02017R2400 — NL — 01.01.2024 — 005.001


Onderstaande tekst dient louter ter informatie en is juridisch niet bindend. De EU-instellingen zijn niet aansprakelijk voor de inhoud. Alleen de besluiten die zijn gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie (te raadplegen in EUR-Lex) zijn authentiek. Deze officiële versies zijn rechtstreeks toegankelijk via de links in dit document

►B

VERORDENING (EU) 2017/2400 VAN DE COMMISSIE

van 12 december 2017

tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 595/2009 van het Europees Parlement en de Raad wat de bepaling van de CO2-emissies en het brandstofverbruik van zware bedrijfsvoertuigen betreft, en tot wijziging van Richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (EU) nr. 582/2011 van de Commissie

(Voor de EER relevante tekst)

(PB L 349 van 29.12.2017, blz. 1)

Gewijzigd bij:

 

 

Publicatieblad

  nr.

blz.

datum

►M1

VERORDENING (EU) 2019/318 VAN DE COMMISSIE  van 19 februari 2019

  L 58

1

26.2.2019

 M2

VERORDENING (EU) 2020/1181 VAN DE COMMISSIE  van 7 augustus 2020

  L 263

1

12.8.2020

►M3

VERORDENING (EU) 2022/1379 VAN DE COMMISSIE  van 5 juli 2022

  L 212

1

12.8.2022




▼B

VERORDENING (EU) 2017/2400 VAN DE COMMISSIE

van 12 december 2017

tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 595/2009 van het Europees Parlement en de Raad wat de bepaling van de CO2-emissies en het brandstofverbruik van zware bedrijfsvoertuigen betreft, en tot wijziging van Richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (EU) nr. 582/2011 van de Commissie

(Voor de EER relevante tekst)



HOOFDSTUK 1

ALGEMENE BEPALINGEN

▼M3

Artikel 1

Onderwerp

Bij deze verordening wordt het bij Verordening (EU) nr. 582/2011 vastgestelde wettelijk kader voor de typegoedkeuring van motorvoertuigen en motoren wat emissies betreft, aangevuld door regels vast te stellen voor de verlening van licenties voor het gebruik van een simulatietool ter bepaling van de CO2-emissies en het brandstofverbruik van nieuwe voertuigen voordat deze in de Unie verkocht, geregistreerd of in het verkeer gebracht worden, voor het gebruik van die simulatietool en voor het opgeven van de aldus bepaalde CO2-emissie- en brandstofverbruikswaarden.

Artikel 2

Toepassingsgebied

1.  
Met inachtneming van artikel 4, tweede alinea, is deze verordening van toepassing op middelzware vrachtwagens, zware vrachtwagens en zware bussen.
2.  
In het geval van meerfasentypegoedkeuring of individuele goedkeuring van middelzware en zware vrachtwagens, is deze verordening van toepassing op basisvrachtwagens.

In het geval van zware bussen is deze verordening van toepassing op primaire voertuigen, interimvoertuigen en complete voertuigen of voltooide voertuigen.

3.  
Deze verordening is niet van toepassing op terreinvoertuigen, voertuigen voor speciale doeleinden en terreinvoertuigen voor speciale doeleinden, zoals gedefinieerd in respectievelijk punt 2.1, punt 2.2 en punt 2.3 van deel A van bijlage I bij Verordening (EU) 2018/858 van het Europees Parlement en de Raad ( 1 ).

▼B

Artikel 3

Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

1.

„CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen” : specifieke, voor een onderdeel, technische eenheid of systeem afgeleide eigenschappen die het effect daarvan op de CO2-emissies en het brandstofverbruik van een voertuig bepalen;

2.

„inputgegevens” : informatie over de CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen van een onderdeel, technische eenheid of systeem die door de simulatietool voor de bepaling van de CO2-emissies en het brandstofverbruik van een voertuig wordt gebruikt;

3.

„inputinformatie” : informatie over de kenmerken van een voertuig die door de simulatietool voor de bepaling van de CO2-emissies en het brandstofverbruik van het voertuig wordt gebruikt en niet tot de inputgegevens behoort;

4.

„fabrikant” : de persoon of instantie die jegens de goedkeuringsinstantie verantwoordelijk is voor alle aspecten van het certificeringsproces en voor het waarborgen van de conformiteit van de CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen van onderdelen, technische eenheden en systemen. Het is niet essentieel dat die persoon of instantie rechtstreeks betrokken is bij alle constructiefasen van het onderdeel, de technische eenheid of het systeem waarop de certificering betrekking heeft;

▼M1

4a.

„voertuigfabrikant” : de persoon of instantie persoon die verantwoordelijk is voor de afgifte van het gegevensdossier van de fabrikant en het klanteninformatiedossier overeenkomstig artikel 9;

▼B

5.

„gemachtigde entiteit” : nationale autoriteit die door een lidstaat gemachtigd is van fabrikanten en voertuigfabrikanten relevante informatie over de CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen van een bepaald onderdeel, een bepaalde technische eenheid of een bepaald systeem, respectievelijk over de CO2-emissies en het brandstofverbruik van nieuwe voertuigen op te vragen;

6.

„transmissie” : voorziening die bestaat uit ten minste twee versnellingen waartussen kan worden geschakeld, waardoor het koppel en het toerental volgens bepaalde verhoudingen worden gewijzigd;

▼M1

7.

„koppelomvormer” : hydrodynamisch startonderdeel, dat een afzonderlijk onderdeel van de aandrijflijn of de transmissie is, waarbij door seriële of parallelle overbrenging van vermogen het toerental tussen motor en wiel wordt aangepast en koppelvergroting plaatsvindt;

▼B

8.

„ander koppeloverbrengingsonderdeel” (OTTC) : met de aandrijflijn verbonden roterend onderdeel dat, afhankelijk van de eigen rotatiesnelheid, koppelverlies produceert;

9.

„aanvullend onderdeel van de aandrijflijn” (ADC) : roterend onderdeel van de aandrijflijn dat vermogen naar andere onderdelen van de aandrijflijn overbrengt of verdeelt en, afhankelijk van de eigen rotatiesnelheid, koppelverlies produceert;

▼M3

10.

„as” : een onderdeel dat alle roterende delen van de aandrijflijn omvat die het aandrijfkoppel van de cardanas overbrengen op de wielen en het koppel en de snelheid met een vaste verhouding wijzigen, met inbegrip van de functies van een differentieel;

11.

„luchtweerstand” : kenmerk van een voertuigconfiguratie betreffende de aerodynamische kracht die in de richting van de luchtstroom op een voertuig wordt uitgeoefend en die bij omstandigheden zonder zijwind wordt bepaald als het product van de weerstandscoëfficiënt en de oppervlakte van de dwarsdoorsnede;

12.

„hulpapparatuur” : voertuigonderdelen zoals een motorventilator, stuursysteem, elektrisch systeem, pneumatisch systeem en een systeem voor verwarming, ventilatie en airconditioning (HVAC) waarvan de CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen in bijlage IX zijn gedefinieerd;

▼B

13.

„familie van onderdelen”, „familie van technische eenheden” en „familie van systemen” : door de fabrikant bepaalde groep van respectievelijk onderdelen, technische eenheden en systemen die door hun ontwerp soortgelijke CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen hebben;

14.

„ouderonderdeel”, „technische oudereenheid” en „oudersysteem” : respectievelijk onderdeel, technische eenheid en systeem dat/die op zodanige wijze uit een familie van respectievelijk onderdelen, technische eenheden en systemen is gekozen dat de CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen ervan het minst gunstige geval van die familie zullen zijn;

▼M3

15.

„emissievrij zwaar bedrijfsvoertuig” : een emissievrij zwaar bedrijfsvoertuig zoals gedefinieerd in artikel 3, punt 11, van Verordening (EU) 2019/1242 van het Europees Parlement en de Raad;

16.

„werkvoertuig” : een zwaar bedrijfsvoertuig dat niet is bestemd voor de levering van goederen en waarvoor een van de volgende cijfers wordt gebruikt om de carrosseriecodes aan te vullen, zoals vermeld in aanhangsel 2 van bijlage I bij Verordening (EU) 2018/858: 09, 10, 15, 16, 18, 19, 20, 23, 24, 25, 26, 27, 28, 31; of een trekker met een maximumsnelheid van ten hoogste 79 km/h;

17.

„enkelvoudige vrachtwagen” : een vrachtwagen zoals gedefinieerd in deel C, punt 4.1, van bijlage I bij Verordening (EU) 2018/858, met uitzondering van vrachtwagens die zijn ontworpen of gebouwd voor het trekken van een oplegger;

18.

„trekker” : een opleggertrekker zoals gedefinieerd in deel C, punt 4.3, van bijlage I bij Verordening (EU) 2018/858;

▼M1

19.

„slaapcabine” : een cabine met een ruimte achter de zitplaats van de bestuurder die is bedoeld om in te slapen;

▼M3

20.

„hybride elektrisch zwaar bedrijfsvoertuig” : een hybride zwaar bedrijfsvoertuig dat ten behoeve van de mechanische aandrijving energie put uit beide van de volgende aan boord opgeslagen energiebronnen of krachtbronnen: i) een verbruikbare brandstof, en ii) een opslagsysteem voor elektrische energie of vermogen;

▼M1

21.

„dualfuelvoertuig” : een voertuig zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 48, van Verordening (EU) nr. 582/2011;

▼M3

22.

„primair voertuig” : een zware bus in een voor simulatiedoeleinden bepaalde virtuele assemblagetoestand waarvoor de inputgegevens en inputinformatie zoals vermeld in bijlage III worden gebruikt;

23.

„gegevensdossier van de fabrikant” : een door de simulatietool geproduceerd dossier met informatie over de fabrikant, documentatie over de inputgegevens en inputinformatie voor de simulatietool, en de resultaten voor CO2-emissies en brandstofverbruik;

24.

„klanteninformatiedossier” : een door de simulatietool geproduceerd dossier dat een gedefinieerde reeks voertuiggegevens bevat, alsook de resultaten voor CO2-emissies en brandstofverbruik zoals gedefinieerd in deel II van bijlage IV;

25.

„voertuiginformatiedossier” : een door de simulatietool geproduceerd dossier voor zware bussen om de relevante inputgegevens, inputinformatie en simulatieresultaten door te geven aan latere fabricagefasen volgens de in punt 2) van bijlage I beschreven methode;

26.

„middelzware vrachtwagen” : een voertuig van categorie N2, zoals gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt b), ii), van Verordening (EU) 2018/858, met een technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand van meer dan 5 000  kg, maar niet meer dan 7 400  kg;

27.

„zware vrachtwagen” : een voertuig van categorie N2, zoals gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt b), ii), van Verordening (EU) 2018/858, met een technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand van meer dan 7 400  kg, en een voertuig van categorie N3, zoals gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt b), iii), van die verordening;

28.

„zware bus” : een voertuig van categorie M3, zoals gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt a), iii), van Verordening (EU) 2018/858, met een technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand van meer dan 7 500  kg;

29.

„primairevoertuigfabrikant” : een fabrikant die verantwoordelijk is voor het primaire voertuig;

30.

„interimvoertuig” : elke verdere voltooiing van een primair voertuig waarbij een deelverzameling van inputgegevens en inputinformatie zoals gedefinieerd voor het complete of voltooide voertuig overeenkomstig tabel 1 en tabel 3 bis van bijlage III wordt toegevoegd en/of gewijzigd;

31.

„interimfabrikant” : een fabrikant die verantwoordelijk is voor een interimvoertuig;

32.

„incompleet voertuig” : een incompleet voertuig zoals gedefinieerd in artikel 3, punt 25, van Verordening (EU) 2018/858;

33.

„voltooid voertuig” : een voltooid voertuig zoals gedefinieerd in artikel 3, punt 26, van Verordening (EU) 2018/858;

34.

„compleet voertuig” : een compleet voertuig zoals gedefinieerd in artikel 3, punt 27, van Verordening (EU) 2018/858;

35.

„standaardwaarde” : inputgegevens voor de simulatietool voor een onderdeel waarvan de inputgegevens moeten worden gecertificeerd, maar waarbij het onderdeel niet is getest om een specifieke waarde te bepalen, en waarin de slechtst denkbare prestaties van een onderdeel tot uitdrukking komen;

36.

„generieke waarde” : gegevens die in de simulatietool worden gebruikt voor onderdelen of voertuigparameters waarbij het testen van onderdelen of het opgeven van specifieke waarden niet is voorzien, en waarin de prestaties van gemiddelde onderdelentechnologie of typische voertuigspecificaties tot uitdrukking komen;

37.

„bestelwagen” : een bestelwagen zoals gedefinieerd in deel C, punt 4.2, van bijlage I bij Verordening (EU) 2018/858;

38.

„toepassingsgeval” : de verschillende scenario’s die moeten worden gevolgd in het geval van een middelzware vrachtwagen, een zware vrachtwagen, een zware bus die een primair voertuig is, een zware bus die een interimvoertuig is, een zware bus die een compleet voertuig is, of een voltooid voertuig waarvoor in de simulatietool verschillende bepalingen en functies van de fabrikant van toepassing zijn;

39.

„basisvrachtwagen” : een middelzware vrachtwagen of zware vrachtwagen die ten minste is uitgerust met:
— 
een chassis, motor, transmissie, assen en banden, in het geval van puur-ICE-voertuigen;
— 
een chassis, elektrische-machinesysteem en/of geïntegreerd onderdeel van de elektrische aandrijflijn, een of meer batterijsystemen en/of een of meer condensatorsystemen en banden, in het geval van puur elektrische voertuigen;
— 
een chassis, motor, elektrische-machinesysteem en/of geïntegreerd onderdeel van de elektrische aandrijflijn en/of geïntegreerd onderdeel van de hybride elektrische aandrijflijn type 1, een of meer batterijsystemen en/of een of meer condensatorsystemen en banden, in het geval van hybride elektrische zware bedrijfsvoertuigen.

▼M3 —————

▼M3

Artikel 4

Voertuiggroepen

Voor de toepassing van deze verordening worden motorvoertuigen overeenkomstig de tabellen 1 tot en met 6 van bijlage I in voertuiggroepen ingedeeld.

De artikelen 5 tot en met 23 zijn niet van toepassing op zware vrachtwagens van de voertuiggroepen 6, 7, 8, 13, 14, 15, 17, 18 en 19 zoals aangegeven in tabel 1 van bijlage I, noch op middelzware vrachtwagens van de voertuiggroepen 51, 52, 55 en 56 zoals aangegeven in tabel 2 van bijlage I, noch op voertuigen met aangedreven vooras van de voertuiggroepen 11, 12 en 16 zoals aangegeven in tabel 1 van bijlage I.

▼B

Artikel 5

Elektronische hulpmiddelen

1.  

De Commissie verstrekt kosteloos de volgende elektronische hulpmiddelen in de vorm van downloadbare en uitvoerbare software:

a) 

een simulatietool;

b) 

voorbewerkingstools;

c) 

een hashingtool.

De Commissie onderhoudt de elektronische hulpmiddelen en verstrekt aanpassingen en updates ervan.

2.  
De Commissie stelt de in lid 1 bedoelde elektronische hulpmiddelen beschikbaar via een speciaal elektronisch distributieplatform dat openbaar toegankelijk is.

▼M1

3.  
►M3  De simulatietool wordt gebruikt om de CO2-emissies en het brandstofverbruik van nieuwe voertuigen te bepalen. ◄ of om te bepalen of die voertuigen een emissievrije zware bedrijfsvoertuigen, hybride elektrische zware bedrijfsvoertuigen of dualfuelvoertuigen zijn. Deze tool wordt zodanig ontworpen dat bij het gebruik uitgegaan wordt van de in bijlage III gespecificeerde inputinformatie en de in artikel 12, lid 1, bedoelde inputgegevens.

▼B

4.  
De voorbewerkingstools worden gebruikt om de testresultaten te controleren en te verzamelen en om aanvullende berekeningen voor de CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen van bepaalde onderdelen, technische eenheden of systemen uit te voeren en die eigenschappen in een door de simulatietool gebruikte vorm om te zetten. De fabrikant gebruikt de voorbewerkingstools nadat hij de in bijlage V, punt 4, bedoelde motortests en de in bijlage VIII, punt 3, bedoelde luchtweerstandstests heeft uitgevoerd.

▼M3

5.  
De hashingtools worden gebruikt om de gecertificeerde CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen van een onderdeel, technische eenheid of systeem ondubbelzinnig te koppelen aan het certificeringsdocument ervan, alsook om een voertuig ondubbelzinnig te koppelen aan het in bijlage IV bedoelde gegevensdossier van de fabrikant, het voertuiginformatiedossier en het klanteninformatiedossier.

▼B

HOOFDSTUK 2

▼M3

LICENTIE VOOR HET GEBRUIK VAN DE SIMULATIETOOL MET HET OOG OP TYPEGOEDKEURING BETREFFENDE EMISSIES

▼B

Artikel 6

Aanvraag van een licentie voor het gebruik van de simulatietool om de CO2-emissies en het brandstofverbruik van nieuwe voertuigen te bepalen

▼M3

1.  
De voertuigfabrikant dient bij de goedkeuringsinstantie een aanvraag in voor een licentie voor het gebruik van de simulatietool voor een toepassingsgeval om de CO2-emissies en het brandstofverbruik te bepalen van nieuwe voertuigen die tot een of meer voertuiggroepen behoren (hierna „licentie” genoemd). Een individuele licentie geldt slechts voor één dergelijk toepassingsgeval.

De licentieaanvraag gaat vergezeld van een adequate beschrijving van de door de voertuigfabrikant ingestelde processen, overeenkomstig punt 1 van bijlage II, met het oog op het gebruik van de simulatietool voor het betreffende toepassingsgeval.

▼B

2.  
De licentieaanvraag heeft de vorm van een inlichtingenformulier dat is opgesteld overeenkomstig het model in aanhangsel 1 van bijlage II.
3.  
De licentieaanvraag gaat vergezeld van een adequate beschrijving van de door de fabrikant ingestelde processen, overeenkomstig bijlage II, punt 1, om de CO2-emissies en het brandstofverbruik voor alle betrokken voertuiggroepen te bepalen.

De licentieaanvraag gaat ook vergezeld van het beoordelingsverslag dat de goedkeuringsinstantie heeft opgesteld na uitvoering van een beoordeling overeenkomstig bijlage II, punt 2.

▼M3

4.  
De voertuigfabrikant dient uiterlijk tegelijkertijd met de aanvraag van EG-typegoedkeuring van een voertuig met een goedgekeurd motorsysteem wat emissies betreft ingevolge artikel 7 van Verordening (EU) nr. 582/2011, met de aanvraag van EG-typegoedkeuring voor een voertuig wat emissies betreft ingevolge artikel 9 van die verordening, met een aanvraag voor typegoedkeuring van een geheel voertuig overeenkomstig Verordening (EU) nr. 2018/858 of met de aanvraag om een nationale individuele goedkeuring van een voertuig de aanvraag voor een licentie bij de goedkeuringsinstantie in. De goedkeuring van een puur elektrisch motorsysteem en de EG-typegoedkeuring van een puur elektrisch voertuig wat de in de vorige zin bedoelde emissies betreft, is beperkt tot de meting van het nettomotorvermogen overeenkomstig bijlage XIV bij Verordening (EU) nr. 582/2011.

De licentieaanvraag betreft het toepassingsgeval waartoe het type voertuig behoort waarop de aanvraag van EU-typegoedkeuring betrekking heeft.

▼B

Artikel 7

Administratieve bepalingen betreffende de verlening van de licentie

▼M3

1.  
De goedkeuringsinstantie verleent de licentie indien de fabrikant een aanvraag overeenkomstig artikel 6 indient en aantoont dat voor het betrokken toepassingsgeval voldaan is aan de voorschriften in bijlage II.

▼B

2.  
De verleende licentie is in overeenstemming met het model in aanhangsel 2 van bijlage II.

Artikel 8

Latere wijziging van de ingestelde processen om de CO2-emissies en het brandstofverbruik van voertuigen te bepalen

▼M3 —————

▼B

2.  
De voertuigfabrikant verzoekt overeenkomstig artikel 6, leden 1, 2 en 3, om uitbreiding van de licentie.

▼M3

3.  
Nadat de licentie aan de voertuigfabrikant is verleend, stelt hij de goedkeuringsinstantie onverwijld in kennis van wijzigingen in de processen die hij met het oog op de licentie heeft ingesteld voor het onder de licentie vallende toepassingsgeval die van invloed kunnen zijn op de nauwkeurigheid, betrouwbaarheid en stabiliteit van die processen.

▼B

4.  
Bij ontvangst van de in lid 3 bedoelde kennisgeving informeert de goedkeuringsinstantie de voertuigfabrikant of de processen waarop de wijzigingen betrekking hebben, onder de verleende licentie blijven vallen, dan wel of de licentie overeenkomstig de leden 1 en 2 moet worden uitgebreid, dan wel of een nieuwe licentie overeenkomstig artikel 6 moet worden aangevraagd.
5.  
Als de wijzigingen niet onder de licentie vallen, dient de fabrikant binnen een maand na ontvangst van de in lid 4 bedoelde informatie een aanvraag tot uitbreiding van de licentie of tot verlening van een nieuwe licentie in. Als de fabrikant binnen die termijn geen aanvraag tot uitbreiding van de licentie of tot verlening van een nieuwe licentie indient, of als de aanvraag wordt afgewezen, wordt de licentie ingetrokken.

HOOFDSTUK 3

GEBRUIK VAN DE SIMULATIETOOL OM DE CO2-EMISSIES EN HET BRANDSTOFVERBRUIK TE BEPALEN MET HET OOG OP REGISTRATIE, VERKOOP EN IN HET VERKEER BRENGEN VAN NIEUWE VOERTUIGEN

Artikel 9

Verplichting om de CO2-emissies en het brandstofverbruik van nieuwe voertuigen te bepalen en op te geven

▼M3

1.  
Voor elk nieuw voertuig dat in de Unie verkocht, geregistreerd of in het verkeer gebracht zal worden, met uitzondering van nieuwe voertuigen die gebruikmaken van de in aanhangsel 1 van bijlage III opgesomde voertuigtechnologieën, bepaalt de fabrikant de CO2-emissies en het brandstofverbruik met behulp van de meest recente versie van de in artikel 5, lid 3, bedoelde simulatietool die beschikbaar is. Met betrekking tot zware bussen past de voertuigfabrikant of de interimfabrikant de in punt 2 van bijlage I beschreven methode toe.

Voor de in aanhangsel 1 van bijlage III opgesomde voertuigtechnologieën die in de Unie verkocht, geregistreerd of in het verkeer gebracht zullen worden, bepaalt de voertuigfabrikant of interimfabrikant alleen de inputparameters die voor die voertuigen zijn gespecificeerd in de in tabel 5 van bijlage III opgenomen modellen, met behulp van de meest recente versie van de in artikel 5, lid 3, bedoelde simulatietool die beschikbaar is.

Een voertuigfabrikant mag de simulatietool alleen voor de doeleinden van dit artikel gebruiken als hij beschikt over een licentie die overeenkomstig artikel 7 voor het betrokken toepassingsgeval is verleend. Een interimfabrikant gebruikt de simulatietool onder de licentie van een voertuigfabrikant.

▼B

2.  
De voertuigfabrikant legt de resultaten van de overeenkomstig lid 1, eerste alinea, verrichte simulatie vast in het gegevensdossier van de fabrikant, dat overeenkomstig het model in bijlage IV, deel I, wordt opgesteld.

Met uitzondering van de in artikel 21, lid 3, tweede alinea, en artikel 23, lid 6, bedoelde gevallen, is het verboden later wijzigingen in het gegevensdossier van de fabrikant aan te brengen.

▼M3

Voertuigfabrikanten van zware bussen leggen de resultaten van de simulatie bovendien vast in het voertuiginformatiedossier. Interimfabrikanten van zware bussen leggen het voertuiginformatiedossier vast.

▼M3

3.  
De voertuigfabrikant van middelzware en zware vrachtwagens maakt cryptografische hashes van het gegevensdossier van de fabrikant en van het klanteninformatiedossier.

De primairevoertuigfabrikant maakt cryptografische hashes van het gegevensdossier van de fabrikant en het voertuiginformatiedossier.

De interimfabrikant maakt de cryptografische hash van het voertuiginformatiedossier.

De voertuigfabrikant van complete voertuigen of voltooide voertuigen die zware bussen zijn, maakt cryptografische hashes van het gegevensdossier van de fabrikant, van het klanteninformatiedossier en van het voertuiginformatiedossier.

▼B

4.  
►M3  Vrachtwagens en complete voertuigen of voltooide voertuigen die zware bussen zijn die geregistreerd, verkocht of in het verkeer gebracht zullen worden, gaan vergezeld van het klanteninformatiedossier dat de fabrikant overeenkomstig het model in deel II van bijlage IV opstelt. ◄

Elk klanteninformatiedossier bevat een afdruk van de in lid 3 bedoelde cryptografische hash van het gegevensdossier van de fabrikant.

▼M3

Voertuigfabrikanten van zware bussen stellen het voertuiginformatiedossier ter beschikking van de fabrikant van een volgende stap in de keten.

▼M3

5.  
Voor elk voertuig dat vergezeld gaat van een certificaat van overeenstemming of, in het geval van voertuigen die overeenkomstig artikel 45 van Verordening (EU) 2018/858 zijn goedgekeurd, een certificaat van individuele goedkeuring van een voertuig, bevat het certificaat een afdruk van de in lid 3 van dit artikel bedoelde cryptografische hashes.

▼M3

6.  
Overeenkomstig punt 11 van bijlage III mag een fabrikant de resultaten van de simulatietool op andere voertuigen overdragen.

▼B

Artikel 10

Wijzigingen, updates en storingen van de elektronische hulpmiddelen

1.  
Als de simulatietool wordt gewijzigd of geüpdatet, gebruikt de voertuigfabrikant de gewijzigde of geüpdatete simulatietool uiterlijk vanaf drie maanden nadat de wijzigingen en updates op het speciale elektronische distributieplatform beschikbaar zijn gesteld.
2.  
Als de CO2-emissies en het brandstofverbruik van nieuwe voertuigen door een storing van de simulatietool niet overeenkomstig artikel 9, lid 1, kunnen worden bepaald, stelt de voertuigfabrikant de Commissie daarvan onverwijld in kennis via het speciale elektronische distributieplatform.
3.  
Als de CO2-emissies en het brandstofverbruik van nieuwe voertuigen door een storing van de simulatietool niet overeenkomstig artikel 9, lid 1, kunnen worden bepaald, verricht de voertuigfabrikant de simulatie voor die voertuigen uiterlijk zeven kalenderdagen na de in lid 1 bedoelde datum. Tot die tijd worden de uit artikel 9 voortvloeiende verplichtingen opgeschort voor de voertuigen waarvoor de CO2-emissies en het brandstofverbruik niet kunnen worden bepaald.

▼M3

Wanneer in de simulatietool een storing optreedt tijdens een stap van de fabricageketen van zware bussen voorafgaand aan de complete of voltooide fabricagestappen, wordt de verplichting uit hoofde van artikel 9, lid 1, om de simulatietool in de daaropvolgende fabricagestappen te gebruiken, uitgesteld gedurende maximaal 14 kalenderdagen na de datum waarop de fabrikant in de vorige stap het voertuiginformatiedossier ter beschikking heeft gesteld aan de fabrikant van de complete of voltooide stap.

▼B

Artikel 11

Toegankelijkheid van de input- en outputinformatie van de simulatietool

▼M3

1.  
De voertuigfabrikant bewaart het gegevensdossier van de fabrikant, het voertuiginformatiedossier en de certificaten betreffende de CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen van onderdelen, systemen en technische eenheden gedurende ten minste twintig jaar na de productie van het voertuig; zij moeten op verzoek voor de goedkeuringsinstantie en de Commissie beschikbaar zijn.
2.  
Op verzoek van een gemachtigde entiteit van een lidstaat of van de Commissie verstrekt de voertuigfabrikant binnen vijftien werkdagen het gegevensdossier van de fabrikant of het voertuiginformatiedossier.

▼B

3.  
Op verzoek van een gemachtigde entiteit van een lidstaat of van de Commissie verstrekt de goedkeuringsinstantie die de licentie overeenkomstig artikel 7 heeft verleend of de CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen van een onderdeel, technische eenheid of systeem overeenkomstig artikel 17 heeft gecertificeerd, binnen vijftien werkdagen het in artikel 6, lid 2, respectievelijk artikel 16, lid 2, bedoelde inlichtingenformulier.

HOOFDSTUK 4

CO2-EMISSIE- EN BRANDSTOFVERBRUIKSEIGENSCHAPPEN VAN ONDERDELEN, TECHNISCHE EENHEDEN EN SYSTEMEN

Artikel 12

Onderdelen, technische eenheden en systemen die van belang zijn voor de bepaling van de CO2-emissies en het brandstofverbruik

1.  

De in artikel 5, lid 3, bedoelde inputgegevens van de simulatietool omvatten informatie over de CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen van de volgende onderdelen, technische eenheden en systemen:

a) 

motoren;

b) 

transmissies;

c) 

koppelomvormers;

d) 

andere koppeloverbrengingsonderdelen;

e) 

aanvullende onderdelen van de aandrijflijn;

f) 

assen;

▼M3

g) 

luchtweerstand;

▼B

h) 

hulpapparatuur;

i) 

banden;

▼M3

j) 

onderdelen van de elektrische aandrijflijn.

▼M3

2.  
De CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen van de in lid 1, punten b) tot en met g), i) en j), van dit artikel bedoelde onderdelen, technische eenheden en systemen worden gebaseerd op hetzij de waarden die voor elk onderdeel, elke technische eenheid of elk systeem, of hun respectieve familie indien van toepassing, overeenkomstig artikel 14 zijn bepaald en overeenkomstig artikel 17 zijn gecertificeerd („gecertificeerde waarden”), hetzij, als er geen gecertificeerde waarden zijn, de overeenkomstig artikel 13 bepaalde standaardwaarden.

▼B

3.  
De CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen van motoren worden gebaseerd op de waarden die voor elke familie van motoren overeenkomstig artikel 14 zijn bepaald en overeenkomstig artikel 17 zijn gecertificeerd.

▼M3

4.  
De CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen van hulpapparatuur worden gebaseerd op de generieke waarden zoals ingevoerd in de simulatietool en zoals toegewezen aan een voertuig op basis van de overeenkomstig bijlage IX vast te stellen inputinformatie.
5.  
In het geval van een basisvrachtwagen worden de CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen van de in lid 1, punt g), van dit artikel bedoelde onderdelen, technische eenheden en systemen die niet voor de basisvrachtwagen kunnen worden bepaald, op de standaardwaarden gebaseerd. Voor de in lid 1, punt h), bedoelde onderdelen, technische eenheden en systemen kiest de voertuigfabrikant de technologie met de grootste vermogensverliezen.
6.  
In het geval van voertuigen die overeenkomstig artikel 9, lid 1, vrijgesteld zijn van de verplichting om de CO2-emissies en het brandstofverbruik te bepalen, omvatten de inputgegevens van de simulatietool de in tabel 5 van bijlage III vermelde informatie.
7.  
Indien het voertuig met een volledige set winterbanden en een volledige set standaardbanden geregistreerd, verkocht of in het verkeer gebracht zal worden, kan de voertuigfabrikant kiezen welke van die banden hij gebruikt om de CO2-emissies te bepalen. In het geval van zware bussen leidt de toevoeging van bandensets aan het voertuig niet tot de verplichting een nieuwe simulatie van het primaire voertuig overeenkomstig punt 2 van bijlage I uit te voeren, zolang de banden die bij de simulatie van het primaire voertuig zijn gebruikt, zich bij het voertuig bevinden op het ogenblik dat het geregistreerd, verkocht of in het verkeer gebracht wordt.

▼B

Artikel 13

▼M3

Standaardwaarden en generieke waarden

▼B

1.  
De standaardwaarden voor transmissies worden overeenkomstig aanhangsel 8 van bijlage VI bepaald.
2.  
De standaardwaarden voor koppelomvormers worden overeenkomstig aanhangsel 9 van bijlage VI bepaald.
3.  
De standaardwaarden voor andere koppeloverbrengingsonderdelen worden overeenkomstig aanhangsel 10 van bijlage VI bepaald.
4.  
De standaardwaarden voor aanvullende onderdelen van de aandrijflijn worden overeenkomstig aanhangsel 11 van bijlage VI bepaald.
5.  
De standaardwaarden voor assen worden overeenkomstig aanhangsel 3 van bijlage VII bepaald.
6.  
De standaardwaarden voor de luchtweerstand van de carrosserie of de aanhangwagen worden overeenkomstig aanhangsel 7 van bijlage VIII bepaald.

▼M3

7.  
Voor hulpapparatuur kent de simulatietool generieke waarden toe naargelang van de overeenkomstig bijlage IX gekozen technologieën.
8.  
De standaardwaarde voor banden wordt overeenkomstig punt 3.2 van bijlage X bepaald.

▼M3

9.  
De standaardwaarden voor onderdelen van de elektrische aandrijflijn worden overeenkomstig de aanhangsels 8, 9 en 10 van bijlage X ter bepaald.

▼B

Artikel 14

Gecertificeerde waarden

▼M3

1.  
De voertuigfabrikant mag de overeenkomstig de leden 2 tot en met 10 van dit artikel bepaalde waarden als inputgegevens van de simulatietool gebruiken als zij overeenkomstig artikel 17 zijn gecertificeerd.
2.  
De gecertificeerde waarden voor motoren worden overeenkomstig de punten 4, 5 en 6 van bijlage V bepaald.

▼B

3.  
De gecertificeerde waarden voor transmissies worden overeenkomstig bijlage VI, punt 3, bepaald.
4.  
De gecertificeerde waarden voor koppelomvormers worden overeenkomstig bijlage VI, punt 4, bepaald.
5.  
De gecertificeerde waarden voor andere koppeloverbrengingsonderdelen worden overeenkomstig bijlage VI, punt 5, bepaald.
6.  
De gecertificeerde waarden voor aanvullende onderdelen van de aandrijflijn worden overeenkomstig bijlage VI, punt 6, bepaald.
7.  
De gecertificeerde waarden voor assen worden overeenkomstig bijlage VII, punt 4, bepaald.
8.  
De gecertificeerde waarden voor de luchtweerstand van de carrosserie of de aanhangwagen worden overeenkomstig bijlage VIII, punt 3, bepaald.
9.  
De gecertificeerde waarden voor banden worden overeenkomstig bijlage X bepaald.

▼M3

10.  
De gecertificeerde waarden voor onderdelen van de elektrische aandrijflijn worden overeenkomstig de punten 4, 5 en 6 van bijlage X ter bepaald.

▼B

Artikel 15

Familieconcept voor onderdelen, technische eenheden en systemen waarbij gecertificeerde waarden worden gebruikt

1.  

Behoudens de leden 3 tot en met 6 gelden de voor een ouderonderdeel, technische oudereenheid of oudersysteem bepaalde gecertificeerde waarden, zonder nadere tests, voor alle leden van de familie overeenkomstig de familiedefinitie in:

— 
aanhangsel 6 van bijlage VI voor het familieconcept van transmissies, koppelomvormers, andere koppeloverbrengingsonderdelen en aanvullende onderdelen van de aandrijflijn;
— 
aanhangsel 4 van bijlage VII voor het familieconcept van assen;
— 
aanhangsel 5 van bijlage VIII voor het familieconcept met het oog op het bepalen van de luchtweerstand;

▼M3

— 
aanhangsel 3 van bijlage V voor motoren; de gecertificeerde waarden voor de motoren die lid zijn van een overeenkomstig de familiedefinitie gecreëerde familie van motoren, worden overeenkomstig de punten 4, 5 en 6 van bijlage V afgeleid;
— 
aanhangsel 13 van bijlage X ter voor het familieconcept van elektrische-machinesystemen of geïntegreerde onderdelen van de elektrische aandrijflijn; de gecertificeerde waarden voor de overeenkomstig de familiedefinitie van elektrische-machinesystemen gecreëerde leden van een familie worden overeenkomstig punt 4 van bijlage X ter afgeleid.

▼M3

2.  
Voor motoren worden de gecertificeerde waarden voor de leden van een motorfamilie overeenkomstig de punten 4, 5 en 6 van bijlage V afgeleid.

Een familie van banden bestaat uit slechts één bandentype.

Voor elektrische-machinesystemen of geïntegreerde onderdelen van de elektrische aandrijflijn worden de gecertificeerde waarden voor de leden van een familie van elektrische-machinesystemen overeenkomstig punt 4 van bijlage X ter afgeleid.

▼B

3.  
De CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen van het ouderonderdeel, de technische oudereenheid of het oudersysteem mogen niet beter zijn dan de eigenschappen van een van de leden van dezelfde familie.
4.  
De fabrikant verstrekt bewijzen aan de goedkeuringsinstantie waaruit blijkt dat het ouderonderdeel, de technische oudereenheid of het oudersysteem volledig representatief is voor de familie van onderdelen, technische eenheden of systemen.

Als de goedkeuringsinstantie bij tests voor de doeleinden van artikel 16, lid 3, tweede alinea, vaststelt dat het gekozen ouderonderdeel, de gekozen technische oudereenheid of het gekozen oudersysteem niet volledig representatief is voor de familie van onderdelen, technische eenheden of systemen, kan de goedkeuringsinstantie een ander onderdeel, een andere technische eenheid of een ander systeem kiezen dat als referentie dient, wordt getest en het ouderonderdeel, de technische oudereenheid of het oudersysteem wordt.

5.  
Op verzoek van de fabrikant kunnen, met toestemming van de goedkeuringsinstantie, in het certificaat betreffende de CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen van de familie van onderdelen, technische eenheden of systemen in plaats van de CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen van het ouderonderdeel, de technische oudereenheid of het oudersysteem de eigenschappen van een ander specifiek onderdeel, een andere specifieke technische eenheid of een ander specifiek systeem worden vermeld.

De CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen van dat specifieke onderdeel, die specifieke technische eenheid of dat specifieke systeem worden overeenkomstig artikel 14 bepaald.

6.  
Als de overeenkomstig lid 5 bepaalde CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen van het specifieke onderdeel, de specifieke technische eenheid of het specifieke systeem hogere waarden opleveren dan die van respectievelijk het ouderonderdeel, de technische oudereenheid of het oudersysteem, wordt dat onderdeel, die technische eenheid of dat systeem door de fabrikant van de bestaande familie uitgesloten en aan een nieuwe familie toegewezen en als het nieuwe ouderonderdeel, de nieuwe technische oudereenheid of het nieuwe oudersysteem van die familie aangeduid, of dient de fabrikant een aanvraag tot uitbreiding van de certificering ingevolge artikel 18 in.

Artikel 16

Aanvraag tot certificering van de CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen van onderdelen, technische eenheden of systemen

▼M3

1.  
De aanvraag tot certificering van de CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen van een onderdeel, technische eenheid en systeem, of hun respectieve familie indien van toepassing, wordt ingediend bij de goedkeuringsinstantie.

▼B

2.  

De aanvraag tot certificering heeft de vorm van een inlichtingenformulier dat is opgesteld overeenkomstig het model in:

— 
aanhangsel 2 van bijlage V voor motoren;
— 
aanhangsel 2 van bijlage VI voor transmissies;
— 
aanhangsel 3 van bijlage VI voor koppelomvormers;
— 
aanhangsel 4 van bijlage VI voor andere koppeloverbrengingsonderdelen;
— 
aanhangsel 5 van bijlage VI voor aanvullende onderdelen van de aandrijflijn;
— 
aanhangsel 2 van bijlage VII voor assen;
— 
aanhangsel 2 van bijlage VIII voor luchtweerstand;
— 
aanhangsel 2 van bijlage X voor banden;

▼M3

— 
de aanhangsels 2 tot en met 6 van bijlage X ter voor onderdelen van de elektrische aandrijflijn.

▼M3

3.  
De aanvraag tot certificering gaat vergezeld van een toelichting op de ontwerpelementen van het onderdeel, de technische eenheid en het systeem, of hun respectieve familie indien van toepassing, die een niet-verwaarloosbaar effect hebben op de CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen van de betrokken onderdelen, technische eenheden of systemen.

De aanvraag gaat ook vergezeld van de desbetreffende testrapporten van een goedkeuringsinstantie, de testresultaten en een door een goedkeuringsinstantie afgegeven verklaring van overeenstemming ingevolge punt 2 van bijlage IV bij Verordening (EU) 2018/858.

▼B

Artikel 17

Administratieve bepalingen betreffende de certificering van de CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen van onderdelen, technische eenheden en systemen

▼M3

1.  
Als aan alle toepasselijke voorschriften is voldaan, certificeert de goedkeuringsinstantie de waarden betreffende de CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen van het onderdeel, de technische eenheid en het systeem, of van hun respectieve betrokken familie indien van toepassing.

▼B

2.  

In het in lid 1 bedoelde geval geeft de goedkeuringsinstantie een certificaat betreffende CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen af overeenkomstig het model in:

— 
aanhangsel 1 van bijlage V voor motoren;
— 
aanhangsel 1 van bijlage VI voor transmissies, koppelomvormers, andere koppeloverbrengingsonderdelen en aanvullende onderdelen van de aandrijflijn;
— 
aanhangsel 1 van bijlage VII voor assen;
— 
aanhangsel 1 van bijlage VIII voor luchtweerstand;
— 
aanhangsel 1 van bijlage X voor banden;

▼M3

— 
aanhangsel 1 van bijlage X ter voor onderdelen van de elektrische aandrijflijn.

▼B

3.  

De goedkeuringsinstantie kent een certificeringsnummer toe overeenkomstig het nummeringssysteem in:

— 
aanhangsel 6 van bijlage V voor motoren;
— 
aanhangsel 7 van bijlage VI voor transmissies, koppelomvormers, andere koppeloverbrengingsonderdelen en aanvullende onderdelen van de aandrijflijn;
— 
aanhangsel 5 van bijlage VII voor assen;
— 
aanhangsel 8 van bijlage VIII voor luchtweerstand;
— 
aanhangsel 1 van bijlage X voor banden;

▼M3

— 
aanhangsel 14 van bijlage X ter voor onderdelen van de elektrische aandrijflijn.

▼M3

De goedkeuringsinstantie mag hetzelfde nummer niet toekennen aan een ander(e) onderdeel, technische eenheid en systeem, of hun respectieve familie indien van toepassing. Het certificeringsnummer dient als identificatiemiddel van het testrapport.

▼B

4.  
De goedkeuringsinstantie maakt met behulp van de in artikel 5, lid 5, bedoelde hashingtool een cryptografische hash van het bestand met de testresultaten, dat ook het certificeringsnummer omvat. Dit gebeurt onmiddellijk nadat de testresultaten zijn geproduceerd. De goedkeuringsinstantie drukt die hash, evenals het certificeringsnummer, af op het certificaat betreffende CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen.

Artikel 18

Uitbreiding van een familie van onderdelen, technische eenheden of systemen met een nieuw onderdeel, een nieuwe technische eenheid of een nieuw systeem

1.  

Op verzoek van de fabrikant kan, met goedkeuring van de goedkeuringsinstantie, een nieuw onderdeel, een nieuwe technische eenheid of een nieuw systeem in een gecertificeerde familie van onderdelen, technische eenheden of systemen worden opgenomen, mits voldaan wordt aan de criteria voor de familiedefinitie in:

▼M3

— 
aanhangsel 3 van bijlage V voor het familieconcept van motoren, met inachtneming van de voorschriften van artikel 15, lid 2;

▼B

— 
aanhangsel 6 van bijlage VI voor het familieconcept van transmissies, koppelomvormers, andere koppeloverbrengingsonderdelen en aanvullende onderdelen van de aandrijflijn;
— 
aanhangsel 4 van bijlage VII voor het familieconcept van assen;
— 
aanhangsel 5 van bijlage VIII voor het familieconcept met het oog op het bepalen van de luchtweerstand;

▼M3

— 
aanhangsel 13 van bijlage X ter voor het familieconcept van elektrische- machinesystemen of geïntegreerde onderdelen van de elektrische aandrijflijn, met inachtneming van de voorschriften van artikel 15, lid 2.

▼B

In dat geval geeft de goedkeuringsinstantie een herzien certificaat af, dat voorzien is van een uitbreidingsnummer.

De fabrikant wijzigt het in artikel 16, lid 2, bedoelde inlichtingenformulier en verstrekt dit aan de goedkeuringsinstantie.

2.  
Als de overeenkomstig lid 1 bepaalde CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen van het specifieke onderdeel, de specifieke technische eenheid of het specifieke systeem hogere waarden opleveren dan die van respectievelijk het ouderonderdeel, de technische oudereenheid of het oudersysteem, wordt dat onderdeel, die technische eenheid of dat systeem respectievelijk het nieuwe ouderonderdeel, de nieuwe technische oudereenheid of het nieuwe oudersysteem.

Artikel 19

Latere wijzigingen die van belang zijn voor de certificering van de CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen van onderdelen, technische eenheden en systemen

1.  
De fabrikant stelt de goedkeuringsinstantie in kennis van wijzigingen in het ontwerp of het fabricageproces van de betrokken onderdelen, technische eenheden of systemen die plaatsvinden na de certificering van de waarden betreffende de CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen van de betrokken familie van onderdelen, technische eenheden of systemen uit hoofde van artikel 17 en die een niet-verwaarloosbaar effect kunnen hebben op de CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen van die onderdelen, technische eenheden en systemen.
2.  
Bij ontvangst van de in lid 1 bedoelde kennisgeving informeert de goedkeuringsinstantie de fabrikant of de onderdelen, technische eenheden of systemen waarop de wijzigingen betrekking hebben, onder het afgegeven certificaat blijven vallen, dan wel of aanvullende tests overeenkomstig artikel 14 noodzakelijk zijn om het effect van de wijzigingen op de CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen van de betrokken onderdelen, technische eenheden of systemen te controleren.
3.  
Als de onderdelen, technische eenheden of systemen waarop de wijzigingen betrekking hebben, niet onder het certificaat vallen, dient de fabrikant binnen een maand nadat hij die informatie van de goedkeuringsinstantie heeft ontvangen, een nieuwe aanvraag tot certificering of een aanvraag tot uitbreiding uit hoofde van artikel 18 in. Als de fabrikant binnen die termijn geen nieuwe aanvraag tot certificering of aanvraag tot uitbreiding indient, of als de aanvraag wordt afgewezen, wordt het certificaat ingetrokken.

HOOFDSTUK 5

CONFORMITEIT VAN HET GEBRUIK VAN DE SIMULATIETOOL, DE INPUTINFORMATIE EN DE INPUTGEGEVENS

Artikel 20

▼M1

Verantwoordelijkheden van de voertuigfabrikant, de goedkeuringsinstantie en de Commissie in verband met de conformiteit van het gebruik van de simulatietool

▼B

1.  
►M3  De voertuigfabrikant neemt de nodige maatregelen om te waarborgen dat de ingestelde processen om de licentie voor de simulatietool te verkrijgen voor het toepassingsgeval dat onder de krachtens artikel 7 verleende licentie valt, toereikend blijven voor dat doel. ◄

▼M1

►M3  Voor middelzware en zware vrachtwagens, met uitzondering van hybride elektrische zware bedrijfsvoertuigen of puur elektrische voertuigen, voert de voertuigfabrikant op een minimumaantal voertuigen de in bijlage X bis beschreven controletestprocedure uit overeenkomstig punt 3 van die bijlage. ◄ De voertuigfabrikant verstrekt de goedkeuringsinstantie uiterlijk op 31 december van elk jaar en overeenkomstig punt 8 van bijlage X bis een testrapport voor elk getest voertuig, bewaart de testrapporten gedurende ten minste tien jaar en stelt ze op verzoek ter beschikking aan de Commissie en de goedkeuringsinstanties van de andere lidstaten.

▼B

2.  
►M3  De goedkeuringsinstantie verricht vier keer per jaar een beoordeling als bedoeld in punt 2 van bijlage II, om te controleren of de processen die de fabrikant heeft ingesteld om de CO2-emissies en het brandstofverbruik te bepalen van alle toepassingsgevallen en voertuiggroepen die onder de licentie vallen, nog toereikend zijn. ◄ Bij die beoordeling wordt ook de selectie van de inputinformatie en de inputgegevens gecontroleerd en worden de door de fabrikant uitgevoerde simulaties herhaald.

▼M1

Wanneer een voertuig de controletestprocedure van bijlage X bis niet doorstaat, stelt de goedkeuringsinstantie een onderzoek in om de oorzaak daarvan vast te stellen overeenkomstig bijlage X bis. Zodra de goedkeuringsinstantie de oorzaak van de non-conformiteit heeft vastgesteld, stelt zij de goedkeuringsinstanties van de overige lidstaten daarvan in kennis.

Indien de oorzaak van de non-conformiteit verband houdt met het gebruik van de simulatietool, is artikel 21 van toepassing. Indien de oorzaak van de non-conformiteit verband houdt met de gecertificeerde CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen van onderdelen, technische eenheden en systemen, is artikel 23 van toepassing.

Indien bij de certificering van onderdelen, technische eenheden of systemen en de werking van de simulatietool geen onregelmatigheden aan het licht zijn gekomen, meldt de goedkeuringsinstantie de non-conformiteit van het voertuig aan de Commissie. De Commissie onderzoekt of de non-conformiteit van het voertuig is veroorzaakt door de simulatietool of door de controletestprocedure van bijlage X bis en of de simulatietool dan wel de controletestprocedure moet worden verbeterd.

▼B

Artikel 21

Corrigerende maatregelen in verband met de conformiteit van het gebruik van de simulatietool

1.  
Als de goedkeuringsinstantie ingevolge artikel 20, lid 2, vaststelt dat de processen die de voertuigfabrikant heeft ingesteld om de CO2-emissies en het brandstofverbruik van de betrokken voertuiggroepen te bepalen, niet in overeenstemming zijn met de licentie of met deze verordening, of kunnen leiden tot een onjuiste bepaling van de CO2-emissies en het brandstofverbruik van de betrokken voertuigen, verzoekt de goedkeuringsinstantie de fabrikant uiterlijk dertig kalenderdagen na ontvangst van het verzoek van de goedkeuringsinstantie een plan van corrigerende maatregelen in te dienen.

Als de voertuigfabrikant aantoont dat er meer tijd nodig is om het plan van corrigerende maatregelen in te dienen, kan de goedkeuringsinstantie de termijn met ten hoogste dertig kalenderdagen verlengen.

▼M3

2.  
Het plan van corrigerende maatregelen is van toepassing op alle toepassingsgevallen en voertuiggroepen die de goedkeuringsinstantie in haar verzoek heeft aangeduid.

▼B

3.  
Het plan van corrigerende maatregelen wordt binnen dertig kalenderdagen na ontvangst door de goedkeuringsinstantie goedgekeurd of afgewezen. De goedkeuringsinstantie stelt de fabrikant en alle andere lidstaten in kennis van haar besluit om het plan van corrigerende maatregelen goed te keuren of af te wijzen.

▼M3

De goedkeuringsinstantie kan van de voertuigfabrikant verlangen dat deze een nieuw gegevensdossier van de fabrikant, voertuiginformatiedossier, klanteninformatiedossier en certificaat van overeenstemming op basis van een nieuwe bepaling van de CO2-emissies en het brandstofverbruik verstrekt, waarin de overeenkomstig het goedgekeurde plan van corrigerende maatregelen toegepaste wijzigingen tot uitdrukking komen.

▼M3

De voertuigfabrikant neemt de nodige maatregelen om te waarborgen dat de ingestelde processen om de licentie voor het gebruik van de simulatietool te verkrijgen voor alle toepassingsgevallen en voertuiggroepen die onder de krachtens artikel 7 verleende licentie vallen, toereikend blijven voor dat doel.

