02019R2238 — NL — 01.01.2020 — 001.001


Onderstaande tekst dient louter ter informatie en is juridisch niet bindend. De EU-instellingen zijn niet aansprakelijk voor de inhoud. Alleen de besluiten die zijn gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie (te raadplegen in EUR-Lex) zijn authentiek. Deze officiële versies zijn rechtstreeks toegankelijk via de links in dit document

►B

GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) 2019/2238 VAN DE COMMISSIE

van 1 oktober 2019

tot vaststelling van nadere bepalingen ter uitvoering van de aanlandingsverplichting voor bepaalde demersale visserijen in de Noordzee voor de periode 2020-2021

(PB L 336 van 30.12.2019, blz. 34)

Gewijzigd bij:

 

 

Publicatieblad

  nr.

blz.

datum

►M1

GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) 2020/1758 VAN DE COMMISSIE van 28 augustus 2020

  L 397

1

26.11.2020




▼B

GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) 2019/2238 VAN DE COMMISSIE

van 1 oktober 2019

tot vaststelling van nadere bepalingen ter uitvoering van de aanlandingsverplichting voor bepaalde demersale visserijen in de Noordzee voor de periode 2020-2021



Artikel 1

Uitvoering van de aanlandingsverplichting

In de Uniewateren van de Noordzee (de ICES-sectoren 2a, 3a en ICES-deelgebied 4) is voor de periode 2020-2021 de in artikel 15, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 vastgestelde aanlandingsverplichting overeenkomstig deze verordening van toepassing op demersale visserijen waarvoor vangstbeperkingen gelden.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

1. 

“Seltra-paneel”: een selectiviteitsvoorziening die:

— 
bestaat uit een bovenpaneel met een maaswijdte van ten minste 270 mm (ruitvormige mazen) geplaatst in een door vier panelen gevormd gedeelte en zodanig gemonteerd dat de samenvoegingsverhouding bij de naad drie mazen van 90 mm per maas van 270 mm bedraagt, of bestaande uit een bovenpaneel met een maaswijdte van ten minste 140 mm (vierkante mazen);
— 
minstens 3 meter lang is;
— 
is aangebracht op niet meer dan 4 meter van de pooklijn, alsmede
— 
de volledige breedte van de bovenkant van het trawlnet in beslag neemt (d.w.z. van naadlijn tot naadlijn);
2. 

“selectiviteitsnetrooster” (Netgrid): een selectiviteitsvoorziening bestaande uit een door vier panelen gevormd gedeelte dat wordt aangebracht in een door twee panelen gevormde trawl met een hoeks geplaatst netpaneel met ruitvormige mazen van ten minste 200 mm, zodat aan de bovenkant van de trawl een ontsnappingsgat ontstaat.

3. 

“Vlaams paneel”: het laatste trechtervormige gedeelte van de netten van een boomkor, waarvan:

— 
de achterkant rechtstreeks aan de kuil is bevestigd;
— 
de boven- en onderkant een maaswijdte van minstens 120 mm hebben, gemeten tussen de knopen;
— 
de lengte in gestrekte toestand minstens 3 meter bedraagt;
4. 

“ontsnappingspaneel voor benthos”: een paneel uit netwerk met grotere mazen of vierkante mazen dat is bevestigd in het onderpaneel van een trawl, gewoonlijk een boomkor, om bentisch materiaal en zeebodemafval te lozen voordat het in de kuil terechtkomt;

5. 

“SepNep”: een ottertrawl die:

— 
een maaswijdte tussen 80 en 99 + ≥ 100 mm heeft;
— 
meerdere kuilen heeft met een maaswijdte tussen minstens 80 en 120 mm, die zijn bevestigd aan een enkele tunnel, waarbij de bovenste kuil een maaswijdte van minstens 120 mm heeft en is uitgerust met een scheidingspaneel met een maximale maaswijdte van 105 mm; alsmede
— 
ook kan zijn uitgerust met een optioneel selectierooster met een afstand van minstens 17 mm tussen de staven, mits dit zodanig is vervaardigd dat kleine langoustines kunnen ontsnappen.

Artikel 3

Vrijstelling op grond van overlevingskansen voor langoustines

1.  

