Verdrag betreffende de Europese Unie (geconsolideerde versie) - Titel II: Bepalingen houdende wijziging van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap met het oog op de oprichting van de Europese Gemeenschap - Artikel 8 - Artikel G - EU Verdrag (Maastricht 1992)
Publicatieblad Nr. C 340 van 10/11/1997 blz. 0154 - Geconsolideerde versie
Publicatieblad Nr. C 191 van 29/07/1992 blz. 0005
Verdrag betreffende de Europese Unie (geconsolideerde versie) Artikel 8 Het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap wordt gewijzigd overeenkomstig de bepalingen van dit artikel, ten einde een Europese Gemeenschap op te richten. A.In het gehele Verdrag 1) worden de woorden "Europese Economische Gemeenschap" vervangen door "Europese Gemeenschap". B. Het eerste deel - "De beginselen" wordt als volgt gewijzigd: 2) Artikel 2 wordt vervangen door: "Artikel 2 De Gemeenschap heeft tot taak, door het instellen van een gemeenschappelijke markt en een economische en monetaire unie en door de tenuitvoerlegging van het gemeenschappelijk beleid of de gemeenschappelijke activiteiten, bedoeld in de artikelen 3 en 3 A, het bevorderen van een harmonische en evenwichtige ontwikkeling van de economische activiteit binnen de gehele Gemeenschap, een duurzame en niet-inflatoire groei met inachtneming van het milieu, een hoge graad van convergentie van de economische prestaties, een hoog niveau van werkgelegenheid en van sociale bescherming, een verbetering van de levensstandaard en van de kwaliteit van het bestaan, de economische en sociale samenhang en de solidariteit tussen de Lid-Staten.". 3) Artikel 3 wordt vervangen door: "Artikel 3 Ten einde de in artikel 2 genoemde doelstellingen te bereiken, omvat het optreden van de Gemeenschap onder de voorwaarden en volgens het tijdschema waarin dit Verdrag voorziet: a)de afschaffing tussen de Lid-Staten van de douanerechten en de kwantitatieve beperkingen bij in- en uitvoer van goederen alsmede van alle overige maatregelen van gelijke werking, b) een gemeenschappelijke handelspolitiek, c) een interne markt, gekenmerkt door de afschaffing tussen de Lid-Staten van hinderpalen voor het vrije verkeer van goederen, personen, diensten en kapitaal, d) maatregelen inzake binnenkomst en verkeer van personen in de interne markt, overeenkomstig artikel 100 C, e) een gemeenschappelijk beleid op het gebied van landbouw en visserij, f) een gemeenschappelijk beleid op het gebied van het vervoer, g) een regime waardoor wordt verzekerd dat de mededinging binnen de interne markt niet wordt vervalst, h) het nader tot elkaar brengen van de nationale wetgevingen in de mate waarin dat voor de werking van de gemeenschappelijke markt noodzakelijk is, i) een beleid op sociaal gebied, met inbegrip van een Europees Sociaal Fonds, j) de versterking van de economische en sociale samenhang, k) een beleid op het gebied van het milieu, l) het versterken van het concurrentievermogen van de industrie van de Gemeenschap, m) het stimuleren van onderzoek en technologische ontwikkeling, n) het aanmoedigen van het invoeren en ontwikkelen van transeuropese netwerken, o) een bijdrage tot het verwezenlijken van een hoog niveau van bescherming van de gezondheid, p) een bijdrage tot onderwijs en opleiding van hoog gehalte, en tot de ontplooiing van de culturen van de Lid- Staten, q) een beleid op het gebied van ontwikkelingssamenwerking, r) de associatie van landen en gebieden overzee, ten einde het handelsverkeer uit te breiden en in gezamenlijke inspanning de economische en sociale ontwikkeling te bevorderen, s) een bijdrage tot de versterking van de consumentenbescherming, t) maatregelen op het gebied van energie, civiele bescherming en toerisme.". 4) Het volgende artikel wordt ingevoegd: "Artikel 3 A 1. Ten einde de in artikel 2 genoemde doelstellingen te bereiken, omvat het optreden van de Lid-Staten en de Gemeenschap, onder de voorwaarden en volgens het tijdschema waarin dit Verdrag voorziet, de invoering van een economisch beleid dat gebaseerd is op de nauwe cooerdinatie van het economisch beleid van de Lid-Staten, op de interne markt en op de uitwerking van gemeenschappelijke doelstellingen, en dat wordt gevoerd met inachtneming van het beginsel van een open markteconomie met vrije mededinging. 2. Gelijktijdig daarmee omvat dit optreden, onder de voorwaarden en volgens het tijdschema en de procedures waarin dit Verdrag voorziet, de onherroepelijke vaststelling van wisselkoersen, leidend tot de invoering van één munt, de Ecu, alsmede het bepalen en voeren van één monetair en wisselkoersbeleid, beide met als hoofddoel het handhaven van prijsstabiliteit en, onverminderd deze doelstelling, het ondersteunen van het algemene economische beleid in de Gemeenschap, met inachtneming van het beginsel van een open markteconomie met vrije mededinging. 3. Dit optreden van de Lid-Staten en van de Gemeenschap impliceert de naleving van de volgende grondbeginselen: stabiele prijzen, gezonde overheidsfinanciën en monetaire condities en een houdbare betalingsbalans.". 5) Het volgende artikel wordt ingevoegd: "Artikel 3 B De Gemeenschap handelt binnen de grenzen van de haar door dit Verdrag verleende bevoegdheden en toegewezen doelstellingen. Op gebieden die niet onder haar exclusieve bevoegdheid vallen, treedt de Gemeenschap, overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel, slechts op indien en voor zover de doelstellingen van het overwogen optreden niet voldoende door de Lid-Staten kunnen worden verwezenlijkt en derhalve vanwege de omvang of de gevolgen van het overwogen optreden beter door de Gemeenschap kunnen worden verwezenlijkt. Het optreden van de Gemeenschap gaat niet verder dan wat nodig is om de doelstellingen van dit Verdrag te verwezenlijken.". 6) Artikel 4 wordt vervangen door: "Artikel 4 1. De vervulling van de aan de Gemeenschap opgedragen taken wordt verzekerd door: - een EUROPEES PARLEMENT, - een RAAD, - een COMMISSIE, - een HOF VAN JUSTITIE, - een REKENKAMER. Iedere Instelling handelt binnen de grenzen van de haar door dit Verdrag verleende bevoegdheden. 2. De Raad en de Commissie worden bijgestaan door een Economisch en Sociaal Comité en een Comité van de Regio's met raadgevende taak.". 7) De volgende artikelen worden ingevoegd: "Artikel 4 A Overeenkomstig de procedures van dit Verdrag worden een Europees Stelsel van Centrale Banken (hierna }ESCB' te noemen) en een Europese Centrale Bank (hierna }ECB' te noemen) opgericht; zij handelen binnen de grenzen van de bevoegdheden die hun door dit Verdrag en de daaraan gehechte statuten van het ESCB en van de ECB (hierna }Statuten van het ESCB' te noemen) worden verleend. Artikel 4 B Er wordt een Europese Investeringsbank opgericht, die handelt binnen de grenzen van de bevoegdheden die haar door dit Verdrag en de daaraan gehechte statuten worden verleend .". 8) Artikel 6 vervalt en artikel 7 wordt artikel 6. De tweede alinea wordt vervangen door: "De Raad kan, volgens de procedure van artikel 189 C, regelingen treffen met het oog op het verbod van bedoelde discriminaties.". 9) De artikelen 8, 8 A, 8 B en 8 C worden onderscheidenlijk de artikelen 7, 7 A, 7 B en 7 C. C. Het volgende deel wordt ingevoegd: "TWEEDE DEEL HET BURGERSCHAP VAN DE UNIE Artikel 8 1. Er wordt een burgerschap van de Unie ingesteld. Burger van de Unie is een ieder die de nationaliteit van een Lid-Staat bezit. 2. De burgers van de Unie genieten de rechten en zijn onderworpen aan de plichten die bij dit Verdrag zijn vastgesteld. Artikel 8 A 1. Iedere burger van de Unie heeft het recht vrij op het grondgebied van de Lid-Staten te reizen en te verblijven, onder voorbehoud van de beperkingen en voorwaarden die bij dit Verdrag en de bepalingen ter uitvoering daarvan zijn vastgesteld. 2. De Raad kan bepalingen vaststellen die de uitoefening van de in lid 1 bedoelde rechten vergemakkelijken; tenzij in dit Verdrag anders is bepaald, neemt de Raad, op voorstel van de Commissie en na instemming van het Europees Parlement, een besluit met eenparigheid van stemmen. Artikel 8 B 1. Iedere burger van de Unie die verblijf houdt in een Lid- Staat waarvan hij geen onderdaan is, bezit het actief en passief kiesrecht bij gemeenteraadsverkiezingen in de Lid- Staat waar hij verblijft, onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van die Staat. Dit recht wordt uitgeoefend onder voorbehoud van de nadere regelingen die op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement vóór 31 december 1994 met eenparigheid van stemmen door de Raad worden vastgesteld; deze nadere regelingen kunnen voorzien in afwijkingen wanneer zulks gerechtvaardigd wordt door bijzondere problemen in een Lid- Staat. 2. Onverminderd artikel 138, lid 3, en de bepalingen ter uitvoering daarvan, heeft iedere burger van de Unie die verblijf houdt in een Lid-Staat waarvan hij geen onderdaan is, het actief en passief kiesrecht bij de verkiezingen voor het Europees Parlement in de Lid-Staat waar hij verblijft, onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van die Staat. Dit recht wordt uitgeoefend onder voorbehoud van de nadere regelingen die op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement vóór 31 december 1993 met eenparigheid van stemmen door de Raad worden vastgesteld; deze nadere regelingen kunnen voorzien in afwijkingen wanneer zulks gerechtvaardigd wordt door bijzondere problemen in een bepaalde Lid-Staat. Artikel 8 C Iedere burger van de Unie geniet op het grondgebied van derde landen waar de Lid-Staat waarvan hij onderdaan is, niet vertegenwoordigd is, de bescherming van de diplomatieke en consulaire instanties van iedere andere Lid-Staat, onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van die Lid-Staat. Vóór 31 december 1993 stellen de Lid-Staten onderling de nodige regels vast en beginnen zij de internationale onderhandelingen die met het oog op deze bescherming vereist zijn. Artikel 8 D Iedere burger van de Unie heeft het recht een verzoekschrift tot het Europees Parlement te richten overeenkomstig artikel 138 D. Iedere burger van de Unie kan zich wenden tot de overeenkomstig artikel 138 E ingestelde ombudsman. Artikel 8 E De Commissie brengt vóór 31 december 1993 en vervolgens om de drie jaar aan het Europees Parlement, de Raad en het Economisch en Sociaal Comité verslag uit over de toepassing van de bepalingen van dit deel van het Verdrag. In dat verslag wordt rekening gehouden met de ontwikkeling van de Unie. Op basis van dat verslag en onverminderd de overige bepalingen van dit Verdrag, kan de Raad op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement met eenparigheid van stemmen bepalingen ter aanvulling van de in dit deel vastgelegde rechten vaststellen, waarvan hij de aanneming door de Lid- Staten overeenkomstig hun onderscheiden grondwettelijke bepalingen aanbeveelt.". D. Het tweede en het derde deel worden samengevoegd onder de titel: "DERDE DEEL HET BELEID VAN DE GEMEENSCHAP" en in dit deel worden de volgende wijzigingen aangebracht: 10) Artikel 49, eerste zin, wordt vervangen door: "Zodra dit Verdrag in werking treedt, stelt de Raad volgens de procedure van artikel 189 B en na raadpleging van het Economisch en Sociaal Comité, bij wege van richtlijnen of verordeningen de maatregelen vast welke nodig zijn om geleidelijk tot een vrij verkeer van werknemers te komen zoals dit in artikel 48 is omschreven, met name door:". 11) Artikel 54, lid 2, wordt vervangen door: "2. Ten einde het algemeen programma uit te voeren of, bij gebreke van dit programma, een etappe af te leggen bij de verwezenlijking van de vrijheid van vestiging voor een bepaalde werkzaamheid, beslist de Raad volgens de procedure van artikel 189 B en na raadpleging van het Economisch en Sociaal Comité bij wege van richtlijnen.". 12) Artikel 56, lid 2, wordt vervangen door : "2. Vóór het einde van de overgangsperiode stelt de Raad, op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement, met eenparigheid van stemmen richtlijnen vast voor de cooerdinatie van voornoemde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen. Na het einde van de tweede etappe stelt de Raad echter volgens de procedure van artikel 189 B richtlijnen vast voor de cooerdinatie van de in elke Lid-Staat geldende bestuursrechtelijke bepalingen.". 13) Artikel 57 wordt vervangen door: "Artikel 57 1. Ten einde de toegang tot werkzaamheden, anders dan in loondienst, en de uitoefening daarvan te vergemakkelijken, stelt de Raad volgens de procedure van artikel 189 B richtlijnen vast inzake de onderlinge erkenning van diploma's, certificaten en andere titels. 2. Met hetzelfde doel stelt de Raad vóór de afloop van de overgangsperiode richtlijnen vast inzake de cooerdinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der Lid- Staten betreffende de toegang tot werkzaamheden, anders dan in loondienst, en de uitoefening daarvan. De Raad besluit met eenparigheid van stemmen, op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement, over richtlijnen waarvan de uitvoering in ten minste een der Lid-Staten een wijziging van de in de wetgeving neergelegde beginselen betreffende de regeling van beroepen met zich meebrengt voor wat betreft opleiding en voorwaarden voor toegang van natuurlijke personen. In alle overige gevallen besluit de Raad volgens de procedure van artikel 189 B. 3. Wat de geneeskundige, paramedische en farmaceutische beroepen betreft, is de geleidelijke opheffing van de beperkingen afhankelijk van de cooerdinatie van de voorwaarden waaronder zij in de verschillende Lid-Staten worden uitgeoefend.". 14) De titel van Hoofdstuk 4 wordt vervangen door: "Hoofdstuk 4 Kapitaal en betalingsverkeer". 15) De volgende artikelen worden ingevoegd: "Artikel 73 A Met ingang van 1 januari 1994 worden de artikelen 67 tot en met 73 vervangen door de artikelen 73 B tot en met 73 G. Artikel 73 B 1. In het kader van de bepalingen van dit hoofdstuk zijn alle beperkingen van het kapitaalverkeer tussen Lid-Staten onderling en tussen Lid-Staten en derde landen verboden. 2. In het kader van de bepalingen van dit hoofdstuk zijn alle beperkingen van het betalingsverkeer tussen Lid-Staten onderling en tussen Lid-Staten en derde landen verboden. Artikel 73 C 1. Het bepaalde in artikel 73 B doet geen afbreuk aan de toepassing op derde landen van beperkingen die op 31 december 1993 bestaan uit hoofde van nationaal of Gemeenschapsrecht inzake het kapitaalverkeer naar of uit derde landen in verband met directe investeringen - met inbegrip van investeringen in onroerende goederen -, vestiging, het verrichten van financiële diensten of de toelating van waardepapieren tot de kapitaalmarkten. 2. Hoewel de Raad tracht de doelstelling van een niet aan beperkingen onderworpen vrij kapitaalverkeer tussen Lid- Staten en derde landen zoveel mogelijk te bereiken, kan hij, onverminderd het bepaalde in de overige hoofdstukken van dit Verdrag, op voorstel van de Commissie met gekwalificeerde meerderheid van stemmen maatregelen nemen betreffende het kapitaalverkeer naar of uit derde landen in verband met directe investeringen - met inbegrip van investeringen in onroerende goederen -, vestiging, het verrichten van financiële diensten of de toelating van waardepapieren tot de kapitaalmarkten. Voor maatregelen uit hoofde van dit lid die in het Gemeenschapsrecht een achteruitgang op het gebied van de liberalisatie van het kapitaalverkeer naar of uit derde landen vormen, is eenparigheid van stemmen vereist. Artikel 73 D 1. Het bepaalde in artikel 73 B doet niets af aan het recht van de Lid-Staten: a) de ter zake dienende bepalingen van hun belastingwetgeving toe te passen die onderscheid maken tussen belastingplichtigen die niet in dezelfde situatie verkeren met betrekking tot hun vestigingsplaats of de plaats waar hun kapitaal is belegd; b) alle nodige maatregelen te nemen om overtredingen van de nationale wetten en voorschriften tegen te gaan, met name op fiscaal gebied en met betrekking tot het bedrijfseconomisch toezicht op financiële instellingen, of te voorzien in procedures voor de kennisgeving van kapitaalbewegingen ter informatie van de overheid of voor statistische doeleinden, dan wel maatregelen te nemen die op grond van de openbare orde of de openbare veiligheid gerechtvaardigd zijn. 2. De bepalingen van dit hoofdstuk doen geen afbreuk aan de toepasbaarheid van beperkingen inzake het recht van vestiging welke verenigbaar zijn met dit Verdrag. 3. De in de leden 1 en 2 bedoelde maatregelen en procedures mogen geen middel tot willekeurige discriminatie vormen, noch een verkapte beperking van het vrije kapitaalverkeer en betalingsverkeer als omschreven in artikel 73 B. Artikel 73 E In afwijking van artikel 73 B zijn de Lid-Staten waarvoor op 31 december 1993, op grond van het geldende Gemeenschapsrecht uitzonderingsmaatregelen gelden, gerechtigd tot en met uiterlijk 31 december 1995 de beperkingen van het kapitaalverkeer te handhaven die op de eerstgenoemde datum door dergelijke uitzonderingsmaatregelen worden toegestaan. Artikel 73 F Wanneer, in uitzonderlijke omstandigheden, het kapitaalverkeer naar of uit derde landen ernstige moeilijkheden veroorzaakt of dreigt te veroorzaken voor de werking van de Economische en Monetaire Unie, kan de Raad op voorstel van de Commissie en na raadpleging van de ECB met gekwalificeerde meerderheid van stemmen ten aanzien van derde landen vrijwaringsmaatregelen nemen voor een periode van ten hoogste zes maanden, indien deze maatregelen strikt noodzakelijk zijn. Artikel 73 G 1. Indien in gevallen als bedoeld in artikel 228 A, een optreden van de Gemeenschap nodig wordt geacht, kan de Raad volgens de procedure van artikel 228 A ten aanzien van de betrokken derde landen de nodige urgente maatregelen betreffende het kapitaalverkeer en het betalingsverkeer nemen. 2. Onverminderd artikel 224 kan een Lid-Staat, zolang de Raad geen maatregelen overeenkomstig lid 1 heeft genomen, om ernstige politieke redenen in spoedeisende gevallen eenzijdige maatregelen tegen een derde land nemen met betrekking tot het kapitaalverkeer en het betalingsverkeer. De Commissie en de andere Lid-Staten worden daarvan uiterlijk op de datum waarop de maatregelen in werking treden, in kennis gesteld. Op voorstel van de Commissie kan de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen besluiten dat de betrokken Lid-Staat deze maatregelen moet wijzigen of intrekken. De Voorzitter van de Raad stelt het Europees Parlement in kennis van het door de Raad genomen besluit. Artikel 73 H Tot 1 januari 1994 gelden de volgende bepalingen: 1) Elke Lid-Staat verbindt zich, om in de valuta van de Lid-Staat waarin de schuldeiser of de begunstigde verblijf houdt, de betalingen welke betrekking hebben op het goederen-, diensten- en kapitaalverkeer, evenals de overmaking van kapitaal en loon, toe te staan, voor zover het goederen-, diensten-, kapitaal- en personenverkeer tussen de Lid-Staten met toepassing van dit Verdrag is vrijgemaakt. De Lid-Staten verklaren zich bereid hun betalingen in een ruimere mate vrij te maken dan in de voorgaande alinea is bepaald, voor zover hun economische toestand in het algemeen en de toestand van hun betalingsbalans in het bijzonder zulks toelaten. 2) Voor zover de beperkingen in het goederen-, diensten- en kapitaalverkeer slechts gelegen zijn in beperkingen in de daarmede verband houdende betalingen, worden, ter geleidelijke opheffing van die beperkingen, de bepalingen van dit hoofdstuk en van de hoofdstukken inzake de afschaffing van de kwantitatieve beperkingen en de vrijmaking van de diensten op overeenkomstige wijze toegepast. 3) De Lid-Staten verbinden zich in hun onderling verkeer geen nieuwe beperkingen in te voeren van de overmakingen ter zake van de onzichtbare transacties vermeld in de lijst die als bijlage III aan dit Verdrag is gehecht. De geleidelijke opheffing van de bestaande beperkingen wordt tot stand gebracht overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 63 tot en met 65, voor zover zij niet geregeld wordt door de bepalingen van de leden 1 en 2 of door andere bepalingen van dit hoofdstuk. 4) Indien nodig plegen de Lid-Staten met elkaar overleg omtrent de maatregelen die moeten worden genomen om de betalingen en overmakingen bedoeld in dit artikel mogelijk te maken; die maatregelen mogen geen inbreuk maken op de doeleinden vermeld in dit Verdrag.". 16) Artikel 75 wordt vervangen door: "Artikel 75 1. Ter uitvoering van artikel 74 stelt de Raad, met inachtneming van de bijzondere aspecten van het vervoer, volgens de procedure van artikel 189 C en na raadpleging van het Economisch en Sociaal Comité, vast: a) gemeenschappelijke regels voor internationaal vervoer vanuit of naar het grondgebied van een Lid-Staat of over het grondgebied van een of meer Lid-Staten, b) de voorwaarden waaronder vervoerondernemers worden toegelaten tot nationaal vervoer in een Lid-Staat waarin zij niet woonachtig zijn, c) de maatregelen die de veiligheid van het vervoer kunnen verbeteren, d) alle overige dienstige bepalingen. 