Voor middelzware en zware vrachtwagens voert de voertuigfabrikant op een minimumaantal voertuigen de in bijlage X bis beschreven controletestprocedure uit overeenkomstig punt 3 van die bijlage.

▼B

4.  
De fabrikant is verantwoordelijk voor de uitvoering van het goedgekeurde plan van corrigerende maatregelen.
5.  
Als de goedkeuringsinstantie het plan van corrigerende maatregelen heeft afgewezen of vaststelt dat de corrigerende maatregelen niet op de juiste wijze worden toegepast, neemt zij de nodige maatregelen om de conformiteit van het gebruik van de simulatietool te waarborgen of trekt zij de licentie in.

Artikel 22

Verantwoordelijkheden van de fabrikant en de goedkeuringsinstantie in verband met de conformiteit van de CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen van onderdelen, technische eenheden en systemen

1.  
►M3  De fabrikant neemt de nodige maatregelen overeenkomstig bijlage IV bij Verordening (EU) 2018/858 om te waarborgen dat de CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen van de in artikel 12, lid 1, vermelde onderdelen, technische eenheden en systemen die overeenkomstig artikel 17 zijn gecertificeerd, niet afwijken van de gecertificeerde waarden. ◄

Deze maatregelen omvatten ook:

— 
de in aanhangsel 4 van bijlage V beschreven procedures voor motoren;
— 
de in bijlage VI, punt 7, beschreven procedures voor transmissies;
— 
de in bijlage VII, punten 5 en 6, beschreven procedures voor assen;
— 
de in aanhangsel 6 van bijlage VIII beschreven procedures voor de luchtweerstand van de carrosserie of de aanhangwagen;
— 
de in bijlage X, punt 4, beschreven procedures voor banden;

▼M3

— 
de in aanhangsel 12, punten 1 tot en met 4, van bijlage X ter beschreven procedures voor onderdelen van de elektrische aandrijflijn.

▼B

Wanneer de CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen van een lid van een familie van onderdelen, technische eenheden of systemen overeenkomstig artikel 15, lid 5, zijn gecertificeerd, dient de voor dat lid van de familie gecertificeerde waarde als referentiewaarde voor de controle van de CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen.

Als bij de in de eerste en tweede alinea bedoelde maatregelen een afwijking van de gecertificeerde waarden wordt vastgesteld, stelt de fabrikant de goedkeuringsinstantie daarvan onmiddellijk in kennis.

2.  
De fabrikant verstrekt jaarlijks testrapporten met de resultaten van de in lid 1, tweede alinea, bedoelde procedures aan de goedkeuringsinstantie die de CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen van de betrokken familie van onderdelen, technische eenheden of systemen heeft gecertificeerd. De fabrikant stelt de testrapporten op verzoek ter beschikking van de Commissie.

▼M3

3.  
De fabrikant zorgt ervoor dat van de in lid 1, tweede alinea, bedoelde procedures er ten minste 1 op de 25, of, met uitzondering van de banden, ten minste één procedure per jaar, betreffende een onderdeel, technische eenheid en systeem, of hun respectieve familie indien van toepassing, wordt gecontroleerd door een andere goedkeuringsinstantie dan de instantie die heeft deelgenomen aan de certificering van de CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen van het onderdeel, de technische eenheid en het systeem, of van hun respectieve betrokken familie indien van toepassing, uit hoofde van artikel 16.

▼B

4.  
Alle goedkeuringsinstanties mogen te allen tijde controles betreffende onderdelen, technische eenheden en systemen in de bedrijfsruimten van de fabrikant of de voertuigfabrikant verrichten om te controleren of de CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen van die onderdelen, technische eenheden en systemen niet afwijken van de gecertificeerde waarden.

De fabrikant en de voertuigfabrikant verstrekken de goedkeuringsinstantie op haar verzoek binnen vijftien werkdagen alle relevante documenten, monsters en andere materialen die in zijn bezit zijn en nodig zijn om de controles betreffende een onderdeel, technische eenheid of systeem te verrichten.

Artikel 23

Corrigerende maatregelen in verband met de conformiteit van de CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen van onderdelen, technische eenheden en systemen

▼M1

1.  
Als de goedkeuringsinstantie ingevolge de artikelen 20 en 22 vaststelt dat de maatregelen die de fabrikant heeft genomen om te waarborgen dat de CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen van de in artikel 12, lid 1, vermelde en overeenkomstig artikel 17 gecertificeerde onderdelen, technische eenheden en systemen niet afwijken van de gecertificeerde waarden, ontoereikend zijn, verzoekt de goedkeuringsinstantie de fabrikant uiterlijk dertig kalenderdagen na ontvangst van het verzoek van de goedkeuringsinstantie een plan van corrigerende maatregelen in te dienen.

▼B

Als de fabrikant aantoont dat er meer tijd nodig is om het plan van corrigerende maatregelen in te dienen, kan de goedkeuringsinstantie de termijn met ten hoogste dertig kalenderdagen verlengen.

▼M3

2.  
Het plan van corrigerende maatregelen is van toepassing op alle onderdelen, technische eenheden en systemen, of van hun respectieve familie indien van toepassing, die de goedkeuringsinstantie in haar verzoek heeft aangeduid.

▼B

3.  
Het plan van corrigerende maatregelen wordt binnen dertig kalenderdagen na ontvangst door de goedkeuringsinstantie goedgekeurd of afgewezen. De goedkeuringsinstantie stelt de fabrikant en alle andere lidstaten in kennis van haar besluit om het plan van corrigerende maatregelen goed te keuren of af te wijzen.

▼M3

De goedkeuringsinstantie kan van de voertuigfabrikant verlangen dat deze een nieuw gegevensdossier van de fabrikant, klanteninformatiedossier, voertuiginformatiedossier en certificaat van overeenstemming op basis van een nieuwe bepaling van de CO2-emissies en het brandstofverbruik verstrekt, waarin de overeenkomstig het goedgekeurde plan van corrigerende maatregelen toegepaste wijzigingen tot uitdrukking komen.

▼B

4.  
De fabrikant is verantwoordelijk voor de uitvoering van het goedgekeurde plan van corrigerende maatregelen.

▼M3

5.  
De fabrikant bewaart een dossier van elk van de teruggeroepen en gerepareerde of aangepaste onderdelen, technische eenheden of systemen en van de werkplaats waar de reparatie of wijziging is uitgevoerd. De goedkeuringsinstantie heeft gedurende de uitvoering van het plan van corrigerende maatregelen en gedurende een termijn van vijf jaar na de voltooiing van de uitvoering ervan toegang tot die dossiers.

De fabrikant slaat die dossiers gedurende tien jaar op.

6.  
Als de goedkeuringsinstantie het plan van corrigerende maatregelen heeft afgewezen of vaststelt dat de corrigerende maatregelen niet op de juiste wijze worden toegepast, neemt zij de nodige maatregelen om de conformiteit van de CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen van het onderdeel, de technische eenheid en het systeem, en hun betrokken respectieve familie indien van toepassing, te waarborgen, of trekt zij het certificaat betreffende CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen in.

▼B

HOOFDSTUK 6

SLOTBEPALINGEN

Artikel 24

Overgangsbepalingen

1.  

►M3  Onverminderd artikel 10, lid 3, van deze verordening beschouwen de lidstaten, wanneer de in artikel 9 van deze verordening bedoelde verplichtingen niet zijn nagekomen, de certificaten van overeenstemming voor voertuigen met typegoedkeuring als niet langer geldig voor de doeleinden van artikel 48 van Verordening (EU) 2018/858, en verbieden zij voor voertuigen met typegoedkeuring en individueel goedgekeurde voertuigen de registratie, de verkoop of het in het verkeer brengen van: ◄

▼M1

a) 

voertuigen van de groepen 4, 5, 9 en 10, met inbegrip van subgroep „v” in elke voertuiggroep, als gedefinieerd in tabel 1 van bijlage I, vanaf 1 juli 2019;

▼B

b) 

voertuigen van de groepen 1, 2 en 3, als gedefinieerd in tabel 1 van bijlage I, vanaf 1 januari 2020;

c) 

voertuigen van de groepen 11, 12 en 16, als gedefinieerd in tabel 1 van bijlage I, vanaf 1 juli 2020;

▼M3

d) 

voertuigen van de groepen 53 en 54, als gedefinieerd in tabel 2 van bijlage I, vanaf 1 juli 2024;

e) 

voertuigen van de groepen 31 tot en met 40, als gedefinieerd in de tabellen 4 tot en met 6 van bijlage I, vanaf 1 januari 2025;

f) 

voertuigen van de groep 1s, als gedefinieerd in tabel 1 van bijlage I, vanaf 1 juli 2024.

▼M3

2.  

De in artikel 9 bedoelde verplichtingen zijn als volgt van toepassing:

a) 

voor voertuigen van de groepen 53 en 54, zoals gedefinieerd in tabel 2 van bijlage I, waarvan de productiedatum 1 januari 2024 of later is;

b) 

voor voertuigen van de groepen P31/32, P33/34, P35/36, P37/38 en P39/40, zoals gedefinieerd in tabel 3 van bijlage I, waarvan de productiedatum 1 januari 2024 of later is;

c) 

voor zware bussen wordt de simulatie van het complete voertuig of het voltooide voertuig als bedoeld in punt 2.1, b), van bijlage I alleen uitgevoerd als de simulatie van het primaire voertuig als bedoeld in punt 2.1, a), van bijlage I beschikbaar is;

d) 

voor voertuigen van de groep 1s, zoals gedefinieerd in tabel 1 van bijlage I waarvan de productiedatum 1 januari 2024 of later is;

e) 

voor voertuigen van de groepen 1, 2, 3, 4, 5, 9, 10, 4v, 5v, 9v, 10v, 11, 12 en 16, zoals gedefinieerd in tabel 1 van bijlage I, met uitzondering van die welke zijn gedefinieerd in de punten f) en g) van dit lid, waarvan de productiedatum 1 januari 2024 of later is;

f) 

voor voertuigen van de groepen 1, 2, 3, 4, 5, 9, 10, 4v, 5v, 9v, 10v, 11, 12 en 16, zoals gedefinieerd in tabel 1 van bijlage I, die zijn uitgerust met een systeem voor terugwinning van afvalwarmte, zoals gedefinieerd in punt 2, 8), van bijlage V, op voorwaarde dat het geen emissievrije zware bedrijfsvoertuigen, hybride elektrische zware bedrijfsvoertuigen of dualfuelvoertuigen zijn;

g) 

voor dualfuelvoertuigen van de groepen 1, 2, 3, 4, 5, 9, 10, 4v, 5v, 9v, 10v, 11, 12 en 16 zoals gedefinieerd in tabel 1 van bijlage I, waarvan de productiedatum 1 januari 2024 of later is; indien zij een productiedatum hebben die vóór 1 januari 2024 ligt, mag de fabrikant kiezen of hij artikel 9 toepast.

Voor emissievrije zware bedrijfsvoertuigen, hybride elektrische zware bedrijfsvoertuigen en dualfuelvoertuigen van de groepen 1, 2, 3, 4, 5, 9, 10, 4v, 5v, 9v, 10v, 11, 12 en 16 zoals gedefinieerd in tabel 1 van bijlage I waarop artikel 9 niet is toegepast overeenkomstig de punten a) tot en met g) van de eerste alinea van dit lid, bepaalt de voertuigfabrikant de inputparameters die voor deze voertuigen in de modellen in tabel 5 van bijlage III zijn gespecificeerd, met behulp van de meest recente beschikbare versie van de in artikel 5, lid 3, bedoelde simulatietool. In dat geval wordt aan de in artikel 9 bedoelde verplichtingen geacht te zijn voldaan voor de toepassing van lid 1 van dit artikel.

Voor de toepassing van dit lid wordt onder productiedatum de datum verstaan waarop het certificaat van overeenstemming is ondertekend en, indien geen certificaat van overeenstemming is afgegeven, de datum waarop het voertuigidentificatienummer voor het eerst op de desbetreffende onderdelen van het voertuig is aangebracht.

3.  
De corrigerende maatregelen uit hoofde van artikel 21, lid 5, en artikel 23, lid 6, zijn met ingang van 1 juli 2023 van toepassing op de in lid 1, punten a), b) en c), van dit artikel bedoelde voertuigen naar aanleiding van een onderzoek naar een voertuig dat de controleprocedure van bijlage X bis niet heeft doorstaan, en met ingang van 1 juli 2024 op de in lid 2, punten d) en g), van dit artikel bedoelde voertuigen.

▼B

Artikel 25

Wijziging van Richtlijn 2007/46/EG

De bijlagen I, III, IV, IX en XV bij Richtlijn 2007/46/EG worden gewijzigd overeenkomstig bijlage XI bij deze verordening.

Artikel 26

Wijziging van Verordening (EU) nr. 582/2011

Verordening (EU) nr. 582/2011 wordt als volgt gewijzigd:

1) 

Aan artikel 3, lid 1, wordt de volgende alinea toegevoegd:

„Om EG-typegoedkeuring te verkrijgen voor een voertuig met een goedgekeurd motorsysteem wat emissies en reparatie- en onderhoudsinformatie betreft of voor een voertuig wat emissies en reparatie- en onderhoudsinformatie betreft, toont de fabrikant tevens aan dat voor de betrokken voertuiggroep voldaan is aan de voorschriften in artikel 6 van Verordening (EU) 2017/2400 van de Commissie ( 2 ) en bijlage II bij die verordening. Deze bepaling is echter niet van toepassing als de fabrikant aangeeft dat in de Unie op of na de in artikel 24, lid 1, onder a), b) en c), van Verordening (EU) 2017/2400 voor de betrokken voertuiggroep vermelde datum geen nieuwe voertuigen van het goed te keuren type geregistreerd, verkocht of in het verkeer gebracht zullen worden.

2) 

Artikel 8 wordt als volgt gewijzigd:

a) 

in lid 1 bis wordt punt d) vervangen door:

„d) alle andere uitzonderingen in punt 3.1 van bijlage VII, de punten 2.1 en 6.1 van bijlage X, de punten 2.1, 4.1, 5.1, 7.1, 8.1 en 10.1 van bijlage XIII en punt 1.1 van aanhangsel 6 van bijlage XIII, zijn van toepassing;”;

b) 

aan lid 1 bis wordt het volgende punt toegevoegd:

„e) er wordt voor de betrokken voertuiggroep voldaan aan de voorschriften in artikel 6 van Verordening (EU) 2017/2400 en bijlage II bij die verordening, behalve indien de fabrikant aangeeft dat in de Unie op of na de in artikel 24, lid 1, onder a), b) en c), van die verordening voor de betrokken voertuiggroep vermelde datum geen nieuwe voertuigen van het goed te keuren type geregistreerd, verkocht of in het verkeer gebracht zullen worden.”.

3) 

Artikel 10 wordt als volgt gewijzigd:

a) 

in lid 1 bis wordt punt d) vervangen door:

„d) alle andere uitzonderingen in punt 3.1 van bijlage VII, de punten 2.1 en 6.1 van bijlage X, de punten 2.1, 4.1, 5.1, 7.1, 8.1 en 10.1.1 van bijlage XIII en punt 1.1 van aanhangsel 6 van bijlage XIII, zijn van toepassing;”;

b) 

aan lid 1 bis wordt het volgende punt toegevoegd:

„e) er wordt voor de betrokken voertuiggroep voldaan aan de voorschriften in artikel 6 van Verordening (EU) 2017/2400 en bijlage II bij die verordening, behalve indien de fabrikant aangeeft dat in de Unie op of na de in artikel 24, lid 1, onder a), b) en c), van die verordening voor de betrokken voertuiggroep vermelde datum geen nieuwe voertuigen van het goed te keuren type geregistreerd, verkocht of in het verkeer gebracht zullen worden.”.

Artikel 27

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

▼M3




BIJLAGE I

INDELING VAN VOERTUIGEN IN VOERTUIGGROEPEN EN METHODE OM DE CO2-EMISSIES EN HET BRANDSTOFVERBRUIK VAN ZWARE BUSSEN TE BEPALEN

1.   Indeling van de voertuigen voor de toepassing van deze verordening

1.1 Indeling van voertuigen van categorie N



Tabel 1

Voertuiggroepen voor zware vrachtwagens

Beschrijving van de elementen die van belang zijn voor de indeling in voertuiggroepen

Voertuiggroep

Toewijzing van opdrachtprofiel en voertuigconfiguratie

Assenconfiguratie

Chassisconfiguratie

Technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand (ton)

Lange afstanden

Lange afstanden (EMS)

Regionale bezorging

Regionale bezorging (EMS)

Stadsbezorging

Gemeentelijke voorzieningen

Bouwnijverheid

4 × 2

Enkelvoudige vrachtwagen (of trekker) (*1)

> 7,4 – 7,5

1s

 

 

R

 

R

 

 

Enkelvoudige vrachtwagen (of trekker) (*1)

> 7,5 – 10

1

 

 

R

 

R

 

 

Enkelvoudige vrachtwagen (of trekker) (*1)

> 10 – 12

2

R + T1

 

R

 

R

 

 

Enkelvoudige vrachtwagen (of trekker) (*1)

> 12 – 16

3

 

 

R

 

R

 

 

Enkelvoudige vrachtwagen

> 16

4

R + T2

 

R

 

R

R

 

Trekker

> 16

5

T + ST

T + ST + T2

T + ST

T + ST + T2

T + ST

 

 

Enkelvoudige vrachtwagen

> 16

4v (*2)

 

 

 

 

 

R

R

Trekker

> 16

5v (*2)

 

 

 

 

 

 

T + ST

4 × 4

Enkelvoudige vrachtwagen

> 7,5 – 16

(6)

 

Enkelvoudige vrachtwagen

> 16

(7)

 

Trekker

> 16

(8)

 

6 × 2

Enkelvoudige vrachtwagen

elk gewicht

9

R + T2

R + D + ST

R

R + D + ST

 

R

 

Trekker

elk gewicht

10

T + ST

T + ST + T2

T + ST

T + ST + T2

 

 

 

Enkelvoudige vrachtwagen

elk gewicht

9v (*2)

 

 

 

 

 

R

R

Trekker

elk gewicht

10v (*2)

 

 

 

 

 

 

T + ST

6 × 4

Enkelvoudige vrachtwagen

elk gewicht

11

R + T2

R + D + ST

R

R + D + ST

 

R

R

Trekker

elk gewicht

12

T + ST

T + ST + T2

T + ST

T + ST + T2

 

 

T + ST

6 × 6

Enkelvoudige vrachtwagen

elk gewicht

(13)

 

Trekker

elk gewicht

(14)

 

8 × 2

Enkelvoudige vrachtwagen

elk gewicht

(15)

 

8 × 4

Enkelvoudige vrachtwagen

elk gewicht

16

 

 

 

 

 

 

R

8 × 6 8 × 8

Enkelvoudige vrachtwagen

elk gewicht

(17)

 

8 × 2 8 × 4 8 × 6 8 × 8

Trekker

elk gewicht

(18)

 

5 assen, alle configuraties

Enkelvoudige vrachtwagen of trekker

elk gewicht

(19)

 

(*1)   

In deze voertuigklassen worden trekkers beschouwd als enkelvoudige vrachtwagens, maar met een specifiek ledig gewicht van de trekker.

(*2)   

subgroep „v” van voertuiggroepen 4, 5, 9 en 10: deze opdrachtprofielen zijn uitsluitend van toepassing op werkvoertuigen.

(*)  EMS — Europees modulair systeem

T = Trekker

R = Enkelvoudige vrachtwagen & standaardcarrosserie

T1, T2 = Standaardaanhangwagens

ST = Standaardoplegger

D = Standaarddolly



Tabel 2

Voertuiggroepen voor middelzware vrachtwagens

Beschrijving van de elementen die van belang zijn voor de indeling in voertuiggroepen

Toewijzing van opdrachtprofiel en voertuigconfiguratie

Assenconfiguratie

Chassisconfiguratie

Voertuiggroep

Lange afstanden

Lange afstanden EMS (*1)

Regionale bezorging

Regionale bezorging EMS (*1)

Stadsbezorging

Gemeentelijke voorzieningen

Constructie

FWD / 4 × 2F

Enkelvoudige vrachtwagen (of trekker)

(51)

 

 

 

 

 

 

 

Bestelwagen

(52)

 

 

 

 

 

 

 

RWD / 4 × 2

Enkelvoudige vrachtwagen (of trekker)

53

 

 

R

 

R

 

 

Bestelwagen

54

 

 

I

 

I

 

 

AWD / 4 × 4

Enkelvoudige vrachtwagen (of trekker)

(55)

 

 

 

 

 

 

 

Bestelwagen

(56)

 

 

 

 

 

 

 

(*1)   

EMS — Europees modulair systeem.

R = Standaardcarrosserie

I = Bestelwagen en geïntegreerde carrosserie

FWD = Voorwielaandrijving

RWD = Enkelvoudig aangedreven as die niet de vooras is

AWD = Meer dan één enkelvoudig aangedreven as

1.2. Indeling van voertuigen van categorie M

1.2.1. Zware bussen

1.2.2. Indeling van primaire voertuigen



Tabel 3

Voertuiggroepen voor primaire voertuigen

Beschrijving van de elementen die van belang zijn voor de indeling in voertuiggroepen

Voertuiggroep (1)

Toewijzing van generieke carrosserie

Subgroep voertuig

Toewijzing van opdrachtprofiel

Aantal assen

Geleed

Lage vloer (LF) / hoge vloer (HF) (1)

Aantal dekken (3)

Zwaar stedelijk

Stedelijk

Voorstedelijk

Interstedelijk

Toerbus

2

nee

P31/32

LF

SD

P31 SD

x

x

x

x

 

DD

P31 DD

x

x

x

 

 

HF

SD

P32 SD

 

 

 

x

x

DD

P32 DD

 

 

 

x

x

3

nee

P33/34

LF

SD

P33 SD

x

x

x

x

 

DD

P33 DD

x

x

x

 

 

HF

SD

P34 SD

 

 

 

x

x

DD

P34 DD

 

 

 

x

x

ja

P35/36

LF

SD

P35 SD

x

x

x

x

 

DD

P35 DD

x

x

x

 

 

HF

SD

P36 SD

 

 

 

x

x

DD

P36 DD

 

 

 

x

x

4

nee

P37/38

LF

SD

P37 SD

x

x

x

x

 

DD

P37 DD

x

x

x

 

 

HF

SD

P38 SD

 

 

 

x

x

DD

P38 DD

 

 

 

x

x

ja

P39/40

LF

SD

P39 SD

x

x

x

x

 

DD

P39 DD

x

x

x

 

 

HF

SD

P40 SD

 

 

 

x

x

DD

P40 DD

 

 

 

x

x

(1)   

„P” verwijst naar de primaire fase van de indeling; de twee getallen, gescheiden door een schuine streep, geven de nummers van de voertuiggroepen aan waaraan het voertuig in de complete of voltooide fase kan worden toegewezen.

(2)   

„Lage vloer”: voertuigcodes „CE”, „CF”, „CG”, „CH”, zoals beschreven in deel C, punt 3, van bijlage I bij Verordening (EU) 2018/858.


„Hoge vloer”: voertuigcodes „CA”, „CB”, „CC”, „CD”, zoals beschreven in deel C, punt 3, van bijlage I bij Verordening (EU) 2018/858.

(3)   

„SD” betekent enkeldeksvoertuig, „DD” betekent dubbeldeksvoertuig.

1.2.3. Indeling van complete voertuigen of voltooide voertuigen

De indeling van complete of voltooide voertuigen die zware bussen zijn, is gebaseerd op de volgende zes criteria:

(a) 

aantal assen;

(b) 

voertuigcode zoals beschreven in deel C, punt 3, van bijlage I bij Verordening (EU) 2018/858;

(c) 

voertuigklasse overeenkomstig punt 2 van VN-Reglement nr. 107 ( 3 );

(d) 

voertuig met lage instap („ja/nee”-informatie wordt afgeleid van de voertuigcode en het type as), te bepalen volgens de in figuur 1 afgebeelde beslissingsboom;

(e) 

aantal passagiers op het benedendek volgens het certificaat van overeenstemming zoals beschreven in bijlage VIII bij Uitvoeringsverordening (EU) 2020/683 van de Commissie ( 4 ) of gelijkwaardige documenten in geval van individuele goedkeuring van een voertuig;

(f) 

hoogte van de geïntegreerde carrosserie, te bepalen overeenkomstig bijlage VIII.

Figuur 1
Beslissingsboom om te bepalen of een voertuig een „lage instap” heeft of niet: image

De te gebruiken indeling is te vinden in de tabellen 4, 5 en 6.



Tabel 4

Voertuiggroepen voor complete voertuigen en voltooide voertuigen die zware bussen zijn met 2 assen

Beschrijving van de elementen die van belang zijn voor de indeling in voertuiggroepen

Voertuiggroep

Toewijzing van

opdrachtprofiel

Aantal assen

Chassisconfiguratie

(alleen toelichting)

Voertuigcode (*1)

Voertuigklasse (*2)

Lage instap

(alleen voertuigcode CE of CG)

Passagierszitplaatsen op het benedendek (alleen voertuigcode CB of CD)

Hoogte van de geïntegreerde carrosserie in [mm] (alleen voertuigen van klasse „II+III”)

I

I

+II

of

A

II

II

+III

III

of

B

Zwaar stedelijk

Stedelijk

Voorstedelijk

Interstedelijk

Toerbus

2

enkelvoudig

LF

SD

CE

x

x

x

 

 

nee

31a

x

x

x

 

 

x

x

 

 

 

ja

31b1

x

x

x

 

 

 

 

x

 

 

ja

31b2

x

x

x

x

 

DD

CF

x

x

x

 

 

31c

x

x

x

 

 

open dak

SD

CI

x

x

x

x

x

31d

x

x

x

 

 

DD

CJ

x

x

x

x

x

31e

x

x

x

 

 

HF

SD

CA

 

 

x

 

 

32 a

 

 

 

x

x

 

 

 

x

 

≤ 3 100

32b

 

 

 

x

x

 

 

 

x

 

> 3 100

32c

 

 

 

x

x

 

 

 

 

x

32d

 

 

 

x

x

DD

CB

 

 

x

x

x

≤ 6

32e

 

 

 

x

x

 

 

x

x

x

> 6

32f

 

 

 

x

x

(*1)   

Overeenkomstig Verordening (EU) 2018/858.

(*2)   

Overeenkomstig punt 2 van VN-Reglement nr. 107.



Tabel 5

Voertuiggroepen voor complete voertuigen en voltooide voertuigen die zware bussen zijn met 3 assen

Beschrijving van de elementen die van belang zijn voor de indeling in voertuiggroepen

Voertuiggroep

Toewijzing van

opdrachtprofiel

Aantal assen

Chassisconfiguratie

(alleen toelichting)

Voertuigcode (*1)

Voertuigklasse (*2)

Lage instap

(alleen voertuigcode CE of CG)

Passagierszitplaatsen op het benedendek (alleen voertuigcode CB of CD)

Hoogte van de geïntegreerde carrosserie in [mm] (alleen voertuigen van klasse „II+III”)

I

I

+II

of

A

II

II

+III

III

of

B

Zwaar stedelijk

Stedelijk

Voorstedelijk

Interstedelijk

Toerbus

3

enkelvoudig

LF

SD

CE

x

x

x

 

 

nee

33 a

x

x

x

 

 

x

x

 

 

 

ja

33b1

x

x

x

 

 

 

 

x

 

 

ja

33b2

x

x

x

x

 

DD

CF

x

x

x

 

 

33c

x

x

x

 

 

open dak

SD

CI

x

x

x

x

x

33d

x

x

x

 

 

DD

CJ

x

x

x

x

x

33e

x

x

x

 

 

HF

SD

CA

 

 

x

 

 

34 a

 

 

 

x

x

 

 

 

x

 

≤ 3 100

34b

 

 

 

x

x

 

 

 

x

 

> 3 100

34c

 

 

 

x

x

 

 

 

 

x

34d

 

 

 

x

x

DD

CB

 

 

x

x

x

≤ 6

34e

 

 

 

x

x

 

 

x

x

x

> 6

34f

 

 

 

x

x

geleed

LF

SD

CG

x

x

x

 

 

nee

35 a

x

x

x

 

 

x

x

 

 

 

ja

35b1

x

x

x

 

 

 

 

x

 

 

ja

35b2

x

x

x

x

 

DD

CH

x

x

x

 

 

35c

x

x

x

 

 

HF

SD

CC

 

 

x

 

 

36 a

 

 

 

x

x

 

 

 

x

 

≤ 3 100

36b

 

 

 

x

x

SD

 

 

 

x

 

> 3 100

36c

 

 

 

x

x

 

 

 

 

x

36d

 

 

 

x

x

DD

CD

 

 

x

x

x

≤ 6

36e

 

 

 

x

x

 

 

x

x

x

> 6

36f

 

 

 

x

x

(*1)   

Overeenkomstig Verordening (EU) 2018/858.

(*2)   

Overeenkomstig punt 2 van VN-Reglement nr. 107.



Tabel 6

Voertuiggroepen voor complete voertuigen en voltooide voertuigen die zware bussen zijn met 4 assen

Beschrijving van de elementen die van belang zijn voor de indeling in voertuiggroepen

Voertuiggroep

Toewijzing van

opdrachtprofiel

Aantal assen

Chassisconfiguratie

(alleen toelichting)

Voertuigcode (*1)

Voertuigklasse (*2)

Lage instap

(alleen voertuigcode CE of CG)

Passagierszitplaatsen op het benedendek (alleen voertuigcode CB of CD)

Hoogte van de geïntegreerde carrosserie in [mm] (alleen voertuigen van klasse „II+III”)

I

I

+II

of

A

II

II

+III

III

of

B

Zwaar stedelijk

Stedelijk

Voorstedelijk

Interstedelijk

Toerbus

4

enkelvoudig

LF

SD

CE

x

x

x

 

 

nee

37 a

x

x

x

 

 

x

x

 

 

 

ja

37b1

x

x

x

 

 

 

 

x

 

 

ja

37b2

x

x

x

x

 

DD

CF

x

x

x

 

 

37c

x

x

x

 

 

open dak

SD

CI

x

x

x

x

x

37d

x

x

x

 

 

DD

CJ

x

x

x

x

x

37e

x

x

x

 

 

HF

SD

CA

 

 

x

 

 

38 a

 

 

 

x

x

 

 

 

x

 

≤ 3 100

38b

 

 

 

x

x

 

 

 

x

 

> 3 100

38c

 

 

 

x

x

 

 

 

 

x

38d

 

 

 

x

x

DD

CB

 

 

x

x

x

≤ 6

38e

 

 

 

x

x

 

 

x

x

x

> 6

38f

 

 

 

x

x

geleed

LF

SD

CG

x

x

x

 

 

nee

39 a

x

x

x

 

 

x

x

 

 

 

ja

39b1

x

x

x

 

 

 

 

x

 

 

ja

39b2

x

x

x

x

 

DD

CH

x

x

x

 

 

39c

x

x

x

 

 

HF

SD

CC

 

 

x

 

 

40 a

 

 

 

x

x

 

 

 

x

 

≤ 3 100

40b

 

 

 

x

x

SD

 

 

 

x

 

> 3 100

40c

 

 

 

x

x

 

 

 

 

x

40d

 

 

 

x

x

DD

CD

 

 

x

x

x

≤ 6

40e

 

 

 

x

x

 

 

x

x

x

> 6

40f

 

 

 

x

x

(*1)   

Overeenkomstig Verordening (EU) 2018/858.

(*2)   

Overeenkomstig punt 2 van VN-Reglement nr. 107.

2.   Methode om de CO2-emissies en het brandstofverbruik van zware bussen te bepalen

2.1. Voor zware bussen moeten de voertuigspecificaties van het complete voertuig of het voltooide voertuig, inclusief de eigenschappen van de definitieve carrosserie en de hulpapparatuur, worden verwerkt in de resultaten voor de CO2-emissies en het brandstofverbruik. In het geval van zware bussen die in fasen worden gebouwd, kan meer dan één fabrikant betrokken zijn bij het genereren van inputgegevens en inputinformatie en het gebruik van de simulatietool. Voor zware bussen worden de CO2-emissies en het brandstofverbruik gebaseerd op de volgende twee afzonderlijke simulaties:

(a) 

voor het primaire voertuig;

(b) 

voor het complete voertuig of voltooide voertuig.

2.2. Indien een zware bus door een fabrikant als een compleet voertuig wordt goedgekeurd, worden simulaties voor zowel het primaire voertuig als het complete voertuig uitgevoerd.

2.3. Voor het primaire voertuig omvat de input voor de simulatietool inputgegevens over de motor, de transmissie, de banden en inputinformatie voor een deelverzameling van hulpapparatuur ( 5 ). De indeling in voertuiggroepen geschiedt overeenkomstig tabel 3 op basis van het aantal assen en de informatie of het voertuig al dan niet een gelede bus is. In de simulaties voor het primaire voertuig wijst de simulatietool een reeks van vier verschillende generieke carrosserieën toe (hoge vloer en lage vloer, enkeldeks en dubbeldeks carrosserie) en simuleert de tool voor elke voertuiggroep de elf in tabel 3 vermelde opdrachtprofielen voor twee verschillende beladingstoestanden. Dit leidt tot een reeks van 22 resultaten voor CO2-emissies en brandstofverbruik voor een primaire zware bus. De simulatietool produceert het voertuiginformatiedossier voor de eerste stap (VIF1), dat alle nodige gegevens bevat om te worden doorgegeven aan de volgende fabricagestap. Het VIF1 omvat alle niet-vertrouwelijke inputgegevens, de resultaten voor het energieverbruik ( 6 ) in [MJ/km], informatie over de primaire fabrikant en de relevante hashes ( 7 ).

2.4. De fabrikant van het primaire voertuig stelt de VIF1 ter beschikking van de fabrikant die verantwoordelijk is voor de volgende fabricagestap. Indien een fabrikant van een primair voertuig gegevens verstrekt die verder gaan dan de in bijlage III vermelde voorschriften voor het primaire voertuig, zijn deze gegevens niet van invloed op de simulatieresultaten voor het primaire voertuig, maar worden zij in het VIF1 opgenomen om er in latere stappen rekening mee te houden. Voor primaire voertuigen produceert de simulatietool bovendien een gegevensdossier van de fabrikant.

2.5. In het geval van een interimvoertuig is de interimfabrikant verantwoordelijk voor een deelverzameling van relevante inputgegevens en inputinformatie met betrekking tot de definitieve carrosserie ( 8 ). Een interimfabrikant vraagt geen certificering voor het voltooide voertuig aan. Een interimfabrikant voegt voor het voltooide voertuig relevante informatie toe of werkt deze bij en gebruikt de simulatietool om een bijgewerkte en gehashte versie van het voertuiginformatiedossier (VIFi) ( 9 ) te produceren. Het VIFi wordt ter beschikking gesteld van de fabrikant die verantwoordelijk is voor de volgende fabricagestap. Voor interimvoertuigen is in het VIFi ook de documentatie opgenomen ten behoeve van de goedkeuringsinstanties. Er worden geen simulaties van de CO2-emissies en/of het brandstofverbruik uitgevoerd op interimvoertuigen.

2.6. Indien een fabrikant wijzigingen aanbrengt aan een interim-, compleet of voltooid voertuig waarvoor een update is vereist van de aan het primaire voertuig toegewezen inputgegevens of inputinformatie (bv. een wijziging van een as of van de banden), treedt de fabrikant die de wijziging aanbrengt op als fabrikant van het primaire voertuig met de bijbehorende verantwoordelijkheden.

2.7. In het geval van een compleet of voltooid voertuig vult de fabrikant de inputgegevens en de inputinformatie voor de definitieve carrosserie aan, zoals doorgegeven in het VIFi vanuit de vorige productiefase, en werkt hij deze zo nodig bij, en gebruikt hij de simulatietool om de CO2-emissies en het brandstofverbruik te berekenen. Voor de simulaties die in deze fase plaatsvinden, worden zware bussen op basis van de zes in punt 1.2.3 genoemde criteria ingedeeld in de voertuiggroepen die in de tabellen 4, 5 en 6 zijn vermeld. Om de CO2-emissies en het brandstofverbruik van complete voertuigen of voltooide voertuigen die zware bussen zijn te bepalen, voert de simulatietool de onderstaande berekeningsstappen uit.

2.7.1. 

Stap 1 — Selecteren van de subgroep van het primaire voertuig die overeenstemt met de carrosserie van het complete of voltooide voertuig (bv. „P34 DD” voor „34f”) en beschikbaar stellen van de overeenkomstige resultaten voor energieverbruik afkomstig van de simulatie voor het primaire voertuig.

2.7.2. 

Stap 2 — Uitvoeren van simulaties om de invloed van de carrosserie en de hulpapparatuur van het complete of voltooide voertuig op het energieverbruik te kwantificeren tegenover de generieke carrosserie en hulpapparatuur, zoals in aanmerking genomen in de simulaties voor het primaire voertuig met betrekking tot het energieverbruik. In deze simulaties worden generieke gegevens gebruikt voor de primairevoertuiggegevens die geen deel uitmaken van de informatieoverdracht tussen de verschillende fabricagestappen, zoals voorzien door het VIF ( 10 ).

2.7.3. 

Stap 3 — Combineren van de resultaten met betrekking tot energieverbruik afkomstig van de simulatie van het primaire voertuig, zoals beschikbaar gesteld in stap 1, met de resultaten van stap 2, om de resultaten met betrekking tot het energieverbruik van het complete of voltooide voertuig te verkrijgen. De details van deze berekeningsstap zijn gedocumenteerd in de gebruikershandleiding van de simulatietool.

2.7.4. 

Stap 4 — De resultaten voor de CO2-emissies en het brandstofverbruik van het voertuig worden berekend op basis van de resultaten van stap 3 en de generieke brandstofspecificaties die in de simulatietool zijn opgeslagen. De stappen 2, 3 en 4 worden afzonderlijk uitgevoerd voor elke combinatie van opdrachtprofiel zoals vermeld in de tabellen 4, 5 en 6 betreffende de voertuiggroepen, in zowel lage als representatieve beladingstoestanden.

2.7.5. 

Voor een compleet voertuig of een voltooid voertuig produceert de simulatietool een gegevensdossier van de fabrikant, een klanteninformatiedossier en een VIFi. Het VIFi wordt ter beschikking gesteld van de volgende fabrikant indien het voertuig een volgende stap ondergaat om te worden voltooid.

Figuur 2 bevat de gegevensstroom aan de hand van een voorbeeldvoertuig dat in vijf CO2-gerelateerde fabricagestappen wordt geproduceerd.

Figuur 2
Voorbeeld van gegevensstroom voor een zware bus die in vijf stappen wordt vervaardigd image

▼B




BIJLAGE II

VOORSCHRIFTEN EN PROCEDURES VOOR HET GEBRUIK VAN DE SIMULATIETOOL

1.   Door de voertuigfabrikant in te stellen processen voor het gebruik van de simulatietool

1.1. De fabrikant stelt ten minste de volgende processen in:

1.1.1. 

een databeheersysteem voor het verzamelen, opslaan, verwerken en ophalen van de inputinformatie en -gegevens voor de simulatietool en het verwerken van certificaten betreffende de CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen van families van onderdelen, technische eenheden en systemen. Het databeheersysteem voldoet ten minste aan de volgende eisen:

a) 

het waarborgt dat voor specifieke voertuigconfiguraties de juiste inputinformatie en -gegevens worden gebruikt;

b) 

het waarborgt dat de standaardwaarden correct worden berekend en toegepast;

▼M3

c) 

het controleert, door vergelijking van cryptografische hashes, of de voor de simulatie gebruikte inputbestanden van onderdelen, technische eenheden en systemen, of van hun respectieve betrokken familie indien van toepassing, overeenkomen met de inputgegevens van de onderdelen, technische eenheden en systemen, of van hun respectieve betrokken familie indien van toepassing, waarvoor de certificering is verleend;

▼B

d) 

het omvat een beschermde databank voor de opslag van inputgegevens voor de families van onderdelen, technische eenheden en systemen en de bijbehorende certificaten betreffende de CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen;

e) 

het waarborgt een correct beheer van de specificatiewijzigingen en updates van onderdelen, technische eenheden en systemen;

f) 

het zorgt ervoor dat de onderdelen, technische eenheden en systemen getraceerd kunnen worden nadat het voertuig is geproduceerd;

1.1.2. 

een databeheersysteem voor het ophalen van de inputinformatie en -gegevens en berekeningen met behulp van de simulatietool en het opslaan van de outputgegevens. Het databeheersysteem voldoet ten minste aan de volgende eisen:

a) 

het waarborgt dat de cryptografische hashes correct worden toegepast;

b) 

het omvat een beschermde databank voor de opslag van de outputgegevens;

1.1.3. 

een proces voor het raadplegen van het in artikel 5, lid 2, en artikel 10, leden 1 en 2, bedoelde speciale elektronische distributieplatform en het ophalen en installeren van de laatste versies van de simulatietool;

1.1.4. 

passende opleiding van het personeel dat met de simulatietool werkt.

2.   Beoordeling door de goedkeuringsinstantie

2.1. De goedkeuringsinstantie controleert of de in punt 1 beschreven processen voor het gebruik van de simulatietool zijn ingesteld.

De goedkeuringsinstantie controleert ook:

a) 

de werking van de in de punten 1.1.1, 1.1.2 en 1.1.3 beschreven processen en de toepassing van punt 1.1.4;

▼M3

b) 

of de tijdens de demonstratie toegepaste processen op dezelfde wijze worden toegepast in alle productiefaciliteiten waar de betrokken voertuigen van het toepassingsgeval worden gefabriceerd;

▼B

c) 

de volledigheid van de beschrijving van de gegevens- en processtromen van de operaties in verband met de bepaling van de CO2-emissies en het brandstofverbruik van de voertuigen.

▼M3

De controle met het oog op de toepassing van punt a) van de tweede alinea omvat een bepaling van de CO2-emissies en het brandstofverbruik van ten minste één voertuig uit elke productiefaciliteit waarvoor de licentie is aangevraagd.

▼B




Aanhangsel 1

MODEL VAN EEN INLICHTINGENFORMULIER BETREFFENDE HET GEBRUIK VAN DE SIMULATIETOOL OM DE CO2-EMISSIES EN HET BRANDSTOFVERBRUIK VAN NIEUWE VOERTUIGEN TE BEPALEN

AFDELING I

▼M3

1.

Naam en adres van de fabrikant van het voertuig:

▼B

2.

Assemblagefabrieken waarvoor de in bijlage II, punt 1, bij Verordening (EU) 2017/2400 van de Commissie bedoelde processen zijn ingesteld met het oog op het gebruik van de simulatietool:

▼M3

3.

Betrokken toepassingsgeval:

▼B

4.

Naam en adres van de eventuele vertegenwoordiger van de fabrikant:

AFDELING II

1.   Aanvullende informatie

1.1.

Beschrijving van de gegevens- en processtroom (bv. stroomschema)

1.2.

Beschrijving van het kwaliteitsborgingsproces

1.3.

Eventuele aanvullende kwaliteitsborgingscertificaten

1.4.

Beschrijving van de verzameling, verwerking en opslag van de gegevens van de simulatietool

1.5.

Eventuele aanvullende documenten

2.

Datum: …

3.

Handtekening: …




Aanhangsel 2

MODEL VAN EEN LICENTIE VOOR HET GEBRUIK VAN DE SIMULATIETOOL OM DE CO2-EMISSIES EN HET BRANDSTOFVERBRUIK VAN NIEUWE VOERTUIGEN TE BEPALEN

Maximumformaat: A4 (210 × 297 mm)

LICENTIE VOOR HET GEBRUIK VAN DE SIMULATIETOOL OM DE CO2-EMISSIES EN HET BRANDSTOFVERBRUIK VAN NIEUWE VOERTUIGEN TE BEPALEN



Mededeling betreffende de:

— verlening (1)

— uitbreiding (1)

— weigering (1)

— intrekking (1)

Stempel instantie
(1)   

Doorhalen wat niet van toepassing is (soms hoeft niets te worden doorgehaald als meerdere antwoorden mogelijk zijn)

van een licentie voor het gebruik van de simulatietool in verband met Verordening (EG) nr. 595/2009, ten uitvoer gelegd bij Verordening (EU) 2017/2400.

Licentie nummer:

Reden van de uitbreiding: …

AFDELING I

▼M3

0.1

Naam en adres van de fabrikant van het voertuig:

0.2

Productiefaciliteiten en/of assemblagefabrieken waarvoor de in punt 1 van bijlage II bij Verordening (EU) 2017/2400 van de Commissie ( 11 ) bedoelde processen zijn ingesteld met het oog op het gebruik van de simulatietool:

0.3

Betrokken toepassingsgeval:

▼B

AFDELING II

1.   Aanvullende informatie

1.1.

Verslag van beoordeling door een goedkeuringsinstantie

1.2.

Beschrijving van de gegevens- en processtroom (bv. stroomschema)

1.3.

Beschrijving van het kwaliteitsborgingsproces

1.4.

Eventuele aanvullende kwaliteitsborgingscertificaten

1.5.

Beschrijving van de verzameling, verwerking en opslag van de gegevens van de simulatietool

1.6.

Eventuele aanvullende documenten

2.

Goedkeuringsinstantie die verantwoordelijk is voor de uitvoering van de beoordeling

3.

Datum van het beoordelingsverslag

4.

Nummer van het beoordelingsverslag

5.

Eventuele opmerkingen: zie addendum

6.

Plaats

7.

Datum

8.

Handtekening

▼M3




BIJLAGE III

INPUTINFORMATIE OVER DE KENMERKEN VAN HET VOERTUIG

1.   Inleiding

In deze bijlage worden de parameters beschreven die de voertuigfabrikant als input voor de simulatietool moet verstrekken. Het te gebruiken xml-schema en voorbeeldgegevens zijn beschikbaar op het speciale elektronische distributieplatform.

2.   Definities

(1) 

„Parameter-ID”: unieke identificatiecode die in de simulatietool voor een specifieke inputparameter of reeks inputgegevens wordt gebruikt.

(2) 

„Type”: datatype van de parameter:

string …

tekenreeks in ISO 8859-1-codering;

token …

tekenreeks in ISO 8859-1-codering, zonder lege karakters aan begin en eind;

date …

datum en tijd (UTC) in de vorm JJJJ-MM-DDTUU:MM:SSZ waarbij de cursieve letters vaste tekens zijn, bv. „2002-05-30T09:30:10Z”;

integer …

waarde van een geheel getal zonder voorafgaande nullen, bv. „1 800 ”;

double, X …

gebroken getal met precies X cijfers na het scheidingsteken („.”) en zonder voorafgaande nullen, bv. voor „double, 2”: „2 345,67 ”; voor „double, 4”: „45.6780”.

(3) 

„Eenheid” … natuurkundige eenheid van de parameter.

(4) 

„Gecorrigeerde feitelijke massa van het voertuig”: de „feitelijke massa van het voertuig” overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1230/2012 van de Commissie (*), met uitzondering van de tank(s) die tot ten minste 50 % van zijn (hun) inhoud gevuld moeten zijn. De systemen waarin zich vloeistof bevindt worden tot 100 % van de door de fabrikant gespecificeerde inhoud gevuld, behalve die voor afvalwater, die leeg moeten blijven.

Voor middelzware enkelvoudige vrachtwagens, zware enkelvoudige vrachtwagens en trekkers wordt de massa bepaald zonder bovenbouw en gecorrigeerd met het in punt 4.3 vermelde aanvullende gewicht van niet-geïnstalleerde standaardapparatuur. De massa van de standaardcarrosserie, de standaardoplegger of de standaardaanhangwagen, om het volledige voertuig of de volledige combinatie van voertuig en oplegger of aanhangwagen te simuleren, worden automatisch toegevoegd door de simulatietool. Alle delen die op en boven het hoofdframe worden gemonteerd, worden als delen van de bovenbouw beschouwd indien zij uitsluitend worden aangebracht om een bovenbouw mogelijk te maken en niet behoren tot de delen die voor het voertuig in rijklare toestand nodig zijn.

Voor zware bussen die primaire voertuigen zijn, is de „gecorrigeerde feitelijke massa van het voertuig” niet van toepassing, aangezien de generieke massawaarde door de simulatietool wordt toegewezen.

(5) 

„Hoogte van de geïntegreerde carrosserie”: het verschil in de Z-richting tussen het referentiepunt „A” van het hoogste punt en het laagste punt „B” van een geïntegreerde carrosserie (zie figuur 1). Voor voertuigen die afwijken van het standaardgeval gelden de onderstaande gevallen (zie figuur 2).

Speciaal geval 1, twee niveaus: de hoogte van de geïntegreerde carrosserie is het gemiddelde van h1 en h2, waarbij:
— 
h1 = het verschil tussen punt A, genomen in de dwarsdoorsnede van het voertuig aan de achterzijde van de eerste passagiersdeur, en punt B;
— 
h2 = het verschil tussen punt A en punt B.
Speciaal geval 2, schuin: de hoogte van de geïntegreerde carrosserie is het gemiddelde van h1 en h2, waarbij:
— 
h1 = het verschil tussen punt A, genomen in de dwarsdoorsnede van het voertuig aan de achterzijde van de eerste passagiersdeur, en punt B;
— 
h2 = het verschil tussen punt A en punt B.
Speciaal geval 3, open bovenkant met dakgedeelte:
— 
hoogte van de geïntegreerde carrosserie, gemeten aan het aanwezige dakgedeelte.
Speciaal geval 4, open bovenkant zonder dakgedeelte:
— 
de hoogte van de geïntegreerde carrosserie is het verschil tussen het hoogste punt van het voertuig, gemeten in de lengterichting op maximaal één meter van de voorruit of, in het geval van een dubbeldekker, van de bovenste voorruit, en punt B.

Voor alle andere gevallen die niet onder de standaard- of de speciale gevallen 1 tot en met 4 vallen, is de hoogte van de geïntegreerde carrosserie het verschil tussen het hoogste punt van het voertuig en punt B. Deze parameter is alleen relevant voor zware bussen.

Figuur 1
Hoogte van de geïntegreerde carrosserie — standaardgeval image
Figuur 2
Hoogte van de geïntegreerde carrosserie — speciale gevallen
image

(6) 

„Referentiepunt A”: het hoogste punt op de carrosserie (figuur 1). Carrosserie- en/of designpanelen, beugels voor de montage van bv. HVAC-systemen, luiken en soortgelijke onderdelen worden niet in aanmerking genomen.

(7) 

„Referentiepunt B”: het laagste punt op de onderste buitenrand van de carrosserie (figuur 1). Beugels, bv. voor asbevestiging, worden niet in aanmerking genomen.

(8) 

„Voertuiglengte”: de voertuigafmeting overeenkomstig tabel I van aanhangsel 1 van bijlage I bij Verordening (EU) nr. 1230/2012. Bovendien wordt geen rekening gehouden met verwijderbare lastdragers, niet-verwijderbare koppelinrichtingen en alle andere niet-verwijderbare uitwendige onderdelen die geen invloed hebben op de bruikbare ruimte voor passagiers. Deze parameter is alleen relevant voor zware bussen.

(9) 

„Voertuigbreedte”: de voertuigafmeting overeenkomstig tabel II van aanhangsel 1 van bijlage I bij Verordening (EU) nr. 1230/2012. Afwijkend van deze bepalingen en niet in aanmerking te nemen zijn verwijderbare lastdragers, niet-verwijderbare koppelinrichtingen en alle andere niet-verwijderbare uitwendige onderdelen die geen invloed hebben op de bruikbare ruimte voor passagiers.

(10) 

„Instaphoogte in niet-geknielde toestand”: de vloerhoogte in de eerste deuropening boven de grond, gemeten bij de voorste deur van het voertuig wanneer het voertuig zich in niet-geknielde toestand bevindt.

