen die zich in het vrije verkeer in een overeenkomstsluitende partij bevinden, en goederen uit derde landen en, in voorkomend geval, aangeeft waar zij zich bevinden;

iv)

de aanvrager beschikt over een administratieve organisatie die in overeenstemming is met het soort en de omvang van de bedrijfsactiviteiten en geschikt is voor het beheer van de goederenstroom, en over een systeem van interne controles waarmee fouten kunnen worden voorkomen, opgespoord en rechtgezet en onrechtmatige of frauduleuze transacties kunnen worden voorkomen en opgespoord;

v)

de aanvrager beschikt, indien van toepassing, over toereikende procedures voor het omgaan met certificaten en vergunningen die hem zijn verleend in overeenstemming met handelspolitieke maatregelen of maatregelen in verband met de handel in landbouwproducten;

vi)

de aanvrager beschikt over toereikende procedures om zijn administratie en gegevens te archiveren en zich te beschermen tegen gegevensverlies;

vii)

de aanvrager draagt er zorg voor dat relevante werknemers de opdracht hebben om de douaneautoriteiten kennis te geven van eventuele nalevingsproblemen en stelt procedures voor de kennisgeving van dergelijke problemen aan de douaneautoriteiten vast;

viii)

de aanvrager beschikt over passende veiligheidsmaatregelen om het binnendringen van onbevoegden in zijn computersysteem te voorkomen en zijn documentatie te beschermen;

ix)

de aanvrager is niet verwikkeld in een faillissementsprocedure;

x)

gedurende de afgelopen drie jaar voorafgaand aan de indiening van de aanvraag heeft de aanvrager voldaan aan zijn financiële verplichtingen met betrekking tot de betaling van schulden die op of in verband met de invoer of uitvoer van goederen worden geheven;

xi)

de aanvrager toont aan de hand van de administratie en de gegevens die beschikbaar zijn voor de afgelopen drie jaar voorafgaand aan de indiening van de aanvraag, aan dat hij over voldoende financiële draagkracht beschikt om aan zijn verplichtingen te voldoen en zijn verbintenissen na te komen met betrekking tot het soort en de omvang van de bedrijfsactiviteiten, daaronder begrepen dat zijn nettoactiva niet negatief zijn, tenzij deze kunnen worden gedekt;

xii)

de aanvrager kan aantonen dat hij over voldoende financiële middelen beschikt om aan zijn verplichtingen te voldoen, voor het deel van het referentiebedrag dat niet door de zekerheid gedekt is.

Artikel 76

Wijze van doorlopende zekerheidstelling en ontheffing van zekerheidstelling

Het kantoor van zekerheidstelling deelt de houder van de regeling de volgende gegevens mee:

a)

een zekerheidsreferentienummer;

b)

een toegangscode die betrekking heeft op het zekerheidsreferentienummer.

Op verzoek van de persoon die de zekerheid heeft gesteld, wijst het douanekantoor van zekerheidstelling aan deze zekerheid één of meer aanvullende toegangscodes toe die door deze persoon of zijn vertegenwoordigers kunnen worden gebruikt.

Artikel 77

Tijdelijk verbod op doorlopende zekerheidstelling of doorlopende zekerheidstelling voor een verminderd bedrag, met inbegrip van ontheffing van zekerheidstelling

Er kan een tijdelijke verbod worden uitgevaardigd voor doorlopende zekerheidstelling en doorlopende zekerheidstelling voor een verminderd bedrag, met inbegrip van ontheffing van zekerheidstelling, in de volgende gevallen:

a)

in bijzondere omstandigheden;

b)

ten aanzien van goederen waarmee in het kader van de doorlopende zekerheid op grote schaal blijkt te zijn gefraudeerd.

In bijlage I is omschreven wat onder bijzondere omstandigheden en fraude op grote schaal moet worden verstaan en zijn de procedurele regels voor het tijdelijk verbod op doorlopende zekerheidstelling en doorlopende zekerheidstelling voor een verminderd bedrag, met inbegrip van ontheffing van zekerheidstelling, vastgesteld.

Artikel 78

Akte van borgtocht

1.   De doorlopende zekerheid wordt gesteld in de vorm van een verbintenis van een borg met gebruikmaking van het formulier in bijlage C4 bij aanhangsel III. Het bewijs van deze verbintenis wordt gedurende de geldigheidsduur van de zekerheid door het douanekantoor van zekerheidstelling bewaard.

2.   Artikel 20, lid 2, en artikel 22 zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 79

Certificaat van doorlopende zekerheidstelling en certificaat van ontheffing van zekerheidstelling

1.   Op basis van de vergunning geeft het douanekantoor van zekerheidstelling de houder van de regeling een of meer certificaten van doorlopende zekerheidstelling af, die zijn opgesteld met gebruikmaking van het formulier in bijlage C5 van aanhangsel III, of een of meer certificaten van ontheffing van zekerheidstelling, die zijn opgesteld met gebruikmaking van het formulier in bijlage C6 van aanhangsel III, aan de hand waarvan de houder van de regeling kan aantonen dat een doorlopende zekerheid werd gesteld of dat ontheffing van zekerheidstelling werd verleend in het kader van artikel 26, lid 1, onder b).

2.   De geldigheidsduur van een certificaat bedraagt ten hoogste twee jaar. Het douanekantoor van zekerheidstelling kan de geldigheidsduur echter eenmaal met een nieuwe termijn van ten hoogste twee jaar verlengen.

Artikel 80

Intrekking en opzegging met betrekking tot de vergunning voor doorlopende zekerheidstelling of met betrekking tot de verbintenis van de borg

1.   Artikel 23, leden 1 en 2, is van overeenkomstige toepassing op de intrekking en opzegging met betrekking tot de vergunning voor doorlopende zekerheidstelling of met betrekking tot de verbintenis van de borg.

2.   De intrekking van een vergunning voor doorlopende zekerheidstelling of ontheffing van zekerheidstelling door de douaneautoriteiten, en de datum waarop de intrekking van de aanvaarding van de verbintenis van een borg door het douanekantoor van zekerheidstelling van kracht wordt, of de datum waarop de opzegging van een verbintenis door de borg van kracht wordt, worden door het douanekantoor van zekerheidstelling in het in artikel 9 bedoelde systeem ingevoerd.

3.   Vanaf de datum waarop de in lid 1 bedoelde intrekking of opzegging van kracht wordt, kan geen gebruik meer worden gemaakt van voor de toepassing van artikel 26, lid 1, onder b), afgegeven certificaten voor doorlopende zekerheidstelling of ontheffing van zekerheidstelling om goederen onder de regeling gemeenschappelijk douanevervoer te plaatsen, en moeten deze certificaten onmiddellijk door de houder van de regeling bij het douanekantoor van zekerheidstelling worden ingeleverd.

Elk land deelt de Commissie de gegevens mee ter identificatie van de nog geldige certificaten die niet zijn ingeleverd of die als gestolen, verloren of vervalst zijn aangemeld. De Commissie stelt de andere landen hiervan in kennis.

HOOFDSTUK III

Gebruik van verzegelingen van een bijzonder model

Artikel 81

Vergunning voor het gebruik van een verzegeling van een bijzonder model

1.   Overeenkomstig artikel 55, onder b), wordt vergunning verleend voor het gebruik van een verzegeling van een bijzonder model voor vervoermiddelen, containers of verpakkingsmiddelen in het kader van de regeling gemeenschappelijk douanevervoer, wanneer de douaneautoriteiten de in de aanvraag voor de vergunning beschreven verzegeling hebben goedgekeurd.

2.   De douaneautoriteit aanvaardt in het kader van de vergunning de door de douaneautoriteiten van een ander land goedgekeurde verzegeling van een bijzonder model, tenzij zij over informatie beschikt dat de verzegeling in kwestie niet geschikt is voor douanedoeleinden.

Artikel 82

Formaliteiten voor het gebruik van een verzegeling van een bijzonder model

1.   Verzegelingen van een bijzonder model moeten voldoen aan de vereisten in artikel 38, lid 1.

Wanneer de verzegelingen door een bevoegde instantie zijn gecertificeerd overeenkomstig ISO-norm 17712:2013 „Vrachtcontainers — Mechanische afdichtingen”, worden deze verzegelingen geacht aan deze vereisten te voldoen.

Bij containervervoer wordt zoveel mogelijk gebruikt gemaakt van verzegelingen met hoge veiligheidskenmerken.

2.   De verzegeling van een bijzonder model is voorzien van een van de volgende vermeldingen:

a)

de naam van de persoon die in overeenstemming met artikel 55, onder b), gemachtigd is voor het gebruik ervan;

b)

een overeenkomstige afkorting of code op basis waarvan de douaneautoriteit van het land van vertrek de betrokkene kan identificeren.

3.   De houder van de regeling vermeldt het aantal en de individuele kenmerken van de verzegelingen van een bijzonder model op de aangifte voor douanevervoer en brengt de verzegelingen uiterlijk bij de vrijgave van de goederen voor de regeling gemeenschappelijk douanevervoer aan.

4.   Verzegelingen van een bijzonder model die voldoen aan bijlage II bij dit aanhangsel zoals gewijzigd bij Besluit nr. 1/2008, mogen verder worden gebruikt totdat de voorraden zijn uitgeput of tot 1 mei 2019, indien deze datum eerder valt.

Artikel 83

Douanetoezicht voor het gebruik van een verzegeling van een bijzonder model

De douaneautoriteit:

a)

informeert de Commissie en de douaneautoriteiten van de andere overeenkomstsluitende partijen over de verzegelingen van een bijzonder model voor het gebruik waarvan zij toestemming heeft gegeven en over verzegelingen van een bijzonder model die zij vanwege onregelmatigheden of technische gebreken besloten heeft niet goed te keuren;

b)

beoordeelt de verzegelingen van een bijzonder model voor het gebruik waarvan zij toestemming heeft gegeven opnieuw, als zij verneemt dat een andere autoriteit besloten heeft een specifieke verzegeling van een bijzonder model niet goed te keuren;

c)

neemt deel aan een onderling overleg met als doel om tot een gemeenschappelijk oordeel te komen;

d)

houdt toezicht op het gebruik van verzegelingen van een bijzonder model door personen die in overeenstemming met artikel 81 daartoe gemachtigd zijn.

Indien noodzakelijk kunnen de overeenkomstsluitende partijen in onderlinge overeenstemming een gemeenschappelijk nummeringssysteem vastleggen en het gebruik van gemeenschappelijke veiligheidskenmerken en technologie definiëren.

HOOFDSTUK IV

Status van toegelaten afzender

Artikel 84

Vergunningen voor de status van toegelaten afzender voor het plaatsen van goederen onder de regeling gemeenschappelijk douanevervoer

De status van toegelaten afzender zoals bedoeld in artikel 55, onder c), wordt slechts verleend aan aanvragers die een doorlopende zekerheid mogen stellen of ontheffing van zekerheidstelling hebben gekregen zoals bedoeld in artikel 55, onder a).

Artikel 85

Inhoud van de vergunning voor de status van toegelaten afzender

In de vergunning wordt met name vermeld:

a)

welk(e) douanekanto(o)r(en) van vertrek bevoegd is (zijn) voor het te verrichten gemeenschappelijk douanevervoer;

b)

over welke termijn de douaneautoriteiten beschikken nadat de toegelaten afzender zijn aangifte voor douanevervoer heeft ingediend om de goederen zo nodig vóór de vrijgave ervan te controleren;

c)

welke identificatiemaatregelen moeten worden genomen. Te dien einde kunnen de douaneautoriteiten voorschrijven dat de vervoermiddelen of de colli worden voorzien van verzegelingen van een bijzonder model die door de douaneautoriteiten zijn goedgekeurd als conform de in artikel 82 omschreven kenmerken en door de toegelaten afzender worden aangebracht;

d)

welk soort goederen of vervoer is verboden;

e)

de operationele en controlemaatregelen waaraan de toegelaten afzender moet voldoen; indien van toepassing, eventuele specifieke voorwaarden met betrekking tot douanevervoerwerkzaamheden die door het (de) douanekanto(o)r(en) van vertrek buiten normale werktijd worden verricht.

Artikel 86

Plaatsing van goederen onder de regeling gemeenschappelijk douanevervoer door een toegelaten afzender

1.   Wanneer een toegelaten afzender goederen onder de regeling gemeenschappelijk douanevervoer wil plaatsen, dient hij een aangifte voor douanevervoer bij het douanekantoor van vertrek in. De toegelaten afzender kan pas beginnen met het gemeenschappelijk douanevervoer na het verstrijken van de termijn die in artikel 55, onder c), bedoelde vergunning is vastgesteld.

2.   De toegelaten afzender vermeldt de volgende gegevens in het elektronische douanevervoersysteem:

a)

de route, wanneer in overeenstemming met artikel 33, lid 2, een route is voorgeschreven;

b)

de overeenkomstig artikel 34 vastgestelde termijn waarbinnen de goederen bij het douanekantoor van bestemming moeten worden aangebracht;

c)

het aantal en de individuele kenmerken van de verzegelingen, indien van toepassing.

3.   De toegelaten drukt een begeleidingsdocument voor douanevervoer pas af nadat hij de kennisgeving van de vrijgave van de goederen voor de regeling gemeenschappelijk douanevervoer van het douanekantoor van vertrek heeft ontvangen.

HOOFDSTUK V

Status van toegelaten geadresseerde

Artikel 87

Vergunningen voor de status van toegelaten geadresseerde voor het ontvangen van goederen die zijn vervoerd onder de regeling gemeenschappelijk douanevervoer

De status van toegelaten geadresseerde zoals bedoeld in artikel 55, onder d), wordt slechts verleend aan aanvragers die verklaren dat zij regelmatig goederen zullen ontvangen die onder een regeling gemeenschappelijk douanevervoer zijn geplaatst.

Artikel 88

Formaliteiten voor door een toegelaten geadresseerde ontvangen goederen die worden vervoerd in het kader van de regeling gemeenschappelijk douanevervoer

1.   Wanneer de goederen aankomen op een in de vergunning aangewezen plaats zoals bedoeld in artikel 55, onder d), moet de toegelaten geadresseerde:

a)

het douanekantoor van bestemming onmiddellijk informeren over de aankomst van de goederen en over eventuele onregelmatigheden of voorvallen die zich tijdens het vervoer hebben voorgedaan;

b)

wachten met lossing totdat hij toestemming daartoe van het douanekantoor van bestemming heeft ontvangen;

c)

na het lossen de resultaten van het onderzoek van de goederen en alle andere relevante informatie met betrekking tot het lossen onmiddellijk in zijn administratie vermelden;

d)

het douanekantoor van bestemming informeren over de resultaten van het onderzoek van de goederen en eventuele onregelmatigheden, uiterlijk op de derde dag volgende op de dag waarop hij toestemming heeft gekregen voor het lossen van de goederen.

2.   Wanneer het douanekantoor van bestemming een kennisgeving van aankomst van de goederen in de bedrijfsruimten van de toegelaten geadresseerde heeft ontvangen, deelt het de aankomst van de goederen aan het douanekantoor van vertrek mee.

3.   Wanneer het douanekantoor van bestemming de resultaten van het onderzoek van de goederen zoals bedoeld in lid 1, onder d), heeft ontvangen, zendt het de controleresultaten naar het douanekantoor van vertrek, uiterlijk op de zesde dag volgende op de dag waarop de goederen bij de toegelaten geadresseerde zijn afgeleverd.

Artikel 89

Inhoud van de vergunning

1.   In de vergunning wordt met name vermeld:

a)

welk(e) douanekanto(o)r(en) of van bestemming bevoegd is (zijn) voor de goederen die de toegelaten geadresseerde ontvangt;

b)

binnen welke termijn de toegelaten geadresseerde de toestemming voor het lossen van de goederen van het douanekantoor van bestemming moet ontvangen;

c)

welk soort goederen of vervoer is uitgesloten;

d)

de operationele en controlemaatregelen waaraan de toegelaten geadresseerde moet voldoen; indien van toepassing, eventuele specifieke voorwaarden met betrekking tot douanevervoerwerkzaamheden die door het (de) douanekanto(o)r(en) van bestemming buiten normale werktijd worden verricht.

2.   De douaneautoriteiten vermelden in de vergunning of de toegelaten geadresseerde zonder tussenkomst van het douanekantoor van bestemming over de goederen mag beschikken zodra deze aankomen.

Artikel 90

Het beëindigen van de regeling gemeenschappelijk douanevervoer voor goederen die door een toegelaten geadresseerde zijn ontvangen

1.   De houder van de regeling wordt geacht aan zijn verplichtingen te hebben voldaan en de regeling gemeenschappelijk douanevervoer wordt geacht in overeenstemming met artikel 48, lid 1, te zijn beëindigd wanneer de goederen binnen de overeenkomstig artikel 34 vastgestelde termijn ongeschonden bij de toegelaten geadresseerde op de in de vergunning aangewezen plaats zijn aangebracht zoals bepaald in artikel 55, onder d).

2.   Op verzoek van de vervoerder geeft de toegelaten geadresseerde een ontvangstbewijs af waaruit blijkt dat de goederen zijn aangekomen op een in de vergunning aangewezen plaats zoals bedoeld in artikel 55, onder d) van dit aanhangsel, en waarin wordt verwezen naar het MRN van het gemeenschappelijk douanevervoer. Het ontvangstbewijs wordt verstrekt met gebruikmaking van het formulier in bijlage B10 bij aanhangsel III.

HOOFDSTUK VI

Papieren regeling voor gemeenschappelijk douanevervoer per spoor

Afdeling 1:

Algemene bepalingen betreffende het gebruik van de papieren regeling gemeenschappelijk douanevervoer per spoor

Artikel 91

CIM-vrachtbrief als aangifte voor douanevervoer voor de papieren regeling gemeenschappelijk douanevervoer per spoor

De CIM-vrachtbrief geldt als aangifte voor douanevervoer voor de papieren regeling gemeenschappelijk douanevervoer per spoor op voorwaarde dat hij wordt gebruikt voor vervoer dat door toegelaten spoorwegondernemingen in onderlinge samenwerking wordt verricht.

Artikel 92

Boekhoudafdeling van toegelaten spoorwegondernemingen en douanecontrole

1.   De toegelaten spoorwegondernemingen houden de administratie bij in hun boekhoudafdeling en gebruiken het gezamenlijk overeengekomen systeem dat in deze afdelingen ten uitvoer is gelegd, om onregelmatigheden te onderzoeken.