2. De in lid 1, onder a) en b), bedoelde bepalingen worden in de loop van de overgangsperiode vastgesteld. 3. In afwijking van de in lid 1 omschreven procedure, worden op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement en het Economisch en Sociaal Comité met eenparigheid van stemmen door de Raad de bepalingen vastgesteld betreffende de beginselen van het vervoerbestel waarvan de toepassing zowel de levensstandaard en de werkgelegenheid in bepaalde streken als het gebruik van het vervoerapparaat ernstig zou kunnen aantasten, met inachtneming van de noodzaak van een aanpassing aan de economische ontwikkeling welke voortvloeit uit de instelling van de gemeenschappelijke markt.". 17) De titel van het derde deel, Titel I, wordt vervangen door: "TITEL V GEMEENSCHAPPELIJKE REGELS BETREFFENDE DE MEDEDINGING, DE BELASTINGEN EN DE ONDERLINGE AANPASSING VAN DE WETGEVINGEN". 18) In artikel 92, lid 3: - wordt het volgende punt ingevoegd: "d) steunmaatregelen om de cultuur en de instandhouding van het culturele erfgoed te bevorderen, wanneer door deze maatregelen de voorwaarden inzake het handelsverkeer en de mededingingsvoorwaarden in de Gemeenschap niet zodanig worden veranderd dat het gemeenschappelijk belang wordt geschaad." - wordt het huidige punt d) punt e). 19) Artikel 94 wordt vervangen door: "Artikel 94 De Raad kan op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement met gekwalificeerde meerderheid van stemmen alle verordeningen vaststellen, dienstig voor de toepassing van de artikelen 92 en 93, en met name de voorwaarden voor de toepassing van artikel 93, lid 3, bepalen alsmede de van die procedure vrijgestelde soorten van steunmaatregelen.". 20) Artikel 99 wordt vervangen door: "Artikel 99 De Raad stelt op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement en het Economisch en Sociaal Comité met eenparigheid van stemmen de bepalingen vast die betrekking hebben op de harmonisatie van de wetgevingen inzake de omzetbelasting, de accijnzen en de andere indirecte belastingen, voor zover deze harmonisatie noodzakelijk is om de instelling en de werking van de interne markt binnen de in artikel 7 A gestelde termijn te verzekeren.". 21) Artikel 100 wordt vervangen door: "Artikel 100 De Raad stelt op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement en het Economisch en Sociaal Comité met eenparigheid van stemmen richtlijnen vast voor de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der Lid-Staten welke rechtstreeks van invloed zijn op de instelling of de werking van de gemeenschappelijke markt.". 22) Artikel 100 A, lid 1, wordt vervangen door: "1. In afwijking van artikel 100 en tenzij in dit Verdrag anders is bepaald, zijn de volgende bepalingen van toepassing voor de verwezenlijking van de doeleinden van artikel 7 A. De Raad stelt volgens de procedure van artikel 189 B en na raadpleging van het Economisch en Sociaal Comité de maatregelen vast inzake de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de Lid-Staten die de instelling en de werking van de interne markt betreffen.". 23) Het volgende artikel wordt ingevoegd: "Artikel 100 C 1. De Raad bepaalt op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement met eenparigheid van stemmen de derde Staten waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen van de Lid-Staten in het bezit moeten zijn van een visum. 2. In het geval van een noodsituatie in een derde land die de dreiging van een plotselinge toevloed van onderdanen uit dat land naar de Gemeenschap inhoudt, kan de Raad echter met gekwalificeerde meerderheid van stemmen op aanbeveling van de Commissie, voor een periode van ten hoogste zes maanden een visumplicht voor de onderdanen van dat land invoeren. De visumplicht uit hoofde van dit lid kan volgens de procedure van lid 1 worden verlengd. 3. Vanaf 1 januari 1996 neemt de Raad de in lid 1 bedoelde besluiten met gekwalificeerde meerderheid van stemmen. Vóór deze datum neemt de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement, de maatregelen aan betreffende de invoering van een uniform visummodel. 4. Op de in dit artikel bedoelde gebieden moet de Commissie ieder door een Lid-Staat gedaan verzoek dat erop is gericht dat zij bij de Raad een voorstel indient, in behandeling nemen. 5. Dit artikel laat de uitoefening van de verantwoordelijkheden van de Lid-Staten ten aanzien van de handhaving van de openbare orde en de bescherming van de binnenlandse veiligheid onverlet. 6. De bepalingen van dit artikel zijn van toepassing op andere onderwerpen wanneer daartoe wordt besloten op grond van artikel K.9 van de bepalingen van het Verdrag betreffende de Europese Unie die betrekking hebben op de samenwerking op het gebied van justitie en binnenlandse zaken, en tegelijkertijd de stemprocedures worden vastgesteld 7. De bepalingen van de geldende overeenkomsten tussen de Lid-Staten aangaande aangelegenheden die onder dit artikel vallen, blijven van kracht zolang hun inhoud niet is vervangen door uit hoofde van dit artikel vastgestelde richtlijnen of maatregelen.". 24) Het volgende artikel wordt ingevoegd: "Artikel 100 D Het Cooerdinatiecomité van hoge ambtenaren dat is ingesteld bij artikel K.4 van het Verdrag betreffende de Europese Unie draagt, onverminderd de bepalingen van artikel 151, bij aan de voorbereiding van de werkzaamheden van de Raad op de in artikel 100 C bedoelde gebieden.". 25) Titel II, Hoofdstukken 1, 2 en 3, van het derde deel worden vervangen door: "TITEL VI ECONOMISCH EN MONETAIR BELEID Hoofdstuk 1 Economisch beleid Artikel 102 A De Lid-Staten voeren hun economisch beleid ten einde bij te dragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen van de Gemeenschap, als omschreven in artikel 2, en in het kader van de in artikel 103, lid 2, bedoelde globale richtsnoeren. De Lid-Staten en de Gemeenschap handelen in overeenstemming met het beginsel van een open markteconomie met vrije mededinging, waarbij een doelmatige allocatie van middelen wordt bevorderd, en met inachtneming van de beginselen die zijn neergelegd in artikel 3 A. Artikel 103 1. De Lid-Staten beschouwen hun economisch beleid als een aangelegenheid van gemeenschappelijk belang en cooerdineren het in het kader van de Raad, overeenkomstig het bepaalde in artikel 102 A. 2. De Raad stelt, op aanbeveling van de Commissie, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen een ontwerp op voor de globale richtsnoeren voor het economisch beleid van de Lid-Staten en van de Gemeenschap, en legt zijn bevindingen in een verslag aan de Europese Raad voor. Aan de hand van dit verslag van de Raad bespreekt de Europese Raad een conclusie over de globale richtsnoeren voor het economisch beleid van de Lid-Staten en van de Gemeenschap. Uitgaande van deze conclusie neemt de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen een aanbeveling aan, waarin deze globale richtsnoeren zijn vastgelegd. De Raad stelt het Europees Parlement van zijn aanbeveling in kennis. 3. Ten einde een nauwere cooerdinatie van het economisch beleid en een aanhoudende convergentie van de economische prestaties van de Lid-Staten te verzekeren, ziet de Raad aan de hand van door de Commissie ingediende rapporten, toe op de economische ontwikkelingen in elke Lid-Staat en in de Gemeenschap, alsmede op de overeenstemming van het economisch beleid met de in lid 2 bedoelde globale richtsnoeren, en verricht hij regelmatig een algehele evaluatie. Met het oog op dit multilaterale toezicht verstrekken de Lid-Staten de Commissie informatie over de belangrijke maatregelen die zij in het kader van hun economisch beleid hebben genomen, en alle andere informatie die zij nodig achten. 4. Wanneer in het kader van de procedure van lid 3 blijkt dat het economisch beleid van een Lid-Staat niet overeenkomt met de in lid 2 bedoelde globale richtsnoeren of dat dit beleid de goede werking van de Economische en Monetaire Unie in gevaar dreigt te brengen, kan de Raad op aanbeveling van de Commissie met gekwalificeerde meerderheid van stemmen de nodige aanbevelingen tot die Lid-Staat richten. De Raad kan op voorstel van de Commissie met gekwalificeerde meerderheid van stemmen besluiten zijn aanbevelingen openbaar te maken. De Voorzitter van de Raad en de Commissie brengen het Europees Parlement verslag uit over de resultaten van het multilaterale toezicht. De Voorzitter van de Raad kan worden verzocht om voor de bevoegde commissie van het Europees Parlement te verschijnen, indien de Raad zijn aanbevelingen openbaar heeft gemaakt. 5. De Raad kan volgens de procedure van artikel 189 C nadere bepalingen voor de in de leden 3 en 4 van dit artikel bedoelde multilaterale toezichtprocedure vaststellen. Artikel 103 A 1. Onverminderd de overige procedures waarin dit Verdrag voorziet, kan de Raad op voorstel van de Commissie met eenparigheid van stemmen de voor de economische situatie passende maatregelen nemen, met name indien zich bij de voorziening van bepaalde produkten ernstige moeilijkheden voordoen. 2. In geval van moeilijkheden of ernstige dreiging van grote moeilijkheden in een Lid-Staat, die worden veroorzaakt door buitengewone gebeurtenissen die deze Lid-Staat niet kan beheersen, kan de Raad op voorstel van de Commissie, met eenparigheid van stemmen, onder bepaalde voorwaarden communautaire financiële bijstand aan de betrokken Lid-Staat verlenen. Wanneer de grote moeilijkheden worden veroorzaakt door natuurrampen, besluit de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen. De Voorzitter van de Raad stelt het Europees Parlement van het genomen besluit in kennis. Artikel 104 1. Het verlenen van voorschotten in rekening-courant of andere kredietfaciliteiten bij de ECB of de centrale banken van de Lid-Staten, (hierna }nationale centrale banken' te noemen), ten behoeve van Instellingen of organen van de Gemeenschap, centrale overheden, regionale, lokale of andere overheden, andere publiekrechtelijke lichamen of openbare bedrijven van de Lid-Staten, alsmede het rechtstreeks van hen kopen door de ECB of nationale centrale banken van schuldbewijzen, zijn verboden. 2. Het bepaalde in lid 1 is niet van toepassing op kredietinstellingen die in handen van de overheid zijn en waaraan in het kader van de liquiditeitsvoorziening door centrale banken dezelfde behandeling door de nationale centrale banken en de ECB wordt gegeven als aan particuliere kredietinstellingen. Artikel 104 A 1. Niet op overwegingen van bedrijfseconomisch toezicht gebaseerde maatregelen waardoor Instellingen of organen van de Gemeenschap, centrale overheden, regionale, lokale of andere overheden, andere publiekrechtelijke lichamen of openbare bedrijven van de Lid-Staten een bevoorrechte toegang tot de financiële instellingen krijgen, zijn verboden. 2. De Raad stelt volgens de procedure van artikel 189 C vóór 1 januari 1994 definities vast voor de toepassing van het in lid 1 bedoelde verbod. Artikel 104 B 1. De Gemeenschap is niet aansprakelijk voor de verbintenissen van centrale overheden, regionale, lokale of andere overheden, andere publiekrechtelijke lichamen of openbare bedrijven van de Lid-Staten en neemt deze verbintenissen niet over, onverminderd de wederzijdse financiële garanties voor de gemeenschappelijke uitvoering van een specifiek project. De Lid-Staten zijn niet aansprakelijk voor de verbintenissen van centrale overheden, regionale, lokale of andere overheden, andere publiekrechtelijke lichamen of openbare bedrijven van een andere Lid-Staat en nemen deze verbintenissen niet over, onverminderd de wederzijdse financiële garanties voor de gemeenschappelijke uitvoering van een specifiek project. 2. Indien nodig kan de Raad volgens de procedure van artikel 189 C definities vaststellen voor de toepassing van de in artikel 104 en in dit artikel bedoelde verbodsbepalingen. Artikel 104 C 1. De Lid-Staten vermijden buitensporige overheidstekorten. 2. De Commissie ziet toe op de ontwikkeling van de begrotingssituatie en de omvang van de overheidsschuld in de Lid-Staten, ten einde aanzienlijke tekortkomingen vast te stellen. Met name gaat de Commissie op basis van de volgende twee criteria na of de hand wordt gehouden aan de begrotingsdiscipline: a) of de verhouding tussen het voorziene of feitelijke overheidstekort en het bruto binnenlands produkt een bepaalde referentiewaarde overschrijdt, tenzij, - hetzij de verhouding in aanzienlijke mate en voortdurend is afgenomen en een niveau heeft bereikt dat de referentiewaarde benadert; - hetzij de overschrijding van de referentiewaarde slechts van uitzonderlijke en tijdelijke aard is en de verhouding dicht bij de referentiewaarde blijft; b) of de verhouding tussen de overheidsschuld en het bruto binnenlands produkt een bepaalde referentiewaarde overschrijdt, tenzij de verhouding in voldoende mate afneemt en de referentiewaarde in een bevredigend tempo benadert. De referentiewaarden worden nader omschreven in het aan dit Verdrag gehechte Protocol betreffende de procedure bij buitensporige tekorten. 3. Indien een Lid-Staat niet voldoet aan deze of aan een van deze criteria, stelt de Commissie een verslag op. In het verslag van de Commissie wordt er tevens rekening mee gehouden of het overheidstekort groter is dan de investeringsuitgaven van de overheid en worden alle andere relevante factoren in aanmerking genomen, met inbegrip van de economische en budgettaire situatie van de Lid-Staat op middellange termijn. Voorts kan de Commissie een verslag opstellen indien zij - ook al is aan de criteria voldaan - van mening is dat er gevaar voor een buitensporig tekort in een Lid-Staat aanwezig is. 4. Het in artikel 109 C bedoelde Comité brengt advies uit over het verslag van de Commissie. 5. Indien de Commissie van oordeel is dat er in een Lid- Staat een buitensporig tekort bestaat of kan ontstaan, brengt zij advies uit aan de Raad. 6. Op aanbeveling van de Commissie en rekening houdend met de opmerkingen die de betrokken Lid- Staat eventueel wenst te maken, besluit de Raad, na een algehele evaluatie te hebben gemaakt, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen of er al dan niet een buitensporig tekort bestaat. 7. Wanneer overeenkomstig lid 6 is besloten dat er een buitensporig tekort bestaat, richt de Raad aanbevelingen tot de betrokken Lid-Staat om te bereiken dat deze situatie binnen een bepaalde periode wordt verholpen. Behoudens het bepaalde in lid 8, worden deze aanbevelingen niet openbaar gemaakt. 8. Wanneer de Raad vaststelt dat binnen de voorgeschreven periode geen effectief gevolg aan zijn aanbevelingen is gegeven, kan hij zijn aanbevelingen openbaar maken. 9. Wanneer een Lid-Staat blijft verzuimen uitvoering te geven aan de aanbevelingen van de Raad, kan de Raad besluiten de betrokken Lid-Staat aan te manen binnen een voorgeschreven termijn maatregelen te treffen om het tekort te verminderen in de mate die de Raad nodig acht om de situatie te verhelpen. In dat geval kan de Raad de betrokken Lid-Staat verzoeken volgens een nauwkeurig tijdschema verslag uit te brengen, ten einde na te gaan welke aanpassingsmaatregelen die Lid- Staat heeft getroffen. 10. Het recht om een klacht in te dienen, als bedoeld in de artikelen 169 en 170, kan niet worden uitgeoefend in het kader van de toepassing van de leden 1 tot en met 9 van dit artikel. 11. Zolang een Lid-Staat zich niet voegt naar een overeenkomstig lid 9 genomen besluit, kan de Raad één of meer van de volgende maatregelen toepassen of in voorkomend geval aanscherpen: - eisen dat de betrokken Lid-Staat door de Raad te bepalen aanvullende informatie openbaar maakt voordat hij obligaties en andere waardepapieren uitgeeft; - de Europese Investeringsbank verzoeken haar beleid inzake kredietverstrekking ten aanzien van de betrokken Lid- Staat opnieuw te bezien; - eisen dat de betrokken Lid-Staat bij de Gemeenschap een niet-rentedragend bedrag van een passende omvang deponeert, totdat het buitensporige tekort naar het oordeel van de Raad is gecorrigeerd; - boeten van een passende omvang opleggen. De Voorzitter van de Raad stelt het Europees Parlement van de genomen besluiten in kennis. 12. De Raad trekt de in de leden 6 tot en met 9 en 11 bedoelde besluiten of sommige daarvan in, indien hij van oordeel is dat het buitensporige tekort in de betrokken Lid- Staat is gecorrigeerd. Indien de Raad voordien aanbevelingen openbaar heeft gemaakt, legt hij, zodra het besluit uit hoofde van lid 8 is ingetrokken, een openbare verklaring af waarin wordt gezegd dat er niet langer een buitensporig tekort in de betrokken Lid-Staat bestaat. 13. De in de leden 7 tot en met 9, 11 en 12 bedoelde besluiten worden door de Raad op aanbeveling van de Commissie genomen met een meerderheid van twee derde van de volgens artikel 148, lid 2, gewogen stemmen van zijn leden, met uitsluiting van de stemmen van de vertegenwoordiger van de betrokken Lid-Staat. 14. Verdere bepalingen betreffende de tenuitvoerlegging van de in dit artikel omschreven procedure zijn opgenomen in het aan dit Verdrag gehechte Protocol betreffende de procedure bij buitensporige tekorten. Op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement en van de ECB, neemt de Raad met eenparigheid van stemmen passende bepalingen aan die in de plaats van voornoemd Protocol komen. Onder voorbehoud van de andere bepalingen van dit lid, stelt de Raad vóór 1 januari 1994 op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen nadere voorschriften en definities voor de toepassing van de bepalingen van dit Protocol vast. Hoofdstuk 2 Monetair beleid Artikel 105 1. Het hoofddoel van het ESCB is het handhaven van prijsstabiliteit. Onverminderd het doel van prijsstabiliteit ondersteunt het ESCB het algemene economische beleid in de Gemeenschap ten einde bij te dragen tot de verwezenlijking van de in artikel 2 omschreven doelstellingen van de Gemeenschap. Het ESCB handelt in overeenstemming met het beginsel van een open markteconomie met vrije mededinging, waarbij een doelmatige allocatie van middelen wordt bevorderd, en met inachtneming van de beginselen die zijn neergelegd in artikel 3 A. 2. De via het ESCB uit te voeren fundamentele taken zijn: - het bepalen en ten uitvoer leggen van het monetair beleid van de Gemeenschap; - het verrichten van valutamarktoperaties in overeenstemming met de bepalingen van artikel 109; - het aanhouden en beheren van de officiële externe reserves van de Lid-Staten; - het bevorderen van een goede werking van het betalingsverkeer. 3. Het bepaalde in lid 2, derde streepje, laat het aanhouden en beheren van werksaldi in buitenlandse valuta's door de Regeringen van de Lid-Staten onverlet. 4. De ECB wordt geraadpleegd: - over elk voorstel voor een communautair besluit op de gebieden die onder haar bevoegdheid vallen; - door de nationale autoriteiten over elk ontwerp van wettelijke bepaling op de gebieden die onder haar bevoegdheid vallen, doch binnen de grenzen en onder de voorwaarden die de Raad volgens de procedure van artikel 106, lid 6, vaststelt. De ECB kan advies uitbrengen aan de geëigende Instellingen of organen van de Gemeenschap of aan nationale autoriteiten omtrent aangelegenheden op de gebieden die onder haar bevoegdheid vallen. 5. Het ESCB draagt bij tot een goede beleidsvoering van de bevoegde autoriteiten ten aanzien van het bedrijfseconomisch toezicht op kredietinstellingen en de stabiliteit van het financiële stelsel. 6. De Raad kan op voorstel van de Commissie en na raadpleging van de ECB en met instemming van het Europees Parlement met eenparigheid van stemmen besluiten aan de ECB specifieke taken op te dragen betreffende het beleid op het gebied van het bedrijfseconomisch toezicht op kredietinstellingen en andere financiële instellingen, met uitzondering van verzekeringsondernemingen. Artikel 105 A 1. De ECB heeft het alleenrecht machtiging te geven tot de uitgifte van bankbiljetten binnen de Gemeenschap. De ECB en de nationale centrale banken mogen bankbiljetten uitgeven. De door de ECB en de nationale centrale banken uitgegeven bankbiljetten zijn de enige bankbiljetten die binnen de Gemeenschap de hoedanigheid van wettig betaalmiddel hebben. 2. De Lid-Staten kunnen munten uitgeven, onder voorbehoud van goedkeuring van de ECB met betrekking tot de omvang van de uitgifte. De Raad kan, volgens de procedure van artikel 189 C en na raadpleging van de ECB, maatregelen nemen om de nominale waarden en technische specificaties van alle voor circulatie bestemde munten te harmoniseren voor zover dit nodig is voor een goede circulatie van munten binnen de Gemeenschap. Artikel 106 1. Het ESCB bestaat uit de ECB en de nationale centrale banken. 