(11) 

„Brandstofcel”: een energieomzetter die chemische energie (input) omzet in elektrische energie (output) of omgekeerd.

(12) 

„Brandstofcelvoertuig” of „FCV”: een voertuig met een aandrijflijn die uitsluitend een of meer brandstofcellen en elektrische machines als aandrijfenergieomzetter(s) omvat.

(13) 

„Hybride brandstofcelvoertuig” of „FCHV”: een brandstofcelvoertuig met een aandrijflijn die ten minste één brandstofopslagsysteem en ten minste één oplaadbaar opslagsysteem voor elektrische energie als opslagsystemen voor aandrijfenergie bevat.

(14) 

„Puur-ICE-voertuig”: voertuig waarbij alle aandrijfenergieomzetters interne verbrandingsmotoren (internal combustion engines — ICE’s) zijn.

(15) 

„Elektrische machine” of „EM”: een energieomzetter die elektrische energie omzet in mechanische energie en omgekeerd.

(16) 

„Energieopslagsysteem”: een systeem dat energie opslaat en die energie afgeeft in dezelfde vorm als de input.

(17) 

„Opslagsysteem voor aandrijfenergie”: een energieopslagsysteem van de aandrijflijn dat geen perifere voorziening is en waarvan de energie-output direct of indirect wordt gebruikt voor de aandrijving van het voertuig.

(18) 

„Categorie opslagsysteem voor aandrijfenergie”: een brandstofopslagsysteem, een oplaadbaar opslagsysteem voor elektrische energie (REESS) of een oplaadbaar opslagsysteem voor mechanische energie.

(19) 

„Stroomafwaarts”: een positie in de aandrijflijn van het voertuig die zich dichter bij de wielen bevindt dan het feitelijke referentiepunt.

(20) 

„Aandrijving”: de met elkaar verbonden elementen van de aandrijflijn voor de overbrenging van de mechanische energie tussen de aandrijfenergieomzetter(s) en de wielen.

(21) 

„Energieomzetter”: een systeem waarin de vorm van de energie-output verschilt van de vorm van de energie-input.

(22) 

„Aandrijfenergieomzetter”: een energieomzetter van de aandrijflijn die geen perifere voorziening is en waarvan de energie-output direct of indirect wordt gebruikt voor de aandrijving van het voertuig.

(23) 

„Categorie aandrijfenergieomzetter”: een verbrandingsmotor, een elektrische machine of een brandstofcel.

(24) 

„Vorm van energie”: elektrische energie, mechanische energie of chemische energie (met inbegrip van brandstoffen).

(25) 

„Brandstofopslagsysteem”: een opslagsysteem voor aandrijfenergie dat chemische energie als vloeibare of gasvormige brandstof opslaat.

(26) 

„Hybride voertuig” of „HV”: een voertuig met een aandrijflijn die bestaat uit ten minste twee verschillende categorieën aandrijfenergieomzetters en ten minste twee verschillende categorieën opslagsystemen voor aandrijfenergie.

(27) 

„Hybride elektrisch voertuig” of „HEV”: een hybride voertuig waarbij een van de aandrijfenergieomzetters een elektrische machine is en de andere een verbrandingsmotor.

(28) 

„Serieel HEV”: een hybride elektrisch voertuig met een aandrijflijnarchitectuur waarbij de interne verbrandingsmotor een of meer elektrische-energieomzettingsroutes aandrijft zonder mechanische verbinding tussen de interne verbrandingsmotor en de wielen van het voertuig.

(29) 

„Interne verbrandingsmotor” of „ICE”: een energieomzetter met periodieke of continue oxidatie van brandstof, waarbij chemische en mechanische energie worden omgezet.

(30) 

„Extern oplaadbaar hybride elektrisch voertuig” of „OVC-HEV”: een hybride elektrisch voertuig dat door een externe bron kan worden opgeladen.

(31) 

„Parallel HEV”: een hybride elektrisch voertuig met een aandrijflijnarchitectuur waarbij de interne verbrandingsmotor slechts één mechanisch verbonden route aandrijft tussen de motor en de wielen van het voertuig.

(32) 

„Perifere voorzieningen”: voorzieningen die energie verbruiken, omzetten, opslaan of aanleveren, waarbij de energie niet direct of indirect wordt gebruikt voor de aandrijving van het voertuig, maar die essentieel zijn voor de werking van de aandrijflijn.

(33) 

„Aandrijflijn”: de totale combinatie in een voertuig van opslagsystemen voor aandrijfenergie, aandrijfenergieomzetters en de aandrijvingen, die de wielen voorziet van mechanische energie voor de aandrijving van het voertuig, plus perifere voorzieningen.

(34) 

„Puur elektrisch voertuig” of „PEV”: een motorvoertuig overeenkomstig artikel 3, punt 16, van Verordening (EU) 2018/858, uitgerust met een aandrijflijn die uitsluitend elektrische machines als aandrijfenergieomzetters en uitsluitend oplaadbare opslagsystemen voor elektrische energie als opslagsystemen voor aandrijfenergie omvat en/of, als alternatief, enig ander middel voor een directe geleidende of inductieve toevoer van elektrische energie vanuit het elektriciteitsnet om de aandrijfenergie voor het motorvoertuig te leveren.

(35) 

„Stroomopwaarts”: een positie in de aandrijflijn van het voertuig die zich verder van de wielen bevindt dan het feitelijke referentiepunt.

(36) 

„IEPC”: een geïntegreerde elektrische aandrijflijncomponent overeenkomstig punt 2, 36), van bijlage X ter.

(37) 

„IHPC van type 1”: een geïntegreerde hybride elektrische aandrijfcomponent van type 1 overeenkomstig punt 2, 38), van bijlage X ter.

3.   Reeks inputparameters

In de tabellen 1 tot en met 11 worden de reeksen inputparameters gespecificeerd die met betrekking tot de kenmerken van het voertuig moeten worden verstrekt. Er worden aparte reeksen gedefinieerd naargelang van het toepassingsgeval (middelzware vrachtwagens, zware vrachtwagens en zware bussen).

Voor zware bussen wordt een onderscheid gemaakt tussen inputparameters die moeten worden verstrekt voor de simulaties van het primaire voertuig en voor de simulaties van het complete voertuig of het voltooide voertuig. De volgende bepalingen zijn van toepassing:

— 
Primairevoertuigfabrikanten delen alle in de kolom primair voertuig vermelde parameters mee.
— 
Primairevoertuigfabrikanten kunnen voorts de aanvullende inputparameters met betrekking tot het complete of voltooide voertuig verstrekken, die reeds in deze eerste fase kunnen worden bepaald. In dat geval wordt informatie over de fabrikant (P235), het adres van de fabrikant (P252), het VIN (P238) en de datum (P239) zowel voor de reeks primaire inputparameters als voor de reeks aanvullende inputparameters verstrekt.
— 
Interimfabrikanten verstrekken de inputparameters met betrekking tot het complete of voltooide voertuig die in deze fase kunnen worden bepaald en die onder hun verantwoordelijkheid vallen. Als een parameter wordt bijgewerkt die al in een eerdere fabricagefase is geleverd, moet de volledige status van de parameter worden opgegeven (bijvoorbeeld: als een tweede warmtepomp aan het voertuig wordt toegevoegd, wordt de technologie van beide systemen vermeld). De interimfabrikant verstrekt in alle gevallen de informatie over de fabrikant (P235), het adres van de fabrikant (P252), het VIN (P238) en de datum (P239).
— 
Fabrikanten van het voltooide voertuig verstrekken de inputparameters die in deze fase kunnen worden bepaald en die onder hun verantwoordelijkheid vallen. Voor noodzakelijke updates van parameters die al in eerdere fabricagefasen zijn verstrekt, gelden dezelfde bepalingen als voor interimfabrikanten. Informatie over de fabrikant (P235), het adres van de fabrikant (P252), het VIN (P238), de datum (P239) en de gecorrigeerde feitelijke massa (P038) wordt in alle gevallen verstrekt. Om de nodige simulaties te kunnen uitvoeren, moet de geconsolideerde gegevensreeks van alle fabricagefasen alle gegevens bevatten die in de kolom voor het complete voertuig of het voltooide voertuig zijn opgesomd.
— 
Fabrikanten die betrokken zijn bij de fase „compleet voertuig” verstrekken alle inputparameters. Informatie over de fabrikant (P235), het adres van de fabrikant (P252), het VIN (P238) en de datum (P239) wordt zowel voor de inputparameters voor het primaire voertuig als voor de inputparameters voor het complete voertuig verstrekt.
— 
De parameter „VehicleDeclarationType” (P293) wordt aangeleverd in alle fabricagefasen waarin een van de parameters die zijn opgesomd voor het complete of voltooide voertuig wordt verstrekt.



Tabel 1

Inputparameters „Vehicle/General”

Parameternaam

Parameter-ID

Type

Eenheid

Beschrijving/referentie

Zware vrachtwagens

Middelzware vrachtwagens

Zware bussen (primair voertuig)

Zware bussen (compleet of voltooid voertuig)

Manufacturer

P235

Token

[-]

 

X

X

X

X

Manufacturer Address

P252

Token

[-]

 

X

X

X

X

Model_CommercialName

P236

Token

[-]

 

X

X

X

X

VIN

P238

Token

[-]

 

X

X

X

X

Date

P239

dateTime

[-]

Datum en tijdstip waarop de inputinformatie en inputgegevens zijn gecreëerd

X

X

X

X

Legislative Category

P251

String

[-]

Toegestane waarden: „N2”, „N3”, „M3”

X

X

X

X

ChassisConfiguration

P036

String

[-]

Toegestane wa4arden: „Rigid Lorry”, „Tractor”, „Van”, „Bus”

X

X

X

 

AxleConfiguration

P037

String

[-]

Toegestane waarden: „4 × 2”, „4 × 2F”, „6 × 2”, „6 × 4”, „8 × 2”, „8 × 4” waarbij „4 × 2F” verwijst naar 4 × 2-voertuigen met een aangedreven vooras

X

X

X

 

Articulated

P281

boolean

 

Overeenkomstig artikel 3, punt 37

 

 

X

 

CorrectedActualMass

P038

int

[kg]

Overeenkomstig „gecorrigeerde feitelijke massa van het voertuig” zoals beschreven in punt 2, 4)

X

X

 

X

TechnicalPermissibleMaximum LadenMass

P041

int

[kg]

Overeenkomstig artikel 2, punt 7, van Verordening (EU) nr. 1230/2012

X

X

X

X

IdlingSpeed

P198

int

[min–1]

Overeenkomstig punt 7.1

Voor PEV’s is geen input vereist.

X

X

X

 

RetarderType

P052

string

[-]

Toegestane waarden: „None”, „Losses included in Gearbox”, „Engine Retarder”, „Transmission Input Retarder”, „Transmission Output Retarder”, „Axlegear Input Retarder”

„Axlegear Input Retarder” is alleen toepasselijk voor de aandrijflijnarchitecturen „E3”, „S3”, „S-IEPC” en „E-IEPC”

X

X

X

 

RetarderRatio

P053

double, 3

[-]

Versnellingsverhouding overeenkomstig tabel 2 van bijlage VI

X

X

X

 

AngledriveType

P180

string

[-]

Toegestane waarden: „None”, „Losses included in Gearbox”, „Separate Angledrive”

X

X

X

 

PTOShafts GearWheels (1)

P247

string

[-]

Toegestane waarden: „none”, „only the drive shaft of the PTO”, „drive shaft and/or up to 2 gear wheels”, „drive shaft and/or more than 2 gear wheels”, „only one engaged gearwheel above oil level”, „PTO which includes 1 or more additional gearmesh(es), without disconnect clutch”

X

 

 

 

PTOOther Elements (1)

P248

string

[-]

Toegestane waarden: „none”, „shift claw, synchroniser, sliding gearwheel”, „multi-disc clutch”, „multi-disc clutch, oil pump”

X

 

 

 

CertificationNumberEngine

P261

token

[-]

Alleen van toepassing indien het onderdeel in het voertuig aanwezig is

X

X

X

 

CertificationNumberGearbox

P262

token

[-]

Alleen van toepassing indien het onderdeel in het voertuig aanwezig is en gecertificeerde inputgegevens zijn verstrekt

X

X

X

 

CertificationNumberTorqueconverter

P263

token

[-]

Alleen van toepassing indien het onderdeel in het voertuig aanwezig is en gecertificeerde inputgegevens zijn verstrekt

X

X

X

 

CertificationNumberAxlegear

P264

token

[-]

Alleen van toepassing indien het onderdeel in het voertuig aanwezig is en gecertificeerde inputgegevens zijn verstrekt

X

X

X

 

CertificationNumberAngledrive

P265

token

[-]

Verwijst naar gecertificeerd ADC-onderdeel geïnstalleerd in de haakse overbrengingspositie.

Alleen van toepassing indien het onderdeel in het voertuig aanwezig is en gecertificeerde inputgegevens zijn verstrekt

X

X

X

 

CertificationNumberRetarder

P266

token

[-]

Alleen van toepassing indien het onderdeel in het voertuig aanwezig is en gecertificeerde inputgegevens zijn verstrekt

X

X

X

 

Certification NumberAirdrag

P268

token

[-]

Alleen van toepassing indien gecertificeerde inputgegevens zijn verstrekt

X

X

 

X

AirdragModifiedMultistage

P334

boolean

[-]

Input vereist voor alle fabricagefasen die volgen op de eerste vermelding van het luchtweerstandsonderdeel.

Indien de parameter op „true” wordt gezet zonder een gecertificeerd luchtweerstandsonderdeel op te geven, past de simulatietool standaardwaarden toe overeenkomstig bijlage VIII.

 

 

 

X

Certification NumberIEPC

P351

token

[-]

Alleen van toepassing indien het onderdeel in het voertuig aanwezig is en gecertificeerde inputgegevens zijn verstrekt

X

X

X

 

ZeroEmissionVehicle

P269

boolean

[-]

Zoals gedefinieerd in artikel 3, punt 15

X

X

X

 

VocationalVehicle

P270

boolean

[-]

Overeenkomstig artikel 3, punt 9, van Verordening (EU) 2019/1242

X

 

 

 

NgTankSystem

P275

string

[-]

Toegestane waarden: „Compressed”, „Liquefied”

Alleen relevant voor voertuigen met een motor van het brandstoftype „NG PI” en „NG CI” (P193)

Indien in een voertuig beide tanksystemen aanwezig zijn, moet het systeem dat de grootste hoeveelheid brandstofenergie kan bevatten, als input voor de simulatietool worden opgegeven.

X

X

 

X

Sleepercab

P276

boolean

[-]

 

X

 

 

 

ClassBus

P282

string

[-]

Toegestane waarden: „I”, „I+II”, „A”, „II”, „II+III”, „III”, „B” overeenkomstig punt 2 van VN-Reglement nr. 107

 

 

 

X

NumberPassengersSeatsLowerDeck

P283

int

[-]

Aantal passagierszitplaatsen, uitgezonderd zitplaatsen voor bestuurder en bijrijders.

Bij een dubbeldeksvoertuig wordt deze parameter gebruikt om de passagierszitplaatsen op het benedendek op te geven. Bij een enkeldeksvoertuig wordt deze parameter gebruikt om het totale aantal passagierszitplaatsen op te geven.

 

 

 

X

NumberPassengersStandingLowerDeck

P354

int

[-]

Aantal geregistreerde staande passagiers

Bij een dubbeldeksvoertuig wordt deze parameter gebruikt om de geregistreerde staande passagiers op het benedendek op te geven. Bij een enkeldeksvoertuig wordt deze parameter gebruikt om het totale aantal geregistreerde staande passagiers op te geven.

 

 

 

X

NumberPassengersSeatsUpperDeck

P284

int

[-]

Aantal passagierszitplaatsen, uitgezonderd zitplaatsen voor bestuurder en bijrijders op het bovendek in een dubbeldeksvoertuig.

Bij enkeldeksvoertuigen wordt „0” als input verstrekt.

 

 

 

X

NumberPassengersStandingUpperDeck

P355

int

[-]

Aantal geregistreerde staande passagiers op het bovendek in een dubbeldeksvoertuig.

Bij enkeldeksvoertuigen wordt „0” als input verstrekt.

 

 

 

X

BodyworkCode

P285

int

[-]

Toegestane waarden: „CA”, „CB”, „CC”, „CD”, „CE”, „CF”, „CG”, „CH”, „CI”, „CJ” overeenkomstig deel C, punt 3, van bijlage I bij Verordening (EU) 2018/858.

In het geval van een buschassis met voertuigcode CX wordt geen input verstrekt.

 

 

 

X

LowEntry

P286

boolean

[-]

„Lage toegang” overeenkomstig punt 1.2.2.3 van bijlage I

 

 

 

X

HeightIntegratedBody

P287

int

[mm]

Overeenkomstig punt 2, 5)

 

 

 

X

VehicleLength

P288

int

[mm]

Overeenkomstig punt 2, 8)

 

 

 

X

VehicleWidth

P289

int

[mm]

Overeenkomstig punt 2, 9)

 

 

 

X

EntranceHeight

P290

int

[mm]

Overeenkomstig punt 2, 10)

 

 

 

X

DoorDriveTechnology

P291

string

[-]

Toegestane waarden: „pneumatic”, „electric”, „mixed”

 

 

 

X

Cargo volume

P292

double, 3

[m3]

Alleen relevant voor voertuigen met chassisconfiguratie „van” (bestelwagen)

 

X

 

 

VehicleDeclarationType

P293

string

[-]

Toegestane waarden: „interim”, „final”

 

 

 

X

VehicleTypeApprovalNumber

P352

token

[-]

Typegoedkeuringsnummer van een geheel voertuig

In het geval van individuele goedkeuringen van voertuigen is dit het goedkeuringsnummer van het individuele voertuig

X

X

 

X

(1)   

Indien meerdere krachtafnemers (power take-offs, PTO’s) zijn gemonteerd op de transmissie, wordt alleen het onderdeel met de hoogste verliezen overeenkomstig punt 3.6 van bijlage IX opgegeven voor de combinatie van de criteria „PTOShaftsGearWheels” en „PTOShaftsOtherElements”.



Tabel 2

Inputparameters „Vehicle/AxleConfiguration” per wielas

Parameternaam

Parameter-ID

Type

Eenheid

Beschrijving/referentie

Zware vrachtwagens

Middelzware vrachtwagens

Zware bussen (primair voertuig)

Zware bussen (compleet of voltooid voertuig)

Twin Tyres

P045

boolean

[-]

 

X

X

X

 

Axle Type

P154

string

[-]

Toegestane waarden: „VehicleNonDriven”, „VehicleDriven”

X

X

X

 

Steered

P195

boolean

 

Alleen actief gestuurde assen worden als „steered” opgegeven

X

X

X

 

Certification NumberTyre

P267

token

[-]

 

X

X

X

 

De tabellen 3 en 3a bevatten de lijsten met inputparameters voor de hulpapparatuur. De technische definities om deze parameters te bepalen, zijn opgenomen in bijlage IX. De parameter-ID wordt gebruikt als ondubbelzinnige verwijzing tussen de parameters van de bijlagen III en IX.



Tabel 3

Inputparameters „Vehicle/Auxiliaries” voor middelzware vrachtwagens en zware vrachtwagens

Parameternaam

Parameter-ID

Type

Eenheid

Beschrijving/referentie

EngineCoolingFan/Technology

P181

string

[-]

Toegestane waarden: „Crankshaft mounted - Electronically controlled visco clutch”, „Crankshaft mounted - Bimetallic controlled visco clutch”, „Crankshaft mounted - Discrete step clutch”, „Crankshaft mounted - On/off clutch”, „Belt driven or driven via transmission - Electronically controlled visco clutch”, „Belt driven or driven via transmission - Bimetallic controlled visco clutch”, „Belt driven or driven via transmission - Discrete step clutch”, „Belt driven or driven via transmission - On/off clutch”, „Hydraulic driven - Variable displacement pump”, „Hydraulic driven - Constant displacement pump”, „Electrically driven - Electronically controlled”

SteeringPump/Technology

P182

string

[-]

Toegestane waarden: „Fixed displacement”, „Fixed displacement with elec. control”, „Dual displacement”, „Dual displacement with elec. control”, „Variable displacement mech. controlled”, „Variable displacement elec. controlled”, „Electric driven pump”, „Full electric steering gear”

Voor PEV’s of HEV’s met een aandrijflijnconfiguratie „S” of „S-IEPC” overeenkomstig punt 10.1.1 zijn „Electric driven pump” of „Full electric steering gear” de enige toegestane waarden.

Voor elke actief gestuurde wielas is een afzonderlijke vermelding vereist.

ElectricSystem/Technology

P183

string

[-]

Toegestane waarden: „Standard technology”, „Standard technology - LED headlights, all”

PneumaticSystem/Technology

P184

string

[-]

Toegestane waarden: „Small”, „Small + ESS”, „Small + visco clutch ”, „Small + mech. clutch”, „Small + ESS + AMS”, „Small + visco clutch + AMS”, „Small + mech. clutch + AMS”, „Medium Supply 1-stage”, „Medium Supply 1-stage + ESS”, „Medium Supply 1-stage + visco clutch ”, „Medium Supply 1-stage + mech. clutch”, „Medium Supply 1-stage + ESS + AMS”, „Medium Supply 1-stage + visco clutch + AMS”, „Medium Supply 1-stage + mech. clutch + AMS”, „Medium Supply 2-stage”, „Medium Supply 2-stage + ESS”, „Medium Supply 2-stage + visco clutch ”, „Medium Supply 2-stage + mech. clutch”, „Medium Supply 2-stage + ESS + AMS”, „Medium Supply 2-stage + visco clutch + AMS”, „Medium Supply 2-stage + mech. clutch + AMS”, „Large Supply”, „Large Supply + ESS”, „Large Supply + visco clutch ”, „Large Supply + mech. clutch”, „Large Supply + ESS + AMS”, „Large Supply + visco clutch + AMS”, „Large Supply + mech. clutch + AMS”, „Vacuum pump”, „Small + elec. driven”, „Small + ESS + elec. driven ”, „Medium Supply 1-stage + elec. driven”, „Medium Supply 1-stage + AMS + elec. driven ”, „Medium Supply 2-stage + elec. driven”, „Medium Supply 2-stage + AMS + elec. driven”, „Large Supply + elec. driven”, „Large Supply + AMS + elec. driven”, „Vacuum pump + elec. driven”

Voor PEV’s zijn alleen „elec. driven”-technologieën toegestane waarden.

HVAC/Technology

P185

string

[-]

Toegestane waarden: „None”, „Default”



Tabel 3a

Inputparameters „Vehicle/Auxiliaries” voor zware bussen

Parameternaam

Parameter-ID

Type

Eenheid

Beschrijving/referentie

Zware bussen (primair voertuig)

Zware bussen (compleet of voltooid voertuig)

EngineCoolingFan/Technology

P181

string

[-]

Toegestane waarden: „Crankshaft mounted - Electronically controlled visco clutch”, „Crankshaft mounted - Bimetallic controlled visco clutch”, „Crankshaft mounted - Discrete step clutch 2 stages”, „Crankshaft mounted - Discrete step clutch 3 stages”, „Crankshaft mounted - On/off clutch”, „Belt driven or driven via transmission - Electronically controlled visco clutch”, „Belt driven or driven via transmission - Bimetallic controlled visco clutch”, „Belt driven or driven via transmission - Discrete step clutch 2 stages”, „Belt driven or driven via transmission - Discrete step clutch 3 stages”, „Belt driven or driven via transmission - On/off clutch”, „Hydraulic driven - Variable displacement pump”, „Hydraulic driven - Constant displacement pump”, „Electrically driven - Electronically controlled”

X

 

SteeringPump/Technology

P182

string

[-]

Toegestane waarden: „Fixed displacement”, „Fixed displacement with elec. control”, „Dual displacement”, „Dual displacement with elec. control”, „Variable displacement mech. controlled”, „Variable displacement elec. controlled”, „Electric driven pump”, „Full electric steering gear”

Voor PEV’s of HEV’s met een aandrijflijnconfiguratie „S” of „S-IEPC” overeenkomstig punt 10.1.1 zijn alleen „Electric driven pump” of „Full electric steering gear” toegestane waarden

Voor elke actief gestuurde wielas is een afzonderlijke vermelding vereist.

X

 

ElectricSystem/AlternatorTechnology

P294

string

[-]

Toegestane waarden: „conventional”, „smart”, „no alternator”

Eén vermelding per voertuig

Voor puur-ICE-voertuigen zijn alleen „conventional” of „smart” toegestane waarden

Voor HEV’s met een aandrijflijnconfiguratie „S” of „S-IEPC” overeenkomstig punt 10.1.1 zijn alleen „no alternator” of „conventional” toegestane waarden

X

 

ElectricSystem/SmartAlternatorRatedCurrent

P295

integer

[A]

Afzonderlijke vermelding per slimme alternator

X

 

ElectricSystem/SmartAlternatorRatedVoltage

P296

integer

[V]

Toegestane waarden: „12”, „24”, „48”

Afzonderlijke vermelding per slimme alternator

X

 

ElectricSystem/SmartAlternatorBatteryTechnology

P297

string

[-]

Toegestane waarden: „lead-acid battery – conventional”, „lead-acid battery –AGM”, „lead-acid battery – gel”, „li-ion battery - high power”, „li-ion battery - high energy”

Afzonderlijke vermelding per accu die wordt opgeladen door een slim alternatorsysteem

X

 

ElectricSystem/SmartAlternatorBatteryNominalVoltage

P298

integer

[V]

Toegestane waarden: „12”, „24”, „48”

Wanneer accu’s in serie zijn geconfigureerd (bv. twee 12V-eenheden voor een 24V-systeem), wordt de feitelijke nominale spanning van de afzonderlijke accu-eenheden (12 V in dit voorbeeld) verstrekt.

Afzonderlijke vermelding per accu die wordt opgeladen door een slim alternatorsysteem

X

 

ElectricSystem/SmartAlternatorBatteryRatedCapacity

P299

integer

[Ah]

Afzonderlijke vermelding per accu die wordt opgeladen door een slim alternatorsysteem

X

 

ElectricSystem/SmartAlternatorCapacitorTechnology

P300

string

[-]

Toegestane waarden: „with DCDC converter”

Afzonderlijke vermelding per condensator die wordt opgeladen door een slim alternatorsysteem

X

 

ElectricSystem/SmartAlternatorCapacitorRatedCapacitance

P301

integer

[F]

Afzonderlijke vermelding per condensator die wordt opgeladen door een slim alternatorsysteem

X

 

ElectricSystem/SmartAlternatorCapacitorRatedVoltage

P302

integer

[V]

Afzonderlijke vermelding per condensator die wordt opgeladen door een slim alternatorsysteem

X

 

ElectricSystem/SupplyFromHEVPossible

P303

boolean

[-]

 

X

 

ElectricSystem/InteriorlightsLED

P304

boolean

[-]

 

 

X

ElectricSystem/DayrunninglightsLED

P305

boolean

[-]

 

 

X

ElectricSystem/PositionlightsLED

P306

boolean

[-]

 

 

X

ElectricSystem/BrakelightsLED

P307

boolean

[-]

 

 

X

ElectricSystem/HeadlightsLED

P308

boolean

[-]

 

 

X

PneumaticSystem/SizeOfAirSupply

P309

string

[-]

Toegestane waarden: „Small”, „Medium Supply 1-stage”, „Medium Supply 2-stage”, „Large Supply 1-stage”, „Large Supply 2-stage”, „not applicable”

Voor compressoraandrijving elektrisch wordt „not applicable” verstrekt.

Voor PEV’s is geen input vereist.

X

 

PneumaticSystem/CompressorDrive

P310

string

[-]

Toegestane waarden: „mechanically”, „electrically”

Voor PEV’s is alleen „electrically” een toegestane waarde.

X

 

PneumaticSystem/Clutch

P311

string

[-]

Toegestane waarden: „none”, „visco”, „mechanically”

Voor PEV’s is geen input vereist.

X

 

PneumaticSystem/SmartRegenerationSystem

P312

boolean

[-]

 

X

 

PneumaticSystem/SmartCompressionSystem

P313

boolean

[-]

Voor PEV’s of HEV’s met een aandrijflijnconfiguratie „S” of „S-IEPC” overeenkomstig punt 10.1.1 is geen input vereist.

X

 

PneumaticSystem/Ratio Compressor ToEngine

P314

double, 3

[-]

Voor compressoraandrijving elektrisch wordt „0.000” verstrekt.

Voor PEV’s is geen input vereist.

X

 

PneumaticSystem/Air suspension control

P315

string

[-]

Toegestane waarden: „mechanically”, „electronically”

X

 

PneumaticSystem/SCRReagentDosing

P316

boolean

[-]

 

X

 

HVAC/SystemConfiguration

P317

int

[-]

Toegestane waarden: „0” t/m „10”

In het geval van een onvolledig HVAC-systeem moet „0” worden verstrekt. „0” is niet van toepassing op complete of voltooide voertuigen.

 

X

HVAC/ HeatPumpTypeDriverCompartmentCooling

P318

string

[-]

Toegestane waarden: „none”, „not applicable”, „R-744”, „non R-744 2-stage”, „non R-744 3-stage”, „non R-744 4-stage”, „non R-744 continuous”

„not applicable” moet worden opgegeven voor HVAC-systeemconfiguraties 6 en 10 vanwege de toevoer door de warmtepomp van de passagiersruimte

 

X

HVAC/ HeatPumpTypeDriverCompartmentHeating

P319

string

[-]

Toegestane waarden: „none”, „not applicable”, „R-744”, „non R-744 2-stage”, „non R-744 3-stage”, „non R-744 4-stage”, „non R-744 continuous”

„not applicable” moet worden opgegeven voor HVAC-systeemconfiguraties 6 en 10 vanwege de toevoer door de warmtepomp van de passagiersruimte

 

X

HVAC/ HeatPumpTypePassengerCompartmentCooling

P320

string

[-]

Toegestane waarden: „none”, „R-744”, „non R-744 2-stage”, „non R-744 3-stage”, non R-744 4-stage”, „non R-744 continuous”

In het geval van meerdere warmtepompen met verschillende technologieën voor de koeling van de passagiersruimte, moet de dominante technologie worden opgegeven (bv. op basis van het beschikbare vermogen of de voorkeurstechnologie tijdens gebruik).

 

X

HVAC/ HeatPumpTypePassengerCompartmentHeating

P321

string

[-]

Toegestane waarden: „none”, „R-744”, „non R-744 2-stage”, „non R-744 3-stage”, non R-744 4-stage”, „non R-744 continuous”

In het geval van meerdere warmtepompen met verschillende technologieën voor de verwarming van de passagiersruimte, moet de dominante technologie worden opgegeven (bv. op basis van het beschikbare vermogen of de voorkeurstechnologie tijdens gebruik).

 

X

HVAC/AuxiliaryHeaterPower

P322

integer

[W]

Voer „0” in als er geen hulpverwarming is geïnstalleerd.

 

X

HVAC/Double glazing

P323

boolean

[-]

 

 

X

HVAC/AdjustableCoolantThermostat

P324

boolean

[-]

 

X

 

HVAC/AdjustableAuxiliaryHeater

P325

boolean

[-]

 

 

X

HVAC/EngineWasteGasHeatExchanger

P326

boolean

[-]

Voor PEV’s is geen input vereist.

X

 

HVAC/SeparateAirDistributionDucts

P327

boolean

[-]

 

 

X

HVAC/WaterElectricHeater

P328

boolean

[-]

Input alleen te verstrekken voor HEV’s en PEV’s

 

X

HVAC/AirElectricHeater

P329

boolean

[-]

Input alleen te verstrekken voor HEV’s en PEV’s

 

X

HVAC/OtherHeating Technology

P330

boolean

[-]

Input alleen te verstrekken voor HEV’s en PEV’s

 

X



Tabel 4

Inputparameters „Vehicle/EngineTorqueLimits” per versnelling (facultatief)

Parameternaam

Parameter-ID

Type

Eenheid

Beschrijving/referentie

Zware vrachtwagens

Middelzware vrachtwagens

Zware bussen (primair voertuig)

Zware bussen (compleet of voltooid voertuig)

Gear

P196

integer

[-]

Er moeten alleen versnellingsnummers worden gespecificeerd indien er overeenkomstig punt 6 voertuiggerelateerde motorkoppelbegrenzingen gelden.

X

X

X

 

MaxTorque

P197

integer

[Nm]

 

X

X

X

 



Tabel 5

Inputparameters voor overeenkomstig artikel 9 vrijgestelde voertuigen

Parameternaam

Parameter-ID

Type

Eenheid

Beschrijving/ referentie

Zware vrachtwagens

Middelzware vrachtwagens

Zware bussen (primair voertuig)

Zware bussen (compleet en voltooid voertuig)

Manufacturer

P235

token

[-]

 

X

X

X

X

ManufacturerAddress

P252

token

[-]

 

X

X

X

X

Model_CommercialName

P236

token

[-]

 

X

X

X

X

VIN

P238

token

[-]

 

X

X

X

X

Date

P239

dateTime

[-]

Datum en tijdstip waarop de inputinformatie en inputgegevens zijn gecreëerd

X

X

X

X

LegislativeCategory

P251

string

[-]

Toegestane waarden: „N2”, „N3”,„M3”

X

X

X

X

ChassisConfiguration

P036

string

[-]

Toegestane waarden: „Rigid Lorry”, „Tractor”, „Van”, „Bus”

X

X

X

 

AxleConfiguration

P037

string

[-]

Toegestane waarden: „4 × 2”, „4 × 2F”, „6 × 2”, „6 × 4”, „8 × 2”, „8 × 4” waarbij „4 × 2F” verwijst naar 4 × 2-voertuigen met een aangedreven vooras

X

X

X

 

Articulated

P281

boolean

 

Overeenkomstig de definities van bijlage I bij deze verordening.

 

 

X

 

CorrectedActualMass

P038

int

[kg]

Overeenkomstig „gecorrigeerde feitelijke massa van het voertuig” zoals beschreven in punt 2, 4)

X

X

 

X

TechnicalPermissibleMaximumLadenMass

P041

int

[kg]

Overeenkomstig artikel 2, punt 7, van Verordening (EU) nr. 1230/2012

X

X

X

X

ZeroEmissionVehicle

P269

boolean

[-]

Zoals gedefinieerd in artikel 3, punt 15

X

X

X

 

Sleepercab

P276

boolean

[-]

 

X

 

 

 

ClassBus

P282

string

[-]

Toegestane waarden: „I”, „I+II”, „A”, „II”, „II+III”, „III”, „B” overeenkomstig punt 2 van VN-Reglement nr. 107

 

 

 

X

NumberPassengersSeatsLowerDeck

P283

int

[-]

Aantal passagierszitplaatsen, uitgezonderd zitplaatsen voor bestuurder en bijrijders.

Bij een dubbeldeksvoertuig wordt deze parameter gebruikt om de passagierszitplaatsen op het benedendek op te geven. Bij een enkeldeksvoertuig wordt deze parameter gebruikt om het totale aantal passagierszitplaatsen op te geven.

 

 

 

X

NumberPassengersStandingLowerDeck

P354

int

[-]

Aantal geregistreerde staande passagiers

Bij een dubbeldeksvoertuig wordt deze parameter gebruikt om de geregistreerde staande passagiers op het benedendek op te geven. Bij een enkeldeksvoertuig wordt deze parameter gebruikt om het totale aantal geregistreerde staande passagiers op te geven.

 

 

 

X

NumberPassengersSeatsUpperDeck

P284

int

[-]

Aantal passagierszitplaatsen, uitgezonderd zitplaatsen voor bestuurder en bijrijders op het bovendek in een dubbeldeksvoertuig.

Bij enkeldeksvoertuigen wordt „0” als input verstrekt.

 

 

 

X

NumberPassengersStandingUpperDeck

P355

int

[-]

Aantal geregistreerde staande passagiers op het bovendek in een dubbeldeksvoertuig.

Bij enkeldeksvoertuigen wordt „0” als input verstrekt.

 

 

 

X

BodyworkCode

P285

int

[-]

Toegestane waarden: „CA”, „CB”, „CC”, „CD”, „CE”, „CF”, „CG”, „CH”, „CI”, „CJ” overeenkomstig punt 3 van deel C van bijlage I bij Verordening (EU) 2018/858

 

 

 

X

LowEntry

P286

boolean

[-]

„Lage toegang” overeenkomstig punt 1.2.2.3 van bijlage I

 

 

 

X

HeightIntegratedBody

P287

int

[mm]

Overeenkomstig punt 2, 5)

 

 

 

X

SumNetPower

P331

int

[W]

De hoogst mogelijke som van het positief voortstuwingsvermogen van alle energieomzetters, die gekoppeld zijn aan de aandrijflijn of de wielen van het voertuig

X

X

X

 

Technology

P332

string

[-]

Overeenkomstig tabel 1 van aanhangsel 1.

Toegestane waarden: „Dual-fuel vehicle Article 9 exempted”, „In-motion charging Article 9 exempted”, „Multiple powertrains Article 9 exempted”, „FCV Article 9 exempted”, „H2 ICE Article 9 exempted”, „HEV Article 9 exempted”, „PEV Article 9 exempted”, „HV Article 9 exempted”

X

X

X

 



Tabel 6

Inputparameters „Advanced driver assistance systems”

Parameternaam

Parameter-ID

Type

Eenheid

Beschrijving/ referentie

Zware vrachtwagens

Middelzware vrachtwagens

Zware bussen (primair voertuig)

Zware bussen (compleet en voltooid voertuig)

EngineStopStart

P271

boolean

[-]

Overeenkomstig punt 8.1.1

Input alleen voor puur-ICE-voertuigen en HEV’s.

X

X

X

X

EcoRollWithoutEngineStop

P272

boolean

[-]

Overeenkomstig punt 8.1.2

Input alleen voor puur-ICE-voertuigen.

X

X

X

X

EcoRollWithEngineStop

P273

boolean

[-]

Overeenkomstig punt 8.1.3

Input alleen voor puur-ICE-voertuigen.

X

X

X

X

PredictiveCruiseControl

P274

string

[-]

Overeenkomstig punt 8.1.4, toegestane waarden: „1,2”, „1,2,3”

X

X

X

X

APTEcoRollReleaseLockupClutch

P333

boolean

[-]

Alleen relevant in het geval van APT-S- en APT-P-transmissies in combinatie met een ecoroll-functie. Wordt op „true” gezet als functionaliteit 2 zoals gedefinieerd in punt 8.1.2 de overheersende ecoroll-modus is.

Input alleen voor puur-ICE-voertuigen.

X

X

X

X



Tabel 7

Algemene inputparameters voor HEV’s en PEV’s

Parameternaam

Parameter-ID

Type

Eenheid

Beschrijving/referentie

Zware vrachtwagens

Middelzware vrachtwagens

Zware bussen (primair voertuig)

Zware bussen (compleet of voltooid voertuig)

ArchitectureID

P400

string

[-]

Overeenkomstig punt 10.1.3 zijn de volgende waarden toegestaan als input:

„E2”, „E3”, „E4”, „E-IEPC”, „P1”, „P2”, „P2.5”, „P3”, „P4”, „S2”, „S3”, „S4”, „S-IEPC”

X

X

X

 

OvcHev

P401

boolean

[-]

Overeenkomstig punt 2, 31)

X

X

X

 

MaxChargingPower

P402

integer

[W]

Het maximale laadvermogen dat voor extern opladen door het voertuig wordt toegestaan, moet als input voor de simulatietool worden opgegeven.

Alleen relevant indien parameter „OvcHev” op „true” is ingesteld.

X

X

X

 



Tabel 8

Inputparameters per positie van de elektrische machine

(Alleen van toepassing indien het onderdeel in het voertuig aanwezig is)

Parameternaam

Parameter-ID

Type

Eenheid

Beschrijving/referentie

PowertrainPosition

P403

string

[-]

Positie van de elektrische machine (EM) in de aandrijflijn van het voertuig overeenkomstig de punten 10.1.2 en 10.1.3.

Toegestane waarden: „1”, „2”, „2.5”, „3”, „4”, „GEN”.

Slechts één EM-positie per aandrijflijn toegestaan, behalve voor architectuur „S”. Architectuur „S” vereist EM-positie „GEN” en daarnaast één andere EM-positie, namelijk „2”, „3” of „4”.

Positie „1” is niet toegestaan voor architecturen „S” en „E”

Positie „GEN” is alleen toegestaan voor architectuur „S”

Count

P404

integer

[-]

Aantal identieke elektrische machines op de gespecificeerde EM-positie.

In het geval „4” is geselecteerd voor de parameter „PowertrainPosition”, moet de telling een veelvoud van 2 zijn (b.v 2, 4, 6).

CertificationNumberEM

P405

token

[-]

 

CertificationNumberADC

P406

token

[-]

Optionele input in geval van een extra enkelvoudige versnellingsverhouding (ADC) tussen de EM-as en het aansluitingspunt naar de aandrijflijn van het voertuig overeenkomstig punt 10.1.2.

Niet toegestaan indien parameter „IHPCType” is ingesteld op „IHPC Type 1”.

P2.5GearRatios

P407

double, 3

[-]

Alleen van toepassing indien de parameter „PowertrainPosition” op „P2.5” is ingesteld

Opgegeven voor elke voorwaartse versnelling van de transmissie. Opgegeven waarde voor de overbrengingsverhouding gedefinieerd door hetzij „nGBX_in / nEM” in het geval van EM zonder ADC, hetzij „nGBX_in / nADC” in het geval van EM met ADC.

nGBX_in = toerental van ingaande aandrijfas transmissie

nEM = toerental van uitgaande aandrijfas EM

nADC = toerental van uitgaande aandrijfas ADC



Tabel 9

Koppelbegrenzingen per positie van elektrische machine (optioneel)

Opgave van een afzonderlijk gegevensreeks voor elk spanningsniveau gemeten onder „CertificationNumberEM”. Opgave niet toegestaan indien parameter „IHPCType” is ingesteld op „IHPC Type 1”.

Parameternaam

Parameter-ID

Type

Eenheid

Beschrijving/referentie

OutputShaftSpeed

P408

double, 2

[min–1]

Exact dezelfde gegevens voor toerental moeten worden opgegeven als onder „CertificationNumberEM” voor parameternummer „P468” van aanhangsel 15 van bijlage X ter.

MaxTorque

P409

double, 2

[Nm]

Maximumkoppel van de EM (met betrekking tot de uitgaande aandrijfas) als functie van toerentalpunten aangegeven onder parameternummer „P469” van aanhangsel 15 van bijlage X ter.

Elke opgegeven waarde voor het maximumkoppel moet hetzij lager zijn dan 0,9 keer de oorspronkelijke waarde bij het respectieve toerental, hetzij exact overeenstemmen met de oorspronkelijke waarde bij het respectieve toerental.

De opgegeven waarden voor het maximumkoppel mogen niet lager zijn dan nul.

Indien de parameter „Count” (P404) groter is dan één, moet het maximumkoppel voor één EM worden opgegeven (zoals aanwezig in de onderdelentest voor de EM onder „CertificationNumberEM”).

MinTorque

P410

double, 2

[Nm]

Minimumkoppel van de EM (met betrekking tot de uitgaande aandrijfas) als functie van toerentalpunten aangegeven onder parameternummer „P470” van aanhangsel 15 van bijlage X ter.

Elke opgegeven waarde voor het minimumkoppel moet hetzij hoger zijn dan 0,9 keer de oorspronkelijke waarde bij het respectieve toerental, hetzij exact overeenstemmen met de oorspronkelijke waarde bij het respectieve toerental.

De opgegeven waarden voor het minimumkoppel mogen niet hoger zijn dan nul.

Indien de parameter „Count” (P404) groter is dan één, moet het minimumkoppel voor één EM worden opgegeven (zoals aanwezig in de onderdelentest voor de EM onder „CertificationNumberEM”).



Tabel 10

Inputparameters per REESS

(Alleen van toepassing indien het onderdeel in het voertuig aanwezig is)

Parameternaam

Parameter-ID

Type

Eenheid

Beschrijving/referentie

StringID

P411

integer

[-]

De opstelling van representatieve accusubsystemen overeenkomstig bijlage X ter op voertuigniveau wordt opgegeven door elk accusubsysteem toe te wijzen aan een specifieke, door deze parameter gedefinieerde string. Alle specifieke strings zijn parallel geschakeld, alle accusubsystemen die zich in één specifieke parallelle string bevinden, zijn in serie geschakeld.

Toegestane waarden: „1”, „2”, „3”, …

CertificationNumberREESS

P412

token

[-]

 

SOCmin

P413

integer

[%]

Optionele input.

Alleen relevant voor accu’s van het REESS-type.

Parameter werkt alleen in de simulatietool wanneer de input hoger is dan de generieke waarde zoals gedocumenteerd in de gebruikershandleiding.

SOCmax

P414

integer

[%]

Optionele input.

Alleen relevant voor accu’s van het REESS-type.

Parameter werkt alleen in de simulatietool wanneer de input lager is dan de generieke waarde zoals gedocumenteerd in de gebruikershandleiding.



Tabel 11

Boostbeperkingen voor parallelle HEV’s (optioneel)

Alleen toegestaan wanneer de aandrijflijnconfiguratie overeenkomstig punt 10.1.1 gelijk is aan „P” of „IHPC Type 1”.

Parameternaam

Parameter-ID

Type

Eenheid

Beschrijving/referentie

RotationalSpeed

P415

double, 2

[min–1]

Verwijst naar toerental ingaande aandrijfas transmissie

BoostingTorque

P416

double, 2

[Nm]

Overeenkomstig punt 10.2

4.   Voertuigmassa voor middelzware enkelvoudige vrachtwagens en trekkers, zware enkelvoudige vrachtwagens en trekkers

4.1. De gecorrigeerde feitelijke massa van het voertuig is de voertuigmassa die als input voor de simulatietool wordt gebruikt.

4.2. Als niet alle standaarduitrusting is gemonteerd, vermeerdert de fabrikant de gecorrigeerde feitelijke massa van het voertuig met de massa van de volgende constructie-elementen:

a) 

bescherming aan de voorzijde tegen klemrijden overeenkomstig Verordening (EU) 2019/2144 (**) van het Europees Parlement en de Raad;

b) 

bescherming aan de achterzijde tegen klemrijden overeenkomstig Verordening (EU) 2019/2144;

c) 

zijdelingse bescherming overeenkomstig Verordening (EU) 2019/2144;

d) 

koppelschotel overeenkomstig Verordening (EU) 2019/2144.

4.3. De massa van de in punt 4.2 bedoelde constructie-elementen bedraagt:

voor voertuigen van de groepen 1s, 1, 2 en 3, zoals aangegeven in tabel 1 van bijlage I en voor voertuigen van de groepen 51 en 53, zoals aangegeven in tabel 2 van bijlage I:

bescherming aan de voorzijde tegen klemrijden

45 kg;

bescherming aan de achterzijde tegen klemrijden

40 kg;

zijdelingse bescherming

8,5 kg/m × wielbasis [m] – 2,5 kg;

voor voertuigen van de groepen 4, 5, 9 tot en met 12 en 16 zoals aangegeven in tabel 1 van bijlage I:

bescherming aan de voorzijde tegen klemrijden

50 kg;

bescherming aan de achterzijde tegen klemrijden

45 kg;

zijdelingse bescherming

14 kg/m × wielbasis [m] – 17 kg;

koppelschotel

210 kg;

5.   Hydraulisch en mechanisch aangedreven assen

Bij voertuigen die zijn uitgerust met:

a) 

hydraulisch aangedreven assen, worden die assen als niet-aandrijfbare assen beschouwd en houdt de fabrikant daarmee geen rekening bij de vaststelling van de assenconfiguratie van een voertuig;

b) 

mechanisch aangedreven assen, worden die assen als aandrijfbare assen beschouwd en houdt de fabrikant daarmee rekening bij de vaststelling van de assenconfiguratie van een voertuig.

6.   Versnellingsafhankelijke motorkoppelbegrenzingen en versnellingsuitschakeling

6.1.   Versnellingsafhankelijke motorkoppelbegrenzingen

Voor de hoogste 50 % van de versnellingen (d.w.z. voor de versnellingen 7 t/m 12 van een transmissie met 12 versnellingen) kan de voertuigfabrikant een versnellingsafhankelijke motorkoppelbegrenzing opgeven die ten hoogste 95 % van het maximummotorkoppel bedraagt.

6.2.   Versnellingsuitschakeling

Voor de hoogste twee versnellingen (bijvoorbeeld 5 en 6 bij een transmissie met 6 versnellingen) kan de voertuigfabrikant de versnellingen volledig uitschakelen door 0 Nm als versnellingsafhankelijke motorkoppelbegrenzing op te geven in de input voor de simulatietool.

6.3.   Controle-eisen

Versnellingsafhankelijke motorkoppelbegrenzingen overeenkomstig punt 6.1 en versnellingsuitschakeling overeenkomstig punt 6.2 worden gecontroleerd tijdens de controletestprocedure (VTP) zoals vastgelegd in punt 6.1.1.1, c), van bijlage X bis.

7.   Voertuigspecifiek stationair toerental

7.1. Het stationaire toerental moet voor elk individueel voertuig met een ICE worden opgegeven. Dit opgegeven stationaire toerental van het voertuig moet gelijk zijn aan of hoger zijn dan de waarde die gespecificeerd is in de inputgegevens van de motor bij de goedkeuring.

8.   Geavanceerde rijhulpsystemen

8.1. De volgende typen geavanceerde rijhulpsystemen, die in de eerste plaats bedoeld zijn om het brandstofverbruik en de CO2-emissies te verminderen, worden in de input voor de simulatietool opgegeven:

8.1.1. 

Stop-startsysteem van de motor bij stilstand van het voertuig: systeem dat de verbrandingsmotor automatisch uitschakelt en opnieuw start wanneer het voertuig stilstaat ter verkorting van de tijd dat de motor stationair draait. Voor de automatische uitschakeling van de motor mag de maximale vertraging na de stilstand van het voertuig niet meer dan drie seconden bedragen.

8.1.2. 

Ecoroll zonder stop-startsysteem van de motor: systeem dat de verbrandingsmotor automatisch loskoppelt van de aandrijflijn tijdens specifieke rijomstandigheden bij afdalingen met lage negatieve hellingsgraden. Het systeem is actief bij ten minste alle ingestelde snelheden van de snelheidsregelaar boven 60 km/h. Elk systeem dat in de input voor de simulatietool wordt opgegeven, moet een of beide van de volgende functionaliteiten omvatten:

Functionaliteit 1:
de verbrandingsmotor is ontkoppeld van de aandrijflijn en de motor draait stationair. Bij APT-transmissies is de overbruggingskoppeling van de koppelomvormer gesloten.
Functionaliteit 2: overbruggingskoppeling van koppelomvormer geopend.
De overbruggingskoppeling van de koppelomvormer is in de ecoroll-modus geopend. Hierdoor kan de motor in vrijloopmodus bij lagere toerentallen functioneren en wordt de brandstofinspuiting verminderd of zelfs uitgeschakeld. Functionaliteit 2 is alleen relevant voor APT-transmissies.
8.1.3. 

Ecoroll met stop-startsysteem van de motor: systeem dat de verbrandingsmotor automatisch loskoppelt van de aandrijflijn tijdens specifieke rijomstandigheden bij afdalingen met lage negatieve hellingsgraden. Daarbij wordt de verbrandingsmotor na een korte vertraging uitgeschakeld en tijdens het grootste deel van de ecoroll-fase uitgeschakeld gehouden. Het systeem is actief bij ten minste alle ingestelde snelheden van de snelheidsregelaar boven 60 km/h.

8.1.4. 