2.   De douaneautoriteit van het land waar de toegelaten spoorwegonderneming gevestigd is, heeft toegang tot de gegevens in de boekhoudafdeling van die onderneming.

3.   Met het oog op de douanecontrole houdt de toegelaten spoorwegonderneming, in het land van bestemming, alle CIM-vrachtbrieven die zijn gebruikt als aangifte voor douanevervoer voor het gebruik van de papieren regeling gemeenschappelijk douanevervoer per spoor, ter beschikking van de douaneautoriteit in het land van bestemming, op de wijze die in onderling overleg met deze autoriteit is vastgesteld.

Artikel 93

Houder van de papieren regeling gemeenschappelijk douanevervoer per spoor en op hem rustende verplichtingen

1.   De houder van de papieren regeling gemeenschappelijk douanevervoer per spoor is:

a)

een toegelaten spoorwegonderneming die in een land is gevestigd, goederen aanneemt voor vervoer onder geleide van een CIM-vrachtbrief die fungeert als aangifte voor douanevervoer voor het gebruik van de papieren regeling gemeenschappelijk douanevervoer per spoor, en vak 58b van de CIM-vrachtbrief invult door het vak „ja” aan te kruisen en haar UIC-code te vermelden;

b)

wanneer de vervoersbeweging buiten het douanegebied van de overeenkomstsluitende partijen begint en de goederen dat douanegebied binnenkomen, elke andere toegelaten spoorwegonderneming die in een land is gevestigd en namens welke vak 58b door een spoorwegonderneming van een derde land wordt ingevuld.

2.   De houder van deze regeling neemt impliciet de verantwoordelijkheid op zich dat de opvolgende vervoerders en ondervervoerders (spoorwegondernemingen) die bij het gebruik van de papieren regeling gemeenschappelijk douanevervoer betrokken zijn, ook voldoen aan de vereisten van de papieren regeling gemeenschappelijk douanevervoer per spoor.

Artikel 94

Verplichtingen van de toegelaten spoorwegondernemingen

1.   De goederen worden achtereenvolgens overgenomen en vervoerd door verschillende toegelaten spoorwegondernemingen op het nationale net en de betrokken toegelaten spoorwegondernemingen verklaren zich ten overstaan van de douaneautoriteit hoofdelijk aansprakelijk voor iedere potentiële schuld.

2.   Niettegenstaande de verplichtingen van de houder van de regeling zoals bedoeld in artikel 8 moeten andere toegelaten spoorwegondernemingen die de goederen tijdens het vervoer overnemen en die in vak 57 van de CIM-vrachtbrief vermeld zijn, er ook op toezien dat correct gebruik wordt gemaakt van de papieren regeling gemeenschappelijk douanevervoer per spoor.

3.   De samenwerkende toegelaten spoorwegondernemingen maken gebruik van een gezamenlijk overeengekomen systeem om onregelmatigheden bij het vervoer te controleren en te onderzoeken en zij zijn verantwoordelijk voor:

a)

de afzonderlijke afrekening van de vervoerskosten op basis van gegevens die voor elke vervoersbeweging onder de papieren regeling gemeenschappelijk douanevervoer per spoor en voor elke maand ter beschikking moeten worden gehouden van de onafhankelijke toegelaten spoorwegonderneming in elk land;

b)

de opsplitsing van de vervoerskosten per land wiens grondgebied de goederen zijn binnengekomen tijdens het gebruik van de papieren regeling gemeenschappelijk douanevervoer per spoor;

c)

de betaling van het aandeel in de kosten die door elk van de samenwerkende toegelaten spoorwegondernemingen worden gedragen.

Artikel 95

Etiketten

De toegelaten spoorwegondernemingen dragen er zorg voor dat op de goederen die onder de papieren regeling gemeenschappelijk douanevervoer per spoor worden vervoerd, etiketten worden aangebracht die zijn voorzien van een pictogram waarvan een model is opgenomen in bijlage B11 bij aanhangsel III.

De etiketten worden aangebracht of rechtstreeks gedrukt op de CIM-vrachtbrief en op de desbetreffende wagon indien het een wagonlading betreft dan wel op het collo of de colli in andere gevallen.

Het in de eerste alinea bedoelde etiket kan worden vervangen door een stempel dat het in bijlage B11 van aanhangsel III opgenomen pictogram weergeeft.

Artikel 96

Wijziging van de vervoersovereenkomst

In geval van wijziging van de vervoersovereenkomst teneinde:

a)

een vervoersbeweging binnen in plaats van buiten het douanegebied van een overeenkomstsluitende partij te beëindigen, of

b)

een vervoersbeweging buiten in plaats van binnen het douanegebied van een overeenkomstsluitende partij te beëindigen,

mogen de toegelaten spoorwegondernemingen de gewijzigde overeenkomst slechts met voorafgaande toestemming van het douanekantoor van vertrek uitvoeren.

In alle andere gevallen mogen de toegelaten spoorwegondernemingen de gewijzigde overeenkomst uitvoeren. Zij stellen het douanekantoor van vertrek onverwijld van de wijziging in kennis.

Afdeling 2:

Vervoer van goederen tussen overeenkomstsluitende partijen

Artikel 97

Gebruik van de CIM-vrachtbrief

1.   De CIM-vrachtbrief wordt voorgelegd aan het douanekantoor van vertrek wanneer goederen onder de papieren regeling gemeenschappelijk douanevervoer per spoor worden vervoerd en de vervoersbeweging begint en moet eindigen binnen het grondgebied van de overeenkomstsluitende partijen.

2.   Het douanekantoor van vertrek brengt in het voor de douane bestemde vak van de bladen 1, 2 en 3 van de CIM-vrachtbrief op duidelijk zichtbare wijze het volgende teken aan:

a)

„T1”, indien de goederen onder de T1-regeling worden vervoerd;

b)

„T2” of „T2F”, naargelang van het geval, indien de goederen met toepassing van de T2-regeling worden vervoerd in die gevallen waarin het volgens de Uniewetgeving verplicht is deze aantekening aan te brengen.

De tekens „T2” en „T2F” worden gewaarmerkt door het stempel van het douanekantoor van vertrek.

3.   Behalve in de in de lid 2 bedoelde gevallen worden goederen die over het grondgebied van een of meer landen die deelnemen aan het gemeenschappelijk douanevervoer, van de ene naar de andere plaats in de Unie worden vervoerd, alsmede goederen die vanaf een plaats in de Unie naar een land dat deelneemt aan het gemeenschappelijk douanevervoer, worden vervoerd, op de door elke lidstaat van de Unie vast te stellen wijze, voor het gehele traject vanaf het station van vertrek tot het station van bestemming, onder de T2-regeling geplaatst zonder dat de voor deze goederen opgestelde CIM-vrachtbrief bij het douanekantoor van vertrek hoeft te worden voorgelegd.

Wanneer goederen over het grondgebied van een of meer landen die deelnemen aan het gemeenschappelijk douanevervoer, van de ene naar de andere plaats in de Unie worden vervoerd, hoeven de in artikel 95 bedoelde etiketten niet te worden aangebracht.

4.   Goederen waarvan het vervoer begint in een land dat deelneemt aan het gemeenschappelijk douanevervoer, worden geacht met toepassing van de T1-regeling te worden vervoerd. Worden de goederen evenwel, overeenkomstig artikel 2, lid 3, onder b), van de overeenkomst, met toepassing van de T2-regeling vervoerd, dan vermeldt het douanekantoor van vertrek dit op blad 3 van de bijbehorende CIM-vrachtbrief. Te dien einde worden het teken „T2” of „T2F”, naargelang van het geval, het stempel van het douanekantoor van vertrek en de handtekening van de bevoegde ambtenaar op duidelijke wijze in het voor de douane bestemde vak aangebracht. Wanneer goederen met toepassing van de T1-regeling worden vervoerd, hoeft het teken „T1” niet op het document te worden aangebracht.

5.   Alle bladen van de CIM-vrachtbrief worden aan de betrokkene teruggegeven.

6.   Elk land dat deelneemt aan het gemeenschappelijk douanevervoer, kan bepalen dat goederen die zich onder de T1-regeling bevinden, met toepassing van die regeling mogen worden vervoerd zonder dat de CIM-vrachtbrief aan het douanekantoor van vertrek moet worden voorgelegd.

7.   Voor de in de leden 2, 3 en 5 bedoelde goederen treedt het douanekantoor dat bevoegd is voor het station van bestemming, op als douanekantoor van bestemming. Wanneer de goederen echter op een tussenstation in het vrije verkeer worden gebracht of onder een andere regeling worden geplaatst, treedt het voor dit station bevoegde douanekantoor op als douanekantoor van bestemming.

Artikel 98

Identificatiemaatregelen

De vervoermiddelen of de afzonderlijke colli die de goederen bevatten, worden in de regel, rekening houdende met de door de toegelaten spoorwegondernemingen toegepaste identificatiemaatregelen, niet verzegeld door het douanekantoor van vertrek, tenzij dit kantoor anders besluit.

Artikel 99

Formaliteiten bij het douanekantoor van doorgang

Wanneer de papieren regeling gemeenschappelijk douanevervoer per spoor van toepassing is, hoeven geen formaliteiten te worden vervuld bij het douanekantoor van doorgang.

Artikel 100

Formaliteiten bij het douanekantoor van bestemming

1.   Wanneer de onder de papieren regeling gemeenschappelijk douanevervoer geplaatste goederen bij het douanekantoor van bestemming aankomen, moet de toegelaten spoorwegonderneming bij dat douanekantoor:

a)

de goederen aanbrengen;

b)

de bladen 2 en 3 van de CIM-vrachtbrief voorleggen.

Het douanekantoor van bestemming geeft het door hem afgestempelde blad 2 van de CIM-vrachtbrief terug aan de toegelaten spoorwegonderneming en behoudt blad 3 van de CIM-vrachtbrief.

2.   Het douanekantoor dat bevoegd is voor het station van bestemming, treedt op als douanekantoor van bestemming.

Wanneer de goederen echter op een tussenstation in het vrije verkeer worden gebracht of onder een andere douaneregeling worden geplaatst, treedt het voor dit station bevoegde douanekantoor op als douanekantoor van bestemming.

3.   In een in artikel 97, lid 3, bedoeld geval hoeven geen formaliteiten te worden vervuld bij het douanekantoor van bestemming.

Afdeling 3:

vervoer van goederen naar en vanuit derde landen

Artikel 101

Vervoer van goederen naar derde landen

1.   Wanneer een vervoersbeweging binnen het grondgebied van een overeenkomstsluitende partij begint en in een derde land moet eindigen, zijn de artikelen 97 en 98 van toepassing.

2.   Het douanekantoor dat bevoegd is voor het grensstation waarlangs de onder de papieren regeling gemeenschappelijk douanevervoer per spoor geplaatste goederen het grondgebied van een overeenkomstsluitende partij verlaten, treedt op als douanekantoor van bestemming.

3.   Bij dat douanekantoor hoeven geen formaliteiten te worden vervuld.

Artikel 102

Vervoer van goederen vanuit derde landen

1.   Het douanekantoor dat bevoegd is voor het grensstation waarlangs onder de papieren regeling gemeenschappelijk douanevervoer per spoor geplaatste goederen het grondgebied van een overeenkomstsluitende partij binnenkomen, treedt op als douanekantoor van vertrek voor vervoer dat in een derde land begint en binnen het grondgebied van een overeenkomstsluitende partij moet eindigen.

Bij dat douanekantoor hoeven geen formaliteiten te worden vervuld.

2.   Het douanekantoor dat bevoegd is voor het station van bestemming, treedt op als douanekantoor van bestemming. Wanneer goederen echter op een tussenstation in het vrije verkeer worden gebracht of onder een andere douaneregeling worden geplaatst, treedt het voor dit station bevoegde douanekantoor op als douanekantoor van bestemming.

De in artikel 100 voorgeschreven formaliteiten worden bij dat kantoor vervuld.

Artikel 103

Vervoer van goederen over het grondgebied van de overeenkomstsluitende partijen

1.   Wanneer een vervoersbeweging in een derde land begint en moet eindigen, treden de in artikel 101, lid 2, en artikel 102, lid 1, bedoelde kantoren op als respectievelijk douanekantoor van vertrek en douanekantoor van bestemming.

2.   Bij het douanekantoor van vertrek en bij het douanekantoor van bestemming hoeven geen formaliteiten te worden vervuld.

Artikel 104

Douanestatus van goederen

Het vervoer van goederen overeenkomstig artikel 102, lid 1, of artikel 103, lid 1, wordt geacht met toepassing van de T1-regeling plaats te vinden, tenzij de douanestatus van Uniegoederen is vastgesteld overeenkomstig aanhangsel II.

Afdeling 4:

Overige bepalingen

Artikel 105

Ladinglijsten

1.   Wanneer op een CIM-vrachtbrief meer dan één wagon of container is vermeld, mag gebruik worden gemaakt van ladinglijsten, opgesteld overeenkomstig het formulier in bijlage B4 bij aanhangsel III.

Op de ladinglijst wordt het nummer vermeld van de wagon waarop de CIM-vrachtbrief betrekking heeft of, in voorkomend geval, het nummer van de container waarin de goederen zich bevinden.

2.   Bij vervoersbewegingen die binnen het grondgebied van de overeenkomstsluitende partijen beginnen en waarbij zowel onder de T1-regeling als onder de T2-regeling geplaatste goederen worden vervoerd, worden afzonderlijke ladinglijsten opgesteld.

De volgnummers van de ladinglijsten die betrekking hebben op elk van de twee soorten goederen, worden vermeld in het voor de omschrijving van de goederen bestemde vak van de CIM-vrachtbrief.

3.   De ladinglijsten bij de CIM-vrachtbrief maken integrerend deel uit van de vrachtbrief en hebben dezelfde rechtsgevolgen.

4.   Het origineel van de ladinglijsten wordt gewaarmerkt met het stempel van het station van verzending.

Artikel 106

Toepassingsgebied van de normale procedures en de papieren procedures voor gecombineerd weg-/spoorvervoer

1.   Bij gecombineerd weg-/spoorvervoer staan de artikelen 91 tot en met 105 niet in de weg aan de toepassing van de in titel II vastgestelde procedures, met dien verstande dat de artikelen 92 en 95 niettemin van toepassing zijn.

2.   In de in lid 1 bedoelde gevallen wordt bij de opstelling van de CIM-vrachtbrief in het voor de vermelding van de bijlagen bestemde vak op duidelijke wijze verwezen naar de gebruikte aangifte(n) voor douanevervoer.

Deze verwijzing dient een vermelding te bevatten van het soort aangifte voor douanevervoer, het douanekantoor van vertrek, de datum en het registratienummer van elke gebruikte aangifte voor douanevervoer.

Bovendien moet blad 2 van de CIM-vrachtbrief worden gewaarmerkt door de spoorwegonderneming die bevoegd is voor het laatste bij het gemeenschappelijk douanevervoer betrokken spoorwegstation. Deze spoorwegonderneming waarmerkt de CIM-vrachtbrief nadat zij zich ervan heeft vergewist dat de goederen worden vervoerd onder dekken van de aangifte(n) voor douanevervoer waarnaar wordt verwezen.

3.   Wanneer goederen voor gecombineerd weg-/spoorvervoer onder dekking van een of meer aangiften voor douanevervoer volgens de in titel II omschreven procedure door een spoorwegonderneming in een treinstation worden aanvaard en in wagons worden geladen, neemt die spoorwegonderneming de aansprakelijkheid op zich voor de betaling van schulden in geval van overtredingen of onregelmatigheden tijdens het spoorwegtraject, indien er geen geldige zekerheid is gesteld in het land waar de overtreding of onregelmatigheid is begaan of wordt geacht te zijn begaan en voor zover het niet mogelijk is deze bedragen bij de houder van de regeling in te vorderen.

Artikel 107

Toegelaten afzender en toegelaten geadresseerde

1.   Wanneer de als aangifte voor douanevervoer fungerende CIM-vrachtbrief niet hoeft te worden voorgelegd aan en de goederen niet hoeven te worden aangebracht bij het douanekantoor van vertrek in het geval van goederen die door een toegelaten afzender zoals bedoeld in artikel 55, onder c), onder de papieren regeling gemeenschappelijk douanevervoer per spoor worden geplaatst, neemt het douanekantoor van vertrek de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat op de bladen 1, 2 en 3 van de CIM-vrachtbrief het teken „T1”, „T2” of „T2F” is aangebracht, naargelang het geval.

2.   Wanneer goederen aankomen op de plaats van een toegelaten geadresseerde zoals bedoeld in artikel 55, onder d), kunnen de douaneautoriteiten bepalen dat de bladen 2 en 3 van de CIM-vrachtbrief, in afwijking van artikel 88, rechtstreeks door de spoorwegonderneming of de vervoersonderneming aan het douanekantoor van bestemming worden afgeleverd.

HOOFDSTUK VII

Papieren regeling gemeenschappelijk douanevervoer door de lucht en regeling gemeenschappelijk douanevervoer door de lucht op basis van een elektronisch manifest

Artikel 108

Manifest als aangifte voor douanevervoer voor het gebruik van de papieren regeling gemeenschappelijk douanevervoer door de lucht

1.   Aan een luchtvaartmaatschappij kan vergunning worden verleend om het goederenmanifest als aangifte voor douanevervoer te gebruiken, mits de inhoud ervan overeenstemt met het formulier dat is opgenomen in aanhangsel 3 van bijlage 9 bij het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart, gedaan te Chicago op 7 december 1944.

2.   In de in artikel 55, onder e), bedoelde vergunning voor de papieren regeling gemeenschappelijk douanevervoer door de lucht worden de vorm van het manifest en de luchthavens van vertrek en van bestemming voor vervoersbewegingen onder de regeling gemeenschappelijk douanevervoer vermeld. De luchtvaartmaatschappij waaraan overeenkomstig artikel 55, onder e), voor die regeling vergunning is verleend, doet de bevoegde douaneautoriteiten van elke betrokken luchthaven een gewaarmerkt afschrift van die vergunning toekomen.

3.   Wanneer een vervoersbeweging betrekking heeft op zowel goederen die onder de T1-regeling worden vervoerd als goederen die onder de T2-regeling worden vervoerd tussen een gebied met een bijzonder fiscaal regime en een ander deel van het douanegebied van de Unie dat geen gebied met een bijzonder fiscaal regime is, worden deze goederen op afzonderlijke manifesten vermeld.

