02022D0696 — NL — 06.01.2026 — 001.001


Onderstaande tekst dient louter ter informatie en is juridisch niet bindend. De EU-instellingen zijn niet aansprakelijk voor de inhoud. Alleen de besluiten die zijn gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie (te raadplegen in EUR-Lex) zijn authentiek. Deze officiële versies zijn rechtstreeks toegankelijk via de links in dit document

►B

UITVOERINGSBESLUIT (EU) 2022/696 VAN DE COMMISSIE

van 29 april 2022

waarbij een door Ierland gevraagde afwijking krachtens Richtlijn 91/676/EEG van de Raad inzake de bescherming van water tegen verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen wordt toegestaan

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2022) 2596)

(Slechts de teksten in de Engelse en de Ierse taal zijn authentiek)

(PB L 129 van 3.5.2022, blz. 37)

Gewijzigd bij:

 

 

Publicatieblad

  nr.

blz.

datum

►M1

UITVOERINGSBESLUIT (EU) 2026/67 VAN DE COMMISSIE  van 22 december 2025

  L 67

1

6.1.2026




▼B

UITVOERINGSBESLUIT (EU) 2022/696 VAN DE COMMISSIE

van 29 april 2022

waarbij een door Ierland gevraagde afwijking krachtens Richtlijn 91/676/EEG van de Raad inzake de bescherming van water tegen verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen wordt toegestaan

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2022) 2596)

(Slechts de teksten in de Engelse en de Ierse taal zijn authentiek)



Artikel 1

Afwijking

De door Ierland bij brief van 14 oktober 2021 gevraagde afwijking, waarmee wordt beoogd toe te staan dat een grotere hoeveelheid stikstof uit dierlijke mest op of in de bodem wordt gebracht dan de in punt 2, tweede alinea, eerste zin, van bijlage III bij Richtlijn 91/676/EEG bepaalde hoeveelheid van 170 kg stikstof, wordt verleend onder de in de artikelen 4 tot en met 12 neergelegde voorwaarden.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder:

a) 

„gras”: blijvend grasland of tijdelijk weiland dat gedurende minder dan vier jaar in stand wordt gehouden;

b) 

„graslandbedrijven”: landbouwbedrijven waar 80 % of meer van de landbouwgrond die voor het op- of inbrengen van mest beschikbaar is, grasland is;

c) 

„graasvee”: runderen (met uitzondering van mestkalveren), schapen, herten, geiten en paarden;

d) 

„perceel”: een afzonderlijk veld of een groep velden, die qua gewas, bodemtype en bemestingspraktijken homogeen zijn;

e) 

„bemestingsplan”: een voorafgaande berekening van het geplande gebruik en de beschikbaarheid van nutriënten;

f) 

„mestboekhouding”: de nutriëntenbalans op basis van het werkelijke gebruik en de opname van nutriënten;

g) 

„gemeenschappelijke grond”: een perceel grond dat in het bezit is van twee of meer personen, die er elk een bepaald aandeel in hebben of het gezamenlijk in bezit hebben, en dat oorspronkelijk is gekocht van de Irish Land Commission op grond van de Land Purchase ACTS, met inbegrip van grond waarop twee of meer personen weide- of turfrecht hebben.

Artikel 3

Toepassingsgebied

De krachtens artikel 1 verleende afwijking geldt voor graslandbedrijven waaraan een vergunning overeenkomstig artikel 5 („een vergunning”) is verleend.