2. De ECB bezit rechtspersoonlijkheid. 3. Het ESCB wordt bestuurd door de besluitvormende organen van de ECB, te weten de Raad van Bestuur en de Directie. 4. De Statuten van het ESCB zijn opgenomen in een aan dit Verdrag gehecht Protocol. 5. De artikelen 5.1, 5.2, 5.3, 17, 18, 19.1, 22, 23, 24, 26, 32.2, 32.3, 32.4, 32.6, 33.1 a) en 36 van de Statuten van het ESCB kunnen door de Raad worden gewijzigd met gekwalificeerde meerderheid van stemmen op aanbeveling van de ECB en na raadpleging van de Commissie, of met eenparigheid van stemmen op voorstel van de Commissie en na raadpleging van de ECB. In beide gevallen is de instemming van het Europees Parlement vereist. 6. De in de artikelen 4, 5.4, 19.2, 20, 28.1, 29.2, 30.4 en 34.3 van de Statuten van de ESCB bedoelde bepalingen worden door de Raad aangenomen met gekwalificeerde meerderheid van stemmen hetzij op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement en de ECB, hetzij op aanbeveling van de ECB en na raadpleging van het Europees Parlement en de Commissie. Artikel 107 Bij de uitoefening van de bevoegdheden en het vervullen van de taken en plichten die bij dit Verdrag en de Statuten van het ESCB aan hen zijn opgedragen, is het noch de ECB, noch een nationale centrale bank, noch enig lid van hun besluitvormende organen toegestaan instructies te vragen aan dan wel te aanvaarden van Instellingen of organen van de Gemeenschap, van regeringen van Lid-Staten of van enig ander orgaan. De Instellingen en organen van de Gemeenschap alsmede de regeringen van de Lid-Staten verplichten zich ertoe dit beginsel te eerbiedigen en niet te trachten de leden van de besluitvormende organen van de ECB of van de nationale centrale banken bij de uitvoering van hun taken te beïnvloeden. Artikel 108 Iedere Lid-Staat draagt er zorg voor dat zijn nationale wetgeving, met inbegrip van de statuten van zijn nationale centrale bank, uiterlijk op de datum van oprichting van het ESCB verenigbaar is met dit Verdrag en met de Statuten van het ESCB. Artikel 108 A 1. Ter uitvoering van de aan het ESCB opgedragen taken, zal de ECB, overeenkomstig het bepaalde in dit Verdrag en onder de voorwaarden van de Statuten van het ESCB: - verordeningen vaststellen voor zover nodig voor de uitvoering van de taken omschreven in artikel 3.1, eerste streepje, artikel 19.1, artikel 22 of artikel 25.2 van de Statuten van het ESCB, alsmede in de gevallen die worden bepaald in de in artikel 106, lid 6, bedoelde besluiten van de Raad; - de beschikkingen geven die nodig zijn voor de uitvoering van de bij dit Verdrag en de Statuten van het ESCB aan het ESCB opgedragen taken; - aanbevelingen doen en adviezen uitbrengen. 2. Een verordening is van algemene toepassing. Zij is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in alle Lid-Staten. Aanbevelingen en adviezen zijn niet verbindend. Een beschikking is verbindend in al haar onderdelen voor degenen tot wie zij is gericht. De artikelen 190, 191 en 192 zijn van toepassing op de verordeningen en beschikkingen van de ECB. De ECB kan besluiten haar beschikkingen, aanbevelingen en adviezen openbaar te maken. 3. Binnen de grenzen en onder de voorwaarden die door de Raad volgens de procedure van artikel 106, lid 6, worden vastgesteld, is de ECB gerechtigd om ondernemingen boeten of dwangsommen op te leggen bij niet-naleving van de verplichtingen krachtens haar verordeningen en beschikkingen. Artikel 109 1. In afwijking van artikel 228 kan de Raad met eenparigheid van stemmen op aanbeveling van de ECB of van de Commissie en na raadpleging van de ECB ten einde een consensus te bereiken die verenigbaar is met de doelstelling van prijsstabiliteit, en na raadpleging van het Europees Parlement, overeenkomstig de in lid 3 voor de vaststelling van in regelingen omschreven procedures, formele overeenkomsten sluiten over een wisselkoerssysteem voor de Ecu ten opzichte van niet- Gemeenschapsvaluta's. De Raad kan, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen op aanbeveling van de ECB of van de Commissie en na raadpleging van de ECB ten einde een consensus te bereiken die verenigbaar is met de doelstelling van prijsstabiliteit, de Ecu-spilkoersen binnen het wisselkoerssysteem invoeren, wijzigen of afschaffen. De Voorzitter van de Raad stelt het Europees Parlement in kennis van de invoering, wijziging of afschaffing van de Ecu-spilkoers. 2. Bij gebreke van een wisselkoerssysteem ten opzichte van één of meer niet-Gemeenschapsvaluta's als bedoeld in lid 1, kan de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen op aanbeveling van de Commissie en na raadpleging van de ECB, of op aanbeveling van de ECB, algemene oriëntaties voor het wisselkoersbeleid ten opzichte van deze valuta's vaststellen. Deze algemene oriëntaties laten het hoofddoel van het ESCB, zijnde het handhaven van de prijsstabiliteit, onverlet. 3. In afwijking van artikel 228 neemt de Raad, wanneer de Gemeenschap onderhandelingen met één of meer Staten of internationale organisaties moet voeren over aangelegenheden betreffende het monetaire of wisselkoersregime, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen op aanbeveling van de Commissie en na raadpleging van de ECB, besluiten over de regelingen voor de onderhandelingen over en de sluiting van dergelijke vereenkomsten. Deze regelingen verzekeren dat de Gemeenschap één standpunt inneemt. De Commissie wordt ten volle bij de onderhandelingen betrokken. Overeenkomsten die in overeenstemming met dit lid worden gesloten, zijn bindend voor de Instellingen van de Gemeenschap, de ECB en de Lid-Staten. 4. Onder voorbehoud van lid 1 besluit de Raad, op voorstel van de Commissie en na raadpleging van de ECB, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen over het standpunt van de Gemeenschap in internationale fora ten aanzien van onderwerpen die van bijzonder belang zijn voor de Economische en Monetaire Unie, en met eenparigheid van stemmen over de wijze waarop zij overeenkomstig de in de artikelen 103 en 105 vastgelegde bevoegdheidsverdeling wordt vertegenwoordigd. 5. Onverminderd de bevoegdheid van de Gemeenschap en de overeenkomsten van de Gemeenschap ten aanzien van de Economische en Monetaire Unie, mogen de Lid-Staten in internationale organen onderhandelingen voeren en internationale overeenkomsten sluiten. Hoofdstuk 3 Institutionele bepalingen Artikel 109 A 1. De Raad van Bestuur van de ECB bestaat uit de leden van de Directie van de ECB en de Presidenten van de nationale centrale banken. 2. a) De Directie bestaat uit de President, de Vice- President en vier andere leden. b)De President, de Vice-President en de overige leden van de Directie worden gekozen uit personen met een erkende reputatie en beroepservaring op monetair of bancair gebied en worden in onderlinge overeenstemming door de Regeringen van de Lid-Staten op het niveau van de Staatshoofden en Regeringsleiders benoemd op aanbeveling van de Raad, die het Europees Parlement en de Raad van Bestuur van de ECB heeft geraadpleegd. Zij worden voor een periode van 8 jaar benoemd en zijn niet herbenoembaar. Alleen zij die de nationaliteit van één van de Lid-Staten bezitten, kunnen lid van de Directie zijn. Artikel 109 B 1. De Voorzitter van de Raad en een lid van de Commissie mogen zonder stemrecht aan de vergaderingen van de Raad van Bestuur van de ECB deelnemen. De Voorzitter van de Raad kan aan de Raad van Bestuur van de ECB een motie ter bespreking voorleggen. 2. De President van de ECB wordt uitgenodigd om aan de vergaderingen van de Raad deel te nemen wanneer deze aangelegenheden bespreekt met betrekking tot de doelstellingen en de taken van het ESCB. 3. De ECB stelt een jaarverslag over de werkzaamheden van het ESCB en over het monetair beleid in het afgelopen jaar en het lopende jaar op voor het Europees Parlement, de Raad en de Commissie, alsmede voor de Europese Raad. De President van de ECB legt dit verslag voor aan de Raad en aan het Europees Parlement dat op die basis een algemeen debat kan houden. De President van de ECB en de overige leden van de Directie kunnen op verzoek van het Europees Parlement of op eigen initiatief worden gehoord door de bevoegde commissies van het Europees Parlement. Artikel 109 C 1. Ten einde de cooerdinatie van het beleid van de Lid-Staten te bevorderen in de volle omvang die nodig is voor de werking van de interne markt, wordt een Monetair Comité van raadgevende aard ingesteld. Het Monetair Comité heeft tot taak: - de monetaire en financiële toestand van de Lid-Staten en van de Gemeenschap alsmede de algemene regeling van het betalingsverkeer van de Lid-Staten te volgen en ter zake regelmatig aan de Raad en aan de Commissie verslag uit te brengen; - hetzij op verzoek van de Raad of van de Commissie, hetzij op eigen initiatief adviezen aan deze Instellingen uit te brengen; - onverminderd artikel 151, bij te dragen aan de voorbereiding van de werkzaamheden van de Raad, bedoeld in de artikelen 73 F en 73 G, artikel 103, leden 2, 3, 4 en 5, de artikelen 103 A, 104 A, 104 B, 104 C, artikel 109 E, lid 2, artikel 109 F, lid 6, artikel 109 H, artikel 109 I, artikel 109 J, lid 2, en artikel 109 K, lid 1; - ten minste eenmaal per jaar de toestand te onderzoeken met betrekking tot het kapitaalverkeer en de vrijheid van het betalingsverkeer, zoals deze voortvloeien uit de toepassing van dit Verdrag en van door de Raad genomen maatregelen; dit onderzoek heeft betrekking op alle maatregelen betreffende kapitaalverkeer en betalingsverkeer; het Comité brengt de Commissie en de Raad verslag uit over de resultaten van dit onderzoek. De Lid-Staten en de Commissie benoemen ieder twee leden van het Monetair Comité. 2. Aan het begin van de derde fase wordt een Economisch en Financieel Comité ingesteld. Het in lid 1 bedoelde Monetair Comité wordt ontbonden. Het Economisch en Financieel Comité heeft tot taak: - hetzij op verzoek van de Raad of van de Commissie, hetzij op eigen initiatief adviezen aan deze Instellingen uit te brengen; - de economische en financiële toestand van de Lid-Staten en van de Gemeenschap te volgen en ter zake regelmatig aan de Raad en aan de Commissie verslag uit te brengen, inzonderheid wat betreft de financiële betrekkingen met derde landen en internationale instellingen; - onverminderd artikel 151, bij te dragen aan de voorbereiding van de werkzaamheden van de Raad, bedoeld in de artikelen 73 F en 73 G, artikel 103, leden 2, 3, 4 en 5, de artikelen 103 A, 104 A, 104 B en 104 C, artikel 105, lid 6, artikel 105 A, lid 2, artikel 106, leden 5 en 6, de artikelen 109 en 109 H, artikel 109 I, leden 2 en 3, artikel 109 K, lid 2, en artikel 109 L, leden 4 en 5, en andere adviserende en voorbereidende taken die de Raad aan het Comité heeft opgedragen, uit te voeren; - ten minste eenmaal per jaar de toestand te onderzoeken met betrekking tot het kapitaalverkeer en de vrijheid van het betalingsverkeer, zoals deze voortvloeien uit de toepassing van dit Verdrag en van door de Raad genomen maatregelen; dit onderzoek heeft betrekking op alle maatregelen betreffende kapitaalverkeer en betalingsverkeer; het Comité brengt de Commissie en de Raad verslag uit over de resultaten van dit onderzoek. De Lid-Staten, de Commissie en de ECB benoemen ieder ten hoogste twee leden van het Comité. 3. De Raad stelt met gekwalificeerde meerderheid van stemmen op voorstel van de Commissie en na raadpleging van de ECB en het in dit artikel bedoelde Comité, nadere bepalingen betreffende de samenstelling van het Economisch en Financieel Comité vast. De Voorzitter van de Raad stelt het Europees Parlement van het desbetreffende besluit in kennis. 4. Naast de vervulling van de in lid 2 genoemde taken volgt het Comité, indien en zolang er Lid-Staten zijn met een derogatie als bedoeld in de artikelen 109 K en 109 L, de monetaire en financiële toestand en de algemene regeling van het betalingsverkeer van die Lid-Staten en brengt het ter zake regelmatig verslag uit aan de Raad en aan de Commissie. Artikel 109 D De Raad of een Lid-Staat kan de Commissie verzoeken een aanbeveling of een voorstel te doen betreffende aangelegenheden die onder artikel 103, lid 4, artikel 104 C, met uitzondering van lid 14, de artikelen 109, 109 J en 109 K en artikel 109 L, leden 4 en 5, vallen. De Commissie onderzoekt dit verzoek en legt haar conclusies onverwijld aan de Raad voor. Hoofdstuk 4 Overgangsbepalingen Artikel 109 E 1. De tweede fase voor de totstandbrenging van de Economische en Monetaire Unie begint op 1 januari 1994. 2. Vóór die datum, a) - treffen de Lid-Staten voor zover nodig passende maatregelen ter naleving van de verbodsbepalingen van artikel 73 B, onverminderd artikel 73 E, van artikel 104 en van artikel 104 A, lid 1; - stellen de Lid-Staten, indien nodig, met het oog op de onder b) bedoelde evaluatie, meerjarenprogramma's vast die moeten leiden tot de voor de totstandbrenging van de Economische en Monetaire Unie noodzakelijke duurzame convergentie, met name wat betreft prijsstabiliteit en gezonde overheidsfinanciën; b) evalueert de Raad aan de hand van een verslag van de Commissie de vooruitgang die met betrekking tot de economische en monetaire convergentie is geboekt, met name wat betreft prijsstabiliteit en gezonde overheidsfinanciën en de vorderingen bij de tenuitvoerlegging van de Gemeenschapswetgeving betreffende de interne markt. 3. Het bepaalde in de artikelen 104, 104 A, lid 1, 104 B, lid 1, en 104 C, met uitzondering van de leden 1, 9, 11 en 14, is van toepassing vanaf de aanvang van de tweede fase. Het bepaalde in de artikelen 103 A, lid 2, 104 C, leden 1, 9 en 11, 105, 105 A, 107, 109, 109 A, 109 B en 109 C, leden 2 en 4, is van toepassing vanaf de aanvang van de derde fase. 4. In de tweede fase streven de Lid-Staten ernaar buitensporige overheidstekorten te voorkomen. 5. Tijdens de tweede fase brengt elke Lid-Staat, voor zover nodig, het proces op gang dat moet leiden tot de onafhankelijkheid van zijn centrale bank, overeenkomstig artikel 108. Artikel 109 F 1. Aan het begin van de tweede fase wordt een Europees Monetair Instituut (hierna }EMI' te noemen) opgericht en vangt het zijn taken aan; het bezit rechtspersoonlijkheid en wordt bestuurd en beheerd door een Raad, bestaande uit een President en de Presidenten van de nationale centrale banken, van wie één Vice-President is. De President wordt in onderlinge overeenstemming door de Regeringen van de Lid-Staten op het niveau van de Staatshoofden en Regeringsleiders benoemd, op aanbeveling van, naar gelang van het geval, het Comité van Presidenten van de Centrale Banken van de Lid-Staten (hierna }Comité van Presidenten' te noemen) of de Raad van het EMI, en na raadpleging van de Raad en het Europees Parlement. De President wordt gekozen uit personen met een erkende reputatie en beroepservaring op monetair of bancair gebied. Alleen zij die de nationaliteit van één van de Lid-Staten bezitten kunnen President van het EMI worden. De Raad van het EMI benoemt de Vice-President. De Statuten van het EMI zijn opgenomen in een aan dit Verdrag gehecht Protocol. Het Comité van Presidenten wordt ontbonden aan het begin van de tweede fase. 2. Het EMI heeft tot taak: - de samenwerking tussen de nationale centrale banken van de Lid-Staten te versterken; - de cooerdinatie van het monetair beleid van de Lid-Staten te versterken ten einde prijsstabiliteit te verzekeren; - toe te zien op de werking van het Europees Monetair Stelsel; - overleg te plegen over aangelegenheden die onder de bevoegdheid van de nationale centrale banken vallen en die van invloed zijn op de stabiliteit van de financiële instellingen en markten; - de taken over te nemen van het Europees Fonds voor Monetaire Samenwerking, dat wordt ontbonden; de nadere bepalingen betreffende de ontbinding staan in de Statuten van het EMI; - het gebruik van de Ecu te vergemakkelijken en toe te zien op de ontwikkeling van de Ecu, met inbegrip van de goede werking van het Ecu-verrekeningssysteem. 3. Ter voorbereiding van de derde fase heeft het EMI tot taak: - de instrumenten en procedures voor te bereiden die nodig zijn voor het voeren van één monetair beleid in de derde fase; - waar nodig de harmonisatie te bevorderen van de regels en werkwijzen voor het verzamelen, opmaken en verspreiden van statistieken betreffende de gebieden die onder zijn bevoegdheid vallen; - de regels voor te bereiden voor de werkzaamheden die de nationale centrale banken in het kader van het ESCB moeten verrichten; - de doelmatigheid van het grensoverschrijdende betalingsverkeer te bevorderen; - toe te zien op de technische voorbereiding van Ecu- bankbiljetten. Uiterlijk op 31 december 1996 werkt het EMI het juridische, organisatorische en logistieke kader uit dat nodig is om het ESCB in de derde fase zijn taken te laten vervullen. Dit kader wordt met het oog op vaststelling voorgelegd aan de ECB op het tijdstip van haar oprichting. 4. Het EMI kan met een meerderheid van twee derde van de stemmen van zijn Raad: - adviezen uitbrengen of aanbevelingen doen over de algemene richting van het monetair beleid en het wisselkoersbeleid alsmede over de desbetreffende maatregelen die in iedere Lid-Staat worden getroffen; - adviezen uitbrengen of aanbevelingen doen aan de Regeringen en de Raad over beleid dat van invloed kan zijn op de interne of externe monetaire situatie in de Gemeenschap en met name op de werking van het Europees Monetair Stelsel; - aanbevelingen doen aan de monetaire autoriteiten van de Lid-Staten over het te voeren monetair beleid. 5. Het EMI kan met eenparigheid van stemmen besluiten zijn adviezen en aanbevelingen openbaar te maken. 6. Het EMI wordt door de Raad geraadpleegd over elk voorstel voor een communautair besluit op de gebieden die onder de bevoegdheid van het EMI vallen. Binnen de grenzen en onder de voorwaarden die de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement en het EMI vaststelt, wordt het EMI door de autoriteiten van de Lid-Staten geraadpleegd over elk ontwerp van wettelijke bepaling op de gebieden die onder zijn bevoegdheid vallen. 7. De Raad kan met eenparigheid van stemmen, op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement en het EMI, aan het EMI andere taken opdragen ter voorbereiding van de derde fase. 8. In de gevallen waarin dit Verdrag in een raadgevende rol van de ECB voorziet, wordt vóór de oprichting van de ECB }EMI' gelezen in plaats van }ECB'. In de gevallen waarin dit Verdrag in een raadgevende rol van het EMI voorziet, wordt vóór 1 januari 1994 }Comité van Presidenten' gelezen in plaats van }EMI'. 9. Tijdens de tweede fase wordt in de artikelen 173, 175, 176, 177, 180 en 215 }EMI' gelezen in plaats van }ECB'. Artikel 109 G De valutasamenstelling van de Ecu-mand wordt niet gewijzigd. Bij de aanvang van de derde fase wordt de waarde van de Ecu onherroepelijk vastgesteld overeenkomstig artikel 109 L, lid 4. Artikel 109 H 1. In geval van moeilijkheden of ernstig dreigende moeilijkheden in de betalingsbalans van een Lid- Staat, die voortvloeien hetzij uit het ontbreken van het globaal evenwicht van zijn balans hetzij uit de aard van zijn beschikbare deviezen, en die met name de werking van de gemeenschappelijke markt of de geleidelijke verwezenlijking van de gemeenschappelijke handelspolitiek in gevaar kunnen brengen, onderwerpt de Commissie de toestand in die Staat en de maatregelen welke hij overeenkomstig het bepaalde in dit Verdrag met gebruikmaking van alle hem ten dienste staande middelen heeft genomen of kan nemen, onverwijld aan een onderzoek. De Commissie geeft de maatregelen aan die zij de betrokken Staat aanbeveelt. Indien de door de Lid-Staat getroffen en de door de Commissie in overweging gegeven maatregelen niet voldoende blijken te zijn om de ondervonden of dreigende moeilijkheden uit de weg te ruimen, doet de Commissie, na raadpleging van het in artikel 109 C bedoelde Comité, aan de Raad aanbevelingen tot wederzijdse bijstand en betreffende passende maatregelen om die moeilijkheden uit de weg te ruimen. De Commissie houdt de Raad regelmatig van de toestand en de ontwikkeling daarvan op de hoogte. 2. De Raad kent met gekwalificeerde meerderheid van stemmen de wederzijdse bijstand toe; hij stelt richtlijnen of beschikkingen vast die de voorwaarden en de wijze van toepassing daarvan bepalen. De wederzijdse bijstand kan met name de vorm aannemen van: a) een gezamenlijk optreden bij andere internationale organisaties waarop de Lid-Staten een beroep kunnen doen; b) maatregelen noodzakelijk om het zich verleggen van het handelsverkeer te vermijden, wanneer het land dat in moeilijkheden verkeert, kwantitatieve beperkingen ten aanzien van derde landen handhaaft of wederinvoert; c) de verlening van beperkte kredieten door andere Lid- Staten, onder voorbehoud van hun toestemming. 