Artikel 109

Door de luchtvaartmaatschappij te verrichten formaliteiten

1.   De luchtvaartmaatschappij vermeldt de volgende gegevens op een manifest:

a)

„T1”, indien de goederen onder de T1-regeling worden vervoerd,

b)

„T2” of „T2F”, naargelang van het geval, indien de goederen met toepassing van de T2-regeling worden vervoerd in die gevallen waarin het volgens de Uniewetgeving verplicht is deze aantekening aan te brengen,

c)

de naam van de luchtvaartmaatschappij die de goederen vervoert,

d)

het vluchtnummer,

e)

de datum van de vlucht,

f)

de luchthaven van vertrek en de luchthaven van bestemming.

2.   Naast de in lid 1 gevraagde gegevens vermeldt de luchtvaartmaatschappij voor elke zending de volgende gegevens op het manifest:

a)

het nummer van de luchtvrachtbrief,

b)

het aantal colli,

c)

de handelsomschrijving van de goederen, inclusief alle gegevens om deze te kunnen identificeren,

d)

de brutomassa.

3.   Bij groepagevervoer wordt de omschrijving in voorkomend geval vervangen door de vermelding „consolidation”, eventueel in afgekorte vorm. In dat geval moet de handelsomschrijving van de goederen, inclusief alle gegevens om deze te kunnen identificeren, voorkomen op de luchtvrachtbrieven die op de in het manifest vermelde zendingen betrekking hebben. Deze luchtvrachtbrieven worden aan het manifest gehecht.

4.   De luchtvaartmaatschappij dateert en ondertekent het manifest.

5.   Het manifest wordt ten minste in tweevoud aan de bevoegde douaneautoriteiten van de luchthaven van vertrek voorgelegd, die één exemplaar bijhouden.

6.   Een exemplaar van het manifest wordt aan de bevoegde douaneautoriteiten van de luchthaven van bestemming voorgelegd.

Artikel 110

Verificatie van een lijst van manifesten die zijn gebruikt als een papieren aangifte voor douanevervoer door de lucht

1.   Eenmaal per maand waarmerken de bevoegde douaneautoriteiten van elke luchthaven van bestemming een lijst van door de luchtvaartmaatschappijen opgestelde manifesten die hun in de loop van de vorige maand zijn voorgelegd, en doen zij deze toekomen aan de douaneautoriteiten van elke luchthaven van vertrek.

2.   Deze lijst bevat voor elk manifest de volgende gegevens:

a)

het nummer van het manifest,

b)

het teken dat aangeeft dat het manifest overeenkomstig artikel 109, lid 1, onder a) en b), als aangifte voor douanevervoer wordt gebruikt,

c)

de naam van de luchtvaartmaatschappij die de goederen heeft vervoerd,

d)

het vluchtnummer, en

e)

de datum van de vlucht.

3.   In de in artikel 55, onder e), bedoelde vergunning voor de papieren regeling gemeenschappelijk douanevervoer door de lucht kan ook worden bepaald dat de luchtvaartmaatschappijen zelf de in lid 1 van dit artikel bedoelde lijst doen toekomen aan de bevoegde douaneautoriteiten van elke luchthaven van vertrek.

4.   Wanneer onregelmatigheden worden vastgesteld in verband met de gegevens op de in de lijst opgenomen manifesten, delen de bevoegde douaneautoriteiten van de luchthaven van bestemming dit mee aan de bevoegde douaneautoriteiten van de luchthaven van vertrek en aan de bevoegde douaneautoriteit die de vergunning heeft afgegeven, waarbij zij met name verwijzen naar de luchtvrachtbrieven betreffende de goederen die tot de vaststelling van de onregelmatigheden aanleiding hebben gegeven.

Artikel 111

Elektronisch manifest als aangifte voor douanevervoer voor het gebruik van de regeling gemeenschappelijk douanevervoer door de lucht

1.   De luchtvaartmaatschappij zendt het in de luchthaven van vertrek opgestelde manifest naar de luchthaven van bestemming met behulp van een elektronisch gegevensuitwisselingssysteem.

2.   De luchtvaartmaatschappij vermeldt een van de volgende tekens naast de desbetreffende artikelen op het manifest:

a)

„T1”, indien de goederen onder de T1-regeling worden vervoerd;

b)

„T2” of „T2F”, naargelang van het geval, indien de goederen met toepassing van de T2-regeling worden vervoerd in die gevallen waarin het volgens de Uniewetgeving verplicht is deze aantekening aan te brengen;

c)

„TD”, voor goederen die reeds onder een regeling voor douanevervoer zijn geplaatst. In die gevallen brengt de luchtvaartmaatschappij het teken „TD” ook aan op de overeenkomstige luchtvrachtbrief en verwijst zij naar de gebruikte regeling alsmede het nummer en de datum van de aangifte voor douanevervoer of het document van overdracht en de naam van het kantoor van afgifte;

d)

„C” (gelijk aan „T2L”) of „F” (gelijk aan „T2LF”), naargelang van het geval, voor Uniegoederen die niet onder een regeling douanevervoer zijn geplaatst;

e)

„X”, voor uit te voeren Uniegoederen die niet onder een regeling douanevervoer zijn geplaatst.

3.   Het manifest dient eveneens de in artikel 109, lid 1, onder c) tot en met f), en artikel 109, lid 2, bedoelde gegevens te bevatten.

4.   De regeling gemeenschappelijk douanevervoer wordt als beëindigd beschouwd zodra de bevoegde douaneautoriteiten van de luchthaven van bestemming kunnen beschikken over het manifest dat met behulp van een elektronisch gegevensuitwisselingssysteem is verzonden, en de goederen bij hen zijn aangebracht.

5.   De door de luchtvaartmaatschappij gevoerde administratie aan de hand waarvan de bevoegde douaneautoriteiten een doeltreffende controle kunnen verrichten, bevat ten minste de in de leden 2 en 3 bedoelde gegevens.

Indien nodig zenden de bevoegde douaneautoriteiten van de luchthaven van bestemming de relevante gegevens van manifesten die via een elektronisch gegevensuitwisselingssysteem zijn ontvangen, ter controle aan de bevoegde douaneautoriteiten van de luchthaven van vertrek.

6.   De luchtvaartmaatschappij stelt de bevoegde douaneautoriteiten in kennis van alle overtredingen en onregelmatigheden.

7.   De bevoegde douaneautoriteiten van de luchthaven van bestemming stellen de bevoegde douaneautoriteiten van de luchthaven van vertrek en de bevoegde douaneautoriteit die de vergunning heeft afgegeven, zo spoedig mogelijk in kennis van alle overtredingen en onregelmatigheden.

TITEL IV:

SCHULD EN INVORDERING

HOOFDSTUK I

Schuld en schuldenaar

Artikel 112

Ontstaan van de schuld

1.   Een schuld in de zin van artikel 3, onder l), ontstaat door:

a)

de onttrekking van goederen aan de regeling gemeenschappelijk douanevervoer;

b)

niet-naleving van een voorwaarde voor het plaatsen van goederen onder de regeling gemeenschappelijk douanevervoer of het gebruik van de regeling gemeenschappelijk douanevervoer.

2.   De schuld gaat teniet op een van de volgende wijzen:

a)

de schuld is ontstaan overeenkomstig lid 1, onder a) of b), en aan de volgende voorwaarden is voldaan:

i)

het verzuim dat tot het ontstaan van de schuld heeft geleid, had geen werkelijke gevolgen voor het juiste functioneren en hield geen poging tot bedrog in;

ii)

alle formaliteiten die nodig zijn om de situatie van de goederen te regulariseren, worden naderhand vervuld;

b)

de onttrekking van de goederen aan de regeling gemeenschappelijk douanevervoer of de niet-naleving van een voorwaarde voor het plaatsen van de goederen onder de regeling gemeenschappelijk douanevervoer of het gebruik van de regeling gemeenschappelijk douanevervoer is het gevolg van de algehele vernietiging of het onherstelbare verlies van die goederen door een oorzaak die met de aard van de goederen verband houdt, dan wel door niet te voorziene omstandigheden of overmacht, of ingevolge instructies van de douaneautoriteiten.

Goederen worden geacht onherstelbaar verloren te zijn indien zij voor eenieder onbruikbaar zijn geworden.

3.   De schuld ontstaat op het tijdstip waarop:

a)

de goederen werden onttrokken aan de regeling gemeenschappelijk douanevervoer of de voorwaarden voor het gebruik van de regeling gemeenschappelijk douanevervoer niet of niet langer waren vervuld;

b)

een douaneaangifte werd aanvaard voor de plaatsing van goederen onder een regeling gemeenschappelijk douanevervoer, indien achteraf blijkt dat in feite niet was voldaan aan een voorwaarde voor de plaatsing van de goederen onder deze regeling.

Artikel 113

Identificatie van de schuldenaar

1.   De schuldenaar is een van de volgende personen:

a)

degene die de voorwaarden voor het plaatsen van de goederen onder de regeling gemeenschappelijk douanevervoer of het gebruik van de regeling gemeenschappelijk douanevervoer diende na te leven;

b)

eenieder die wist of redelijkerwijze had moeten weten dat aan een uit de overeenkomst voortvloeiende voorwaarde niet was voldaan en die handelde voor rekening van degene die die voorwaarde diende na te leven, of die deelnam aan de handeling die tot de niet-naleving van die voorwaarde leidde;

c)

eenieder die de betrokken goederen heeft verworven of deze onder zich heeft gehad en die op het ogenblik waarop hij de goederen verwierf of ontving, wist of redelijkerwijze had moeten weten dat aan een uit de overeenkomst of uit de douanewetgeving voortvloeiende voorwaarde niet was voldaan.

d)

de houder van de regeling.

2.   In het in artikel 112, lid 1, onder b), bedoelde geval is de schuldenaar de persoon die de voorwaarden voor het plaatsen van de goederen onder de regeling gemeenschappelijk douanevervoer of het gebruik van die regeling dient na te leven.

3.   Indien een douaneaangifte voor het plaatsen van goederen onder de regeling gemeenschappelijk douanevervoer wordt opgesteld en aan de douaneautoriteiten gegevens worden verstrekt die vereist zijn krachtens de douanewetgeving betreffende de plaatsing van goederen onder die douaneregeling, en ten gevolge daarvan een douaneschuld ontstaat, is de persoon die de voor de opstelling van de douaneaangifte benodigde gegevens heeft verstrekt en die wist of redelijkerwijze had moeten weten dat die gegevens onjuist waren, eveneens schuldenaar.

4.   Indien meerdere personen schuldenaren zijn van het bedrag dat overeenkomt met één schuld, zijn zij gezamenlijk en hoofdelijk aansprakelijk tot betaling van dat bedrag.

Artikel 114

Plaats waar de schuld ontstaat

1.   Een schuld ontstaat:

a)

op de plaats waar de feiten zich voordoen die tot het ontstaan van deze schuld leiden;

b)

indien deze plaats niet kan worden bepaald, ontstaat de schuld op de plaats waar de douaneautoriteiten vaststellen dat de goederen zich in een situatie bevinden die tot het ontstaan van de schuld heeft geleid.

2.   Indien de goederen zich onder een niet-aangezuiverde regeling gemeenschappelijk douanevervoer bevinden en de plaats waar de schuld ontstaat, niet overeenkomstig lid 1, onder a) en b), van dit artikel binnen de volgende termijnen kan worden vastgesteld:

a)

zeven maanden vanaf de uiterste datum waarop de goederen bij het douanekantoor van bestemming hadden moeten zijn aangebracht, tenzij vóór het verstrijken van deze termijn een verzoek om overdracht van de invordering van de schuld zoals bedoeld in artikel 50 werd toegezonden aan de autoriteit die verantwoordelijk is voor de plaats waar zich, volgens de gegevens die zijn verkregen door de douaneautoriteit van het land van vertrek, de feiten hebben voorgedaan die aanleiding geven tot het ontstaan van de schuld, in welk geval deze termijn met maximaal één maand wordt verlengd;

b)

één maand na het verstrijken van de termijn zoals bedoeld in artikel 49, lid 4, waarbinnen de houder van de regeling antwoord moet geven op een verzoek om de voor de aanzuivering van de regeling noodzakelijke gegevens, wanneer de douaneautoriteit van het land van vertrek niet in kennis is gesteld van de aankomst van de goederen en de houder van de regeling geen of onvoldoende gegevens heeft verstrekt;

ontstaat de schuld in het land dat verantwoordelijk is voor het laatste douanekantoor van doorgang dat het douanekantoor van vertrek in kennis stelt van de grensoverschrijding dan wel, bij ontstentenis hiervan, in het land dat verantwoordelijk is voor het douanekantoor van vertrek.

3.   De in artikel 116, lid 1, bedoelde douaneautoriteiten zijn de autoriteiten van het land waar de schuld is ontstaan of overeenkomstig dit artikel geacht wordt te zijn ontstaan.

Artikel 115

Verzoek om overdracht van de invordering van de schuld

1.   Wanneer de bevoegde autoriteiten die kennis hebben gegeven van de schuld, bewijs verkrijgen van de plaats waar de feiten zich hebben voorgedaan die tot het ontstaan van de schuld hebben geleid, schorten deze autoriteiten de invorderingsprocedure op en zenden zij onmiddellijk en in ieder geval voor het verstrijken van de termijn alle ter zake dienende documenten, waaronder gewaarmerkte kopieën van de bewijsstukken, naar de voor die plaats bevoegde autoriteiten.

2.   De voor die plaats bevoegde autoriteiten bevestigen de ontvangst van het verzoek en delen de bevoegde autoriteiten die kennis hebben gegeven van de schuld, of zij voor de invordering bevoegd zijn. Indien binnen 28 dagen geen antwoord wordt ontvangen, hervatten de autoriteiten die kennis hebben gegeven van de schuld, onmiddellijk de door hen ingeleide invorderingsprocedure.

HOOFDSTUK II

Actie ten aanzien van de schuldenaar of de borg

Artikel 116

Actie ten aanzien van de schuldenaar

1.   De bevoegde douaneautoriteiten leiden de invorderingsprocedure in zodra zij in staat zijn:

a)

het bedrag van de schuld te berekenen; en

b)

te bepalen wie de schuldenaar is.

2.   Deze autoriteiten stellen de schuldenaar in kennis van het bedrag van de schuld onder de voorwaarden en binnen de termijnen die in de overeenkomstsluitende partijen van kracht zijn.

3.   Elke schuld waarvan overeenkomstig lid 2 kennis is gegeven, moet door de schuldenaar worden betaald onder de voorwaarden en binnen de termijnen die in de desbetreffende overeenkomstsluitende partijen van kracht zijn.

Artikel 117

Actie ten aanzien van de borg

1.   Onder voorbehoud van lid 4 is de borg aansprakelijk zolang het bedrag van de schuld kan worden opgeëist.

2.   Wanneer de regeling gemeenschappelijk douanevervoer niet is aangezuiverd, stellen de douaneautoriteiten van het land van vertrek de borg binnen negen maanden na de datum waarop de goederen bij het douanekantoor van bestemming hadden moeten worden aangebracht, in kennis van de niet-aanzuivering van de regeling.

3.   Wanneer de regeling gemeenschappelijk douanevervoer niet is aangezuiverd, stellen de overeenkomstig artikel 114 bepaalde douaneautoriteiten de borg binnen drie jaar na de datum van aanvaarding van de aangifte voor douanevervoer, ervan in kennis dat hij verplicht is of kan worden de schuld te betalen waarvoor hij in verband met het betrokken gemeenschappelijk douanevervoer aansprakelijk is; hierbij moeten het MRN en de datum van de aangifte voor douanevervoer, de naam van het douanekantoor van vertrek, de naam van de houder van de regeling en het bedrag in kwestie worden vermeld.

4.   De borg is van zijn verplichtingen ontslagen wanneer een van de in de leden 2 en 3 genoemde kennisgevingen hem niet binnen de voorgeschreven termijnen is gedaan.

5.   Wanneer een van deze twee kennisgevingen is verzonden, wordt de borg van de invordering van de schuld of van de aanzuivering van de regeling in kennis gesteld.

Artikel 118

Uitwisseling van informatie en samenwerking bij de invordering

Onverminderd artikel 13 bis van de overeenkomst verlenen de landen elkaar bijstand om vast te stellen welke autoriteiten overeenkomstig artikel 114 van dit aanhangsel voor de invordering bevoegd zijn.

Deze autoriteiten stellen het douanekantoor van vertrek en het douanekantoor van zekerheidstelling in kennis van alle gevallen waarin een schuld is ontstaan in verband met door het douanekantoor van vertrek aanvaarde aangiften voor douanevervoer en van alle maatregelen die worden genomen om de verschuldigde bedragen bij de schuldenaar in te vorderen. Voorts stellen zij het douanekantoor van vertrek in kennis van de inning van de rechten en andere heffingen, teneinde dit kantoor in staat te stellen het douanevervoer aan te zuiveren.”.

Bijlage I wordt vervangen door:

„BIJLAGE I

TOEPASSING VAN ARTIKEL 7

Tijdelijk verbod op doorlopende zekerheidstelling voor een verminderd bedrag of op doorlopende zekerheidstelling

1.   Situaties waarin doorlopende zekerheidstelling voor een verminderd bedrag of doorlopende zekerheidstelling tijdelijk kan worden verboden:

1.1

Tijdelijk verbod op doorlopende zekerheidstelling voor een verminderd bedrag

Onder „bijzondere omstandigheden” in de zin van artikel 77, onder a), wordt een situatie verstaan waarin in een beduidend aantal gevallen waarbij meerdere houders van de regeling zijn betrokken en waardoor de goede werking van de regeling in gevaar is gebracht, is vastgesteld dat, ondanks de toepassing van de artikelen 65 of 80, de betaling binnen de gestelde termijn van de schuld die door de onttrekking van sommige soorten goederen aan de regeling gemeenschappelijk douanevervoer is ontstaan, niet langer kan worden gewaarborgd door de in artikel 75, onder a) en b), bedoelde doorlopende zekerheidstelling of doorlopende zekerheidstelling voor een verminderd bedrag.

1.2

Tijdelijk verbod op doorlopende zekerheidstelling

Onder „fraude op grote schaal” in de zin van artikel 77, onder b), wordt een situatie verstaan waarin is vastgesteld dat, ondanks de toepassing van artikel 65 of 80, de betaling binnen de gestelde termijn van de schuld die door de onttrekking van sommige soorten goederen aan de regeling gemeenschappelijk douanevervoer is ontstaan, niet langer kan worden gewaarborgd door de in artikel 75, onder a) en b), bedoelde doorlopende zekerheidstelling of doorlopende zekerheidstelling voor een verminderd bedrag. In dit verband moet rekening worden gehouden met de hoeveelheid goederen die aan de regeling zijn onttrokken en de omstandigheden waarin dit is gebeurd, met name wanneer dat het gevolg is van internationale georganiseerde misdaadactiviteiten.