▼M1

Artikel 3 bis

Algemene voorwaarden voor Ierland van 2026 tot en met 2028

1.  
Ierland moet zo spoedig mogelijk en uiterlijk eind 2028 de milieubeoordelingen voltooien overeenkomstig artikel 6, leden 2 en 3, van Richtlijn 92/43/EEG en artikel 4, lid 1, van Richtlijn 2000/60/EG, rekening houdend met het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie in zaak C-531/24, en, indien mogelijk binnen hetzelfde tijdsbestek, risicobeperkende maatregelen nemen, onder meer via het Ierse actieprogramma, om ervoor te zorgen dat de vergunningen de verwezenlijking van de doelstellingen van deze richtlijnen niet in gevaar brengen.
2.  
In voorkomend geval herziet Ierland de voorwaarden van het Ierse nitraatactieprogramma zo spoedig mogelijk en uiterlijk eind 2028, na de uitspraak van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie in zaak C-531/24.
3.  
Met ingang van 2026 voert Ierland maatregelen uit om ervoor te zorgen dat op alle melkveehouderijen waarvan de grond over een groter gebied is verspreid en die een zeer hoge veebezetting hebben op de grond die het dichtst bij het erf ligt, oftewel het melkplatform, de op het bedrijf geproduceerde rundveedrijfmest buiten het melkplatform en over alle grond van het landbouwbedrijf wordt verspreid, of dat anders een lagere toegestane hoeveelheid kunstmest wordt toegepast.
4.  
Uiterlijk met ingang van 1 oktober 2028 verhoogt Ierland de vereiste opslagcapaciteit voor dierlijke mest en vervuild water op alle melkveehouderijen in overeenstemming met de huidige kennis die de ontwikkelingen op het gebied van de melkveehouderij en de bijbehorende landbouwsystemen weerspiegelt.

▼B

Artikel 4

Jaarlijkse aanvraag en verbintenis

1.  
Weideboeren die voor een afwijking in aanmerking wensen te komen, dienen elk jaar bij de bevoegde autoriteiten een aanvraag in voor een vergunning om dierlijke mest die tot 250 kg stikstof/ha bevat, op of in de bodem te brengen. De aanvraag moet een verklaring bevatten dat de weideboer zich aan alle in artikel 11 bedoelde controles zal onderwerpen.
2.  
In de in lid 1 bedoelde aanvraag moet de aanvrager er zich schriftelijk toe verbinden aan de in de artikelen 6 tot en met 9 vastgestelde voorwaarden te voldoen.

Artikel 5

Verlening van vergunningen

Vergunningen om op graslandbedrijven per hectare en per jaar een maximaal 250 kg stikstof bevattende hoeveelheid dierlijke mest op of in de bodem te brengen, worden verleend onder de in de artikelen 6 tot en met 9 vastgestelde voorwaarden.

▼M1

Met ingang van 1 januari 2028 worden, naast de in de eerste alinea vastgestelde vereisten, de vergunningen voor gebieden die afwateren in de rivieren Barrow, Slaney, Nore and Blackwater en zijrivieren daarvan, verleend overeenkomstig de in artikel 9 bis vastgestelde voorwaarden.

▼B

Artikel 6

Voorwaarden met betrekking tot het op of in de bodem brengen van dierlijke en andere meststoffen

1.  
De hoeveelheid dierlijke mest van graasvee die elk jaar op graslandbedrijven, ook door de dieren zelf, op of in de bodem wordt gebracht, mag met inachtneming van de in de leden 2 tot en met 6 vastgestelde voorwaarden niet meer dan 250 kg stikstof/ha bevatten. Vanaf 2024 mag deze maximumhoeveelheid als gevolg van de tweejaarlijkse evaluatie niet meer bedragen dan 220 kg stikstof/ha per jaar in de in artikel 12 bedoelde gebieden.
2.  
De totale stikstofgift mag niet groter zijn dan de verwachte nutriëntenbehoefte van elk gewas en mag niet meer bedragen dan de maximale mestgift die op graslandbedrijven van toepassing is, zoals vastgesteld in het „Nitrates Action Programme” (nitraatactieprogramma) en rekening houdend met de levering van nutriënten vanuit de bodem. De totale stikstofgift wordt gedifferentieerd op basis van de veebezetting en de productiviteit van het grasland.
3.  