3. Indien de door de Commissie aanbevolen wederzijdse bijstand door de Raad niet wordt goedgekeurd of wanneer de goedgekeurde wederzijdse bijstand en de getroffen maatregelen ontoereikend zijn, machtigt de Commissie de in moeilijkheden verkerende staat vrijwaringsmaatregelen te nemen waarvan zij de voorwaarden en de wijze van toepassing bepaalt. De Raad kan met gekwalificeerde meerderheid van stemmen deze machtiging intrekken en deze voorwaarden en wijze van toepassing wijzigen. 4. Behoudens artikel 109 K, lid 6, is dit artikel niet meer van toepassing met ingang van het begin van de derde fase. Artikel 109 I 1. In geval van een plotselinge crisis in de betalingsbalans en indien een besluit in de zin van artikel 109 H, lid 2, niet onmiddellijk wordt genomen, kan de betrokken Lid-Staat te zijner bescherming de noodzakelijke vrijwaringsmaatregelen treffen. Die maatregelen moeten zo weinig mogelijk verstoringen in de werking van de gemeenschappelijke markt teweegbrengen en mogen niet verder reiken dan strikt onvermijdelijk is om de plotseling opgetreden moeilijkheden te overwinnen. 2. De Commissie en de andere Lid-Staten moeten van die vrijwaringsmaatregelen uiterlijk op het tijdstip van hun inwerkingtreding op de hoogte worden gebracht. De Commissie kan de Raad wederzijdse bijstand overeenkomstig artikel 109 H aanbevelen. 3. Op advies van de Commissie en na raadpleging van het in artikel 109 C bedoelde Comité kan de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen besluiten dat de betrokken Staat bovenbedoelde vrijwaringsmaatregelen moet wijzigen, schorsen of intrekken. 4. Behoudens artikel 109 K, lid 6, is dit artikel niet meer van toepassing met ingang van het begin van de derde fase. Artikel 109 J 1. De Commissie en het EMI brengen aan de Raad verslag uit over de vooruitgang die door de Lid- Staten is geboekt bij de nakoming van hun verplichtingen met het oog op de totstandbrenging van de Economische en Monetaire Unie. Deze verslagen bevatten tevens een onderzoek naar de verenigbaarheid van de nationale wetgeving van elke Lid-Staat, met inbegrip van de Statuten van zijn nationale centrale bank, met artikel 107 en artikel 108 van dit Verdrag en de Statuten van het ESCB. In deze verslagen wordt ook nagegaan of er een hoge mate van duurzame convergentie is bereikt, aan de hand van de mate waarin elke Lid-Staat aan de volgende criteria voldoet: - het bereiken van een hoge mate van prijsstabiliteit; dit blijkt uit een inflatiepercentage dat dicht ligt bij dat van ten hoogste de drie Lid-Staten die op het gebied van de prijsstabiliteit het best presteren; - het houdbare karakter van de situatie van de overheidsfinanciën; dit blijkt uit een begrotingssituatie van de overheid zonder een buitensporig tekort als bedoeld in artikel 104 C, lid 6; - de inachtneming van de normale fluctuatiemarges van het wisselkoersmechanisme van het Europees Monetair Stelsel, gedurende ten minste twee jaar, zonder devaluatie ten opzichte van de munt van een andere Lid-Staat; - de duurzaamheid van de door de Lid-Staat bereikte convergentie en van zijn deelneming aan het wisselskoersmechanisme van het Europees Monetair Stelsel, hetgeen tot uitdrukking komt in het niveau van de rentevoet voor de lange termijn. De vier in dit lid genoemde criteria en de betreffende perioden tijdens welke daaraan moet worden voldaan, worden nader uitgewerkt in een aan dit Verdrag gehecht Protocol. In de verslagen van de Commissie en het EMI wordt ook rekening gehouden met de ontwikkeling van de Ecu, de resultaten van de integratie van de markten, de situatie en de ontwikkeling van de lopende rekeningen van de betalingsbalansen, en een onderzoek naar de ontwikkeling van de loonkosten per eenheid produkt en andere prijsindicatoren. 2. Aan de hand van deze verslagen beoordeelt de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen op aanbeveling van de Commissie: - voor elke Lid-Staat, of hij aan de nodige voorwaarden voor de aanneming van één munt voldoet; - of een meerderheid van de Lid-Staten aan de nodige voorwaarden voor de aanneming van één munt voldoet, en doet hij op grond van zijn bevindingen een aanbeveling aan de Raad in de samenstelling van de Staatshoofden en Regeringsleiders. Het Europees Parlement wordt geraadpleegd en doet zijn advies toekomen aan de Raad in de samenstelling van de Staatshoofden en Regeringsleiders. 3. Op gepaste wijze rekening houdend met de verslagen als bedoeld in lid 1 en met het advies van het Europees Parlement als bedoeld in lid 2, zal de Raad in de samenstelling van de Staatshoofden en Regeringsleiders uiterlijk op 31 december 1996 met gekwalificeerde meerderheid van stemmen: - op basis van de aanbevelingen van de Raad als bedoeld in lid 2 besluiten of een meerderheid van de Lid-Staten al dan niet aan de nodige voorwaarden voor de aanneming van één munt voldoet; - besluiten of het passend is of niet dat de Gemeenschap de derde fase ingaat, en zo ja, - de datum voor het ingaan van de derde fase vaststellen. 4. Indien eind 1997 de datum voor het ingaan van de derde fase niet is vastgesteld, begint de derde fase op 1 januari 1999. Vóór 1 juli 1998 zal de Raad in de samenstelling van de Staatshoofden en Regeringsleiders, na een herhaling van de procedure van de leden 1 en 2, het tweede streepje van lid 2 uitgezonderd, rekening houdend met de verslagen als bedoeld in lid 1 en met het advies van het Europees Parlement, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, op basis van de aanbevelingen van de Raad als bedoeld in lid 2, bevestigen welke Lid-Staten voldoen aan de nodige voorwaarden voor de aanneming van één munt. Artikel 109 K 1. Indien het besluit tot vaststelling van de datum overeenkomstig artikel 109 J, lid 3, is genomen, besluit de Raad, op basis van zijn aanbevelingen als bedoeld in artikel 109 J, lid 2, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen op aanbeveling van de Commissie over de vraag of bepaalde Lid-Staten, en zo ja, welke, een derogatie als omschreven in lid 3 van dit artikel hebben. Deze Lid-Staten worden hierna }Lid-Staten met een derogatie' genoemd. Indien de Raad heeft bevestigd welke Lid-Staten overeenkomstig artikel 109 J, lid 4, aan de nodige voorwaarden voor de aanneming van één munt voldoen, hebben de Lid-Staten die niet aan de voorwaarden voldoen een derogatie als omschreven in lid 3 van dit artikel. Deze Lid-Staten worden hierna }Lid-Staten met een derogatie' genoemd. 2. Ten minste om de twee jaar of op verzoek van een Lid- Staat met een derogatie brengen de Commissie en de ECB volgens de procedure van artikel 109 J, lid 1, aan de Raad verslag uit. Na raadpleging van het Europees Parlement en na bespreking in de Raad in de samenstelling van de Staatshoofden en Regeringsleiders, besluit de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen op voorstel van de Commissie, welke Lid-Staten met een derogatie volgens de criteria van artikel 109 J, lid 1, aan de noodzakelijke voorwaarden voldoen, en trekt hij de derogaties van de betrokken Lid-Staten in. 3. Een derogatie als bedoeld in lid 1 heeft tot gevolg dat de volgende artikelen niet op de betrokken Lid-Staat van toepassing zijn: artikel 104 C, leden 9 en 11, artikel 105, leden 1, 2, 3 en 5, artikel 105 A, artikel 108 A, artikel 109 en artikel 109 A, lid 2, onder b). De uitsluiting van een dergelijke Lid- Staat en zijn nationale centrale bank van de rechten en plichten in het kader van het ESCB is vastgelegd in hoofdstuk IX van de Statuten van het ESCB. 4. In de artikelen 105, leden 1, 2 en 3, 105 A, 108 A, 109 en 109 A, lid 2, onder b), wordt }Lid-Staten' gelezen als }Lid-Staten zonder derogatie'. 5. De stemrechten van de Lid-Staten met een derogatie worden geschorst voor de Raadsbesluiten als bedoeld in de in lid 3 genoemde artikelen van dit Verdrag. In dat geval geldt, in afwijking van artikel 148 en artikel 189 A, lid 1, als gekwalificeerde meerderheid twee derde van de volgens artikel 148, lid 2, gewogen stemmen van de vertegenwoordigers van de Lid-Staten zonder derogatie, en is eenparigheid van stemmen van die Lid-Staten vereist voor een besluit waarvoor eenparigheid vereist is. 6. Artikel 109 H en artikel 109 I blijven van toepassing voor een Lid-Staat met een derogatie. Artikel 109 L 1. Onmiddellijk nadat het besluit over de datum voor het ingaan van de derde fase is genomen overeenkomstig artikel 109 J, lid 3, of, in voorkomend geval, onmiddellijk na 1 juli 1998: - neemt de Raad de in artikel 106, lid 6, bedoelde bepalingen aan; - benoemen de Regeringen van de Lid-Staten zonder derogatie, volgens de procedure van artikel 50 van de Statuten van het ESCB, de President, de Vice-President en de overige leden van de Directie van de ECB. Indien er Lid- Staten met een derogatie zijn, kan het aantal leden van de Directie kleiner zijn dan voorgeschreven in artikel 11.1 van de Statuten van het ESCB, maar in geen geval minder dan vier. Zodra de Directie is benoemd, worden het ESCB en de ECB opgericht en bereiden zij zich voor op hun volledig functioneren zoals omschreven in dit Verdrag en de Statuten van het ESCB. De volledige uitoefening van hun bevoegdheden vangt aan op de eerste dag van de derde fase. 2. Zodra de ECB is opgericht, neemt de ECB, zo nodig, de taken van het EMI over. Het EMI gaat in liquidatie bij de oprichting van de ECB; de nadere bepalingen betreffende de liquidatie staan in de Statuten van het EMI. 3. Indien en zolang er Lid-Staten met een derogatie zijn, wordt, onverminderd het bepaalde in artikel 106, lid 3, van dit Verdrag, de in artikel 45 van de Statuten van de ESCB bedoelde Algemene Raad van de ECB als derde besluitvormend orgaan van de ECB gevormd. 4. Op de aanvangsdatum van de derde fase neemt de Raad, met eenparigheid van stemmen van de Lid- Staten zonder derogatie, op voorstel van de Commissie en na raadpleging van de ECB, de omrekeningskoersen aan die voor hun munteenheden onherroepelijk worden vastgesteld en waartegen deze munteenheden vervangen worden door de Ecu, en zal de Ecu een volwaardige munteenheid worden. Deze maatregel op zich brengt geen wijziging in de externe waarde van de Ecu mede. De Raad neemt tevens volgens dezelfde procedure de overige maatregelen die nodig zijn voor de spoedige invoering van de Ecu als enige munteenheid van die Lid-Staten. 5. Indien overeenkomstig de procedure van artikel 109 K, lid 2, wordt besloten tot intrekking van een derogatie, stelt de Raad met eenparigheid van stemmen van de Lid-Staten zonder derogatie en de betrokken Lid-Staat, op voorstel van de Commissie en na raadpleging van de ECB, de koers vast waartegen de munteenheid van de betrokken Lid-Staat wordt vervangen door de Ecu, en neemt hij de overige maatregelen die nodig zijn voor de invoering van de Ecu als enige munteenheid in de betrokken Lid-Staat. Artikel 109 M 1. Tot de aanvang van de derde fase behandelt iedere Lid- Staat zijn wisselkoersbeleid als een aangelegenheid van gemeenschappelijk belang. Daarbij houden de Lid-Staten rekening met de ervaring die is opgedaan bij de samenwerking in het kader van het Europees Monetair Stelsel (EMS) en bij de ontwikkeling van de Ecu, met inachtneming van de bestaande bevoegdheden. 2. Vanaf de aanvang van de derde fase en zolang een Lid- Staat een derogatie heeft, is lid 1 van overeenkomstige toepassing op het wisselkoersbeleid van deze Lid-Staat.". 26) De titel van het derde deel, Titel II, Hoofdstuk 4, wordt vervangen door: "TITEL VII GEMEENSCHAPPELIJKE HANDELSPOLITIEK". 27) Artikel 111 vervalt. 28) Artikel 113 wordt vervangen door: "Artikel 113 1. De gemeenschappelijke handelspolitiek wordt gegrond op eenvormige beginselen met name wat betreft de tariefwijzigingen, het sluiten van tarief- en handelsakkoorden, het eenvormig maken van liberalisatiemaatregelen, de uitvoerpolitiek, alsmede de handelspolitieke beschermingsmaatregelen, waaronder de te nemen maatregelen in geval van dumping en subsidies. 2. De Commissie doet aan de Raad voorstellen voor de tenuitvoerlegging van de gemeenschappelijke handelspolitiek. 3. Indien moet worden onderhandeld over akkoorden met een of meer Staten of internationale organisaties, doet de Commissie aanbevelingen aan de Raad, die haar machtigt de vereiste onderhandelingen te openen. De Commissie voert deze onderhandelingen in overleg met een speciaal Comité, door de Raad aangewezen om haar daarin bij te staan, en binnen het raam van de richtsnoeren welke de Raad haar kan verstrekken. De relevante bepalingen van artikel 228 zijn van toepassing. 4. Bij de uitoefening van de bevoegdheden welke hem bij dit artikel zijn verleend, besluit de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen.". 29) Artikel 114 vervalt. 30) Artikel 115 wordt vervangen door: "Artikel 115 Ten einde te verzekeren dat de uitvoering der door elke Lid- Staat overeenkomstig dit Verdrag genomen handelspolitieke maatregelen niet wordt verhinderd door het zich verleggen van het handelsverkeer of indien dispariteiten in die maatregelen in een of meer Lid-Staten economische moeilijkheden medebrengen, doet de Commissie aanbevelingen over de wijze waarop de overige Lid-Staten de vereiste medewerking verlenen. Bij gebreke daarvan kan zij de Lid-Staten machtigen de noodzakelijke beschermende maatregelen te treffen, waarvan zij de voorwaarden en de nadere bijzonderheden vaststelt. In dringende gevallen vragen de Lid-Staten aan de Commissie, die zich zo spoedig mogelijk uitspreekt, toestemming om zelf de noodzakelijke maatregelen te treffen en geven zij van deze maatregelen kennis aan de overige Lid-Staten. De Commissie kan te allen tijde besluiten dat de betrokken Lid-Staten deze maatregelen moeten wijzigen of opheffen. Bij voorrang moeten die maatregelen worden genomen die de minste verstoringen in de werking van de gemeenschappelijke markt veroorzaken.". 31) Artikel 116 vervalt. 32) De titel van het derde deel, Titel III, wordt vervangen door: "TITEL VIII SOCIALE POLITIEK, ONDERWIJS, BEROEPSOPLEIDING EN JEUGD". 33) Artikel 118 A, lid 2, eerste alinea, wordt vervangen door : "2. Ten einde bij te dragen tot de verwezenlijking van de in lid 1 beoogde doelstelling, stelt de Raad volgens de procedure van artikel 189 C en na raadpleging van het Economisch en Sociaal Comité, door middel van richtlijnen de minimumvoorschriften vast die geleidelijk zullen worden toegepast, met inachtneming van de in elke van de Lid-Staten bestaande omstandigheden en technische voorschriften.". 33) Artikel 118 A, lid 2, eerste alinea, wordt vervangen door : ~2. Ten einde bij te dragen tot de verwezenlijking van de in lid 1 beoogde doelstelling, stelt de Raad volgens de procedure van artikel 189 C en na raadpleging van het Economisch en Sociaal Comité, door middel van richtlijnen de minimumvoorschriften vast die geleidelijk zullen worden toegepast, met inachtneming van de in elke van de Lid-Staten bestaande omstandigheden en technische voorschriften.". 34) Artikel 123 wordt vervangen door: "Artikel 123 Ten einde de werkgelegenheid voor de werknemers in de interne markt te verbeteren en zodoende bij te dragen tot verhoging van de levensstandaard, wordt in het kader van de volgende bepalingen een Europees Sociaal Fonds opgericht; dit Fonds heeft ten doel binnen de Gemeenschap de tewerkstelling te vergemakkelijken en de geografische en beroepsmobiliteit van de werknemers te bevorderen, alsmede de aanpassing aan veranderingen in het bedrijfsleven en in produktiestelsels gemakkelijker te maken, met name door beroepsopleiding en omscholing.". 35) Artikel 125 wordt vervangen door: "Artikel 125 De Raad stelt volgens de procedure van artikel 189 C en na raadpleging van het Economisch en Sociaal Comité de uitvoeringsbesluiten betreffende het Europees Sociaal Fonds vast.". 36) De artikelen 126, 127 en 128 worden vervangen door: "Hoofdstuk 3 Onderwijs, beroepsopleiding en jeugd Artikel 126 1. De Gemeenschap draagt bij tot de ontwikkeling van onderwijs van hoog gehalte door samenwerking tussen de Lid- Staten aan te moedigen en zo nodig door hun activiteiten te ondersteunen en aan te vullen, met volledige eerbiediging van de verantwoordelijkheid van de Lid-Staten voor de inhoud van het onderwijs en de opzet van het onderwijsstelsel en van hun culturele en taalkundige verscheidenheid. 2. Het optreden van de Gemeenschap is erop gericht: - de Europese dimensie in het onderwijs tot ontwikkeling te brengen, met name door onderricht in en verspreiding van de talen der Lid-Staten; - de mobiliteit van studenten en docenten te bevorderen, mede door de academische erkenning van diploma's en studietijdvakken aan te moedigen; - de samenwerking tussen onderwijsinstellingen te bevorderen; - uitwisseling te bevorderen van informatie en ervaring omtrent de gemeenschappelijke vraagstukken waarmee de onderwijsstelsels van de Lid-Staten worden geconfronteerd; - de ontwikkeling van uitwisselingsprogramma's voor jongeren en jongerenwerkers te bevorderen; - de ontwikkeling van het onderwijs op afstand te stimuleren. 3. De Gemeenschap en de Lid-Staten bevorderen de samenwerking met derde landen en met de inzake onderwijs bevoegde internationale organisaties, met name met de Raad van Europa. 4. Om bij te dragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen van dit artikel neemt de Raad: - volgens de procedure van artikel 189 B en na raadpleging van het Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's, stimuleringsmaatregelen aan, met uitsluiting van harmonisatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de Lid-Staten, - met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, op voorstel van de Commissie, aanbevelingen aan. Artikel 127 1. De Gemeenschap legt inzake beroepsopleiding een beleid ten uitvoer waardoor de activiteiten van de Lid-Staten worden versterkt en aangevuld, met volledige eerbiediging van de verantwoordelijkheid van de Lid-Staten voor de inhoud en de opzet van de beroepsopleiding. 2. Het optreden van de Gemeenschap is erop gericht - de aanpassing aan veranderingen in het bedrijfsleven te vergemakkelijken, met name door beroepsopleiding en omscholing; - door verbetering van de initiële beroepsopleiding en van de bij- en nascholing, de opneming en de wederopneming op de arbeidsmarkt te bevorderen; - de toegang tot beroepsopleidingen te vergemakkelijken en de mobiliteit van opleiders en leerlingen, met name jongeren, te bevorderen; - de samenwerking inzake opleiding tussen onderwijs- of opleidingsinstellingen en ondernemingen te bevorderen; - de uitwisseling te bevorderen van informatie en ervaring omtrent de gemeenschappelijke vraagstukken waarmee de opleidingsstelsels van de Lid-Staten worden geconfronteerd. 3. De Gemeenschap en de Lid-Staten bevorderen de samenwerking met derde landen en met de inzake beroepsopleiding bevoegde internationale organisaties. 4. De Raad neemt volgens de procedure van artikel 189 C en na raadpleging van het Economisch en Sociaal Comité, maatregelen aan die bijdragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen van dit artikel, met uitsluiting van harmonisatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de Lid- Staten.". 37) De volgende tekst wordt ingevoegd: "TITEL IX CULTUUR Artikel 128 1. De Gemeenschap draagt bij tot de ontplooiing van de culturen van de Lid-Staten onder eerbiediging van de nationale en regionale verscheidenheid van die culturen, maar tegelijk ook de nadruk leggend op het gemeenschappelijk cultureel erfgoed. 2. Het optreden van de Gemeenschap is erop gericht de samenwerking tussen de Lid-Staten aan te moedigen en zo nodig hun activiteiten op de volgende gebieden te ondersteunen en aan te vullen: - verbetering van de kennis en verbreiding van de cultuur en de geschiedenis van de Europese volkeren, - instandhouding en bescherming van het cultureel erfgoed van Europees belang, - culturele uitwisseling op niet-commerciële basis, - scheppend werk op artistiek en literair gebied, mede in de audiovisuele sector. 3. De Gemeenschap en de Lid-Staten bevorderen de samenwerking met derde landen en met de inzake cultuur bevoegde internationale organisaties, met name met de Raad van Europa. 4. De Gemeenschap houdt bij haar optreden uit hoofde van andere bepalingen van dit Verdrag rekening met de culturele aspecten. 5. Om bij te dragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen van dit artikel neemt de Raad: - volgens de procedure van artikel 189 B en na raadpleging van het Comité van de Regio's, stimuleringsmaatregelen aan, met uitsluiting van harmonisatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de Lid-Staten. De Raad besluit tijdens de gehele procedure van artikel 189 B met eenparigheid van stemmen; - met eenparigheid van stemmen, op voorstel van de Commissie, aanbevelingen aan.". 