De in artikel 15, lid 4, onder b), van Verordening (EU) nr. 1380/2013 bedoelde vrijstelling op grond van overlevingskansen geldt in de Uniewateren van de Noordzee (de ICES-sectoren 2a, 3a en ICES-deelgebied 4) voor de volgende vangsten van langoustines (Nephrops norvegicus):

a) 

vangsten met korven (FPO ( 1 ));

b) 

“vangsten met bodemtrawls (OTB, OTT, TBN) met:

1) 

een kuil van meer dan 80 mm, of

2) 

een kuil met een maaswijdte van ten minste 70 mm die is uitgerust met een soortselectief rooster met een afstand van ten hoogste 35 mm tussen de staven, of

3) 

een kuil van ten minste 35 mm die is uitgerust met een soortselectief rooster met een afstand van ten hoogste 19 mm tussen de staven.

2.  
Bij de teruggooi van langoustines die overeenkomstig lid 1 zijn gevangen, worden deze langoustines onmiddellijk in hun geheel vrijgelaten in het gebied waar zij zijn gevangen.

▼M1

3.  
De in lid 1, onder b), punten 1 en 3, bedoelde vrijstelling is voorlopig van toepassing tot en met 31 december 2020. Lidstaten met een rechtstreeks belang bij het beheer dienen zo snel mogelijk en uiterlijk op 1 mei 2020 aanvullende wetenschappelijke informatie in ter onderbouwing van de in lid 1, onder b), punten 1 en 3, vastgestelde vrijstelling. Het Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de visserij (WTECV) beoordeelt de verstrekte wetenschappelijke informatie uiterlijk op 31 juli 2020.

▼B

Artikel 4

Vrijstelling op grond van overlevingskansen voor tong

1.  
De in artikel 15, lid 4, onder b), van Verordening (EU) nr. 1380/2013 bedoelde vrijstelling op grond van overlevingskansen geldt in de Uniewateren van ICES-sector 4c binnen zes zeemijl voor de kust maar buiten vastgestelde kraamgebieden, voor vangsten van tong (Solea solea) onder de minimuminstandhoudingsreferentiegrootte die worden gedaan met ottertrawls (OTB) met een maaswijdte in de kuil van 80-99 mm.
2.  
De in lid 1 bedoelde vrijstelling is alleen van toepassing voor vaartuigen met een lengte van ten hoogste 10 meter en een motorvermogen van ten hoogste 221 kW die vissen in wateren met een diepte van maximaal 30 meter tijdens een trek van niet langer dan anderhalf uur.
3.  
Bij de teruggooi van tong die overeenkomstig lid 1 is gevangen, wordt deze tong onmiddellijk vrijgelaten.

Artikel 5

Vrijstelling op grond van overlevingskansen voor bijvangsten met korven en fuiken van alle soorten waarvoor vangstbeperkingen gelden

1.  
De in artikel 15, lid 4, onder b), van Verordening (EU) nr. 1380/2013 bedoelde vrijstelling op grond van overlevingskansen geldt in de Uniewateren van ICES-sector 3a en ICES-deelgebied 4 voor vangsten van alle soorten waarvoor vangstbeperkingen gelden, die worden gedaan met korven en fuiken (FPO, FYK).
2.  
Bij de teruggooi van vis die overeenkomstig lid 1 is gevangen, wordt deze vis onmiddellijk onder het wateroppervlak vrijgelaten.

Artikel 6

Vrijstelling op grond van overlevingskansen voor vangsten en bijvangsten van schol

1.  

De in artikel 15, lid 4, onder b), van Verordening (EU) nr. 1380/2013 bedoelde vrijstelling op grond van overlevingskansen geldt in de Uniewateren van ICES-sector 3a en ICES-deelgebied 4 voor:

a) 

schol (Pleuronectes platessa) die wordt gevangen met netten (GNS, GTR, GTN, GEN);

b) 

schol die wordt gevangen met Deense zegens;

c) 

schol die wordt gevangen met bodemtrawls (OTB, PTB) met een maaswijdte van ten minste 120 mm wanneer gericht wordt gevist op platvis of rondvis.

2.  

De in artikel 15, lid 4, onder b), van Verordening (EU) nr. 1380/2013 bedoelde vrijstelling op basis van overlevingskansen geldt voor:

a) 

de vangst van schol met trawls (OTB, PTB) met een minimale maaswijdte van 90-99 mm uitgerust met Seltra-panelen, bij gerichte vangsten van platvis of rondvis in de Uniewateren van ICES-sector 3a;

b) 

de vangst van schol met trawls (OTB, PTB) met een minimale maaswijdte van 80-99 mm, bij gerichte vangsten van platvis of rondvis in de Uniewateren van ICES-deelgebied 4.