Voorspellende snelheidsregelaar (predictive cruise control, PCC): systemen die het gebruik van potentiële energie tijdens een rijcyclus optimaliseren op basis van een beschikbare voorbeschouwing van de gegevens betreffende de hellingsgraden op de weg en het gebruik van een gps-systeem. Een PCC-systeem dat in de input voor de simulatietool wordt opgegeven, moet over een afstand van meer dan 1 000 meter een voorbeschouwing van de aankomende hellingsgraden kunnen genereren en alle onderstaande functies omvatten:

(1) 

Vrijloop bergopwaarts

Bij het naderen van het hoogste punt van een opwaartse helling wordt de snelheid van het voertuig verminderd vóór het punt waar het voertuig door de zwaartekracht alleen begint te accelereren ten opzichte van de ingestelde snelheid van de kruissnelheidsregelaar, zodat er bij de volgende afdaling minder hoeft te worden geremd.

(2) 

Versnelling zonder motorvermogen

Bij het rijden in een afdaling met een lage voertuigsnelheid en een hoge negatieve hellingsgraad vindt de versnelling van het voertuig plaats zonder gebruik te maken van motorvermogen, zodat er in de afdaling minder hoeft te worden geremd.

(3) 

Vrijloop bergafwaarts

Bij het rijden in een afdaling wanneer het voertuig remt bij de topsnelheid, verhoogt de PCC de topsnelheid voor een korte periode om de afdaling te beëindigen met een hogere voertuigsnelheid. De topsnelheid is een hogere voertuigsnelheid dan de ingestelde snelheid van de kruissnelheidsregelaar.

Een PCC-systeem kan als input voor de simulatietool worden opgegeven indien het de in de punten 1 en 2, of de in de punten 1, 2 en 3, beschreven functies omvat.

8.2. De elf combinaties van de geavanceerde rijhulpsystemen zoals beschreven in tabel 12 zijn inputparameters voor de simulatietool. De combinaties 2 tot en met 11 mogen niet worden opgegeven voor SMT-transmissies. De combinaties 3, 6, 9 en 11 mogen niet worden opgegeven voor APT-transmissies.



Tabel 12

Combinaties van geavanceerde rijhulpsystemen als inputparameters voor de simulatietool

Combinatienummer

Stop-startsysteem van de motor bij stilstand van het voertuig

Ecoroll zonder stop-startsysteem voor de motor

Ecoroll met stop-startsysteem voor de motor

Voorspellende kruissnelheidsregelaar

1

ja

nee

nee

nee

2

nee

ja

nee

nee

3

nee

nee

ja

nee

4

nee

nee

nee

ja

5

ja

ja

nee

nee

6

ja

nee

ja

nee

7

ja

nee

nee

ja

8

nee

ja

nee

ja

9

nee

nee

ja

ja

10

ja

ja

nee

ja

11

ja

nee

ja

ja

8.3 Elk geavanceerd rijhulpsysteem dat in de input voor de simulatietool wordt opgegeven, wordt na elke „key-off/key-on”-cyclus standaard in de brandstofbesparingsmodus gezet.

8.4 Als een geavanceerd rijhulpsysteem wordt opgegeven in de input voor de simulatietool, moet het mogelijk zijn na te gaan of een dergelijk systeem aanwezig is op basis van reële rijomstandigheden en de systeemdefinities in punt 8.1. Als een bepaalde combinatie van systemen wordt opgegeven, moet ook de wisselwerking tussen de functies (bv. voorspellende snelheidsregelaar plus ecoroll met stop-startsysteem van de motor) worden aangetoond. Bij de controleprocedure moet rekening worden gehouden met het feit dat de systemen bepaalde grensvoorwaarden vereisen om „actief” te zijn (bv. motor op bedrijfstemperatuur voor het stop-startsysteem van de motor, bepaalde voertuigsnelheidsbereiken voor PCC, bepaalde verhoudingen tussen hellingsgraden op de weg en de voertuigmassa voor ecoroll). De voertuigfabrikant moet een functionele beschrijving van de grensvoorwaarden indienen waaronder de systemen „inactief” zijn of hun efficiëntie verminderd is. De goedkeuringsinstantie kan de aanvrager van de goedkeuring om een technische motivering van deze grensvoorwaarden verzoeken en nagaan of deze in overeenstemming zijn met de voorschriften.

9.   Laadvolume

9.1. Voor voertuigen met de chassisconfiguratie „van” (bestelwagen) wordt het laadvolume berekend met de volgende vergelijking:

image

waarbij de afmetingen worden bepaald overeenkomstig tabel 13 en figuur 3.



Tabel 13

Definities in verband met het laadvolume voor middelzware vrachtwagens van het type bestelwagen

Symbool in formule

Afmeting

Definitie

LC,floor

Laadlengte op vloerniveau

— afstand in de lengterichting van het achterste punt van de laatste stoelenrij of van de scheidingswand tot het verst gelegen punt van de gesloten achterruimte, geprojecteerd op het nulvlak van de Y-as

— gemeten ter hoogte van het laadvloeroppervlak

LC

Laadlengte

— afstand in de lengterichting van de raaklijn in het X-vlak met het achterste punt van de rugleuning, inclusief de hoofdsteunen van de laatste stoelenrij, of van de scheidingswand tot de voorste raaklijn in het X-vlak met de gesloten achterruimte, d.w.z. de laadklep of achterdeuren, of enig ander begrenzend oppervlak

— gemeten ter hoogte van het achterste punt van de laatste stoelenrij of van de scheidingswand

WC,max

Maximale breedte van de lading

— maximale laterale afstand in de laadruimte

— gemeten tussen de laadvloer en 70 mm boven de vloer

— de meting sluit de overgangsboog, plaatselijke uitsteeksels of uitsparingen, indien aanwezig, uit

WC,wheelhouse

Laadbreedte bij wielbehuizing

— minimale laterale afstand tussen de beperkende belemmeringen (pass-through, doorgang tussen de wielkasten) door de wielbehuizingen

— gemeten tussen de laadvloer en 70 mm boven de vloer

— de meting sluit de overgangsboog, plaatselijke uitsteeksels of uitsparingen, indien aanwezig, uit

HC,max

Maximale hoogte van de lading

— maximale verticale afstand van de laadvloer tot de dakbekleding of een ander begrenzend oppervlak

— gemeten achter de laatste stoelenrij of scheidingswand op de hartlijn van het voertuig

HC,rearwheel

Laadhoogte bij achterwiel

— verticale afstand van de bovenzijde van de laadvloer tot de dakbekleding of het begrenzende oppervlak

— gemeten aan de X-coördinaat van het achterwiel op de hartlijn van het voertuig

Figuur 3

Definitie van laadvolume voor middelzware vrachtwagens

image

10.   HEV’s en PEV’s

De volgende bepalingen zijn alleen van toepassing op HEV’s en PEV’s.

10.1.   Definitie van de aandrijflijnarchitectuur van het voertuig

10.1.1.   Definitie van de aandrijflijnconfiguratie

De configuratie van de aandrijflijn van het voertuig wordt bepaald aan de hand van de volgende definities:

in het geval van een HEV:

(a) 

„P” bij parallelle HEV’s;

(b) 

„S” bij seriële HEV’s;

(c) 

„S-IEPC” indien een IEPC-onderdeel aanwezig is in het voertuig;

(d) 

„IHPC Type 1” indien de parameter „IHPCType” van het elektrische-machineonderdeel is ingesteld op „IHPC Type 1”;

in het geval van een PEV:

(a) 

„E” indien een EM-onderdeel aanwezig is in het voertuig;

(b) 

„E-IEPC” indien een IEPC-onderdeel aanwezig is in het voertuig.

10.1.2.   Definitie van de posities van EM’s in de aandrijflijn van het voertuig

Wanneer de configuratie van de aandrijflijn van het voertuig overeenkomstig punt 10.1.1 „P”, „S” of „E” is, wordt de positie van de EM die is geïnstalleerd in de aandrijflijn van het voertuig bepaald volgens de definities in tabel 14.



Tabel 14

Mogelijke posities van EM’s in de aandrijflijn van het voertuig

Positie-index van EM

Aandrijflijnconfiguratie overeenkomstig punt 10.1.1

Type transmissie overeenkomstig tabel 1 in aanhangsel 12 van bijlage VI

Definities / eisen (1)

Verdere toelichting

1

P

AMT, APT-S, APT-P

Verbonden met de aandrijflijn vóór de koppeling (bij AMT) of vóór de ingaande aandrijfas van de koppelomvormer (bij APT-S of APT-P).

De EM is direct of via een mechanische verbinding (bv. riem) verbonden met de krukas van de ICE.

Onderscheid P0: EM’s die in principe niet kunnen bijdragen tot de aandrijving van het voertuig (d.w.z. alternatoren) worden behandeld onder de input naar hulpsystemen (zie tabel 3 van deze bijlage voor vrachtwagens, tabel 3a van deze bijlage voor bussen en bijlage IX).

EM’s op deze positie die in principe echter wel kunnen bijdragen tot de aandrijving van het voertuig, maar waarvoor het opgegeven maximumkoppel overeenkomstig tabel 9 van deze bijlage is ingesteld op nul, worden als „P1” opgegeven.

2

P

AMT

De elektrische machine is voorbij de koppeling en vóór de ingaande aandrijfas van de transmissie verbonden met de aandrijflijn.

 

2

E, S

AMT, APT-N, APT-S, APT-P

De elektrische machine is vóór de ingaande aandrijfas van de transmissie (bij AMT of APT-N) of vóór de ingaande aandrijfas van de koppelomvormer (bij APT-S of APT-P) verbonden met de aandrijflijn.

 

2,5

P

AMT, APT-S, APT-P

De elektrische machine is voorbij de koppeling (bij AMT) of voorbij de ingaande aandrijfas van de koppelomvormer (bij APT-S of APT-P) en vóór de uitgaande aandrijfas van de transmissie verbonden met de aandrijflijn.

De EM is verbonden met een specifieke as in de transmissie (bv. nevenas). Voor elke mechanische versnelling in de transmissie moet een specifieke overbrengingsverhouding overeenkomstig tabel 8 worden verstrekt.

3

P

AMT, APT-S, APT-P

De elektrische machine is voorbij de uitgaande aandrijfas van de transmissie en vóór de as verbonden met de aandrijflijn.

 

3

E, S

n.v.t.

De elektrische machine is vóór de as verbonden met de aandrijflijn.

 

4

P

AMT, APT-S, APT-P

De elektrische machine is voorbij de as verbonden met de aandrijflijn.

 

4

E, S

n.v.t.

De elektrische machine is verbonden met de wielnaaf en dezelfde opstelling is tweemaal symmetrisch geïnstalleerd (d.w.z. één aan de linker- en één aan de rechterkant van het voertuig op dezelfde wielpositie in de lengterichting).

 

GEN

S

n.v.t.

De elektrische machine is mechanisch verbonden met een ICE, maar in geen enkel operationeel geval mechanisch verbonden met de wielen van het voertuig.

 

(1)   

De hier gebruikte term EM omvat eventuele extra ADC-onderdelen.

10.1.3.   Definitie van aandrijflijnarchitectuur-ID

De overeenkomstig tabel 7 vereiste inputwaarde voor de aandrijflijnarchitectuur-ID wordt bepaald op basis van de aandrijfconfiguratie overeenkomstig punt 10.1.1 en de positie van de EM in de aandrijflijn van het voertuig overeenkomstig punt 10.1.2 (indien van toepassing), rekening houdend met de in tabel 15 vermelde geldige inputcombinaties voor de simulatietool.

Indien de aandrijflijnconfiguratie overeenkomstig punt 10.1.1 „IHPC Type 1” is, gelden de volgende bepalingen:

(a) 

de aandrijflijnarchitectuur-ID „P2” wordt opgegeven overeenkomstig tabel 7 en de gegevens over het onderdeel van de aandrijflijn zoals vermeld in tabel 15 voor „P2” vormen de input voor de simulatietool, waarbij afzonderlijke gegevens over de onderdelen van de EM en de transmissie worden bepaald overeenkomstig punt 4.4.3 van bijlage X ter;

(b) 

de gegevens over de onderdelen van de EM overeenkomstig punt a) moeten aan de simulatietool worden verstrekt met de parameter „PowertrainPosition” ingesteld op „2” overeenkomstig tabel 8.



Tabel 15

Geldige inputs voor aandrijflijnarchitectuur in de simulatietool

Type aandrijflijn

Aandrijflijnconfiguratie

Architectuur-ID voor VECTO-input

Onderdeel van aandrijflijn aanwezig in voertuig

Opmerkingen

ICE

EM-positie GEN

EM-positie 1

EM-positie 2

Transmissie

EM-positie 3

As

EM-positie 4

PEV

E

E2

nee

nee

nee

ja

ja

nee

ja

nee

 

E3

nee

nee

nee

nee

nee

ja

ja

nee

 

E4

nee

nee

nee

nee

nee

nee

nee

ja

 

IEPC

E-IEPC

nee

nee

nee

nee

nee

nee

 (1)

nee

 

HEV

P

P1

ja

nee

ja

nee

ja

nee

ja

nee

 

P2

ja

nee

nee

ja

ja

nee

ja

nee

 (2)

P2.5

ja

nee

nee

ja

ja

nee

ja

nee

 (3)

P3

ja

nee

nee

nee

ja

ja

ja

nee

 (4)

P4

ja

nee

nee

nee

ja

nee

ja

ja

 

S

S2

ja

ja

nee

ja

ja

nee

ja

nee

 

S3

ja

ja

nee

nee

nee

ja

ja

nee

 

S4

ja

ja

nee

nee

nee

nee

nee

ja

 

S-IEPC

ja

ja

nee

nee

nee

nee

 (1)

nee

 

(1)   

„Ja” (d.w.z. asonderdeel aanwezig) alleen indien beide parameters „DifferentialIncluded” en „DesignTypeWheelMotor” op „false” zijn ingesteld.

(2)   

Niet van toepassing voor transmissietypen APT-S en APT-P.

(3)   

Wanneer de EM is verbonden met een specifieke as binnen de transmissie (bv. nevenas) overeenkomstig de definitie in tabel 8.

(4)   

Niet van toepassing op voertuigen met voorwielaandrijving.

10.2.   Definitie van boostbeperking voor parallelle HEV’s

De voertuigfabrikant kan begrenzingen opleggen aan het totale voortstuwingskoppel van de gehele aandrijflijn met betrekking tot de ingaande aandrijfas van de transmissie voor parallele HEV’s om de boostmogelijkheden van het voertuig te beperken.

Dergelijke begrenzingen mogen alleen worden opgegeven als de aandrijflijnconfiguratie overeenkomstig punt 10.1.1 gelijk is aan „P” of „IHPC Type 1”.

De begrenzingen worden opgegeven als extra koppel dat is toegestaan bovenop de ICE-vollastcurve, afhankelijk van het toerental van de ingaande aandrijfas van de transmissie. In de simulatietool wordt lineaire interpolatie uitgevoerd om het toepasselijke extra koppel tussen de opgegeven waarden bij twee specifieke toerentallen te bepalen. In het toerentalbereik van 0 tot stationair toerental (overeenkomstig punt 7.1) is het van de ICE beschikbare vollastkoppel alleen gelijk aan het vollastkoppel van de ICE bij stationair toerental als gevolg van de modellering van het koppelingsgedrag tijdens het starten van het voertuig.

Wanneer een dergelijke begrenzing wordt opgegeven, worden waarden voor het extra koppel opgegeven bij ten minste een toerental van 0 en bij het maximumtoerental van de ICE-vollastcurve. Een willekeurig aantal waarden mag worden opgegeven in het bereik van nul en het maximumtoerental van de ICE-vollastcurve. Opgegeven waarden lager dan nul zijn niet toegestaan voor het extra koppel.

De voertuigfabrikant mag dergelijke begrenzingen die exact overeenkomen met de ICE-vollastcurve opgeven door waarden van 0 Nm op te geven voor het extra koppel.

10.3.   Stop-startfunctionaliteit van de motor voor HEV’s

Indien het voertuig is uitgerust met een stop-startfunctie voor de motor overeenkomstig punt 8.1.1, rekening houdend met de grensvoorwaarden in punt 8.4, wordt inputparameter P271 overeenkomstig tabel 6 op „true” ingesteld.

11.   Resultaten van de simulatietool overdragen naar andere voertuigen

11.1. De resultaten van de simulatietool mogen worden overgedragen naar andere voertuigen zoals bedoeld in artikel 9, lid 6, mits aan alle onderstaande voorwaarden wordt voldaan:

(a) 

de inputgegevens en inputinformatie zijn volledig identiek, met uitzondering van het VIN (P238) en het datumelement (P239). In het geval van simulaties voor primaire zware bussen kunnen aanvullende inputgegevens en inputinformatie die relevant zijn voor het interimvoertuig en reeds in de beginfase beschikbaar zijn, verschillen, maar in dat geval moeten speciale maatregelen worden genomen;

(b) 

de versie van de simulatietool is identiek.

11.2. Voor de overdracht van resultaten worden de volgende resultaatbestanden gebruikt:

(a) 

middelzware en zware vrachtwagens: gegevensdossier van de fabrikant en klanteninformatiedossier;

(b) 

primaire zware bussen: gegevensdossier van de fabrikant en voertuiginformatiedossier;

(c) 

complete of voltooide zware bussen: gegevensdossier van de fabrikant, klanteninformatiedossier en voertuiginformatiedossier.

11.3. Om de resultaten over te dragen, moeten de in punt 10.2 bedoelde bestanden worden gewijzigd door de in de punten vermelde gegevenselementen te vervangen door bijgewerkte informatie. Wijzigingen zijn alleen toegestaan voor gegevenselementen die betrekking hebben op de huidige voltooiingsfase.

11.3.1.   Gegevensdossier van de fabrikant

(a) 

VIN (deel I, punt 1.1.3, van bijlage IV)

(b) 

Datum waarop het outputbestand is aangemaakt (deel I, punt 3.2, van bijlage IV)

11.3.2.   Klanteninformatiedossier

(a) 

VIN (bijlage IV, deel II, punt 1.1.1)

(b) 

Datum waarop het outputbestand is aangemaakt (deel II, punt 3.2, van bijlage IV)

11.3.3.   Voertuiginformatiedossier

11.3.3.1. In het geval van een primaire zware bus:

(a) 

VIN (deel III, punt 1.1, van bijlage IV)

(b) 

Datum waarop het outputbestand is aangemaakt (deel III, punt 1.3.2, van bijlage IV)

11.3.3.2. Indien een fabrikant van een primaire zware bus gegevens verstrekt die verder gaan dan de voorschriften voor het primaire voertuig en die verschillen vertonen tussen het oorspronkelijke voertuig en het overgedragen voertuig, moeten de desbetreffende gegevenselementen in het voertuiginformatiedossier dienovereenkomstig worden bijgewerkt.

11.3.3.3. In het geval van een complete of voltooide zware bus:

(a) 

VIN (deel III, punt 2.1, van bijlage IV)

(b) 

Datum waarop het outputbestand is aangemaakt (deel III, punt 2.2.2, van bijlage IV)

11.3.4.

Na de hierboven beschreven wijzigingen worden de hieronder vermelde handtekeningelementen bijgewerkt.

11.3.4.1. Vrachtwagens:

(a) 

Gegevensdossier van de fabrikant: deel I, punten 3.6 en 3.7, van bijlage IV

(b) 

Klanteninformatiedossier: deel II, punten 3.3 en 3.4, van bijlage IV

11.3.4.2. Primaire zware bussen:

(a) 

Gegevensdossier van de fabrikant: deel I, punten 3.3 en 3.4, van bijlage IV

(b) 

Voertuiginformatiedossier: deel III, punten 1.4.1 en 1.4.2, van bijlage IV

11.3.4.3. Primaire zware bussen waarvoor extra inputgegevens voor het interimvoertuig zijn verstrekt:

(a) 

Gegevensdossier van de fabrikant: deel I, punten 3.3 en 3.4, van bijlage IV

(b) 

Voertuiginformatiedossier: deel III, punten 1.4.1, 1.4.2 en 2.3.1, van bijlage IV

11.3.4.4. Complete of voltooide zware bussen:

(a) 

Gegevensdossier van de fabrikant: deel I, punten 3.6 en 3.7, van bijlage IV

(b) 

Voertuiginformatiedossier: deel III, punt 2.3.1, van bijlage IV

11.4. Indien de CO2-emissies en het brandstofverbruik van het oorspronkelijke voertuig niet kunnen worden bepaald als gevolg van een storing in de simulatietool, zijn dezelfde maatregelen van toepassing op de voertuigen waarop de resultaten zijn overgedragen.

11.5. Indien een fabrikant de in dit lid vastgelegde methode voor de overdracht van resultaten op andere voertuigen toepast, moet het desbetreffende proces aan de goedkeuringsinstantie worden aangetoond als onderdeel van de verlening van de proceslicentie.




Aanhangsel 1

Voertuigtechnologieën waarvoor de verplichtingen uit hoofde van de eerste alinea van artikel 9, lid 1, niet gelden, zoals bepaald in die alinea



Tabel 1

Categorie voertuigtechnologie

Criteria voor vrijstelling

Waarde van inputparameter overeenkomstig tabel 5 van deze bijlage

Brandstofcelvoertuig

Het voertuig is een brandstofcelvoertuig of een hybride brandstofcelvoertuig overeenkomstig punt 2, 12), of punt 2, 13), van deze bijlage.

„FCV Article 9 exempted”

ICE op waterstof

Het voertuig is uitgerust met een ICE die op waterstof kan rijden.

„H2 ICE Article 9 exempted”

Dualfuel

Dualfuelvoertuigen van de typen 1B, 2B en 3B zoals gedefinieerd in artikel 2, punten 53, 55 en 56, van Verordening (EU) nr. 582/2011

„Dual-fuel vehicle Article 9 exempted”

HEV

Voertuigen zijn vrijgesteld wanneer ten minste één van de volgende criteria van toepassing is:

— het voertuig is uitgerust met meerdere EM’s die niet overeenkomstig punt 10.1.2 van deze bijlage op hetzelfde aansluitingspunt in de aandrijflijn zijn geplaatst;

— het voertuig is uitgerust met meerdere EM’s die overeenkomstig punt 10.1.2 van deze bijlage op hetzelfde aansluitingspunt in de aandrijflijn zijn geplaatst, maar die niet exact dezelfde specificaties (d.w.z. hetzelfde onderdeelcertificaat) hebben. Dit criterium is niet van toepassing wanneer het voertuig is uitgerust met een IHPC van type 1;

— het voertuig heeft een andere aandrijflijnarchitectuur dan P1 tot en met P4, S2 tot en met S4, S-IEPC overeenkomstig punt 10.1.3 van deze bijlage of verschillend van IHPC Type 1.

„HEV Article 9 exempted”

PEV

Voertuigen zijn vrijgesteld wanneer ten minste één van de volgende criteria van toepassing is:

— het voertuig is uitgerust met meerdere EM’s die niet overeenkomstig punt 10.1.2 van deze bijlage op hetzelfde aansluitingspunt in de aandrijflijn zijn geplaatst;

— het voertuig is uitgerust met meerdere EM’s die overeenkomstig punt 10.1.2 van deze bijlage op hetzelfde aansluitingspunt in de aandrijflijn zijn geplaatst, maar die niet exact dezelfde specificaties (d.w.z. hetzelfde onderdeelcertificaat) hebben. Dit criterium is niet van toepassing wanneer het voertuig is uitgerust met een IEPC;

— het voertuig heeft een andere aandrijflijnarchitectuur dan E2 tot E4 of E-IEPC overeenkomstig punt 10.1.3 van deze bijlage.

„PEV Article 9 exempted”

Meerdere permanent mechanisch onafhankelijke aandrijflijnen

Het voertuig is uitgerust met meer dan één aandrijflijn, waarbij elke aandrijflijn verschillende wielassen van het voertuig aandrijft en waarbij de verschillende aandrijflijnen in geen geval mechanisch met elkaar kunnen worden verbonden.

In dit verband worden hydraulisch aangedreven assen overeenkomstig punt 5, a), van deze bijlage behandeld als niet-aangedreven assen en worden zij dus niet als een onafhankelijke aandrijflijn beschouwd.

„Multiple powertrains Article 9 exempted”

Opladen tijdens het rijden

Het voertuig is uitgerust met middelen om het rijdende voertuig via geleiding of inductie te voorzien van elektrische energie, die ten minste gedeeltelijk direct wordt gebruikt voor de voortstuwing van het voertuig en facultatief voor het opladen van een REESS.

„In-motion charging Article 9 exempted”

Niet-elektrische hybride voertuigen

Het voertuig is een HV maar geen HEV overeenkomstig punt 2, 26), en punt 2, 27), van deze bijlage.

„HV Article 9 exempted”

(*) Verordening (EU) nr. 1230/2012 van de Commissie van 12 december 2012 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 661/2009 van het Europees Parlement en de Raad wat de typegoedkeuringsvoorschriften voor massa’s en afmetingen van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan betreft en tot wijziging van Richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 353 van 21.12.2012, blz. 31).

(**) Verordening (EU) 2019/2144 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019 betreffende de voorschriften voor de typegoedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en van systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd wat de algemene veiligheid ervan en de bescherming van de inzittenden van voertuigen en kwetsbare weggebruikers betreft, tot wijziging van Verordening (EU) 2018/858 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 78/2009, (EG) nr. 79/2009 en (EG) nr. 661/2009 van het Europees Parlement en de Raad en de Verordeningen (EG) nr. 631/2009, (EU) nr. 406/2010, (EU) nr. 672/2010, (EU) nr. 1003/2010, (EU) nr. 1005/2010, (EU) nr. 1008/2010, (EU) nr. 1009/2010, (EU) nr. 19/2011, (EU) nr. 109/2011, (EU) nr. 458/2011, (EU) nr. 65/2012, (EU) nr. 130/2012, (EU) nr. 347/2012, (EU) nr. 351/2012, (EU) nr. 1230/2012 en (EU) 2015/166 van de Commissie (PB L 325 van 16.12.2019, blz. 1).




BIJLAGE IV

MODEL VAN DE OUTPUTBESTANDEN VAN DE SIMULATIETOOL

1.   Inleiding

In deze bijlage worden de modellen beschreven van het gegevensdossier van de fabrikant (MRF), het klanteninformatiedossier (CIF) en het voertuiginformatiedossier (VIF).

2.   Definities

(1) „Werkelijke actieradius bij ontlading”: de afstand die kan worden afgelegd in de ontlaadmodus op basis van de bruikbare hoeveelheid REESS-energie, zonder tussentijds opladen.

(2) „Equivalente totale elektrische actieradius”: het gedeelte van de werkelijke actieradius bij ontlading dat kan worden toegeschreven aan het gebruik van elektrische energie uit het REESS, d.w.z. zonder enige energie die wordt geleverd door het niet-elektrische opslagsysteem voor aandrijfenergie.

(3) „Emissievrije actieradius”: de actieradius zonder CO2-emissies die kan worden toegeschreven aan de energie die wordt geleverd door opslagsystemen voor aandrijfenergie.

3.   Model van de outputbestanden

DEEL I

CO2-emissies en brandstofverbruik van voertuig — Gegevensdossier van de fabrikant

Het gegevensdossier van de fabrikant wordt door de simulatietool samengesteld en bevat ten minste de volgende informatie, indien van toepassing voor het specifieke voertuig of de specifieke fabricagestap:

1. Gegevens over voertuig, onderdelen, technische eenheden en systemen

1.1. Voertuiggegevens

1.1.1. Naam en adres van de fabrikant(en)…

1.1.2. Voertuigmodel / Handelsbenaming…

1.1.3. Voertuigidentificatienummer (VIN)…

1.1.4. Voertuigcategorie (N2, N3, M3)…

1.1.5. Assenconfiguratie…

1.1.6. Technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand (t)…

1.1.7. Voertuiggroep volgens bijlage I…

1.1.7a. Voertuig(sub)groep voor CO2-normen…

1.1.8. Gecorrigeerde feitelijke massa (kg)…

1.1.9. Werkvoertuig (ja/nee)…

1.1.10. Emissievrij zwaar bedrijfsvoertuig (ja/nee)…

1.1.11. Hybride elektrisch zwaar bedrijfsvoertuig (ja/nee)…

1.1.12. Dualfuelvoertuig (ja/nee)…

1.1.13. Slaapcabine (ja/nee)…

1.1.14. HEV-architectuur (bv. P1, P2)…

1.1.15. PEV-architectuur (bv. E2, E3)…

1.1.16. Mogelijkheid voor extern opladen (ja/nee)…

1.1.17. 

1.1.18. Maximumvermogen voor extern opladen (kW)…

1.1.19. Voertuigtechnologie vrijgesteld overeenkomstig artikel 9…

1.1.20. Busklasse (bv. I, I+II enz.)…

1.1.21. Aantal passagiers bovendek…

1.1.22. Aantal passagiers benedendek…

1.1.23. Carrosseriecode (bv. CA, CB)…

1.1.24. Lage instap (ja/nee)…

1.1.25. Hoogte geïntegreerde carrosserie (mm)…

1.1.26. Voertuiglengte (mm)…

1.1.27. Voertuigbreedte (mm)…

1.1.28. Aandrijftechnologie deur (pneumatisch, elektrisch, gemengd)…

1.1.29. Tanksysteem in het geval van aardgas (gecomprimeerd, vloeibaar)…

1.1.30. Som nettovermogen (alleen indien vrijgesteld overeenkomstig artikel 9) (kW)…

1.2. Voornaamste motorspecificaties

1.2.1. Motormodel…

1.2.2. Motorcertificeringsnummer…

1.2.3. Nominaal motorvermogen (kW)…

1.2.4. Stationair toerental (min –1)…

1.2.5. Nominaal toerental (min –1)…

1.2.6. Cilinderinhoud (l)…

1.2.7. Brandstoftype (diesel CI/cng PI/lng PI)…

1.2.8. Hash van de inputgegevens en inputinformatie van de motor…

1.2.9. Systeem voor terugwinning van afvalwarmte (ja/nee)…

1.2.10. Type(n) terugwinning van afvalwarmte (mechanisch/elektrisch)…

1.3. Voornaamste transmissiespecificaties

1.3.1. Transmissiemodel…

1.3.2. Transmissiecertificeringsnummer…

1.3.3. Hoofdoptie die gebruikt is voor het genereren van de verliesdiagrammen (optie 1/optie 2/optie 3/standaardwaarden)…

1.3.4. Transmissietype (SMT, AMT, APT-S, APT-P, APT-N)…

1.3.5. Aantal versnellingen…

1.3.6. Eindoverbrengingsverhouding…

1.3.7. Type retarder…

1.3.8. Krachtafnemer (ja/nee)…

1.3.9. Hash van de inputgegevens en inputinformatie van de transmissie…

1.4. Retarderspecificaties

1.4.1. Model van retarder…

1.4.2. Certificeringsnummer van retarder…

1.4.3. Toegepaste certificeringsoptie om een verliesdiagram te genereren (standaardwaarden/ meting)…

1.4.4. Hash van de inputgegevens en inputinformatie van andere koppeloverbrengingsonderdelen…

1.5. Koppelomvormerspecificatie

1.5.1. Model van koppelomvormer…

1.5.2. Certificeringsnummer van koppelomvormer…

1.5.3. Toegepaste certificeringsoptie om een verliesdiagram te genereren (standaardwaarden/ meting)…

1.5.4. Hash van de inputgegevens en inputinformatie van de koppelomvormer…

1.6. Specificaties van haakse overbrenging

1.6.1. Model van haakse overbrenging…

1.6.2. Certificeringsnummer van haakse overbrenging…

1.6.3. Toegepaste certificeringsoptie om een verliesdiagram te genereren (standaardwaarden/ meting)…

1.6.4. Verhouding haakse overbrenging…

1.6.5. Hash van de inputgegevens en inputinformatie van de aanvullende onderdelen van de aandrijflijn…

1.7. Asspecificaties

1.7.1. Asmodel…

1.7.2. Ascertificeringsnummer…

1.7.3. Toegepaste certificeringsoptie om een verliesdiagram te genereren (standaardwaarden/meting)…

1.7.4. Astype (bv. as met enkele reductie)…

1.7.5. Asverhouding…

1.7.6. Hash van de inputgegevens en inputinformatie van de as…

1.8. Aerodynamica

1.8.1. Model…

1.8.2. Toegepaste certificeringsoptie om Cd × A te berekenen (standaardwaarde/meting)…

1.8.3. Cd × A-certificeringsnummer (indien van toepassing)…

1.8.4. Cd × A-waarde…

1.8.5. Hash van de inputgegevens en inputinformatie van de luchtweerstand…

1.9. Voornaamste bandspecificaties

1.9.1. Bandmaten as 1…

1.9.2. Bandencertificeringsnummer as 1…

1.9.3. Specifieke rolweerstandscoëfficiënt van alle banden op as 1…

1.9.3a. Hash van de inputgegevens en inputinformatie van de banden as 1…

1.9.4. Bandmaten as 2…

1.9.5. Tweeassig (ja/nee) as 2…

1.9.6. Bandencertificeringsnummer as 2…

1.9.7. Specifieke rolweerstandscoëfficiënt van alle banden op as 2…

1.9.7a. Hash van de inputgegevens en inputinformatie van de banden as 2…

1.9.8. Bandmaten as 3…

1.9.9. Tweeassig (ja/nee) as 3…

1.9.10. Bandencertificeringsnummer as 3…

1.9.11. Specifieke rolweerstandscoëfficiënt van alle banden op as 3…

1.9.11a. Hash van de inputgegevens en inputinformatie van de banden as 3…

1.9.12. Bandmaten as 4…

1.9.13. Tweeassig (ja/nee) as 4…

1.9.14. Bandencertificeringsnummer as 4…

1.9.15. Specifieke rolweerstandscoëfficiënt van alle banden op as 4…

1.9.16. Hash van de inputgegevens en inputinformatie van de banden as 4…

1.10. Specificaties hulpapparatuur

1.10.1. Ventilatortechnologie voor motorkoeling…

1.10.2. Stuurpomptechnologie…

1.10.3. Elektrisch systeem

1.10.3.1. Alternatortechnologie (conventioneel, slim, geen alternator)…

1.10.3.2. Max. alternatorvermogen (slimme alternator) (kW)…

1.10.3.3. Elektrische opslagcapaciteit (slimme alternator) (kWh)…

1.10.3.4. Ledlampen als dagrijlichten (ja/nee)…

1.10.3.5. Ledlampen als koplampen (ja/nee)…

1.10.3.6. Ledlampen als positielichten (ja/nee)…

1.10.3.7. Ledlampen als remlichten (ja/nee)…

1.10.3.8. Ledlampen als binnenverlichting (ja/nee)…

1.10.4. Pneumatisch systeem

1.10.4.1. Technologie…

1.10.4.2. Compressorverhouding…

1.10.4.3. Slim compressiesysteem…

1.10.4.4. Slim regeneratiesysteem…

1.10.4.5. Regeling luchtvering…

1.10.4.6. Reagensdosering (uitlaatgasnabehandeling)…

1.10.5. HVAC-systeem

1.10.5.1. Systeemconfiguratienummer…

1.10.5.2. Warmtepomptype voor koeling bestuurdersruimte…

1.10.5.3. Warmtepompmodus voor verwarming bestuurdersruimte…

1.10.5.4. Warmtepomptype voor koeling passagiersruimte…

1.10.5.5. Warmtepompmodus voor verwarming passagiersruimte…

1.10.5.6. Vermogen hulpverwarming (kW)…

1.10.5.7. Dubbele beglazing (ja/nee)…

1.10.5.8. Regelbare koelmiddelthermostaat (ja/nee)…

1.10.5.9. Regelbare hulpverwarming…

1.10.5.10. Warmtewisselaar afvalgas motor (ja/nee)…

1.10.5.11. Gescheiden luchtverdeelkanalen (ja/nee)…

1.10.5.12. Elektrische waterverwarmer

1.10.5.13. Elektrische luchtverwarmer

1.10.5.14. Andere verwarmingstechnologie

1.11. Motorkoppelbegrenzingen

1.11.1. Motorkoppelbegrenzing in versnelling 1 (% van max. motorkoppel)…

1.11.2. Motorkoppelbegrenzing in versnelling 2 (% van max. motorkoppel)…

1.11.3. Motorkoppelbegrenzing in versnelling 3 (% van max. motorkoppel)…

1.11.4. Motorkoppelbegrenzing in versnelling … (% van max. motorkoppel)

1.12. Geavanceerde rijhulpsystemen (ADAS)

1.12.1. Stop-startsysteem van de motor bij stilstand van het voertuig (ja/nee)…

1.12.2. Ecoroll zonder stop-startsysteem van de motor (ja/nee)…

1.12.3. Ecoroll met stop-startsysteem van de motor (ja/nee)…

1.12.4. Voorspellende snelheidsregelaar (ja/nee)…

1.13. Specificaties elektrische-machinesysteem of -systemen

1.13.1. Model…

1.13.2. Certificeringsnummer

1.13.3. Type (PSM, ESM, IM, SRM)…

1.13.4. Positie (GEN 1, 2, 3, 4)…

1.13.5. 

1.13.6. Aantal in die positie…

1.13.7. Nominaal vermogen (kW)…

1.13.8. Continu maximumvermogen (kW)…

1.13.9. Certificeringsoptie voor opstellen van verbruiksdiagram elektrisch vermogen…

1.13.10. Hash van de inputgegevens en inputinformatie…

1.13.11. ADC-model…

1.13.12. ADC-certificeringsnummer…

1.13.13. Toegepaste certificeringsoptie om een ADC-verliesdiagram te genereren (standaardwaarden/ meting)…

1.13.14. ADC-verhouding…

1.13.15. Hash van de inputgegevens en inputinformatie van de aanvullende onderdelen van de aandrijflijn…

1.14. Specificaties geïntegreerde elektrische aandrijflijncomponent (IEPC)

1.14.1. Model…

1.14.2. Certificeringsnummer…

1.14.3. Nominaal vermogen (kW)…

1.14.4. Continu maximumvermogen (kW)…

1.14.5. Aantal versnellingen…

1.14.6. Laagste totale overbrengingsverhouding (hoogste versnelling maal asverhouding indien van toepassing)…

1.14.7. Differentieel inbegrepen (ja/nee)…

1.14.8. Certificeringsoptie voor opstellen van verbruiksdiagram elektrisch vermogen…

1.14.9. Hash van de inputgegevens en inputinformatie…

1.15. Specificaties oplaadbaar energieopslagsysteem

1.15.1. Model…

1.15.2. Certificeringsnummer…

1.15.3. Nominale spanning (V)…

1.15.4. Totale opslagcapaciteit (kWh)…

1.15.5. Totale bruikbare capaciteit in de simulatie (kWh)…

1.15.6. Certificeringsoptie voor elektrische systeemverliezen…

1.15.7. Hash van de inputgegevens en inputinformatie…

1.15.8. StringID (-)…

2. Opdrachtprofiel en belastingafhankelijke waarden

2.1. Simulatieparameters (voor elk opdrachtprofiel en elke belastingscombinatie, voor OVC-HEV’s ook voor ontlaadmodus, modus voor ladingbehoud en gewogen)

2.1.1. Opdrachtprofiel…

2.1.2. Belasting (als bepaald in simulatietool) (kg)…

2.1.2a. Aantal passagiers…

2.1.3. Totale voertuigmassa bij simulatie (kg)…

2.1.4. OVC-modus (ontlaadmodus, modus voor ladingbehoud, gewogen)…

2.2. Rijprestaties van het voertuig en informatie voor kwaliteitscontrole van de simulatie

2.2.1. Gemiddelde snelheid (km/h)…

2.2.2. Minimale momentane snelheid (km/h)…

2.2.3. Maximale momentane snelheid (km/h)…

2.2.4. Maximumvertraging (m/s2)…

2.2.5. Maximumversnelling (m/s2)…

2.2.6. Percentage volle belasting tijdens rijtijd…

2.2.7. Totaal aantal versnellingswisselingen…

2.2.8. Totale afgelegde afstand (km)…

2.3. Brandstof- en energieverbruik (per brandstoftype en elektrische energie) en CO2-resultaten (totaal)

2.3.1. Brandstofverbruik (g/km)…

2.3.2. Brandstofverbruik (g/t-km)…

2.3.3. Brandstofverbruik (g/p-km)…

2.3.4. Brandstofverbruik (g/m3-km)…

2.3.5. Brandstofverbruik (l/100 km)…

2.3.6. Brandstofverbruik (l/t-km)…

2.3.7. Brandstofverbruik (l/p-km)…

2.3.8. Brandstofverbruik (l/m3-km)…

2.3.9. Energieverbruik (MJ/km, kWh/km)…

2.3.10. Energieverbruik (MJ/t-km, kWh/t-km)…

2.3.11. Energieverbruik (MJ/p-km, kWh/p-km)…

2.3.12. Energieverbruik (MJ/m3-km, kWh/m3-km)…

2.3.13. CO2 (g/km)…

2.3.14. CO2 (g/t-km)…

2.3.15. CO2 (g/p-km)…

2.3.16. CO2 (g/m3-km)…

2.4. Actieradii elektrisch en emissievrij

2.4.1. Werkelijke actieradius bij ontlading (km)…

2.4.2. Equivalente totale elektrische actieradius (km)…

2.4.3. Emissievrije actieradius (km)…

3. Software-informatie

3.1. Versie simulatietool (X.X.X)…

3.2. Datum en tijdstip van de simulatie…

3.3. Cryptografische hash van inputinformatie en inputgegevens van de simulatietool van het primaire voertuig (indien van toepassing)…

3.4. Cryptografische hash van het gegevensdossier van de fabrikant van het primaire voertuig (indien van toepassing)…

3.5. Cryptografische hash van het voertuiginformatiedossier zoals geproduceerd door de simulatietool (indien van toepassing)…

3.6. Cryptografische hash van inputinformatie en inputgegevens van de simulatietool…

3.7. Cryptografische hash van het gegevensdossier van de fabrikant…

DEEL II

CO2-emissies en brandstofverbruik van voertuig — Klanteninformatiedossier

Het klanteninformatiedossier wordt door de simulatietool samengesteld en bevat ten minste de volgende informatie, indien van toepassing voor het specifieke voertuig of de specifieke certificeringsstap:

1. Gegevens over voertuig, onderdelen, technische eenheden en systemen

1.1. Voertuiggegevens

1.1.1. Voertuigidentificatienummer (VIN)…

1.1.2. Voertuigcategorie (N2, N3, M3)…

1.1.3. Assenconfiguratie…

1.1.4. Technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand (t)…

1.1.5. Voertuiggroep volgens bijlage I…

1.1.5a. Voertuig(sub)groep voor CO2-normen…

1.1.6. Naam en adres(sen) van de fabrikant(en)…

1.1.7. Model…

1.1.8. Gecorrigeerde feitelijke massa (kg)…

1.1.9. Werkvoertuig (ja/nee)…

1.1.10. Emissievrij zwaar bedrijfsvoertuig (ja/nee)…

1.1.11. Hybride elektrisch zwaar bedrijfsvoertuig (ja/nee)…

1.1.12 Dualfuelvoertuig (ja/nee)…

1.1.12a. Terugwinning van afvalwarmte (ja/nee)…

1.1.13. Slaapcabine (ja/nee)…

1.1.14. HEV-architectuur (bv. P1, P2)…

1.1.15. PEV-architectuur (bv. E2, E3)…

1.1.16. Mogelijkheid voor extern opladen (ja/nee)…

1.1.17. 

1.1.18. Maximumvermogen voor extern opladen (kW)…

1.1.19. Voertuigtechnologie vrijgesteld van artikel 9…

1.1.20. Busklasse (bv. I, I+II enz.)…

1.1.21. Totaal aantal geregistreerde passagiers…

1.2. Gegevens over onderdelen, technische eenheden en systemen

1.2.1. Nominaal motorvermogen (kW)…

1.2.2. Cilinderinhoud (l)…

1.2.3. Brandstoftype (diesel CI/cng PI/lng PI)…

1.2.4. Transmissiewaarden (gemeten/standaard)…

1.2.5. Transmissietype (SMT, AMT, APT, geen)…

1.2.6. Aantal versnellingen…

1.2.7. Retarder (ja/nee)…

1.2.8. Asverhouding…

1.2.9. Gemiddelde rolweerstandscoëfficiënt (rolling resistance coefficient, RRC) van alle banden van het motorvoertuig:…

1.2.10a. Bandmaten voor elke as van het motorvoertuig…

1.2.10b. Brandstofefficiëntieklasse(n) van de banden overeenkomstig Verordening (EU) 2020/740 voor elke as van het motorvoertuig…

1.2.10c. Certificeringsnummer van band voor elke as van het motorvoertuig…

1.2.11. Stop-startsysteem van de motor bij stilstand van het voertuig (ja/nee)…

1.2.12. Ecoroll zonder stop-startsysteem van de motor (ja/nee)…

1.2.13. Ecoroll met stop-startsysteem van de motor (ja/nee)…

1.2.14. Voorspellende snelheidsregelaar (ja/nee)…

1.2.15 Totaal nominaal voortstuwingsvermogen van elektrische-machinesyste(e)m(en) (kW)…

1.2.16 Totaal maximaal continu voortstuwingsvermogen van elektrische-machinesysteem (kW)…

1.2.17 Totale opslagcapaciteit REESS (kWh)…

1.2.18 Bruikbare REESS-opslagcapaciteit in simulatie (kWh)…

1.3. Configuratie hulpapparatuur

1.3.1. Stuurpomptechnologie…

1.3.2. Elektrisch systeem

1.3.2.1. Alternatortechnologie (conventioneel, slim, geen alternator)…

1.3.2.2. Max. alternatorvermogen (slimme alternator) (kW)…

1.3.2.3. Elektrische opslagcapaciteit (slimme alternator) (kWh)…

1.3.3. Pneumatisch systeem

1.3.3.1. Slim compressiesysteem…

1.3.3.2. Slim regeneratiesysteem…

1.3.4. HVAC-systeem

1.3.4.1. Systeemconfiguratie…

1.3.4.2. Vermogen hulpverwarming (kW)…

1.3.4.3. Dubbele beglazing (ja/nee)…

2. CO2-emissies en brandstofverbruik van het voertuig (voor elk opdrachtprofiel en elke belastingscombinatie, voor OVC-HEV’s ook voor ontlaadmodus, modus voor ladingbehoud en gewogen)

2.1. Simulatieparameters

2.1.1. Opdrachtprofiel…

2.1.2. Lading (kg)…

2.1.3. Passagiersinformatie

2.1.3.1. Aantal passagiers in simulatie …(-)

2.1.3.2. Massa van passagiers in simulatie …(kg)

2.1.4. Totale voertuigmassa bij simulatie (kg)…

2.1.5. OVC-modus (ontlaadmodus, modus voor ladingbehoud, gewogen)…

2.2. Gemiddelde snelheid (km/h)…

2.3. Resultaten voor brandstof- en energieverbruik (per brandstoftype en elektrische energie)

2.3.1. Brandstofverbruik (g/km)…

2.3.2. Brandstofverbruik (g/t-km)…

2.3.3. Brandstofverbruik (g/p-km)…

2.3.4. Brandstofverbruik (g/m3-km)…

2.3.5. Brandstofverbruik (l/100 km)…

2.3.6. Brandstofverbruik (l/t-km)…

2.3.7. Brandstofverbruik (l/p-km)…

2.3.8. Brandstofverbruik (l/m3-km)…

2.3.9. Energieverbruik (MJ/km, kWh/km)…

2.3.10. Energieverbruik (MJ/t-km, kWh/t-km)…

2.3.11. Energieverbruik (MJ/p-km, kWh/p-km)…

2.3.12. Energieverbruik (MJ/m3-km, kWh/m3-km)…

2.4. CO2-resultaten (voor elk opdrachtprofiel en elke belastingscombinatie)

2.4.1. CO2 (g/km)…

2.4.2. CO2 (g/t-km)…

2.4.3. CO2 (g/p-km)…

2.4.5. CO2 (g/m3-km)…

2.5. Elektrische actieradii

2.5.1. Werkelijke actieradius bij ontlading (km)…

2.5.2. Equivalente totale elektrische actieradius (km)…

2.5.3. Emissievrije actieradius (km)…

2.6. Gewogen resultaten

2.6.1. Specifieke CO2-emissies (gCO2/t-km)…

2.6.2. Specifiek elektrische-energieverbruik (kWh/t-km)…

2.6.3. Gemiddelde ladingwaarde (t)…

2.6.4. Specifieke CO2-emissies (gCO2/p-km)…

2.6.5. Specifiek elektrische-energieverbruik (kWh/p-km)…

2.6.6. Gemiddeld aantal passagiers (p)…

2.6.7. Werkelijke actieradius bij ontlading (km)…

2.6.8. Equivalente totale elektrische actieradius (km)…

2.6.9. Emissievrije actieradius (km)…

3. Software-informatie

3.1. Versie simulatietool…

3.2. Datum en tijdstip van de simulatie…

3.3. Cryptografische hash van de inputinformatie en inputgegevens van de simulatietool van het primaire voertuig (indien van toepassing)…

3.4. Cryptografische hash van het gegevensdossier van de fabrikant van het primaire voertuig (indien van toepassing)…

3.5. Cryptografische hash van de inputinformatie en inputgegevens van de simulatietool…

3.6. Cryptografische hash van het gegevensdossier van de fabrikant…

3.7. Cryptografische hash van het klantinformatiedossier…

DEEL III

CO2-emissies en brandstofverbruik van het voertuig — Voertuiginformatiedossier voor zware bussen

Het voertuiginformatiedossier voor zware bussen wordt geproduceerd om de relevante inputgegevens, inputinformatie en simulatieresultaten door te geven aan latere certificeringsstappen volgens de in punt 2 van bijlage I beschreven methode.

Het voertuiginformatiedossier bevat ten minste de volgende inhoud:

1. In het geval van een primair voertuig:

1.1. Inputgegevens en inputinformatie zoals beschreven in bijlage III voor het primaire voertuig, met uitzondering van: brandstofdiagram van de motor; motorcorrectiefactoren WHTC_Urban, WHTC_Rural, WHTC_Motorway, BFColdHot, CFRegPer; kenmerken van de koppelomvormer; verliesdiagrammen voor transmissie, retarder, haakse overbrenging en as; verbruiksdiagram(men) van elektrisch vermogen voor elektrische motorsystemen en IEPC; parameters voor elektrisch verlies voor een REESS;

1.2. Voor elk opdrachtprofiel en elke beladingstoestand:

1.2.1. Totale voertuigmassa bij simulatie (kg)…

1.2.2. Aantal passagiers in simulatie (-)…

1.2.3. Energieverbruik (MJ/km)…

1.3. Software-informatie

1.3.1. Versie simulatietool…

1.3.2. Datum en tijdstip van de simulatie…

1.4. Cryptografische hashes

1.4.1. Cryptografische hash van het gegevensdossier van de fabrikant van het primaire voertuig…

1.4.2. Cryptografische hash van het voertuiginformatiedossier…

2. Voor elk interim-, compleet of voltooid voertuig:

2.1. Inputgegevens en inputinformatie zoals beschreven in bijlage III voor het complete of voltooide voertuig en verstrekt door de fabrikant in kwestie

2.2. Software-informatie

2.2.1. Versie simulatietool…

2.2.2. Datum en tijdstip van de simulatie…

2.3. Cryptografische hashes

2.3.1. Cryptografische hash van het voertuiginformatiedossier…

▼B




BIJLAGE V

CONTROLE VAN MOTORGEGEVENS

1.   Inleiding

De in deze bijlage beschreven motortestprocedure levert de inputgegevens voor de simulatortool betreffende motoren op.