38) De titels IV, V, VI en VII worden vervangen door: "TITEL X VOLKSGEZONDHEID Artikel 129 1. De Gemeenschap draagt ertoe bij een hoog niveau van bescherming van de volksgezondheid te verzekeren door de samenwerking tussen de Lid-Staten te bevorderen en, indien nodig, hun activiteiten te ondersteunen. Het optreden van de Gemeenschap is gericht op preventie van ziekten, met name van grote bedreigingen van de gezondheid, met inbegrip van drugverslaving, door het bevorderen van onderzoek naar de oorzaken en de overdracht daarvan, alsmede door het bevorderen van gezondheidsvoorlichting en gezondheidsonderwijs. De eisen inzake gezondheidsbescherming vormen een bestanddeel van het Gemeenschapsbeleid op andere gebieden. 2. De Lid-Staten cooerdineren onderling, in verbinding met de Commissie, hun beleid en programma's op de in lid 1 bedoelde gebieden. De Commissie kan, in nauw contact met de Lid- Staten, alle dienstige initiatieven nemen om deze cooerdinatie te bevorderen. 3. De Gemeenschap en de Lid-Staten bevorderen de samenwerking met derde landen en met de inzake volksgezondheid bevoegde internationale organisaties. 4. Om bij te dragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen van dit artikel neemt de Raad: - volgens de procedure van artikel 189 B en na raadpleging van het Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's, stimuleringsmaatregelen aan met uitsluiting van harmonisatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de Lid-Staten; - met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, op voorstel van de Commissie, aanbevelingen aan. TITEL XI CONSUMENTENBESCHERMING Artikel 129 A 1. De Gemeenschap draagt bij tot de verwezenlijking van een hoog niveau van consumentenbescherming door middel van: a) maatregelen die zij op grond van artikel 100 A in het kader van de totstandbrenging van de interne markt neemt; b) specifieke maatregelen ter ondersteuning en aanvulling van het beleid van de Lid-Staten om de gezondheid, de veiligheid en de economische belangen van de consumenten te beschermen en adequate consumentenvoorlichting te verschaffen. 2. De Raad neemt volgens de procedure van artikel 189 B en na raadpleging van het Economisch en Sociaal Comité de specifieke maatregelen, bedoeld in lid 1, onder b), aan. 3. De uit hoofde van lid 2 aangenomen maatregelen beletten niet dat een Lid-Staat maatregelen voor een hogere graad van bescherming treft en handhaaft. Deze maatregelen moeten verenigbaar zijn met dit Verdrag. Zij worden ter kennis van de Commissie gebracht. TITEL XII TRANSEUROPESE NETWERKEN Artikel 129 B 1. Ten einde bij te dragen tot de verwezenlijking van de in de artikelen 7 A en 130 A bedoelde doelstellingen en om de burgers van de Unie, de economische subjecten, alsmede de regionale en lokale gemeenschappen in staat te stellen ten volle profijt te trekken van de voordelen die uit de totstandkoming van een ruimte zonder binnengrenzen voortvloeien, draagt de Gemeenschap bij tot de totstandbrenging en ontwikkeling van transeuropese netwerken op het gebied van vervoers-, telecommunicatie- en energieinfrastructuur. 2. In het kader van een stelsel van open en concurrerende markten is het optreden van de Gemeenschap gericht op de bevordering van de onderlinge koppeling en interoperabiliteit van de nationale netwerken, alsmede van de toegang tot deze netwerken. Daarbij wordt met name rekening gehouden met de noodzaak de insulaire, niet aan zee grenzende en perifere regio's met de centrale regio's van de Gemeenschap te verbinden. Artikel 129 C 1. Voor de verwezenlijking van de in artikel 129 B genoemde doelstellingen: - stelt de Gemeenschap een geheel van richtsnoeren op betreffende de doelstellingen, de prioriteiten en de grote lijnen van de op het gebied van transeuropese netwerken overwogen maatregelen; in deze richtsnoeren worden projecten van gemeenschappelijk belang aangegeven; - treft de Gemeenschap alle maatregelen die nodig kunnen blijken om de interoperabiliteit van de netwerken te verzekeren, met name op het gebied van de harmonisatie van de technische normen; - kan de Gemeenschap steun verlenen aan de financiële inspanningen van de Lid-Staten voor projecten van gemeenschappelijk belang die als zodanig zijn aangegeven in het kader van de in het eerste streepje bedoelde richtsnoeren, met name in de vorm van uitvoerbaarheidsstudies, garanties voor leningen, of rentesubsidies; de Gemeenschap kan ook door middel van het overeenkomstig artikel 130 D uiterlijk op 31 december 1993 op te richten Cohesiefonds bijdragen aan de financiering van specifieke projecten in Lid-Staten op het terrein van de vervoersinfrastructuur. Bij het optreden van de Gemeenschap wordt rekening gehouden met de potentiële economische levensvatbaarheid van de projecten. 2. De Lid-Staten cooerdineren onderling, in verbinding met de Commissie, het nationale beleid dat van grote invloed kan zijn op de verwezenlijking van de in artikel 129 B bedoelde doelstellingen. De Commissie kan in nauwe samenwerking met de Lid-Staten alle dienstige initiatieven nemen om deze cooerdinatie te bevorderen. 3. De Gemeenschap kan besluiten met derde landen samen te werken om projecten van gemeenschappelijk belang te bevorderen en de interoperabiliteit van de netwerken te verzekeren. Artikel 129 D De in artikel 129 C, lid 1, bedoelde richtsnoeren worden door de Raad vastgesteld volgens de procedure van artikel 189 B en na raadpleging van het Economisch en Sociaal Comité en van het Comité van de Regio's. Voor richtsnoeren en projecten van gemeenschappelijk belang die betrekking hebben op het grondgebied van een Lid-Staat, is de goedkeuring van de betrokken Lid-Staat vereist. De Raad stelt volgens de procedure van artikel 189 C en na raadpleging van het Economisch en Sociaal Comité en van het Comité van de Regio's de in artikel 129 C, lid 1, bedoelde andere maatregelen vast. TITEL XIII INDUSTRIE Artikel 130 1. De Gemeenschap en de Lid-Staten dragen er zorg voor dat de omstandigheden nodig voor het concurrentievermogen van de industrie van de Gemeenschap aanwezig zijn. Hiertoe is hun optreden, overeenkomstig een systeem van open en concurrerende markten, erop gericht: - de aanpassing van de industrie aan structurele wijzigingen te bespoedigen; - een gunstig klimaat voor het ontplooien van initiatieven en voor de ontwikkeling van ondernemingen in de gehele Gemeenschap, met name van het midden- en kleinbedrijf, te bevorderen; - een gunstig klimaat voor de samenwerking tussen ondernemingen te bevorderen; - een betere benutting van het industrieel potentieel van het beleid inzake innovatie, onderzoek en technologische ontwikkeling te stimuleren. 2. De Lid-Staten plegen, in verbinding met de Commissie, onderling overleg en cooerdineren, voor zover nodig, hun activiteiten. De Commissie kan initiatieven nemen om deze cooerdinatie te bevorderen. 3. De Gemeenschap draagt bij tot de verwezenlijking van de doelstellingen van lid 1 door middel van haar beleid en optreden uit hoofde van andere bepalingen van dit Verdrag. De Raad kan op voorstel van de Commissie, na raadpleging van het Europees Parlement en het Economisch en Sociaal Comité, met eenparigheid van stemmen specifieke maatregelen vaststellen ter ondersteuning van de activiteiten die in de Lid-Staten worden ondernomen om de doelstellingen van lid 1 te verwezenlijken. Deze titel verschaft geen grondslag voor invoering door de Gemeenschap van maatregelen waardoor de mededinging kan worden vervalst. TITEL XIV ECONOMISCHE EN SOCIALE SAMENHANG Artikel 130 A Ten einde de harmonische ontwikkeling van de Gemeenschap in haar geheel te bevorderen, ontwikkelt en vervolgt de Gemeenschap haar optreden gericht op de versterking van de economische en sociale samenhang. De Gemeenschap stelt zich in het bijzonder ten doel, de verschillen tussen de ontwikkelingsniveaus van de onderscheiden regio's en de achterstand van de minst begunstigde regio's, met inbegrip van de plattelandsgebieden, te verkleinen. Artikel 130 B De Lid-Staten voeren hun economisch beleid en cooerdineren dit mede met het oog op het verwezenlijken van de doelstellingen van artikel 130 A. De vaststelling en de tenuitvoerlegging van het beleid en van de maatregelen van de Gemeenschap en de totstandbrenging van de interne markt houden rekening met de doelstellingen van artikel 130 A en dragen bij tot de verwezenlijking daarvan. De Gemeenschap ondersteunt deze verwezenlijking tevens door haar optreden via de structuurfondsen (Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw, Afdeling Oriëntatie, Europees Sociaal Fonds, Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling), de Europese Investeringsbank en de andere bestaande financieringsinstrumenten. De Commissie brengt om de drie jaar aan het Europees Parlement, de Raad, het Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's verslag uit over de vooruitgang die is geboekt bij de verwezenlijking van de economische en sociale samenhang, alsmede over de wijze waarop de diverse in dit artikel bedoelde middelen daartoe hebben bijgedragen. Dit verslag gaat in voorkomend geval vergezeld van passende voorstellen. Indien specifieke maatregelen buiten de fondsen om noodzakelijk blijken, kunnen zulke maatregelen, onverminderd de maatregelen waartoe in het kader van ander beleid van de Gemeenschap wordt besloten, door de Raad op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement, het Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's, met eenparigheid van stemmen worden vastgesteld. Artikel 130 C Het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling is bedoeld om een bijdrage te leveren aan het ongedaan maken van de belangrijkste regionale onevenwichtigheden in de Gemeenschap door deel te nemen aan de ontwikkeling en de structurele aanpassing van regio's met een ontwikkelingsachterstand en aan de omschakeling van industriegebieden met afnemende economische activiteit. Artikel 130 D Onverminderd artikel 130 E stelt de Raad op voorstel van de Commissie, en na instemming van het Europees Parlement en raadpleging van het Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's, met eenparigheid van stemmen de taken, de prioritaire doelstellingen en de organisatie van de structuurfondsen vast, hetgeen ook samenvoeging van de fondsen kan omvatten. De Raad stelt volgens dezelfde procedure tevens de algemene regels vast die voor deze fondsen gelden, alsmede de bepalingen die nodig zijn voor de doeltreffende werking van de fondsen en de cooerdinatie tussen de fondsen onderling en met de andere bestaande financieringsinstrumenten. De Raad richt volgens dezelfde procedure uiterlijk op 31 december 1993 een Cohesiefonds op, dat een financiële bijdrage levert aan projecten op het gebied van milieu en transeuropese netwerken in de sfeer van de vervoersinfrastructuur. Artikel 130 E De toepassingsbesluiten met betrekking tot het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling worden door de Raad volgens de procedure van artikel 189 C en na raadpleging van het Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's vastgesteld. Ten aanzien van het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw, Afdeling Oriëntatie, en het Europees Sociaal Fonds blijven onderscheidenlijk de artikelen 43 en 125 van toepassing. TITEL XV ONDERZOEK EN TECHNOLOGISCHE ONTWIKKELING Artikel 130 F 1. De Gemeenschap heeft als doelstelling de wetenschappelijke en technologische grondslagen van de industrie van de Gemeenschap te versterken en de ontwikkeling van haar internationale concurrentiepositie te bevorderen, alsmede de onderzoekactiviteiten te bevorderen die uit hoofde van andere hoofdstukken van dit Verdrag nodig worden geacht. 2. Te dien einde stimuleert zij in de gehele Gemeenschap de ondernemingen, met inbegrip van kleine en middelgrote ondernemingen, de onderzoekcentra en de universiteiten bij hun inspanningen op het gebied van hoogwaardig onderzoek en hoogwaardige technologische ontwikkeling; zij ondersteunt hun streven naar onderlinge samenwerking, waarbij haar beleid er vooral op gericht is de ondernemingen in staat te stellen ten volle de mogelijkheden van de interne markt te benutten, in het bijzonder door openstelling van de nationale overheidsopdrachten, vaststelling van gemeenschappelijke normen en opheffing van de wettelijke en fiscale belemmeringen welke die samenwerking in de weg staan. 3. Alle activiteiten van de Gemeenschap uit hoofde van dit Verdrag, met inbegrip van demonstratieprojecten, op het gebied van onderzoek en technologische ontwikkeling worden vastgesteld en ten uitvoer gelegd overeenkomstig het bepaalde in deze titel. Artikel 130 G Voor de verwezenlijking van deze doelstellingen onderneemt de Gemeenschap de volgende activiteiten, die de activiteiten van de Lid-Staten aanvullen: a) tenuitvoerlegging van programma's voor onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie, waarbij de samenwerking met en tussen ondernemingen, onderzoekcentra en universiteiten wordt bevorderd; b) bevordering van de samenwerking inzake communautair onderzoek, communautaire technologische ontwikkeling en demonstratie met derde landen en internationale organisaties; c) verspreiding en exploitatie van de resultaten van de activiteiten inzake communautair onderzoek, communautaire technologische ontwikkeling en demonstratie; d) stimulering van de opleiding en de mobiliteit van onderzoekers in de Gemeenschap. Artikel 130 H 1. De Gemeenschap en de Lid-Staten cooerdineren hun activiteiten op het gebied van onderzoek en technologische ontwikkeling, ten einde de wederzijdse samenhang van het beleid van de Lid-Staten en het beleid van de Gemeenschap te verzekeren. 2. De Commissie kan in nauwe samenwerking met de Lid-Staten alle dienstige initiatieven nemen om de in lid 1 bedoelde cooerdinatie te bevorderen. Artikel 130 I 1. De Raad stelt, volgens de procedure van artikel 189 B en na raadpleging van het Economisch en Sociaal Comité, een meerjaren-kaderprogramma vast waarin alle activiteiten van de Gemeenschap zijn opgenomen. De Raad besluit tijdens de gehele procedure van artikel 189 B met eenparigheid van stemmen. In dit kaderprogramma: - worden de wetenschappelijke en technologische doelstellingen die met de in artikel 130 G bedoelde activiteiten moeten worden verwezenlijkt, alsmede de daarmee samenhangende prioriteiten vastgesteld; - worden de grote lijnen van deze activiteiten aangegeven; - worden het totale maximumbedrag van en nadere regels voor de financiële deelneming van de Gemeenschap aan het kaderprogramma alsmede de onderscheiden deelbedragen voor elk van de overwogen activiteiten vastgesteld. 2. Het kaderprogramma wordt naar gelang van de ontwikkeling van de situatie aangepast of aangevuld. 3. Het kaderprogramma wordt ten uitvoer gelegd door middel van specifieke programma's die binnen elke activiteit worden ontwikkeld. In elk specifiek programma worden de nadere bepalingen voor de uitvoering ervan, de looptijd en de noodzakelijk geachte middelen vastgesteld. Het totaal van de in de specifieke programma's vastgestelde noodzakelijk geachte bedragen mag niet meer belopen dan het voor het kaderprogramma en voor elke activiteit vastgestelde totale maximumbedrag. 4. De Raad stelt de specifieke programma's met gekwalificeerde meerderheid vast op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement en het Economisch en Sociaal Comité. Artikel 130 J Voor de tenuitvoerlegging van het meerjaren-kaderprogramma bepaalt de Raad: - de regels voor de deelneming van ondernemingen, onderzoekcentra en universiteiten; - de regels voor de verspreiding van de onderzoekresultaten. Artikel 130 K Bij de tenuitvoerlegging van het meerjaren-kaderprogramma kan worden besloten tot aanvullende programma's waaraan alleen wordt deelgenomen door bepaalde Lid-Staten, die zorg dragen voor de financiering daarvan, onder voorbehoud van een eventuele deelneming van de Gemeenschap. De Raad stelt de regels voor de aanvullende programma's vast, met name voor wat betreft de verspreiding van de kennis en de toegang van andere Lid-Staten. Artikel 130 L Bij de tenuitvoerlegging van het meerjaren-kaderprogramma kan de Gemeenschap in overeenstemming met de betrokken Lid- Staten voorzien in deelneming aan door verscheidene Lid- Staten opgezette onderzoek- en ontwikkelingsprogramma's, met inbegrip van de deelneming aan de voor de uitvoering van die programma's tot stand gebrachte structuren. Artikel 130 M Bij de tenuitvoerlegging van het meerjaren-kaderprogramma kan de Gemeenschap voorzien in samenwerking inzake communautair onderzoek en communautaire technologische ontwikkeling en demonstratie met derde landen of internationale organisaties. De nadere regeling van deze samenwerking kan worden vastgesteld in overeenkomsten tussen de Gemeenschap en de betrokken derde partijen, waarover wordt onderhandeld en die worden gesloten overeenkomstig artikel 228. Artikel 130 N De Gemeenschap kan gemeenschappelijke ondernemingen of andere structuren in het leven roepen die noodzakelijk zijn voor de goede uitvoering van programma's voor communautair onderzoek en communautaire technologische ontwikkeling en demonstratie. Artikel 130 O De Raad stelt, op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement en het Economisch en Sociaal Comité, met eenparigheid van stemmen de in artikel 130 N bedoelde voorzieningen vast. De Raad stelt, volgens de procedure van artikel 189 C en na raadpleging van het Economisch en Sociaal Comité, de in de artikelen 130 J, 130 K en 130 L bedoelde voorzieningen vast. Voor de vaststelling van de aanvullende programma's is de goedkeuring van de betrokken Lid-Staten vereist. Artikel 130 P Aan het begin van elk jaar legt de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad een verslag voor. Dit verslag heeft met name betrekking op de activiteiten inzake onderzoek en technologische ontwikkeling en verspreiding van de resultaten in het voorafgaande jaar alsmede op het werkprogramma van het lopende jaar. TITEL XVI MILIEU Artikel 130 R 1. Het beleid van de Gemeenschap op milieugebied draagt bij tot het nastreven van de volgende doelstellingen: - behoud, bescherming en verbetering van de kwaliteit van het milieu; - bescherming van de gezondheid van de mens; - behoedzaam en rationeel gebruik van natuurlijke hulpbronnen; - bevordering op internationaal vlak van maatregelen om het hoofd te bieden aan regionale of mondiale milieuproblemen. 2. De Gemeenschap streeft in haar milieubeleid naar een hoog niveau van bescherming, rekening houdend met de uiteenlopende situaties in de verschillende regio's van de Gemeenschap. Haar beleid berust op het voorzorgsbeginsel en het beginsel van preventief handelen, het beginsel dat milieuaantastingen bij voorrang aan de bron dienen te worden bestreden, en het beginsel dat de vervuiler betaalt. De eisen ter zake van milieubescherming moeten in het bepalen en uitvoeren van Gemeenschapsbeleid op andere gebieden worden geïntegreerd. In dit verband omvatten de aan deze eisen beantwoordende harmonisatiemaatregelen, in de gevallen die daarvoor in aanmerking komen, een vrijwaringsclausule op grond waarvan de Lid-Staten om nieteconomische milieuredenen voorlopige maatregelen kunnen nemen die aan een communautaire controleprocedure onderworpen zijn. 3. Bij het bepalen van haar beleid op milieugebied houdt de Gemeenschap rekening met: - de beschikbare wetenschappelijke en technische gegevens; - de milieuomstandigheden in de onderscheiden regio's van de Gemeenschap; - de voordelen en lasten die kunnen voortvloeien uit optreden, onderscheidenlijk niet-optreden; - de economische en sociale ontwikkeling van de Gemeenschap als geheel en de evenwichtige ontwikkeling van haar regio's. 4. In het kader van hun onderscheiden bevoegdheden werken de Gemeenschap en de Lid-Staten samen met derde landen en de bevoegde internationale organisaties. De nadere regels voor de samenwerking van de Gemeenschap kunnen voorwerp zijn van overeenkomsten tussen de Gemeenschap en de betrokken derde partijen, waarover wordt onderhandeld en die worden gesloten overeenkomstig artikel 228. De eerste alinea doet geen afbreuk aan de bevoegdheid van de Lid-Staten om in internationale fora te onderhandelen en internationale overeenkomsten te sluiten. Artikel 130 S 1. De Raad stelt volgens de procedure van artikel 189 C en na raadpleging van het Economisch en Sociaal Comité de activiteiten vast die de Gemeenschap moet ondernemen om de doelstellingen van artikel 130 R te verwezenlijken. 