3.  
Bij de teruggooi van schol die overeenkomstig de leden 1 en 2 is gevangen, wordt deze schol onmiddellijk vrijgelaten.

▼M1

4.  
De in lid 1, onder c), en lid 2 bedoelde vrijstellingen zijn voorlopig van toepassing tot en met 31 december 2020. Lidstaten met een rechtstreeks belang bij het beheer dienen zo snel mogelijk en uiterlijk op 1 mei 2020 aanvullende wetenschappelijke informatie in ter onderbouwing van de in lid 1, onder c), en lid 2 vastgestelde vrijstelling. Het Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de visserij (WTECV) beoordeelt de verstrekte wetenschappelijke informatie uiterlijk op 31 juli 2020.

▼B

Artikel 7

Vrijstelling op grond van overlevingskansen voor schol onder de minimuminstandhoudingsreferentiegrootte

1.  

De in artikel 15, lid 4, onder b), van Verordening (EU) nr. 1380/2013 bedoelde vrijstelling op grond van overlevingskansen geldt in de Uniewateren van ICES-sector 2a en ICES-deelgebied 4 voor vangsten van schol onder de minimuminstandhoudingsreferentiegrootte die worden gedaan met boomkorren met een maaswijdte van 80-119 mm (BT2), voor vangsten van schol:

a) 

met vistuig dat is uitgerust met de “flip-up”-kabel of met het benthosontsnappingspaneel (BRP) of voor vangsten door vaartuigen met een motorvermogen van meer dan 221 kW, of

b) 

met vaartuigen van lidstaten ter uitvoering van de routekaart voor de volledig gedocumenteerde visserij.

2.  
De in lid 1 bedoelde vrijstelling is ook van toepassing op vangsten van platvis met boomkorren (BT2) door vaartuigen met een motorvermogen van niet meer dan 221 kW of minder dan 24 m lengte over alles, die zijn gebouwd om in de twaalfmijlszone te vissen, indien de gemiddelde trawlduur minder dan negentig minuten bedraagt.
3.  
lidstaten met een rechtstreeks belang bij het beheer dienen zo snel mogelijk vóór 1 mei 2020 aanvullende wetenschappelijke informatie in ter onderbouwing van de in de leden 1 en 2 vastgestelde vrijstellingen. Het Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de visserij (WTECV) beoordeelt de verstrekte wetenschappelijke informatie vóór 31 juli van elk jaar.
4.  
Bij de teruggooi van schol die overeenkomstig de leden 1 en 2 is gevangen, wordt deze schol onmiddellijk vrijgelaten.

Artikel 8

Vrijstelling op grond van overlevingskansen voor tarbot

1.  
De in artikel 15, lid 4, onder b), van Verordening (EU) nr. 1380/2013 bedoelde vrijstelling op grond van overlevingskansen geldt in de Uniewateren van ICES-deelgebied 4 voor vangsten van tarbot (Scophthalmus maximus) met boomkorren met een kuil van meer dan 80 mm (TBB).
2.  
De in lid 1 bedoelde vrijstelling is voorlopig van toepassing tot en met 31 december 2020. lidstaten met een rechtstreeks belang bij het beheer dienen zo snel mogelijk vóór 1 mei 2020 aanvullende wetenschappelijke informatie in ter onderbouwing van de in lid 1 vastgestelde vrijstelling. Het Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de visserij (WTECV) beoordeelt de verstrekte wetenschappelijke informatie uiterlijk op 31 juli 2020.
3.  
Bij de teruggooi van tarbot die overeenkomstig lid 1 is gevangen, wordt deze tarbot onmiddellijk vrijgelaten.

Artikel 9

Vrijstelling op grond van overlevingskansen voor roggen

1.  
De in artikel 15, lid 4, onder b), van Verordening (EU) nr. 1380/2013 bedoelde vrijstelling op grond van overlevingskansen geldt in de Uniewateren van de Noordzee (de ICES-sectoren 2a, 3a en ICES-deelgebied 4) voor vangsten van roggen met alle soorten vistuig.
2.  
lidstaten met een rechtstreeks belang bij het beheer dienen zo snel mogelijk vóór 1 mei 2020 aanvullende wetenschappelijke informatie in ter onderbouwing van de in lid 1 vastgestelde vrijstelling. Het Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de visserij (WTECV) beoordeelt de verstrekte wetenschappelijke informatie vóór 31 juli van elk jaar.
3.  
Bij de teruggooi van roggen die overeenkomstig lid 1 zijn gevangen, worden die roggen onmiddellijk vrijgelaten.