▼M3

2.   Definities

Voor de toepassing van deze bijlage gelden de definities zoals bepaald in VN-Reglement nr. 49 ( 12 ), en wordt bovendien verstaan onder:

▼B

1)

„CO2-familie van motoren” : een door de fabrikant bepaalde groep motoren overeenkomstig de definitie in punt 1 van aanhangsel 3;

2)

„CO2-oudermotor” : een uit een CO2-familie van motoren overeenkomstig aanhangsel 3 gekozen motor;

3)

„onderste verbrandingswaarde” of „NCV”(net calorific value) : de in punt 3.2 gespecificeerde calorische waarde van een brandstof;

4)

„specifieke massa-emissies” : de totale massa-emissies in een bepaalde periode, gedeeld door de totale motorarbeid in die periode, uitgedrukt in g/kWh;

5)

„specifiek brandstofverbruik” : het totale brandstofverbruik in een bepaalde periode, gedeeld door de totale motorarbeid in die periode, uitgedrukt in g/kWh;

6)

„FCMC” (fuel consumption mapping cycle) : cyclus voor het bepalen van de diagram van het brandstofverbruik;

7)

„volle belasting” of „vollast” : bij een bepaald toerental door de motor geleverd koppel/vermogen wanneer de motor bij maximumvraag van de operator draait;

▼M3

8)

„systeem voor terugwinning van afvalwarmte” of „WHR-systeem” : alle apparaten die energie uit uitlaatgassen of uit werkingsvloeistoffen in motorkoelsystemen omzetten in elektrische of mechanische energie;

9)

„WHR-systeem zonder externe output” of „WHR_no_ext” : een WHR-systeem dat mechanische energie opwekt en mechanisch verbonden is met de krukas van de motor om de opgewekte energie direct naar de krukas van de motor terug te voeren;

10)

„WHR-systeem met externe mechanische output” of „WHR_mech” : een WHR-systeem dat mechanische energie opwekt en die energie aan elementen in de aandrijflijn van het voertuig levert, behalve aan de motor of aan een oplaadbare opslag;

11)

„WHR-systeem met externe elektrische output” of „WHR_elec” : een WHR-systeem dat elektrische energie opwekt en die energie aan het elektrische circuit van het voertuig of aan een oplaadbare opslag levert;

12)

„P_WHR_net” : het nettovermogen dat wordt opgewekt door een WHR-systeem overeenkomstig punt 3.1.6;

13)

„E_WHR_net” : de door een WHR-systeem gedurende een bepaalde tijd opgewekte netto-energie, bepaald door P_WHR_net te integreren.

▼M3

De definities in de punten 3.1.5 en 3.1.6 van bijlage 4 bij VN-Reglement nr. 49 zijn niet van toepassing.

▼B

3.   Algemene voorschriften

►M3  De faciliteiten van het kalibratielaboratorium moeten voldoen aan de eisen van IATF 16949, ISO 9000-reeks of ISO/IEC 17025. ◄ Alle voor kalibraties en/of controles gebruikte referentiemeetapparatuur van het laboratorium moet herleidbaar zijn naar nationale of internationale standaarden.

De motoren moeten zijn gegroepeerd in overeenkomstig aanhangsel 3 samengestelde CO2-families van motoren. In punt 4.1 wordt uitgelegd welke tests moeten worden uitgevoerd met het oog op de certificering van een specifieke CO2-familie van motoren.

3.1.   Testomstandigheden

Alle tests die met het oog op de certificering van een specifieke, overeenkomstig aanhangsel 3 van deze bijlage samengestelde CO2-familie van motoren worden uitgevoerd, worden verricht met dezelfde fysieke motor en zonder wijzigingen aan te brengen in de opstelling van de motordynamometer en het motorsysteem, afgezien van de in punt 4.2 en aanhangsel 3 vermelde uitzonderingen.

3.1.1.   Laboratoriumtestomstandigheden

De omgevingsomstandigheden voldoen gedurende de volledige test aan de volgende voorwaarden:

▼M3

(1) 

voor de overeenkomstig punt 6.1 van bijlage 4 bij VN-Reglement nr. 49 bepaalde parameter „fa”, die de laboratoriumtestomstandigheden beschrijft, geldt: 0,96 ≤ fa ≤ 1,04;

(2) 

voor de overeenkomstig punt 6.1 van bijlage 4 bij VN-Reglement nr. 49 bepaalde absolute temperatuur (Ta) van de inlaatlucht van de motor, uitgedrukt in kelvin, geldt: 283 K ≤ Ta ≤ 303 K;

(3) 

voor de overeenkomstig punt 6.1 van bijlage 4 bij VN-Reglement nr. 49 bepaalde atmosferische druk, uitgedrukt in kPa, geldt: 90 kPa ≤ ps ≤ 102 kPa.

▼B

Indien tests worden uitgevoerd in meetcellen waarin andere luchtdrukomstandigheden kunnen worden gesimuleerd dan op de plaats van de test heersen, worden de gesimuleerde luchtdrukwaarden van het regelsysteem gebruikt bij de bepaling van de waarde van fa. Voor de inlaatlucht- en uitlaatroute en alle andere relevante motorsystemen wordt dezelfde referentiewaarde voor de gesimuleerde luchtdruk gebruikt. De werkelijke waarde van de gesimuleerde luchtdruk voor de inlaatlucht- en uitlaatroute en alle andere relevante motorsystemen moet binnen het in punt 3) vermelde bereik liggen.

Als de omgevingsdruk op de plaats van de test hoger is dan de bovengrens van 102 kPa, mogen toch tests overeenkomstig deze bijlage worden verricht. In dat geval worden de tests uitgevoerd met de specifieke omgevingsluchtdruk in de atmosfeer.

Als in de meetcel de temperatuur, de druk en/of de vochtigheid van de inlaatlucht van de motor onafhankelijk van de atmosferische omstandigheden kunnen worden geregeld, worden voor alle tests die met het oog op de certificering van een specifieke, overeenkomstig aanhangsel 3 van deze bijlage samengestelde CO2-familie van motoren worden uitgevoerd, dezelfde instellingen van deze parameters gebruikt.

▼M3

3.1.2.   Installatie van de motor

De testmotor wordt overeenkomstig de punten 6.3 tot en met 6.6 van bijlage 4 bij VN-Reglement nr. 49 geïnstalleerd.

Als apparatuur en hulpapparatuur die noodzakelijk zijn voor de werking van het motorsysteem, overeenkomstig punt 6.3 van bijlage 4 bij VN-Reglement nr. 49, niet zijn gemonteerd, worden voor de toepassing van deze bijlage alle gemeten motorkoppelwaarden overeenkomstig punt 6.3 van bijlage 4 bij VN-Reglement nr. 49 gecorrigeerd voor het vermogen dat nodig is om die onderdelen aan te drijven.

Dergelijke correcties van de koppel- en vermogenswaarden worden uitgevoerd indien de som van de absolute waarden van het extra of ontbrekende motorkoppel dat vereist is om deze motoronderdelen op een specifiek motorbedrijfspunt aan te drijven, groter is dan de overeenkomstig punt 4.3.5.5, 1), b), vastgestelde koppeltoleranties. Indien een dergelijk motoronderdeel met tussenpozen actief is, worden de waarden van het motorkoppel voor de aandrijving van het desbetreffende onderdeel berekend als een gemiddelde waarde over een geschikte periode, waarbij naar goede ingenieursinzichten en in overleg met de goedkeuringsinstantie de werkingsmodus wordt weerspiegeld.

Om te bepalen of een dergelijke correctie al dan niet is vereist, alsook om de werkelijke waarden voor de correctie af te leiden, wordt voor de volgende motoronderdelen het opgenomen vermogen, dat resulteert in het voor de aandrijving ervan vereiste motorkoppel, overeenkomstig aanhangsel 5 van deze bijlage bepaald:

1) 

ventilator;

2) 

elektrisch aangedreven apparatuur en hulpapparatuur die noodzakelijk zijn voor de werking van het motorsysteem.

▼B

3.1.3.   Carteremissies

In het geval van een gesloten carter zorgt de fabrikant ervoor dat het ventilatiesysteem van de motor geen cartergassen in de atmosfeer laat ontsnappen. ►M3  Als het carter van een open type is, worden de emissies overeenkomstig punt 6.10 van bijlage 4 bij VN-Reglement nr. 49 gemeten en bij de uitlaatemissies opgeteld. ◄

3.1.4.   Motoren met tussenkoeling

Tijdens alle tests wordt het op de testbank gebruikte tussenkoelsysteem gebruikt onder omstandigheden die representatief zijn voor de toepassing in het voertuig onder referentieomgevingsomstandigheden. De referentieomgevingsomstandigheden zijn gedefinieerd als een luchttemperatuur van 293 K en een luchtdruk van 101,3 kPa.

▼M3

De voor tests overeenkomstig deze verordening toegepaste laboratoriumtussenkoeling moet voldoen aan punt 6.2 van bijlage 4 bij VN-Reglement nr. 49.

▼B

3.1.5.   Motorkoelsysteem

1) 

Tijdens alle tests wordt het op de testbank gebruikte motorkoelsysteem gebruikt onder omstandigheden die representatief zijn voor de toepassing in het voertuig onder referentieomgevingsomstandigheden. De referentieomgevingsomstandigheden zijn gedefinieerd als een luchttemperatuur van 293 K en een luchtdruk van 101,3 kPa.

2) 

Het motorkoelsysteem moet zijn voorzien van thermostaten overeenkomstig de specificaties van de fabrikant voor montage in een voertuig. Als een niet-werkende thermostaat is gemonteerd of geen thermostaat wordt gebruikt, is punt 3) van toepassing. Het koelsysteem wordt overeenkomstig punt 4) ingesteld.

3) 

Als geen thermostaat wordt gebruikt of een niet-werkende thermostaat is gemonteerd, moet het systeem van de testbank onder alle testomstandigheden het gedrag van de thermostaat simuleren. Het koelsysteem wordt overeenkomstig punt 4) ingesteld.

▼M1

4) 

Het debiet van het motorkoelmiddel (of het drukverschil aan de motorzijde van de warmtewisselaar) en de temperatuur van het motorkoelmiddel moeten worden ingesteld op een waarde die representatief is voor de toepassing in het voertuig onder referentieomgevingsomstandigheden wanneer de motor bij nominaal toerental en volle belasting werkt met de motorthermostaat in volledig open stand. Deze instelling bepaalt de referentietemperatuur van het koelmiddel. De instelling van het koelsysteem mag voor alle tests die met het oog op de certificering van één specifieke motor binnen een CO2-familie van motoren worden uitgevoerd, noch aan de motorzijde, noch aan de testbankzijde van het koelsysteem worden gewijzigd. De temperatuur van het koelmiddel aan de testbankzijde wordt naar goede ingenieursinzichten redelijk constant gehouden. De temperatuur van het koelmiddel aan de testbankzijde van de warmtewisselaar mag niet hoger zijn dan de nominale inschakeltemperatuur van de thermostaat voorbij de warmtewisselaar.

▼B

5) 

De temperatuur van het motorkoelmiddel wordt voor alle tests die met het oog op de certificering van één specifieke motor binnen een CO2-familie van motoren worden uitgevoerd, tussen de door de fabrikant opgegeven nominale inschakeltemperatuur van de thermostaat en de overeenkomstig punt 4) bepaalde referentietemperatuur van het koelmiddel gehouden, nadat het motorkoelmiddel na een koude start van de motor de opgegeven inschakeltemperatuur van de thermostaat heeft bereikt.

6) 

►M3  Voor de uitvoering van een WHTC-koudstarttest overeenkomstig punt 4.3.3 zijn specifieke initiële voorwaarden vastgesteld in de punten 7.6.1 en 7.6.2 van bijlage 4 bij VN-Reglement nr. 49. ◄ Als het thermostaatgedrag overeenkomstig punt 3) wordt gesimuleerd, hoeft er geen koelmiddelstroom in de warmtewisselaar te zijn zolang het motorkoelmiddel na een koude start niet de opgegeven inschakeltemperatuur van de thermostaat heeft bereikt.

▼M3

3.1.6.   Opstelling van WHR-systemen

De volgende voorschriften zijn van toepassing wanneer een WHR-systeem in de motor aanwezig is.

3.1.6.1.   Voor de in punt 3.1.6.2 opgesomde parameters mag installatie op de testbank niet resulteren in betere prestaties van het WHR-systeem wat het door het systeem opgewekte vermogen betreft in vergelijking met de specificaties tijdens het gebruik in een voertuig. Alle andere op de testbank gebruikte WHR-gerelateerde systemen worden gebruikt onder omstandigheden die representatief zijn voor de toepassing in het voertuig onder referentieomgevingsomstandigheden. De WHR-gerelateerde referentieomgevingsomstandigheden zijn gedefinieerd als een luchttemperatuur van 293 K en een luchtdruk van 101,3 kPa.

3.1.6.2.   De testopstelling van de motor moet de ongunstigste omstandigheden simuleren wat betreft temperatuur en energie-inhoud die van de overtollige energie naar het WHR-systeem worden overgedragen. De volgende parameters worden ingesteld om de ongunstigste toestand te simuleren en worden geregistreerd overeenkomstig figuur 1a en genoteerd in het inlichtingenformulier dat wordt opgesteld overeenkomstig het model in aanhangsel 2 van deze bijlage:

(a) 

de afstand tussen het laatste nabehandelingssysteem en de warmtewisselaars voor verdamping van de werkingsvloeistoffen van WHR-systemen (ketels), gemeten in de richting voorbij de motor (LEW), moet gelijk zijn aan of groter zijn dan de maximumafstand (LmaxEW) die door de fabrikant van het WHR-systeem is opgegeven tijdens het gebruik in een voertuig;

(b) 

bij WHR-systemen met turbine(s) in de uitlaatgasstroom moet de afstand tussen de uitlaat van de motor en de ingang van de turbine (LET) gelijk zijn aan of groter zijn dan de maximumafstand (LmaxET) die door de fabrikant van het WHR-systeem is opgegeven tijdens het gebruik in een voertuig;

(c) 

voor WHR-systemen die in een cyclisch proces met gebruik van een werkingsvloeistof worden bediend:

(i) 

de totale pijplengte tussen verdamper en expander (LHE) moet gelijk zijn aan of langer zijn dan de maximumafstand die door de fabrikant is bepaald tijdens het gebruik in een voertuig (LmaxHE);

(ii) 

de totale pijplengte tussen expander en condensator (LEC) moet gelijk zijn aan of korter zijn dan de door de fabrikant gedefinieerde maximumafstand tijdens het gebruik in een voertuig (LmaxEC);

(iii) 

de totale pijplengte tussen condensator en verdamper (LCE) moet gelijk zijn aan of korter zijn dan de maximumafstand die door de fabrikant is bepaald tijdens het gebruik in een voertuig (LmaxCE);

(iv) 

de druk pcond van de werkingsvloeistof voordat deze de condensator binnenkomt, moet overeenkomen met de toepassing tijdens het gebruik in een voertuig bij referentieomgevingsomstandigheden, maar mag in geen geval lager zijn dan de omgevingsdruk in de meetcel min 5 kPa, tenzij de fabrikant aantoont dat gedurende de levensduur van het voertuig tijdens het gebruik een lagere druk kan worden gehandhaafd;

(v) 

het koelvermogen op de testbank om de WHR-condensator te koelen, moet worden beperkt tot een maximumwaarde van Pcool = k × (tcond – 20 °C).

Pcool wordt gemeten aan de werkingsvloeistofzijde of aan de koelmiddelzijde van de testbank. Daarbij is tcond gedefinieerd als de condensatietemperatuur (in °C) van de vloeistof bij pcond.

k = f0 + f1 × Vc

waarbij: Vc = de cilinderinhoud van de motor in liter (afgerond op 2 decimalen);

f0 = 0,6 kW/K;

f1 = 0,05 kW/(K*l);

(vi) 

om de WHR-condensator op de testbank te koelen, is zowel vloeistofkoeling als luchtkoeling toegestaan. In het geval van een luchtgekoelde condensator moet het systeem worden gekoeld met dezelfde ventilator (indien van toepassing) als die welke in het voertuig is geïnstalleerd en onder de in punt 3.1.6.1 vermelde referentieomgevingsomstandigheden. In het geval van een luchtgekoelde condensator is de in punt v) vermelde begrenzing van het koelvermogen van toepassing, waarbij het werkelijke koelvermogen wordt gemeten aan de kant van de werkingsvloeistofzijde van de warmtecondensator. Wanneer het vermogen voor de aandrijving van een dergelijke ventilator wordt geleverd door een externe energiebron, wordt het respectieve werkelijke door de ventilator opgenomen vermogen beschouwd als aan het WHR-systeem geleverd vermogen wanneer het nettovermogen overeenkomstig onderstaand punt f) wordt bepaald;

Figuur 1a

Minimum- en maximumafstanden van WHR-onderdelen voor motortests

image

(d) 

Andere WHR-systemen die warmte-energie onttrekken aan het uitlaat- of koelsysteem, worden opgesteld overeenkomstig punt (c). De in punt c) bedoelde „verdamper” verwijst naar de warmtewisselaar om overtollige warmte over te dragen aan de WHR-voorziening. De „expander” in punt c) verwijst naar de voorziening die de energie omzet;

(e) 

alle pijpdiameters van WHR-systemen moeten gelijk zijn aan of kleiner zijn dan de diameters die zijn bepaald voor in gebruik zijnde systemen;

(f) 

voor WHR_mech-systemen wordt het mechanische nettovermogen gemeten bij het verwachte motortoerental bij 60 km/h. Indien het gebruik van andere overbrengingsverhoudingen wordt verwacht, moet het toerental worden berekend op basis van het gemiddelde van deze overbrengingsverhoudingen. Het door een WHR-systeem opgewekte mechanische of elektrische vermogen wordt gemeten met meetapparatuur die voldoet aan de respectieve eisen in tabel 2.

(i) 

Het elektrische nettovermogen is de som van het elektrisch vermogen dat door het WHR-systeem wordt geleverd aan een extern stroomreservoir of oplaadbare opslag, min het elektrische vermogen dat aan het WHR-systeem wordt geleverd door een externe stroombron of oplaadbare opslag. Het elektrische nettovermogen wordt gemeten als gelijkstroomvermogen, d.w.z. na de omzetting van wisselstroom in gelijkstroom.

(ii) 

Het mechanische nettovermogen is de som van het mechanische vermogen dat door het WHR-systeem wordt geleverd aan een extern stroomreservoir of oplaadbare opslag (indien van toepassing), min het mechanische vermogen dat aan het WHR-systeem wordt geleverd door een externe stroombron of oplaadbare opslag.

(iii) 

Alle transmissiesystemen voor elektrisch en mechanisch vermogen die nodig zijn voor een voertuig tijdens het gebruik, moeten in het kader van de meting tijdens de motortest worden opgesteld (bv. cardanassen of riemaandrijvingen voor mechanische verbinding, AC/DC-omvormers en DC/DC-spanningstransformatoren). Indien een in het voertuig gebruikt transmissiesysteem geen deel uitmaakt van de testopstelling, wordt het gemeten elektrische of mechanische nettovermogen dienovereenkomstig verminderd door vermenigvuldiging met een generieke rendementsfactor voor elk van die transmissiesystemen. De volgende generieke rendementen moeten worden toegepast voor transmissiesystemen die niet in de opstelling zijn opgenomen:



Tabel 1

Generieke rendementen van transmissiesystemen voor WHR-vermogen

Type transmissie

Rendementsfactor voor WHR-vermogen

Overbrengingsstap

0,96

Riemaandrijving

0,92

Kettingaandrijving

0,94

DC/DC-omvormer

0,95

▼B

3.2.   Brandstoffen

De referentiebrandstof voor de geteste motorsystemen wordt gekozen uit de in tabel 1 vermelde brandstoftypen. De eigenschappen van de in tabel 1 vermelde referentiebrandstoffen komen overeen met de specificaties in bijlage IX bij Verordening (EU) nr. 582/2011 van de Commissie.

Om te waarborgen dat dezelfde brandstof wordt gebruikt voor alle tests die met het oog op de certificering van een specifieke CO2-familie van motoren worden uitgevoerd, mag de tank niet worden bijgevuld en mag niet worden overgeschakeld op een andere tank die het motorsysteem van brandstof voorziet. Bij wijze van uitzondering kan worden toegestaan dat de tank wordt bijgevuld of wordt overgeschakeld op een andere tank, mits kan worden gewaarborgd dat de vervangende brandstof exact dezelfde eigenschappen heeft als de eerder gebruikte brandstof (zelfde productiepartij).

De onderste verbrandingswaarde van de brandstof wordt bepaald met twee afzonderlijke metingen overeenkomstig de desbetreffende normen voor elk in tabel 1 vermeld brandstoftype. De twee afzonderlijke metingen worden verricht door twee verschillende laboratoria die onafhankelijk zijn van de fabrikant die de certificeringsaanvraag indient. Het laboratorium dat de metingen verricht, moet aan de eisen van ISO/IEC 17025 voldoen. De goedkeuringsinstantie zorgt ervoor dat het voor de bepaling van de onderste verbrandingswaarde gebruikte brandstofmonster wordt genomen uit de partij brandstof die voor alle tests wordt gebruikt.

Als de twee afzonderlijke waarden van de onderste verbrandingswaarde meer dan 440 joule per gram brandstof van elkaar afwijken, worden de bepaalde waarden ongeldig verklaard en worden nieuwe metingen verricht.

▼M1

Als de twee afzonderlijke waarden van de onderste verbrandingswaarde niet meer dan 440 joule per gram brandstof van elkaar afwijken, wordt het gemiddelde van beide waarden, overeenkomstig ASTM E 29-06 op twee decimalen afgerond, vastgelegd.

▼B

Voor gasvormige brandstoffen moet volgens de in bijlage 1 vermelde normen die voor de bepaling van de onderste verbrandingswaarde moeten worden toegepast, de verbrandingswaarde op basis van de brandstofsamenstelling worden berekend. Hiervoor wordt de brandstofsamenstelling gebruikt die is gevonden in de analyse van de voor de certificeringstests gebruikte partij van het referentiegas. Voor de bepaling van de samenstelling van de gasvormige vloeistof met het oog op de bepaling van de onderste verbrandingswaarde ervan, wordt slechts één analyse gebruikt die verricht moet worden door een laboratorium dat onafhankelijk is van de fabrikant die de certificeringsaanvraag indient. Voor gasvormige brandstoffen wordt de onderste verbrandingswaarde op deze ene analyse gebaseerd in plaats van op het gemiddelde van twee afzonderlijke metingen.

▼M1

Voor gasvormige brandstoffen mag uitzonderlijk worden gewisseld tussen brandstoftanks van verschillende productiepartijen; in dat geval moet de onderste verbrandingswaarde van elke gebruikte brandstofpartij worden berekend en moet de hoogste waarde worden genoteerd.

▼B



Tabel 1

Referentiebrandstoffen voor tests

Brandstoftype/motortype

Type referentie-brandstof

Norm die voor de bepaling van de onderste verbrandingswaarde wordt gebruikt

Diesel / CI

B7

ten minste ASTM D240 of DIN 59100-1

(ASTM D4809 wordt aanbevolen)

Ethanol / CI

ED95

ten minste ASTM D240 of DIN 59100-1

(ASTM D4809 wordt aanbevolen)

Benzine / PI

E10

ten minste ASTM D240 of DIN 59100-1

(ASTM D4809 wordt aanbevolen)

Ethanol / PI

E85

ten minste ASTM D240 of DIN 59100-1

(ASTM D4809 wordt aanbevolen)

Lpg / PI

Lpg-brandstof B

ASTM 3588 of DIN 51612

▼M1

►M3  Aardgas / PI of aardgas / CI ◄

G25 of GR

ISO 6976 of ASTM 3588

▼M3

3.2.1.   Bij dualfuelmotoren worden de respectieve referentiebrandstoffen voor de geteste motorsystemen gekozen uit de in tabel 1 vermelde brandstoftypen. Een van de twee referentiebrandstoffen moet altijd B7 zijn en de andere referentiebrandstof moet G25, GR of lpg-brandstof B zijn.

De in punt 3.2 vermelde basisbepalingen worden voor elk van de twee gekozen brandstoffen afzonderlijk toegepast.

▼B

3.3.   Smeermiddelen

►M3  Bij alle overeenkomstig deze bijlage verrichte tests wordt als smeermiddel een in de handel verkrijgbare olie gebruikt waarvan de toepassing door de fabrikant zonder beperkingen is goedgekeurd voor normale gebruiksomstandigheden, zoals gedefinieerd in punt 4.2 van bijlage 8 bij VN-Reglement nr. 49. ◄ Smeermiddelen die alleen mogen worden gebruikt in bepaalde bedrijfsomstandigheden van het motorsysteem of die ongewoon snel vervangen moeten worden, mogen niet bij de overeenkomstig deze bijlage verrichte tests worden gebruikt. De in de handel verkrijgbare olie mag op geen enkele wijze worden gewijzigd en er mogen geen middelen aan worden toegevoegd.

Bij alle tests die met het oog op de certificering van de CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen van een specifieke CO2-familie van motoren worden uitgevoerd, moet hetzelfde type smeerolie worden gebruikt.

3.4.   Systeem voor de meting van het brandstofdebiet

Alle brandstofstromen die door het volledige motorsysteem worden verbruikt, moeten met het brandstofdebietmeetsysteem worden gemeten. Aanvullende brandstofstromen die niet rechtstreeks naar het verbrandingsproces in de motorcilinders worden geleid, moeten worden opgenomen in het brandstofstroomsignaal voor alle uitgevoerde tests. Aanvullende brandstofinjectoren (bv. koudstartinrichtingen) die niet noodzakelijk zijn voor de werking van het motorsysteem, moeten tijdens alle uitgevoerde tests zijn losgekoppeld van de brandstoftoevoerleiding.

▼M3

3.4.1.   Bijzondere voorschriften voor dualfuelmotoren

Bij dualfuelmotoren wordt de brandstofstroom overeenkomstig punt 3.4 voor elk van beide gekozen brandstoffen afzonderlijk gemeten.

▼B

3.5.   Specificaties voor meetapparatuur

▼M3

De meetapparatuur moet voldoen aan de voorschriften van punt 9 van bijlage 4 bij VN-Reglement nr. 49.

Onverminderd punt 9 van bijlage 4 bij VN-Reglement nr. 49 moeten de in tabel 2 vermelde meetsystemen aan de in die tabel vermelde grenswaarden voldoen.

▼B



Tabel 2

Voorschriften voor meetsystemen

 

Lineariteit

 

Meetsysteem

Intercept

| xmin Í (a1 – 1) + a0 |

Helling

a1

Standaardfout van de schatting (SEE)

Determinatie-coëfficiënt

r2

Nauwkeurigheid (1)

Stijg-tijd (2)

Motortoerental

≤ 0,2 % max. kalibratie (3)

0,999 - 1,001

≤ 0,1 % max. kalibratie (3)

≥ 0,9985

0,2 % van afgelezen waarde of, als dat meer is, 0,1 % van max. kalibratie (3) van het toerental

≤ 1 s

Motorkoppel

≤ 0,5 % max. kalibratie (3)

0,995 - 1,005

≤ 0,5 % max. kalibratie (3)

≥ 0,995

0,6 % van afgelezen waarde of, als dat meer is, 0,3 % van max. kalibratie (3) van het koppel

≤ 1 s

Brandstofmassa-debiet voor vloeibare brandstoffen

≤ 0,5 % max. kalibratie (3)

0,995 - 1,005

≤ 0,5 % max. kalibratie (3)

≥ 0,995

0,6 % van afgelezen waarde of, als dat meer is, 0,3 % van max. kalibratie (3) van het debiet

≤ 2 s

Brandstofmassa-debiet voor gasvormige brandstoffen

≤ 1 % max. kalibratie (3)

0,99 - 1,01

≤ 1 % max. kalibratie (3)

≥ 0,995

1 % van afgelezen waarde of, als dat meer is, 0,5 % van max. kalibratie (3) van het debiet

≤ 2 s

Elektrisch vermogen

≤ 1 % max. kalibratie (3)

0,98 - 1,02

≤ 2 % max. kalibratie (3)

≥ 0,990

n.v.t.

≤ 1 s

Elektrische stroom

≤ 1 % max. kalibratie (3)

0,98 - 1,02

≤ 2 % max. kalibratie (3)

≥ 0,990

n.v.t.

≤ 1 s

Spanning

≤ 1 % max. kalibratie (3)

0,98 - 1,02

≤ 2 % max. kalibratie (3)

≥ 0,990

n.v.t.

≤ 1 s

▼M3

Temperatuur relevant voor WHR-systeem

≤ 1,5 % max.

kalibratie (3)

0,98 - 1,02

≤ 2 % max. kalibratie (3)

≥ 0,980

n.v.t.

≤ 10 s

Druk relevant voor WHR-systeem

≤ 1,5 % max.

kalibratie (3)

0,98 - 1,02

≤ 2 % max. kalibratie (3)

≥ 0,980

n.v.t.

≤ 3 s

Elektrisch vermogen relevant voor WHR-systeem

≤ 2 % max.

kalibratie (3)

0,97 - 1,03

≤ 4 % max.kalibratie (3)

≥ 0,980

n.v.t.

≤ 1 s

Mechanisch vermogen relevant voor WHR-systeem

≤ 1 % max.

kalibratie (3)

0,995 - 1,005

≤ 1,0 % max. kalibratie (3)

≥ 0,99

1,0 % van afgelezen waarde of, als dat meer is, 0,5 % van max. kalibratie (3) van het vermogen

≤ 1 s

(1)   

„Nauwkeurigheid” is de mate waarin de van de analysator afgelezen waarde afwijkt van een naar een nationale of internationale standaard herleidbare referentiewaarde.

(2)   

„Stijgtijd” is het tijdverschil tussen de 10 %- en de 90 %-respons van de eindwaarde die van de analysator wordt afgelezen (t90 – t10).

(3)   

De waarden van de „max. kalibratie” zijn 1,1 keer de maximale voorspelde waarde die tijdens alle tests voor het meetsysteem wordt verwacht.

▼M3

Bij dualfuelmotoren wordt de „max. kalibratie”-waarde die van toepassing is voor het meetsysteem voor brandstofmassadebiet voor zowel vloeibare als gasvormige brandstoffen vastgesteld overeenkomstig de volgende bepalingen:

(1) 

het brandstoftype waarvoor het brandstofmassadebiet wordt bepaald door het meetsysteem is de primaire brandstof, op voorwaarde dat wordt gecontroleerd of aan de in tabel 2 vermelde eisen wordt voldaan. Het andere brandstoftype is de secundaire brandstof;

(2) 

de maximale voorspelde waarde die tijdens alle tests voor de secundaire brandstof wordt verwacht, wordt met de volgende vergelijking omgezet in de maximale voorspelde waarde die tijdens alle tests voor de primaire brandstof wordt verwacht:

mf* mp,seco = mfmp,seco × NCVseco / NCVprim

waarbij:

mf* mp,seco

=

maximale voorspelde massadebietwaarde van de secundaire brandstof, omgezet naar de primaire brandstof;

mfmp,seco

=

maximale voorspelde massadebietwaarde van de secundaire brandstof;

NCVprim

=

onderste verbrandingswaarde van primaire brandstof, bepaald overeenkomstig punt 3.2 [MJ/kg];

NCVseco

=

onderste verbrandingswaarde van secundaire brandstof, bepaald overeenkomstig punt 3.2 [MJ/kg];

(3) 

de maximale voorspelde totale waarde, mfmp,overall, die tijdens alle tests wordt verwacht, wordt bepaald door de volgende vergelijking toe te passen:

mfmp,overall = mfmp,prim + mf* mp,seco

waarbij:

mfmp,prim

=

maximale voorspelde massadebietwaarde van de primaire brandstof;

mf* mp,seco

=

maximale voorspelde massadebietwaarde van de secundaire brandstof, omgezet naar de primaire brandstof;

(4) 

de „max. kalibratie”-waarden moeten 1,1 keer de maximale voorspelde totale waarde, mfmp,overall zijn, bepaald overeenkomstig punt 3) hierboven.

„xmin ”, in tabel 2 gebruikt voor de berekening van de interceptwaarde, moet 0,9 keer de minimale voorspelde waarde zijn die tijdens alle tests voor het meetsysteem wordt verwacht.

De in tabel 2 vermelde meetsystemen moeten, met uitzondering van het meetsysteem voor het brandstofmassadebiet, met een frequentie van ten minste 5 Hz (≥ 10 Hz wordt aanbevolen) een signaal geven. Het meetsysteem voor het brandstofmassadebiet moet met een frequentie van ten minste 2 Hz een signaal geven.

▼B

Alle meetgegevens worden vastgelegd met een bemonsteringsfrequentie van ten minste 5 Hz (≥ 10 Hz wordt aanbevolen).

3.5.1.   Controle van de meetapparatuur

Voor elk meetsysteem wordt gecontroleerd of aan de in tabel 2 vermelde eisen wordt voldaan. Als input van het meetsysteem worden ten minste tien referentiewaarden tussen xmin en de waarde „max. kalibratie”, zoals beschreven in punt 3.5, ingevoerd en de respons van het meetsysteem wordt geregistreerd als de gemeten waarde.

Voor de lineariteitscontrole worden de gemeten waarden met de referentiewaarden vergeleken door toepassing van lineaire regressie volgens de kleinstekwadratenmethode overeenkomstig punt A.3.2 van aanhangsel 3 van bijlage 4 bij ►M3  VN-Reglement nr. 49 ◄ .

4.   Testprocedure

Tenzij in deze bijlage anders is bepaald, worden alle meetgegevens overeenkomstig bijlage 4 bij ►M3  VN-Reglement nr. 49 ◄ , verkregen.

4.1.   Overzicht van de te verrichten tests

Tabel 3 bevat een overzicht van alle tests die moeten worden uitgevoerd met het oog op de certificering van een specifieke, overeenkomstig aanhangsel 3 samengestelde CO2-familie van motoren.

De cyclus voor het bepalen van de diagram van het brandstofverbruik overeenkomstig punt 4.3.5 en de vastlegging van de motorweerstandscurve overeenkomstig punt 4.3.2 worden voor alle andere motoren dan de CO2-oudermotor van de CO2-familie van motoren weggelaten.

Als op verzoek van de fabrikant de in artikel 15, lid 5, van deze verordening vastgestelde bepalingen worden toegepast, moeten de cyclus voor het bepalen van de diagram van het brandstofverbruik overeenkomstig punt 4.3.5 en de vastlegging van de motorweerstandscurve overeenkomstig punt 4.3.2 ook voor die specifieke motor plaatsvinden.



Tabel 3

Overzicht van de te verrichten tests

Test

Verwijzing naar punt

Verplicht voor CO2-oudermotor?

Verplicht voor andere motoren binnen de CO2-familie?

Vollastcurve

4.3.1

ja

ja

Motorweerstands-curve

4.3.2

ja

nee

WHTC-test

4.3.3

ja

ja

WHSC-test

4.3.4

ja

ja

Cyclus voor het bepalen van de diagram van het brandstofverbruik

4.3.5

ja

nee

4.2.   Toegestane veranderingen van het motorsysteem

De streefwaarde voor de regelaar van het stationaire toerental van de motor mag voor alle tests waarin de motor met stationair toerental draait, in de elektronische regeleenheid van de motor worden verlaagd om interferentie tussen de regelaar van het stationaire toerental van de motor en de toerentalregelaar van de testbank te voorkomen.

▼M3

4.2.1.   Bijzondere voorschriften voor dualfuelmotoren

Dualfuelmotoren moeten tijdens alle overeenkomstig punt 4.3 verrichte tests in de dualfuelmodus werken. Indien tijdens een test naar de servicemodus wordt overgeschakeld, zijn alle tijdens de desbetreffende test geregistreerde gegevens ongeldig.

▼B

4.3.   Tests

4.3.1.   Vollastcurve van de motor

De vollastcurve van de motor wordt overeenkomstig de punten 7.4.1 tot en met 7.4.5 van bijlage 4 bij ►M3  VN-Reglement nr. 49 ◄ , vastgelegd.

4.3.2.   Motorweerstandscurve

De vastlegging van de motorweerstandscurve overeenkomstig dit punt wordt voor alle andere motoren dan de CO2-oudermotor van de overeenkomstig aanhangsel 3 samengestelde CO2-familie van motoren weggelaten. Overeenkomstig punt 6.1.3 geldt de voor de CO2-oudermotor van de CO2-familie van motoren vastgelegde motorweerstandscurve voor alle motoren binnen dezelfde CO2-familie van motoren.

Als op verzoek van de fabrikant de in artikel 15, lid 5, van deze verordening vastgestelde bepalingen worden toegepast, vindt de vastlegging van de motorweerstandscurve ook voor die specifieke motor plaats.

De motorweerstandscurve wordt overeenkomstig optie b) in punt 7.4.7 van bijlage 4 bij ►M3  VN-Reglement nr. 49 ◄ , vastgelegd. Met deze test wordt het negatieve koppel bepaald dat vereist is om de motor van het maximum- naar het minimumtoerental te brengen bij minimumvraag van de operator.

De test wordt direct aansluitend aan het uitzetten van de vollastcurve overeenkomstig punt 4.3.1 uitgevoerd. Op verzoek van de fabrikant kan de motorweerstandscurve afzonderlijk worden vastgelegd. In dat geval wordt aan het eind van de overeenkomstig punt 4.3.1 uitgevoerde test ter bepaling van de vollastcurve de motorolietemperatuur vastgelegd en toont de fabrikant tot tevredenheid van de goedkeuringsinstantie aan dat de motorolietemperatuur bij het beginpunt van de motorweerstandscurve niet meer dan ± 2 K van die temperatuur verschilt.

Bij het begin van de test ter bepaling van de motorweerstandscurve laat men de motor bij minimale vraag van de operator draaien met het maximumtoerental overeenkomstig punt 7.4.3 van bijlage 4 bij ►M3  VN-Reglement nr. 49 ◄ . Zodra de koppelwaarde bij de motor in vrijloop zodanig is gestabiliseerd dat zij gedurende ten minste tien seconden binnen ± 5 % van de gemiddelde waarde ligt, begint de gegevensregistratie en wordt het toerental met een gemiddeld tempo van 8 ± 1 min– 1/s van het maximum- tot het minimumtoerental verlaagd overeenkomstig punt 7.4.3 van bijlage 4 bij ►M3  VN-Reglement nr. 49 ◄ .

▼M3

4.3.2.1.   Bijzondere voorschriften voor WHR-systemen

Voor WHR_mech- en WHR_elec-systemen mag de gegevensregistratie voor de motorweerstandscurve niet beginnen voordat de aflezing van de waarde van het door het WHR-systeem opgewekte mechanische of elektrische vermogen zich gedurende ten minste 10 seconden binnen ± 10 % van de gemiddelde waarde heeft gestabiliseerd.

▼M3

4.3.3.   WHTC-test

De WHTC-test wordt overeenkomstig bijlage 4 bij VN-Reglement nr. 49 uitgevoerd. De gewogen emissietestresultaten moeten voldoen aan de toepasselijke grenswaarden die in Verordening (EG) nr. 595/2009 zijn vastgesteld.

Dualfuelmotoren moeten voldoen aan de toepasselijke grenswaarden overeenkomstig punt 5 van bijlage XVIII bij Verordening (EU) nr. 582/2011.

De overeenkomstig punt 4.3.1 vastgelegde vollastcurve van de motor wordt gebruikt voor de denormalisering van de referentiecyclus en alle berekeningen van referentiewaarden die overeenkomstig de punten 7.4.6, 7.4.7 en 7.4.8 van bijlage 4 bij VN-Reglement nr. 49 worden uitgevoerd.

▼B

4.3.3.1.   Meetsignalen en gegevensregistratie

Naast het bepaalde in bijlage 4 bij ►M3  VN-Reglement nr. 49 ◄ , wordt het overeenkomstig punt 3.4 gemeten werkelijke debiet van de door de motor verbruikte brandstofmassa geregistreerd.

▼M3

4.3.3.2.   Bijzondere voorschriften voor WHR-systemen

Voor WHR_mech-systemen moet het mechanische vermogen P_WHR_net en voor WHR_elec-systemen het elektrische vermogen P_WHR_net overeenkomstig punt 3.1.6 worden geregistreerd.

▼M3

4.3.4.   WHSC-test

De WHSC-test wordt overeenkomstig bijlage 4 bij VN-Reglement nr. 49 uitgevoerd. De emissietestresultaten moeten voldoen aan de toepasselijke grenswaarden die in Verordening (EG) nr. 595/2009 zijn vastgesteld.

Dualfuelmotoren moeten voldoen aan de toepasselijke grenswaarden overeenkomstig punt 5 van bijlage XVIII bij Verordening (EU) nr. 582/2011.

De overeenkomstig punt 4.3.1 vastgelegde vollastcurve van de motor wordt gebruikt voor de denormalisering van de referentiecyclus en alle berekeningen van referentiewaarden die overeenkomstig de punten 7.4.6, 7.4.7 en 7.4.8 van bijlage 4 bij VN-Reglement nr. 49 worden uitgevoerd.

▼B

4.3.4.1.   Meetsignalen en gegevensregistratie

Naast het bepaalde in bijlage 4 bij ►M3  VN-Reglement nr. 49 ◄ , wordt het overeenkomstig punt 3.4 gemeten werkelijke debiet van de door de motor verbruikte brandstofmassa geregistreerd.

▼M3

4.3.4.2.   Bijzondere voorschriften voor WHR-systemen

Voor WHR_mech-systemen moet het mechanische vermogen P_WHR_net en voor WHR_elec-systemen het elektrische vermogen P_WHR_net overeenkomstig punt 3.1.6 worden geregistreerd.

▼B

4.3.5.   Cyclus voor het bepalen van de diagram van het brandstofverbruik (FCMC)

De cyclus voor het bepalen van de diagram van het brandstofverbruik (FCMC) overeenkomstig dit punt wordt voor alle andere motoren dan de CO2-oudermotor van de CO2-familie van motoren weggelaten. De voor de CO2-oudermotor van de CO2-familie van motoren vastgelegde brandstofdiagramgegevens gelden voor alle motoren binnen dezelfde CO2-familie van motoren.

Als op verzoek van de fabrikant de in artikel 15, lid 5, van deze verordening vastgestelde bepalingen worden toegepast, vindt de cyclus voor het bepalen van de diagram van het brandstofverbruik ook voor die specifieke motor plaats.

De waarden van het brandstofdiagram van de motor worden gemeten bij een overeenkomstig punt 4.3.5.2 bepaalde reeks punten waarbij de motor in statische toestand draait. In dit diagram wordt het van het toerental in min– 1 afhankelijke brandstofverbruik in g/h uitgezet tegen het motorkoppel in Nm.

4.3.5.1.   Onderbrekingen tijdens de FCMC

Als tijdens de FCMC van motoren met een uitlaatgasnabehandelingssysteem dat periodiek wordt geregenereerd, zoals gedefinieerd in punt 6.6 van bijlage 4 bij ►M3  VN-Reglement nr. 49 ◄ , een regeneratieproces plaatsvindt, worden alle metingen bij die toerentalmodus ongeldig verklaard. Het regeneratieproces wordt voltooid, waarna de procedure overeenkomstig punt 4.3.5.1.1 wordt voortgezet.

Als tijdens de FCMC een onverwachte onderbreking, storing of fout optreedt, worden alle metingen bij die toerentalmodus ongeldig verklaard en kiest de fabrikant een van de volgende opties:

1) 

de procedure wordt overeenkomstig punt 4.3.5.1.1 voortgezet;

2) 

de volledige FCMC wordt overeenkomstig de punten 4.3.5.4 en 4.3.5.5 herhaald.

4.3.5.1.1.   Voortzetting van de FCMC

De motor wordt gestart en overeenkomstig punt 7.4.1 van bijlage 4 bij ►M3  VN-Reglement nr. 49 ◄ , opgewarmd. Na het warmlopen wordt de motor voorgeconditioneerd door hem gedurende twintig minuten te laten draaien in modus 9, zoals gedefinieerd in tabel 1 van punt 7.2.2 van bijlage 4 bij ►M3  VN-Reglement nr. 49 ◄ .

De overeenkomstig punt 4.3.1 vastgelegde vollastcurve van de motor wordt gebruikt voor de denormalisering van de referentiewaarden van modus 9 die overeenkomstig de punten 7.4.6, 7.4.7 en 7.4.8 van bijlage 4 bij ►M3  VN-Reglement nr. 49 ◄ , wordt uitgevoerd.

Direct na voltooiing van de voorconditionering worden het toerental en het koppel binnen 20 tot 46 seconden lineair veranderd tot het hoogste koppelinstelpunt bij het eerstvolgende hogere toerentalinstelpunt na het toerentalinstelpunt waarbij de onderbreking van de FCMC plaatsvond. Als het instelpunt in minder dan 46 seconden wordt bereikt, wordt het resterende deel van de 46 seconden voor stabilisatie gebruikt.

Met het oog op stabilisatie wordt de werking van de motor vanaf dat punt overeenkomstig de in punt 4.3.5.5 beschreven testsequentie voortgezet zonder de meetwaarden te registreren.

Wanneer het hoogste koppelinstelpunt bij het toerentalinstelpunt waarbij de onderbreking plaatsvond, is bereikt, wordt de registratie van de meetwaarden vanaf dat punt overeenkomstig de in punt 4.3.5.5 beschreven testsequentie voortgezet.

4.3.5.2.   Raster van instelpunten

Het raster van instelpunten wordt op genormaliseerde wijze bepaald en bestaat uit tien toerentalinstelpunten en elf koppelinstelpunten. De omzetting van de vastgestelde genormaliseerde instelpunten naar werkelijke streefwaarden voor de instelpunten van het toerental en het koppel wordt gebaseerd op de overeenkomstig punt 4.3.1 vastgelegde vollastcurve van de CO2-oudermotor van de overeenkomstig aanhangsel 3 van deze bijlage samengestelde CO2-familie van motoren.

4.3.5.2.1.   Bepaling van toerentalinstelpunten

De tien toerentalinstelpunten bestaan uit vier basisinstelpunten en zes aanvullende instelpunten.

De toerentallen nidle, nlo, npref, n95h en nhi worden afgeleid uit de overeenkomstig punt 4.3.1 vastgelegde vollastcurve van de CO2-oudermotor van de overeenkomstig aanhangsel 3 samengestelde CO2-familie van motoren door de definities van de karakteristieke toerentallen overeenkomstig punt 7.4.6 van bijlage 4 bij ►M3  VN-Reglement nr. 49 ◄ , toe te passen.

Het toerental n57 wordt bepaald met de volgende vergelijking:

n57 = 0,565 × (0,45 × nlo + 0,45 × npref + 0,1 × nhi – nidle) × 2,0327 + nidle.

De vier basisinstelpunten worden als volgt bepaald:

1) 

basistoerental 1: nidle;

2) 

basistoerental 2: nA = n57 – 0,05 × (n95h – nidle);

3) 

basistoerental 3: nB = n57 + 0,08 × (n95h – nidle);

4) 

basistoerental 4: n95h.

De potentiële afstanden tussen de toerentalinstelpunten worden bepaald met de volgende vergelijkingen:

1) 

dnidleA_44 = (nA – nidle) / 4;

2) 

dnB95h_44 = (n95h – nB) / 4;

3) 

dnidleA_35 = (nA – nidle) / 3;

4) 

dnB95h_35 = (n95h – nB) / 5;

5) 

dnidleA_53 = (nA – nidle) / 5;

6) 

dnB95h_53 = (n95h – nB) / 3.

De absolute waarden van de potentiële afwijkingen tussen de twee segmenten worden bepaald met de volgende vergelijkingen:

1) 

dn44 = ABS(dnidleA_44 – dnB95h_44);

2) 

dn35 = ABS(dnidleA_35 – dnB95h_35);

3) 

dn53 = ABS(dnidleA_53 – dnB95h_53).

▼M1

De zes aanvullende toerentalinstelpunten worden bepaald overeenkomstig de volgende bepalingen:

1. 

Als dn44 kleiner is dan of gelijk is aan (dn35 + 5) en ook kleiner is dan of gelijk is aan (dn53 + 5), worden de zes aanvullende toerentalinstelpunten bepaald door twee bereiken, een van nidle tot nA en een van nB tot n95h, elk in vier gelijke segmenten te verdelen.

2. 

Als (dn35 + 5) kleiner is dan dn44 en ook dn35 kleiner is dan dn53, worden de zes aanvullende toerentalinstelpunten bepaald door het bereik van nidle tot nA in drie gelijke segmenten en het bereik nB tot n95h in vijf gelijke segmenten te verdelen.

3. 

Als (dn53 + 5) kleiner is dan dn44 en ook dn53 kleiner is dan dn35, worden de zes aanvullende toerentalinstelpunten bepaald door het bereik van nidle tot nA in vijf gelijke segmenten en het bereik van nB tot n95h in drie gelijke segmenten te verdelen.

▼B

In figuur 1 wordt een voorbeeld gegeven van de bepaling van de toerentalinstelpunten volgens punt 1).

Figuur 1

Bepaling van toerentalinstelpunten

image

4.3.5.2.2.   Bepaling van koppelinstelpunten

De elf koppelinstelpunten bestaan uit twee basisinstelpunten en negen aanvullende instelpunten. De twee basisinstelpunten zijn het nulkoppelpunt en het overeenkomstig punt 4.3.1 bepaalde maximumkoppelpunt bij vollast van de CO2-oudermotor (algeheel maximumkoppel Tmax_overall). De negen aanvullende instelpunten worden bepaald door het bereik van het nulkoppel tot het algehele maximumkoppel, Tmax_overall, in tien gelijke segmenten te verdelen.

▼M1

►M3  Alle koppelinstelpunten bij een bepaald toerentalinstelpunt die hoger zijn dan de grenswaarde die bepaald is door de vollastkoppelwaarde (bepaald op basis van de overeenkomstig punt 4.3.1 vastgelegde vollastcurve) op dit toerentalinstelpunt min 5 % van Tmax_overall, worden vervangen door een enkel koppelinstelpunt bij vollastkoppelwaarde op dit toerentalinstelpunt. ◄ Elk van deze vervangende instelpunten wordt slechts eenmaal gemeten tijdens de overeenkomstig punt 4.3.5.5 gedefinieerde FCMC-testsequentie. Figuur 2 toont een voorbeeld van het bepalen van de koppelinstelpunten.

▼B

Figuur 2

Bepaling van koppelinstelpunten

image

4.3.5.3.   Meetsignalen en gegevensregistratie

De volgende meetgegevens worden geregistreerd:

1) 

het toerental;

2) 

het overeenkomstig punt 3.1.2 gecorrigeerde motorkoppel;

3) 

de door het volledige motorsysteem verbruikte brandstofmassastroom overeenkomstig punt 3.4;

4) 

verontreinigende gassen zoals gedefinieerd in ►M3  VN-Reglement nr. 49 ◄ . ►M3  Tijdens de FCMC-test is geen meting van de emissie van verontreinigende deeltjes, methaan en ammoniak vereist. ◄

De verontreinigende gassen worden gemeten overeenkomstig de punten 7.5.1, 7.5.2, 7.5.3, 7.5.5, 7.7.4, 7.8.1, 7.8.2, 7.8.4 en 7.8.5 van bijlage 4 bij ►M3  VN-Reglement nr. 49 ◄ .

Voor de toepassing van punt 7.8.4 van bijlage 4 bij ►M3  VN-Reglement nr. 49 ◄ , wordt onder het in dat punt gebruikte begrip „testcyclus” verstaan de volledige sequentie van de voorconditionering overeenkomstig punt 4.3.5.4 tot de beëindiging van de testsequentie overeenkomstig punt 4.3.5.5.

▼M3

4.3.5.3.1.   Bijzondere voorschriften voor WHR-systemen

Voor WHR_mech-systemen moet het mechanische vermogen P_WHR_net en voor WHR_elec-systemen het elektrische vermogen P_WHR_net overeenkomstig punt 3.1.6 worden geregistreerd.