2.   Besluitvormingsprocedure voor het instellen van een tijdelijk verbod op doorlopende zekerheidstelling voor een verminderd bedrag of op doorlopende zekerheidstelling

2.1   Het besluit van de Gemengde Commissie om een tijdelijk verbod in te stellen op doorlopende zekerheidstelling of doorlopende zekerheidstelling voor een verminderd bedrag overeenkomstig artikel 77, onder a), of b), (hierna „het besluit” genoemd), wordt volgens de hieronder beschreven procedure genomen.

2.1.1

Het besluit kan op verzoek van een of meer overeenkomstsluitende partijen worden genomen.

2.1.2

Wanneer een dergelijk verzoek is gedaan, delen de overeenkomstsluitende partijen elkaar de door hen vastgestelde feiten mee en onderzoeken zij of aan de voorwaarden van de punten 1.1 of 1.2 is voldaan.

2.2   Indien de overeenkomstsluitende partijen van oordeel zijn dat aan die voorwaarden is voldaan, wordt een ontwerpbesluit aan de Gemengde Commissie voorgelegd dat dit via de in punt 2.5 omschreven schriftelijke procedure kan goedkeuren.

2.3   De overeenkomstsluitende partij die het voorzitterschap van de Gemengde Commissie bekleedt, doet het ontwerpbesluit toekomen aan de andere overeenkomstsluitende partijen.

Het besluit wordt goedgekeurd indien binnen dertig dagen na verzending van het ontwerp geen van de andere overeenkomstsluitende partijen hiertegen schriftelijk bezwaar maakt bij de overeenkomstsluitende partij die het voorzitterschap van de Gemengde Commissie bekleedt. De overeenkomstsluitende partij die het voorzitterschap van de Gemengde Commissie bekleedt, stelt de andere overeenkomstsluitende partijen in kennis van de goedkeuring van het besluit.

Indien een of meer overeenkomstsluitende partijen binnen de gestelde termijn tegen het ontwerp bezwaar maken, deelt de overeenkomstsluitende partij die het voorzitterschap van de Gemengde Commissie bekleedt, dit mee aan de andere overeenkomstsluitende partijen.

2.4   Elke overeenkomstsluitende partij draagt zorg voor de bekendmaking van het besluit.

2.5   Het besluit is twaalf maanden geldig. De Gemengde Commissie kan de geldigheidsduur van het besluit evenwel verlengen of het besluit intrekken na een nieuw onderzoek door de overeenkomstsluitende partijen.

3.   Maatregelen ter verlichting van de financiële gevolgen van het verbod op doorlopende zekerheidstelling

Wanneer er overeenkomstig artikel 77 een tijdelijk verbod op doorlopende zekerheidstelling is ingesteld, kunnen houders van een vergunning voor doorlopende zekerheidstelling op verzoek zekerheid stellen per aangifte. Daarvoor gelden evenwel de volgende bijzondere voorwaarden:

voor de zekerheid per aangifte moet een bijzondere akte van borgtocht worden opgesteld die slechts betrekking heeft op de in het besluit genoemde goederen;

deze zekerheid per aangifte kan slechts bij het in de akte van borgtocht vermelde douanekantoor van vertrek worden gebruikt;

zij kan voor verschillende, gelijktijdige of opeenvolgende, vervoersbewegingen worden gebruikt, mits het totaalbedrag waarvoor de regeling nog niet is aangezuiverd het bedrag van de zekerheid per aangifte niet overschrijdt. In dat geval kent het douanekantoor van zekerheidstelling aan de houder van de regeling één initiële toegangscode voor de zekerheid toe. De houder van de regeling kan aan deze zekerheid een of meer toegangscodes toekennen die door hemzelf of zijn vertegenwoordigers kunnen worden gebruikt;

telkens wanneer een door deze zekerheid per aangifte gedekte vervoersbeweging in het kader van gemeenschappelijk douanevervoer wordt aangezuiverd, wordt het desbetreffende bedrag vrijgegeven en kan dit vervolgens opnieuw worden gebruikt, binnen de grenzen van het bedrag van de zekerheid, om een andere vervoersbeweging te dekken.

4.   Uitzonderingen op het tijdelijke verbod op doorlopende zekerheidstelling of doorlopende zekerheidstelling voor een verminderd bedrag

4.1   Aan de houders van de regeling kan evenwel toestemming worden verleend om een doorlopende zekerheid of een doorlopende zekerheid voor een verminderd bedrag te stellen wanneer zij goederen onder de regeling gemeenschappelijk douanevervoer willen plaatsen waarop het tijdelijke verbod van toepassing is, indien zij kunnen aantonen dat voor de soorten goederen in kwestie in het kader van door hen verricht gemeenschappelijk douanevervoer geen schuld is ontstaan in de twee jaar voorafgaand aan het verbod of, wanneer tijdens deze periode wel schulden zijn ontstaan, indien zij kunnen aantonen dat deze door de schuldenaar of borg binnen de gestelde termijn volledig zijn voldaan.

Om toestemming te krijgen om een doorlopende zekerheid te stellen waarop een tijdelijk verbod van toepassing is, moet de houder van de regeling bovendien voldoen aan de voorwaarden van artikel 75, lid 2, onder b).

4.2   De artikelen 59 tot en met 72 zijn van overeenkomstige toepassing op aanvragen en vergunningen voor de in punt 4.1 bedoelde uitzonderingen.

4.3   Wanneer de bevoegde autoriteiten een uitzondering toestaan, brengen zij in vak 8 van het certificaat van doorlopende zekerheidstelling de volgende vermelding aan:

„—

GEBRUIK ONBEPERKT — 99209.””.

Bijlage II wordt vervangen door:

„BIJLAGE II

BEDRIJFSCONTINUÏTEITSPROCEDURE VOOR GEMEENSCHAPPELIJK DOUANEVERVOER

DEEL I

HOOFDSTUK I

Algemene bepalingen

1.   In deze bijlage zijn voor de houders van de regeling, inclusief toegelaten afzenders, bijzondere bepalingen vastgelegd voor het gebruik van de bedrijfscontinuïteitsprocedure overeenkomstig artikel 26, lid 1, van aanhangsel I, in geval van een tijdelijke storing van:

het elektronische douanevervoersysteem;

het geautomatiseerde systeem dat door de houders van de regeling wordt gebruikt om de aangifte voor gemeenschappelijk douanevervoer met behulp van elektronische gegevensverwerkingstechnieken in te dienen; of

de elektronische verbinding tussen het geautomatiseerde systeem dat door de houders van de regeling wordt gebruikt om de aangifte voor gemeenschappelijk douanevervoer met behulp van elektronische gegevensverwerkingstechnieken in te dienen en het elektronische douanevervoersysteem.

2.   Aangiften voor douanevervoer

2.1

De bij de bedrijfscontinuïteitsprocedure gebruikte aangifte voor douanevervoer is als zodanig herkenbaar voor alle partijen die bij het douanevervoer betrokken zijn, teneinde bij het douanekantoor van doorgang, bij het douanekantoor van bestemming en bij aankomst bij de toegelaten geadresseerde problemen te voorkomen. Daarom mogen slechts de volgende documenten worden gebruikt:

een enig document (ED), of

een afdruk van het ED op gewoon papier, gemaakt met behulp van het geautomatiseerde systeem van de marktdeelnemer, zoals bepaald in bijlage B6 bij aanhangsel III, of

een begeleidingsdocument voor douanevervoer (TAD), indien nodig aangevuld met een lijst van artikelen (LoI).

2.2

De aangifte voor douanevervoer kan worden aangevuld met een of meer aanvullende formulieren met gebruikmaking van het formulier in aanhangsel 3 van bijlage I bij de overeenkomst inzake de vereenvoudiging van de formaliteiten in het goederenverkeer, gedaan te Interlaken op 20 mei 1987 (ED-overeenkomst). Deze formulieren maken integrerend deel uit van de aangifte. Ladinglijsten die aan bijlage B5 bij aanhangsel III voldoen en op het in bijlage B4 bij aanhangsel III opgenomen formulier zijn opgesteld, kunnen in de plaats van aanvullende formulieren worden gebruikt als het beschrijvende gedeelte van een schriftelijke aangifte voor douanevervoer, waarvan ze dan integrerend deel uitmaken.

2.3

Voor de toepassing van punt 2.1 van deze bijlage wordt de aangifte voor douanevervoer opgesteld overeenkomstig bijlage B6 bij aanhangsel III.

HOOFDSTUK II

Uitvoeringsvoorschriften

3.   Onbeschikbaarheid van het elektronische douanevervoersysteem

3.1

De voorschriften worden als volgt toegepast:

de aangifte voor douanevervoer wordt opgemaakt en bij het douanekantoor van vertrek ingediend in de exemplaren 1, 4 en 5 van het ED overeenkomstig de ED-overeenkomst of in twee exemplaren van het TAD, indien nodig aangevuld met een LoI, overeenkomstig de bijlagen A3, A4, A5 en A6 bij aanhangsel III;

de aangifte voor douanevervoer wordt geregistreerd in vak C door middel van een nummering die losstaat van die van het elektronische douanevervoersysteem;

de bedrijfscontinuïteitsprocedure wordt aangegeven op de exemplaren van de aangifte voor douanevervoer met één van de stempels volgens de in bijlage B7 bij aanhangsel III opgenomen modellen, in vak A van het ED of in plaats van het MRN en de streepjescode op het TAD;

de toegelaten afzender voldoet aan alle verplichtingen en voorwaarden betreffende de in de aangifte te vermelden gegevens en het gebruik van het in de punten 22 tot en met 25 van deze bijlage bedoelde speciale stempel door respectievelijk de vakken C en D te gebruiken;

de aangifte voor douanevervoer wordt afgestempeld hetzij door het douanekantoor van vertrek in het geval van de standaardprocedure hetzij door de toegelaten afzender wanneer artikel 84 van aanhangsel I van toepassing is.

3.2

Wanneer tot de bedrijfscontinuïteitsprocedure is besloten, worden alle douanevervoersgegevens waarbij een LRN of MRN aan het vervoer is toegekend, uit het elektronische douanevervoersysteem verwijderd op basis van informatie die wordt verstrekt door de persoon die die douanevervoersgegevens in het elektronische douanevervoersysteem heeft ingevoerd.

3.3

De douaneautoriteiten zien toe op het gebruik van de bedrijfscontinuïteitsprocedure teneinde misbruik te voorkomen.

4.   Onbeschikbaarheid van het geautomatiseerde systeem dat door de houders van de regeling wordt gebruikt om de aangifte voor gemeenschappelijk douanevervoer met behulp van elektronische gegevensverwerkingstechnieken in te dienen, of van de elektronische verbinding tussen dat geautomatiseerde systeem en het elektronische douanevervoersysteem

De bepalingen van punt 3 van deze bijlage zijn van toepassing.

De houder van de regeling informeert de douaneautoriteit wanneer zijn geautomatiseerde systeem of de elektronische verbinding tussen dat geautomatiseerde systeem en het elektronische douanevervoersysteem opnieuw beschikbaar is.

5.   Onbeschikbaarheid van het geautomatiseerde systeem van de toegelaten afzender of van de elektronische verbinding tussen dat geautomatiseerde systeem en het elektronische douanevervoersysteem

Wanneer het geautomatiseerde systeem van de toegelaten afzender of de elektronische verbinding tussen dat geautomatiseerde systeem en het elektronische douanevervoersysteem onbeschikbaar is, geldt de volgende procedure:

de bepalingen van punt 4 van deze bijlage zijn van toepassing;

wanneer de toegelaten afzender in een jaar meer dan 2 % van zijn aangiften in de bedrijfscontinuïteitsprocedure heeft ingediend, wordt beoordeeld of nog aan de voorwaarden van de vergunning wordt voldaan.

6.   Invoering van de gegevens door de douaneautoriteit

In de in de punten 4 en 5 van deze bijlage bedoelde gevallen kan de douaneautoriteit de houder van de regeling echter toestaan de aangifte voor douanevervoer in één exemplaar bij het douanekantoor van vertrek in te dienen (met gebruikmaking van het ED of het TAD), zodat deze door het elektronische douanevervoersysteem kan worden verwerkt.

HOOFDSTUK III

Werking van de procedure

7.   Zekerheidstelling per aangifte door middel van een borg

Wanneer het douanekantoor van vertrek niet hetzelfde is als het douanekantoor van zekerheidstelling, behoudt dit laatste kantoor een kopie van de verbintenis van de borg. Het origineel wordt door de houder van de regeling voorgelegd aan het douanekantoor van vertrek, waar het wordt bewaard. Indien nodig kan het douanekantoor van vertrek om de vertaling verzoeken in de officiële taal of één van de officiële talen van het betrokken land.

8.   Ondertekening van de aangifte voor douanevervoer en verbintenis van de houder van de regeling

Met de ondertekening van de aangifte voor douanevervoer neemt de houder van de regeling de verantwoordelijkheid voor:

de juistheid van de in de aangifte voorkomende gegevens,

de echtheid van de voorgelegde documenten,

de naleving van alle verplichtingen in verband met de plaatsing van de goederen onder de regeling douanevervoer.

9.   Identificatiemaatregelen

Wanneer artikel 36, lid 7, van aanhangsel I van toepassing is, vermeldt het douanekantoor van vertrek in vak D (Controle door het kantoor van vertrek) van de aangifte voor douanevervoer naast de rubriek „Aangebrachte verzegelingen” het volgende:

”—

Vrijstelling — 99201”.

10.   Vermeldingen in de aangifte voor douanevervoer en vrijgave van de goederen

Het douanekantoor van vertrek vermeldt de controleresultaten op elk exemplaar van de aangifte voor douanevervoer.

Wanneer de controleresultaten met de aangifte overeenkomen, geeft het douanekantoor van vertrek de goederen vrij en vermeldt het de datum van de controle op de exemplaren van de aangifte voor douanevervoer.

11.   Onder de regeling gemeenschappelijk douanevervoer geplaatste goederen worden vervoerd onder geleide van de exemplaren 4 en 5 van het ED of onder geleide van één exemplaar van het TAD, die door het douanekantoor van vertrek aan de houder van de regeling worden gegeven. Exemplaar 1 van het ED en het exemplaar van het TAD blijven op het douanekantoor van vertrek.

12.   Douanekantoor van doorgang

12.1

De vervoerder legt aan elk douanekantoor van doorgang een kennisgeving van doorgang voor, die opgemaakt is op een formulier dat in bijlage B8 bij aanhangsel III is opgenomen. Deze kennisgeving wordt door dat douanekantoor bewaard. In plaats van de kennisgeving van doorgang kan een fotokopie van exemplaar 4 van het ED of een fotokopie van het exemplaar van het TAD worden voorgelegd en door het douanekantoor van doorgang worden bewaard.

12.2

Wanneer de goederen worden vervoerd via een ander douanekantoor van doorgang dan het aangegeven douanekantoor van doorgang, stelt het feitelijke douanekantoor van doorgang het douanekantoor van vertrek daarvan in kennis.

13.   Aanbrenging bij het douanekantoor van bestemming

13.1

Het douanekantoor van bestemming registreert de exemplaren van de aangifte voor douanevervoer en vermeldt daarop de datum van aankomst en de controleresultaten.

13.2

Een douanevervoer kan bij een ander kantoor dan het in de aangifte voor douanevervoer aangegeven douanekantoor eindigen. Dat kantoor wordt dan het feitelijke douanekantoor van bestemming.

Wanneer het feitelijke douanekantoor van bestemming onder een andere overeenkomstsluitende partij ressorteert dan het aangegeven douanekantoor, brengt het feitelijke douanekantoor van bestemming in het vak I. („Controle door het douanekantoor van bestemming”) van de aangifte voor douanevervoer, naast de gebruikelijke vermeldingen, de volgende vermelding aan:

„—

Verschillen: douanekantoor waar de goederen zijn aangebracht … (referentienummer douanekantoor) -99203”.

13.3

Wanneer punt 13.2, tweede alinea, van deze bijlage, van toepassing is en de aangifte voor douanevervoer van de volgende vermelding is voorzien, houdt het feitelijke douanekantoor van bestemming de goederen onder toezicht en staat het niet toe dat deze een andere bestemming krijgen dan de overeenkomstsluitende partij waaronder het douanekantoor van vertrek ressorteert zonder de uitdrukkelijke toestemming van dit laatste kantoor:

”—

Bij uitgang uit de Unie zijn de beperkingen of heffingen uit hoofde van Verordening/Richtlijn/Besluit nr. … van toepassing — 99204”.

14.   Ontvangstbewijs

Het ontvangstbewijs kan worden opgemaakt door de ruimte op de achterzijde van exemplaar 5 van het ED of het in bijlage B10 bij aanhangsel III opgenomen formulier te gebruiken.

15.   Terugzending van exemplaar 5 van het ED of het exemplaar van het TAD

De bevoegde douaneautoriteit van de overeenkomstsluitende partij van bestemming zendt exemplaar 5 van het ED onverwijld en in elk geval binnen acht dagen na de beëindiging van de vervoersbeweging terug aan de douaneautoriteit in de overeenkomstsluitende partij van vertrek. Bij gebruik van het TAD wordt het voorgelegde exemplaar van het TAD op dezelfde voorwaarden teruggezonden als exemplaar 5.

16.   Kennisgeving aan de houder van de regeling en alternatieve bewijzen van de beëindiging van de regeling

Wanneer de in punt 15 van deze bijlage bedoelde exemplaren niet binnen dertig dagen na het verstrijken van de termijn voor het aanbrengen van de goederen bij het douanekantoor van bestemming zijn teruggezonden aan de douaneautoriteit van de overeenkomstsluitende partij van vertrek, deelt die autoriteit dit aan de houder van de regeling mee met het verzoek het bewijs te leveren dat de regeling naar behoren werd beëindigd.