Voor elk graslandbedrijf moet een bemestingsplan worden opgesteld en bijgehouden. In dat bemestingsplan worden de vruchtwisseling van de landbouwgrond en de planning voor het op- of inbrengen van dierlijke mest en andere meststoffen beschreven. Dat plan moet voor elk kalenderjaar vóór 1 maart van dat jaar op het graslandbedrijf beschikbaar zijn. Het bevat ten minste de volgende gegevens:

a) 

het vruchtwisselingsplan, met vermelding van:

i) 

de oppervlakte aan percelen grasland;

ii) 

de oppervlakte aan percelen met andere gewassen dan gras;

iii) 

een schets van de ligging van de afzonderlijke percelen;

b) 

het aantal dieren op het graslandbedrijf;

c) 

een beschrijving van het huisvestings- en mestopslagsysteem, met inbegrip van het volume van de beschikbare opslagruimte voor dierlijke mest;

d) 

een berekening van de op het graslandbedrijf geproduceerde stikstof en fosfor uit dierlijke mest;

e) 

de hoeveelheid, de soort en de kenmerken van de dierlijke mest die door het graslandbedrijf aan anderen of door anderen aan het graslandbedrijf wordt geleverd;

f) 

de te verwachten stikstof- en fosforbehoefte van de gewassen voor elk perceel;

g) 

de resultaten van een bodemanalyse en met name de stikstof- en fosfortoestand van de bodem, indien beschikbaar;

h) 

de aard van de te gebruiken meststof;

i) 

een berekening voor elk perceel van de op of in de bodem gebrachte hoeveelheden stikstof en fosfor uit dierlijke mest;

j) 

een berekening voor elk perceel van de op of in de bodem gebrachte hoeveelheden stikstof en fosfor uit chemische en andere meststoffen.

Het bemestingsplan wordt uiterlijk zeven dagen na een wijziging van de landbouwpraktijken op het graslandbedrijf aangepast.

▼M1

Er wordt een kalkbemestingsprogramma voor het landbouwbedrijf vastgesteld dat gebaseerd is op een nutriëntenbeheersplan en de resultaten van een bodemanalyse. Als de in het bodemanalysrapport vermelde kalkbehoefte niet meer dan 5 ton per hectare bedraagt, moet de volledige kalkbehoefte binnen twee jaar na de datum van afgifte van dat rapport worden verspreid. Als de in het bodemanalysrapport vermelde kalkbehoefte meer dan 5 ton per hectare bedraagt, moet er binnen twee jaar na de datum van uitgifte van het rapport ten minste 5 ton kalk per hectare worden verspreid.

Het graslandbedrijf wordt geregistreerd in het meststoffenregister van Ierland en voldoet volledig aan Statutory Instrument No. 378 of 2023, National Fertilizer Database Regulations 2023. Het graslandbedrijf meldt elk jaar ook de eindvoorraden van kunstmest en kalk op zijn bedrijf op 14 september om 23.59 uur, in voorkomend geval door het indienen van de verklaring „Nil Closing Stock” (geen eindvoorraad).

▼B

4.  
Dierlijke mest mag niet in het najaar vóór een grasteelt worden verspreid.
5.  
Ten minste 50 % van de op het graslandbedrijf geproduceerde drijfmest wordt uiterlijk 15 juni op of in de bodem gebracht. In alle gevallen wordt voor het op of in de bodem brengen van drijfmest uitrusting voor het verspreiden van drijfmest met geringe emissies gebruikt.
6.  
De toegestane veebezetting op gemeenschappelijke gronden mag niet meer bedragen dan 50 kg stikstof/ha. Chemische meststoffen zijn niet toegestaan op gemeenschappelijke gronden.