2. In afwijking van de in lid 1 bedoelde besluitvormingsprocedure en onverminderd het bepaalde in artikel 100 A neemt de Raad, op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement en van het Economisch en Sociaal Comité met eenparigheid van stemmen een besluit over: - bepalingen van in hoofdzaak fiscale aard; - maatregelen betreffende ruimtelijke ordening, bodembestemming met uitzondering van afvalstoffenbeheer en maatregelen van algemene aard, en kwantitatief waterbeheer; - maatregelen die van aanzienlijke invloed zijn op de keuze van een Lid-Staat tussen verschillende energiebronnen en op de algemene structuur van zijn energievoorziening. De Raad kan onder de in de eerste alinea bedoelde voorwaarden bepalen over welke van de in dit lid bedoelde aangelegenheden met een gekwalificeerde meerderheid van stemmen moet worden besloten. 3. Op andere gebieden stelt de Raad volgens de procedure van artikel 189 B en na raadpleging van het Economisch en Sociaal Comité algemene actieprogramma's vast waarin de te verwezenlijken prioritaire doelstellingen worden vastgelegd. De Raad stelt, naar gelang van het geval onder de voorwaarden van lid 1 of lid 2, de maatregelen vast die noodzakelijk zijn voor de tenuitvoerlegging van deze programma's. 4. Onverminderd bepaalde maatregelen met een communautair karakter, dragen de Lid-Staten zorg voor de financiering en de uitvoering van het milieubeleid. 5. Onverminderd het beginsel dat de vervuiler betaalt, treft de Raad, ingeval een op grond van lid 1 vastgestelde maatregel voor de overheid van een Lid-Staat onevenredig hoge kosten met zich meebrengt, in het besluit betreffende de aanneming van die maatregel passende voorzieningen in de vorm van: - ontheffingen van tijdelijke aard en/of - financiële steun uit het Cohesiefonds dat overeenkomstig artikel 130 D uiterlijk op 31 december 1993 wordt opgericht. Artikel 130 T De beschermende maatregelen die worden vastgesteld uit hoofde van artikel 130 S, beletten niet dat een Lid-Staat verdergaande beschermingsmaatregelen handhaaft en treft. Zulke maatregelen moeten verenigbaar zijn met dit Verdrag. Zij worden ter kennis van de Commissie gebracht. TITEL XVII ONTWIKKELINGSSAMENWERKING Artikel 130 U 1. Het beleid van de Gemeenschap op het gebied van ontwikkelingssamenwerking, dat een aanvulling vormt op het beleid van de Lid-Staten, is gericht op de bevordering van: - de duurzame economische en sociale ontwikkeling van de ontwikkelingslanden en meer in het bijzonder van de armste ontwikkelingslanden; - de harmonische en geleidelijke integratie van de ontwikkelingslanden in de wereldeconomie; - de strijd tegen de armoede in de ontwikkelingslanden. 2. Het beleid van de Gemeenschap op dit gebied draagt bij tot de algemene doelstelling van ontwikkeling en consolidatie van de democratie en van de rechtsstaat, alsmede tot de doelstelling van eerbiediging van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden. 3. De Gemeenschap en de Lid-Staten houden zich aan de verbintenissen en de doelstellingen die zij in het kader van de Verenigde Naties en andere bevoegde internationale organisaties hebben onderschreven. Artikel 130 V De Gemeenschap houdt bij de uitvoering van beleid dat gevolgen kan hebben voor de ontwikkelingslanden rekening met de doelstellingen van artikel 130 U. Artikel 130 W 1. Onverminderd de overige bepalingen van dit Verdrag, stelt de Raad volgens de procedure van artikel 189 C de maatregelen vast die noodzakelijk zijn om de doelstellingen van artikel 130 U te verwezenlijken. Deze maatregelen kunnen de vorm aannemen van meerjarenprogramma's. 2. De Europese Investeringsbank draagt, onder de in haar statuten vastgestelde voorwaarden, bij tot de tenuitvoerlegging van de in lid 1 bedoelde maatregelen. 3. Dit artikel laat de samenwerking met de staten in Afrika, het Caribische gebied en de Stille Oceaan in het kader van de ACS-EEG-Overeenkomst onverlet. Artikel 130 X 1. De Gemeenschap en de Lid-Staten cooerdineren hun ontwikkelingssamenwerkingsbeleid en plegen overleg over hun hulpprogramma's, ook in internationale organisaties en tijdens internationale conferenties. Zij kunnen gezamenlijk optreden. De Lid-Staten dragen zo nodig bij tot de tenuitvoerlegging van communautaire hulpprogramma's. 2. De Commissie kan alle dienstige initiatieven nemen om de in lid 1 bedoelde cooerdinatie te bevorderen. Artikel 130 Y In het kader van hun onderscheiden bevoegdheden werken de Gemeenschap en de Lid-Staten samen met derde landen en met de bevoegde internationale organisaties. De nadere regels voor de samenwerking van de Gemeenschap kunnen worden opgenomen in overeenkomsten tussen de Gemeenschap en de betrokken derde partijen, waarover wordt onderhandeld en die worden gesloten overeenkomstig artikel 228. De eerste alinea doet geen afbreuk aan de bevoegdheid van de Lid-Staten om in internationale fora te onderhandelen en internationale overeenkomsten te sluiten.". E. Het vijfde deel - "De Instellingen van de Gemeenschap" wordt als volgt gewijzigd: 39) Artikel 137 wordt vervangen door: "Artikel 137 Het Europees Parlement, bestaande uit vertegenwoordigers van de volkeren van de Staten die in de Gemeenschap zijn verenigd, oefent de door dit Verdrag aan deze Instelling verleende bevoegdheden uit.". 40) Artikel 138, lid 3, wordt vervangen door: "3. Het Europees Parlement stelt ontwerpen op voor het houden van rechtstreekse algemene verkiezingen volgens een in alle Lid-Staten eenvormige procedure. De Raad stelt met eenparigheid van stemmen en met instemming van het Europees Parlement, dat met meerderheid van stemmen van zijn leden een besluit neemt, de desbetreffende bepalingen vast, waarvan hij de aanneming door de Lid-Staten overeenkomstig hun onderscheiden grondwettelijke bepalingen aanbeveelt.". 41) De volgende artikelen worden ingevoegd: "Artikel 138 A Europese politieke partijen zijn een belangrijke factor voor integratie binnen de Unie. Zij dragen bij tot de vorming van een Europees bewustzijn en tot de uiting van de politieke wil van de burgers van de Unie. Artikel 138 B Voor zover in dit Verdrag daarin is voorzien, neemt het Europees Parlement deel aan het proces dat leidt tot de aanneming van communautaire besluiten door zijn bevoegdheden in het kader van de procedures van de artikelen 189 B en 189 C uit te oefenen, alsmede door zijn instemming te betuigen of door adviezen te geven. Het Europees Parlement kan met meerderheid van stemmen van zijn leden de Commissie verzoeken passende voorstellen in te dienen inzake aangelegenheden die naar het oordeel van het Parlement communautaire besluiten voor de tenuitvoerlegging van dit Verdrag vergen. Artikel 138 C In het kader van de vervulling van zijn taken kan het Europees Parlement op verzoek van een vierde van zijn leden een tijdelijke enquêtecommissie instellen om, onverminderd de bij dit Verdrag aan andere Instellingen of organen verleende bevoegdheden, vermeende inbreuken op het Gemeenschapsrecht of gevallen van wanbeheer bij de toepassing van het Gemeenschapsrecht te onderzoeken, behalve wanneer de vermeende feiten het voorwerp van een gerechtelijke procedure uitmaken en zolang deze procedure nog niet is voltooid. De tijdelijke enquêtecommissie houdt op te bestaan zodra zij haar verslag heeft ingediend. De nadere bepalingen betreffende de uitoefening van het enquêterecht worden in onderlinge overeenstemming vastgesteld door het Europees Parlement, de Raad en de Commissie. Artikel 138 D Iedere burger van de Unie, alsmede iedere natuurlijke of rechtspersoon met verblijfplaats of statutaire zetel in een Lid-Staat heeft het recht om individueel of te zamen met andere burgers of personen een verzoekschrift tot het Europees Parlement te richten betreffende een onderwerp dat tot de werkterreinen van de Gemeenschap behoort en dat hem of haar rechtstreeks aangaat. Artikel 138 E 1. Het Europees Parlement benoemt een ombudsman die bevoegd is kennis te nemen van klachten van burgers van de Unie of van natuurlijke of rechtspersonen met verblijfplaats of statutaire zetel in een Lid-Staat over gevallen van wanbeheer bij het optreden van de communautaire Instellingen of organen, met uitzondering van het Hof van Justitie en het Gerecht van eerste aanleg bij de uitoefening van hun gerechtelijke taak. Overeenkomstig zijn opdracht verricht de ombudsman het door hem gerechtvaardigd geachte onderzoek op eigen initiatief dan wel op basis van klachten welke hem rechtstreeks of via een lid van het Europees Parlement zijn voorgelegd, behalve wanneer de vermeende feiten het voorwerp van een gerechtelijke procedure uitmaken of hebben uitgemaakt. Indien de ombudsman een geval van wanbeheer heeft vastgesteld, legt hij de zaak voor aan de betrokken Instelling, die over een termijn van drie maanden beschikt om hem haar standpunt mede te delen. De ombudsman doet vervolgens een verslag aan het Europees Parlement en aan de betrokken Instelling toekomen. De persoon die de klacht heeft ingediend wordt op de hoogte gebracht van het resultaat van dit onderzoek. De ombudsman legt elk jaar aan het Europees Parlement een verslag voor met het resultaat van zijn onderzoeken. 2. Na elke verkiezing voor het Europees Parlement wordt de ombudsman voor de zittingsduur van deze Instelling benoemd. Hij is herbenoembaar. Op verzoek van het Europees Parlement kan de ombudsman door het Hof van Justitie van zijn ambt ontheven worden verklaard, indien hij niet meer aan de eisen voor de uitoefening van zijn ambt voldoet of op ernstige wijze is tekortgeschoten. 3. De ombudsman oefent zijn ambt volkomen onafhankelijk uit. Bij de vervulling van zijn taken vraagt noch aanvaardt hij instructies van enig lichaam. Gedurende zijn ambtsperiode mag de ombudsman geen andere beroepswerkzaamheden, al dan niet tegen beloning, verrichten. 4. Het Europees Parlement stelt na advies van de Commissie en met goedkeuring van de Raad, die met gekwalificeerde meerderheid van stemmen een besluit neemt, het statuut van de ombudsman en de algemene voorwaarden voor de uitoefening van het ambt van ombudsman vast.". 42) Aan artikel 144, tweede alinea, wordt de volgende zin toegevoegd: "In dat geval verstrijkt de ambtsperiode van de te hunner vervanging benoemde leden van de Commissie op de datum waarop de ambtstermijn van de gezamenlijk tot aftreden gedwongen leden zou zijn verstreken.". 43) Het volgende artikel wordt ingevoegd: "Artikel 146 De Raad bestaat uit een vertegenwoordiger van elke Lid-Staat op ministerieel niveau die gemachtigd is om de Regering van de Lid-Staat die hij vertegenwoordigt, te binden. Het voorzitterschap wordt in de Raad door elke Lid-Staat bij toerbeurt uitgeoefend voor de tijd van zes maanden, in onderstaande volgorde der Lid-Staten: - gedurende een eerste cyclus van zes jaar: België, Denemarken, Duitsland, Griekenland, Spanje, Frankrijk, Ierland, Italië, Luxemburg, Nederland, Portugal, Verenigd Koninkrijk; - gedurende een tweede cyclus van zes jaar: Denemarken, België, Griekenland, Duitsland, Frankrijk, Spanje, Italië, Ierland, Nederland, Luxemburg, Verenigd Koninkrijk, Portugal.". 44) Het volgende artikel wordt ingevoegd: "Artikel 147 De Raad wordt door zijn Voorzitter, op diens initiatief, op initiatief van één van zijn leden of van de Commissie, in vergadering bijeengeroepen.". 45) Artikel 149 vervalt. 46) Het volgende artikel wordt ingevoegd: "Artikel 151 1. Een comité, bestaande uit de Permanente Vertegenwoordigers van de Lid-Staten, heeft tot taak de werkzaamheden van de Raad voor te bereiden en de door de Raad verstrekte opdrachten uit te voeren. 2. De Raad wordt bijgestaan door een Secretariaat-Generaal onder leiding van een Secretaris-Generaal. De Secretaris- Generaal wordt door de Raad met eenparigheid van stemmen benoemd. De Raad beslist over de organisatie van het Secretariaat- Generaal. 3. De Raad stelt zijn reglement van orde vast.". 47) Het volgende artikel wordt ingevoegd: "Artikel 154 De Raad stelt met gekwalificeerde meerderheid van stemmen de wedden, vergoedingen en pensioenen vast van de voorzitter en de leden van de Commissie, van de president, de rechters en de griffier van, alsmede van de advocaten-generaal bij het Hof van Justitie. De Raad stelt, met dezelfde meerderheid, eveneens alle vergoedingen vast welke als beloning kunnen gelden.". 48) De volgende artikelen worden ingevoegd: "Artikel 156 Jaarlijks, ten minste een maand vóór de opening van de zitting van het Europees Parlement, publiceert de Commissie een algemeen verslag over de werkzaamheden van de Gemeenschap. Artikel 157 1. De Commissie bestaat uit zeventien leden, die op grond van hun algemene bekwaamheid worden gekozen en die alle waarborgen voor onafhankelijkheid bieden. Het aantal leden van de Commissie kan door de Raad met eenparigheid van stemmen worden gewijzigd. Alleen zij die de nationaliteit van een van de Lid-Staten bezitten, kunnen lid van de Commissie zijn. In de Commissie moet ten minste één onderdaan van elke Lid- Staat zitting hebben, zonder dat het aantal leden van dezelfde nationaliteit meer dan twee mag bedragen. 2. De leden van de Commissie oefenen hun ambt volkomen onafhankelijk uit in het algemeen belang van de Gemeenschap. Bij de vervulling van hun taken vragen noch aanvaarden zij instructies van enige regering of enig ander lichaam. Zij onthouden zich van iedere handeling welke onverenigbaar is met het karakter van hun ambt. Iedere Lid-Staat verbindt zich, dit karakter te eerbiedigen en niet te trachten de leden van de Commissie te beïnvloeden bij de uitvoering van hun taak. De leden van de Commissie mogen gedurende hun ambtsperiode geen andere beroepswerkzaamheden, al dan niet tegen beloning, verrichten. Bij hun ambtsaanvaarding verbinden zij zich plechtig om gedurende hun ambtsperiode en na afloop daarvan de uit hun taak voortvloeiende verplichtingen na te komen, in het bijzonder eerlijkheid en kiesheid te betrachten in het aanvaarden van bepaalde functies of voordelen na afloop van die ambtsperiode. Ingeval deze verplichtingen niet worden nagekomen, kan de Raad of de Commissie zich wenden tot het Hof van Justitie, dat, al naar het geval, ontslag ambtshalve volgens artikel 160 of verval van het recht op pensioen of van andere, daarvoor in de plaats tredende voordelen kan uitspreken. Artikel 158 1. De leden van de Commissie worden volgens de procedure van lid 2 voor een periode van vijf jaar benoemd, behoudens, in voorkomend geval, artikel 144. Zij zijn herbenoembaar. 2. De Regeringen van de Lid-Staten dragen, na raadpleging van het Europees Parlement, in onderlinge overeenstemming de persoon voor die zij voornemens zijn tot Voorzitter van de Commissie te benoemen. In overleg met de voorgedragen Voorzitter dragen de Regeringen van de Lid-Staten de overige personen voor die zij voornemens zijn tot leden van de Commissie te benoemen. De aldus voorgedragen Voorzitter en overige leden van de Commissie worden als college ter goedkeuring onderworpen aan een stemming van het Europees Parlement. Na goedkeuring door het Europees Parlement worden de Voorzitter en de overige leden van de Commissie door de Regeringen van de Lid-Staten in onderlinge overeenstemming benoemd. 3. Lid 1 en lid 2 zijn voor het eerst van toepassing op de Voorzitter en de overige leden van de Commissie wier ambtsperiode op 7 januari 1995 aanvangt. De Voorzitter en de overige leden van de Commissie wier ambtsperiode op 7 januari 1993 aanvangt, worden in onderlinge overeenstemming door de Regeringen der Lid-Staten benoemd. Hun ambtsperiode verstrijkt op 6 januari 1995. Artikel 159 Behalve door regelmatige vervanging of door overlijden eindigt de ambtsvervulling van een lid van de Commissie door vrijwillig ontslag of ontslag ambtshalve. De betrokkene wordt voor de verdere duur van zijn ambtstermijn vervangen door een nieuw lid dat in onderlinge overeenstemming door de Regeringen van de Lid-Staten wordt benoemd. De Raad kan met eenparigheid van stemmen vaststellen dat er geen reden voor vervanging is. In geval van ontslag of overlijden wordt de Voorzitter voor de verdere duur van zijn ambtstermijn vervangen. De procedure van artikel 158, lid 2, is van toepassing voor de vervanging van de Voorzitter. Behoudens in geval van ontslag ambtshalve overeenkomstig artikel 160, blijven de leden van de Commissie in functie totdat in hun vervanging is voorzien. Artikel 160 Op verzoek van de Raad of van de Commissie kan elk lid van de Commissie dat niet meer aan de eisen voor de uitoefening van zijn ambt voldoet of op ernstige wijze is tekortgeschoten, door het Hof van Justitie van zijn ambt ontheven worden verklaard. Artikel 161 De Commissie kan uit haar leden één of twee Vice-Voorzitters benoemen. Artikel 162 1. De Raad en de Commissie raadplegen elkaar en bepalen in onderlinge overeenstemming de wijze waarop zij samenwerken. 2. De Commissie stelt haar reglement van orde vast ten einde te verzekeren dat zij en haar diensten overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag werkzaam zijn. Zij zorgt voor de bekendmaking van dat reglement. Artikel 163 De besluiten van de Commissie worden genomen bij meerderheid van stemmen van het in artikel 157 bepaalde aantal leden. De Commissie kan slechts geldig zitting houden, indien het in haar reglement van orde bepaalde aantal leden aanwezig is.". 49) Artikel 165 wordt vervangen door: "Artikel 165 Het Hof van Justitie bestaat uit dertien rechters. Het Hof van Justitie komt in voltallige zitting bijeen. Het kan echter uit zijn midden kamers vormen, elk samengesteld uit drie of vijf rechters, om overeenkomstig de bepalingen van een daartoe opgesteld reglement, hetzij bepaalde maatregelen van onderzoek te nemen, hetzij bepaalde soorten van zaken te berechten. Het Hof van Justitie komt in voltallige zitting bijeen wanneer een Lid-Staat of een Instelling van de Gemeenschap die partij is bij het geding, daarom verzoekt. Indien het Hof van Justitie zulks verzoekt, kan de Raad met eenparigheid van stemmen het aantal rechters verhogen en de tweede en derde alinea van dit artikel alsmede de tweede alinea van artikel 167 voor zover nodig aanpassen.". 50) Artikel 168 A wordt vervangen door: "Artikel 168 A 1. Aan het Hof van Justitie wordt een gerecht toegevoegd dat, in eerste aanleg en behoudens een tot rechtsvragen beperkte hogere voorziening bij het Hof van Justitie op de wijze bepaald in het Statuut, kennis neemt van bepaalde categorieën van beroepen die onder de voorwaarden van lid 2 worden vastgesteld. Het Gerecht van eerste aanleg is niet bevoegd voor prejudiciële vragen die worden voorgelegd uit hoofde van artikel 177. 2. Op verzoek van het Hof van Justitie en na raadpleging van het Europees Parlement en van de Commissie, bepaalt de Raad met eenparigheid van stemmen de in lid 1 bedoelde categorieën van beroepen en de samenstelling van het Gerecht van eerste aanleg en stelt hij de noodzakelijke aanpassingen en aanvullingen voor het Statuut van het Hof van Justitie vast. Tenzij de Raad anderszins besluit, zijn de bepalingen van dit Verdrag betreffende het Hof van Justitie, en met name de bepalingen van het Protocol betreffende het Statuut van het Hof van Justitie, op het Gerecht van eerste aanleg van toepassing. 3. De leden van het Gerecht van eerste aanleg worden gekozen uit personen die alle waarborgen voor onafhankelijkheid bieden en bekwaam zijn rechterlijke ambten te bekleden; zij worden in onderlinge overeenstemming door de Regeringen van de Lid-Staten voor zes jaar benoemd. Om de drie jaar vindt een gedeeltelijke vervanging plaats. De aftredende leden zijn herbenoembaar. 4. Het Gerecht van eerste aanleg stelt in overeenstemming met het Hof van Justitie zijn reglement voor de procesvoering vast. Dit reglement moet met eenparigheid van stemmen door de Raad worden goedgekeurd.". 51) Artikel 171 wordt vervangen door: "Artikel 171 1. Indien het Hof van Justitie vaststelt dat een Lid-Staat een der krachtens dit Verdrag op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen, is deze Staat gehouden die maatregelen te nemen, welke nodig zijn ter uitvoering van het arrest van het Hof van Justitie. 2. Indien de Commissie van oordeel is dat de betrokken Lid- Staat deze maatregelen niet heeft genomen, brengt zij, nadat zij deze Staat de mogelijkheid heeft geboden zijn opmerkingen in te dienen, een met redenen omkleed advies uit waarin de punten worden gepreciseerd waarop de betrokken Lid-Staat het arrest van het Hof van Justitie niet is nagekomen. Indien de betrokken Lid-Staat de maatregelen ter uitvoering van het arrest van het Hof niet binnen de door de Commissie vastgestelde termijn heeft genomen, kan de Commissie de zaak voor het Hof van Justitie brengen. Zij vermeldt het bedrag van de door de betrokken Lid-Staat te betalen forfaitaire som of dwangsom die zij in de gegeven omstandigheden passend acht. Indien het Hof van Justitie vaststelt dat de betrokken Lid- Staat zijn arrest niet is nagekomen, kan het deze Staat de betaling van een forfaitaire som of een dwangsom opleggen. Deze procedure geldt onverminderd het bepaalde in artikel 170.". 