17.   Nasporingsprocedure

17.1

Wanneer het douanekantoor van vertrek niet binnen 60 dagen na het verstrijken van de termijn voor het aanbrengen van de goederen bij het douanekantoor van bestemming over het bewijs beschikt dat de regeling naar behoren werd beëindigd, verzoekt de douaneautoriteit van de overeenkomstsluitende partij van vertrek onmiddellijk om de informatie die voor de aanzuivering van de regeling noodzakelijk is. Wanneer gedurende de stappen van een nasporingsprocedure wordt vastgesteld dat de regeling gemeenschappelijk douanevervoer niet kan worden aangezuiverd, moet de douaneautoriteit van de overeenkomstsluitende partij van vertrek vaststellen of er een schuld is ontstaan.

Indien er een schuld is ontstaan, neemt de douaneautoriteit van de overeenkomstsluitende partij van vertrek de volgende maatregelen:

de schuldenaar wordt geïdentificeerd;

er wordt vastgesteld welke douaneautoriteiten verantwoordelijk zijn voor de mededeling van de schuld.

17.2

Als de douaneautoriteit van de overeenkomstsluitende partij van vertrek vóór het verstrijken van die termijnen verneemt dat de regeling gemeenschappelijk douanevervoer niet naar behoren werd beëindigd, of het vermoeden heeft dat dit het geval is, zendt zij het verzoek onverwijld.

17.3

De nasporingsprocedure wordt eveneens ingeleid wanneer achteraf wordt ontdekt dat het bewijs van de beëindiging van de regeling gemeenschappelijk douanevervoer werd vervalst en dat de nasporingsprocedure nodig is om de doelstellingen van punt 17.1 van deze bijlage te bereiken.

18.   Zekerheid — Referentiebedrag

18.1

Voor de toepassing van artikel 74 van aanhangsel I ziet de houder van de regeling erop toe dat de eventueel opeisbare bedragen, rekening houdend met het vervoer waarvoor de regeling nog niet werd beëindigd, het referentiebedrag niet overschrijden.

18.2

Wanneer het referentiebedrag onvoldoende blijkt om het vervoer onder de regeling douanevervoer te dekken, meldt de houder van de regeling dit aan het douanekantoor van zekerheidstelling.

19.   Certificaten van doorlopende zekerheidstelling, certificaten van ontheffing van zekerheidstelling en bewijzen van zekerheidstelling per aangifte

19.1

Het volgende wordt aan het douanekantoor van vertrek voorgelegd:

een certificaat van doorlopende zekerheidstelling, op het in bijlage C5 bij aanhangsel III opgenomen formulier;

certificaten van ontheffing van zekerheidstelling, op het in bijlage C6 bij aanhangsel III opgenomen formulier;

een bewijs van zekerheidstelling per aangifte, op het in bijlage C3 bij aanhangsel III opgenomen formulier;

In aangiften voor douanevervoer worden de gegevens van de certificaten en het bewijs vermeld.

20.   Bijzondere ladinglijsten

20.1

De douaneautoriteit kan aangiften voor douanevervoer aanvaarden die zijn aangevuld met ladinglijsten die niet voldoen aan alle vereisten in bijlage B5 bij aanhangsel III.

Deze lijsten kunnen alleen worden gebruikt wanneer:

ze zijn opgesteld door ondernemingen die voor hun administratie een elektronisch gegevensverwerkingssysteem gebruiken;

ze zo zijn ontworpen en ingevuld dat ze probleemloos door de douaneautoriteit kunnen worden gebruikt;

hierin, voor elk artikel, de in bijlage B5 bij aanhangsel III vereiste informatie is opgenomen.

20.2

Het kan eveneens worden toegestaan dat ten behoeve van verzendings-/uitvoerformaliteiten opgestelde lijsten waarin de goederen zijn omschreven, worden gebruikt als de in punt 20.1 van deze bijlage bedoelde ladinglijsten, ook wanneer deze lijsten zijn opgesteld door ondernemingen die voor hun administratie geen elektronisch gegevensverwerkingssysteem gebruiken.

20.3

De houder van de regeling die voor zijn administratie een elektronisch gegevensverwerkingssysteem gebruikt en reeds bijzondere ladinglijsten gebruikt, kan deze tevens gebruiken voor gemeenschappelijk douanevervoer dat slechts op één enkel soort goederen betrekking heeft als het systeem van de houder van de regeling deze faciliteit noodzakelijk maakt.

21.   Gebruik van verzegelingen van een bijzonder model

De houder van de regeling vermeldt in vak „D. Controle door het kantoor van vertrek” van de aangifte voor douanevervoer naast de rubriek „Aangebrachte verzegelingen” het aantal en de individuele kenmerken van de aangebrachte verzegelingen.

22.   Toegelaten afzender — Voorafgaande authenticatie en formaliteiten bij vertrek

22.1

Voor de toepassing van de punten 3 en 5 van deze bijlage bepaalt de vergunning dat vak „C. Kantoor van vertrek” van de aangifte voor douanevervoer:

vooraf met het stempel van het douanekantoor van vertrek wordt afgestempeld en door een ambtenaar van dat kantoor wordt ondertekend, of

door de toegelaten afzender wordt afgestempeld met een door de bevoegde autoriteit goedgekeurde speciale stempel volgens het in bijlage B9 van aanhangsel III opgenomen model. Het stempel mag door een daartoe gemachtigde drukkerij op de formulieren worden voorgedrukt.

De toegelaten afzender vermeldt in het vak de datum van verzending van de goederen en kent de aangifte voor douanevervoer een nummer toe volgens de voorschriften in de vergunning.

22.2

De douaneautoriteit kan het gebruik voorschrijven van formulieren die van een speciaal onderscheidingsteken zijn voorzien.

23.   Toegelaten afzender — Bewaring van het stempel

De toegelaten afzender treft alle noodzakelijke maatregelen om de speciale stempels of de formulieren met het stempel van het douanekantoor van vertrek of een speciale stempel veilig te bewaren.

Hij stelt de douaneautoriteit in kennis van de veiligheidsmaatregelen die hij op grond van de eerste alinea heeft genomen.

23.1

Bij misbruik van formulieren die vooraf door het douanekantoor van vertrek zijn afgestempeld of waarop een speciale stempel is aangebracht, is de toegelaten afzender, onverminderd eventuele strafrechtelijke vervolging, aansprakelijk voor de betaling van de rechten en andere heffingen die in een bepaald land verschuldigd zijn met betrekking tot de goederen die onder geleide van die formulieren zijn vervoerd, tenzij hij ten genoegen van de douaneautoriteit die hem de vergunning heeft verleend, aantoont dat hij de in punt 23 gevraagde maatregelen heeft genomen.

24.   Toegelaten afzender — Op de aangiften te vermelden informatie

24.1

Uiterlijk op het tijdstip van de verzending van de goederen vult de toegelaten afzender de aangifte voor douanevervoer in en vermeldt hij, in voorkomend geval, in vak 44 de overeenkomstig artikel 33, lid 2, van aanhangsel I voorgeschreven route en in vak „D. Controle door het kantoor van vertrek” de overeenkomstig artikel 34 van aanhangsel I vastgestelde termijn waarbinnen de goederen bij het douanekantoor van bestemming moeten worden aangebracht, de toegepaste identificatiemaatregelen en het volgende visum:

”—

Toegelaten afzender — 99206”

24.2

Wanneer de bevoegde autoriteit van de overeenkomstsluitende partij van vertrek vóór het vertrek van een zending een controle instelt, registreert zij dit feit in vak „D. Controle door het kantoor van vertrek” van de aangifte.

24.3

Na de verzending wordt exemplaar 1 van het ED of het exemplaar van het TAD onverwijld aan het douanekantoor van vertrek geleverd overeenkomstig de voorschriften die in de vergunning zijn vastgesteld. De andere exemplaren begeleiden de goederen overeenkomstig punt 11 van deze bijlage.

25.   Toegelaten afzender — Vrijstelling van ondertekening

25.1

De douaneautoriteit kan de toegelaten afzender vrijstellen van de verplichting tot ondertekening van de aangiften voor douanevervoer die van het in hoofdstuk II van deel II van deze bijlage bedoelde speciale stempel zijn voorzien en die met behulp van een elektronisch gegevensverwerkingssysteem zijn opgemaakt. Deze vrijstelling kan pas worden verleend nadat de toegelaten afzender de douaneautoriteit een schriftelijke verklaring heeft gegeven dat hij als houder van de regeling optreedt voor alle douanevervoer onder geleide van aangiften voor douanevervoer die van het speciale stempel zijn voorzien.

25.2

In de overeenkomstig punt 25.1 van deze bijlage opgemaakte aangiften voor douanevervoer wordt in het voor de handtekening van de houder van de regeling bestemde vak het volgende vermeld:

”—

Van ondertekening vrijgesteld — 99207”.

26.   Toegelaten geadresseerde — Verplichtingen

26.1

Wanneer de goederen op een in de vergunning aangewezen plaats aankomen, stelt de toegelaten geadresseerde het douanekantoor van bestemming onverwijld daarvan in kennis. Hij doet opgave van de datum van aankomst, de staat van de eventueel aangebrachte verzegelingen en eventuele onregelmatigheden op de bij de goederen gevoegde exemplaren 4 en 5 van het ED of op het exemplaar van het TAD en bezorgt deze aan het douanekantoor van bestemming overeenkomstig de voorschriften die in de vergunning zijn vastgesteld.

26.2

Het douanekantoor van bestemming brengt de in punt 13 van deze bijlage voorgeschreven vermeldingen aan op de exemplaren 4 en 5 van het ED of op het exemplaar van het TAD.”.

(1)  Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB L 281 van 23.11.1995, blz. 31).

(2)  Besluit nr. 1/2008 van de Gemengde Commissie EG-EVA „gemeenschappelijk douanevervoer” van 16 juni 2008 tot wijziging van de Overeenkomst betreffende een gemeenschappelijke regeling inzake douanevervoer van 20 mei 1987 (PB L 274 van 15.10.2008, blz. 1).


BIJLAGE C

Aanhangsel II van de overeenkomst wordt als volgt gewijzigd:

1)

De titel van bijlage II wordt vervangen door:

„DOUANESTATUS VAN UNIEGOEDEREN EN BEPALINGEN BETREFFENDE DE EURO”.

2)

In artikel 1 worden de woorden „het communautaire karakter van de goederen” vervangen door „de douanestatus van Uniegoederen”.

3)

Het opschrift van titel I wordt vervangen door:

„DOUANESTATUS VAN GOEDEREN”.

4)

In artikel 2, lid 1, worden de woorden „het communautaire karakter van goederen” vervangen door „de douanestatus van Uniegoederen”.

5)

Het volgende artikel wordt ingevoegd:

„Artikel 2 bis

Vermoeden van douanestatus van Uniegoederen

1.   Goederen die de douanestatus van Uniegoederen hebben en per spoor worden vervoerd, mogen, zonder dat zij aan een douaneregeling onderworpen zijn, van de ene plaats naar een andere binnen het douanegebied van de Unie worden vervoerd via het grondgebied van een land dat deelneemt aan het gemeenschappelijk douanevervoer zonder dat hun douanestatus wijzigt, wanneer:

het vervoer van de goederen geschiedt onder dekking van één enkel in een lidstaat afgegeven vervoersdocument;

op het enkel vervoersdocument is de volgende vermelding aangebracht: „T2-corridor”;

op de doorvoer door een land dat deelneemt aan het gemeenschappelijk douanevervoer, wordt toezicht uitgeoefend door middel van een elektronisch systeem in dat land dat deelneemt aan het gemeenschappelijk douanevervoer;

de betrokken spoorwegonderneming is toegelaten in het land dat deelneemt aan het gemeenschappelijk douanevervoer en over wiens grondgebied de goederen onder de „T2-corridor”-regeling worden vervoerd.

2.   Het land dat deelneemt aan het gemeenschappelijk douanevervoer, stelt de in artikel 14 van de overeenkomst bedoelde Gemengde Commissie of een door die commissie op basis van lid 5 van dat artikel opgerichte werkgroep in kennis van de nadere opzet van het elektronische toezichtsysteem en de spoorwegondernemingen die gebruik mogen maken van de in lid 1 van dit artikel genoemde regeling.”.

6)

De titel van hoofdstuk II wordt vervangen door:

„Bewijs van douanestatus van Uniegoederen”.

7)

In artikel 3 worden de woorden „het communautaire karakter van de goederen” vervangen door „de douanestatus van Uniegoederen”.

8)

In artikel 4, leden 1 en 2, worden de woorden „het communautaire karakter van (de) goederen” vervangen door „de douanestatus van Uniegoederen”.

9)

In artikel 5, lid 1, worden de woorden „het communautaire karakter van de goederen” vervangen door „de douanestatus van Uniegoederen”.

10)

Artikel 6 wordt als volgt gewijzigd:

a)

in lid 1 wordt het woord „gesteld” vervangen door „opgesteld”;

b)

in lid 3 worden vóór de woorden „aanhangsel III” de woorden „bijlage B4 bij” ingevoegd;

c)

in lid 4 worden vóór de woorden „aanhangsel III” de woorden „bijlage B5 bij” ingevoegd.

11)

(Heeft geen betrekking op het Nederlands).

12)

De titel van artikel 8 wordt vervangen door:

„Afgifte van een T2L-document”.

13)

(Heeft geen betrekking op het Nederlands).

14)

In artikel 9 wordt als volgt gewijzigd:

a)

in lid 1 worden de woorden „het communautaire karakter van de goederen” vervangen door „de douanestatus van Uniegoederen”;

b)

in lid 4 wordt na de woorden „door het bevoegde kantoor geviseerd” de zinsnede „wanneer de waarde van de goederen meer dan 15 000 EUR bedraagt” ingevoegd;

c)

in lid 5 worden de woorden „uitsluitend op communautaire goederen” vervangen door „uitsluitend op Uniegoederen”.

15)

artikel 10 wordt als volgt gewijzigd:

a)

in lid 1 worden de woorden „het communautaire karakter van de goederen” vervangen door „de douanestatus van Uniegoederen”;

b)

in lid 2, tweede alinea, onder f), eerste streepje, worden de woorden „het communautaire karakter” vervangen door „de douanestatus van Uniegoederen”.

16)

In artikel 11 worden de woorden „het communautaire karakter van de goederen” vervangen door „de douanestatus van Uniegoederen”.

17)

In artikel 12 wordt als volgt gewijzigd

a)

in lid 1 worden de woorden „het communautaire karakter van de goederen” vervangen door „de douanestatus van Uniegoederen”;

b)

in lid 2 worden de woorden „communautaire goederen” vervangen door „Uniegoederen”.

18)

Artikel 13 wordt als volgt gewijzigd:

a)

de titel wordt vervangen door:

„Goederen in de bagage van een reiziger”;

b)

de eerste alinea wordt vervangen door:

„Indien de douanestatus van Uniegoederen dient te worden vastgesteld van goederen die reizigers bij zich dragen of in hun bagage meevoeren, worden die goederen, mits zij niet voor commerciële doeleinden zijn bestemd, geacht de douanestatus van Uniegoederen te hebben te zijn:”;

c)

onder a) worden de woorden „als communautaire goederen worden aangegeven” vervangen door „worden aangegeven als goederen met de douanestatus van Uniegoederen”.

19)

De titel van afdeling 4 wordt vervangen door:

„Bewijs van de douanestatus van Uniegoederen door de toegelaten afgever”.

20)

Artikel 14 wordt als volgt gewijzigd:

a)

de titel wordt vervangen door:

„Toegelaten afgever”;

b)

in lid 1, wordt het woord „afzender” vervangen door „afgever” en de woorden „het communautaire karakter van goederen” worden vervangen door „de douanestatus van Uniegoederen”.

21)

Artikel 15 wordt als volgt gewijzigd:

a)

(heeft geen betrekking op het Nederlands);

b)

onder d), wordt het woord „afzender” vervangen door „afgever”.

22)

Artikel 16 wordt als volgt gewijzigd:

a)

in lid 1 wordt het woord „opstellen” vervangen door „afgeven”;

b)

in lid 1, onder b) en in lid 2, wordt het woord „afzender” vervangen door „afgever”;

c)

in lid 4, eerste zin, wordt de vermelding „Toegelaten afzender — 99206” vervangen door „Toegelaten afgever”, en in de tweede zin wordt de verwijzing „— 99206” geschrapt..

23)

Artikel 17 wordt als volgt gewijzigd:

a)

in lid 1 wordt het woord „afzender” vervangen door „afgever” en „zijn opgesteld” wordt vervangen door „zijn afgegeven”;

b)

in lid 2 wordt het woord „afzender” vervangen door „afgever” en wordt de verwijzing „- 99207” geschrapt.

24)

In artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:,

a)

in lid 1 wordt het woord „opstellen” vervangen door „afgeven” en worden de woorden „het communautaire karakter van goederen” vervangen door „de douanestatus van Uniegoederen”;

b)

in lid 3 worden de woorden „zestig dagen” vervangen door „45 dagen”.

25)

In artikel 19 wordt het woord „afzender” vervangen door „afgever” en de woorden „twee jaar” worden vervangen door „drie jaar”.

26)

Artikel 20 wordt als volgt gewijzigd:

a)

de titel wordt vervangen door:

„Controles bij de toegelaten afgever”;

b)

het woord „afzenders” wordt vervangen door „afgevers”.

27)

In artikel 21 worden de woorden „het communautaire karakter van goederen” vervangen door „de douanestatus van Uniegoederen”.


BIJLAGE D

Aanhangsel III van de overeenkomst wordt als volgt gewijzigd:

1)

Het opschrift van titel I wordt vervangen door:

„GEBRUIK VAN ELEKTRONISCHE GEGEVENSVERWERKINGSTECHNIEKEN TEN BEHOEVE VAN DE AANGIFTE VOOR DOUANEVERVOER EN DE OPSTELLING VAN FORMULIEREN”.

2)

In artikel 3 worden de woorden „stemt overeen met het model en de aanwijzingen” vervangen door „wordt verstrekt met gebruikmaking van het formulier”.

3)

In artikel 4 worden de woorden „stemt overeen met het model en de aanwijzingen” vervangen door „wordt verstrekt met gebruikmaking van het formulier”.

4)

Het opschrift van titel II wordt vervangen door:

„FORMULIEREN VOOR:

HET BEWIJS VAN DE DOUANESTATUS VAN UNIEGOEDEREN,

DE AANGIFTE VOOR DOUANEVERVOER VOOR REIZIGERS,

DE BEDRIJFSCONTINUÏTEITSPROCEDURE VOOR DOUANEVERVOER”.

5)

Artikel 5, lid 1, wordt vervangen door:

„De formulieren waarop de documenten ten bewijze van de douanestatus van Uniegoederen worden opgesteld, worden verstrekt met gebruikmaking van het formulier in de aanhangsels 1 tot en met 4 van bijlage I bij de ED-overeenkomst.”.