▼M1

7.  
De toegestane veebezetting op grond buiten een straal van 30 km van het centrum van het graslandbedrijf is zodanig dat de stikstofbelasting door dierlijke mest niet meer dan 170 kg per hectare per jaar bedraagt, tenzij de bevoegde autoriteit vaststelt dat er aantoonbaar bewijs is dat die grond wordt geëxploiteerd met een veebezetting die leidt tot een stikstofbelasting door dierlijke mest van meer dan 170 kg per hectare per jaar.

▼B

Artikel 7

Voorwaarden met betrekking tot bemonstering en analyse van de bodem

1.  
Voor elk graslandbedrijf worden periodieke stikstof- en fosforanalysen van de bodem verricht.
2.  
Ten minste om de vier jaar worden een bemonstering en een analyse uitgevoerd voor elk type oppervlak dat qua vruchtwisseling en bodemkenmerken vergelijkbare eigenschappen heeft.
3.  
Er wordt ten minst één analyse per vijf hectare van het graslandbedrijf verricht.
4.  
De resultaten van de stikstof- en fosforanalyse van de bodem zijn op het graslandbedrijf beschikbaar voor inspectie.

Artikel 8

Voorwaarden met betrekking tot landbeheer

1.  
Landbouwers die grasland willen ploegen, doen dit tussen 1 maart en 31 mei.
2.  
Omgeploegd gras wordt op alle bodemtypen onmiddellijk, maar in elk geval uiterlijk drie weken na het omploegen van het gras, gevolgd door een gewas met hoge stikstofbehoefte.
3.  
Peulvruchten of andere gewassen die atmosferische stikstof binden, worden niet in de vruchtwisseling opgenomen. Dit geldt echter niet voor klaver op grasland met minder dan 50 % klaver, noch voor andere peulgewassen met gras als ondervrucht.
4.  
Al het nieuw ingezaaide gras op het graslandbedrijf moet ten minste 1,5 kg/ha ongecoat klaverzaad of ten minste 2,5 kg/ha gecoat klaverzaad bevatten.
5.  
De percelen worden voorzien van hekken die een minimumafstand van 1,5 meter tussen vee en waterlopen garanderen, en drinkpunten bevinden zich op een afstand van ten minste 20 meter van een waterloop.

▼M1

6.  

Uiterlijk aan het einde van het tweede jaar waarin het graslandbedrijf gebruikmaakt van de vergunning uit hoofde van dit besluit, zorgt het bedrijf ervoor dat:

a) 

zijn nutriëntenbalans is berekend met behulp van geschikte, door de bevoegde autoriteit aanvaarde softwaretechnologie;

b) 

het door de bevoegde autoriteit voorgeschreven opleidingsprogramma op het gebied van graslandbeheer is voltooid.

7.  
Het gras dat jaarlijks op het graslandbedrijf wordt geproduceerd, wordt ten minste twintig keer per jaar gemeten met behulp van geschikte, door de bevoegde autoriteit aanvaarde softwaretechnologie. Er moeten minstens vijf dagen tussen de grasmetingen zitten.
8.  

Het graslandbedrijf neemt ten minste een van de volgende maatregelen:

a) 

bij het snoeien van hagen wordt in elke haag ten minste één witte meidoorn of sleedoorn behouden, die tot zijn volledige hoogte moet kunnen groeien;

b) 

hagen worden ten minste om de drie jaar onderhouden en worden om beurten gesnoeid, zodat er elk jaar ergens op het landbouwbedrijf hagen bloeien en bessen produceren.

▼M1

Artikel 9

Voorwaarde voor het voederen van vee

Krachtvoer dat tussen 15 april en 30 september aan melkkoeien en andere runderen van twee jaar of ouder wordt vervoederd, mag maximaal 14 % ruw eiwit bevatten. Gegevens over het gehalte aan ruw eiwit in krachtvoer worden bijgehouden en op verzoek ter beschikking gesteld van de bevoegde autoriteit.

