02022R1192 — NL — 20.08.2024 — 001.001
Onderstaande tekst dient louter ter informatie en is juridisch niet bindend. De EU-instellingen zijn niet aansprakelijk voor de inhoud. Alleen de besluiten die zijn gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie (te raadplegen in EUR-Lex) zijn authentiek. Deze officiële versies zijn rechtstreeks toegankelijk via de links in dit document
|
UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2022/1192 VAN DE COMMISSIE van 11 juli 2022 (PB L 185 van 12.7.2022, blz. 12) |
Gewijzigd bij:
|
|
|
Publicatieblad |
||
|
nr. |
blz. |
datum |
||
|
UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2024/2060 VAN DE COMMISSIE van 30 juli 2024 |
L 2060 |
1 |
31.7.2024 |
|
UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2022/1192 VAN DE COMMISSIE
van 11 juli 2022
tot vaststelling van maatregelen om Globodera pallida (Stone) Behrens en Globodera rostochiensis (Wollenweber) Behrens uit te roeien en de verspreiding ervan te voorkomen
HOOFDSTUK I
ONDERWERP EN DEFINITIES
Artikel 1
Onderwerp
Bij deze verordening worden maatregelen vastgesteld om Globodera pallida (Stone) Behrens en Globodera rostochiensis (Wollenweber) Behrens uit te roeien en de verspreiding ervan op het grondgebied van de Unie te voorkomen.
Artikel 2
Definities
Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:
“gespecificeerd plaagorganisme”: een specimen van de soort Globodera pallida (Stone) Behrens of van de soort Globodera rostochiensis (Wollenweber) Behrens;
“resistent aardappelras”: een ras waarvan de teelt de ontwikkeling van een bepaalde populatie van de gespecificeerde plaagorganismen aanzienlijk remt;
“nader omschreven planten”:
planten van de soort Solanum tuberosum L. (aardappel), met uitzondering van zaden, of
de in de lijst in bijlage I opgenomen planten;
“detectieonderzoek”: een methodische procedure om te bepalen of de gespecificeerde plaagorganismen in een specifiek gebied aanwezig zijn;
“monitoringonderzoek”: een methodische procedure die gedurende een bepaalde periode wordt toegepast om de spreiding van de gespecificeerde plaagorganismen in een specifieke lidstaat of een deel daarvan in kaart te brengen.
HOOFDSTUK II
OFFICIËLE DETECTIEONDERZOEKEN
Artikel 3
Officiële detectieonderzoeken
In afwijking van de eerste alinea mag het officiële detectieonderzoek worden uitgevoerd:
vóór die periode, mits de bevoegde autoriteit informatie ter beschikking houdt over het schriftelijke bewijs van de resultaten van dat officiële detectieonderzoek waaruit blijkt dat de gespecificeerde plaagorganismen niet zijn gevonden en dat er geen aardappelen, noch andere in de lijst in bijlage I, punt 1, opgenomen waardplanten aanwezig waren ten tijde van het detectieonderzoek en dat deze na het onderzoek niet meer zijn geteeld, of
in een periode waarin op de desbetreffende productielocatie gewassen worden geteeld die niet worden geoogst, zoals groenbemestingsgewassen of vanggewassen.
Een officieel detectieonderzoek is niet vereist voor:
het planten van in de lijst in bijlage I opgenomen planten die bestemd zijn om opnieuw te worden geplant op dezelfde plaats van productie die zich in een door de bevoegde autoriteiten bepaald gebied bevindt;
het planten van aardappelen die bestemd zijn voor de productie van voor opplant bestemde aardappelknollen die zullen worden gebruikt op dezelfde plaats van productie die zich in een door de bevoegde autoriteiten bepaald gebied bevindt;
het planten van in de lijsten in bijlage I, punten 2 en 3, opgenomen planten die bestemd zijn om opnieuw te worden geplant, indien de geoogste planten zullen vallen onder de officieel goedgekeurde maatregelen zoals bedoeld in bijlage II, punt 1.