6)

Artikel 5, lid 2, wordt vervangen door:

„De formulieren waarop de aangiften voor douanevervoer voor reizigers en de aangiften voor douanevervoer in het kader van de bedrijfscontinuïteitsprocedure voor douanevervoer worden opgesteld, worden verstrekt met gebruikmaking van het formulier in aanhangsel 1 van bijlage I bij de ED-overeenkomst.”.

7)

In artikel 5, lid 4, onder a), worden de woorden „het communautaire karakter van goederen” vervangen door „de douanestatus van Uniegoederen”.

8)

In artikel 5, lid 4, onder b), worden de woorden „noodprocedure” vervangen door „bedrijfscontinuïteitsprocedure voor douanevervoer”.

9)

In artikel 6, lid 2, worden de woorden „COMMUNAUTAIR DOUANEVERVOER” vervangen door „UNIEDOUANEVERVOER”.

10)

In artikel 7, lid 1, worden de woorden „stemt overeen met het model” vervangen door „wordt verstrekt met gebruikmaking van het formulier”.

11)

In artikel 8, lid 1, worden de woorden „stemt overeen met het model” vervangen door „wordt verstrekt met gebruikmaking van het formulier”.

12)

In artikel 8 worden de leden 2 en 3 geschrapt.

13)

In artikel 9, lid 1, worden de woorden „stemt overeen met het model” vervangen door „wordt verstrekt met gebruikmaking van het formulier”.

14)

In artikel 9 worden de leden 2 en 3 geschrapt.


BIJLAGE E

Wijzigingen van bijlage A1 bij aanhangsel III

Bijlage A1 bij aanhangsel III van de overeenkomst wordt als volgt gewijzigd:

1)

Titel I wordt als volgt gewijzigd:

a)

in de eerste en vijfde alinea worden de woorden „aangifte voor douanevervoer” vervangen door „EDI-aangifte voor douanevervoer”;

b)

in de vierde alinea wordt het woord „aangever” vervangen door „houder van de regeling”.

2)

In titel II wordt hoofdstuk II als volgt gewijzigd.

a)

deel A wordt als volgt gewijzigd:

i)

„SGI-CODES” wordt geschrapt;

ii)

„HANDELAAR aangever” wordt vervangen door „HANDELAAR houder van de regeling”;

iii)

(heeft geen betrekking op het Nederlands);

iv)

in de gegevensgroep „ZEKERHEIDSTELLING” wordt de ondergeschikte gegevensgroep „GELDIGHEIDSBEPERKING EG” vervangen door „GELDIGHEIDSBEPERKING EU”;

b)

in deel B wordt de gegevensgroep „DOUANEVERVOER” als volgt gewijzigd:

i)

in het kenmerk Soort aangifte (vak 1) wordt „artikel 23” vervangen door „artikel 28” en de zin „Dit kenmerk moet worden gebruikt.” wordt geschrapt;

ii)

het kenmerk Identiteit bij vertrek (vak 18) wordt als volgt gewijzigd:

1.

in de eerste alinea worden de woorden „het kantoor van vertrek” vervangen door „het douanekantoor van vertrek”;

2.

in de tweede alinea wordt het woord „aangever” vervangen door „houder van de regeling”;

iii)

het kenmerk Nationaliteit bij vertrek (vak 18) wordt als volgt gewijzigd:

1.

in de tweede alinea worden de woorden „het kantoor van vertrek” vervangen door „het douanekantoor van vertrek”;

2.

in de derde alinea wordt het woord „aangever” vervangen door „houder van de regeling”;

iv)

in de eerste alinea van het kenmerk Containers (vak 19) worden de woorden „het kantoor van vertrek” vervangen door „het douanekantoor van vertrek”;

v)

in de eerste alinea van het kenmerk Identiteit bij grensoverschrijding (vak 21) worden de woorden „het kantoor van vertrek” vervangen door „het douanekantoor van vertrek”;

vi)

in de eerste alinea van het kenmerk Vervoerwijze aan de grens (vak 25) worden de woorden „het kantoor van vertrek” vervangen door „het douanekantoor van vertrek”;

vii)

in de tweede alinea van het kenmerk Dialoogtaalindicator bij vertrek worden de woorden „het kantoor van vertrek” vervangen door „het douanekantoor van vertrek”;

c)

(heeft geen betrekking op het Nederlands);

d)

in deel B wordt de gegevensgroep „GOEDERENITEM” als volgt gewijzigd:

i)

in het kenmerk „Goederencode (vak 33)” worden het woord „of” en het tweede streepje geschrapt en in de vierde alinea worden de woorden „in een EVA-land zijn opgesteld” vervangen door „zijn opgesteld in een land dat deelneemt aan het gemeenschappelijk douanevervoer”;

ii)

de titel van en de tekst onder de ondergeschikte gegevensgroep „SGI-CODES (vak 31)” worden geschrapt;

iii)

(heeft geen betrekking op het Nederlands);

iv)

in ondergeschikte gegevensgroep „VOORAFGAANDE ADMINISTRATIEVE VERWIJZINGEN (vak 40)” wordt het woord „douanebestemming” vervangen door „douaneregeling” en in de tweede alinea worden de woorden „het douanekantoor van vertrek” en de woorden „een EVA-land is” vervangen door „een land is dat deelneemt aan het gemeenschappelijk douanevervoer”;

v)

in de ondergeschikte gegevensgroep „VOORGELEGDE STUKKEN/CERTIFICATEN (vak 44)”, eerste alinea, worden de woorden „registratienummers van controle-exemplaren T5,” geschrapt;

vi)

in de ondergeschikte gegevensgroep „BIJZONDERE VERMELDINGEN (vak 44)” wordt de afkorting „EG” vervangen door de woorden „de Unie” en in het kenmerk „Export uit land (vak 44)” wordt de afkorting „EG” vervangen door de woorden „de Unie”;

vii)

in de ondergeschikte gegevensgroep „BIJZONDERE VERMELDINGEN (vak 44)” in het kenmerk „Export uit land (vak 44)” wordt de afkoring „EG” vervangen door „EU”;

e)

in deel B, de titel van de gegevensgroep „HANDELAAR aangever (vak 50)” wordt vervangen door:„HOUDER VAN DE REGELING (vak 50)”;

f)

in deel B, de gegevensgroep „VERTEGENWOORDIGER (vak 50)”, eerste alinea, wordt het woord „aangever” vervangen door „houder van de regeling”;

g)

in deel B, de gegevensgroep „DOUANEKANTOOR van doorgang (vak 51)”, eerste alinea worden de woorden „het voorziene kantoor van binnenkomst” vervangen door „het voorziene douanekantoor van binnenkomst” en de woorden „het kantoor van uitgang” vervangen door „het douanekantoor van uitgang”;

h)

in deel B, de gegevensgroep „DOUANEKANTOOR van bestemming (vak 53)” worden de woorden „de kantoren van bestemming” vervangen door „de douanekantoren van bestemming”;

i)

in deel B, de gegevensgroep „VERZEGELINGSINFORMATIE (vak D)”, eerste alinea, wordt het woord „aangever” vervangen door „houder van de regeling”;

j)

in deel B, de gegevensgroep „ZEKERHEIDSTELLING” in deel B van hoofdstuk II van titel II wordt als volgt gewijzigd:

i)

in de derde en de vijfde alinea na het kenmerk GRN (vak 52) in de ondergeschikte gegevensgroep „ZEKERHEIDSTELLING” worden de woorden „het kantoor van zekerheidstelling” vervangen door „het douanekantoor van zekerheidstelling” en „het geautomatiseerde systeem voor douanevervoer” vervangen door „het elektronische douanevervoersysteem”;

ii)

in de tweede alinea na het kenmerk Toegangscode (vak 52) in de ondergeschikte gegevensgroep „VERWIJZING NAAR ZEKERHEIDSTELLING” wordt het woord „aangever” vervangen door „houder van de regeling”;

iii)

de ondergeschikte gegevensgroep „GELDIGHEIDSBEPERKING EG” wordt vervangen door „GELDIGHEIDSBEPERKING EU”;

iv)

het kenmerk Niet geldig voor EG (vak 52) in de ondergeschikte gegevensgroep „GELDIGHEIDSBEPERKING EG” wordt vervangen door „Niet geldig voor de EU (vak 52)”;

v)

de ondergeschikte gegevensgroep „GELDIGHEIDSBEPERKING NIET-EG” wordt vervangen door „GELDIGHEIDSBEPERKING NIET-EU”;

vi)

in de tweede alinea na het kenmerk Niet geldig voor andere overeenkomstsluitende partijen (vak 52) in de ondergeschikte gegevensgroep „GELDIGHEIDSBEPERKING NIET-EG” wordt het woord „Gemeenschap” vervangen door „Unie”.

Wijzigingen van bijlage A2 bij aanhangsel III

Bijlage A2 bij aanhangsel III van de overeenkomst wordt als volgt gewijzigd:

1)

Punt 4 wordt geschrapt.

2)

Punt 6 wordt als volgt gewijzigd:

a)

bij code T2 worden de woorden „communautaire goederen” vervangen door „Uniegoederen”;

b)

bij code T2F worden de woorden „communautaire goederen” vervangen door „Uniegoederen”, de woorden „het douanegebied van de Gemeenschap” door de woorden „het douanegebied van de Unie” en de woorden „de communautaire regeling voor” door „de voorschriften van de Unie betreffende”;

c)

bij code T2CIM worden de woorden „goederen met communautair karakter” vervangen door „Uniegoederen” en de woorden „of een overdrachtsformulier TR” geschrapt;

d)

bij code T2TIR worden de woorden „goederen met communautair karakter” vervangen door „Uniegoederen”;

e)

bij code T2ATA worden de woorden „goederen met communautair karakter” vervangen door „Uniegoederen”;

f)

bij code T2L worden de woorden „het communautaire karakter van goederen” vervangen door „de douanestatus van Uniegoederen”;

g)

bij code T2LF worden de woorden „het communautaire karakter van goederen” vervangen door „de douanestatus van Uniegoederen”, de woorden „het douanegebied van de Gemeenschap” door de woorden „het douanegebied van de Unie”, de woorden „de communautaire regeling voor” door „de voorschriften van de Unie betreffende” en de woorden „die regeling niet van toepassing is” door „die voorschriften niet van toepassing zijn”;

h)

bij code T1 worden de woorden „niet-communautaire goederen” vervangen door „niet-Uniegoederen”.

3)

Punt 7 wordt als volgt gewijzigd:

a)

op regel twaalf worden de woorden „Vrachtbrief CIM (spoor) 720” vervangen door „SMGS-vrachtbrief (spoor) 722”;

b)

op regel dertien worden de woorden „Road list SMGS 722” geschrapt;

c)

p regel 24 worden de woorden „Controle-exemplaar T5 823” geschrapt;

d)

op regel 33 worden de woorden „Certificaat van oorsprong SAP” vervangen door „Certificaat van oorsprong formulier A (SAP)”;

e)

op regel 39 worden de woorden „Certificaat van oorsprong EUR.1” vervangen door „Certificaat inzake goederenverkeer EUR.1”.

4)

Punt 9 wordt als volgt gewijzigd:

a)

bij DG0 wordt het woord „EVA-land” vervangen door „land dat deelneemt aan het gemeenschappelijk douanevervoer,” en het woord „EG” door „de Unie”;

b)

bij DG1 wordt het woord „EVA-land” vervangen door „land dat deelneemt aan het gemeenschappelijk douanevervoer,” en het woord „EG” door „de Unie”.

5)

Punt 10 wordt als volgt gewijzigd:

a)

op regel acht in de kolom Omstandigheid worden de woorden „tussen het kantoor van vertrek en het kantoor van doorgang” vervangen door „tussen het douanekantoor van vertrek en het douanekantoor van doorgang”;

b)

in de kolom Andere te vermelden gegevens worden de woorden „kantoor van zekerheidstelling” vervangen door „douanekantoor van zekerheidstelling”;

c)

op regel negen in de kolom Omstandigheid worden de woorden „bijlage IV, punt 3, van Aanhangsel I” vervangen door „bijlage I, punt 3, bij aanhangsel I”.

6)

In punt 11 worden de woorden „kantoren van bestemming” vervangen door „douanekantoren van bestemming”.

Wijzigingen van bijlage A4 bij aanhangsel III

Bijlage A4 bij aanhangsel III van de overeenkomst wordt als volgt gewijzigd:

1)

(Heeft geen betrekking op het Nederlands).

2)

In de tweede alinea wordt het woord „aangever” vervangen door „houder van de regeling”.

3)

Punt 1 wordt als volgt gewijzigd:

a)

in de aanhef worden de woorden „Identificatienummer voor verzending (movement reference number of MRN)” vervangen door „Masterreferentienummer (MRN)”;

b)

in de alinea met betrekking tot veld 3 worden de woorden „bevoegde autoriteiten” vervangen door „de douaneautoriteiten”.

4)

(Heeft geen betrekking op het Nederlands).

5)

Punt 3 wordt als volgt gewijzigd:

a)

de zinsnede „wanneer gebruik wordt gemaakt van de noodprocedure” wordt vervangen door „wanneer gebruik wordt gemaakt van de bedrijfscontinuïteitsprocedure voor douanevervoer”;

b)

de volgende zin wordt toegevoegd als laatste alinea:

„Alle verwijzingen naar „aangever” worden gelezen als verwijzingen naar de „houder van de regeling”.”.

6)

In het eerste en tweede streepje van punt 4 worden de woorden „het kantoor van vertrek” vervangen door „het douanekantoor van vertrek”.

7)

Punt 6 wordt als volgt gewijzigd:

a)

in de eerste alinea worden de woorden „het kantoor van vertrek” vervangen door „het douanekantoor van vertrek” en de woorden „het kantoor van bestemming” door „het douanekantoor van bestemming”;

b)

de vierde alinea wordt vervangen door:

„De douaneautoriteiten van het douanekantoor van doorgang of van het douanekantoor van bestemming, naargelang het geval, moeten de op het begeleidingsdocument voor douanevervoer vermelde gegevens in het systeem invoeren. Deze gegevens kunnen ook door de toegelaten geadresseerde worden ingevoerd.”;

c)

de vijfde alinea onder de subrubriek Vak 55: Overladingen wordt vervangen door:

„Wanneer de goederen worden vervoerd in containers die bestemd zijn om op wegvoertuigen te worden geladen, mogen de lidstaten echter toestaan dat de houder van de regeling vak 18 niet invult indien het om logistieke redenen niet mogelijk is op de plaats van vertrek de identiteit en nationaliteit van het vervoermiddel op de aangifte voor douanevervoer te vermelden, mits de lidstaten ervoor zorgen dat de juiste gegevens betreffende het vervoermiddel achteraf in vak 55 worden ingevuld.”.

Wijzigingen van bijlage A6 bij aanhangsel III

Bijlage A6 bij aanhangsel III van de overeenkomst wordt als volgt gewijzigd:

1)

In punt 2 worden de woorden „het kantoor van vertrek” vervangen door „het douanekantoor van vertrek”.

2)

In punt 4 worden de woorden „MRN: identificatienummer voor verzending („movement reference number”) als omschreven in bijlage A4” vervangen door „MRN — masterreferentienummer”.

Wijzigingen van bijlage B1 bij aanhangsel III

Bijlage B1 bij aanhangsel III van de overeenkomst wordt als volgt gewijzigd:

In Vak 33 „Goederencode”, „Eerste deelvak”, wordt de tweede zin vervangen door:

„In de Unie moet echter de achtcijfercode van de gecombineerde nomenclatuur worden ingevuld indien dit volgens de wetgeving van de Unie is vereist.”

Wijzigingen van bijlage B2 bij aanhangsel III

Bijlage B2 bij aanhangsel III van de overeenkomst wordt als volgt gewijzigd:

1)

De titel van bijlage B2 wordt vervangen door:

„AANWIJZINGEN BIJ HET OPSTELLEN VAN DOCUMENTEN TEN BEWIJZE VAN DE DOUANESTATUS VAN UNIEGOEDEREN”.

2)

Deel A., „Algemene bepalingen” wordt als volgt gewijzigd:

a)

in punt 1 worden de woorden „het communautaire karakter van goederen” vervangen door „de douanestatus van Uniegoederen”;

b)

in punt 4 worden de woorden „een nieuwe aangifte wordt ingediend” vervangen door „een nieuw formulier wordt voorgelegd”.

3)

Deel B. „Toelichting op de vakken” wordt als volgt gewijzigd:

a)

in Vak 33 worden de woorden „in een EVA-land opgestelde documenten T2L” vervangen door „documenten T2L die zijn opgesteld in een land dat deelneemt aan het gemeenschappelijk douanevervoer,”;

b)

in Vak 38 en in Vak 44 worden de woorden „In een EVA-land” vervangen door „In een land dat deelneemt aan het gemeenschappelijk douanevervoer,”.

Wijzigingen van bijlage B3 bij aanhangsel III

Bijlage B3 bij aanhangsel III van de overeenkomst wordt als volgt gewijzigd:

1)

De titel van bijlage B3 wordt vervangen door:

„CODES TE GEBRUIKEN BIJ HET OPSTELLEN VAN DOCUMENTEN TEN BEWIJZE VAN DE DOUANESTATUS VAN UNIEGOEDEREN”.

2)

In deel A „Toelichting op de vakken”, Vak 33 „Goederencode”, „Eerste deelvak” wordt de tweede zin vervangen door:

„In de Unie moet echter de achtcijfercode van de gecombineerde nomenclatuur worden ingevuld indien dit volgens de wetgeving van de Unie is vereist.”.

Wijzigingen van bijlage B5 bij aanhangsel III

Bijlage B5 bij aanhangsel III van de overeenkomst wordt als volgt gewijzigd:

1)

In titel II worden de woorden „vermeldt de aangever” vervangen door „vermeldt de houder van de regeling”.

(Heeft geen betrekking op het Nederlands).

2)

Titel III wordt als volgt gewijzigd:

a)

in punt 3 wordt de zinsnede „het formulier waarop hij betrekking heeft” vervangen door „de exemplaren van een aangifte voor douanevervoer waarop hij betrekking heeft”;

b)

punt 4 wordt vervangen door:

„Bij de registratie van een aangifte voor douanevervoer moet de ladinglijst van hetzelfde registratienummer worden voorzien als de formulieren van de aangifte voor douanevervoer waarop hij betrekking heeft. Dit nummer moet worden aangebracht met een stempel waarin de naam van het douanekantoor van vertrek voorkomt, of met de hand. In dat laatste geval moet hij met het officiële stempel van het douanekantoor van vertrek worden geviseerd.