▼M1

Artikel 9 bis

Aanvullende voorwaarden voor het verlenen van vergunningen in 2028

1.  
Met ingang van 1 januari 2028 wordt de jaarlijkse maximale mestgift op grasland op landbouwbedrijven waarvoor een vergunning is afgegeven, zodanig verlaagd dat deze vanaf 2028 5 % lager is dan de gift die is bekendgemaakt in het Ierse actieprogramma zoals uitgevoerd in Statutory Instrument No 42 of 2025, European Union (Good Agricultural Practice for Protection of Waters) Regulation 2022, zoals gewijzigd. Indien bij een herziening van de bemestingsnormen lagere waarden worden vastgesteld, zijn die lagere waarden van toepassing.
2.  
Met ingang van 1 januari 2028 mag op landbouwbedrijven met een vergunning geen kunstmest meer op of in de bodem worden gebracht op grasland binnen een straal van 4 meter van oppervlaktewateren, tenzij in het Ierse actieprogramma strengere vereisten zijn vastgesteld, in welk geval die strengere vereisten van toepassing zijn. Met ingang van 1 januari 2028 mogen organische meststoffen, met inbegrip van mest en vervuild water, niet op of in de bodem worden gebracht in dezelfde gebieden binnen een straal van 8 meter langs oppervlaktewateren en binnen een straal van 20 meter van oppervlaktewateren als de grond een gemiddelde helling van meer dan 20 % in de richting van het water heeft, tenzij in het Ierse actieprogramma strengere vereisten zijn vastgesteld, in welk geval die strengere vereisten van toepassing zijn.

▼B

Artikel 10

Monitoring

1.  

De bevoegde autoriteiten zien erop toe dat elk jaar kaarten worden opgesteld met:

a) 

voor elke graafschap het percentage graslandbedrijven waarvoor een vergunning is verleend;

b) 

voor elke graafschap het percentage dieren waarvoor een vergunning is verleend;

c) 

voor elke graafschap het percentage landbouwgrond waarvoor een vergunning is verleend;

d) 

lokaal bodemgebruik.

2.  
De bevoegde autoriteiten monitoren het water in de wortelzone, het oppervlaktewater en het grondwater. Zij verstrekken de Commissie ook, onder zowel afwijkings- als niet-afwijkingsvoorwaarden, gegevens over stikstof en fosfor in de wortelzone en de nitraatconcentraties in het oppervlakte- en grondwater.
3.  
De monitoring wordt verricht op veldniveau en in de landbouwmonitoringstroomgebieden. De monitoringlocaties moeten representatief zijn voor de voornaamste of meest gebruikelijke bodemtypen, intensiteitsniveaus, bemestingspraktijken en gewassen.
4.  
De bevoegde autoriteiten voeren een intensievere watermonitoring uit in landbouwstroomgebieden die in de nabijheid van de kwetsbaarste waterlichamen liggen.
5.  
De bevoegde autoriteiten verrichten onderzoek naar het lokale bodemgebruik, de vruchtwisseling en de landbouwpraktijken voor onder vergunningen vallende graslandbedrijven.
6.  
De informatie en gegevens die zijn verzameld via nutriëntenanalysen zoals bedoeld in artikel 7, leden 1, 2 en 3, worden gebruikt voor modelmatige berekeningen van de omvang van de nitraat- en fosforverliezen van onder vergunningen vallende graslandbedrijven.