Artikel 4
Bemonstering en tests in het kader van officiële detectieonderzoeken
In afwijking van lid 2 zijn bemonstering en tests op de aanwezigheid van het gespecificeerde plaagorganisme niet vereist indien:
op basis van de resultaten van geschikte, officieel erkende tests vaststaat dat het gespecificeerde plaagorganisme gedurende de laatste twaalf jaar niet op de productielocatie aanwezig was, of
vaststaat dat op de productielocatie gedurende de laatste twaalf jaar geen aardappelen of andere in de lijst in bijlage I, punt 1, opgenomen waardplanten zijn geteeld.
Artikel 5
Aanmerking van besmette productielocaties en besmette nader omschreven planten
Percelen die vóór 1 januari 2022 officieel door de bevoegde autoriteiten als besmet zijn geregistreerd overeenkomstig artikel 8, lid 1, of artikel 8, lid 2, van Richtlijn 2007/33/EG, worden geacht te zijn aangemerkt als besmette productielocaties.
HOOFDSTUK III
OFFICIËLE MONITORINGONDERZOEKEN
Artikel 6
Officiële monitoringonderzoeken
Artikel 7
Bemonstering en tests in het kader van officiële monitoringonderzoeken
HOOFDSTUK IV
MAATREGELEN
Artikel 8
Uitroeiingsmaatregelen
Op een productielocatie die overeenkomstig artikel 5, lid 1, officieel als besmet is aangemerkt, treffen de bevoegde autoriteiten, of de professionele marktdeelnemers onder officieel toezicht van de bevoegde autoriteiten, elk van de volgende maatregelen om de gespecificeerde plaagorganismen uit te roeien:
er worden geen aardappelen geplant die bestemd zijn voor de productie van voor opplant bestemde aardappelknollen;
er worden geen planten geplant of opgeslagen die in de lijst in bijlage I zijn opgenomen en die bestemd zijn voor de productie van voor opplant bestemde planten, met uitzondering van in de lijsten in bijlage I, punten 2 en 3, opgenomen nader omschreven planten, op voorwaarde dat die planten na de oogst zullen vallen onder de officieel goedgekeurde maatregelen zoals bedoeld in bijlage II, punt 1, zodat er geen aanwijsbaar risico op verspreiding van het gespecificeerde plaagorganisme is, en
machines worden van grond- en plantenresten ontdaan voordat zij uit die productielocatie worden verplaatst of onmiddellijk daarna en voordat zij worden binnengebracht in een daarbuiten gelegen productielocatie die niet als besmet is aangemerkt overeenkomstig artikel 5, lid 1.
In het in de eerste alinea bedoelde officiële controleprogramma wordt, indien van toepassing, rekening gehouden met elk van de volgende elementen:
de specifieke teelt- en verkoopsystemen voor waardplanten van de gespecificeerde plaagorganismen in de desbetreffende lidstaat;
de eigenschappen van de populatie van de aanwezige gespecificeerde plaagorganismen;
het gebruik van resistente aardappelrassen met het hoogste resistentieniveau (resistentiescore 8 of 9, zoals gespecificeerd in bijlage V, punt 1, indien beschikbaar);
andere agronomische opties voor de vernietiging van plaagorganismen zoals vermeld in punt 1 van bijlage III bij Richtlijn 2009/128/EG, en
de in artikel 12, lid 1, punt b), beschreven maatregelen.
De lidstaten stellen de Commissie en de andere lidstaten in kennis van het officiële controleprogramma.
De resistentietests worden uitgevoerd volgens het protocol in bijlage V, punt 2.
Artikel 9
Maatregelen ten aanzien van besmette planten
De bevoegde autoriteiten, of de professionele marktdeelnemers onder officieel toezicht van de bevoegde autoriteiten, passen met het oog op de uitroeiing van de gespecificeerde plaagorganismen elk van de volgende maatregelen toe op nader omschreven planten die overeenkomstig artikel 5 als besmet zijn aangemerkt:
voor de productie van aardappelknollen bestemde aardappelen worden niet geplant;
voor industriële verwerking of sortering bestemde aardappelen worden onderworpen aan officieel goedgekeurde maatregelen overeenkomstig bijlage II, punt 2, en
in de lijsten in bijlage I, punten 2 en 3, opgenomen planten worden niet geplant, tenzij zij zijn onderworpen aan de officieel goedgekeurde maatregelen zoals bedoeld in bijlage II, punt 1, zodat zij niet langer besmet zijn.