Artikel 10

De-minimisvrijstellingen

In afwijking van artikel 15, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 mogen de volgende hoeveelheden op grond van artikel 15, lid 4, onder c), van die verordening worden teruggegooid:

a) 

in de visserij op tong door vaartuigen die in de Uniewateren van de ICES-sectoren 2a en 3a en van ICES-deelgebied 4 vissen met schakel- en kieuwnetten (GN, GNS, GND, GNC, GTN, GTR, GEN, GNF):

een hoeveelheid tong onder en boven de minimuminstandhoudingsreferentiegrootte die niet meer dan 3 % van de totale jaarlijkse vangsten van deze soort uitmaakt;

b) 

in de visserij op tong door vaartuigen die in de Uniewateren van ICES-deelgebied 4 vissen met boomkorren (TBB) met een maaswijdte van 80-119 mm uitgerust met een Vlaams paneel:

een hoeveelheid tong onder de minimuminstandhoudingsreferentiegrootte die niet meer dan 5 % van de totale jaarlijkse vangsten van deze soort uitmaakt;

c) 

in de visserij op langoustines door vaartuigen die in de Uniewateren van ICES-sector 3a vissen met bodemtrawls (OTB, OTT, TBN) met een maaswijdte van ten minste 70 mm die zijn uitgerust met een soortselectief rooster met een afstand van ten hoogste 35 mm tussen de staven:

een gecombineerde hoeveelheid tong, schelvis, wijting, kabeljauw, zwarte koolvis en heek onder de minimuminstandhoudingsreferentiegrootte, die niet meer dan 4 % van de totale jaarlijkse vangsten van langoustines, tong, schelvis, wijting, Noordse garnaal, kabeljauw, zwarte koolvis en heek uitmaakt;

d) 

in de visserij op Noordse garnaal door vaartuigen die in de Uniewateren van ICES-sector 3a vissen met bodemtrawls (OTB, OTT) met een maaswijdte van ten minste 35 mm die zijn uitgerust met een soortselectief rooster met een afstand van ten hoogste 19 mm tussen de staven en met een vrije uitlaat voor de vis:

een gecombineerde hoeveelheid tong, schelvis, wijting, kabeljauw, schol, zwarte koolvis, haring, kever, grote zilvervis en blauwe wijting onder de minimuminstandhoudingsreferentiegrootte, die niet meer dan 5 % van de totale jaarlijkse vangsten van langoustines, tong, schelvis, wijting, kabeljauw, zwarte koolvis, schol, Noordse garnaal, heek, kever, grote zilvervis, haring en blauwe wijting uitmaakt;

e) 

in de gemengde demersale visserij door vaartuigen die in de Uniewateren van ICES-sector 4c vissen met bodemtrawls of zegens (OTB, OTT, SDN, SSC) met een maaswijdte van 70-99 mm (TR2):

een gecombineerde hoeveelheid wijting en kabeljauw (Gadus morhua) onder de minimuminstandhoudingsreferentiegrootte, die in 2020 en 2021 niet meer dan 5 % van de totale jaarlijkse vangsten van die soorten uitmaakt; de maximale hoeveelheid kabeljauw die mag worden teruggegooid, is beperkt tot 2 % van de totale jaarlijkse vangsten van deze soort;

f) 

in de gemengde demersale visserij door vaartuigen die in de Uniewateren van de ICES-sectoren 4a en 4b vissen met bodemtrawls of zegens (OTB, OTT, SDN, SSC) met een maaswijdte van 70-99 mm (TR2):

een gecombineerde hoeveelheid wijting en kabeljauw (Gadus morhua) onder de minimuminstandhoudingsreferentiegrootte, die in 2020 niet meer dan 6 % van de totale jaarlijkse vangsten van die soorten uitmaakt; de maximale hoeveelheid kabeljauw die mag worden teruggegooid, is beperkt tot 2 % van de totale jaarlijkse vangsten van deze soort;

de in dit punt bedoelde de-minimisvrijstelling is voorlopig van toepassing tot en met 31 december 2020. lidstaten met een rechtstreeks belang bij het beheer dienen zo snel mogelijk vóór 1 mei 2020 aanvullende wetenschappelijke informatie in ter onderbouwing van de vrijstelling. Het WTECV beoordeelt de verstrekte wetenschappelijke informatie uiterlijk op 31 juli 2020;

g) 