▼M1

Artikel 11

Controles

1.  
De bevoegde autoriteiten voeren administratieve controles uit op alle vergunningsaanvragen om na te gaan of aan de voorwaarden van de artikelen 6 tot en met 9 bis wordt voldaan. Indien daarbij blijkt dat niet aan deze voorwaarden wordt voldaan, wordt de aanvraag afgewezen en wordt de aanvrager van de redenen voor de afwijzing in kennis gesteld. De bevoegde autoriteiten voeren elk jaar voor ten minste 10 % van de graslandbedrijven waarvoor een vergunning is verleend, administratieve controles uit van het bodemgebruik, de omvang en aard van de veestapel, en de productie en uitvoer van dierlijke mest.
2.  
De bevoegde autoriteiten stellen een programma vast voor inspecties ter plaatse, op basis van een risicobeoordeling en met een passende frequentie, op graslandbedrijven waarvoor een vergunning is verleend, waarbij rekening wordt gehouden met de resultaten van de controles in voorgaande jaren, de resultaten van de algemene aselecte controles van de wetgeving ter omzetting van Richtlijn 91/676/EEG en eventuele overige informatie die erop kan wijzen dat niet aan de voorwaarden van de artikelen 6 tot en met 9 bis wordt voldaan. Elk jaar worden bij ten minste 10 % van de graslandbedrijven waarvoor een vergunning is verleend, inspecties ter plaatse verricht om te beoordelen of aan de voorwaarden van de artikelen 6 tot en met 9 bis wordt voldaan.
3.  
Indien in een bepaald jaar wordt vastgesteld dat een graslandbedrijf waarvoor een vergunning is verleend, niet aan de voorwaarden van de artikelen 6 tot en met 9 bis voldoet, wordt overeenkomstig de nationale regels een sanctie opgelegd aan de houder van de vergunning, die dan ook niet meer voor een vergunning voor het daaropvolgende jaar in aanmerking komt.
4.  
Aan de bevoegde autoriteiten worden de nodige bevoegdheden en middelen toegekend om naleving van de voorwaarden voor een krachtens dit besluit verleende vergunning te verifiëren, om na te gaan of aan de voorwaarden van de artikelen 6 tot en met 9 bis is voldaan vóór en na de verlening van een vergunning uit hoofde van dit besluit.

▼B

Artikel 12

Tweejaarlijkse evaluatie

1.  

De bevoegde autoriteiten dienen uiterlijk op 30 juni 2023, samen met het in artikel 13 bedoelde verslag dat betrekking heeft op het jaar 2022, een bijlage in met de resultaten van de monitoring van de nitraatconcentraties in grondwater en oppervlaktewater en de staat van eutrofiëring van oppervlaktewaterlichamen, op basis van het monitoringnetwerk en de voorschriften van de nitratenrichtlijn (Richtlijn 91/676/EEG), met daarin ten minste kaarten van de gebieden die afwateren in wateren waarvoor uit monitoringgegevens blijkt dat:

a) 

de gemiddelde waarden van de nitraatconcentraties er boven de 50 mg/l liggen of de nitraatconcentratie er ten opzichte van 2021 een stijgende trend vertoont;

b) 

zij de status „eutroof” of „kan eutroof worden” hebben, waarbij de trend ten opzichte van 2021 stabiel of verslechterend is.

De in de eerste alinea, punt a) of b), bedoelde wateren worden geacht verontreinigd te zijn, het risico op verontreiniging te lopen of verslechterende trends te vertonen. De gegevens voor de raming van de gemiddelde waarden bestrijken de periode van 1 januari 2020 tot en met 31 december 2022. Voor de beoordeling van de trends worden de gegevens van 2021 en 2022 vergeleken.

2.  
Voor het opstellen van de in lid 1 bedoelde bijlage worden gegevens gebruikt die afkomstig zijn van het uit hoofde van Richtlijn 91/676/EEG opgezette monitoringnetwerk.
3.  
Met ingang van 1 januari 2024 worden in het kader van het nitraatactieprogramma aanvullende maatregelen genomen in gebieden die afwateren in wateren die verontreinigd zijn of het risico op verontreiniging lopen, of die verslechterende trends vertonen. Voor landbouwbedrijven waaraan op grond van dit besluit een vergunning is verleend en die in dergelijke gebieden gelegen zijn, mag de hoeveelheid dierlijke mest die op of in de bodem mag worden gebracht, niet meer dan 220 kg stikstof/ha per jaar bedragen.
4.  
De bevoegde autoriteiten stellen de Commissie uiterlijk op 30 september 2023 in kennis van de resultaten van deze tweejaarlijkse evaluatie, en met name van de gebieden en landbouwbedrijven met een vergunning waar de maximale hoeveelheid op of in de bodem te brengen dierlijke mest 220 kg stikstof/ha per jaar bedraagt, alsmede van de in het kader van het nitraatactieprogramma toe te passen aanvullende maatregelen.