▼B

4.3.5.4.   Voorconditionering van het motorsysteem

Het verdunningssysteem (in voorkomend geval) en de motor worden gestart en overeenkomstig punt 7.4.1 van bijlage 4 bij ►M3  UN Regulation No. 49 ◄ , opgewarmd.

Na het warmlopen worden de motor en het bemonsteringssysteem voorgeconditioneerd door de motor gedurende twintig minuten te laten draaien in modus 9, zoals gedefinieerd in tabel 1 van punt 7.2.2 van bijlage 4 bij ►M3  UN Regulation No. 49 ◄ , en tegelijkertijd het verdunningssysteem te laten werken.

▼M3

De overeenkomstig punt 4.3.1 vastgelegde vollastcurve van de CO2-oudermotor van de CO2-familie van motoren wordt gebruikt voor de denormalisering van de referentiewaarden van modus 9 die overeenkomstig de punten 7.4.6, 7.4.7 en 7.4.8 van bijlage 4 bij VN-Reglement nr. 49 wordt uitgevoerd.

▼B

Direct na voltooiing van de voorconditionering worden het toerental en het koppel binnen 20 tot 46 seconden lineair veranderd totdat zij overeenkomen met het eerste instelpunt van de testsequentie overeenkomstig punt 4.3.5.5. Als het eerste instelpunt in minder dan 46 seconden wordt bereikt, wordt het resterende deel van de 46 seconden voor stabilisatie gebruikt.

4.3.5.5.   Testsequentie

De testsequentie bestaat uit statische instelpunten met de overeenkomstig punt 4.3.5.2 vastgestelde toerental- en koppelwaarden, en vastgestelde overgangen om van het ene instelpunt naar het volgende te gaan.

Bij het hoogste koppelinstelpunt voor elk toerentalinstelpunt werkt de motor bij maximale vraag van de operator.

Het eerste instelpunt is het hoogste toerentalinstelpunt en het hoogste koppelinstelpunt.

De volgende stappen worden gezet om alle instelpunten af te werken:

1) 

de motor draait gedurende 95 ± 3 seconden bij elk instelpunt. De eerste 55 ± 1 seconden van elk instelpunt worden als stabilisatieperiode beschouwd. ►M3  Daarna wordt gedurende 30 ± 1 seconden de motor als volgt geregeld: ◄

a) 

de gemiddelde toerentalwaarde wordt op het toerentalinstelpunt gehouden met een marge van ± 1 % van het hoogste doeltoerental;

b) 

behalve voor de vollastpunten, wordt de gemiddelde koppelwaarde op het koppelinstelpunt gehouden met een marge van ± 20 Nm of, als dat meer is, ± 2 % van het algehele maximumkoppel, Tmax_overall.

De overeenkomstig punt 4.3.5.3 geregistreerde waarden worden opgeslagen als gemiddelde waarde over de periode van 30 ± 1 seconden. De resterende periode van 10 ± 1 seconden kan zo nodig worden gebruikt voor de verwerking en opslag van de gegevens. Tijdens deze periode wordt de motor op het instelpunt gehouden;

2) 

nadat de meting op één instelpunt is voltooid, wordt het toerental constant gehouden op het toerentalinstelpunt, met een marge van ± 20 min– 1, en wordt het koppel binnen 20 ± 1 seconden lineair verlaagd totdat het overeenkomt met het eerstvolgende lagere koppelinstelpunt. Vervolgens wordt de meting overeenkomstig punt 1) verricht;

▼M3

3) 

nadat het nulkoppelinstelpunt overeenkomstig punt 1) is gemeten, wordt binnen 20 tot 46 seconden het toerental lineair verlaagd totdat het overeenkomt met het eerstvolgende lagere toerentalinstelpunt, terwijl tegelijkertijd de vraag van de operator lineair wordt verhoogd tot de maximumwaarde. Als het volgende instelpunt in minder dan 46 seconden wordt bereikt, wordt het resterende deel van de 46 seconden voor stabilisatie gebruikt. Vervolgens wordt de meting overeenkomstig punt 1) verricht door de stabilisatieprocedure te starten, waarna de koppelinstelpunten bij constant motortoerental overeenkomstig punt 2) worden aangepast.

▼B

In figuur 3 zijn de drie verschillende stappen geïllustreerd die bij elk meetinstelpunt overeenkomstig punt 1) moeten worden uitgevoerd.

Figuur 3

Stappen die bij elk meetinstelpunt moeten worden uitgevoerd

image

In figuur 4 wordt een voorbeeld gegeven van de sequentie van statische meetinstelpunten.

Figuur 4

Sequentie van statische meetinstelpunten

image

4.3.5.6.   Beoordeling van gegevens voor emissiebewaking

Tijdens de FCMC moeten de verontreinigende gassen overeenkomstig punt 4.3.5.3 worden bewaakt. De definities van de karakteristieke toerentallen overeenkomstig punt 7.4.6 van bijlage 4 bij VN/ECE- ►M3  VN-Reglement nr. 49 ◄ , zijn van toepassing.

4.3.5.6.1.   Bepaling van het controlegebied

Het controlegebied voor de emissiebewaking tijdens de FCMC wordt overeenkomstig de punten 4.3.5.6.1.1 en 4.3.5.6.1.2 bepaald.

4.3.5.6.1.1.   Toerentalbereik voor het controlegebied

1) 

Het toerentalbereik voor het controlegebied wordt gebaseerd op de overeenkomstig punt 4.3.1 vastgelegde vollastcurve van de CO2-oudermotor van de overeenkomstig aanhangsel 3 van deze bijlage samengestelde CO2-familie van motoren.

2) 

Het controlegebied omvat alle toerentallen die hoger zijn dan of gelijk zijn aan het 30e percentiel van de cumulatieve toerentalverdeling, bepaald op basis van alle toerentallen, met inbegrip van het stationaire toerental, in oplopende volgorde, tijdens de overeenkomstig punt 4.3.3 uitgevoerde WHTC-testcyclus met warme start (n30), voor de onder 1) bedoelde vollastcurve.

3) 

Het controlegebied omvat alle toerentallen die lager dan of gelijk aan nhi zijn, bepaald op basis van de onder 1) bedoelde vollastcurve.

4.3.5.6.1.2.   Koppel- en vermogensbereik voor het controlegebied

1) 

De ondergrens van het koppelbereik voor het controlegebied wordt gebaseerd op de overeenkomstig punt 4.3.1 vastgelegde vollastcurve van de laagst gekwalificeerde motor van alle motoren binnen de CO2-familie van motoren.

2) 

Het controlegebied omvat alle motorbelastingstoestanden waarbij het koppel ten minste ten minste 30 % bedraagt van het op basis van de onder 1) bedoelde vollastcurve bepaalde maximumkoppel.

3) 

Onverminderd punt 2) worden toerental- en koppelpunten beneden 30 % van het op basis van de onder 1) bedoelde vollastcurve bepaalde maximumvermogen, van het controlegebied uitgesloten.

4) 

Onverminderd de punten 2) en 3) wordt de bovengrens van het controlegebied gebaseerd op de overeenkomstig punt 4.3.1 vastgelegde vollastcurve van de CO2-oudermotor van de overeenkomstig aanhangsel 3 van deze bijlage samengestelde CO2-familie van motoren. De op basis van de vollastcurve van de CO2-oudermotor bepaalde koppelwaarde voor elk toerental wordt verhoogd met 5 % van het overeenkomstig punt 4.3.5.2.2 bepaalde algehele maximumkoppel, Tmax_overall. De gewijzigde verhoogde vollastcurve van de CO2-oudermotor wordt gebruikt als bovengrens van het controlegebied.

In figuur 5 wordt een voorbeeld gegeven van de bepaling van de toerental-, koppel- en vermogensbereiken van het controlegebied.

Figuur 5

Voorbeeld van de bepaling van de toerental-, koppel- en vermogensbereiken van het controlegebied

image

4.3.5.6.2.   Bepaling van de rastercellen

Het overeenkomstig punt 4.3.5.6.1 bepaalde controlegebied wordt met het oog op de emissiebewaking tijdens de FCMC in een aantal rastercellen verdeeld.

Het raster omvat negen cellen voor motoren met een nominaal toerental van minder dan 3 000  min– 1 en twaalf cellen voor motoren met een nominaal toerental van 3 000  min– 1 of meer. Het raster wordt als volgt gevormd:

1) 

de buitengrenzen van de het raster komen overeen met het overeenkomstig punt 4.3.5.6.1 bepaalde controlegebied;

▼M3

2) 

twee verticale lijnen op gelijke afstand tussen de motortoerentallen n30 en nhi voor een rooster met negen cellen, of drie verticale lijnen op gelijke afstand tussen de motortoerentallen n30 en nhi voor een rooster met twaalf cellen;

3) 

twee lijnen op gelijke afstand van het koppel (d.w.z. 1/3) bij elke verticale lijn binnen het overeenkomstig punt 4.3.5.6.1 bepaalde controlegebied.

▼B

Alle toerentalwaarden in min– 1 en koppelwaarden in newtonmeter die de grenzen van de rastercellen vormen, worden overeenkomstig ASTM E 29-06 op twee decimalen afgerond.

In figuur 6 wordt een voorbeeld gegeven van de bepaling van de rastercellen van het controlegebied voor een raster met negen cellen.

Figuur 6

Voorbeeld van een bepaling van de rastercellen van het controlegebied voor een raster met negen cellen.

image

4.3.5.6.3.   Berekening van de specifieke massa-emissies

Bij de bepaling van de specifieke massa-emissies van de verontreinigende gassen wordt uitgegaan van de gemiddelde waarde voor elke overeenkomstig punt 4.3.5.6.2 bepaalde rastercel. De gemiddelde waarde voor elke rastercel wordt bepaald als het rekenkundige gemiddelde van de specifieke massa-emissies van alle binnen dezelfde rastercel gelegen toerental- en koppelpunten die tijdens de FCMC worden gemeten.

▼M3

De tijdens de FCMC gemeten specifieke massa-emissies van één toerental- en koppelpunt worden bepaald als het gemiddelde van een meetperiode van 30 ± 1 seconden, zoals gedefinieerd in punt 4.3.5.5, 1).

▼B

Als een toerental- en koppelpunt precies op een scheidingslijn van verschillende rastercellen ligt, wordt dat punt voor de gemiddelde waarden van alle aangrenzende rastercellen in aanmerking genomen.

De tijdens de FCMC voor elk toerental- en koppelpunt gemeten totale massa-emissies van elk verontreinigend gas, mFCMC,i in grammen, in de meetperiode van 30 ± 1 seconden, zoals gedefinieerd in punt 4.3.5.5, onder 1), worden berekend overeenkomstig punt 8 van bijlage 4 bij ►M3  VN-Reglement nr. 49 ◄ .

De tijdens de FCMC voor elk toerental- en koppelpunt gemeten werkelijke motorarbeid, WFCMC,i in kWh, in de meetperiode van 30 ± 1 seconden, zoals gedefinieerd in punt 4.3.5.5, onder 1), wordt op basis van de overeenkomstig punt 4.3.5.3 geregistreerde toerental- en koppelwaarden bepaald.

De tijdens de FCMC voor elk toerental- en koppelpunt gemeten specifieke massa-emissies van verontreinigende gassen, eFCMC,i in g/kWh, worden met de volgende vergelijking bepaald:

eFCMC,i = mFCMC,i / WFCMC,i

4.3.5.7.   Geldigheid van de gegevens

4.3.5.7.1.   Voorschriften voor validatiestatistieken van de FCMC

Voor de FCMC wordt een lineaire regressieanalyse tussen de werkelijke waarden van het toerental (nact), het koppel (Mact) en het vermogen (Pact) en de overeenkomstige referentiewaarden (nref, Mref, Pref) gemaakt. De werkelijke waarden voor nact, Mact en Pact worden op basis van de overeenkomstig punt 4.3.5.3 geregistreerde waarden bepaald.

De overgangen om van het ene instelpunt naar het volgende te gaan, blijven bij deze regressieanalyse buiten beschouwing.

Om de onzuiverheid als gevolg van het tijdsverschil tussen de werkelijke en de referentiecycluswaarden zo veel mogelijk te beperken, mag de hele werkelijke signaalreeks van het motortoerental en -koppel vroeger of later gesteld worden ten opzichte van de referentietoerental- en referentiekoppelreeks. Wanneer de werkelijke signalen worden verschoven, moeten zowel het toerental als het koppel eenzelfde hoeveelheid in dezelfde richting worden verschoven.

Voor de regressieanalyse overeenkomstig de punten A.3.1 en A.3.2 van aanhangsel 3 van bijlage 4 bij ►M3  VN-Reglement nr. 49 ◄ , wordt de kleinstekwadratenmethode toegepast met de best passende formule met de in punt 7.8.7 van bijlage 4 bij ►M3  VN-Reglement nr. 49 ◄ , vermelde vorm. Aanbevolen wordt deze analyse met een frequentie van 1 Hz uit te voeren.

Uitsluitend voor deze regressieanalyse mogen vóór de berekening van de regressie punten worden geschrapt, mits dit is aangegeven in tabel 4 (Punten die in de regressieanalyse mogen worden geschrapt) van bijlage 4 bij ►M3  VN-Reglement nr. 49 ◄ . Bovendien worden, uitsluitend voor deze regressieanalyse, alle koppel- en toerentalwaarden op punten met maximumvraag van de operator geschrapt. De voor de regressieanalyse geschrapte punten worden echter voor de overige berekeningen overeenkomstig deze bijlage niet weggelaten. Het schrappen van punten kan voor de hele cyclus of voor een gedeelte ervan worden toegepast.

De gegevens worden alleen geldig geacht als zij voldoen aan de criteria van tabel 3 (Regressierechtetoleranties voor de WHSC) van bijlage 4 bij ►M3  VN-Reglement nr. 49 ◄ .

▼M3

4.3.5.7.2.   Voorschriften voor emissiebewaking

De in de FCMC-tests verkregen gegevens zijn geldig als de overeenkomstig punt 4.3.5.6.3 voor elke rastercel bepaalde specifieke massa-emissies van de gereguleerde verontreinigende gassen voldoen aan de volgende grenswaarden voor verontreinigende gassen:

(a) 

andere motoren dan dualfuelmotoren moeten voldoen aan de toepasselijke grenswaarden overeenkomstig punt 5.2.2 van bijlage 10 bij VN-Reglement nr. 49;

(b) 

dualfuelmotoren moeten voldoen aan de toepasselijke grenswaarden die in bijlage XVIII bij Verordening (EU) nr. 582/2011 zijn vastgesteld, waarbij verwijzingen naar een emissiegrenswaarde van een verontreinigende stof zoals gedefinieerd in bijlage I bij Verordening (EU) nr. 595/2009 worden vervangen door een verwijzing naar de grenswaarde voor dezelfde verontreinigende stof overeenkomstig punt 5.2.2 van bijlage 10 bij VN/ECE-Reglement nr. 49.

Als het aantal toerental- en koppelpunten binnen één rastercel minder dan drie bedraagt, is dit punt niet van toepassing op die specifieke rastercel.

▼B

5.   Verwerking van meetgegevens

Alle in dit punt beschreven berekeningen worden specifiek uitgevoerd voor elke motor binnen één CO2-familie van motoren.

5.1.   Berekening van motorarbeid

▼M1

De totale motorarbeid in een cyclus of in een bepaalde periode wordt bepaald op basis van de overeenkomstig punt 3.1.2 van deze bijlage en de punten 6.3.5 en 7.4.8 van bijlage 4 bij ►M3  VN-Reglement nr. 49 ◄ , geregistreerde waarden.

▼B

De motorarbeid in een volledige testcyclus of in elke WHTC-subcyclus wordt bepaald door de geregistreerde motorvermogenswaarden met de volgende formule te integreren:

image

waarbij:

Wact, i

=

totale motorarbeid in het tijdvak tussen t0 en t1;

t0

=

tijd bij het begin van het tijdvak;

t1

=

tijd bij het eind van het tijdvak;

n

=

aantal geregistreerde waarden in het tijdvak tussen t0 en t1;

Pk [0 … n]

=

in het tijdvak tussen t0 en t1 geregistreerde motorvermogenswaarden in chronologische volgorde, waarbij k gaat van 0 op het tijdstip t0 tot n op het tijdstip t1;

h

=

interval tussen twee aangrenzende geregistreerde waarden, gegeven door.

image

5.2.   Berekening van het geïntegreerde brandstofverbruik

Als er negatieve waarden voor het brandstofverbruik zijn geregistreerd, worden die bij de berekeningen voor de geïntegreerde waarde als zodanig gebruikt en niet gelijkgesteld aan nul.

De totale door de motor verbruikte brandstofmassa in een volledige testcyclus of in elke WHTC-subcyclus wordt bepaald door de geregistreerde brandstofmassadebietwaarden met de volgende formule te integreren:

image

waarbij:

Σ FCmeas, i

=

totale door de motor verbruikte brandstofmassa in het tijdvak tussen t0 en t1;

t0

=

tijd bij het begin van het tijdvak;

t1

=

tijd bij het eind van het tijdvak;

n

=

aantal geregistreerde waarden in het tijdvak tussen t0 en t1;

mffuel,k [0 … n]

=

in het tijdvak tussen t0 en t1 geregistreerde brandstofmassadebietwaarden in chronologische volgorde, waarbij k gaat van 0 op het tijdstip t0 tot n op het tijdstip t1;

h

=

interval tussen twee aangrenzende geregistreerde waarden, gegeven door

image

5.3.   Berekening van de specifieke brandstofverbruikswaarden

De correctie- en vereffeningsfactoren die als input voor de simulatietool moeten worden verstrekt, worden door de motorvoorbewerkingstool berekend op basis van de overeenkomstig de punten 5.3.1 en 5.3.2 bepaalde gemeten specifieke brandstofverbruikswaarden van de motor.

5.3.1.   Specifieke brandstofverbruikswaarden voor de WHTC-correctiefactor

De voor de WHTC-correctiefactor vereiste specifieke brandstofverbruikswaarden worden als volgt berekend op basis van de overeenkomstig punt 4.3.3 geregistreerde werkelijke gemeten waarden voor de WHTC met warme start:

SFCmeas, Urban = Σ FCmeas, WHTC-Urban / Wact, WHTC-Urban
SFCmeas, Rural = Σ FCmeas, WHTC- Rural / Wact, WHTC- Rural
SFCmeas, MW = Σ FCmeas, WHTC-MW / Wact, WHTC-M)

waarbij:

SFCmeas, i

=

specifiek brandstofverbruik in WHTC-subcyclus i [g/kWh];

Σ FCmeas, i

=

totale door de motor verbruikte brandstofmassa in WHTC-subcyclus i [g], bepaald overeenkomstig punt 5.2;

Wact, i

=

totale motorarbeid in WHTC-subcyclus i [kWh], bepaald overeenkomstig punt 5.1.

De drie subcycli van de WHTC (stad, platteland en snelweg) worden als volgt gedefinieerd:

1) 

stad: van het begin van de cyclus tot ≤ 900 seconden na het begin van de cyclus;

2) 

platteland: van > 900 seconden tot ≤ 1 380  seconden na het begin van de cyclus;

3) 

snelweg (MW): van > 1 380  seconden tot het eind van de cyclus.

▼M3

5.3.1.1.   Bijzondere voorschriften voor dualfuelmotoren

Bij dualfuelmotoren worden de specifieke brandstofverbruikswaarden voor de WHTC-correctiefactor overeenkomstig punt 5.3.1 voor elk van beide brandstoffen afzonderlijk berekend.

▼B

5.3.2.   Specifieke brandstofverbruikswaarden voor de vereffeningsfactor voor koude/warme emissies

De voor de vereffeningsfactor voor koude/warme emissies vereiste specifieke brandstofverbruikswaarden worden berekend op basis van de overeenkomstig punt 4.3.3 geregistreerde werkelijke gemeten waarden voor zowel de WHTC-test met warme start als de WHTC-test met koude start. De berekeningen voor de WHTC met warme en koude start worden op de volgende wijze afzonderlijk verricht:

SFCmeas, hot = Σ FCmeas, hot / Wact, hot
SFCmeas, cold = Σ FCmeas, cold / Wact, cold

waarbij:

SFCmeas, j

=

specifiek brandstofverbruik [g/kWh];

Σ FCmeas, j

=

totaal brandstofverbruik in de WHTC [g], bepaald overeenkomstig punt 5.2 van deze bijlage;

Wact, j

=

totale motorarbeid in de WHTC [kWh], bepaald overeenkomstig punt 5.1 van deze bijlage.

▼M3

5.3.2.1.   Bijzondere voorschriften voor dualfuelmotoren

Bij dualfuelmotoren worden de specifieke brandstofverbruikswaarden voor de vereffeningsfactor voor koude/warme emissies overeenkomstig punt 5.3.2 voor elk van beide brandstoffen afzonderlijk berekend.

▼M3

5.3.3.   Specifieke brandstofverbruikswaarden voor de WHSC

De specifieke brandstofverbruikswaarden voor de WHSC worden als volgt berekend op basis van de overeenkomstig punt 4.3.4 geregistreerde werkelijke gemeten waarden voor de WHSC:

SFCWHSC = (Σ FCWHSC) / (WWHSC + Σ E_WHRWHSC)

waarbij:

SFCWHSC

=

specifiek brandstofverbruik in de WHSC [g/kWh];

Σ FCWHSC

=

totaal brandstofverbruik in de WHSC [g],

bepaald overeenkomstig punt 5.2 van deze bijlage;

WWHSC

=

totale motorarbeid in de WHSC [kWh],

bepaald overeenkomstig punt 5.1 van deze bijlage;

Voor motoren met meer dan één geïnstalleerd WHR-systeem wordt E_WHRWHSC voor elk verschillend WHR-systeem afzonderlijk berekend. Voor motoren zonder geïnstalleerd WHR-systeem wordt E_WHRWHSC ingesteld op nul.

E_WHRWHSC = totale geïntegreerde E_WHR_net in de WHSC [kWh],

bepaald overeenkomstig punt 5.3;

Σ E_WHRWHSC = som van individuele E_WHRWHSC van alle geïnstalleerde WHR-systemen [kWh].

▼B

5.3.3.1.   Gecorrigeerde specifieke brandstofverbruikswaarden voor de WHSC

Het overeenkomstig punt 5.3.3 bepaalde berekende specifieke brandstofverbruik in de WHSC, SFCWHSC, wordt met de volgende vergelijking omgezet in een gecorrigeerde waarde, SFCWHSC,corr, om rekening te houden met het verschil tussen de onderste verbrandingswaarde van de tijdens de test gebruikte brandstof en de standaardwaarde voor de betrokken motorbrandstoftechnologie:

image

waarbij:

SFCWHSC,corr

=

gecorrigeerd specifiek brandstofverbruik in de WHSC [g/kWh];

SFCWHSC

=

specifiek brandstofverbruik in de WHSC [g/kWh];

NCVmeas

=

onderste verbrandingswaarde van de tijdens de test gebruikte brandstof, bepaald overeenkomstig punt 3.2 [MJ/kg];

NCVstd

=

standaard-NCV volgens tabel 4 [MJ/kg].



Tabel 4

Standaard-NCV voor verschillende brandstoftypen

Brandstoftype/ motortype

Type referentie-brandstof

Standaard-NCV [MJ/kg]

Diesel / CI

B7

42,7

Ethanol / CI

ED95

25,7

Benzine / PI

E10

41,5

Ethanol / PI

E85

29,1

Lpg / PI

Lpg-brandstof B

46,0

▼M1

►M3  Aardgas / PI of aardgas / CI ◄

G25 of GR

45,1

▼B

5.3.3.2.   Bijzondere bepalingen voor referentiebrandstof B7

Als overeenkomstig punt 3.2 referentiebrandstof van het type B7 (diesel/CI) tijdens de test is gebruikt, wordt de normalisatiecorrectie overeenkomstig punt 5.3.3.1 niet toegepast en is de gecorrigeerde waarde, SFCWHSC,corr, gelijk aan de ongecorrigeerde waarde SFCWHSC.

▼M3

5.3.3.3.   Bijzondere voorschriften voor dualfuelmotoren

Bij dualfuelmotoren worden de gecorrigeerde specifieke brandstofverbruikswaarden voor de WHSC overeenkomstig punt 5.3.3.1 voor elk van beide brandstoffen afzonderlijk berekend op basis van de overeenkomstig punt 5.3.3 gemeten respectieve specifieke brandstofverbruikswaarden voor de WHSC voor elk van beide brandstoffen afzonderlijk.

Punt 5.3.3.2 is van toepassing op dieselbrandstof B7.

▼B

5.4.   Correctiefactor voor motoren met een uitlaatgasnabehandelingssysteem dat periodiek wordt geregenereerd

Voor motoren met een uitlaatgasnabehandelingssysteem dat periodiek wordt geregenereerd, zoals gedefinieerd in punt 6.6.1 van bijlage 4 bij ►M3  VN-Reglement nr. 49 ◄ , wordt een correctiefactor op het brandstofverbruik toegepast om rekening te houden met regeneratieprocessen.

Deze correctiefactor, CFRegPer, wordt overeenkomstig punt 6.6.2 van bijlage 4 bij ►M3  VN-Reglement nr. 49 ◄ , bepaald.

Voor motoren met een uitlaatgasnabehandelingssysteem met continue regeneratie, zoals gedefinieerd in punt 6.6 van bijlage 4 bij ►M3  VN-Reglement nr. 49 ◄ , wordt geen correctiefactor bepaald en heeft de factor CFRegPer de waarde 1.

De overeenkomstig punt 4.3.1 vastgelegde vollastcurve van de motor wordt gebruikt voor de denormalisering van de WHTC-referentiecyclus en alle berekeningen van referentiewaarden die overeenkomstig de punten 7.4.6, 7.4.7 en 7.4.8 van bijlage 4 bij ►M3  VN-Reglement nr. 49 ◄ , worden uitgevoerd.

Naast het bepaalde in bijlage 4 bij ►M3  VN-Reglement nr. 49 ◄ , wordt het overeenkomstig punt 3.4 gemeten werkelijke debiet van de door de motor verbruikte brandstofmassa geregistreerd voor elke overeenkomstig punt 6.6.2 van bijlage 4 bij ►M3  VN-Reglement nr. 49 ◄ , uitgevoerde WHTC-test met warme start.

Het specifieke brandstofverbruik voor elke uitgevoerde WHTC-test met warme start wordt berekend met de volgende vergelijking:

SFCmeas, m = (Σ FCmeas, m) / (Wact, m)

waarbij:

SFCmeas, m

=

specifiek brandstofverbruik [g/kWh];

Σ FCmeas,m

=

totaal brandstofverbruik in de WHTC [g], bepaald overeenkomstig punt 5.2 van deze bijlage;

Wact, m

=

totale motorarbeid in de WHTC [kWh], bepaald overeenkomstig punt 5.1 van deze bijlage;

m

=

index waarmee elke individuele WHTC-test met warme start wordt aangeduid.

De specifieke brandstofverbruikswaarden voor de individuele WHTC-tests worden gewogen met de volgende vergelijking:

image

waarbij:

n

=

aantal WHTC-warmestarttests zonder regeneratie;

nr

=

aantal WHTC-warmestarttests met regeneratie (ten minste één test);

SFCavg

=

gemiddeld specifiek brandstofverbruik voor alle WHTC-warmestarttests zonder regeneratie [g/kWh];

SFCavg,r

=

gemiddeld specifiek brandstofverbruik voor alle WHTC-warmestarttests met regeneratie [g/kWh].

De correctiefactor, CFRegPer, wordt berekend met de volgende vergelijking:

image

▼M3

5.4.1.   Bijzondere voorschriften voor dualfuelmotoren

Bij dualfuelmotoren wordt de correctiefactor voor motoren met een uitlaatgasnabehandelingssysteem dat periodiek wordt geregenereerd overeenkomstig punt 5.4, voor elk van beide brandstoffen afzonderlijk berekend.

5.5.   Bijzondere bepalingen voor WHR-systemen

De waarden in de punten 5.5.1, 5.5.2 en 5.5.3 worden alleen berekend wanneer een WHR_mech- of WHR_elec-systeem in de testopstelling aanwezig is. De respectieve waarden worden voor het mechanische en elektrische nettovermogen afzonderlijk berekend.

5.5.1.   Berekening van geïntegreerde E_WHR_net

Dit punt is alleen van toepassing op motoren met een WHR-systeem.

Als er negatieve waarden voor de mechanische of elektrische P_WHR_net zijn geregistreerd, worden die bij de berekeningen voor de geïntegreerde waarde als zodanig gebruikt en niet gelijkgesteld aan nul.

De totale geïntegreerde E_WHR_net in een volledige testcyclus of in elke WHTC-subcyclus wordt bepaald door de geregistreerde waarden voor mechanische of elektrische P_WHR_net met de volgende formule te integreren:

image

waarbij:

E_WHRmeas, i

=

totale geïntegreerde E_WHR_net in het tijdvak tussen t0 en t1;

t0

=

tijd bij het begin van het tijdvak;

t1

=

tijd bij het eind van het tijdvak;

n

=

aantal geregistreerde waarden in het tijdvak tussen t0 en t1;

P_WHRmeas,k [0 … n]

=

geregistreerde mechanische of elektrische P_WHR_net-waarde op het moment t0 + k×h, in het tijdvak tussen t0 en t1 in chronologische volgorde, waarbij k gaat van 0 op het tijdstip t0 tot n op het tijdstip t1;

image

=

interval tussen twee aangrenzende geregistreerde waarden,

5.5.2.   Berekening van de specifieke E_WHR_net-waarden

De correctie- en vereffeningsfactoren die als input voor de simulatietool moeten worden verstrekt, worden door de motorvoorbewerkingstool berekend op basis van de overeenkomstig de punten 5.5.2.1 en 5.5.2.2 bepaalde gemeten specifieke E_WHR_net-waarden.

5.5.2.1.   Specifieke E_WHR_net-waarden voor de WHTC-correctiefactor

De voor de WHTC-correctiefactor vereiste specifieke E_WHR_net-waarden worden als volgt berekend op basis van de overeenkomstig punt 4.3.3 geregistreerde werkelijke gemeten waarden voor de WHTC met warme start:

S_E_WHRmeas, Urban = E_WHRmeas, WHTC-Urban / Wact, WHTC-Urban

S_E_WHRmeas, Rural = E_WHRmeas, WHTC- Rural / Wact, WHTC- Rural

S_E_WHRmeas, MW = E_WHRmeas, WHTC-MW / Wact, WHTC-MW

waarbij:

S_E_WHR meas, i

=

specifieke E_WHR_net

in WHTC-subcyclus i [kJ/kWh];

E_WHR meas, i

=

totale geïntegreerde E_WHR_net in

WHTC-subcyclus i [kJ], bepaald overeenkomstig

punt 5.5.1;

Wact, i

=

totale motorarbeid in WHTC-subcyclus i [kWh],

bepaald overeenkomstig punt 5.1;

De drie subcycli van de WHTC (stad, platteland en snelweg) worden gedefinieerd in punt 5.3.1.

5.5.2.2.   Specifieke E_WHR_net-waarden voor de vereffeningsfactor voor koude/warme emissies

De voor de vereffeningsfactor voor koude/warme emissies vereiste specifieke E_WHR_net-waarden worden berekend op basis van de overeenkomstig punt 4.3.3 geregistreerde werkelijke gemeten waarden voor zowel de WHTC-test met warme start als de WHTC-test met koude start. De berekeningen voor de WHTC met warme en koude start worden op de volgende wijze afzonderlijk verricht:

S_E_WHRmeas, hot = E_WHRmeas, hot / Wact, hot

S_E_WHRmeas, cold = E_WHRmeas, cold / Wact, cold

waarbij:

S_E_WHR meas, j

=

specifieke E_WHR_net in de WHTC [kJ/kWh];

E_WHR meas, j

=

totale geïntegreerde E_WHR_net in de WHTC [kJ],

bepaald overeenkomstig punt 5.5.1;

Wact, j

=

totale motorarbeid in de WHTC [kWh],

bepaald overeenkomstig punt 5.1;

5.5.3.   WHR-correctiefactor voor motoren met een uitlaatgasnabehandelingssysteem dat periodiek wordt geregenereerd

Deze correctiefactor wordt ingesteld op 1.

▼B

6.   Gebruik van de motorvoorbewerkingstool

De motorvoorbewerkingstool wordt voor elke motor binnen één CO2-familie van motoren gebruikt met de in punt 6.1 beschreven input.

De outputgegevens van de motorvoorbewerkingstool vormen het eindresultaat van de motortestprocedure en worden gedocumenteerd.

6.1.   Inputgegevens voor de motorvoorbewerkingstool

Met de in deze bijlage beschreven testprocedures worden de volgende inputgegevens gegenereerd, die de input vormen voor de motorvoorbewerkingstool:

6.1.1.   vollastcurve van de CO2-oudermotor:

deze inputgegevens betreffen de overeenkomstig punt 4.3.1 vastgelegde vollastcurve van de CO2-oudermotor van de overeenkomstig aanhangsel 3 van deze bijlage samengestelde CO2-familie van motoren.

Als op verzoek van de fabrikant de in artikel 15, lid 5, van deze verordening vastgestelde bepalingen worden toegepast, worden de waarden van de overeenkomstig punt 4.3.1 vastgelegde vollastcurve van die specifieke motor als inputgegevens gebruikt.

De inputgegevens worden verstrekt als kommagescheiden bestand (CSV-bestand), waarbij als scheidingsteken het Unicodeteken „komma” (U+002C) („,”) wordt gebruikt. De eerste regel van het bestand wordt als kopregel gebruikt en bevat geen vastgelegde gegevens. De vastgelegde gegevens beginnen bij de tweede regel van het bestand.

De eerste kolom van het bestand betreft het toerental van de motor in min– 1, overeenkomstig ASTM E 29-06 op twee decimalen afgerond. De tweede kolom van het bestand betreft het koppel in Nm, overeenkomstig ASTM E 29-06 op twee decimalen afgerond;

6.1.2.   vollastcurve:

deze inputgegevens betreffen de overeenkomstig punt 4.3.1 vastgelegde vollastcurve van de motor.

De inputgegevens worden verstrekt als kommagescheiden bestand (CSV-bestand), waarbij als scheidingsteken het Unicodeteken „komma” (U+002C) („,”) wordt gebruikt. De eerste regel van het bestand wordt als kopregel gebruikt en bevat geen vastgelegde gegevens. De vastgelegde gegevens beginnen bij de tweede regel van het bestand.

De eerste kolom van het bestand betreft het toerental van de motor in min– 1, overeenkomstig ASTM E 29-06 op twee decimalen afgerond. De tweede kolom van het bestand betreft het koppel in Nm, overeenkomstig ASTM E 29-06 op twee decimalen afgerond;

6.1.3.   motorweerstandscurve van de CO2-oudermotor:

deze inputgegevens betreffen de overeenkomstig punt 4.3.2 vastgelegde motorweerstandscurve van de CO2-oudermotor van de overeenkomstig aanhangsel 3 van deze bijlage samengestelde CO2-familie van motoren.

Als op verzoek van de fabrikant de in artikel 15, lid 5, van deze verordening vastgestelde bepalingen worden toegepast, worden de waarden van de overeenkomstig punt 4.3.2 vastgelegde motorweerstandscurve van die specifieke motor als inputgegevens gebruikt.

De inputgegevens worden verstrekt als kommagescheiden bestand (CSV-bestand), waarbij als scheidingsteken het Unicodeteken „komma” (U+002C) („,”) wordt gebruikt. De eerste regel van het bestand wordt als kopregel gebruikt en bevat geen vastgelegde gegevens. De vastgelegde gegevens beginnen bij de tweede regel van het bestand.

De eerste kolom van het bestand betreft het toerental van de motor in min– 1, overeenkomstig ASTM E 29-06 op twee decimalen afgerond. De tweede kolom van het bestand betreft het koppel in Nm, overeenkomstig ASTM E 29-06 op twee decimalen afgerond;

▼M3

6.1.4.   brandstofverbruikdiagram van de CO2-oudermotor:

deze inputgegevens betreffen de overeenkomstig punt 4.3.5 vastgelegde waarden voor de CO2-oudermotor van de overeenkomstig aanhangsel 3 van deze bijlage samengestelde CO2-familie van motoren.

Als op verzoek van de fabrikant de in artikel 15, lid 5, van deze verordening vastgestelde bepalingen worden toegepast, worden de overeenkomstig punt 4.3.5 vastgelegde waarden voor die specifieke motor als inputgegevens gebruikt.

De inputgegevens bestaan uitsluitend uit de gemiddelde meetwaarden van een meetperiode van 30 ± 1 seconden, zoals gedefinieerd in punt 4.3.5.5, 1).

De inputgegevens worden verstrekt als kommagescheiden bestand (CSV-bestand), waarbij als scheidingsteken het Unicodeteken „komma” (U+002C) (“,”) wordt gebruikt. De eerste regel van het bestand wordt als kopregel gebruikt en bevat geen geregistereerde gegevens. De geregistreerde gegevens beginnen bij de tweede regel van het bestand.

De kopregel van elke kolom in de eerste regel van het bestand bepaalt de verwachte inhoud van de respectieve kolom.

De kolom voor het motortoerental moet in de eerste regel van het bestand de string „engine speed” als kopregel hebben. De gegevenswaarden beginnen vanaf de tweede regel van het bestand in min–1, overeenkomstig ASTM E 29-06 op twee decimalen afgerond.

De kolom voor het koppel moet in de eerste regel van het bestand de string „torque” als kopregel hebben. De gegevenswaarden beginnen vanaf de tweede regel van het bestand in Nm, overeenkomstig ASTM E 29-06 op twee decimalen afgerond.

De kolom voor het brandstofmassadebiet moet in de eerste regel van het bestand de string „massflow fuel 1” als kopregel hebben. De gegevenswaarden beginnen vanaf de tweede regel van het bestand in g/h, overeenkomstig ASTM E 29-06 op twee decimalen afgerond.

▼M3

6.1.4.1.   Bijzondere voorschriften voor dualfuelmotoren

De kolom voor het brandstofmassadebiet van de tweede gemeten brandstof moet in de eerste regel van het bestand de string „massflow fuel 2” als kopregel hebben. De gegevenswaarden beginnen vanaf de tweede regel van het bestand in g/h, overeenkomstig ASTM E 29-06 op twee decimalen afgerond.

6.1.4.2.   Bijzondere voorschriften voor motoren met een WHR-systeem

Wanneer het WHR-systeem van het type „WHR_mech” of „WHR_elec” is, worden de inputgegevens uitgebreid met de overeenkomstig punt 4.3.5.3.1 geregistreerde waarden voor de mechanische P_WHR_net voor WHR_mech-systemen of met de waarden voor de elektrische P_WHR_net voor WHR_elec-systemen.

De kolom voor de mechanische P_WHR_net moet in de eerste regel van het bestand de string „WHR mechanical power” als kopregel hebben en de kolom voor de elektrische P_WHR_net de string „WHR electrical power”. De gegevenswaarden beginnen vanaf de tweede regel van het bestand in W, overeenkomstig ASTM E 29-06 op het dichtstbijzijnde gehele getal afgerond.

▼B

6.1.5.   specifieke brandstofverbruikswaarden voor de WHTC-correctiefactor:

deze inputgegevens betreffen de drie overeenkomstig punt 5.3.1 bepaalde waarden voor het specifieke brandstofverbruik in de subcycli van de WHTC (stad, platteland en snelweg) in g/kWh.

De waarden worden overeenkomstig ASTM E 29-06 op twee decimalen afgerond;

▼M3

6.1.5.1.   Bijzondere voorschriften voor dualfuelmotoren

De drie overeenkomstig punt 6.1.5 bepaalde waarden die overeenstemmen met het respectieve brandstoftype dat overeenkomstig punt 6.1.4 als input voor de kolom „massflow fuel 1” wordt gebruikt, vormt de input voor het tabblad „Fuel 1” in de GUI.

De drie overeenkomstig punt 6.1.5 bepaalde waarden die overeenstemmen met het respectieve brandstoftype dat overeenkomstig punt 6.1.4.1 als input voor de kolom „massflow fuel 2” wordt gebruikt, vormt de input voor het tabblad „Fuel 2” in de GUI.

▼B

6.1.6.   specifieke brandstofverbruikswaarden voor de vereffeningsfactor voor koude/warme emissies:

deze inputgegevens betreffen de twee overeenkomstig punt 5.3.2 bepaalde waarden voor het specifieke brandstofverbruik in de WHTC met warme en koude start in g/kWh.

De waarden worden overeenkomstig ASTM E 29-06 op twee decimalen afgerond;

▼M3

6.1.6.1.   Bijzondere voorschriften voor dualfuelmotoren

De overeenkomstig punt 6.1.6 bepaalde waarden die overeenstemmen met het respectieve brandstoftype dat overeenkomstig punt 6.1.4 als input voor de kolom „massflow fuel 1” wordt gebruikt, vormt de input voor het tabblad „Fuel 1” in de GUI.

De overeenkomstig punt 6.1.6 bepaalde waarden die overeenstemmen met het respectieve brandstoftype dat overeenkomstig punt 6.1.4.1 als input voor de kolom „massflow fuel 2” wordt gebruikt, vormt de input voor het tabblad „Fuel 2” in de GUI.

▼B

6.1.7.   correctiefactor voor motoren met een uitlaatgasnabehandelingssysteem dat periodiek wordt geregenereerd:

deze inputgegevens betreffen de overeenkomstig punt 5.4 bepaalde correctiefactor CFRegPer.

Voor motoren met een uitlaatgasnabehandelingssysteem met continue regeneratie, zoals gedefinieerd in punt 6.6.1 van bijlage 4 bij VN/ECE-Reglement nr. 49, rev. 06, heeft deze factor overeenkomstig punt 5.4 de waarde 1.

De waarde wordt overeenkomstig ASTM E 29-06 op twee decimalen afgerond;

▼M3

6.1.7.1.   Bijzondere voorschriften voor dualfuelmotoren

De overeenkomstig punt 6.1.7 bepaalde waarden die overeenstemmen met het respectieve brandstoftype dat overeenkomstig punt 6.1.4 als input voor de kolom „massflow fuel 1” wordt gebruikt, vormt de input voor het tabblad „Fuel 1” in de GUI.

De overeenkomstig punt 6.1.7 bepaalde waarden die overeenstemmen met het respectieve brandstoftype dat overeenkomstig punt 6.1.4.1 als input voor de kolom „massflow fuel 2” wordt gebruikt, vormt de input voor het tabblad „Fuel 2” in de GUI.

▼B

6.1.8.   onderste verbrandingswaarde van de testbrandstof:

deze inputgegevens betreffen de overeenkomstig punt 3.2 bepaalde onderste verbrandingswaarde van de testbrandstof in KJ/kg.

▼M1

De waarde wordt overeenkomstig ASTM E 29-06 op twee decimalen afgerond.

▼M3

6.1.8.1.   Bijzondere voorschriften voor dualfuelmotoren

De overeenkomstig punt 6.1.8 bepaalde waarde die overeenstemt met het respectieve brandstoftype dat overeenkomstig punt 6.1.4 als input voor de kolom „massflow fuel 1” wordt gebruikt, vormt de input voor het tabblad „Fuel 1” in de GUI.

De overeenkomstig punt 6.1.8 bepaalde waarde die overeenstemt met het respectieve brandstoftype dat overeenkomstig punt 6.1.4.1 als input voor de kolom „massflow fuel 2” wordt gebruikt, vormt de input voor het tabblad „Fuel 2” in de GUI.

▼B

6.1.9.   type testbrandstof:

deze inputgegevens betreffen het type van de overeenkomstig punt 3.2 gekozen testbrandstof;

▼M3

6.1.9.1.   Bijzondere voorschriften voor dualfuelmotoren

Het type testbrandstof dat overeenstemt met het respectieve brandstoftype dat overeenkomstig punt 6.1.4 als input voor de kolom „massflow fuel 1” wordt gebruikt, vormt de input voor het tabblad „Fuel 1” in de GUI.

Het type testbrandstof dat overeenstemt met het respectieve brandstoftype dat overeenkomstig punt 6.1.4.1 als input voor de kolom „massflow fuel 2” wordt gebruikt, vormt de input voor het tabblad „Fuel 2” in de GUI.

▼B

6.1.10.   stationair toerental van de CO2-oudermotor:

deze inputgegevens betreffen het stationaire toerental, nidle, in min– 1 van de CO2-oudermotor van de overeenkomstig aanhangsel 3 samengestelde CO2-familie van motoren, zoals opgegeven door de fabrikant in het overeenkomstig het model in aanhangsel 2 opgestelde inlichtingenformulier van de aanvraag tot certificering.

Als op verzoek van de fabrikant de in artikel 15, lid 5, van deze verordening vastgestelde bepalingen worden toegepast, wordt het stationaire toerental van die specifieke motor als inputgegeven gebruikt.

De waarde wordt overeenkomstig ASTM E 29-06 op het dichtstbijzijnde gehele getal afgerond;

6.1.11.   stationair toerental van de motor:

deze inputgegevens betreffen het stationaire toerental, nidle, in min– 1 van de motor, zoals opgegeven door de fabrikant in het overeenkomstig het model in aanhangsel 2 van deze bijlage opgestelde inlichtingenformulier van de aanvraag tot certificering.

De waarde wordt overeenkomstig ASTM E 29-06 op het dichtstbijzijnde gehele getal afgerond;

6.1.12.   cilinderinhoud:

deze inputgegevens betreffen de cilinderinhoud in cm3 van de motor, zoals opgegeven door de fabrikant in het overeenkomstig het model in aanhangsel 2 van deze bijlage opgestelde inlichtingenformulier van de aanvraag tot certificering.

De waarde wordt overeenkomstig ASTM E 29-06 op het dichtstbijzijnde gehele getal afgerond;

6.1.13.   nominaal toerental:

deze inputgegevens betreffen het nominale toerental in min– 1 van de motor, zoals opgegeven door de fabrikant in punt 3.2.1.8 van het overeenkomstig aanhangsel 2 van deze bijlage opgestelde inlichtingenformulier van de aanvraag tot certificering.

De waarde wordt overeenkomstig ASTM E 29-06 op het dichtstbijzijnde gehele getal afgerond;

6.1.14.   nominaal motorvermogen:

deze inputgegevens betreffen het nominale vermogen in kW van de motor, zoals opgegeven door de fabrikant in punt 3.2.1.8 van het overeenkomstig aanhangsel 2 van deze bijlage opgestelde inlichtingenformulier van de aanvraag tot certificering.

De waarde wordt overeenkomstig ASTM E 29-06 op het dichtstbijzijnde gehele getal afgerond;

6.1.15.   fabrikant:

deze inputgegevens betreffen de naam van de motorfabrikant als tekenreeks in ISO 8859-1-codering;

6.1.16.   model:

deze inputgegevens betreffen de naam van het motormodel als tekenreeks in ISO 8859-1-codering;

▼M3

6.1.17.   certificeringsnummer

deze inputgegevens betreffen het certificeringsnummer van de motor als tekenreeks in ISO 8859-1-codering;

▼M3

6.1.18.   dualfuel

in het geval van een dualfuelmotor moet het selectievakje „Dual-fuel” in de GUI worden ingeschakeld;

6.1.19.   WHR_no_ext:

in het geval van een motor met een WHR_no_ext-systeem, moet het selectievakje „MechanicalOutputICE” in de GUI worden ingeschakeld;

6.1.20.   WHR_mech:

in het geval van een motor met een WHR_mech-systeem moet het selectievakje „MechanicalOutputDrivetrain” in de GUI worden ingeschakeld;

6.1.21.   WHR_elec:

in het geval van een motor met een WHR_elec-systeem, moet het selectievakje „ElectricalOutput” in de GUI worden ingeschakeld;

6.1.22.   specifieke E_WHR_net-waarden voor de WHTC-correctiefactor voor WHR_mech-systemen:

in het geval van een motor met een WHR_mech-systeem betreffen de inputgegevens de drie overeenkomstig punt 5.5.2.1 bepaalde waarden voor de specifieke E_WHR_net in de subcycli van de WHTC (stad, platteland en snelweg) in kJ/kWh.

De waarden worden overeenkomstig ASTM E 29-06 op twee decimalen afgerond en vormen de input voor de respectieve velden in het tabblad „WHR Mechanical” in de GUI;

6.1.23.   specifieke E_WHR_net-waarden voor de vereffeningsfactor voor koude/warme emissies voor WHR_mech-systemen:

in het geval van een motor met een WHR_mech-systeem betreffen de inputgegevens de twee overeenkomstig punt 5.5.2.2 bepaalde waarden voor de specifieke E_WHR_net in de WHTC met warme en koude start in kJ/kWh.

De waarden worden overeenkomstig ASTM E 29-06 op twee decimalen afgerond en vormen de input voor de respectieve velden in het tabblad „WHR Mechanical” in de GUI;

6.1.24.   specifieke E_WHR_net-waarden voor de WHTC-correctiefactor voor WHR_elec-systemen:

in het geval van een motor met een WHR_elec-systeem betreffen de inputgegevens de drie overeenkomstig punt 5.5.2.1 bepaalde waarden voor de specifieke E_WHR_net in de subcycli van de WHTC (stad, platteland en snelweg) in kJ/kWh.

De waarden worden overeenkomstig ASTM E 29-06 op twee decimalen afgerond en vormen de input voor de respectieve velden in het tabblad „WHR Electrical” in de GUI;

6.1.25.   specifieke E_WHR_net-waarden voor de vereffeningsfactor voor koude/warme emissies voor WHR_elec-systemen:

in het geval van een motor met een WHR_elec-systeem betreffen de inputgegevens de twee overeenkomstig punt 5.5.2.2 bepaalde waarden voor de specifieke E_WHR_net in de WHTC met warme en koude start in kJ/kWh.

De waarden worden overeenkomstig ASTM E 29-06 op twee decimalen afgerond en vormen de input voor de respectieve velden in het tabblad „WHR Electrical” in de GUI;

6.1.26.   WHR-correctiefactor voor motoren met een uitlaatgasnabehandelingssysteem dat periodiek wordt geregenereerd

deze inputgegevens betreffen de overeenkomstig punt 5.5.3 bepaalde correctiefactor.

De waarde wordt overeenkomstig ASTM E 29-06 op twee decimalen afgerond en vormt de input voor het respectieve veld in het tabblad „WHR Electrical” voor een motor met een WHR_elec-systeem en in het tabblad „WHR Mechanical” voor een motor met een WHR_mech-systeem in de GUI.

▼B




Aanhangsel 1

MODEL VAN EEN CERTIFICAAT VOOR EEN ONDERDEEL, TECHNISCHE EENHEID OF SYSTEEM

Maximumformaat: A4 (210 × 297 mm)

CERTIFICAAT BETREFFENDE DE CO2-EMISSIE- EN BRANDSTOFVERBRUIKSEIGENSCHAPPEN VAN EEN FAMILIE VAN MOTOREN



Mededeling betreffende de:

— verlening (1)

— uitbreiding (1)

— weigering (1)

— intrekking (1)

Stempel instantie

van een certificaat betreffende de CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen van een familie van motoren overeenkomstig Verordening (EU) 2017/2400 van de Commissie.

Verordening (EU) 2017/2400 van de Commissie, zoals laatstelijk gewijzigd bij …

Certificeringsnummer:

Hash:

Reden van de uitbreiding:

AFDELING I

0.1.

Merk (handelsnaam van de fabrikant):

0.2.

Type:

0.3.

Middel tot identificatie van het type:

0.3.1.

Plaats van het certificeringsmerk:

0.3.2.

Wijze van aanbrenging van het certificeringsmerk:

0.5.