HOOFDSTUK V
Kennisgevingen betreffende gespecificeerde plaagorganismen en rassen en intrekking van maatregelen
Artikel 10
Kennisgeving van de bevestigde aanwezigheid van het gespecificeerde plaagorganisme op een resistent aardappelras
Artikel 11
Kennisgeving betreffende rassen die resistent zijn tegen de gespecificeerde plaagorganismen
De lidstaten verstrekken de Commissie en de andere lidstaten uiterlijk op 31 januari van elk jaar een lijst van alle nieuwe aardappelrassen waarvoor zij in het voorgaande jaar het in de handel brengen hebben goedgekeurd en waarvan zij aan de hand van officiële tests zoals bedoeld in bijlage V hebben vastgesteld dat zij resistent zijn tegen de gespecificeerde plaagorganismen. Zij vermelden de rassen en de soorten, pathotypen, virulentiegroepen of populaties van de gespecificeerde plaagorganismen waartegen die rassen resistent zijn, alsook de relatieve vatbaarheid.
Artikel 12
Officiële herbemonstering en tests met het oog op de intrekking van de maatregelen op een besmette productielocatie
De bevoegde autoriteiten mogen een overeenkomstig artikel 5, lid 1, als besmet aangemerkte productielocatie herbemonsteren en aan tests onderwerpen volgens een van de volgende methoden:
officiële herbemonstering van de productielocatie en tests volgens een van de in bijlage III vermelde methoden, die plaatsvinden na een periode van ten minste zes jaar na hetzij de bevestiging van de aanwezigheid van het gespecificeerde plaagorganisme, hetzij de laatste aardappeloogst, of
officiële herbemonstering van de productielocatie en tests volgens een van de in bijlage III vermelde methoden, die plaatsvinden nadat de productielocatie onder water is gezet overeenkomstig de volgende voorwaarden:
de inundatie vindt gedurende een ononderbroken periode van twaalf weken plaats bij een bodemtemperatuur van ten minste 16 °C op een diepte van 15 cm en met een waterlaag van ten minste 5 cm boven de grond;
er wordt voorkomen dat water uit het geïnundeerde gebied wegvloeit wegens de helling van het terrein;
inundatie is niet toegestaan op productielocaties die wegens de aanwezigheid van Synchytrium endobioticum aan officiële controle zijn onderworpen;
als de inundatie in het open veld wordt uitgevoerd of als oppervlaktewater wordt gebruikt uit een bron waarvoor besmetting met Ralstonia solanacearum niet kan worden uitgesloten, worden op de behandelde productielocatie ten minste in het op de inundatie volgende teeltseizoen geen planten van de soorten Solanum tuberosum of Solanum lycopersicum geplant.
De in lid 1, punt a), bepaalde periode mag tot minimaal drie jaar worden beperkt, mits doeltreffende en officieel goedgekeurde controlemaatregelen zijn getroffen.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
BIJLAGE I
Lijst van nader omschreven planten zoals bedoeld in artikel 2, punt 3, b)
1. Waardplanten met wortels:
2. Andere planten met wortels:
3. In grond geteelde bollen, knollen en wortelstokken, die niet onder de officieel goedgekeurde maatregelen zoals bedoeld in bijlage II, punt 1, a), vallen en die bestemd zijn om opnieuw te worden geplant, met uitzondering van die waarvoor het, op basis van de verpakking of anderszins, duidelijk is dat zij bestemd zijn voor verkoop aan eindgebruikers die niet bij de professionele planten- of snijbloemenkweek betrokken zijn, van:
BIJLAGE II
Officiële maatregelen zoals bedoeld in artikel 3, lid 3, punt c), artikel 9, eerste alinea, punten b) en c), en bijlage I, punt 3
1. De officieel goedgekeurde maatregelen zoals bedoeld in artikel 3, lid 3, punt c), artikel 9, eerste alinea, punt c), en bijlage I, punt 3, zijn de volgende:
bestrijding met geschikte methoden zodat er geen aanwijsbaar risico op verspreiding van het gespecificeerde plaagorganisme is, of
praktisch vrij van grond maken door middel van spoelen of borstelen, zodat er geen aanwijsbaar risico op verspreiding van het gespecificeerde plaagorganisme is en verwijdering van afvalgrond volgens een procedure waarvan is vastgesteld dat zij geen risico op verspreiding van het gespecificeerde plaagorganisme inhoudt.