52) Artikel 172 wordt vervangen door: "Artikel 172 De door het Europees Parlement en de Raad gezamenlijk, alsmede de door de Raad krachtens de bepalingen van dit Verdrag vastgestelde verordeningen kunnen aan het Hof van Justitie volledige rechtsmacht verlenen wat betreft de sancties welke in die verordeningen zijn opgenomen.". 53) Artikel 173 wordt vervangen door: "Artikel 173 Het Hof van Justitie gaat de wettigheid na van de handelingen van het Europees Parlement en de Raad gezamenlijk, van de handelingen van de Raad, van de Commissie en van de ECB, voor zover het geen aanbevelingen of adviezen betreft, en van de handelingen van het Europees Parlement die beogen rechtsgevolgen ten aanzien van derden te hebben. Te dien einde is het Hof bevoegd uitspraak te doen inzake elk door een Lid-Staat, de Raad of de Commissie ingesteld beroep wegens onbevoegdheid, schending van wezenlijke vormvoorschriften, schending van dit Verdrag of van enige uitvoeringsregeling daarvan, dan wel wegens misbruik van bevoegdheid. Het Hof is onder dezelfde voorwaarden bevoegd uitspraak te doen inzake elk door het Europees Parlement en de ECB ingesteld beroep dat op de vrijwaring van hun prerogatieven is gericht. Iedere natuurlijke of rechtspersoon kan onder dezelfde voorwaarden beroep instellen tegen de tot hem gerichte beschikkingen, alsmede tegen beschikkingen die, hoewel genomen in de vorm van een verordening, of van een beschikking gericht tot een andere persoon, hem rechtstreeks en individueel raken. Het in dit artikel bedoelde beroep moet worden ingesteld binnen twee maanden te rekenen, al naar het geval, vanaf de dag van bekendmaking van de handeling, vanaf de dag van kennisgeving aan de verzoeker of, bij gebreke daarvan, vanaf de dag waarop de verzoeker van de handeling kennis heeft gekregen.". 54) Artikel 175 wordt vervangen door: "Artikel 175 Ingeval het Europees Parlement, de Raad of de Commissie, in strijd met dit Verdrag, nalaten een besluit te nemen, kunnen de Lid-Staten en de overige Instellingen van de Gemeenschap zich wenden tot het Hof van Justitie om deze schending te doen vaststellen. Dit beroep is slechts ontvankelijk indien de betrokken Instelling vooraf tot handelen is uitgenodigd. Indien deze Instelling na twee maanden, te rekenen vanaf de uitnodiging, haar standpunt nog niet heeft bepaald, kan het beroep worden ingesteld binnen een nieuwe termijn van twee maanden. Iedere natuurlijke of rechtspersoon kan onder de in de voorgaande alinea's vastgestelde voorwaarden bij het Hof van Justitie zijn bezwaren indienen tegen het feit dat een der Instellingen van de Gemeenschap heeft nagelaten te zijnen aanzien een andere handeling te verrichten dan het geven van een aanbeveling of een advies. Het Hof van Justitie is onder dezelfde voorwaarden bevoegd uitspraak te doen inzake de door de ECB ingestelde beroepen op de onder haar bevoegdheid vallende gebieden of inzake de beroepen die tegen haar zijn ingesteld.". 55) Artikel 176 wordt vervangen door: "Artikel 176 De Instelling of de Instellingen wier handeling nietig is verklaard of wier nalatigheid strijdig met dit Verdrag is verklaard, is respectievelijk zijn gehouden de maatregelen te nemen welke nodig zijn ter uitvoering van het arrest van het Hof van Justitie. Deze verplichting geldt onverminderd die welke kan voortvloeien uit de toepassing van de tweede alinea van artikel 215. Dit artikel is ook van toepassing op de ECB.". 56) Artikel 177 wordt vervangen door: "Artikel 177 Het Hof van Justitie is bevoegd, bij wijze van prejudiciële beslissing, een uitspraak te doen a) over de uitlegging van dit Verdrag, b) over de geldigheid en de uitlegging van de handelingen van de Instellingen van de Gemeenschap en van de ECB, c) over de uitlegging van de statuten van bij besluit van de Raad ingestelde organen, wanneer die statuten daarin voorzien. Indien een vraag te dien aanzien wordt opgeworpen voor een rechterlijke instantie van een der Lid-Staten, kan deze instantie, indien zij een beslissing op dit punt noodzakelijk acht voor het wijzen van haar vonnis, het Hof van Justitie verzoeken over deze vraag een uitspraak te doen. Indien een vraag te dien aanzien wordt opgeworpen in een zaak aanhangig bij een nationale rechterlijke instantie waarvan de beslissingen volgens het nationale recht niet vatbaar zijn voor hoger beroep, is deze instantie gehouden zich tot het Hof van Justitie te wenden.". 57) Artikel 180 wordt vervangen door: "Artikel 180 Het Hof van Justitie is bevoegd, binnen de hierna aangegeven grenzen, kennis te nemen van de geschillen betreffende: a) de uitvoering van de verplichtingen der Lid-Staten voortvloeiende uit de Statuten van de Europese Investeringsbank. De Raad van Bewind van de Bank beschikt dienaangaande over de bevoegdheden welke bij artikel 169 aan de Commissie zijn toegekend; b) de besluiten van de Raad van Gouverneurs van de Europese Investeringsbank. Elke Lid-Staat, de Commissie en de Raad van Bewind van de Bank kunnen onder de voorwaarden gesteld in artikel 173 te dezer zake beroep instellen; c) de besluiten van de Raad van Bewind van de Europese Investeringsbank. Beroep tegen deze besluiten kan onder de voorwaarden van artikel 173 slechts worden ingesteld door de Lid-Staten of de Commissie, en alleen in geval van schending van de vormvoorschriften bedoeld in artikel 21, leden 2, 5, 6 en 7, van de Statuten van de Bank; d) de uitvoering van de verplichtingen van de nationale centralebanken voortvloeiende uit dit Verdrag en uit de Statuten van het ESCB. De Raad van de ECB beschikt dienaangaande ten aanzien van de nationale centrale banken over de bevoegdheden welke bij artikel 169 aan de Commissie zijn toegekend ten aanzien van de Lid-Staten. Indien het Hof van Justitie vaststelt dat een nationale centrale bank een der krachtens dit Verdrag op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen, is deze bank gehouden die maatregelen te nemen, welke nodig zijn ter uitvoering van het arrest van het Hof van Justitie.". 58) Artikel 184 wordt vervangen door: "Artikel 184 Iedere partij kan, ook al is de in artikel 173, vijfde alinea, bedoelde termijn verstreken, naar aanleiding van een geschil waarbij een door het Europees Parlement en de Raad gezamenlijk vastgestelde verordening of een verordening van de Raad, van de Commissie of van de ECB in het geding is, de in artikel 173, tweede alinea, bedoelde middelen aanvoeren om voor het Hof van Justitie de niet-toepasselijkheid van deze verordening in te roepen.". 59) De volgende afdeling wordt ingevoegd: "Vijfde Afdeling De rekenkamer Artikel 188 A De Rekenkamer verricht de controle van de rekeningen. Artikel 188 B 1. De Rekenkamer bestaat uit twaalf leden. 2. De leden van de Rekenkamer worden gekozen uit personen die in hun eigen land behoren of behoord hebben tot de externe controle-instanties of die voor deze functie bijzonder geschikt zijn. Zij moeten alle waarborgen voor onafhankelijkheid bieden. 3. De leden van de Rekenkamer worden door de Raad, na raadpleging van het Europees Parlement, met eenparigheid van stemmen voor zes jaar benoemd. Bij de eerste benoemingen echter worden vier leden van de Rekenkamer, die bij loting worden aangewezen, voor een ambtsperiode van slechts vier jaar benoemd. De leden van de Rekenkamer zijn herbenoembaar. Zij kiezen uit hun midden voor drie jaar de Voorzitter van de Rekenkamer. Hij is herkiesbaar. 4. De leden van de Rekenkamer oefenen hun ambt volkomen onafhankelijk uit in het algemeen belang van de Gemeenschap. Bij de vervulling van hun taken vragen noch aanvaarden zij instructie van enige Regering of enig lichaam. Zij onthouden zich van iedere handeling welke onverenigbaar is met het karakter van hun ambt. 5. De leden van de Rekenkamer mogen gedurende hun ambtsperiode geen andere beroepswerkzaamheden, al dan niet tegen beloning, verrichten. Bij hun ambtsaanvaarding verbinden zij zich plechtig om gedurende hun ambtsperiode en na afloop daarvan de uit hun taak voortvloeiende verplichtingen na te komen, in het bijzonder eerlijkheid en kiesheid te betrachten in het aanvaarden van bepaalde functies of voordelen na afloop van die ambtsperiode. 6. Behalve door regelmatige vervanging of door overlijden, eindigt de ambtsvervulling van een lid van de Rekenkamer door vrijwillig ontslag of door ontslag ambtshalve ingevolge een uitspraak van het Hof van Justitie overeenkomstig lid 7. De betrokkene wordt vervangen voor de verdere duur van zijn ambtstermijn. Behoudens in geval van ontslag ambtshalve, blijven de leden van de Rekenkamer in functie totdat in hun vervanging is voorzien. 7. De leden van de Rekenkamer kunnen slechts van hun ambt worden ontheven of van hun recht op pensioen of andere daarvoor in de plaats tredende voordelen vervallen worden verklaard, indien het Hof van Justitie, op verzoek van de Rekenkamer, constateert dat zij hebben opgehouden aan de eisen voor de uitoefening van hun ambt of aan de uit hun taak voortvloeiende verplichtingen te voldoen. 8. De Raad stelt met gekwalificeerde meerderheid van stemmen de arbeidsvoorwaarden vast, met name de bezoldiging, de vergoedingen en het pensioen van de Voorzitter en de leden van de Rekenkamer. Met dezelfde meerderheid stelt hij ook de vergoedingen vast die als bezoldiging kunnen worden aangemerkt. 9. De bepalingen van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen die van toepassing zijn op de rechters van het Hof van Justitie gelden ook voor de leden van de Rekenkamer. Artikel 188 C 1. De Rekenkamer onderzoekt de rekeningen van alle ontvangsten en uitgaven van de Gemeenschap. Zij onderzoekt tevens de rekeningen van alle ontvangsten en uitgaven van elk door de Gemeenschap ingesteld orgaan, voor zover het instellingsbesluit dit onderzoek niet uitsluit. De Rekenkamer legt aan het Europees Parlement en aan de Raad een verklaring voor waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de regelmatigheid en de wettigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd. 2. De Rekenkamer onderzoekt de wettigheid en de regelmatigheid van de ontvangsten en uitgaven, en gaat tevens na of een goed financieel beheer werd gevoerd. De controle van de ontvangsten geschiedt aan de hand van de vaststellingen en van de stortingen van ontvangsten aan de Gemeenschap. De controle van de uitgaven geschiedt aan de hand van betalingsverplichtingen en van betalingen. Deze controles kunnen plaatsvinden vóór de afsluiting van de rekeningen van het betrokken begrotingsjaar. 3. De controle geschiedt aan de hand van stukken, en, zo nodig, ter plaatse bij de overige Instellingen van de Gemeenschap en in de Lid-Staten. De controle in de Lid- Staten geschiedt in samenwerking met de nationale controle- instanties of, indien deze laatste niet over de nodige bevoegdheden beschikken, in samenwerking met de bevoegde nationale diensten. Deze instanties of diensten delen aan de Rekenkamer mee of zij voornemens zijn aan de controle deel te nemen. Alle bescheiden en inlichtingen die nodig zijn voor de vervulling van de taak van de Rekenkamer, worden haar op haar verzoek verstrekt door de overige Instellingen van de Gemeenschap en door de nationale controle-instanties of, indien deze niet over de nodige bevoegdheden beschikken, door de bevoegde nationale diensten. 4. De Rekenkamer stelt na afsluiting van elk begrotingsjaar een jaarverslag op. Dit verslag wordt toegezonden aan de overige Instellingen van de Gemeenschap en te zamen met de antwoorden van deze Instellingen op de opmerkingen van de Rekenkamer, in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen gepubliceerd. De Rekenkamer kan voorts te allen tijde met betrekking tot bijzondere vraagstukken opmerkingen maken, met name in de vorm van speciale verslagen, en kan op verzoek van één van de overige Instellingen van de Gemeenschap adviezen uitbrengen. De Rekenkamer neemt haar jaarverslagen, speciale verslagen of adviezen aan met meerderheid van stemmen van haar leden. De Rekenkamer staat het Europees Parlement en de Raad bij bij de controle op de uitvering van de begroting.". 60) Artikel 189 wordt vervangen door: "Artikel 189 Voor de vervulling van hun taak en onder de in dit Verdrag vervatte voorwaarden stellen het Europees Parlement en de Raad gezamenlijk, de Raad en de Commissie verordeningen en richtlijnen vast, geven zij beschikkingen en brengen zij aanbevelingen of adviezen uit. Een verordening heeft een algemene strekking. Zij is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke Lid-Staat. Een richtlijn is verbindend ten aanzien van het te bereiken resultaat voor elke Lid-Staat waarvoor zij bestemd is, doch aan de nationale instanties wordt de bevoegdheid gelaten vorm en middelen te kiezen. Een beschikking is verbindend in al haar onderdelen voor degenen tot wie zij uitdrukkelijk is gericht. Aanbevelingen en adviezen zijn niet verbindend.". 61) De volgende artikelen worden ingevoegd: "Artikel 189 A 1. Wanneer op grond van dit Verdrag een besluit van de Raad wordt genomen op voorstel van de Commissie, kan de Raad een besluit dat van dat voorstel afwijkt slechts met eenparigheid van stemmen nemen, onder voorbehoud van artikel 189 B, leden 4 en 5. 2. Zolang de Raad geen besluit heeft genomen kan de Commissie te allen tijde gedurende de procedures die tot aanneming van een communautair besluit leiden haar voorstel wijzigen. Artikel 189 B 1. Wanneer in dit Verdrag voor de aanneming van een besluit naar dit artikel wordt verwezen, is de onderstaande procedure van toepassing. 2. De Commissie dient een voorstel in bij het Europees Parlement en bij de Raad. De Raad stelt met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, na advies van het Europees Parlement, een gemeenschappelijk standpunt vast. Dit gemeenschappelijk standpunt wordt medegedeeld aan het Europees Parlement. De Raad stelt het Europees Parlement ten volle in kennis van de redenen die hem hebben geleid tot de het vaststellen van zijn gemeenschappelijk standpunt. De Commissie stelt het Europees Parlement ten volle in kennis van haar standpunt. Indien het Europees Parlement binnen een termijn van drie maanden na deze mededeling: a) het gemeenschappelijk standpunt goedkeurt, stelt de Raad het desbetreffende besluit definitief vast overeenkomstig dit gemeenschappelijk standpunt; b) zich niet heeft uitgesproken, stelt de Raad het desbetreffende besluit vast overeenkomstig zijn gemeenschappelijk standpunt; c) met volstrekte meerderheid van zijn leden te kennen geeft dat het voornemens is het gemeenschappelijk standpunt te verwerpen, stelt het de Raad onverwijld van dat voornemen in kennis. De Raad kan het in lid 4 bedoelde Bemiddelingscomité bijeenroepen om zijn standpunt nader toe te lichten. Vervolgens bekrachtigt het Europees Parlement, met volstrekte meerderheid van zijn leden, de verwerping van het gemeenschappelijk standpunt, in welk geval het voorgestelde besluit wordt geacht niet te zijn aangenomen, of stelt het amendementen voor overeenkomstig de bepalingen onder d) van dit lid; d) met volstrekte meerderheid van zijn leden amendementen op het gemeenschappelijk standpunt voorstelt, wordt de geamendeerde tekst toegezonden aan de Raad en aan de Commissie, die advies over deze amendementen uitbrengt. 3. Indien de Raad binnen een termijn van drie maanden na ontvangst van de amendementen van het Europees Parlement al deze amendementen met gekwalificeerde meerderheid van stemmen goedkeurt, wijzigt hij dienovereenkomstig zijn gemeenschappelijk standunt en stelt hij het desbetreffende besluit vast; de Raad besluit evenwel met eenparigheid van stemmen over de amendementen waarover de Commissie negatief advies heeft uitgebracht. Indien de Raad het betrokken besluit niet vaststelt, roept de Voorzitter van de Raad in overeenstemming met de Voorzitter van het Europees Parlement, onverwijld het Bemiddelingscomité bijeen. 4. Het Bemiddelingscomité bestaat uit de leden van de Raad of hun vertegenwoordigers en een gelijk aantal vertegenwoordigers van het Europees Parlement en heeft tot taak met een gekwalificeerde meerderheid van de leden van de Raad of hun vertegenwoordigers en met een meerderheid van de vertegenwoordigers van het Europees Parlement overeenstemming te bereiken over een gemeenschappelijke ontwerp-tekst. De Commissie neemt aan de werkzaamheden van het Bemiddelingscomité deel en neemt alle nodige initiatieven om de standpunten van het Europees Parlement en de Raad nader tot elkaar te brengen. 5. Wanneer het Bemiddelingscomité binnen een termijn van zes weken nadat het is bijeengeroepen, een gemeenschappelijke ontwerp-tekst goedkeurt, beschikken het Europees Parlement en de Raad over een termijn van zes weken na deze goedkeuring om het desbetreffende besluit overeenkomstig de gemeenschappelijke ontwerp-tekst aan te nemen, met volstrekte meerderheid van de uitgebrachte stemmen voor wat het Europees Parlement betreft en met gekwalificeerde meerderheid voor wat de Raad betreft. Wanneer een van de twee Instellingen het voorgestelde besluit niet goedkeurt, wordt het geacht niet te zijn aangenomen. 6. Wanneer het Bemiddelingscomité geen gemeenschappelijke ontwerp-tekst goedkeurt, wordt het voorgestelde besluit geacht niet te zijn aangenomen tenzij de Raad, binnen een termijn van zes weken na het verstrijken van de aan het Bemiddelingscomité verleende termijn, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen het gemeenschappelijk standpunt bekrachtigt waaraan hij vóór de opening van de bemiddelingsprocedure zijn goedkeuring had gehecht, eventueel met door het Europees Parlement voorgestelde amendementen. In dit geval wordt het besluit definitief vastgesteld, tenzij het Europees Parlement de tekst binnen een termijn van zes weken na bekrachtiging door de Raad, met volstrekte meerderheid van zijn leden verwerpt; in dat geval wordt het voorgestelde besluit geacht niet te zijn aangenomen. 7. De in dit artikel vermelde termijnen van drie maanden en zes weken kunnen in onderlinge overeenstemming tussen het Europees Parlement en de Raad met ten hoogste één maand, respectievelijk twee weken worden verlengd. De in lid 2 genoemde termijn van drie maanden wordt automatisch met twee maanden verlengd indien lid 2, onder c) van toepassing is. 8. De werkingssfeer van de in dit artikel bedoelde procedure kan op grond van een door de Commissie uiterlijk in 1996 aan de Raad voor te leggen verslag worden uitgebreid tot andere gebieden, volgens de procedure van artikel N, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie. Artikel 189 C Wanneer in dit Verdrag voor de aanneming van een besluit naar dit artikel wordt verwezen, is de onderstaande procedure van toepassing: a) De Raad stelt met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, op voorstel van de Commissie en na advies van het Europees Parlement, een gemeenschappelijk standpunt vast. b) Het gemeenschappelijk standpunt van de Raad wordt toegezonden aan het Europees Parlement. De Raad en de Commissie stellen het Europees Parlement ten volle in kennis van de redenen die de Raad hebben geleid tot het vaststellen van het gemeenschappelijk standpunt, alsmede van het standpunt van de Commissie. Indien het Europees Parlement binnen een termijn van drie maanden na deze mededeling dit gemeenschappelijk standpunt goedkeurt of zich binnen deze termijn niet heeft uitgesproken, stelt de Raad het desbetreffende besluit definitief vast overeenkomstig het gemeenschappelijk standpunt. c) Het Europees Parlement kan binnen de onder b) bedoelde termijn van drie maanden met volstrekte meerderheid van zijn leden amendementen op het gemeenschappelijk standpunt van de Raad voorstellen. Het kan eveneens met dezelfde meerderheid het gemeenschappelijk standpunt van de Raad verwerpen. De uitkomst van de beraadslagingen wordt aan de Raad en de Commissie toegezonden. Indien het Europees Parlement het gemeenschappelijk standpunt van de Raad heeft verworpen, kan de Raad in tweede lezing slechts met eenparigheid van stemmen besluiten. d) Binnen één maand behandelt de Commissie haar voorstel op basis waarvan de Raadzijn gemeenschappelijk standpunt heeft vastgesteld, aan de hand van de door het Europees Parlement voorgestelde amendementen, opnieuw. De Commissie legt, samen met het opnieuw behandelde voorstel, de door haar niet overgenomen amendementen van het Europees Parlement voor aan de Raad, waarbij zij haar mening daarover te kennen geeft. De Raad kan deze amendementen met eenparigheid van stemmen aannemen. e) De Raad neemt het door de Commissie opnieuw behandelde voorstel met gekwalificeerde meerderheid van stemmen aan. De Raad kan het door de Commissie opnieuw behandelde voorstel slechts met eenparigheid van stemmen wijzigen. f) In de gevallen bedoeld onder c), d) en e) is de Raad gehouden binnen drie maanden te besluiten. Bij gebreke van een besluit binnen deze termijn wordt het voorstel van de Commissie geacht niet te zijn aangenomen. g) De onder b) en f) bedoelde termijnen kunnen in onderlinge overeenstemming tussen de Raad en het Europees Parlement met maximaal één maand worden verlengd.". 