Naam en adres van de fabrikant:

0.6.

Naam en adres van de assemblagefabriek(en):

0.7.

Naam en adres van de eventuele vertegenwoordiger van de fabrikant:

AFDELING II

1.

Eventuele aanvullende informatie: zie addendum

2.

Goedkeuringsinstantie die verantwoordelijk is voor de uitvoering van de tests:

3.

Datum van het testrapport:

4.

Nummer van het testrapport:

5.

Eventuele opmerkingen: zie addendum

6.

Plaats:

7.

Datum:

8.

Handtekening:

Bijlagen:

Informatiepakket. Testrapport.




Aanhangsel 2

Inlichtingenformulier motor

Opmerkingen betreffende het invullen van de tabellen

De letters A, B, C, D en E staan voor de leden van een CO2-familie van motoren en moeten door de namen van de leden van de CO2-familie van motoren in kwestie worden vervangen.

Wanneer voor een bepaald motorkenmerk dezelfde waarde/beschrijving van toepassing is op alle leden van de CO2-familie van motoren, moeten de cellen voor de leden A tot en met E worden samengevoegd.

Wanneer de CO2-familie van motoren uit meer dan 5 leden bestaat, mogen nieuwe kolommen worden toegevoegd.

Het „Aanhangsel van het inlichtingenformulier” moet worden gekopieerd en afzondelijk worden ingevuld voor elke motor binnen een CO2-familie van motoren.

De voetnoten zijn te vinden aan het einde van dit aanhangsel.



 

 

CO2-oudermotor

Leden van de CO2-familie van motoren

A

B

C

D

E

0.

Algemeen

0.l.

Merk (handelsnaam van de fabrikant)

 

0.2.

Type

 

0.2.1.

Handelsnaam (indien van toepassing)

 

 

 

 

 

 

0.5.

Naam en adres van de fabrikant

 

0.8.

Naam en adres van de assemblagefabriek(en)

 

 

 

 

 

 

0.9.

Naam en adres van de vertegenwoordiger van de fabrikant (indien van toepassing)

 

DEEL 1

Essentiële kenmerken van de (ouder)motor en de motortypen binnen een familie van motoren



 

 

Oudermotor of motortype

Leden van de CO2-familie van motoren

A

B

C

D

E

3.2.

Verbrandingsmotor

 

 

 

 

 

 

3.2.1.

Specifieke informatie over de motor

 

 

 

 

 

 

3.2.1.1.

Werkingsprincipe: elektrische ontsteking/ compressieontsteking (1)

viertakt-/tweetakt-/draaizuigercyclus (1)

 

▼M3

3.2.1.1.1.

Type dualfuelmotor:

type 1A/1B/2A/2B/3B1

 

 

 

 

 

 

3.2.1.1.2.

Gasenergieverhouding tijdens het warme gedeelte van de WHTC: %

 

 

 

 

 

 

▼B

3.2.1.2.

Aantal en opstelling van de cilinders

 

 

 

 

 

 

3.2.1.2.1.

Boring (3) mm

 

 

 

 

 

 

3.2.1.2.2.

Slag (3) mm

 

 

 

 

 

 

3.2.1.2.3.

Ontstekingsvolgorde

 

 

 

 

 

 

3.2.1.3.

Cilinderinhoud (4) cm3

 

 

 

 

 

 

3.2.1.4.

Volumetrische compressieverhouding (5)

 

 

 

 

 

 

3.2.1.5.

Tekeningen van verbrandingskamer, zuigerkop en, bij elektrischeontstekingsmotoren, zuigerveren

 

 

 

 

 

 

3.2.1.6.

Normaal stationair toerental (5) min– 1

 

 

 

 

 

 

3.2.1.6.1.

Hoog stationair toerentall (5) min– 1

 

 

 

 

 

 

▼M3

3.2.1.6.2.

Idle on Diesel: yes/no1

 

 

 

 

 

 

▼B

3.2.1.7.

Volumepercentage koolstofmonoxide in de uitlaatgassen bij stationair draaiende motorl (5): % volgens opgave van de fabrikant (alleen voor elektrischeontstekingsmotoren)

 

 

 

 

 

 

3.2.1.8.

Nettomaximumvermogenl (6) … kW bij … min– 1 (volgens opgave van de fabrikant)

 

 

 

 

 

 

3.2.1.9.

Maximaal toegestaan motortoerental zoals voorgeschreven door de fabrikant (min– 1)

 

 

 

 

 

 

3.2.1.10.

Nettomaximumkoppell (6) (Nm) bij (min– 1) (volgens opgave van de fabrikant)

 

 

 

 

 

 

▼M3

3.2.1.11.

Verwijzingen van de fabrikant naar het krachtens de punten 3.1, 3.2 en 3.3 van VN/ECE-Reglement nr. 49, rev. 06, vereiste documentatiepakket dat de goedkeuringsinstantie in staat stelt de emissiebeheersingsstrategieën en de in de motor opgenomen systemen waarmee de correcte werking van de NOx-beperkingsmaatregelen wordt gegarandeerd, te beoordele

 

 

 

 

 

 

▼B

3.2.2.

Brandstof

 

 

 

 

 

 

▼M1

3.2.2.2.

Zware bedrijfsvoertuigen: diesel/benzine/lpg/aardgas/ethanol (ED95)/ethanol (E85) (1)

 

 

 

 

 

 

▼M3

3.2.2.2.1.

Brandstoffen die voor de motor kunnen worden gebruikt zoals opgegeven door de fabrikant overeenkomstig punt 4.6.2 van VN-Reglement nr. 49 (indien van toepassing)

 

 

 

 

 

 

▼B

 

3.2.4.

Brandstoftoevoer

 

 

 

 

 

 

▼M3

3.2.4.2.

Door brandstofinspuiting (alleen compressieontsteking of dualfuel): ja/nee (1)

 

 

 

 

 

 

▼B

3.2.4.2.1.

Beschrijving van het systeem

 

 

 

 

 

 

3.2.4.2.2.

Werkingsprincipe: directe inspuiting/voorkamer/wervelkamer (1)

 

 

 

 

 

 

3.2.4.2.3.

Inspuitpomp

 

 

 

 

 

 

3.2.4.2.3.1.

Merk(en)

 

 

 

 

 

 

3.2.4.2.3.2.

Type(n)

 

 

 

 

 

 

3.2.4.2.3.3.

Maximale brandstofopbrengst (1) (5) mm3 /slag of cyclus bij een motortoerental van … min – 1 of eventueel karakteristiek diagram

(Als aanjaagdrukregeling wordt toegepast, de karakteristieke brandstofopbrengst vermelden, alsmede de aanjaagdruk met bijbehorend motortoerental)

 

 

 

 

 

 

3.2.4.2.3.4.

Vast inspuittijdstip (5)

 

 

 

 

 

 

3.2.4.2.3.5.

Inspuitvervroegingscurve (5)

 

 

 

 

 

 

3.2.4.2.3.6.

Kalibratieprocedure: testbank/motor (1)

 

 

 

 

 

 

3.2.4.2.4.

Regulateur

 

 

 

 

 

 

3.2.4.2.4.1.

Type

 

 

 

 

 

 

3.2.4.2.4.2.

Uitschakelingspunt

 

 

 

 

 

 

3.2.4.2.4.2.1.

Uitschakelingspunt onder belasting (min– 1)

 

 

 

 

 

 

3.2.4.2.4.2.2.

Maximumtoerental in onbelaste toestand (min– 1)

 

 

 

 

 

 

3.2.4.2.4.2.3.

Stationair toerental (min– 1)

 

 

 

 

 

 

3.2.4.2.5.

Inspuitleidingen

 

 

 

 

 

 

3.2.4.2.5.1.

Lengte (mm)

 

 

 

 

 

 

3.2.4.2.5.2.

Binnendiameter (mm)

 

 

 

 

 

 

3.2.4.2.5.3.

Common rail, merk en type

 

 

 

 

 

 

3.2.4.2.6.

Inspuiter(s)

 

 

 

 

 

 

3.2.4.2.6.1.

Merk(en)

 

 

 

 

 

 

3.2.4.2.6.2.

Type(n)

 

 

 

 

 

 

3.2.4.2.6.3.

Openingsdruk (5):

kPa of karakteristiek diagram (5)

 

 

 

 

 

 

3.2.4.2.7.

Koudstartsysteem

 

 

 

 

 

 

3.2.4.2.7.1.

Merk(en)

 

 

 

 

 

 

3.2.4.2.7.2.

Type(n)

 

 

 

 

 

 

3.2.4.2.7.3.

Beschrijving

 

 

 

 

 

 

3.2.4.2.8.

Hulpstartsysteem

 

 

 

 

 

 

3.2.4.2.8.1.

Merk(en)

 

 

 

 

 

 

3.2.4.2.8.2.

Type(n)

 

 

 

 

 

 

3.2.4.2.8.3.

Beschrijving van het systeem

 

 

 

 

 

 

3.2.4.2.9.

Elektronisch geregelde inspuiting: ja/nee (1)

 

 

 

 

 

 

3.2.4.2.9.1.

Merk(en)

 

 

 

 

 

 

3.2.4.2.9.2.

Type(n)

 

 

 

 

 

 

3.2.4.2.9.3.

Beschrijving van het systeem (bij andere dan continue inspuitsystemen soortgelijke gegevens verstrekken)

 

 

 

 

 

 

3.2.4.2.9.3.1.

Merk en type van de regeleenheid (ECU)

 

 

 

 

 

 

3.2.4.2.9.3.2.

Merk en type van de brandstofregelaar

 

 

 

 

 

 

3.2.4.2.9.3.3.

Merk en type van de luchtmassasensor

 

 

 

 

 

 

3.2.4.2.9.3.4.

Merk en type van de brandstofverdelerpomp

 

 

 

 

 

 

3.2.4.2.9.3.5.

Merk en type van het smoorklephuis

 

 

 

 

 

 

3.2.4.2.9.3.6.

Merk en type van de watertemperatuursensor

 

 

 

 

 

 

3.2.4.2.9.3.7.

Merk en type van de luchttemperatuursensor

 

 

 

 

 

 

3.2.4.2.9.3.8.

Merk en type van de luchtdruksensor

 

 

 

 

 

 

3.2.4.2.9.3.9.

Softwarekalibratienummer(s)

 

 

 

 

 

 

3.2.4.3.

Door brandstofinspuiting (alleen elektrische ontsteking): ja/nee (1)

 

 

 

 

 

 

3.2.4.3.1.

Werkingsprincipe: inlaatspruitstuk (monopoint/multipoint/directe inspuiting (1)/andere (specificeren))

 

 

 

 

 

 

3.2.4.3.2.

Merk(en)

 

 

 

 

 

 

3.2.4.3.3.

Type(n)

 

 

 

 

 

 

3.2.4.3.4.

Beschrijving van het systeem (bij andere dan continue inspuitsystemen soortgelijke gegevens verstrekken)

 

 

 

 

 

 

3.2.4.3.4.1.

Merk en type van de regeleenheid (ECU)

 

 

 

 

 

 

3.2.4.3.4.2.

Merk en type van de brandstofregelaar

 

 

 

 

 

 

3.2.4.3.4.3.

Merk en type van de luchtmassasensor

 

 

 

 

 

 

3.2.4.3.4.4.

Merk en type van de brandstofverdelerpomp

 

 

 

 

 

 

3.2.4.3.4.5.

Merk en type van de drukregelaar

 

 

 

 

 

 

3.2.4.3.4.6.

Merk en type van de microschakelaar

 

 

 

 

 

 

3.2.4.3.4.7.

Merk en type van de instelschroef voor stationair draaien

 

 

 

 

 

 

3.2.4.3.4.8.

Merk en type van het smoorklephuis

 

 

 

 

 

 

3.2.4.3.4.9.

Merk en type van de watertemperatuursensor

 

 

 

 

 

 

3.2.4.3.4.10.

Merk en type van de luchttemperatuursensor

 

 

 

 

 

 

3.2.4.3.4.11.

Merk en type van de luchtdruksensor

 

 

 

 

 

 

3.2.4.3.4.12.

Softwarekalibratienummer(s)

 

 

 

 

 

 

3.2.4.3.5.

Inspuiters: openingsdruk (5) (kPa) of karakteristiek diagram (5)

 

 

 

 

 

 

3.2.4.3.5.1.

Merk

 

 

 

 

 

 

3.2.4.3.5.2.

Type

 

 

 

 

 

 

3.2.4.3.6.

Inspuittiming

 

 

 

 

 

 

3.2.4.3.7.

Koudstartsysteem

 

 

 

 

 

 

3.2.4.3.7.1.

Werkingsprincipe(s)

 

 

 

 

 

 

3.2.4.3.7.2.

Bedrijfsgrenzen/instellingen (1) (5)

 

 

 

 

 

 

3.2.4.4.

Brandstofpomp

 

 

 

 

 

 

3.2.4.4.1.

Druk (5) (kPa) of karakteristiek diagram (5)

 

 

 

 

 

 

3.2.5.

Elektrisch systeem

 

 

 

 

 

 

3.2.5.1.

Nominale spanning (V), positieve/negatieve massaverbinding (1)

 

 

 

 

 

 

3.2.5.2.

Generator

 

 

 

 

 

 

3.2.5.2.1.

Type

 

 

 

 

 

 

3.2.5.2.2.

Nominale output (VA)

 

 

 

 

 

 

3.2.6.

Ontstekingssysteem (alleen bij elektrischeontstekingsmotoren)

 

 

 

 

 

 

3.2.6.1.

Merk(en)

 

 

 

 

 

 

3.2.6.2.

Type(n)

 

 

 

 

 

 

3.2.6.3.

Werkingsprincipe

 

 

 

 

 

 

3.2.6.4.

Ontstekingsvervroegingscurve of -diagram (5)

 

 

 

 

 

 

3.2.6.5.

Vast ontstekingstijdstip (5) (graden vóór BDP)

 

 

 

 

 

 

3.2.6.6.

Bougies

 

 

 

 

 

 

3.2.6.6.1.

Merk

 

 

 

 

 

 

3.2.6.6.2.

Type

 

 

 

 

 

 

3.2.6.6.3.

Elektrodenafstand (mm)

 

 

 

 

 

 

3.2.6.7.

Bobine(s)

 

 

 

 

 

 

3.2.6.7.1.

Merk

 

 

 

 

 

 

3.2.6.7.2.

Type

 

 

 

 

 

 

3.2.7.

Koelsysteem: vloeistof/lucht (1)

 

 

 

 

 

 

 

3.2.7.2.

Vloeistof

 

 

 

 

 

 

3.2.7.2.1.

Aard van de vloeistof

 

 

 

 

 

 

3.2.7.2.2.

Circulatiepomp(en): ja/nee (1)

 

 

 

 

 

 

3.2.7.2.3.

Kenmerken

 

 

 

 

 

 

3.2.7.2.3.1.

Merk(en)

 

 

 

 

 

 

3.2.7.2.3.2.

Type(n)

 

 

 

 

 

 

3.2.7.2.4.

Aandrijvingsverhouding(en)

 

 

 

 

 

 

3.2.7.3.

Lucht

 

 

 

 

 

 

3.2.7.3.1.

Ventilator: ja/nee (1)

 

 

 

 

 

 

3.2.7.3.2.

Kenmerken

 

 

 

 

 

 

3.2.7.3.2.1.

Merk(en)

 

 

 

 

 

 

3.2.7.3.2.2.

Type(n)

 

 

 

 

 

 

3.2.7.3.3.

Aandrijvingsverhouding(en)

 

 

 

 

 

 

3.2.8.

Inlaatsysteem

 

 

 

 

 

 

3.2.8.1.

Drukvulling: ja/nee (1)

 

 

 

 

 

 

3.2.8.1.1.

Merk(en)

 

 

 

 

 

 

3.2.8.1.2.

Type(n)

 

 

 

 

 

 

3.2.8.1.3.

Beschrijving van het systeem (bv. maximale vuldruk … kPa, overdrukklep, indien van toepassing)

 

 

 

 

 

 

3.2.8.2.

Tussenkoeler: ja/nee (1)

 

 

 

 

 

 

3.2.8.2.1.

Type: lucht-lucht/lucht-water (1)

 

 

 

 

 

 

3.2.8.3.

Inlaatonderdruk bij nominaal motortoerental en bij 100 % belasting (alleen bij compressieontstekingsmotoren)

 

 

 

 

 

 

3.2.8.3.1.

Toelaatbaar minimum (kPa)

 

 

 

 

 

 

3.2.8.3.2.

Toelaatbaar maximum (kPa)

 

 

 

 

 

 

3.2.8.4.

Beschrijving en tekeningen van de inlaatpijpen en bijbehorende onderdelen (drukkamer, voorverwarmingssysteem, extra luchtinlaten enz.)

 

 

 

 

 

 

3.2.8.4.1.

Beschrijving van het inlaatspruitstuk (met tekeningen en/of foto's)

 

 

 

 

 

 

3.2.9.

Uitlaatsysteem

 

 

 

 

 

 

3.2.9.1.

Beschrijving en/of tekeningen van het uitlaatspruitstuk

 

 

 

 

 

 

3.2.9.2.

Beschrijving en/of tekening van het uitlaatsysteem

 

 

 

 

 

 

3.2.9.2.1.

Beschrijving en/of tekening van de elementen van het uitlaatsysteem die een deel van het motorsysteem vormen

 

 

 

 

 

 

3.2.9.3.

Maximaal toelaatbare uitlaattegendruk bij nominaal motortoerental en bij 100 % belasting (alleen bij compressieontstekingsmotoren) (kPa) (7)

 

 

 

 

 

 

 

3.2.9.7.

Inhoud van het uitlaatsysteem (dm3)

 

 

 

 

 

 

3.2.9.7.1.

Acceptabele inhoud van het uitlaatsysteem: (dm3)

 

 

 

 

 

 

3.2.10.

Minimumdwarsdoorsnede van inlaat- en uitlaatpoorten en poortconfiguratie

 

 

 

 

 

 

3.2.11.

Kleptiming of gelijkwaardige gegevens

3.2.11.1.

Maximale lichthoogte van de kleppen, openings- en sluitingshoeken of gegevens over de timing van alternatieve distributiesystemen, ten opzichte van de dode punten. Bij variabele kleptiming, de minimum- en maximumtiming

 

 

 

 

 

 

3.2.11.2.

Referentie- en/of afstelbereik (7)

 

 

 

 

 

 

3.2.12.

Genomen maatregelen tegen luchtverontreiniging

 

▼M3

3.2.12.1.1.

Voorziening voor het recycleren van cartergassen: ja/nee(1)

Zo ja, beschrijving en tekeningen

Zo nee, naleving van punt 6.10 van bijlage 4 bij VN-Reglement nr. 49 verplicht

 

 

 

 

 

 

▼B

3.2.12.2.

Extra voorzieningen voor verontreinigingsbeheersing (indien aanwezig en niet elders vermeld)

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.1.

Katalysator: ja/nee (1)

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.1.1.

Aantal katalysatoren en elementen (deze informatie voor elke eenheid verstrekken)

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.1.2.

Afmetingen, vorm en inhoud van de katalysator(en)

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.1.3.

Soort katalytische werking

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.1.4.

Totale hoeveelheid edelmetalen

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.1.5.

Relatieve concentratie

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.1.6.

Substraat (structuur en materiaal)

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.1.7.

Celdichtheid

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.1.8.

Type katalysatorhuis

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.1.9.

Plaats van de katalysator(en) (plaats en referentieafstand in de uitlaatlijn)

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.1.10.

Hitteschild: ja/nee (1)

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.1.11.

Regeneratiesystemen/-methode van de uitlaatgasnabehandelingssystemen, beschrijving

 

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.1.11.5.

Normaal bedrijfstemperatuurbereik (K)

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.1.11.6.

Verbruiksreagentia: ja/nee (1)

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.1.11.7.

Type en concentratie van het reagens dat nodig is voor de katalytische werking

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.1.11.8.

Normaal bedrijfstemperatuurbereik van het reagens K

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.1.11.9.

Internationale norm

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.1.11.10.

Vulfrequentie reagens: continu/bij onderhoud (1)

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.1.12.

Merk van de katalysator

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.1.13.

Onderdeelidentificatienummer

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.2.

Zuurstofsensor: ja/nee (1)

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.2.1.

Merk

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.2.2.

Plaats

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.2.3.

Controlebereik

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.2.4.

Type

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.2.5.

Onderdeelidentificatienummer

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.3.

Luchtinjectie: ja/nee (1)

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.3.1.

Type (pulse air, luchtpomp enz.)

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.4.

Uitlaatgasrecirculatie (EGR): ja/nee (1)

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.4.1.

Kenmerken (merk, type, debiet enz.)

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.6.

Deeltjesvanger: ja/nee (1)

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.6.1.

Afmetingen, vorm en inhoud van de deeltjesvanger

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.6.2.

Ontwerp van de deeltjesvanger

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.6.3.

Plaats (referentieafstand in de uitlaatlijn)

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.6.4.

Regeneratiemethode of -systeem, beschrijving en/of tekening

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.6.5.

Merk van de deeltjesvanger

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.6.6.

Onderdeelidentificatienummer

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.6.7.

Normaal bedrijfstemperatuurbereik (K) en drukbereik (kPa)

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.6.8.

Bij periodieke regeneratie

 

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.6.8.1.1.

Aantal WHTC-testcycli zonder regeneratie (n)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.6.8.2.1.

Aantal WHTC-testcycli met regeneratie (nR)

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.6.9.

Andere systemen: ja/nee (1)

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.6.9.1.

Beschrijving en werking

 

 

 

 

 

 

▼M3

3.2.12.2.7.

Indien van toepassing, verwijzing van de fabrikant naar de documentatie voor het installeren van de dualfuelmotor in een voertuig

 

 

 

 

 

 

 

3.2.17.

Specifieke informatie over gasmotoren en dualfuelmotoren voor zware bedrijfsvoertuigen (bij systeemvarianten soortgelijke informatie verstrekken)

 

 

 

 

 

 

▼B

3.2.17.1.

Brandstof: lpg/aardgas-H/aardgas-L/aardgas-HL (1)

 

 

 

 

 

 

3.2.17.2.

Drukregelaar(s) of verdamper(s)/drukregelaar(s) (1)

 

 

 

 

 

 

3.2.17.2.1.

Merk(en)

 

 

 

 

 

 

3.2.17.2.2.

Type(n)

 

 

 

 

 

 

3.2.17.2.3.

Aantal drukreduceerfasen

 

 

 

 

 

 

3.2.17.2.4.

Druk in de eindfase, minimaal (kPa) – maximaal (kPa)

 

 

 

 

 

 

3.2.17.2.5.

Aantal hoofdafstelpunten

 

 

 

 

 

 

3.2.17.2.6.

Aantal afstelpunten stationair

 

 

 

 

 

 

3.2.17.2.7.

Typegoedkeuringsnummer

 

 

 

 

 

 

3.2.17.3.

Brandstofsysteem: mengeenheid/gasinspuiting/ vloeistofinspuiting/directe inspuiting (1)

 

 

 

 

 

 

3.2.17.3.1.

Mengverhoudingregeling

 

 

 

 

 

 

3.2.17.3.2.

Systeembeschrijving en/of -diagram en tekeningen

 

 

 

 

 

 

3.2.17.3.3.

Typegoedkeuringsnummer

 

 

 

 

 

 

3.2.17.4.

Mengeenheid

 

 

 

 

 

 

3.2.17.4.1.

Aantal

 

 

 

 

 

 

3.2.17.4.2.

Merk(en)

 

 

 

 

 

 

3.2.17.4.3.

Type(n)

 

 

 

 

 

 

3.2.17.4.4.

Plaats

 

 

 

 

 

 

3.2.17.4.5.

Afstelmogelijkheden

 

 

 

 

 

 

3.2.17.4.6.

Typegoedkeuringsnummer

 

 

 

 

 

 

3.2.17.5.

Inspuiting in het inlaatspruitstuk

 

 

 

 

 

 

3.2.17.5.1.

Inspuiting: monopoint/multipoint (1)

 

 

 

 

 

 

3.2.17.5.2.

Inspuiting: continu/simultaan/sequentieel (1)

 

 

 

 

 

 

3.2.17.5.3.

Inspuitapparatuur

 

 

 

 

 

 

3.2.17.5.3.1.

Merk(en)

 

 

 

 

 

 

3.2.17.5.3.2.

Type(n)

 

 

 

 

 

 

3.2.17.5.3.3.

Afstelmogelijkheden

 

 

 

 

 

 

3.2.17.5.3.4.

Typegoedkeuringsnummer

 

 

 

 

 

 

3.2.17.5.4.

Brandstofpomp (indien van toepassing)

 

 

 

 

 

 

3.2.17.5.4.1.

Merk(en)

 

 

 

 

 

 

3.2.17.5.4.2.

Type(n)

 

 

 

 

 

 

3.2.17.5.4.3.

Typegoedkeuringsnummer

 

 

 

 

 

 

3.2.17.5.5.

Inspuiter(s)

 

 

 

 

 

 

3.2.17.5.5.1.

Merk(en)

 

 

 

 

 

 

3.2.17.5.5.2.

Type(n)

 

 

 

 

 

 

3.2.17.5.5.3.

Typegoedkeuringsnummer

 

 

 

 

 

 

3.2.17.6.

Directe inspuiting

 

 

 

 

 

 

3.2.17.6.1.

Inspuitpomp/drukregelaar (1)

 

 

 

 

 

 

3.2.17.6.1.1.

Merk(en)

 

 

 

 

 

 

3.2.17.6.1.2.

Type(n)

 

 

 

 

 

 

3.2.17.6.1.3.

Inspuittiming

 

 

 

 

 

 

3.2.17.6.1.4.

Typegoedkeuringsnummer

 

 

 

 

 

 

3.2.17.6.2.

Inspuiter(s)

 

 

 

 

 

 

3.2.17.6.2.1.

Merk(en)

 

 

 

 

 

 

3.2.17.6.2.2.

Type(n)

 

 

 

 

 

 

3.2.17.6.2.3.

Openingsdruk of karakteristiek diagram (1)

 

 

 

 

 

 

3.2.17.6.2.4.

Typegoedkeuringsnummer

 

 

 

 

 

 

3.2.17.7.

Elektronische regeleenheid (ECU)

 

 

 

 

 

 

3.2.17.7.1.

Merk(en)

 

 

 

 

 

 

3.2.17.7.2.

Type(n)

 

 

 

 

 

 

3.2.17.7.3.

Afstelmogelijkheden

 

 

 

 

 

 

3.2.17.7.4.

Softwarekalibratienummer(s)

 

 

 

 

 

 

3.2.17.8.

Specifieke aardgasapparatuur

 

 

 

 

 

 

3.2.17.8.1.

Variant 1 (alleen bij goedkeuring van motoren voor diverse specifieke brandstofsamenstellingen)

 

 

 

 

 

 

3.2.17.8.1.0.1.

Voorziening voor automatische aanpassing? ja/nee (1)

 

 

 

 

 

 

▼M1 —————

▼B

3.2.17.8.1.1.

methaan (CH4) … basis (mol %)

ethaan (C2H6) … basis (mol %)

propaan (C3H8) … basis (mol %)

butaan (C4H10) … basis (mol %)

C5/C5+: … basis (mol %)

zuurstof (O2) … basis (mol %)

inert gas (N2, He enz.) … basis (mol %)

min. (mol %)

min. (mol %)

min. (mol %)

min. (mol %)

min. (mol %)

min. (mol %)

min. (mol %)

max. (mol %)

max. (mol %)

max. (mol %)

max. (mol %)

max. (mol %)

max. (mol %)

max. (mol %)

▼M3

3.5.5.

Specifiek brandstofverbruik, specifieke CO2-emissies en correctiefactoren

 

 

 

 

 

 

▼B

3.5.5.1.

Specifiek brandstofverbruik in de WHSC (SFCWHSC) overeenkomstig punt 5.3.3 in g/kWh ►M3  (9) ◄

 

 

 

 

 

 

3.5.5.2.

Gecorrigeerd specifiek brandstofverbruik in de WHSC (SFCWHSC,corr) overeenkomstig punt 5.3.3.1: … g/kWh ►M3  (9) ◄

 

 

 

 

 

 

▼M3

3.5.5.2.1.

Voor dualfuelmotoren: specifieke CO2-emissies voor de WHSC overeenkomstig aanhangsel 4, punt 6.1, in g/kWh (9)

 

 

 

 

 

 

▼B

3.5.5.3.

Correctiefactor voor stadsgedeelte van WHTC (output van motorvoorbewerkingstool) ►M3  (9) ◄

 

 

 

 

 

 

3.5.5.4.

Correctiefactor voor plattelandsgedeelte van WHTC (output van motorvoorbewerkingstool) ►M3  (9) ◄

 

 

 

 

 

 

3.5.5.5.

Correctiefactor voor snelweggedeelte van WHTC (output van motorvoorbewerkingstool) ►M3  (9) ◄

 

 

 

 

 

 

3.5.5.6.

Vereffeningsfactor voor koude/warme emissies (output van motorvoorbewerkingstool) ►M3  (9) ◄

 

 

 

 

 

 

3.5.5.7.

Correctiefactor voor motoren met een uitlaatgasnabehandelingssysteem dat periodiek wordt geregenereerd CFRegPer (output van motorvoorbewerkingstool) ►M3  (9) ◄

 

 

 

 

 

 

3.5.5.8.

Correctiefactor naar standaard-NCV (output van motorvoorbewerkingstool) ►M3  (9) ◄

 

 

 

 

 

 

3.6.

Door de fabrikant toegestane temperaturen

 

 

 

 

 

 

3.6.1.

Koelsysteem

 

 

 

 

 

 

3.6.1.1.

Vloeistofkoeling, maximumtemperatuur bij de uitlaat (K)

 

 

 

 

 

 

3.6.1.2.

Luchtkoeling

 

 

 

 

 

 

3.6.1.2.1.

Referentiepunt

 

 

 

 

 

 

3.6.1.2.2.

Maximumtemperatuur op het referentiepunt (K)

 

 

 

 

 

 

3.6.2.

Maximumuitlaattemperatuur van de inlaattussenkoeler (K)

 

 

 

 

 

 

3.6.3.

Maximumtemperatuur van de uitlaatgassen op het punt in de uitlaatpijp(en) ter hoogte van de buitenflens (buitenflenzen) van het (de) uitlaatspruitstuk(ken) of de turbocompressor(en) (K)

 

 

 

 

 

 

3.6.4.

Brandstoftemperatuur, minimum (K) – maximum (K)

Voor dieselmotoren bij de inlaat van de inspuitpomp, voor gasmotoren bij de eindtrap van de drukregelaar

 

 

 

 

 

 

3.6.5.

Smeermiddeltemperatuur

minimum (K) – maximum (K)

 

 

 

 

 

 

 

3.8.

Smeersysteem

 

 

 

 

 

 

3.8.1.

Beschrijving van het systeem

 

 

 

 

 

 

3.8.1.1.

Plaats van het smeermiddelreservoir

 

 

 

 

 

 

3.8.1.2.

Toevoersysteem (pomp/inspuiting in het inlaatsysteem/vermenging met brandstof enz.) (1)

 

 

 

 

 

 

3.8.2.

Smeerpomp

 

 

 

 

 

 

3.8.2.1.

Merk(en)

 

 

 

 

 

 

3.8.2.2.

Type(n)

 

 

 

 

 

 

3.8.3.

Vermenging met brandstof

 

 

 

 

 

 

3.8.3.1.

Percentage

 

 

 

 

 

 

3.8.4.

Oliekoeler: ja/nee (1)

 

 

 

 

 

 

3.8.4.1.

Tekening(en)

 

 

 

 

 

 

3.8.4.1.1.

Merk(en)

 

 

 

 

 

 

3.8.4.1.2.

Type(n)

 

 

 

 

 

 

▼M3

3.9.

WHR-systeem

 

 

 

 

 

 

3.9.1.

Type WHR-systeem: WHR_no_ext, WHR_mech, WHR_elec

 

 

 

 

 

 

3.9.2.

Werkingsprincipe

 

 

 

 

 

 

3.9.3.

Beschrijving van het systeem

 

 

 

 

 

 

3.9.4.

Verdampertype (10)

 

 

 

 

 

 

3.9.5.

LEW overeenkomstig 3.1.6.2, a)

 

 

 

 

 

 

3.9.6.

LmaxEW overeenkomstig 3.1.6.2, a)

 

 

 

 

 

 

3.9.7.

Turbinetype

 

 

 

 

 

 

3.9.8.

LET overeenkomstig 3.1.6.2, b)

 

 

 

 

 

 

3.9.9.

LmaxET overeenkomstig 3.1.6.2, b)

 

 

 

 

 

 

3.9.10.

Expandertype

 

 

 

 

 

 

3.9.11.

LHE overeenkomstig 3.1.6.2, c), i)

 

 

 

 

 

 

3.9.12.

LmaxHE overeenkomstig 3.1.6.2, c), i)

 

 

 

 

 

 

3.9.13.

Condensatortype

 

 

 

 

 

 

3.9.14.

LHE overeenkomstig 3.1.6.2, c), ii)

 

 

 

 

 

 

3.9.15.

LmaxHE overeenkomstig 3.1.6.2, c), ii)

 

 

 

 

 

 

3.9.16.

LHE overeenkomstig 3.1.6.2, c), ii)

 

 

 

 

 

 

3.9.17.

LmaxHE overeenkomstig 3.1.6.2, c), iii)

 

 

 

 

 

 

3.9.18.

Toerental waarbij het mechanische nettovermogen is gemeten voor WHR_mech-systemen overeenkomstig punt 3.1.6.2, f)

 

 

 

 

 

 

▼B

Voetnoten:

(1) Doorhalen wat niet van toepassing is (soms hoeft niets te worden doorgehaald als meerdere antwoorden mogelijk zijn).

(3) Dit cijfer moet op het dichtstbijzijnde tiende van een millimeter worden afgerond.

(4) Deze waarde moet worden berekend en op de dichtstbijzijnder cm3 worden afgerond.

(5) Tolerantie aangeven.

(6) Bepaald volgens de voorschriften van Reglement nr. 85.

(7) Vul voor elke variant de hoogste en laagste waarde in.

(8) Te documenteren in geval van één OBD-motorenfamilie en indien het nog niet is gedocumenteerd in het documentatiepakket (of de documentatiepakketten) waarnaar wordt verwezen in punt 3.2.12.2.7.0.4 van deel 1 van dit aanhangsel.

▼M3

(9) Bij dualfuelmotoren worden de waarden voor elk brandstoftype en elke werkingsmodus afzonderlijk aangegeven.

(10) Voor andere WHR-systemen moet hierin het type warmtewisselaar tot uiting komen overeenkomstig punt 3.1.6.2, d).

▼B




Aanhangsel van het inlichtingenformulier

Informatie over de testomstandigheden

1.   Bougies

1.1.

Merk

1.2.

Type

1.3.

Instelling van de elektrodenafstand

2.   Ontstekingsbobine

2.1.

Merk

2.2.

Type

3.   Gebruikt smeermiddel

3.1.

Merk

3.2.

Type (het percentage olie in het mengsel vermelden, indien smeermiddel en brandstof vermengd zijn)

3.3.

Specificaties van het smeermiddel

▼M3

4.   Gebruikte testbrandstof ( 13 )

▼B

4.1.

Brandstoftype (overeenkomstig punt 6.1.9 van bijlage V bij Verordening (EU) 2017/2400 van de Commissie)

4.2.

Uniek identificatienummer (nummer van de productiepartij) van de gebruikte brandstof

4.3.

Onderste verbrandingswaarde (NCV) (overeenkomstig punt 6.1.8 van bijlage V bij Verordening (EU) 2017/2400 van de Commissie)

▼M1

4.4.

Referentiebrandstoftype (type referentiebrandstof dat wordt gebruikt voor tests overeenkomstig punt 3.2 van bijlage V bij Verordening (EU) 2017/2400 van de Commissie)

▼B

5.   Door de motor aangedreven apparatuur

5.1.

Het door de (hulp)apparatuur opgenomen vermogen moet alleen worden bepaald:

a) 

indien de vereiste (hulp)apparatuur niet op de motor is gemonteerd en/of

b) 

indien niet-vereiste (hulp)apparatuur op de motor is gemonteerd.

Noot:  De voorschriften voor door de motor aangedreven apparatuur zijn bij emissietests en vermogenstests niet dezelfde.

5.2.

Lijst en aanduiding van bijzonderheden

5.3.

Vermogen dat wordt opgenomen bij voor de emissietest specifieke motortoerentallen



Tabel 1

Vermogen dat wordt opgenomen bij voor de emissietest specifieke motortoerentallen

Apparatuur

 

 

Stationair

Laag toerental

Hoog toerental

Aanbevolen toerental (2)

n95h

Pa

Overeenkomstig bijlage 4, aanhangsel 6, van ►M3  VN/ECE-Reglement nr. 49, Rev. 06 ◄ , vereiste (hulp)apparatuur

 

 

 

 

 

Pb

Overeenkomstig bijlage 4, aanhangsel 6, van ►M3  VN/ECE-Reglement nr. 49, Rev. 06 ◄ , niet-vereiste (hulp)apparatuur

 

 

 

 

 

5.4.

Overeenkomstig aanhangsel 5 van deze bijlage bepaalde ventilatorconstante (indien van toepassing)

5.4.1.

Cavg-fan (indien van toepassing)

5.4.2.

Cind-fan (indien van toepassing)



Tabel 2

Waarde van ventilatorconstante Cind-fan voor verschillende motortoerentallen

Waarde

Motor-toeren-tal

Motor-toeren-tal

Motor-toeren-tal

Motor-toeren-tal

Motor-toeren-tal

Motor-toeren-tal

Motor-toeren-tal

Motor-toeren-tal

Motor-toeren-tal

Motor-toeren-tal

1

2

3

4

5

6

7

8

9

10

Motor-toerental [ min– 1]

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Ventilator-constante Cind-fan,i

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

6.   Motorprestaties (opgegeven door de fabrikant)

6.1.    ►M3  Motortoerentallen voor emissietests (voor dualfuelmotoren in de dualfuelmodus) overeenkomstig bijlage 4 bij VN-Reglement nr. 49 ( 14 ) ◄

Laag toerental (nlo)

… min– 1

Hoog toerental (nhi)

… min– 1

Stationair toerental

… min– 1

Aanbevolen toerental

… min– 1

n95h

… min– 1

▼M3

6.2.   Opgegeven waarden voor vermogenstest (voor dualfuelmotoren) overeenkomstig VN-reglement nr. 85 ( 15 )

▼B

Stationair toerental

… min– 1

Toerental bij maximumvermogen

… min– 1

Maximumvermogen

… kW

Toerental bij maximumkoppel

… min– 1

Maximumkoppel

… Nm




Aanhangsel 3

CO2-familie van motoren

▼M3

1.   Parameters die de CO2-familie van motoren bepalen

De door de fabrikant bepaalde CO2-familie van motoren moet voldoen aan de in punt 5.2.3 van bijlage 4 bij VN-Reglement nr. 49 vastgestelde criteria voor lidmaatschap. Een CO2-familie van motoren kan uit slechts één motor bestaan.

Bij een dualfuelmotor moet de CO2-familie van motoren ook voldoen aan de aanvullende voorschriften van punt 3.1.1 van bijlage 15 bij VN-Reglement nr. 49.

Behalve aan die criteria voor lidmaatschap, moet de door de fabrikant bepaalde CO2-familie van motoren ook aan de in de punten 1.1 tot en met 1.10 vermelde criteria voor lidmaatschap voldoen.

Naast de in de punten 1.1 tot en met 1.10 genoemde parameters kan de fabrikant ook aanvullende criteria opgeven op basis waarvan families van kleinere omvang kunnen worden gedefinieerd. Dat zijn niet noodzakelijkerwijs parameters die het brandstofverbruik beïnvloeden.

▼B

1.1.   Gegevens over de configuratie die van belang zijn voor de verbranding

1.1.1.

Slagvolume per cilinder

1.1.2.

Aantal cilinders

1.1.3.

Gegevens over boring en slag

1.1.4.

Configuratie van de verbrandingskamer en compressieverhouding

1.1.5.

Klepdiameters en poortconfiguratie

1.1.6.

Brandstofinjectoren (ontwerp en plaats)

1.1.7.

Ontwerp cilinderkoppen

1.1.8.

Ontwerp zuigers en zuigerveren

1.2.   Onderdelen die van belang zijn voor de luchtregeling

1.2.1.

Type drukvulapparatuur (overdrukklep, VGT, twee trappen, andere) en thermodynamische kenmerken

1.2.2.

Tussenkoelingsconcept

1.2.3.

Kleptimingsconcept (vast, gedeeltelijk variabel, variabel)

1.2.4.

EGR-concept (zonder koeling/met koeling, hoge/lage druk, EGR-regeling)

1.3.

Inspuitsysteem

1.4.

Concept voor de aandrijving van (hulp)apparatuur (mechanisch, elektrisch, anders)

1.5.

▼M3

Systemen voor terugwinning van afvalwarmte

▼M3

1.5.1.

Type WHR-systeem of -systemen (gedefinieerd overeenkomstig punt 2 van deze bijlage)

1.5.2.

Opstelling van WHR-systeem voor tests overeenkomstig punt 3.1.6 van deze bijlage

1.5.3.

Type turbine van WHR-systeem of -systemen

1.5.4.

Type verdamper van WHR-systeem of -systemen

1.5.5.

Type expander van WHR-systeem of -systemen

1.5.6.

Type condensator van WHR-systeem of -systemen

1.5.7.

Type pomp van WHR-systeem of -systemen

1.5.8.

LEW overeenkomstig punt 3.1.6.2, a), van deze bijlage moet voor alle andere motoren binnen dezelfde CO2-familie gelijk zijn aan of hoger zijn dan de waarde voor de CO2-oudermotor

1.5.9.

LET overeenkomstig punt 3.1.6.2, b), van deze bijlage moet voor alle andere motoren binnen dezelfde CO2-familie gelijk zijn aan of hoger zijn dan de waarde voor de CO2-oudermotor

1.5.10.

LHE overeenkomstig punt 3.1.6.2, c), i), van deze bijlage moet voor alle andere motoren binnen dezelfde CO2-familie gelijk zijn aan of kleiner zijn dan de waarde voor de CO2-oudermotor

1.5.11.

LEC overeenkomstig punt 3.1.6.2, c), ii), van deze bijlage moet voor alle andere motoren binnen dezelfde CO2-familie gelijk zijn aan of kleiner zijn dan de waarde voor de CO2-oudermotor

1.5.12.

LCE overeenkomstig punt 3.1.6.2, c), iii), van deze bijlage moet voor alle andere motoren binnen dezelfde CO2-familie gelijk zijn aan of kleiner zijn dan de waarde voor de CO2-oudermotor

1.5.13.

pcond overeenkomstig punt 3.1.6.2, c), iv), van deze bijlage moet voor alle andere motoren binnen dezelfde CO2-familie gelijk zijn aan of hoger zijn dan de waarde voor de CO2-oudermotor

1.5.14.

Pcool overeenkomstig punt 3.1.6.2, c), v), van deze bijlage moet voor alle andere motoren binnen dezelfde CO2-familie gelijk zijn aan of hoger zijn dan de waarde voor de CO2-oudermotor

▼B

1.6.

Nabehandelingssysteem

1.6.1.

Kenmerken reagensdoseringssysteem (reagens en doseringsconcept)

1.6.2.

Katalysator en roetfilter (opstelling, materiaal en coating)

1.6.3.

Kenmerken HC-doseringssysteem (reagens en doseringsconcept)

1.7.

Vollastcurve

1.7.1.

De koppelwaarden bij elk toerental van de vollastcurve van de overeenkomstig punt 4.3.1 bepaalde CO2-oudermotor moeten binnen het hele geregistreerde toerentalbereik gelijk zijn aan of hoger zijn dan de waarden voor alle andere motoren binnen dezelfde CO2-familie bij hetzelfde toerental.

1.7.2.

De koppelwaarden bij elk toerental van de vollastcurve van de motor met het laagste vermogen van alle motoren binnen de overeenkomstig punt 4.3.1 bepaalde CO2-familie van motoren moeten binnen het hele geregistreerde toerentalbereik gelijk zijn aan of lager zijn dan de waarden voor alle andere motoren binnen dezelfde CO2-familie bij hetzelfde toerental.

▼M3

1.7.3.

De koppelwaarden binnen een bandbreedte die betrekking hebben op de in de punten 1.7.1 en 1.7.2 beschreven referentie worden geacht gelijk te zijn. De bandbreedte is gedefinieerd als + 40 Nm of, als dat meer is, + 4 % van het koppel van de CO2-oudermotor bij het specifieke toerental.

▼B

1.8.

Karakteristieke toerentallen van motortest

▼M1

1.8.1.

Het stationaire toerental, nidle, van de CO2-oudermotor, zoals opgegeven door de fabrikant in het overeenkomstig punt 3.2.1.6 van aanhangsel 2 van deze bijlage opgestelde inlichtingenformulier van de aanvraag tot certificering, moet gelijk zijn aan of lager zijn dan de waarde voor alle andere motoren binnen dezelfde CO2-familie.

▼B

1.8.2.

Het toerental n95h van alle andere motoren binnen dezelfde CO2-familie dan de CO2-oudermotor, afgeleid uit de overeenkomstig punt 4.3.1 vastgelegde vollastcurve door de definities van de karakteristieke toerentallen overeenkomstig punt 7.4.6 van bijlage 4 bij ►M3  VN-Reglement nr. 49 ◄ , toe te passen, mogen niet meer dan ± 3 % afwijken van het toerental n95h van de CO2-oudermotor.

1.8.3.

Het toerental n57 van alle andere motoren binnen dezelfde CO2-familie dan de CO2-oudermotor, afgeleid uit de overeenkomstig punt 4.3.1 vastgelegde vollastcurve door de definities overeenkomstig punt 4.3.5.2.1 toe te passen, mogen niet meer dan ± 3 % afwijken van het toerental n57 van de CO2-oudermotor.

1.9.

Minimumaantal punten van het brandstofverbruikdiagram

1.9.1.

Op het brandstofverbruikdiagram van alle motoren binnen een CO2-familie moeten ten minste 54 punten onder de overeenkomstig punt 4.3.1 bepaalde vollastcurve van de motor liggen.

▼M3

1.10.

Variatie in GERWHTC

1.10.1.   Voor dualfuelmotoren mag het verschil tussen de hoogste en de laagste GERWHTC

(d.w.z. de hoogste GERWHTC min de laagste GERWHTC) binnen dezelfde CO2-familie niet meer dan 10 % bedragen.

▼B

2.   Keuze van de CO2-oudermotor

De CO2-oudermotor van de CO2-familie van motoren wordt gekozen aan de hand van de volgende criteria:

2.1.

Motor met het hoogste vermogen binnen de CO2-familie van motoren.




Aanhangsel 4

Conformiteit van de CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen

1.   Algemene bepalingen

1.1.

De conformiteit van de CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen wordt gecontroleerd op basis van de beschrijving in de certificaten volgens het model in aanhangsel 1 van deze bijlage en op basis van de beschrijving in het inlichtingenformulier volgens het model in aanhangsel 2 van deze bijlage.

1.2.

Indien het certificaat van een motor een of meer keren is uitgebreid, worden de tests uitgevoerd op de motoren die zijn beschreven in het informatiepakket voor de betrokken uitbreiding.

1.3.

Alle motoren die worden getest, worden volgens de in punt 3 van dit aanhangsel beschreven selectiecriteria uit de serieproductie genomen.

1.4.

De tests mogen worden uitgevoerd met de toepasselijke in de handel verkrijgbare brandstoffen. Op verzoek van de fabrikant mogen echter de in punt 3.2 gespecificeerde referentiebrandstoffen worden gebruikt.

1.5.

Als tests betreffende de conformiteit van de CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen van gasmotoren (aardgas, lpg) met in de handel verkrijgbare brandstoffen worden uitgevoerd, toont de fabrikant tegenover de goedkeuringsinstantie aan dat de samenstelling van de gasvormige brandstof met het oog op de bepaling van de onderste verbrandingswaarde ervan overeenkomstig punt 4 van dit aanhangsel op correcte wijze naar goede ingenieursinzichten is bepaald.

2.   Aantal te testen motoren en CO2-families van motoren

2.1.

Voor het aantal CO2-families van motoren en het aantal motoren binnen die CO2-families dat jaarlijks moet worden getest om de conformiteit van de gecertificeerde CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen te controleren, wordt uitgegaan van 0,05 % van alle onder het toepassingsgebied van deze verordening vallende motoren die in het afgelopen productiejaar zijn geproduceerd. Het resultaat van de berekening van 0,05 % van die motoren wordt afgerond op het dichtstbijzijnde gehele getal. Dit resultaat wordt nCOP,base genoemd.

2.2.

Onverminderd het bepaalde in punt 2.1, bedraagt nCOP,base ten minste 30.

2.3.

Om het aantal CO2-families van motoren dat jaarlijks moet worden getest om de conformiteit van de gecertificeerde CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen te controleren, nCOP,fam, te verkrijgen, wordt het overeenkomstig de punten 2.1 en 2.2 van dit aanhangsel verkregen resultaat van nCOP,base gedeeld door 10 en vervolgens afgerond op het dichtstbijzijnde gehele getal.

2.4.

Als een fabrikant minder CO2-families heeft dan nCOP,fam, zoals bepaald overeenkomstig punt 2.3, wordt het aantal te testen CO2-families, nCOP,fam, bepaald door het totale aantal CO2-families van de fabrikant.

3.   Keuze van de te testen CO2-families van motoren

De eerste twee CO2-families van motoren die worden getest van het overeenkomstig punt 2 van dit aanhangsel bepaalde aantal, zijn die met de hoogste productievolumes.

De resterende CO2-families van motoren van het aantal dat moet worden getest, worden in overleg tussen de fabrikant en de goedkeuringsinstantie willekeurig geselecteerd uit alle bestaande CO2-families van motoren.

4.   Te verrichten test

▼M1

Het minimumaantal motoren dat voor elke CO2-familie van motoren getest moet worden, nCOP,min, wordt bepaald door nCOP,base te delen door nCOP,fam (beide waarden bepaald overeenkomstig punt 2). Het resultaat voor nCOP,min wordt afgerond op het dichtstbijzijnde gehele getal. Als de resulterende waarde van nCOP,min minder dan 4 bedraagt, wordt de waarde op 4 vastgesteld en als de resulterende waarde meer dan 19 bedraagt wordt de waarde op 19 vastgesteld.

▼B

Voor elke van de overeenkomstig punt 3 van dit aanhangsel bepaalde CO2-familie van motoren wordt een minimumaantal van nCOP,min uit die familie getest om een goedkeuringsbesluit overeenkomstig punt 9 van dit aanhangsel te kunnen verkrijgen.

Het aantal tests dat binnen een CO2-familie van motoren moet worden uitgevoerd, wordt willekeurig toegewezen aan de verschillende motoren binnen die CO2-familie en deze toewijzing vindt plaats in overleg tussen de fabrikant en de goedkeuringsinstantie.

De conformiteit van de gecertificeerde CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen wordt gecontroleerd door de motoren overeenkomstig punt 4.3.4 aan een WHSC-test te onderwerpen.