2. De in artikel 9, eerste alinea, punt b), bedoelde officieel goedgekeurde maatregelen bestaan uit de levering aan een verwerkings- of sorteerbedrijf met geschikte en officieel erkende afvalverwijderingsprocedures, waaronder voor afvalgrond, waarvan is vastgesteld dat zij geen risico op verspreiding van het gespecificeerde plaagorganisme inhouden.
BIJLAGE III
Bemonstering en tests zoals bedoeld in de artikelen 4 en 7
1. De bemonstering en tests voor officiële detectieonderzoeken, zoals bedoeld in artikel 4, leden 1 en 2, worden als volgt verricht:
Voor de bemonstering wordt een grondmonster gebruikt met een standaardvolume van ten minste 1 500 ml grond/ha, dat wordt samengesteld uit ten minste 100 boormonsters/ha, bij voorkeur in een rechthoekig raster met vakken van minimaal 5 m breed en maximaal 20 m lang tussen de bemonsteringspunten, dat de hele productielocatie omvat. Het volledige monster wordt gebruikt voor verder onderzoek, d.w.z. extractie van cysten, identificatie van de soort en, in voorkomend geval, bepaling van het pathotype of de virulentiegroep.
Voor de tests wordt gebruikgemaakt van de volgende methoden om het gespecificeerde plaagorganisme te extraheren, die in de desbetreffende gevalideerde en internationaal erkende diagnostische protocollen worden beschreven:
voor extractie, methoden op basis van de Fenwick-kan, de Schuiling-centrifuge, de Seinhorst-kan of de Kort-kan;
voor detectie en identificatie, een van de volgende methoden:
isolatie van Globodera-cysten uit het geëxtraheerde materiaal op basis van de morfologie van de cysten, gevolgd door identificatie van de soort op basis van de morfologie van individuele cysten en juvenielen, in combinatie met de conventionele PCR op basis van Bulman & Marshall 1997 ( 1 ) (in geval van twijfel over de aanwezigheid van G. tabacum kan daarnaast ook de conventionele PCR op basis van Skantar et al. 2007 ( 2 ) worden verricht);
isolatie van Globodera-cysten uit het geëxtraheerde materiaal op basis van de morfologie van de cysten, gevolgd door identificatie van de soort op basis van de morfologie van individuele cysten en juvenielen, in combinatie met de real-time-PCR op basis van Gamel et al. 2017 of real-time-PCR op basis van Lombard et al. 2024 ( 3 );
isolatie van cysten uit het geëxtraheerde materiaal, gevolgd door identificatie van de soort door middel van de real-time-PCR op basis van Gamel et al. 2017 (3) ;
isolatie van cysten van nematoden uit het geëxtraheerde materiaal op basis van de morfologie van de cysten, waarna de soort wordt gedetecteerd en geïdentificeerd door middel van een real-time-PCR van levensvatbare cysten en levende juvenielen op basis van Lombard et al. 2024.
2. De bemonstering voor officiële monitoringonderzoeken, zoals bedoeld in artikel 7, wordt verricht volgens een van de volgende methoden:
de in punt 1, bedoelde bemonstering, gebruikmakend van een grondmonster met een volume van ten minste 400 ml grond/ha;
een gerichte bemonstering van ten minste 400 ml grond na visueel onderzoek van wortels met zichtbare symptomen, of
een bemonstering van ten minste 400 ml grond die na het oogsten aan de aardappelen hangt, mits de productielocatie waarop de aardappelen geteeld zijn, traceerbaar is.
De tests voor officiële monitoringonderzoeken, zoals bedoeld in artikel 7, worden verricht overeenkomstig punt 1.