De ondertekening van de formulieren door een ambtenaar van het douanekantoor van vertrek is facultatief.”;

c)

in punt 5 wordt het woord „aangever” vervangen door „houder van de regeling”.

Wijzigingen van bijlage B6 bij aanhangsel III

Bijlage B6 bij aanhangsel III van de overeenkomst wordt als volgt gewijzigd:

1)

Titel I wordt als volgt gewijzigd:

a)

in de tweede alinea wordt het woord „aangever” vervangen door „houder van de regeling”;

b)

in de derde alinea wordt het woord „aangever” vervangen door „houder van de regeling”.

2)

Titel II, deel I. „Formaliteiten in het land van vertrek”, wordt als volgt gewijzigd:

a)

Vak 1 „Aangifte” wordt als volgt gewijzigd:

i)

in punt 3 wordt het woord „artikel 23” vervangen door „artikel 28”;

ii)

na punt 3 wordt het volgende ingevoegd:

„T1

Goederen die niet de douanestatus van Uniegoederen hebben, die onder de regeling gemeenschappelijk douanevervoer worden geplaatst.

T2

Goederen die de douanestatus van Uniegoederen hebben, die onder de regeling gemeenschappelijk douanevervoer worden geplaatst.

T2F

Goederen die de douanestatus van Uniegoederen hebben, die worden overgebracht tussen een deel van het douanegebied van de Unie waar de bepalingen van Richtlijn 2006/112/EG van de Raad (*1) of van Richtlijn 2008/118/EG van de Raad (*2) niet van toepassing zijn, en een land dat deelneemt aan het gemeenschappelijk douanevervoer.

(*1)  Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB L 347 van 11.12.2006, blz. 1)."

(*2)  Richtlijn 2008/118/EG van de Raad van 16 december 2008 houdende een algemene regeling inzake accijns en houdende intrekking van Richtlijn 92/12/EEG (PB L 9 van 14.1.2009, blz. 12).”;"

b)

in Vak 18 „Identiteit en nationaliteit van het vervoermiddel bij vertrek” worden de woorden „het kantoor van vertrek” vervangen door „het douanekantoor van vertrek”;

c)

in Vak 19 „Container(s) (Ctr)”, worden de woorden „het kantoor van vertrek” vervangen door „het douanekantoor van vertrek”;

d)

in Vak 21 „Identiteit en nationaliteit van het grensoverschrijdende actieve vervoermiddel”, vierde alinea, worden de woorden „het kantoor van vertrek” vervangen door „het douanekantoor van vertrek”;

e)

in Vak 25 „Vervoerwijze aan de grens”, worden de woorden „het kantoor van vertrek” vervangen door „het douanekantoor van vertrek”;

f)

in Vak 27 „Plaats van lading” worden de woorden „het kantoor van vertrek” vervangen door „het douanekantoor van vertrek”;

g)

in Vak 33 „Goederencode” wordt geschrapt en vervangen door „- de overeenkomst het gebruik ervan verplicht stelt.” en in de derde alinea onder het subkopje Vak 33: Goederencode worden de woorden „in een EVA-land zijn opgesteld” vervangen door „zijn opgesteld in een land dat deelneemt aan het gemeenschappelijk douanevervoer”;

h)

in Vak 40 worden de woorden „douanebestemming” vervangen door „douaneregeling”;

i)

in Vak 44 „Bijzondere vermeldingen, voorgelegde stukken, certificaten en vergunningen” wordt vervangen door:

„Vermelding van de gegevens die zijn vereist uit hoofde van bijzondere voorschriften van het land van verzending/uitvoer en van de referentienummers van de documenten die ter staving van de aangifte zijn voorgelegd, of enige andere referentie die nodig wordt geacht in verband met de aangifte of de goederen waarop de aangifte betrekking heeft (bijvoorbeeld: nummers van uitvoervergunningen of -certificaten, gegevens vereist krachtens veterinaire en fytosanitaire voorschriften, het nummer van het cognossement). Het deelvak „Code aanvullende informatie (AI)” hoeft niet te worden ingevuld.”;

j)

in Vak 50 „Aangever en gevolmachtigde, plaats, datum en handtekening” wordt het woord „Aangever” vervangen door „Houder van de regeling” en in de tweede alinea worden de woorden „geautomatiseerde systemen” vervangen door „het elektronische douanevervoersysteem” en de woorden „het kantoor van vertrek” door „het douanekantoor van vertrek”;

k)

in Vak 51 „Voorziene kantoren van doorgang (en land)” worden de woorden „het kantoor van uitgang” vervangen door „het douanekantoor van uitgang” en de woorden „De kantoren van doorgang” door „De douanekantoren van doorgang”;

l)

in Vak 52 „Zekerheid” worden de woorden „het kantoor van zekerheidstelling” vervangen door „het douanekantoor van zekerheidstelling”;

m)

in Vak 53 „Kantoor van bestemming (en land)”, eerste alinea, worden de woorden „De kantoren van bestemming” vervangen door „De douanekantoren van bestemming”.

3)

In titel II, deel II „Formaliteiten tijdens het vervoer” worden de woorden „het kantoor van vertrek” vervangen door „het douanekantoor van vertrek” en de woorden „het kantoor van bestemming” door „het douanekantoor van bestemming”.

4)

In titel III Verwijzingen in de verschillende talen met bijbehorende code worden de woorden „Geen verplichte route — 99205” geschrapt in alle talen.

Wijzigingen van bijlage B11 bij aanhangsel III

Bijlage B11 bij aanhangsel III van de overeenkomst wordt als volgt gewijzigd:

De woorden „Kleur: zwart op groen” worden geschrapt.

Wijzigingen van bijlage C7 bij aanhangsel III

Bijlage C7 bij aanhangsel III van de overeenkomst wordt als volgt gewijzigd:

1)

In punt 1.2.2. wordt het woord „aangever” vervangen door „houder van de regeling”.

2)

(Heeft geen betrekking op het Nederlands).

3)

In punt 2.1. wordt het woord „aangever” vervangen door „houder van de regeling”.

4)

In punt 2.2. wordt het woord „aangever” vervangen door „houder van de regeling”.

5)

In punt 2.3. worden de woorden „het kantoor van vertrek” vervangen door „het douanekantoor van vertrek” en wordt het woord „aangever” vervangen door „houder van de regeling”.


(*1)  Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB L 347 van 11.12.2006, blz. 1).

(*2)  Richtlijn 2008/118/EG van de Raad van 16 december 2008 houdende een algemene regeling inzake accijns en houdende intrekking van Richtlijn 92/12/EEG (PB L 9 van 14.1.2009, blz. 12).”;”


BIJLAGE F

De bijlagen B7-B10 en C1-C6 bij aanhangsel III van de overeenkomst worden vervangen door de volgende bijlagen:

„BIJLAGE B7

MODELLEN VAN DE STEMPELS DIE VOOR DE BEDRIJFSCONTINUÏTEITSPROCEDURE WORDEN GEBRUIKT

1.   Stempel nr. 1

NOODPROCEDURE NCTS

UNIEDOUANEVERVOER/GEMEENSCHAPPELIJK DOUANEVERVOER

GEEN GEGEVENS BESCHIKBAAR IN HET SYSTEEM

BEGONNEN OP

(Datum/uur)

(afmetingen: 26 × 59 mm)

2.   Stempel nr. 2

BEDRIJFSCONTINUÏTEITSPROCEDURE

UNIEDOUANEVERVOER/GEMEENSCHAPPELIJK DOUANEVERVOER

GEEN GEGEVENS BESCHIKBAAR IN HET SYSTEEM

BEGONNEN OP

(Datum/uur)

(afmetingen: 26 × 59 mm)

„BIJLAGE B8

TC10 - KENNISGEVING VAN DOORGANG

Image 1

Tekst van het beeld

„BIJLAGE B9

MODEL VAN EEN SPECIALE STEMPEL DIE DOOR EEN TOEGELATEN AFZENDER WORDT GEBRUIKT

1

2

3

4

5

6

(afmetingen: 55 × 25 mm)

1.

Wapen, teken of letter waarmee het land wordt aangeduid

2.

Referentienummer van het douanekantoor van vertrek

3.

Nummer van de aangifte

4.

Datum

5.

Toegelaten afzender

6.

Nummer van de vergunning

„BIJLAGE B10

TC 11 - ONTVANGSTBEWIJS

Image 2

Tekst van het beeld

„BIJLAGE C1

VERBINTENIS VAN DE BORG - ZEKERHEIDSTELLING PER AANGIFTE

I.   Verbintenis van de borg

1.

Ondergetekende (1)

wonend te (2)

stelt zich borg en verbindt zich hoofdelijk bij het kantoor van zekerheidstelling van

tot een maximumbedrag van

jegens de Europese Unie (bestaande uit het Koninkrijk België, de Republiek Bulgarije, de Tsjechische Republiek, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Estland, Ierland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, de Republiek Kroatië, de Italiaanse Republiek, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, het Groothertogdom Luxemburg, Hongarije, de Republiek Malta, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Polen, de Portugese Republiek, Roemenië, de Republiek Slovenië, de Slowaakse Republiek, de Republiek Finland, het Koninkrijk Zweden en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland) en de Republiek IJsland, de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, het Koninkrijk Noorwegen, de Zwitserse Bondsstaat, de Republiek Turkije (3), het Vorstendom Andorra en de Republiek San Marino (4), voor al hetgeen waarvoor de persoon die deze zekerheidstelling verstrekt (5):

aan de voornoemde landen verschuldigd is of kan worden, uit hoofde van de rechten en andere heffingen (6) met betrekking tot de hieronder omschreven, onder de volgende douaneregeling geplaatste goederen (7):

Omschrijving van de goederen:

2.

Ondergetekende verbindt zich ertoe om op het eerste schriftelijke verzoek van de bevoegde autoriteiten van de onder punt 1 genoemde landen de gevorderde bedragen te betalen, zulks zonder de termijn van dertig dagen vanaf het tijdstip van het verzoek te kunnen overschrijden, tenzij ondergetekende of iedere andere belanghebbende vóór het verstrijken van deze termijn ten genoegen van de bevoegde douaneautoriteiten aantoont dat de bijzondere regeling, anders dan de regeling bijzondere bestemming, is aangezuiverd, het douanetoezicht op de bijzondere bestemming van goederen of de tijdelijke opslag naar behoren is beëindigd of, in het geval van andere regelingen dan bijzondere regelingen of tijdelijke opslag, dat de situatie van de goederen is geregulariseerd.

Op verzoek van ondergetekende en om elke als geldig erkende reden kunnen de bevoegde autoriteiten de termijn binnen welke ondergetekende de gevorderde bedragen moet betalen, na de dertig dagen vanaf de datum van het verzoek om betaling verlengen. De uit de toekenning van deze extra termijn voortvloeiende kosten, en met name de rente, moeten zodanig worden berekend dat het bedrag gelijk is aan het bedrag dat op de nationale geld- en kapitaalmarkt zou worden aangerekend.

3.

Deze verbintenis is geldig vanaf de dag van goedkeuring door het kantoor van zekerheidstelling. Ondergetekende blijft aansprakelijk voor de betaling van de schuld die ontstaan is bij de douaneregeling die onder dekking van deze verbintenis begonnen is vóór de datum waarop de intrekking of opzegging van de akte van borgtocht is ingegaan, ook als de betaling pas later wordt geëist.

4.

Ten behoeve van deze verbintenis kiest ondergetekende woonplaats (8) in elk van de onder punt 1 genoemde landen, bij:

Land

Naam en voornaam, of handelsnaam, en volledig adres

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Ondergetekende erkent dat alle correspondentie, betekeningen, formaliteiten en procedures in verband met deze verbintenis die schriftelijk aan één van de gekozen woonplaatsen worden gericht respectievelijk op één van de gekozen woonplaatsen worden vervuld, door hem/haar aanvaard zullen worden als op geldige wijze aan hem/haar te zijn gericht of te zijn vervuld.

Ondergetekende erkent de bevoegdheid van de onderscheiden rechters in wier rechtsgebieden hij/zij woonplaats heeft gekozen.

Ondergetekende verbindt zich ertoe de gekozen woonplaats te handhaven of, als hij/zij één of meer ervan moet wijzigen, dit van tevoren aan het kantoor van zekerheidstelling mee te delen.

Gedaan te …, op …

(Handtekening) (9)

II.   Goedkeuring door het kantoor van zekerheidstelling

Kantoor van zekerheidstelling …

Verbintenis van de borg goedgekeurd op …ter dekking van de douaneregeling waarop de douaneaangifte/aangifte tot tijdelijke opslag

nr. …dd …betrekking heeft (10)

(Stempel en handtekening)

„BIJLAGE C2

VERBINTENIS VAN DE BORG - ZEKERHEIDSTELLING PER AANGIFTE MET BEWIJS VAN ZEKERHEIDSTELLING

I.   Verbintenis van de borg

1.

Ondergetekende (11)

…,

wonend te (12)

stelt zich borg en verbindt zich hoofdelijk bij het kantoor van zekerheidstelling van

jegens de Europese Unie (bestaande uit het Koninkrijk België, de Republiek Bulgarije, de Tsjechische Republiek, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Estland, Ierland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, de Republiek Kroatië, de Italiaanse Republiek, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, het Groothertogdom Luxemburg, Hongarije, de Republiek Malta, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Polen, de Portugese Republiek, Roemenië, de Republiek Slovenië, de Slowaakse Republiek, de Republiek Finland, het Koninkrijk Zweden en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland) en de Republiek IJsland, de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, het Koninkrijk Noorwegen, de Republiek Servië, de Zwitserse Bondsstaat, de Republiek Turkije, het Vorstendom Andorra en de Republiek San Marino (13), voor al hetgeen de houder van de regeling aan de voornoemde landen verschuldigd is of kan worden, uit hoofde van de rechten en andere heffingen in verband met de invoer of uitvoer voor de onder de regeling Uniedouanevervoer of gemeenschappelijk douanevervoer geplaatste goederen, ten aanzien waarvan ondergetekende zich verbonden heeft tot afgifte van bewijzen van zekerheidstelling per aangifte ten belope van ten hoogste 10 000 EUR per bewijs.

2.

Ondergetekende verbindt zich ertoe om op het eerste schriftelijke verzoek van de bevoegde autoriteiten van de onder punt 1 genoemde landen de gevorderde bedragen te betalen, tot het maximumbedrag van 10 000 EUR per bewijs van zekerheidstelling per aangifte en zonder de termijn van dertig dagen vanaf het tijdstip van het verzoek te kunnen overschrijden, tenzij ondergetekende of iedere andere belanghebbende vóór het verstrijken van deze termijn ten genoegen van de bevoegde autoriteiten aantoont dat de regeling is aangezuiverd.

Op verzoek van ondergetekende en om elke als geldig erkende reden kunnen de bevoegde autoriteiten de termijn binnen welke ondergetekende de gevorderde bedragen moet betalen, na de dertig dagen vanaf de datum van het verzoek om betaling verlengen. De uit de toekenning van deze extra termijn voortvloeiende kosten, en met name de rente, moeten zodanig worden berekend dat het bedrag gelijk is aan het bedrag dat op de nationale geld- en kapitaalmarkt zou worden aangerekend.

3.

Deze verbintenis is geldig vanaf de dag van goedkeuring door het kantoor van zekerheidstelling. Ondergetekende blijft aansprakelijk voor de betaling van de schuld die ontstaan is bij de regeling Uniedouanevervoer of gemeenschappelijk douanevervoer die onder dekking van deze verbintenis begonnen is vóór de datum waarop de intrekking of opzegging van de akte van borgtocht is ingegaan, ook als de betaling pas later wordt geëist.

4.

Ten behoeve van deze verbintenis kiest ondergetekende woonplaats (14) in elk van de onder punt 1 genoemde landen, bij:

Land

Naam en voornaam, of handelsnaam, en volledig adres

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Ondergetekende erkent dat alle correspondentie, betekeningen, formaliteiten en procedures in verband met deze verbintenis die schriftelijk aan één van de gekozen woonplaatsen worden gericht respectievelijk op één van de gekozen woonplaatsen worden vervuld, door hem/haar aanvaard zullen worden als op geldige wijze aan hem/haar te zijn gericht of te zijn vervuld.

Ondergetekende erkent de bevoegdheid van de onderscheiden rechters in wier rechtsgebieden hij/zij woonplaats heeft gekozen.

Ondergetekende verbindt zich ertoe de gekozen woonplaats te handhaven of, als hij/zij één of meer ervan moet wijzigen, dit van tevoren aan het kantoor van zekerheidstelling mee te delen.

Gedaan te …

op …

(Handtekening) (15)

II.   Goedkeuring door het kantoor van zekerheidstelling

Kantoor van zekerheidstelling

Verbintenis van de borg aanvaard op …

(Stempel en handtekening)

„BIJLAGE C3

BEWIJS VAN ZEKERHEIDSTELLING PER AANGIFTE

Image 3

Tekst van het beeld

Technische voorschriften voor het bewijs van zekerheidstelling

Het bewijs van zekerheidstelling wordt gedrukt op houtpapier, zodanig gelijmd dat het goed beschrijfbaar is, met een gewicht van ten minste 55 g/m2. Het is voorzien van een roodkleurige, geguillocheerde onderdruk die elke vervalsing met behulp van mechanische of chemische middelen zichtbaar maakt. De kleur van het papier is wit.

Het formaat is 148 × 105 mm.

Het bewijs van zekerheidstelling moet voorzien zijn van de naam en het adres van de drukker of van een teken aan de hand waarvan deze kan worden geïdentificeerd, alsook van een identificatienummer.

„BIJLAGE C4

VERBINTENIS VAN DE BORG - DOORLOPENDE ZEKERHEIDSTELLING

I.   Verbintenis van de borg

1.