in de visserijen door vaartuigen die in de Uniewateren van ICES-sector 3a vissen met bodemtrawls (OTB, OTT, TBN, PTB) met een maaswijdte van 90-119 mm die zijn uitgerust met een seltra-paneel, of met bodemtrawls (OTB, OTT, TBN, PTB) met een maaswijdte van ten minste 120 mm;

een hoeveelheid wijting onder de minimuminstandhoudingsreferentiegrootte tot ten hoogste 2 % van de totale jaarlijkse vangsten van langoustines, kabeljauw, schelvis, wijting, zwarte koolvis, tong, schol en heek;

h) 

in de demersale gemengde visserij door vaartuigen die in de Uniewateren van ICES-deelgebied 4 vissen met boomkorren met een maaswijdte van 80-119 mm:

een hoeveelheid wijting onder de minimuminstandhoudingsreferentiegrootte die niet meer dan 2 % van de totale jaarlijkse vangsten van schol en tong uitmaakt;

de in dit punt bedoelde de-minimisvrijstelling is voorlopig van toepassing tot en met 31 december 2020. lidstaten met een rechtstreeks belang bij het beheer dienen zo snel mogelijk vóór 1 mei 2020 aanvullende wetenschappelijke informatie in ter onderbouwing van de vrijstelling. Het WTECV beoordeelt de verstrekte wetenschappelijke informatie uiterlijk op 31 juli 2020;

i) 

in de visserij op langoustines door vaartuigen die in de Uniewateren van ICES-deelgebied 4 vissen met bodemtrawls met een maaswijdte van 80-99 mm uitgerust met een SepNep:

een hoeveelheid schol onder de minimuminstandhoudingsreferentiegrootte, die ten hoogste 3 % van de totale jaarlijkse vangsten van zwarte koolvis, schol, schelvis, wijting, kabeljauw, Noordse garnaal, tong en langoustines uitmaakt;

j) 

in de visserij op Noordzeegarnaal door vaartuigen die in de Uniewateren van de ICES-sectoren 4b en 4c vissen met boomkorren:

een hoeveelheid van alle soorten waarvoor vangstbeperkingen gelden, die in 2020 niet meer dan 7 % en in 2021 niet meer dan 6 % bedraagt van de totale jaarlijkse vangsten van alle soorten in die visserijen waarvoor vangstbeperkingen gelden;

k) 

in de demersale gemengde visserij in ICES-deelgebied 4 met bodemtrawls (OTB, OTT, PTB, TBB) met een maaswijdte tussen 80 en 99 mm (TR2, BT2):

een hoeveelheid horsmakreel (Trachurus spp), die in 2020 niet meer dan 7 % en in 2021 niet meer dan 6 % bedraagt van de totale jaarlijkse vangsten van horsmakreel in die visserij;

de in dit punt bedoelde de-minimisvrijstelling is voorlopig van toepassing tot en met 31 december 2020. lidstaten met een rechtstreeks belang bij het beheer dienen zo snel mogelijk vóór 1 mei 2020 aanvullende wetenschappelijke informatie in ter onderbouwing van de vrijstelling. Het Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de visserij (WTECV) beoordeelt de verstrekte wetenschappelijke informatie uiterlijk op 31 juli 2020;

l) 

in de demersale gemengde visserij door vaartuigen die in ICES-deelgebied 4 vissen met bodemtrawls (OTB, OTT, PTB, TBB) met een maaswijdte tussen 80 en 99 mm:

een hoeveelheid makreel (Scomber scombrus), die in 2020 niet meer dan 7 % en in 2021 niet meer dan 6 % bedraagt van de totale jaarlijkse vangsten van makreel in die visserij;

de in dit punt bedoelde de-minimisvrijstelling is voorlopig van toepassing tot en met 31 december 2020. lidstaten met een rechtstreeks belang bij het beheer dienen zo snel mogelijk vóór 1 mei 2020 aanvullende wetenschappelijke informatie in ter onderbouwing van de vrijstelling. Het WTECV beoordeelt de verstrekte wetenschappelijke informatie uiterlijk op 31 juli 2020;

m) 

in de demersale gemengde visserij met trawls (OTB, OTM, OTT, PTB, PTM, SDN, SPR, SSC, TB, TBN) met een maaswijdte van meer dan 80 mm in ICES-sector 3a en ICES-deelgebied 4, en in de visserij op Noordse garnaal waarbij gebruik wordt gemaakt van vistuig met een sorteerrooster met een afstand van 19 mm tussen de staven of een gelijkwaardige selectiviteitsvoorziening en van een visretentiesysteem met een maaswijdte van meer dan 35 mm in ICES-sector 3a en 32 mm in ICES-deelgebied 4:

een gecombineerde hoeveelheid sprot, zandspiering, kever en blauwe wijting die niet meer mag bedragen dan 1 % van de totale jaarlijkse vangsten in de gemengde demersale visserij en in de visserij op Noordse garnaal;

de in dit punt bedoelde de-minimisvrijstelling is voorlopig van toepassing tot en met 31 december 2020. lidstaten met een rechtstreeks belang bij het beheer dienen zo snel mogelijk vóór 1 mei 2020 aanvullende wetenschappelijke informatie in ter onderbouwing van de vrijstelling. Het WTECV beoordeelt de verstrekte wetenschappelijke informatie uiterlijk op 31 juli 2020;

n) 

in de demersale visserij op heek door vaartuigen die in ICES-deelgebied 4 met beuglijnen (LLS) vissen:

een hoeveelheid leng (Molva molva) onder de minimuminstandhoudingsreferentiegrootte die niet meer dan 3 % van de totale jaarlijkse vangsten van leng in die demersale visserij uitmaakt;

▼M1

de in dit punt bedoelde de-minimisvrijstelling is voorlopig van toepassing tot en met 31 december 2020. Lidstaten met een rechtstreeks belang bij het beheer dienen zo snel mogelijk en uiterlijk op 1 mei 2020 aanvullende wetenschappelijke informatie in ter onderbouwing van de vrijstelling. Het WTECV beoordeelt de verstrekte wetenschappelijke informatie uiterlijk op 31 juli 2020;

▼M1

o) 

in de demersale visserijen door vaartuigen die in de Uniewateren van ICES-deelgebied 4 vissen op leng met bodemtrawls (OTB, OTT, PTB) met een maaswijdte van ten minste 120 mm:

een hoeveelheid leng onder de minimuminstandhoudingsreferentiegrootte die niet meer dan 3 % van de totale jaarlijkse vangsten van leng in die visserij uitmaakt.

▼B

Artikel 11

Specifieke technische maatregelen voor het Skagerrak

1.  
Het is verboden in het Skagerrak trawls, Deense zegens, boomkorren of soortgelijke sleepnetten met een maaswijdte van minder dan 120 mm aan boord te hebben of te gebruiken.
2.  

In afwijking van lid 1 mogen de volgende trawls worden gebruikt:

a) 

trawls met een maaswijdte in de kuil van ten minste 90 mm die zijn uitgerust met een seltra-paneel of een sorteerrooster met een afstand van ten hoogste 35 mm tussen de staven;

b) 

trawls met een maaswijdte in de kuil van ten minste 70 mm (vierkante mazen) die zijn uitgerust met een sorteerrooster met een afstand van ten hoogste 35 mm tussen de staven;

c) 

trawls met een minimummaaswijdte van minder dan 70 mm wanneer wordt gevist op pelagische of industriële soorten, mits de vangst voor meer dan 80 % uit een of meer pelagische of industriële soorten bestaat;

d) 

trawls met een maaswijdte in de kuil van ten minste 35 mm wanneer wordt gevist op Noordse garnaal, mits ze zijn uitgerust met een sorteerrooster met een afstand van ten hoogste 19 mm tussen de staven.

3.  

Bij de visserij op Noordse garnaal overeenkomstig lid 2, onder d), mag een visretentiesysteem worden gebruikt mits er toereikende vangstmogelijkheden voor de bijvangst zijn en het retentiesysteem:

a) 

een bovenpaneel heeft met vierkante mazen met een maaswijdte van ten minste 120 mm;

b) 

ten minste 3 meter lang is; alsmede

c) 

ten minste even breed is als het sorteerrooster.

Artikel 12

SepNep

Het is het toegestaan SepNep-netten te gebruiken.

Artikel 13

Intrekking

Gedelegeerde Verordening (EU) 2018/2035 wordt ingetrokken.

Artikel 14

Inwerkingtreding en toepassing

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing van 1 januari 2020 tot en met 31 december 2021.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.



( 1 ) De in de onderhavige verordening gebruikte vistuigcodes zijn vastgesteld in bijlage XI bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 404/2011 van de Commissie houdende bepalingen voor de uitvoering van Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad tot vaststelling van een communautaire controleregeling die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen. Voor vaartuigen met een lengte over alles van minder dan tien meter zijn de vistuigcodes waarvan in deze verordening gebruik wordt gemaakt, vastgesteld in de vistuigindeling van de FAO.