3. In afwijking van punt 1 mag het standaardvolume van het monster in de volgende gevallen worden verlaagd tot minimaal 400 ml grond/ha:
er is schriftelijk bewijs dat er op de productielocatie gedurende de laatste zes jaar vóór het officiële detectieonderzoek geen aardappelen of in de lijst in bijlage I, punt 1, opgenomen planten zijn geteeld of aanwezig waren;
bij de laatste twee opeenvolgende officiële detectieonderzoeken zijn geen specimens van het gespecificeerde plaagorganisme aangetroffen in monsters van 1 500 ml grond/ha en na het eerste officiële detectieonderzoek zijn uitsluitend aardappelen of in de lijst in bijlage I, punt 1, opgenomen planten geteeld waarvoor een officieel detectieonderzoek overeenkomstig artikel 4, lid 1, is vereist;
bij het laatste officiële detectieonderzoek zijn geen specimens van het gespecificeerde plaagorganisme, noch cysten van het gespecificeerde plaagorganisme zonder levende inhoud aangetroffen, mits hierbij een monster van ten minste 1 500 ml grond/ha is genomen en mits er sinds dat laatste officiële detectieonderzoek op de productielocatie uitsluitend aardappelen of in de lijst in bijlage I, punt 1, opgenomen planten zijn geteeld waarvoor een officieel detectieonderzoek overeenkomstig artikel 4, lid 1, is vereist.
4. Voor percelen groter dan respectievelijk 8 ha en 4 ha mag het bemonsteringsvolume in de volgende gevallen worden verlaagd:
bij de standaardbemonstering in de zin van punt 1 worden de eerste 8 ha bemonsterd volgens het daarin vermelde volume, maar geldt voor elke volgende hectare een verlaagd bemonsteringsvolume van ten minste 400 ml grond/ha;
bij bemonstering met verlaagd volume in de zin van punt 3 worden de eerste 4 ha bemonsterd volgens het daarin vermelde volume, maar geldt voor elke volgende hectare een verlaagd bemonsteringsvolume van ten minste 200 ml grond/ha.
5. Zolang de gespecificeerde plaagorganismen niet op de desbetreffende productielocatie zijn aangetroffen, mag het verlaagde monstervolume zoals bedoeld in de punten 3 en 4 ook bij de volgende officiële detectieonderzoeken zoals bedoeld in artikel 3, lid 1, worden aangehouden.
6. Het standaardvolume van het grondmonster mag worden verlaagd tot minimaal 200 ml grond/ha, mits de productielocatie gelegen is in een gebied dat vrij is verklaard van het gespecificeerde plaagorganisme en dat is aangewezen en wordt onderhouden en gecontroleerd overeenkomstig de desbetreffende internationale normen voor fytosanitaire maatregelen (ISPM No 4) ( 4 ).
7. Het volume van het grondmonster bedraagt in alle gevallen ten minste 200 ml grond per productielocatie.
BIJLAGE IV
Model voor onderzoeksresultaten zoals bedoeld in de artikelen 3 en 6
Model voor het indienen van de resultaten van de onderzoeken naar het aardappelcysteaaltje die zijn uitgevoerd in het kalenderjaar voorafgaand aan het verslagjaar.
Gelieve deze tabel alleen te gebruiken voor de onderzoeksresultaten van de in uw land geoogste aardappelen.
|
Lidstaat |
Type onderzoek |
Categorie |
Teeltareaal (ha) (1) |
Onderzocht gebied (ha) |
Toegepast bemonsteringsvolume overeenkomstig de punten 1 tot en met 7 van bijlage III bij Uitvoeringsverordening (EU) 2022/1192 (2) |
Besmet gebied op basis van laboratoriumtests (ha) |
|
|
|
|
||
|
Alleen G. p. (3) |
Alleen G. r. (4) |
Zowel G. p. als G. r. aanwezig op dezelfde productielocatie |
Oorspronkelijke omvang van het besmette gebied (5) (ha) |
Geactualiseerde omvang van het besmette gebied (6) (ha) |
Kennisgevingsnummers van de nieuwe gemelde uitbraken, voor zover van toepassing, overeenkomstig Uitvoeringsverordening (EU) 2019/1715 |
Aanvullende informatie |
||||||
|
|
Detectie (artikel 3 van Uitvoeringsverordening (EU) 2022/1192) |
— Aardappelknollen voor de productie van voor opplant bestemde knollen (7) , en — andere waardplanten, zoals vermeld in bijlage I bij Uitvoeringsverordening (EU) 2022/1192 (8) |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Monitoring (artikel 6 van Uitvoeringsverordening (EU) 2022/1192) |
Andere dan voor opplant bestemde aardappelen |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
(1)
Alleen relevant voor monitoringonderzoeken.