Ondergetekende (16)

…,

wonend te (17)

stelt zich borg en verbindt zich hoofdelijk bij het kantoor van zekerheidstelling van

tot een maximumbedrag van …

jegens de Europese Unie (bestaande uit het Koninkrijk België, de Republiek Bulgarije, de Tsjechische Republiek, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Estland, Ierland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, de Republiek Kroatië, de Italiaanse Republiek, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, het Groothertogdom Luxemburg, Hongarije, de Republiek Malta, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Polen, de Portugese Republiek, Roemenië, de Republiek Slovenië, de Slowaakse Republiek, de Republiek Finland, het Koninkrijk Zweden en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland) en de Republiek IJsland, de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, het Koninkrijk Noorwegen, de Republiek Servie, de Zwitserse Bondsstaat, de Republiek Turkije (18), het Vorstendom Andorra en de Republiek San Marino (19),

voor al hetgeen waarvoor de persoon die deze zekerheidstelling verstrekt (20) …aan de voornoemde landen verschuldigd is of kan worden, uit hoofde van de rechten en andere heffingen (21) die kunnen en/of zijn ontstaan met betrekking tot goederen die onder de in punt 1a en/of 1b vermelde douaneregelingen zijn geplaatst.

Het maximumbedrag van de zekerheidsstelling bestaat uit een bedrag ter hoogte van

a)

hetgeen overeenkomt met 100/50/30 % (22) van het deel van het referentiebedrag dat overeenkomt met het bedrag van de douaneschuld en andere heffingen die kunnen ontstaan, gelijk aan de som van de in punt 1a genoemde bedragen

en

b)

hetgeen overeenkomt met 100/30 % (22) van het deel van het referentiebedrag dat overeenkomt met het bedrag van de douaneschuld en andere heffingen die zijn ontstaan, gelijk aan de som van de in punt 1b genoemde bedragen.

1a.

De bedragen die deel uitmaken van het referentiebedrag dat overeenkomt met het bedrag van de douaneschuld en, in voorkomend geval, andere heffingen die kunnen ontstaan, zijn de volgende voor elk van de hieronder genoemde doeleinden (23):

a)

tijdelijke opslag — …,

b)

Uniedouanevervoer/gemeenschappelijk douanevervoer — …,

c)

stelsel van douane-entrepots — …,

d)

tijdelijke invoer met volledige vrijstelling van invoerrechten — …,

e)

actieve veredeling — …,

f)

bijzondere bestemming — …,

g)

indien een andere regeling — vermeld het andere soort regeling — ….

1b.

De bedragen die deel uitmaken van het referentiebedrag dat overeenkomt met het bedrag van de douaneschuld en, in voorkomend geval, andere heffingen die zijn ontstaan, zijn de volgende voor elk van onderstaande doeleinden (24):

a)

in het vrije verkeer brengen in het kader van de normale douaneaangifte zonder uitstel van betaling — …,

b)

in het vrije verkeer brengen in het kader van de normale douaneaangifte met uitstel van betaling — …,

c)

in het vrije verkeer brengen in het kader van een douaneaangifte die overeenkomstig artikel 166 van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie- …,

d)

in het vrije verkeer brengen in het kader van een douaneaangifte die overeenkomstig artikel 182 van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie …,

e)

tijdelijke invoer met gedeeltelijke vrijstelling van invoerrechten — …,

f)

bijzondere bestemming — … (24),

g)

indien een andere regeling — vermeld het andere soort regeling — ….

2.

Ondergetekende verbindt zich ertoe om op het eerste schriftelijke verzoek van de bevoegde autoriteiten van de onder punt 1 genoemde landen de gevorderde bedragen te betalen, zulks tot het hierboven vermelde maximumbedrag en zonder de termijn van dertig dagen vanaf het tijdstip van het verzoek te kunnen overschrijden, tenzij ondergetekende of iedere andere belanghebbende vóór het verstrijken van deze termijn ten genoegen van de bevoegde douaneautoriteiten aantoont dat de bijzondere regeling, anders dan de regeling bijzondere bestemming, is aangezuiverd, het douanetoezicht op de bijzondere bestemming van goederen of de tijdelijke opslag naar behoren is beëindigd of, in het geval van andere regelingen dan bijzondere regelingen, dat de situatie van de goederen is geregulariseerd.

Op verzoek van ondergetekende en om elke als geldig erkende reden kunnen de bevoegde autoriteiten de termijn binnen welke ondergetekende de gevorderde bedragen moet betalen, na de dertig dagen vanaf de datum van het verzoek om betaling verlengen. De uit de toekenning van deze extra termijn voortvloeiende kosten, en met name de rente, moeten zodanig worden berekend dat het bedrag gelijk is aan het bedrag dat op de nationale geld- en kapitaalmarkt zou worden aangerekend.

Dit bedrag kan slechts dan worden verminderd met de reeds krachtens deze verbintenis betaalde sommen, wanneer de ondergetekende wordt aangesproken om een schuld te betalen die is ontstaan bij een douaneregeling die is begonnen vóór de ontvangst van het vorige verzoek tot betaling of binnen dertig dagen na ontvangst daarvan.

3.

Deze verbintenis is geldig vanaf de dag van goedkeuring door het kantoor van zekerheidstelling. Ondergetekende blijft aansprakelijk voor de betaling van de schuld die ontstaan is bij de douaneregeling die onder dekking van deze verbintenis begonnen is vóór de datum waarop de intrekking of opzegging van de akte van borgtocht is ingegaan, ook als de betaling pas later wordt geëist.

4.

Ten behoeve van deze verbintenis kiest ondergetekende woonplaats (25) in elk van de onder punt 1 genoemde landen, bij:

Land

Naam en voornaam, of handelsnaam, en volledig adres

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Ondergetekende erkent dat alle correspondentie, betekeningen, formaliteiten en procedures in verband met deze verbintenis die schriftelijk aan één van de gekozen woonplaatsen worden gericht respectievelijk op één van de gekozen woonplaatsen worden vervuld, door hem/haar aanvaard zullen worden als op geldige wijze aan hem/haar te zijn gericht of te zijn vervuld.

Ondergetekende erkent de bevoegdheid van de onderscheiden rechters in wier rechtsgebieden hij/zij woonplaats heeft gekozen.

Ondergetekende verbindt zich ertoe de gekozen woonplaats te handhaven of, als hij/zij één of meer ervan moet wijzigen, dit van tevoren aan het kantoor van zekerheidstelling mee te delen.

Gedaan te …

op …

(Handtekening) (26)

II.   Goedkeuring door het kantoor van zekerheidstelling

Kantoor van zekerheidstelling

Verbintenis van de borg aanvaard op

(Stempel en handtekening)

„BIJLAGE C5

CERTIFICAAT VAN DOORLOPENDE ZEKERHEIDSTELLING

TC31 CERTIFICAAT VAN DOORLOPENDE ZEKERHEIDSTELLING

Voorzijde

1.

Laatste dag van geldigheid

Dag

Maand

Jaar

2.

Nummer

3.

Houder van de regeling (naam en voornaam of handelsnaam, volledig adres en land)

 

4.

Borg (naam en voornaam of handelsnaam, volledig adres en land)

 

5.

Douanekantoor van zekerheidstelling (referentienummer)

 

6.

Referentiebedrag

Valutacode

In cijfers:

In letters:

7.

Het douanekantoor van zekerheidstelling verklaart dat de hierboven genoemde houder van de regeling een doorlopende zekerheid heeft gesteld die geldig is voor Uniedouanevervoer/gemeenschappelijk douanevervoer door de hierna genoemde douanegebieden waarvan de naam niet is doorgehaald:

EUROPESE UNIE, IJSLAND — DE VOORMALIGE JOEGOSLAVISCHE REPUBLIEK MACDEONIË — NOORWEGEN — SERVIË — ZWITZERLAND — TURKIJE — ANDORRA (*1) — SAN MARINO (*1)

8.

Bijzondere vermeldingen

9.

Geldigheidsduur verlengd tot en met

dd/mm/jj… inbegrepen

 

Gedaan

te …

op …

(plaats)

(datum)

(Handtekening en stempel van het douanekantoor van zekerheidstelling)

Gedaan

te …

op …

(plaats)

(datum)

(Handtekening en stempel van het douanekantoor van zekerheidstelling)

Achterzijde

10.

Personen die gemachtigd zijn om namens de houder van de regeling aangiften voor Uniedouanevervoer/gemeenschappelijk douanevervoer te ondertekenen

11.

Naam, voornaam en voorbeeldhandtekening van de gemachtigde persoon

12.

Handtekening van de houder van de regeling (*2)

11.

Naam, voornaam en voorbeeldhandtekening van de gemachtigde persoon

12.

Handtekening van de houder van de regeling (*2)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

„BIJLAGE C6

CERTIFICAAT VAN ONTHEFFING VAN ZEKERHEIDSTELLING

TC33 CERTIFICAAT VAN ONTHEFFING VAN ZEKERHEIDSTELLING

Voorzijde

1.

Laatste dag van geldigheid

Dag

Maand

Jaar

2.

Nummer

3.

Houder van de regeling (naam en voornaam of handelsnaam, volledig adres en land)

 

4.

Douanekantoor van zekerheidstelling (referentienummer)

 

5.

Referentiebedrag

Valutacode

In cijfers

In letters

6.

Het douanekantoor van zekerheidstelling verklaart dat de hierboven genoemde houder van de regeling ontheffing van zekerheidstelling is verleend voor zijn Uniedouanevervoer/gemeenschappelijk douanevervoer door de hierna genoemde douanegebieden waarvan de naam niet is doorgehaald:

EUROPESE UNIE, IJSLAND, DE VOORMALIGE JOEGOSLAVISCHE REPUBLIEK MACDEONIË, NOORWEGEN, SERVIË, ZWITZERLAND, TURKIJE, ANDORRA (*3), SAN MARINO (*3)

7.

Bijzondere vermeldingen

8.

Geldigheidsduur verlengd tot en met

dd/mm/jj

inbegrepen

 

Gedaan

te …

op …

(plaats)

(datum)

(Handtekening en stempel van het douanekantoor van zekerheidstelling)

Gedaan

te …

op …

(plaats)

(datum)

(Handtekening en stempel van het douanekantoor van zekerheidstelling)

Achterzijde

9.

Personen die gemachtigd zijn om namens de houder van de regeling aangiften voor Uniedouanevervoer/gemeenschappelijk douanevervoer te ondertekenen

10.

Naam, voornaam en voorbeeldhandtekening van de gemachtigde persoon

11.

Handtekening van de houder van de regeling (*4)

10.

Naam, voornaam en voorbeeldhandtekening van de gemachtigde persoon

11.

Handtekening van de houder van de regeling (*4)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


(1)  Naam en voornaam, of handelsnaam.

(2)  Volledig adres.

(3)  Haal de naam/namen door van de staat/staten op het grondgebied waarvan de zekerheidstelling niet mag worden gebruikt.

(4)  De verwijzingen naar het Vorstendom Andorra en de Republiek San Marino hebben uitsluitend op Uniedouanevervoer betrekking.

(5)  Naam en voornaam, of handelsnaam, en volledig adres van de persoon die de zekerheidstelling verstrekt.

(6)  Van toepassing met betrekking tot de andere verschuldigde heffingen in verband met de invoer of uitvoer van de goederen wanneer de zekerheidstelling wordt gebruikt om goederen onder de regeling Uniedouanevervoer of gemeenschappelijk douanevervoer te plaatsen of in meer dan één lidstaat kan worden gebruikt.

(7)  Vermeld een van de volgende douaneregelingen:

a)

tijdelijke opslag,

b)

Uniedouanevervoer/gemeenschappelijk douanevervoer,

c)

stelsel van douane-entrepots,

d)

tijdelijke invoer met volledige vrijstelling van invoerrechten,

e)

actieve veredeling,

f)

bijzondere bestemming,

g)

in het vrije verkeer brengen in het kader van de normale douaneaangifte zonder uitstel van betaling,

h)

in het vrije verkeer brengen in het kader van de normale douaneaangifte met uitstel van betaling,

i)

in het vrije verkeer brengen in het kader van een douaneaangifte die overeenkomstig artikel 166 van Verordening (EU) nr. 952/2013 (PB L 269 van 10.10.2013, blz. 1),

j)

in het vrije verkeer brengen in het kader van een douaneaangifte die overeenkomstig artikel 182 van Verordening (EU) nr. 952/2013,

k)

tijdelijke invoer met gedeeltelijke vrijstelling van invoerrechten,

l)

indien een andere regeling — vermeld het andere soort regeling.

(8)  Wanneer de wetgeving van een land niet voorziet in de mogelijkheid om woonplaats te kiezen, wijst de borg in dit land een lasthebber aan die gemachtigd is alle voor de borg bestemde mededelingen te ontvangen. De verbintenissen in punt 4, tweede en vierde alinea, moeten op overeenkomstige wijze worden bedongen. De onderscheiden rechters in wier rechtsgebieden de woonplaatsen van de borg en van de lasthebber zijn gelegen, zijn bevoegd kennis te nemen van de geschillen betreffende deze borgtocht.

(9)  De ondertekenaar dient vóór zijn handtekening het volgende in handschrift te vermelden: „Goed voor borgstelling voor een bedrag van …” (waarbij het bedrag voluit in letters wordt geschreven)

(10)  In te vullen door het kantoor waar de goederen onder de regeling of in tijdelijke opslag zijn geplaatst.

(11)  Naam en voornaam, of handelsnaam.

(12)  Volledig adres.

(13)  De verwijzingen naar het Vorstendom Andorra en de Republiek San Marino hebben uitsluitend op Uniedouanevervoer betrekking.

(14)  Wanneer de wetgeving van een land niet voorziet in de mogelijkheid om woonplaats te kiezen, wijst de borg in dit land een lasthebber aan die gemachtigd is alle voor de borg bestemde mededelingen te ontvangen. De verbintenissen in punt 4, tweede en vierde alinea, moeten op overeenkomstige wijze worden bedongen. De onderscheiden rechters in wier rechtsgebieden de woonplaatsen van de borg en van de lasthebber zijn gelegen, zijn bevoegd kennis te nemen van de geschillen betreffende deze borgtocht.

(15)  De ondertekenaar dient vóór zijn handtekening het volgende in handschrift te vermelden: „Geldig als bewijs van zekerheidstelling”.

(16)  Naam en voornaam, of handelsnaam.

(17)  Volledig adres.

(18)  Haal de naam/namen door van het land/de landen op het grondgebied waarvan de zekerheidstelling niet mag worden gebruikt.

(19)  De verwijzingen naar het Vorstendom Andorra en de Republiek San Marino hebben uitsluitend op Uniedouanevervoer betrekking.

(20)  Naam en voornaam, of handelsnaam, en volledig adres van de persoon die zich borg stelt.

(21)  Van toepassing met betrekking tot de andere verschuldigde heffingen in verband met de invoer of uitvoer van de goederen wanneer de zekerheidstelling wordt gebruikt om goederen onder de regeling Uniedouanevervoer/gemeenschappelijk douanevervoer te plaatsen of in meer dan één lidstaat of overeenkomstsluitende partij kan worden gebruikt.

(22)  Doorhalen wat niet van toepassing is.

(23)  Andere regelingen dan gemeenschappelijk douanevervoer zijn uitsluitend in de Unie van toepassing.

(24)  Voor de opgegeven bedragen in een douaneaangifte voor de regeling bijzondere bestemming.

(25)  Wanneer de wetgeving van een land niet voorziet in de mogelijkheid om woonplaats te kiezen, wijst de borg in dit land een lasthebber aan die gemachtigd is alle voor de borg bestemde mededelingen te ontvangen. De verbintenissen in punt 4, tweede en vierde alinea, moeten op overeenkomstige wijze worden bedongen. De onderscheiden rechters in wier rechtsgebieden de woonplaatsen van de borg en van de lasthebber zijn gelegen, zijn bevoegd kennis te nemen van de geschillen betreffende deze borgtocht.

(26)  De ondertekenaar dient vóór zijn handtekening het volgende in handschrift te vermelden: „Goed voor borgstelling voor een bedrag van …” (waarbij het bedrag voluit in letters wordt geschreven).

(*1)  Uitsluitend voor Uniedouanevervoer.

(*2)  Wanneer de houder van de regeling een rechtspersoon is, moet degene die in vak 12 ondertekent, zijn handtekening laten volgen door de vermelding van zijn naam, voornaam en functie in de onderneming.

(*3)  Uitsluitend voor Uniedouanevervoer.

(*4)  Wanneer de houder van de regeling een rechtspersoon is, moet degene die in vak 11 ondertekent, zijn handtekening laten volgen door de vermelding van zijn naam, voornaam en functie in de onderneming.


BIJLAGE G

Aanhangsel IV van de overeenkomst en de bijlagen bij dat aanhangsel IV worden als volgt gewijzigd:

1)

De tekst van aanhangsel IV wordt als volgt gewijzigd:

a)

(heeft geen betrekking op het Nederlands);

b)

artikel 4, lid 6, wordt vervangen door:

„Het verzoek om inlichtingen wordt gedaan met gebruikmaking van het formulier in bijlage II bij dit aanhangsel.”;

c)

artikel 5, lid 4, wordt vervangen door:

„Het verzoek tot notificatie wordt gedaan met gebruikmaking van het formulier in bijlage III bij dit aanhangsel.”;

d)

artike 13, lid 3, wordt vervangen door:

„Het verzoek tot het nemen van conservatoire maatregelen wordt gedaan met gebruikmaking van het formulier in bijlage IV bij dit aanhangsel.”.

2)

De tekst van bijlage I bij aanhangsel IV wordt als volgt gewijzigd:

a)

in artikel 4 worden de woorden „per telex” vervangen door „per e-mail”;

b)

in artikel 5, lid 2, derde alinea worden de woorden „per telex” vervangen door „per e-mail”;

c)

in artikel 7 worden de woorden „per telex” vervangen door „per e-mail”;

d)

in de eerste alinea van artikel 8 worden de woorden „volgens het in bijlage III opgenomen model” vervangen door „met gebruikmaking van het in bijlage III opgenomen formulier”;

e)

in artikel 11, lid 1, worden de woorden „op een formulier dat overeenstemt met het in bijlage IV opgenomen model” vervangen door „met gebruikmaking van het in bijlage IV opgenomen formulier”;

f)

in artikel 14 worden de woorden „per telex” vervangen door „per e-mail” ;

g)

in de derde alinea van artikel 15 worden de woorden „per telex” vervangen door „per e-mail”;

h)

in artikel 16 worden de woorden „per telex” vervangen door „per e-mail” ;

i)

in artikel 17, leden 1 en 2, worden de woorden „per telex” vervangen door „per e-mail”.

3)

In bijlage II, III en IV bij aanhangsel IV, wordt het woord „telex” in de tekst „(Naam van de verzoekende autoriteit, adres, telefoonnummer, telex, bankrekeningen enz.)” vervangen door het woord „e-mail”.