|
19.5.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 129/54 |
BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER
Nr. 70/2015
van 20 maart 2015
tot wijziging van Protocol 4 (oorsprongsregels) bij de EER-overeenkomst [2016/753]
HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER,
Gezien de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte („de EER-overeenkomst”), en met name artikel 98,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Protocol 4 bij de EER-overeenkomst betreft de oorsprongsregels. |
|
(2) |
De Republiek Kroatië is op 1 juli 2013 tot de Europese Unie toegetreden. |
|
(3) |
Nadat de toetredingsonderhandelingen met de Europese Unie met succes waren afgerond, heeft Kroatië een verzoek ingediend om partij te worden bij de EER-overeenkomst. |
|
(4) |
De Overeenkomst inzake de deelname van de Republiek Kroatië aan de Europese Economische Ruimte („de EER-uitbreidingsovereenkomst”) (1) is op 20 december 2013 geparafeerd. |
|
(5) |
De EER-uitbreidingsovereenkomst is op 11 april 2014 ondertekend en wordt voorlopig toegepast sinds 12 april 2014. |
|
(6) |
Bepaalde overgangsregelingen betreffende de toepassing van de oorsprongsregels na de voorlopige toepassing van de EER-uitbreidingsovereenkomst moeten worden verwerkt in de EER-overeenkomst, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
Protocol 4 bij de EER-overeenkomst wordt gewijzigd zoals vastgesteld in de bijlage bij dit besluit.
Artikel 2
Dit besluit treedt in werking op de dag waarop het wordt vastgesteld, op voorwaarde dat alle in artikel 103, lid 1, van de EER-overeenkomst bedoelde kennisgevingen hebben plaatsgevonden (*1).
Het is van toepassing met ingang van 1 juli 2013.
Artikel 3
Dit besluit wordt bekendgemaakt in het EER-gedeelte van en in het EER-supplement bij het Publicatieblad van de Europese Unie.
Gedaan te Brussel, 20 maart 2015.
Voor het Gemengd Comité van de EER
De voorzitter
Gianluca GRIPPA
(1) PB L 170 van 11.6.2014, blz. 5.
(*1) Geen grondwettelijke vereisten aangegeven.
BIJLAGE
In Protocol 4 bij de EER-overeenkomst wordt na artikel 40 het volgende toegevoegd:
„Artikel 41
Overgangsregelingen in verband met de toetreding van de Republiek Kroatië tot de Europese Unie
1. Een bewijs van oorsprong dat is afgegeven door een EVA-staat of de Republiek Kroatië krachtens een preferentiële overeenkomst tussen de EVA-staten en de Republiek Kroatië geldt als bewijs van preferentiële EER-oorsprong, mits:
|
a) |
het bewijs van oorsprong en de vervoersdocumenten uiterlijk op de dag voor de toetreding van de Republiek Kroatië tot de Europese Unie zijn afgegeven of opgesteld; en |
|
b) |
het bewijs van oorsprong binnen vier maanden na de datum van toetreding van de Republiek Kroatië tot de Europese Unie bij de douane is ingediend. |
Wanneer goederen uit een EVA-staat of de Republiek Kroatië vóór de datum waarop de Republiek Kroatië tot de Europese Unie is toegetreden, ten invoer zijn aangegeven in de Republiek Kroatië respectievelijk een EVA-staat in het kader van een preferentiële regeling die op dat tijdstip tussen een EVA-staat en de Republiek Kroatië van kracht was, wordt een bewijs van oorsprong dat krachtens die regeling achteraf is afgegeven eveneens in de EVA-staten en de Republiek Kroatië aanvaard, mits dit bewijs binnen vier maanden na de datum van toetreding van de Republiek Kroatië tot de Europese Unie aan de douaneautoriteiten is overgelegd.
2. Vergunningen waarbij de status van „toegelaten exporteur” is toegekend in het kader van overeenkomsten tussen de EVA-staten, enerzijds, en de Republiek Kroatië, anderzijds, mogen door de EVA-staten, enerzijds, en de Republiek Kroatië, anderzijds, worden gehandhaafd, mits de toegelaten exporteurs de oorsprongsregels van dit protocol toepassen.
De EVA-staten en de Republiek Kroatië bezien uiterlijk één jaar na de datum van toetreding van de Republiek Kroatië tot de Europese Unie of deze vergunningen moeten worden vervangen door nieuwe vergunningen overeenkomstig dit protocol.
3. Verzoeken om controle achteraf van bewijzen van oorsprong die zijn afgegeven of opgesteld op grond van de preferentiële overeenkomst als bedoeld in de leden 1 en 2, worden gedurende een periode van drie jaar na de afgifte of opstelling van het betrokken bewijs van oorsprong aanvaard door de bevoegde douaneautoriteiten van de EVA-staten of Kroatië, en kunnen door die autoriteiten nog worden ingediend gedurende een periode van drie jaar na aanvaarding van het bewijs van oorsprong dat aan die autoriteiten ter staving van een aangifte ten invoer is voorgelegd.
4. De bepalingen van de EER-overeenkomst kunnen worden toegepast op goederen die vanuit de Republiek Kroatië of de EVA-staten of vanuit de EVA-staten naar de Republiek Kroatië worden uitgevoerd, wanneer die goederen voldoen aan dit protocol en op de datum van de toetreding van de Republiek Kroatië tot de Europese Unie ofwel onderweg waren of in tijdelijke opslag waren in een douane-entrepot of in een vrije zone in een EVA-staat of de Republiek Kroatië.
5. In dergelijke gevallen mag preferentiële behandeling worden verleend als bedoeld in lid 4, mits binnen vier maanden na de datum van de toetreding van de Republiek Kroatië tot de Europese Unie bij de douaneautoriteiten van het land van invoer een bewijs van oorsprong is ingediend dat achteraf is afgegeven door de douaneautoriteiten van het land van uitvoer.”.