(2)
Bemonsteringsvolume in de zin van bijlage III bij Uitvoeringsverordening (EU) 2022/1192 (voornamelijk bepaald door het volume van het monster); gebruik voor elk bemonsteringsvolume een afzonderlijke regel.
(3)
Globodera pallida.
(4)
Globodera rostochiensis.
(5)
Totale omvang van het besmette gebied in het jaar voorafgaand aan het jaar waarop het verslag betrekking heeft.
(6)
Totale omvang van het besmette gebied in het jaar waarop het verslag betrekking heeft.
(7)
Er is geen detectieonderzoek vereist voor het planten van aardappelen die bestemd zijn voor de productie van aardappelknollen die zullen worden gebruikt op dezelfde plaats van productie die zich in een door de bevoegde autoriteiten bepaald gebied bevindt.
(8)
Er is geen detectieonderzoek voor het planten van in de lijst van bijlage I opgenomen planten die bestemd zijn om opnieuw te worden geplant op dezelfde plaats van productie die zich in een door de bevoegde autoriteiten bepaald gebied bevindt en voor in de lijsten in bijlage I, punten 2 en 3, opgenomen planten die bestemd zijn om opnieuw te worden geplant, indien de geoogste planten zullen vallen onder de officieel goedgekeurde maatregelen zoals bedoeld in bijlage II, punt 1. |
||||||||||||
BIJLAGE V
Bepaling van het resistentieniveau van aardappelrassen en protocol voor resistentietests zoals bedoeld in artikel 8, lid 3
1. Resistentieniveau
De relatieve vatbaarheid van een aardappelras wordt toegewezen overeenkomstig de in de tabel vermelde scores en de in punt 2.16 vastgestelde formule. Score 9 geeft het hoogste resistentieniveau aan.
Standaardscorenotatie in verhouding tot de relatieve vatbaarheid van aardappelrassen voor de gespecificeerde plaagorganismen
|
Relatieve vatbaarheid (%) (RS) |
Score |
|
≤ 1 |
9 |
|
1 < RS ≤ 3 |
8 |
|
3 < RS ≤ 5 |
7 |
|
5 < RS ≤ 10 |
6 |
|
10 < RS ≤ 15 |
5 |
|
15 < RS ≤ 25 |
4 |
|
25 < RS ≤ 50 |
3 |
|
50 < RS ≤ 100 |
2 |
|
> 100 |
1 |
2. Protocol voor resistentietests
2.1. De tests worden verricht in een quarantaine-inrichting, hetzij in de open lucht, hetzij in kassen, hetzij in koelruimten.
2.2. De tests worden verricht in potten die elk ten minste een liter grond of een liter van een ander geschikt substraat bevatten.
2.3. Tijdens de test mag de grondtemperatuur in de testrecipiënten niet meer dan 25 °C bedragen en moet voldoende water worden gegeven.
2.4. Voor het planten van het test- of controleras wordt van elk test- of controleras één stuk aardappel met oog gebruikt.
2.5. Bij elke test wordt het aardappelras Désirée als standaardvatbaar controleras gebruikt. Als interne controle mogen daarnaast volledig vatbare controlerassen van plaatselijk belang worden gebruikt.
2.6. Voor de tests op de resistentie tegen de pathotypen Ro1 en Ro5 van Globodera rostochiensis en de pathotypen Pa1 en Pa3 van Globodera pallida worden de volgende standaardpopulaties van het gespecificeerde plaagorganisme gebruikt:
Er mogen andere populaties van plaatselijk belang worden toegevoegd. Voor deze populaties moet informatie over de bepaling van het pathotype beschikbaar zijn. Nieuwe virulente populaties mogen worden toegevoegd, waarbij er rekening mee moet worden gehouden dat die populaties mogelijk nog niet stabiel zijn en de pathotypen nog niet zijn vastgesteld.