62) Artikel 190 wordt vervangen door: "Artikel 190 De verordeningen, richtlijnen en beschikkingen die door het Europees Parlement en de Raad gezamenlijk worden aangenomen, en de verordeningen, richtlijnen en beschikkingen van de Raad of van de Commissie worden met redenen omkleed en verwijzen naar de voorstellen of adviezen welke krachtens dit Verdrag moeten worden gevraagd.". 63) Artikel 191 wordt vervangen door: "Artikel 191 1. De volgens de procedure van artikel 189 B aangenomen verordeningen, richtlijnen en beschikkingen worden ondertekend door de Voorzitter van het Europees Parlement en door de Voorzitter van de Raad, en worden bekendgemaakt in het Publikatieblad van de Gemeenschap. Zij treden in werking op de datum die zij daartoe bepalen of, bij gebreke daarvan, op de twintigste dag volgende op die van hun bekendmaking. 2. De verordeningen van de Raad en van de Commissie, alsmede de richtlijnen van deze Instellingen die tot alle Lid-Staten zijn gericht, worden in het Publikatieblad van de Gemeenschap bekendgemaakt. Zij treden in werking op de datum die zij daartoe bepalen of, bij gebreke daarvan, op de twintigste dag volgende op die van hun bekendmaking. 3. Van de overige richt gegeven aan hen tot wie zij zijn gericht; zij worden door deze kennisgeving van kracht.". 64) Artikel 194 wordt vervangen door: "Artikel 194 Het aantal leden van het Comité is als volgt vastgesteld: België // 12 Denemarken // 9 Duitsland // 24 Griekenland // 12 Spanje // 21 Frankrijk // 24 Ierland // 9 Italië // 24 Luxemburg // 6 Nederland // 12 Portugal // 12 Verenigd Koninkrijk // 24. De leden van het Comité worden door de Raad met eenparigheid van stemmen voor vier jaar benoemd. Zij zijn herbenoembaar. De leden van het Comité mogen niet gebonden zijn door enig imperatief mandaat. Zij oefenen hun ambt volkomen onafhankelijk uit in het algemeen belang van de Gemeenschap. De Raad stelt met gekwalificeerde meerderheid van stemmen de vergoedingen van de leden van het Comité vast.". 65) Artikel 196 wordt vervangen door: "Artikel 196 Het Comité kiest, voor een periode van twee jaar, uit zijn midden zijn voorzitter en zijn bureau. Het Comité stelt zijn reglement van orde vast. Het Comité wordt door zijn voorzitter bijeengeroepen op verzoek van de Raad of van de Commissie. Het kan eveneens op eigen initiatief bijeenkomen.". 66) Artikel 198 wordt vervangen door: "Artikel 198 Het Comité moet door de Raad of door de Commissie worden geraadpleegd in de gevallen voorzien in dit Verdrag. Het kan door deze Instellingen worden geraadpleegd in alle gevallen waarin zij het wenselijk oordelen. Het Comité kan, in de gevallen waarin het dit wenselijk acht, het initiatief nemen om een advies uit te brengen. Indien de Raad of de Commissie zulks noodzakelijk achten, stellen zij aan het Comité een termijn voor het uitbrengen van advies; deze termijn mag niet korter zijn dan een maand, te rekenen vanaf het tijdstip waarop de desbetreffende mededeling aan de voorzitter wordt gericht. Na afloop van de gestelde termijn kan worden gehandeld zonder het advies af te wachten. Het advies van het Comité en het advies van de gespecialiseerde afdeling, alsmede een verslag van de besprekingen, worden aan de Raad en aan de Commissie gezonden.". 67) Het volgende hoofdstuk wordt ingevoegd: "Hoofdstuk 4 Het comité van de regio's Artikel 198 A Er wordt een comité van raadgevende aard ingesteld, bestaande uit vertegenwoordigers van de regionale en lokale lichamen, hierna Comité van de Regio's' te noemen. Het aantal leden van het Comité van de Regio's is als volgt vastgesteld: België // 12 Denemarken // 9 Duitsland // 24 Griekenland // 12 Spanje // 21 Frankrijk // 24 Ierland // 9 Italië // 24 Luxemburg // 6 Nederland // 12 Portugal // 12 Verenigd Koninkrijk // 24. De leden van het Comité, alsmede een gelijk aantal plaatsvervangers, worden op voordracht van de onderscheiden Lid-Staten door de Raad met eenparigheid van stemmen voor vier jaar benoemd. Zij zijn herbenoembaar. De leden van het Comité mogen niet gebonden zijn door enig imperatief mandaat. Zij oefenen hun ambt volkomen onafhankelijk uit in het algemeen belang van de Gemeenschap. Artikel 198 B Het Comité van de Regio's kiest, voor een periode van twee jaar, uit zijn midden zijn voorzitter en zijn bureau. Het Comité stelt zijn reglement van orde vast en legt het ter goedkeuring voor aan de Raad die zijn goedkeuring met eenparigheid van stemmen dient te geven. Het Comité wordt door zijn voorzitter bijeengeroepen op verzoek van de Raad of van de Commissie. Het kan eveneens op eigen initiatief bijeenkomen. Artikel 198 C Het Comité van de Regio's wordt door de Raad of door de Commissie geraadpleegd in de gevallen voorzien in dit Verdrag en in alle andere gevallen waarin een van deze beide Instellingen zulks wenselijk oordeelt. Indien de Raad of de Commissie zulks noodzakelijk achten, stellen zij aan het Comité een termijn voor het uitbrengen van het advies; deze termijn mag niet korter zijn dan een maand, te rekenen vanaf het tijdstip waarop de desbetreffende mededeling aan de voorzitter wordt gericht. Na afloop van de gestelde termijn kan worden gehandeld zonder het advies af te wachten. Wanneer het Economisch en Sociaal Comité overeenkomstig artikel 198 wordt geraadpleegd, wordt het Comité van de Regio's door de Raad of de Commissie in kennis gesteld van dat verzoek om advies. Het Comité van de Regio's kan, wanneer het van mening is dat er specifieke regionale belangen op het spel staan, hieromtrent advies uitbrengen. Het Comité kan, in de gevallen waarin het zulks dienstig acht, op eigen initiatief een advies uitbrengen. Het advies van het Comité alsmede een verslag van de besprekingen worden aan de Raad en aan de Commissie gezonden.". 68) Het volgende hoofdstuk wordt ingevoegd: "Hoofdstuk 5 De Europese Investeringsbank Artikel 198 D De Europese Investeringsbank bezit rechtspersoonlijkheid. De leden van de Europese Investeringsbank zijn de Lid- Staten. De Statuten van de Europese Investeringsbank zijn opgenomen in een Protocol dat aan dit Verdrag is gehecht. Artikel 198 E De Europese Investeringsbank heeft tot taak, met een beroep op de kapitaalmarkten en op haar eigen middelen bij te dragen tot een evenwichtige en ongestoorde ontwikkeling van de gemeenschappelijke markt in het belang van de Gemeenschap. Te dien einde vergemakkelijkt zij, door zonder winstoogmerk leningen en waarborgen te verstrekken, de financiering van de volgende projecten in alle sectoren van het economisch leven: a) projecten tot ontwikkeling van minder-ontwikkelde gebieden, b) projecten tot modernisering of overschakeling van ondernemingen of voor het scheppen van nieuwe bedrijvigheid, voortvloeiende uit de geleidelijke instelling van de gemeenschappelijke markt, welke projecten door hun omvang of hun aard niet geheel kunnen worden gefinancierd uit de verschillende middelen welke in ieder van de Lid-Staten voorhanden zijn, c) projecten welke voor verscheidene Lid-Staten van gemeenschappelijk belang zijn en die door hun omvang of aard niet geheel kunnen worden gefinancierd uit de verschillende middelen welke in ieder van de Lid-Staten voorhanden zijn. Bij de vervulling van haar taak vergemakkelijkt de Bank de financiering van investeringsprogramma's in samenhang met bijstandsverlening van de structuurfondsen en van de andere financieringsinstrumenten van de Gemeenschap.". 69) Artikel 199 wordt vervangen door: "Artikel 199 Alle ontvangsten en uitgaven van de Gemeenschap, met inbegrip van die welke betrekking hebben op het Europees Sociaal Fonds, moeten voor elk begrotingsjaar worden geraamd en opgenomen in de begroting. De administratieve uitgaven die voor de Instellingen voortvloeien uit de bepalingen van het Verdrag betreffende de Europese Unie welke betrekking hebben op het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid en de samenwerking op het gebied van justitie en binnenlandse zaken, komen ten laste van de begroting. De beleidsuitgaven die voortvloeien uit de tenuitvoerlegging van genoemde bepalingen, kunnen onder de in die bepalingen bedoelde voorwaarden ten laste komen van de begroting. De ontvangsten en uitgaven van de begroting moeten in evenwicht zijn.". 70) Artikel 200 vervalt. 71) Artikel 201 wordt vervangen door: "Artikel 201 De begroting wordt, onverminderd andere ontvangsten, volledig uit eigen middelen gefinancierd. De Raad stelt met eenparigheid van stemmen, op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement, de bepalingen inzake het stelsel van eigen middelen van de Gemeenschap vast, waarvan hij de aanneming door de Lid- Staten overeenkomstig hun onderscheiden grondwettelijke bepalingen aanbeveelt.". 72) Het volgende artikel wordt ingevoegd: "Artikel 201 A Ten einde de begrotingsdiscipline te verzekeren, doet de Commissie geen voorstellen voor communautaire handelingen, brengt zij geen wijzigingen in haar voorstellen aan en neemt zij geen uitvoeringsmaatregelen aan die aanzienlijke gevolgen kunnen hebben voor de begroting, zonder de verzekering te geven dat die voorstellen of maatregelen gefinancierd kunnen worden binnen de grenzen van de eigen middelen van de Gemeenschap die voortvloeien uit de door de Raad krachtens artikel 201 vastgestelde bepalingen.". 73) Artikel 205 wordt vervangen door: "Artikel 205 De Commissie voert de begroting overeenkomstig de bepalingen van het ter uitvoering van artikel 209 vastgestelde reglement uit onder haar eigen verantwoordelijkheid, binnen de grenzen der toegekende kredieten en met inachtneming van het beginsel van goed financieel beheer. Het reglement voorziet in de wijze waarop en de mate waarin iedere Instelling haar eigen uitgaven doet. Binnen de begroting kan de Commissie, met inachtneming van de grenzen en de voorwaarden bepaald in het ter uitvoering van artikel 209 vastgestelde reglement, kredieten overschrijven hetzij van het ene hoofdstuk naar het andere, hetzij van de ene onderafdeling naar de andere.". 74) Artikel 206 wordt vervangen door: "Artikel 206 1. Op aanbeveling van de Raad, die besluit met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, verleent het Europees Parlement aan de Commissie kwijting voor de uitvoering van de begroting. Te dien einde onderzoekt het, na de Raad, de rekeningen en de financiële balans genoemd in artikel 205 bis, het jaarverslag van de Rekenkamer te zamen met de antwoorden van de gecontroleerde Instellingen op de opmerkingen van de Rekenkamer, alsmede de relevante speciale verslagen van de Rekenkamer. 2. Alvorens kwijting te verlenen aan de Commissie of voor enig ander doel in verband met de uitoefening van de bevoegdheden van de Commissie inzake de uitvoering van de begroting, kan het Europees Parlement de Commissie verzoeken verantwoording af te leggen ter zake van de uitvoering van de uitgaven of de werking van de financiële controlestelsels. De Commissie verstrekt het Europees Parlement op verzoek alle nodige inlichtingen. 3. De Commissie stelt alles in het werk om gevolg te geven aan de opmerkingen in de kwijtingsbesluiten en aan andere opmerkingen van het Europees Parlement over de uitvoering van de uitgaven, alsook aan de opmerkingen waarvan de door de Raad aangenomen aanbevelingen tot kwijting vergezeld gaan. Op verzoek van het Europees Parlement of de Raad brengt de Commissie verslag uit over de maatregelen die zijn genomen naar aanleiding van deze opmerkingen, met name over de instructies die zijn gegeven aan de diensten die met de uitvoering van de begroting zijn belast. Deze verslagen worden ook aan de Rekenkamer toegezonden.". 75) De artikelen 206 bis en 206 ter vervallen. 76) Artikel 209 wordt vervangen door: "Artikel 209 De Raad, handelend met eenparigheid van stemmen op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement en advies van de Rekenkamer: a) stelt de Financiële Reglementen vast waarbij met name de wijze wordt vastgesteld, waarop de begroting wordt opgesteld en uitgevoerd, alsmede de wijze waarop rekening en verantwoording wordt gedaan en de rekeningen worden nagezien; b) bepaalt de regels en de procedure volgens welke de budgettaire ontvangsten waarin het stelsel der eigen middelen van de Gemeenschap voorziet, ter beschikking van de Commissie worden gesteld, en schrijft voor welke maatregelen moeten worden toegepast om in voorkomend geval te voorzien in de behoefte aan kasmiddelen; c) stelt de regels vast en organiseert de controle betreffende de verantwoordelijkheid der financiële controleurs, ordonnateurs en rekenplichtigen.". 77) Het volgende artikel wordt ingevoegd: "Artikel 209 A De Lid-Staten nemen ter bestrijding van fraude waardoor de financiële belangen van de Gemeenschap worden geschaad, dezelfde maatregelen als die welke zij treffen ter bestrijding van fraude waardoor hun eigen financiële belangen worden geschaad. Onverminderd andere bepalingen van dit Verdrag cooerdineren de Lid-Staten hun optreden om de financiële belangen van de Gemeenschap tegen fraude te beschermen. Zij stellen daartoe met de hulp van de Commissie een nauwe en geregelde samenwerking tussen hun bevoegde overheidsdiensten in.". 78) Artikel 215 wordt vervangen door: "Artikel 215 De contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap wordt beheerst door de wet welke op het betrokken contract van toepassing is. Inzake de niet-contractuele aansprakelijkheid moet de Gemeenschap overeenkomstig de algemene beginselen welke de rechtsstelsels der Lid-Staten gemeen hebben, de schade vergoeden die door haar Instellingen of door haar personeelsleden in de uitoefening van hun functies is veroorzaakt. De tweede alinea is onder dezelfde voorwaarden van toepassing op de schade die door de Europese Centrale Bank of door haar personeelsleden in de uitoefening van hun functies is veroorzaakt. De persoonlijke aansprakelijkheid der personeelsleden jegens de Gemeenschap wordt geregeld bij de bepalingen welke hun statuut of de op hen toepasselijke regeling vaststellen.". 79) Artikel 227 wordt als volgt gewijzigd: a) lid 2 wordt vervangen door: "2. Ten aanzien van de Franse overzeese departementen zijn, zodra dit Verdrag in werking treedt, van toepassing de bijzondere en algemene bepalingen daarvan betreffende - het vrije verkeer van goederen, - de landbouw, met uitzondering van artikel 40, lid 4, - de vrijmaking van het dienstenverkeer, - de regels voor de mededinging, 197M008.2 - de vrijwaringsmaatregelen bedoeld in de artikelen 109 H, 109 I en 226, - de Instellingen. De voorwaarden voor de toepassing van de overige bepalingen van dit Verdrag worden uiterlijk twee jaar na zijn inwerkingtreding bij beschikkingen van de Raad met eenparigheid van stemmen op voorstel van de Commissie vastgesteld. De Instellingen van de Gemeenschap dragen er, binnen het raam van de procedures waarin dit Verdrag voorziet, met name van artikel 226, zorg voor dat de economische en sociale ontwikkeling van die streken mogelijk wordt gemaakt."; b) Lid 5, onder a), wordt vervangen door: "a) is dit Verdrag niet van toepassing op de Faeroeer;". 80) Artikel 228 wordt vervangen door: "Artikel 228 1. In de gevallen dat de bepalingen van dit Verdrag voorzien in het sluiten van akkoorden tussen de Gemeenschap en een of meer Staten of internationale organisaties, doet de Commissie aanbevelingen aan de Raad, die haar machtigt de vereiste onderhandelingen te openen. De Commissie voert deze onderhandelingen in overleg met speciale comités, door de Raad aangewezen om haar daarin bij te staan, en binnen het raam van de richtsnoeren welke de Raad haar kan verstrekken. Bij de uitoefening van de bevoegdheden welke hem bij dit lid zijn toegekend, besluit de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, behalve in de in lid 2, tweede zin, bedoelde gevallen, waarin hij met eenparigheid van stemmen besluit. 2. Onder voorbehoud van de aan de Commissie te dezer zake toegekende bevoegdheden sluit de Raad de akkoorden met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, op voorstel van de Commissie. De Raad besluit met eenparigheid van stemmen wanneer het akkoord betrekking heeft op een gebied waarvoor, wat de aanneming van interne voorschriften betreft, eenparigheid vereist is, alsook wanneer het gaat om akkoorden als bedoeld in artikel 238. 3. Behalve in het geval van de in artikel 113, lid 3, bedoelde akkoorden, sluit de Raad de akkoorden na raadpleging van het Europees Parlement, ook wanneer het akkoord betrekking heeft op een gebied waarvoor de procedure van artikel 189 B of van artikel 189 C vereist is wat de aanneming van interne voorschriften betreft. Het Europees Parlement brengt advies uit binnen de termijn die de Raad naar gelang van de urgentie kan vaststellen. Indien er binnen die termijn geen advies is uitgebracht, kan de Raad een besluit nemen. In afwijking van het bepaalde in de vorige alinea, worden akkoorden als bedoeld in artikel 238, andere akkoorden die een specifiek institutioneel kader in het leven roepen door het instellen van samenwerkingsprocedures, akkoorden die aanzienlijke gevolgen hebben voor de Gemeenschapbegroting en akkoorden die een wijziging behelzen van een volgens de procedure van artikel 189 B aangenomen besluit, gesloten nadat het Europees Parlement zijn instemming heeft gegeven. In dringende gevallen kunnen de Raad en het Europees Parlement een termijn overeenkomen voor het geven van de instemming. 4. Bij de sluiting van een akkoord kan de Raad, in afwijking van lid 2, de Commissie machtigen om de wijzigingen die krachtens het akkoord volgens een vereenvoudigde procedure of door een bij het akkoord opgericht orgaan worden aangenomen, namens de Gemeenschap goed te keuren; hij kan aan deze machtiging bijzondere voorwaarden verbinden. 5. Wanneer de Raad overweegt een akkoord te sluiten dat wijzigingen van dit Verdrag inhoudt, moeten die wijzigingen vooraf volgens de procedure van artikel N van het Verdrag betreffende de Europese Unie worden aangenomen. 6. De Raad, de Commissie of een Lid-Staat kunnen het advies inwinnen van het Hof van Justitie over de verenigbaarheid van een beoogd akkoord met de bepalingen van dit Verdrag. Een akkoord waarover door het Hof van Justitie een afwijzend advies is uitgebracht, kan slechts in werking treden onder de voorwaarden welke zijn vastgesteld bij artikel N van het Verdrag betreffende de Europese Unie. 7. De akkoorden gesloten onder de in dit artikel vastgestelde voorwaarden zijn verbindend voor de Instellingen van de Gemeenschap en voor de Lid-Staten.". 81) Het volgende artikel wordt ingevoegd: "Artikel 228 A Ingeval een gemeenschappelijk standpunt of een gemeenschappelijk optreden dat volgens de bepalingen van het Verdrag betreffende de Europese Unie die betrekking hebben op het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid is vastgesteld, medebrengt dat de Gemeenschap moet optreden om de economische betrekkingen met een of meer derde landen te onderbreken of geheel of gedeeltelijk te beperken, neemt de Raad de nodige urgente maatregelen. De Raad besluit hiertoe met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, op voorstel van de Commissie.". 82) Artikel 231 wordt vervangen door: "Artikel 231 De Gemeenschap brengt met de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling een nauwe samenwerking tot stand welke zal plaatsvinden op de wijze die in onderlinge overeenstemming wordt vastgesteld.". 83) De artikelen 236 en 237 vervallen. 84) Artikel 238 wordt vervangen door: "Artikel 238 De Gemeenschap kan met een of meer Staten of internationale organisaties akkoorden sluiten waarbij een associatie wordt ingesteld die wordt gekenmerkt door wederkerige rechten en verplichtingen, gemeenschappelijk optreden en bijzondere procedures.". F. Bijlage III wordt als volgt gewijzigd: 85) De titel wordt vervangen door: "Lijst van de onzichtbare transacties genoemd in artikel 173 H van het Verdrag.". G. Het Protocol betreffende de Statuten van de Europese Investeringsbank wordt als volgt gewijzigd: 86) De verwijzingen naar de artikelen 129 en 130 worden vervangen door verwijzingen naar de artikelen 198 D en 198 E.