Artikel 13

Verslaglegging

De bevoegde autoriteiten dienen elk jaar uiterlijk op 30 juni bij de Commissie een verslag in met de volgende informatie:

a) 

kaarten met voor elk graafschap de percentages onder vergunningen vallende graslandbedrijven, dieren en landbouwgrond, alsook kaarten van het lokale bodemgebruik zoals bedoeld in artikel 10, lid 1;

b) 

de resultaten van de monitoring van het grond- en oppervlaktewater, onder zowel afwijkings- als niet-afwijkingsomstandigheden, wat nitraat- en fosforconcentraties betreft, met inbegrip van informatie over waterkwaliteitstrends, alsook de impact van de in dit besluit verleende afwijking op de waterkwaliteit zoals bedoeld in artikel 10, lid 2;

c) 

de resultaten van de monitoring van de bodem, onder zowel afwijkings- als niet-afwijkingsomstandigheden, wat stikstof- en fosforconcentraties in het bodemwater en mineraal stikstof in het bodemprofiel betreft, zoals bedoeld in artikel 10, lid 2;

d) 

een overzicht en een evaluatie van de met de in artikel 10, lid 4, bedoelde intensievere watermonitoring verkregen gegevens;

e) 

de resultaten van de onderzoeken naar het lokale bodemgebruik, de vruchtwisseling en de landbouwpraktijken zoals bedoeld in artikel 10, lid 5;

f) 

de resultaten van de modelmatige berekeningen van de omvang van de nitraat- en fosforverliezen zoals bedoeld in artikel 10, lid 6;

g) 

een evaluatie van de resultaten van de administratieve controles en inspecties ter plaatse zoals bedoeld in artikel 11, leden 1 en 2;

h) 

trends inzake de omvang van de veestapel en de mestproductie voor elke categorie vee en op graslandbedrijven waaraan een vergunning is verleend;

i) 

een vergelijkende analyse tussen de controles van graslandbedrijven die onder vergunningen vallen en die van graslandbedrijven die niet onder vergunningen vallen, met inbegrip van gegevens over:

— 
inspecties ter plaatse;
— 
administratieve controles;
— 
landbouwinspecties in het kader van de regelingen betreffende de naleving van de randvoorwaarden;
— 
statistieken over niet-naleving;

▼M1

j) 

de vooruitgang die is geboekt bij de uitvoering van de in artikel 3 bis, lid 1, bedoelde milieubeoordelingen.

▼B

De in het verslag opgenomen ruimtelijke informatie voldoet voor zover van toepassing aan Richtlijn 2007/2/EG. Ierland maakt bij het verzamelen van de vereiste gegevens — waar nodig — gebruik van de informatie die is gegenereerd in het kader van het geïntegreerd beheers- en controlesysteem dat is opgezet overeenkomstig artikel 67, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1306/2013.

Artikel 14

Toepassing

▼M1

Dit besluit is van toepassing in de context van het Ierse actieprogramma zoals uitgevoerd in Statutory Instrument No. 113 van 2022, de European Union (Good Agricultural Practice for Protection of Waters) Regulations 2022, zoals gewijzigd, en in de context van het Ierse actieprogramma zoals uitgevoerd in Statutory Instrument No 588 van 2025.

Dit besluit is van toepassing tot en met 31 december 2028.

▼B

Artikel 15

Adressaat

Dit besluit is gericht tot Ierland.