2.7. De identiteit van de gebruikte standaardpopulatie wordt met geschikte methoden gecontroleerd. Aanbevolen wordt om voor de tests ten minste twee resistente rassen of twee differentiële standaardklonen met bekend resistentievermogen te gebruiken.
2.8. Het inoculum van het gespecificeerde plaagorganisme (Pi) bestaat uit in totaal vijf besmettelijke eieren en juvenielen per ml grond. Het gespecificeerde plaagorganisme mag als cysten worden geïnoculeerd of als eieren en juvenielen in een suspensie worden samengevoegd.
2.9. De levensvatbaarheid van de inhoud van cysten van het gespecificeerde plaagorganisme die als inoculatiebron worden gebruikt, moet ten minste 70 % bedragen. Aanbevolen wordt dat de cysten 6 à 24 maanden oud zijn en onmiddellijk vóór gebruik gedurende ten minste vier maanden bij 4 °C worden gehouden.
2.10. Per geteste combinatie van een populatie van het gespecificeerde plaagorganisme en een aardappelras worden ten minste vier replicaten (potten) gebruikt.
2.11. De test duurt ten minste drie maanden. Alvorens de test wordt beëindigd, wordt gecontroleerd of de zich ontwikkelende wijfjes volgroeid zijn.
2.12. De cysten van het gespecificeerde plaagorganisme in de vier replicaten worden voor elke pot afzonderlijk verwijderd en geteld.
2.13. De eindpopulatie (Pf) bij het standaardvatbare controleras aan het einde van de resistentietest wordt bepaald door alle cysten in alle replicaten en de eieren en juvenielen in ten minste vier replicaten te tellen.
2.14. Bij het standaardvatbare controleras moet een vermenigvuldigingsfactor (Pf/Pi) van ten minste 20 worden bereikt.
2.15. De variatiecoëfficiënt (CV) bij het standaardvatbare controleras mag niet meer dan 35 % bedragen. In een later stadium mogen andere statistische tests worden toegepast, indien is aangetoond dat die tests de nauwkeurigheid van de testresultaten zullen verbeteren.
2.16. De relatieve vatbaarheid van het geteste aardappelras in verhouding tot het standaardvatbare controleras wordt bepaald en uitgedrukt als een percentage aan de hand van de volgende formule:
Pftestras/Pfstandaardvatbaar controleras × 100 %
2.17. Indien een getest aardappelras een relatieve vatbaarheid van 3 % of meer heeft, volstaat het om de cysten te tellen. Indien de relatieve vatbaarheid minder dan 3 % bedraagt, worden naast de cysten ook de eieren en juvenielen geteld.
2.18. Indien uit de testresultaten van het eerste jaar blijkt dat een ras volledig vatbaar is voor een pathotype (wanneer de score lager dan 3 is), hoeven deze tests niet in het tweede jaar te worden herhaald.
2.19. Indien het geteste ras niet volledig vatbaar is voor een pathotype (wanneer de score 3 of meer is), worden de testresultaten bevestigd in ten minste één andere proef in een ander jaar. Het rekenkundige gemiddelde van de relatieve vatbaarheid in de twee jaren wordt gebruikt om de score, zoals bepaald in de tabel in punt 1, te berekenen.
( 1 ) Bulman, S.R. & Marshall, J.W. (1997). Differentiation of Australasian potato cyst nematode (PCN) populations using the Polymerase Chain Reaction (PCR). New Zealand Journal of Crop and Horticultural Science 25, 123-129.
( 2 ) Skantar, A.M., Handoo, Z.A., Carta, L.K., Chitwood, D.J. (2007). Morphological and molecular identification of Globodera pallida associated with Potato in Idaho. Journal of Nematology 39(2), 133-144.
( 3 ) Lombard L, Dekker-Nooren CCEM, Wuijster B, van Kessel, SP, van Duivenbode I, van Bruggen AS, van Heese EYJ (2024) Comparing the effectiveness of real time PCRs to simultaneously detect and identify viable Globodera pallida and G. rostochiensis. Eur J Plant Pathol, https://doi.org/10.1007/s10658-024-02864-7
( 4 ) ISPM 4. 1995. Requirements for the establishment of pest free areas. Rome, IPPC, FAO. https://www.ippc.int/en/publications/614/