Alle in deze bijlage gespecificeerde grenstoestanden voor certificeringstests zijn van toepassing, met uitzondering van hetgeen volgt:

1) 

de laboratoriumtestomstandigheden overeenkomstig punt 3.1.1 van deze bijlage. Naleving van de in punt 3.1.1 vermelde voorwaarden is niet verplicht, maar wordt wel aanbevolen. Afwijkingen zijn onder bepaalde omgevingsomstandigheden op de testlocatie toegestaan en moeten zo veel mogelijk worden beperkt door goede ingenieursinzichten toe te passen;

2) 

als overeenkomstig punt 3.2 van deze bijlage de referentiebrandstof van het type B7 (diesel/CI) wordt gebruikt, is de bepaling van de onderste verbrandingswaarde overeenkomstig punt 3.2 van deze bijlage niet verplicht;

3) 

als een in de handel verkrijgbare brandstof of een andere referentiebrandstof dan B7 (diesel/CI) wordt gebruikt, wordt de onderste verbrandingswaarde van de brandstof bepaald overeenkomstig de in tabel 1 van deze bijlage vermelde toepasselijke normen. Behalve voor gasmotoren wordt de meting van de onderste verbrandingswaarde verricht door slechts één laboratorium dat onafhankelijk is van de motorfabrikant, en niet door twee zoals vereist overeenkomstig punt 3.2 van deze bijlage. ►M1  Voor referentiegasbrandstoffen (G25/GR, lpg-brandstof B) wordt de onderste verbrandingswaarde overeenkomstig de in tabel 1 van deze bijlage vermelde toepasselijke normen berekend op basis van de door de leverancier van de referentiegasbrandstof verstrekte brandstofanalyse; ◄

4) 

het gebruikte smeermiddel is het middel dat tijdens de motorproductie is aangebracht en dit wordt niet vervangen met het oog op de test betreffende de conformiteit van de CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen.

5.   Inlopen van nieuwe motoren

5.1.

De tests worden verricht op nieuwe motoren die uit de serieproductie zijn genomen en die ten hoogste 15 uur zijn ingelopen voor het begin van de test ter controle van de conformiteit van de gecertificeerde CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen overeenkomstig punt 4 van dit aanhangsel.

5.2.

Op verzoek van de fabrikant kunnen de tests echter worden uitgevoerd op motoren die ten hoogste 125 uur zijn ingelopen. In dat geval wordt de inloopprocedure uitgevoerd door de fabrikant, die de motoren niet mag bijstellen.

5.3.

Wanneer de fabrikant verzoekt de motor overeenkomstig punt 5.2 van dit aanhangsel in te mogen laten lopen, mag dat met:

a) 

alle motoren die worden getest; of

▼M3

b) 

één nieuwe motor, waarbij als volgt een evolutiecoëfficiënt wordt bepaald:

A) 

het brandstofverbruik in de WHSC-test, die wordt uitgevoerd overeenkomstig punt 4 van dit aanhangsel, wordt eerst na een inlooptijd van ten hoogste 15 uur overeenkomstig punt 5.1 van dit aanhangsel bij de nieuwe motor gemeten, en vervolgens opnieuw in een tweede test op de eerste geteste motor, voordat het in punt 5.2 van dit aanhangsel vermelde maximum van 125 uur is bereikt;

B) 

het specifieke brandstofverbruik in de WHSC, SFCWHSC, wordt overeenkomstig punt 5.3.3 van deze bijlage bepaald op basis van de in punt A) van dit punt gemeten waarden;

C) 

de waarden van het specifieke brandstofverbruik van beide tests worden overeenkomstig de punten 7.2, 7.3 en 7.4 van dit aanhangsel omgezet in een gecorrigeerde waarde voor de tijdens de tests gebruikte brandstof;

D) 

de evolutiecoëfficiënt wordt berekend door het gecorrigeerde specifieke brandstofverbruik van de tweede test te delen door het gecorrigeerde specifieke brandstofverbruik van de eerste test. De evolutiecoëfficiënt mag een waarde van minder dan één hebben;

E) 

voor dualfuelmotoren is bovenstaand punt D) niet van toepassing. In plaats daarvan wordt de evolutiecoëfficiënt berekend door de specifieke CO2-emissies van de tweede test te delen door de specifieke CO2-emissies van de eerste test. De twee waarden voor specifieke CO2-emissies worden bepaald overeenkomstig punt 6.1 van dit aanhangsel, aan de hand van de twee waarden van SFCWHSC,corr die overeenkomstig punt C) hierboven zijn bepaald. De evolutiecoëfficiënt mag een waarde van minder dan één hebben.

5.4.

Als de bepalingen van punt 5.3, b), van dit aanhangsel worden toegepast, wordt de inloopprocedure niet toegepast op de motoren die geselecteerd worden voor de daaropvolgende tests betreffende de conformiteit van de CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen, maar wordt het specifieke brandstofverbruik in de WHSC of worden de specifieke CO2-emissies in de WHSC in het geval van dualfuelmotoren, zoals bepaald op de nieuwe motor met een inlooptijd van ten hoogste 15 uur overeenkomstig punt 5.1 van dit aanhangsel, vermenigvuldigd met de evolutiecoëfficiënt.

5.5.

In het in punt 5.4 van dit aanhangsel beschreven geval worden de volgende waarden voor het specifieke brandstofverbruik in de WHSC of de specifieke CO2-emissies in de WHSC in het geval van dualfuelmotoren toegepast:

(a) 

voor de motor die wordt gebruikt voor de bepaling van de evolutiecoëfficiënt overeenkomstig punt 5.3, b), van dit aanhangsel: de waarde uit de tweede test;

(b) 

voor de overige motoren: de waarden die bepaald zijn op de nieuwe motor met een inlooptijd van ten hoogste 15 uur overeenkomstig punt 5.1 van dit aanhangsel, vermenigvuldigd met de overeenkomstig punt 5.3, b), D), van dit aanhangsel bepaalde evolutiecoëfficiënt, of punt 5.3, b), E) van dit aanhangsel in het geval van dualfuelmotoren.

5.6.

In plaats van de inloopprocedure overeenkomstig de punten 5.2 tot en met 5.5 van dit aanhangsel toe te passen, mag op verzoek van de fabrikant ook een generieke evolutiecoëfficiënt van 0,99 worden gebruikt. In dat geval wordt/worden het op de nieuwe motor met een inlooptijd van ten hoogste 15 uur overeenkomstig punt 5.1 van dit aanhangsel bepaalde specifieke brandstofverbruik in de WHSC of de specifieke CO2-emissies in de WHSC in het geval van dualfuelmotoren vermenigvuldigd met de generieke evolutiecoëfficiënt 0,99.

▼B

5.7.

Als de evolutiecoëfficiënt overeenkomstig punt 5.3, onder b), van dit aanhangsel wordt bepaald op de oudermotor van een familie van motoren, zoals beschreven in de punten 5.2.3 en 5.2.4 van bijlage 4 bij ►M3  VN-Reglement nr. 49 ◄ , mag deze worden toegepast voor alle leden van elke CO2-familie die overeenkomstig punt 5.2.3 van bijlage 4 bij ►M3  VN-Reglement nr. 49 ◄ , tot dezelfde familie van motoren behoren.

6.   Streefwaarde voor de beoordeling van de conformiteit van de gecertificeerde CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen

De streefwaarde voor de beoordeling van de conformiteit van de gecertificeerde CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen is het gecorrigeerde specifieke brandstofverbruik in de WHSC, SFCWHSC,corr, in g/kWh dat overeenkomstig punt 5.3.3 is bepaald en is gedocumenteerd in het inlichtingenformulier als onderdeel van de in aanhangsel 2 van deze bijlage beschreven certificaten voor de specifieke geteste motor.

▼M3

6.1.   Bijzondere voorschriften voor dualfuelmotoren

Bij dualfuelmotoren wordt de streefwaarde voor de beoordeling van de conformiteit van de gecertificeerde CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen berekend op basis van de twee afzonderlijke waarden voor elke brandstof van het gecorrigeerde specifieke brandstofverbruik in de WHSC, SFCWHSC,corr, in g/kWh, dat overeenkomstig punt 5.3.3 is bepaald. Elk van de twee afzonderlijke waarden voor elke brandstof wordt vermenigvuldigd met de respectieve CO2-emissiefactor voor elke brandstof overeenkomstig tabel 1 van dit aanhangsel. De som van de twee resulterende waarden van de specifieke CO2-emissies in de WHSC bepaalt de toepasselijke streefwaarde voor de beoordeling van de conformiteit van de gecertificeerde CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen van dualfuelmotoren.



Tabel 1

CO2-emissiefactoren van brandstoftypen

Brandstoftype/ motortype

Type referentie-brandstof

CO2-emissiefactoren [g CO2/g brandstof]

Diesel / CI

B7

3,13

Lpg / PI

Lpg-brandstof B

3,02

Aardgas / PI

of

aardgas / CI

G25 of GR

2,73

▼B

7.   Werkelijke waarde voor de beoordeling van de conformiteit van de gecertificeerde CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen

7.1.

Het specifieke brandstofverbruik in de WHSC, SFCWHSC, wordt overeenkomstig punt 5.3.3 van deze bijlage bepaald op basis van de overeenkomstig punt 4 van dit aanhangsel uitgevoerde tests. Op verzoek van de fabrikant wordt de bepaalde waarde van het specifieke brandstofverbruik gewijzigd door de punten 5.3 tot en met 5.6 van dit aanhangsel toe te passen.

7.2.

Als bij de tests overeenkomstig punt 1.4 van dit aanhangsel een in de handel verkrijgbare brandstof is gebruikt, wordt het overeenkomstig punt 7.1 van dit aanhangsel bepaalde specifieke brandstofverbruik in de WHSC, SFCWHSC, overeenkomstig punt 5.3.3.1 van deze bijlage omgezet in een gecorrigeerde waarde, SFCWHSC,corr.

7.3.

▼M3

Als bij de tests overeenkomstig punt 1.4 van dit aanhangsel een referentiebrandstof is gebruikt, worden de bijzondere bepalingen van punt 5.3.3.2 van deze bijlage toegepast op de overeenkomstig punt 7.1 van dit aanhangsel bepaalde waarde om de gecorrigeerde waarde SFCWHSC,corr te berekenen.

▼M3

7.3 bis.   Bij dualfuelmotoren worden de in punt 5.3.3.3 van deze bijlage omschreven bijzondere bepalingen naast de punten 7.2 en 7.3 toegepast op de in punt 7.1 van dit aanhangsel bepaalde waarde om de gecorrigeerde waarde SFCWHSC,corr te berekenen.

▼B

7.4.

Op de in de overeenkomstig punt 4 uitgevoerde WHSC gemeten emissie van verontreinigende gassen worden de desbetreffende verslechteringsfactoren (DF's) voor die motor toegepast, zoals vastgelegd in het addendum bij het EG-typegoedkeuringscertificaat dat overeenkomstig Verordening (EU) nr. 582/2011 van de Commissie is verleend.

▼M3

7.5.

De werkelijke waarde voor de beoordeling van de conformiteit van de gecertificeerde CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen is het overeenkomstig de punten 7.2 en 7.3 bepaalde gecorrigeerde specifieke brandstofverbruik in de WHSC, SFCWHSC,corr.

7.6.

Voor dualfuelmotoren is punt 7.5 niet van toepassing. In plaats daarvan is de werkelijke waarde voor de beoordeling van de conformiteit van de gecertificeerde CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen de som van de twee resulterende waarden van de overeenkomstig de bepalingen van punt 6.1 van dit aanhangsel bepaalde specifieke CO2-emissies in de WHSC, aan de hand van de twee overeenkomstig punt 7.4 van dit aanhangsel bepaalde waarden van SFCWHSC,corr.

▼M1

8.   Grenswaarde voor de conformiteit van één test

Voor dieselmotoren is de grenswaarde voor de beoordeling van de conformiteit van één geteste motor de overeenkomstig punt 6 bepaalde streefwaarde + 4 %.

▼M3

Voor gas- en dualfuelmotoren is de grenswaarde voor de beoordeling van de conformiteit van één geteste motor de overeenkomstig punt 6 bepaalde streefwaarde + 5 %.

▼B

9.   Beoordeling van de conformiteit van de gecertificeerde CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen

▼M3

9.1.

De overeenkomstig punt 7.4 van dit aanhangsel bepaalde emissietestresultaten van de WHSC moeten voldoen aan de volgende grenswaarden voor alle verontreinigende gassen met uitzondering van ammoniak; anders wordt de test ongeldig geacht voor de beoordeling van de conformiteit van de gecertificeerde CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen:

(a) 

toepasselijke grenswaarden zoals bepaald in bijlage I bij Verordening (EG) nr. 595/2009;

(b) 

dualfuelmotoren moeten voldoen aan de toepasselijke grenswaarden overeenkomstig punt 5 van bijlage XVIII bij Verordening (EU) nr. 582/2011.

▼B

9.2.

Eén test van één overeenkomstig punt 4 van dit aanhangsel geteste motor wordt niet-conform geacht als de overeenkomstig punt 7 van dit aanhangsel bepaalde werkelijke waarde hoger is dan de in punt 8 van dit aanhangsel bedoelde grenswaarde.

9.3.

Voor de overeenkomstig punt 4 van dit aanhangsel bepaalde grootte van de steekproef van binnen één CO2-familie geteste motoren wordt de toetsingsgrootheid bepaald waarin het cumulatieve aantal niet-conforme tests overeenkomstig punt 9.2 van dit aanhangsel bij de ne test wordt uitgedrukt:

a) 

als het overeenkomstig punt 9.3 van dit aanhangsel bepaalde cumulatieve aantal niet-conforme tests bij de ne test lager dan of gelijk aan het in tabel 4 van aanhangsel 3 van ►M3  VN-Reglement nr. 49 ◄ , vermelde getal voor een goedkeuringsbesluit voor de desbetreffende steekproefgrootte is, wordt een goedkeuringsbesluit genomen;

b) 

als het overeenkomstig punt 9.3 van dit aanhangsel bepaalde cumulatieve aantal niet-conforme tests bij de ne test hoger dan of gelijk aan het in tabel 4 van aanhangsel 3 van ►M3  VN-Reglement nr. 49 ◄ 6, vermelde getal voor een afkeuringsbesluit voor de desbetreffende steekproefgrootte is, wordt een afkeuringsbesluit genomen;

c) 

in alle overige gevallen wordt een extra motor overeenkomstig punt 4 van dit aanhangsel getest en wordt de berekeningsmethode overeenkomstig punt 9.3 van dit aanhangsel toegepast op de met één verhoogde steekproefgrootte.

9.4.

Indien geen goedkeurings- of afkeuringsbesluit wordt genomen, mag de fabrikant te allen tijde besluiten de tests te beëindigen. In dat geval wordt een afkeuringsbesluit genoteerd.




Aanhangsel 5

Bepaling van het door motoronderdelen opgenomen vermogen

1.   Ventilator

Het motorkoppel wordt volgens de volgende procedure met in- en uitgeschakelde ventilator gemeten bij de motor in vrijloop:

i) 

monteer de ventilator voor het begin van de test volgens de instructies van het product;

ii) 

opwarmfase: laat de motor warmlopen zoals aanbevolen door de fabrikant en door goede ingenieursinzichten toe te passen (bijvoorbeeld door hem gedurende twintig minuten te laten draaien in modus 9, zoals gedefinieerd in tabel 1 van punt 7.2.2 van bijlage 4 bij ►M3  VN-Reglement nr. 49 ◄ );

▼M1

iii) 

stabilisatiefase: laat de motor na afloop van de opwarmfase of de facultatieve opwarmfase (stap v)) gedurende 130 ± 2 seconden bij minimale vraag van de operator (motor in vrijloop) met uitgeschakelde ventilator draaien met motortoerental npref (nfan_disengage < 0,75 × nengine × rfan). De eerste 60 ± 1 seconden van deze periode worden beschouwd als stabilisatieperiode, waarin het werkelijke motortoerental binnen ± 5 min– 1 van npref moet worden gehouden;

▼B

iv) 

meetfase: tijdens de volgende periode van 60 ± 1 seconden moet het werkelijke motortoerental binnen ± 2 min– 1 van npref worden gehouden en mag de koelmiddeltemperatuur niet meer dan ± 5 °C variëren, terwijl het koppel van de motor in vrijloop met uitgeschakelde ventilator, het ventilatortoerental en het motortoerental worden geregistreerd als gemiddelde waarde voor deze periode van 60 ± 1 seconden. De resterende periode van 10 ± 1 seconden kan zo nodig worden gebruikt voor de verwerking en opslag van de gegevens;

v) 

facultatieve opwarmfase: op verzoek van de fabrikant en naar goede ingenieursinzichten kan stap ii) worden herhaald (bv. als de temperatuur meer dan 5 °C is gedaald);

vi) 

stabilisatiefase: laat de motor na afloop van de facultatieve opwarmfase gedurende 130 ± 2 seconden bij minimale vraag van de operator (motor in vrijloop) met ingeschakelde ventilator draaien met motortoerental npref (nfan_engage > 0,9 × nengine × rfan). De eerste 60 ± 1 seconden van deze periode worden beschouwd als stabilisatieperiode, waarin het werkelijke motortoerental binnen ± 5 min– 1 van npref moet worden gehouden;

vii) 

meetfase: tijdens de volgende periode van 60 ± 1 seconden moet het werkelijke motortoerental binnen ± 2 min– 1 van npref worden gehouden en mag de koelmiddeltemperatuur niet meer dan ± 5 oC variëren, terwijl het koppel van de motor in vrijloop met ingeschakelde ventilator, het ventilatortoerental en het motortoerental worden geregistreerd als gemiddelde waarde voor deze periode van 60 ± 1 seconden. De resterende periode van 10 ± 1 seconden kan zo nodig worden gebruikt voor de verwerking en opslag van de gegevens;

viii) 

herhaal de stappen iii) tot en met vii) met de motortoerentallen n95h en nhi in plaats van npref, waarbij voorafgaand aan elke stabilisatiestap naar goede ingenieursinzichten een facultatieve opwarmstap v) wordt ingelast als dat nodig is om de koelmiddeltemperatuur constant te houden (± 5 °C);

ix) 

als de standaardafwijking van alle met onderstaande vergelijking berekende waarden van Ci bij de drie toerentallen npref, n95h en nhi 3 % of meer bedraagt, wordt de meting verricht voor alle motortoerentallen waarop overeenkomstig punt 4.3.5.2.1 het raster van de procedure voor de bepaling van het brandstofdiagram (FCMC) is gebaseerd.

De werkelijke ventilatorconstante wordt met de volgende vergelijking op basis van de meetgegevens berekend:

image

waarbij:

Ci

ventilatorconstante bij een bepaald motortoerental;

MDfan_disengage

gemeten motorkoppel van de motor in vrijloop met uitgeschakelde ventilator (Nm);

MDfan_engage

gemeten motorkoppel van de motor in vrijloop met ingeschakelde ventilator (Nm);

nfan_engage

ventilatortoerental met ingeschakelde ventilator (min– 1);

nfan_disengage

ventilatortoerental met uitgeschakelde ventilator (min– 1);

▼M1

rfan

verhouding van het toerental aan de motorzijde van de ventilatorkoppeling tot het toerental van de krukas.

▼B

Als de standaardafwijking van alle berekende waarden van Ci bij de drie toerentallen npref, n95h en nhi minder dan 3 % bedraagt, wordt het gemiddelde Cavg-fan voor de drie toerentallen npref, n95h en nhi als ventilatorconstante gebruikt.

Als de standaardafwijking van alle berekende waarden van Ci bij de drie toerentallen npref, n95h en nhi 3 % of meer bedraagt, worden de overeenkomstig punt ix) bepaalde individuele waarden voor alle motortoerentallen als ventilatorconstante Cind-fan,i gebruikt. De waarde van de ventilatorconstante voor het werkelijke motortoerental Cfan wordt bepaald door lineaire interpolatie tussen de individuele waarden Cind-fan,i van de ventilatorconstante.

Het motorkoppel voor de aandrijving van de ventilator wordt met de volgende vergelijking berekend:

Mfan = Cfan · nfan 2 · 10– 6

waarbij:

Mfan

motorkoppel voor de aandrijving van de ventilator (Nm);

Cfan

ventilatorconstante Cavg-fan of Cind-fan,i voor nengine.

Het door de ventilator opgenomen mechanische vermogen wordt berekend op basis van het motorkoppel voor de aandrijving van de ventilator en het werkelijke motortoerental. Met het mechanische vermogen en het motorkoppel wordt overeenkomstig punt 3.1.2 rekening gehouden.

2.   Elektrische onderdelen/apparatuur

Het elektrische vermogen dat extern aan de elektrische motoronderdelen wordt afgestaan, wordt gemeten. Deze gemeten waarde wordt in mechanisch vermogen omgezet door haar te delen door een generieke rendementswaarde van 0,65. Met dit mechanische vermogen en het daarmee overeenkomende motorkoppel wordt overeenkomstig punt 3.1.2 rekening gehouden.




Aanhangsel 6

1.   Opschriften

Als een motor overeenkomstig deze bijlage wordt gecertificeerd, worden de volgende opschriften op de motor aangebracht:

▼M1

1.1.

de naam of het handelsmerk van de fabrikant;

▼B

1.2.

het merk en het type, zoals vastgelegd in de in de punten 0.1 en 0.2 van aanhangsel 2 van deze bijlage bedoelde informatie;

1.3.

het certificeringsmerk in de vorm van een rechthoek met daarin de kleine letter „e”, gevolgd door het nummer van de lidstaat die het certificaat heeft verleend:

1 voor Duitsland;
2 voor Frankrijk;
3 voor Italië;
4 voor Nederland;
5 voor Zweden;
6 voor België;
7 voor Hongarije;
8 voor Tsjechië;
9 voor Spanje;
11 voor het Verenigd Koninkrijk;
12 voor Oostenrijk;
13 voor Luxemburg;
17 voor Finland;
18 voor Denemarken;
19 voor Roemenië;
20 voor Polen;
21 voor Portugal;
23 voor Griekenland;
24 voor Ierland;
25 voor Kroatië;
26 voor Slovenië;
27 voor Slowakije;
29 voor Estland;
32 voor Letland;
34 voor Bulgarije;
36 voor Litouwen;
49 voor Cyprus;
50 voor Malta.

▼M3

1.4.

In de nabijheid van de rechthoek wordt het „basisgoedkeuringsnummer” aangebracht, zoals gespecificeerd voor deel 4 van het in bijlage I bij Uitvoeringsverordening (EU) 2020/683 beschreven typegoedkeuringsnummer, voorafgegaan door de twee cijfers die het volgnummer aangeven van de recentste technische wijziging van deze verordening en de letter „E”, waarmee wordt aangegeven dat de goedkeuring voor een motor is verleend.

Voor deze verordening is het volgnummer 02.

1.4.1.   Voorbeeld en afmetingen van het certificeringsmerk (afzonderlijk opschrift)

image

Bovenstaand certificeringsmerk, aangebracht op een motor, geeft aan dat het type in kwestie in Polen (e20) is gecertificeerd krachtens deze verordening. De eerste twee cijfers (02) geven het volgnummer van de recentste technische wijziging van deze verordening aan. De volgende letter geeft aan dat het certificaat is verleend voor een motor (E). De laatste vijf cijfers (00005) zijn door de goedkeuringsinstantie aan de motor toegekend als basisgoedkeuringsnummer.

▼M1

1.5.

Als de certificering overeenkomstig deze verordening gelijktijdig met de typegoedkeuring van een motor als technische eenheid overeenkomstig Verordening (EU) nr. 582/2011 wordt verleend, kunnen de in punt 1.4 bedoelde opschriften worden aangebracht na de in aanhangsel 8 van bijlage I bij Verordening (EU) nr. 582/2011 bedoelde opschriften, waarbij tussen beide opschriften het teken „/” wordt aangebracht.

▼M3

1.5.1.   Voorbeeld van het certificeringsmerk (gecombineerd opschrift)

image

Bovenstaand certificeringsmerk, aangebracht op een motor, geeft aan dat het type in kwestie in Polen (e20) is gecertificeerd krachtens Verordening (EU) nr. 582/2011. De „D” staat voor diesel, gevolgd door een „E” voor de emissiestap, gevolgd door vijf cijfers (00005) die door de goedkeuringsinstantie als het basisgoedkeuringsnummer voor Verordening (EU) nr. 582/2011 aan de motor zijn toegekend. Na de schuine streep geven de eerste twee cijfers het volgnummer van de recentste technische wijziging van deze verordening aan, gevolgd door de letter „E” voor een motor en vijf cijfers die door de goedkeuringsinstantie in verband met de certificering overeenkomstig deze verordening zijn toegewezen (het „basisgoedkeuringsnummer” voor deze verordening).

▼B

1.6.

Op verzoek van de aanvrager van de certificering kan, met voorafgaande toestemming van de goedkeuringsinstantie, een andere tekengrootte worden gebruikt dan is aangegeven in de punten 1.4.1 en 1.5.1. De tekens moeten echter duidelijk leesbaar blijven.

1.7.

De opschriften, etiketten, platen of stickers moeten even lang meegaan als de motor en moeten duidelijk leesbaar en onuitwisbaar zijn. De fabrikant zorgt ervoor dat de opschriften, etiketten, platen of stickers niet kunnen worden verwijderd zonder vernietigd of onleesbaar te worden.

2.   Nummering

▼M3

2.1.

Het certificeringsnummer van motoren bestaat uit de volgende delen:



eX*YYYY/YYYY*ZZZZ/ZZZZ*E*00000*00

Deel 1

Deel 2

Deel 3

Aanvullende letter bij deel 3

Deel 4

Deel 5

Aanduiding van het land dat de certificering verleent

Verordening betreffende de CO2-bepaling van zware bedrijfsvoertuigen „2017/2400”

Recentste wijzigingsverordening (ZZZZ/ZZZZ)

E — motor

Basiscertificeringsnummer 00000

Uitbreiding 00

▼B




Aanhangsel 7

Inputparameters voor de simulatietool

Inleiding

In dit aanhangsel worden de parameters beschreven die de onderdeelfabrikant als input voor de simulatietool moet verstrekken. Het te gebruiken xml-schema en voorbeeldgegevens zijn beschikbaar op het elektronische distributieplatform.

Het xml-bestand wordt automatisch gegenereerd door de motorvoorbewerkingstool.

Definities

▼M1

1)

„Parameter-ID” : unieke identificatiecode die in de simulatietool voor een specifieke inputparameter of reeks inputgegevens wordt gebruikt.

▼B

2)

„Type” :

datatype van de parameter:

string …

:

tekenreeks in ISO 8859-1-codering;

token …

:

tekenreeks in ISO 8859-1-codering, zonder lege karakters aan begin en eind;

date …

:

datum en tijd (UTC) in de vorm YYYY-MM-DDTHH:MM:SSZ, waarbij de cursieve letters vaste tekens zijn, bv. „2002-05-30T09:30:10Z”;

integer …

:

waarde van een geheel getal zonder voorafgaande nullen, bv. „1800”;

double, X …

:

gebroken getal met precies X cijfers na het scheidingsteken (.) en zonder voorafgaande nullen, bv. voor „double, 2”: „2345.67”; voor „double, 4”: „45.6780”.

3)

„Eenheid” … : natuurkundige eenheid van de parameter.

Reeks inputparameters

▼M3



Tabel 1

Inputparameters „Engine/General”

Parameternaam

Parameter-ID

Type

Eenheid

Beschrijving/referentie

Manufacturer

P200

token

[-]

 

Model

P201

token

[-]

 

CertificationNumber

P202

token

[-]

 

Date

P203

dateTime

[-]

Datum en tijd waarop de onderdeel-hash is gecreëerd

AppVersion

P204

token

[-]

Versienummer van de motorvoorbewerkingstool

Displacement

P061

int

[cm3]

 

IdlingSpeed

P063

int

[min–1]

 

RatedSpeed

P249

int

[min–1]

 

RatedPower

P250

int

[W]

 

MaxEngineTorque

P259

int

[Nm]

 

WHRTypeMechanicalOutputICE

P335

boolean

[-]

 

WHRTypeMechanicalOutputDrivetrain

P336

boolean

[-]

 

WHRTypeElectricalOutput

P337

boolean

[-]

 

WHRElectricalCFUrban

P338

double, 4

[-]

Vereist indien „WHRTypeElectricalOutput” = true

WHRElectricalCFRural

P339

double, 4

[-]

Vereist indien „WHRTypeElectricalOutput” = true

WHRElectricalCFMotorway

P340

double, 4

[-]

Vereist indien „WHRTypeElectricalOutput” = true

WHRElectricalBFColdHot

P341

double, 4

[-]

Vereist indien „WHRTypeElectricalOutput” = true

WHRElectricalCFRegPer

P342

double, 4

[-]

Vereist indien „WHRTypeElectricalOutput” = true

WHRMechanicalCFUrban

P343

double, 4

[-]

Vereist indien „WHRTypeMechanicalOutputDrivetrain” = true

WHRMechanicalCFRural

P344

double, 4

[-]

Vereist indien „WHRTypeMechanicalOutputDrivetrain” = true

WHRMechanicalCFMotorway

P345

double, 4

[-]

Vereist indien „WHRTypeMechanicalOutputDrivetrain” = true

WHRMechanicalBFColdHot

P346

double, 4

[-]

Vereist indien „WHRTypeMechanicalOutputDrivetrain” = true

WHRMechanicalCFRegPer

P347

double, 4

[-]

Vereist indien „WHRTypeMechanicalOutputDrivetrain” = true

▼M3



Tabel 1a

Inputparameter „Engine” per brandstoftype

Parameternaam

Parameter-ID

Type

Eenheid

Beschrijving/referentie

WHTCUrban

P109

double, 4

[-]

 

WHTCRural

P110

double, 4

[-]

 

WHTCMotorway

P111

double, 4

[-]

 

BFColdHot

P159

double, 4

[-]

 

CFRegPer

P192

double, 4

[-]

 

CFNCV

P260

double, 4

[-]

 

FuelType

P193

string

[-]

Toegestane waarden: „Diesel CI”, „Ethanol CI”, „Petrol PI”, „Ethanol PI”, „LPG PI”, „NG PI”, „NG CI”

▼B



Tabel 2

Inputparameters „Engine/FullloadCurve” voor elk rasterpunt in de vollastcurve

Parameternaam

Parameter-ID

Type

Eenheid

Beschrijving/referentie

EngineSpeed

P068

double, 2

[ min– 1]

 

MaxTorque

P069

double, 2

[Nm]

 

DragTorque

P070

double, 2

[Nm]

 

▼M3



Tabel 3

Inputparameters „Engine/FuelMap” voor elk rasterpunt in het brandstofdiagram

(Per brandstoftype is één diagram vereist)

Parameternaam

Parameter-ID

Type

Eenheid

Beschrijving/referentie

EngineSpeed

P072

double, 2

[min–1]

 

Torque

P073

double, 2

[Nm]

 

FuelConsumption

P074

double, 2

[g/h]

 

WHRElectricPower

P348

int

[W]

Vereist indien „WHRTypeElectricalOutput” = true

WHRMechanicalPower

P349

int

[W]

Vereist indien „WHRTypeMechanicalOutputDrivetrain” = true

▼B




Aanhangsel 8

Belangrijke beoordelingsstappen en vergelijkingen van de motorvoorbewerkingstool

In dit aanhangsel worden de belangrijkste beoordelingsstappen en de onderliggende basisvergelijkingen van de motorvoorbewerkingstool beschreven. De beoordeling van de inputgegevens omvat, in de aangegeven volgorde, de volgende stappen:

1.   inlezen van inputbestanden en automatische controle van de inputgegevens:

1.1.

gecontroleerd wordt of de inputgegevens aan de in punt 6.1 van deze bijlage vermelde voorschriften voldoen;

1.2.

gecontroleerd wordt of de geregistreerde FCMC-gegevens aan de in punt 4.3.5.2 en punt 4.3.5.5, onder 1), van deze bijlage vermelde voorschriften voldoen;

2.

berekening van de karakteristieke motortoerentallen op basis van de vollastcurven van de oudermotor en de motor die wordt gecertificeerd, overeenkomstig punt 4.3.5.2.1 van deze bijlage;

3.

verwerking van het brandstofverbruikdiagram (FC-diagram):

3.1.

de FC-waarden bij nidle worden gekopieerd naar het motortoerental (nidle – 100 min– 1) in het diagram;

3.2.

de FC-waarden bij n95h worden gekopieerd naar het motortoerental (n95h – 500 min– 1) in het diagram;

3.3.

extrapolatie van de FC-waarden bij alle toerentalinstelwaarden naar een koppelwaarde van (1,1 × Tmax_overall) door toepassing van lineaire regressie volgens de kleinstekwadratenmethode op basis van de drie gemeten FC-punten met de hoogste koppelwaarden bij elk toerentalinstelpunt in het diagram. ►M3  Geëxtrapoleerde FC-waarden die lager zijn dan de gemeten waarde bij vollast bij het respectieve motortoerental worden ingesteld op de gemeten waarde bij vollast; ◄

3.4.

toevoeging van FC = 0 voor geïnterpoleerde koppelwaarden van de motor in vrijloop bij alle toerentalinstelpunten in het diagram;

3.5.

toevoeging van FC = 0 voor minimum van geïnterpoleerde koppelwaarden van de motor in vrijloop vanaf punt 3.4 min 100 Nm bij alle toerentalinstelpunten in het diagram;

▼M3

3.6.

toevoeging van WHR-vermogen = 0 op alle punten waarnaar in de punten 3.4 en 3.5 wordt verwezen;

▼B

4.

simulatie van FC en cyclusarbeid in de WHTC en in de subcycli daarvan voor de motor die wordt gecertificeerd:

4.1.

de WHTC-referentiepunten worden gedenormaliseerd met behulp van de vollastcurve-input in de resolutie van de oorspronkelijke registratie;

4.2.

FC wordt berekend voor de gedenormaliseerde WHTC-referentiewaarden voor toerental en koppel van punt 4.1;

4.3.

FC wordt berekend met traagheid van de motor gesteld op 0;

4.4.

FC wordt berekend met de standaard-PT1-functie (zoals bij belangrijkste voertuigsimulatie) voor de koppelrespons actief;

4.5.

voor alle vrijlooppunten wordt FC gesteld op 0;

4.6.

FC wordt voor alle werkpunten van de motor zonder vrijloop aan de hand van het FC-diagram berekend door interpolatie volgens Delaunay (zoals bij belangrijkste voertuigsimulatie);

4.7.

de cyclusarbeid en FC worden berekend met de in de punten 5.1 en 5.2 van deze bijlage beschreven vergelijkingen;

4.8.

de gesimuleerde specifieke FC-waarden worden berekend op een wijze die analoog is aan de in de punten 5.3.1 en 5.3.2 van deze bijlage beschreven vergelijkingen voor gemeten waarden;

5.

berekening van correctiefactoren voor de WHTC:

5.1.

de gemeten waarden uit de input van de voorbewerkingstool en de gesimuleerde waarden uit punt 4 worden in de vergelijkingen van de punten 5.2, 5.3 en 5.4 gebruikt;

5.2.

CFUrban = SFCmeas,Urban / SFCsimu,Urban

5.3.

CFRural = SFCmeas,Rural / SFCsimu,Rural

5.4.

CFMW = SFCmeas,MW / SFCsimu,MW

5.5.

als de voor een correctiefactor berekende waarde lager is dan1, bedraagt de waarde van die correctiefactor 1;

▼M3

5.6.

bij dualfuelmotoren kan de berekende waarde van een correctiefactor voor een bepaald brandstoftype lager zijn dan 1;

5.7.

niettegenstaande punt 5.6 worden, als bij dualfuelmotoren de verhouding tussen de gemeten en de gesimuleerde totale specifieke brandstofenergie van beide brandstoffen kleiner is dan 1, de specifieke brandstofverbruikswaarden dienovereenkomstig aangepast door de motorvoorbewerkingstool, zodat de bovengenoemde verhouding resulteert in een waarde van 1;

▼B

6.

berekening van de vereffeningsfactor voor koude/warme emissies:

6.1.

deze factor wordt met de vergelijking van punt 6.2 berekend;

6.2.

BFcold-hot = 1 + 0,1 × (SFCmeas,cold – SFCmeas,hot) / SFCmeas,hot

6.3.

als de voor deze factor berekende waarde lager is dan 1, bedraagt de waarde van de factor 1;

7.

correctie van de FC-waarden in het FC-diagram naar standaard-NCV:

7.1.

deze correctie wordt volgens de vergelijking van punt 7.2 toegepast;

7.2.

FCcorrected = FCmeasured,map × NCVmeas / NVCstd

7.3.

FCmeasured,map is de FC-waarde in de inputgegevens van het FC-diagram die overeenkomstig punt 3 zijn verwerkt;

7.4.

NCVmeas en NVCstd hebben de waarde zoals gedefinieerd in punt 5.3.3.1 van deze bijlage;

7.5.

als overeenkomstig punt 3.2 van deze bijlage de referentiebrandstof van het type B7 (diesel/CI) bij de tests is gebruikt, wordt de correctie overeenkomstig de punten 7.1 tot en met 7.4 niet toegepast;

8.

omzetting van de koppelwaarden van de motor bij volledige belasting en bij vrijloop die wordt gecertificeerd naar een gegevensopslagfrequentie van het motortoerental van 8 min– 1:

▼M1

8.1.

als de gemiddelde gegevensopslagfrequentie van het motortoerental van de oorspronkelijk geregistreerde vollastcurve kleiner is dan 6, wordt de omzetting uitgevoerd door het rekenkundige gemiddelde te bepalen over intervallen van ± 4 min-1 van een bepaald instelpunt voor de outputgegevens op basis van de input van de vollastcurve in de resolutie van de oorspronkelijke registratie; als de gemiddelde gegevensopslagfrequentie van het motortoerental van de oorspronkelijk geregistreerde vollastcurve groter is dan of gelijk is aan 6, wordt de omzetting uitgevoerd door middel van lineaire interpolatie op basis van de input van de vollastcurve in de resolutie van de oorspronkelijke registratie.

▼B




BIJLAGE VI

CONTROLE VAN GEGEVENS BETREFFENDE TRANSMISSIE, KOPPELOMVORMER, ANDERE KOPPELOVERBRENGINGSONDERDELEN EN AANVULLENDE ONDERDELEN VAN DE AANDRIJFLIJN

1.   Inleiding

Deze bijlage bevat de certificeringsvoorschriften betreffende de koppelverliezen van transmissies, koppelomvormers (TC), andere koppeloverbrengingsonderdelen (OTTC) en aanvullende onderdelen van de aandrijflijn (ADC) voor zware bedrijfsvoertuigen. Zij bevat ook de procedures voor de berekening van de standaardkoppelverliezen.

De koppelomvormer (TC), andere koppeloverbrengingsonderdelen (OTTC) en aanvullende onderdelen van de aandrijflijn (ADC) kunnen in combinatie met een transmissie of als afzonderlijke eenheid worden getest. Als deze onderdelen afzonderlijk worden getest, zijn de onderdelen 4, 5 en 6 van toepassing. Koppelverliezen als gevolg van het aandrijfmechanisme tussen de transmissie en die onderdelen, mogen worden verwaarloosd.

2.   Definities

Voor de toepassing van deze bijlage wordt verstaan onder:

1)

„verdeelbak” : voorziening die het motorvermogen van een voertuig verdeelt en naar de aangedreven voor- en achterassen overbrengt. De verdeelbak is achter de transmissie en de ermee verbonden voor- en achteraandrijfassen gemonteerd. Hij omvat hetzij een reeks tandwielen, hetzij een kettingaandrijfsysteem waarmee het vermogen van de transmissie naar de assen wordt verdeeld. De verdeelbak biedt gewoonlijk de mogelijkheid om te schakelen tussen standaardrijmodus (voor- of achterwielaandrijving), zware tractiemodus (voor- en achterwielaandrijving), lichte tractiemodus en neutraal;

2)

„overbrengingsverhouding” : voorwaartse versnellingsverhouding tussen het toerental van de ingaande aandrijfas (van het aandrijfmechanisme) en het toerental van de uitgaande aandrijfas (van de aangedreven wielen) zonder slip (i = nin/nout );

3)

„verhoudingsbereik” : verhouding tussen de grootste en de kleinste voorwaartse versnellingsverhouding in een transmissie: φtot = imax/imin ;

4)

„samengestelde transmissie” : een transmissie, met een groot aantal voorwaartse versnellingen en/of een groot verhoudingsbereik, die bestaat uit subtransmissies die worden gecombineerd om de meeste vermogenoverbrengende delen in verscheidene voorwaartse versnellingen te gebruiken;

5)

„hoofdgedeelte” : de subtransmissie met het grootste aantal voorwaartse versnellingen in een samengestelde transmissie;

6)

„bereikgedeelte” : een doorgaans serieel met het hoofdgedeelte verbonden subtransmissie in een samengestelde transmissie. Een bereikgedeelte heeft gewoonlijk twee voorwaartse versnellingen waartussen kan worden gewisseld. Bij de lage voorwaartse versnellingen van de hele transmissie wordt de versnelling voor het lage bereik gebruikt. Bij de hoge versnellingen wordt de versnelling voor het hoge bereik gebruikt;

7)

„splitter” : ontwerp waarbij de versnellingen van het hoofdgedeelte in (gewoonlijk) twee varianten worden gesplitst, namelijk lage en hoge splitversnellingen, waarvan de verhoudingen dicht bij elkaar liggen ten opzichte van het verhoudingsbereik van de transmissie. Een splitter kan een afzonderlijke subtransmissie of een accessoire zijn en al dan niet geïntegreerd zijn in het hoofdgedeelte;

8)

„klauwkoppeling” : koppeling waarbij het koppel voornamelijk wordt overgebracht door normaalkrachten tussen in elkaar grijpende tanden. Een klauwkoppeling kan worden in- en uitgeschakeld. Zij wordt alleen in onbelaste toestand bediend (bijvoorbeeld bij het schakelen met handmatige transmissie);

9)

„haakse overbrenging” : voorziening die rotatie-energie tussen niet-parallelle aandrijfassen overbrengt, veelal gebruikt bij een in dwarsrichting geplaatste motor en een in lengterichting gelegen aandrijving van de aangedreven as;

10)

„wrijvingskoppeling” : koppeling voor de overbrenging van voortstuwingskoppel, waarbij het koppel langdurig door middel van wrijvingskrachten wordt overgebracht. Een wrijvingskoppeling kan slippend koppel overbrengen, waardoor zij kan (maar niet moet) worden gebruikt bij het vanuit stilstand wegrijden en bij vermogenswisselingen (inhouding van vermogensoverdracht tijdens het schakelen);

11)

„synchromeshring” : type klauwkoppeling waarbij een wrijvingsvoorziening wordt gebruikt om de toerentallen van de roterende delen die worden gekoppeld gelijk te maken;

12)

„rendement van tandwieloverbrenging” : verhouding tussen het uitgaande en het ingangsvermogen dat overgebracht wordt door in elkaar grijpende tandwielen van een voorwaartse versnelling met relatieve beweging;

13)

„kruipversnelling” : lage voorwaartse versnelling (waarbij de toerentalreductieverhouding groter is dan bij de andere versnellingen) die bedoeld is voor sporadisch gebruik, bijvoorbeeld bij manoeuvres met lage snelheid of als een voertuig incidenteel vanuit stilstand bergop moet wegrijden;

14)

„krachtafnemer” (PTO) : voorziening op een transmissie of motor waarop aangedreven hulpapparatuur, zoals een hydraulische pomp, kan worden aangesloten;

15)

„aandrijfmechanisme van een krachtafnemer” : voorziening in een transmissie waarop een krachtafnemer (PTO) kan worden gemonteerd;

16)

„overbruggingskoppeling” : wrijvingskoppeling in een hydrodynamische koppelomvormer; kan de ingangs- en uitgangszijde met elkaar verbinden, waardoor geen slip optreedt. ►M3  In sommige gevallen is permanente slip bij vaste overbrenging opzettelijk, bv. om trillingen te voorkomen; ◄

17)

►M3  „wegrijkoppeling” : een koppeling die het toerental tussen de motor en de aandrijfwielen aanpast wanneer het voertuig vanuit stilstand wegrijdt. ◄ De wegrijkoppeling bevindt zich doorgaans tussen de motor en de transmissie;

18)

„gesynchroniseerde manuele transmissie” (SMT) : handmatig bediende transmissie met twee of meer te kiezen toerentalverhoudingen die verkregen worden door middel van synchromeshringen. De verhoudingsverandering vindt doorgaans plaats terwijl de transmissie tijdelijk van de motor wordt losgekoppeld met behulp van een koppeling (gewoonlijk de wegrijkoppeling);

19)

„geautomatiseerde manuele transmissie” of „automatische mechanisch gekoppelde transmissie”(AMT) : automatisch schakelende transmissie met twee of meer te kiezen toerentalverhoudingen die verkregen worden door middel van klauwkoppelingen (al dan niet gesynchroniseerd). De verhoudingsverandering vindt plaats terwijl de transmissie tijdelijk van de motor wordt losgekoppeld. De verhoudingsveranderingen worden uitgevoerd door een elektronisch gestuurd systeem, dat het schakeltijdstip, de bediening van de koppeling tussen de motor en de versnellingsbak en het toerental en koppel van de motor regelt. Het systeem kiest automatisch de meest geschikte voorwaartse versnelling en schakelt deze in, maar de chauffeur kan het systeem uitschakelen door een manuele modus te kiezen;

20)

„transmissie met dubbele koppeling” (DCT) : automatisch schakelende transmissie met twee wrijvingskoppelingen en verscheidene te kiezen toerentalverhoudingen die verkregen worden door middel van klauwkoppelingen. De verhoudingsveranderingen worden uitgevoerd door een elektronisch gestuurd systeem, dat het schakeltijdstip, de bediening van de koppelingen en het toerental en koppel van de motor regelt. Het systeem kiest automatisch de meest geschikte versnelling, maar de chauffeur kan het systeem uitschakelen door een manuele modus te kiezen. ►M3  In sommige gevallen is permanente slip bij vaste overbrenging opzettelijk, bv. om trillingen te voorkomen; ◄

21)

„retarder” : hulpremvoorziening in de aandrijflijn van een voertuig; bedoeld voor permanent remmen;

▼M3

22)

„s-opstelling” : een transmissie met automatische vermogenswisseling (APT) met seriële opstelling van een koppelomvormer en de daarmee verbonden mechanische delen van de transmissie;

23)

„p-opstelling” : een ATP met parallelle opstelling van een koppelomvormer en de daarmee verbonden mechanische delen van de transmissie (bv. bij installaties waarbij het vermogen wordt gesplitst);

▼B

24)

„transmissie met automatische vermogenswisseling” (APT) : automatisch schakelende transmissie met meer dan twee wrijvingskoppelingen en verscheidene te kiezen toerentalverhoudingen die hoofdzakelijk verkregen worden door middel van die wrijvingskoppelingen. De verhoudingsveranderingen worden uitgevoerd door een elektronisch gestuurd systeem, dat het schakeltijdstip, de bediening van de koppelingen en het toerental en koppel van de motor regelt. Het systeem kiest automatisch de meest geschikte versnelling, maar de chauffeur kan het systeem uitschakelen door een manuele modus te kiezen. De schakeling vindt gewoonlijk plaats zonder tractieonderbreking (van wrijvingskoppeling naar wrijvingskoppeling);

25)

„olieconditioneringssysteem” : extern systeem dat de olie van een transmissie bij tests in de juiste toestand brengt. Het systeem pompt de olie rond van en naar de transmissie. Daarbij wordt de olie gefilterd en/of op de juiste temperatuur gebracht;

26)

„slim smeersysteem” : systeem dat van invloed is op de belastingonafhankelijke verliezen (ook wel rotatie- of weerstandsverliezen genoemd) van de transmissie, afhankelijk van de inkomende koppel- en/of vermogensstroom door de transmissie. Voorbeelden zijn hydraulische drukregelpompen voor de remmen en koppelingen in een APT, een geregeld variabel oliepeil in de transmissie en een geregeld variabel oliedebiet of een geregelde variabele oliedruk voor de smering en koeling in de transmissie. Bij een slim smeersysteem kan ook de olietemperatuur van de transmissie worden geregeld, maar slimme smeersystemen die uitsluitend dienen om de temperatuur te regelen, zijn hier niet bedoeld, aangezien er bij de transmissietestprocedure vaste testtemperaturen zijn;

27)

„voor de transmissie dienende elektrische hulpapparatuur” : elektrische hulpapparatuur die tijdens stationair bedrijf voor de functie van de transmissie wordt gebruikt. Een voorbeeld hiervan is een elektrische koel- of smeerpomp (maar niet bedoeld zijn elektrische schakelactuatoren en elektronische regelsystemen zoals elektromagnetische kleppen, aangezien die, zeker bij stationair bedrijf, weinig energie verbruiken);

28)

„viscositeitsgetal van het olietype” : viscositeitsgetal volgens SAE J306;

29)

„fabrieksvullingsolie” : het viscositeitsgetal van het olietype waarmee de transmissie, de koppelomvormer, de andere koppeloverbrengingsonderdelen of de aanvullende onderdelen van de aandrijflijn in de fabriek zijn gevuld en dat bedoeld is om tot de eerste onderhoudsbeurt te worden gebruikt;

30)

„versnellingsschema” : opstelling van de aandrijfassen, tandwielen en koppelingen in een transmissie;

31)

„vermogensstroom” : traject dat in een transmissie bij de overbrenging van vermogen via aandrijfassen, tandwielen en koppelingen wordt gevolgd;

▼M3

32)

„differentieel” : een voorziening die een koppel in twee takken verdeelt, bijvoorbeeld voor het linker- en het rechterwiel, waarbij deze takken met ongelijke snelheid kunnen draaien. De functie om het koppel te verdelen kan worden beïnvloed of uitgeschakeld door een differentieelrem of differentieelblokkering (indien van toepassing);

33)

„n-opstelling” : een APT zonder koppelomvormer.

▼B

3.   Testprocedure voor transmissies

Om de verliezen van een transmissie te testen, wordt het koppelverliesdiagram voor elk afzonderlijk transmissietype gemeten. Transmissies mogen overeenkomstig aanhangsel 6 van deze bijlage worden gegroepeerd in families met dezelfde of soortgelijke CO2-gegevens.

De aanvrager van de certificering bepaalt met een van de volgende methoden de koppelverliezen van transmissies voor elke voorwaartse versnelling (met uitzondering van kruipversnellingen):

1) 

optie 1: meting van de koppelonafhankelijke verliezen, berekening van de koppelafhankelijke verliezen;

2) 

optie 2: meting van de koppelonafhankelijke verliezen, meting van de koppelverliezen bij het maximumkoppel en interpolatie van de koppelafhankelijke verliezen volgens een lineair model;

3) 

optie 3: meting van het totale koppelverlies.

3.1.

Optie 1: meting van de koppelonafhankelijke verliezen, berekening van de koppelafhankelijke verliezen

Koppelverlies Tl ,in op de ingaande aandrijfas van de transmissie wordt berekend met:

▼M3

T l,in (n in ,T in ,gear) = T l,in,min_loss + f T × T in + f loss_corr × T in + T l,in,min_el + f el_corr × T in + f loss tcc × T in

▼B

De correctiefactor voor de koppelafhankelijke hydraulische koppelverliezen wordt berekend met:

image

De correctiefactor voor de koppelafhankelijke elektrische koppelverliezen wordt berekend met:

image

Het koppelverlies op de ingaande aandrijfas van de transmissie als gevolg van het energieverbruik van de voor de transmissie dienende elektrische hulpapparatuur wordt berekend met:

image

▼M3

De correctiefactor voor de verliezen in een slippende overbruggingskoppeling van de koppelomvormer, zoals gedefinieerd in punt 2, 16), of een slippende koppeling aan de ingangszijde, zoals gedefinieerd in punt 2, 20), wordt berekend door:

image

▼B

waarbij:

Tl,in

=

koppelverlies op ingaande aandrijfas [Nm];

Tl,in,min_loss

=

koppelonafhankelijk verlies bij laagste hydraulisch verliesniveau (minimale hoofddruk, minimaal koel- en smeerdebiet enz.), gemeten met vrij roterende uitgaande aandrijfas bij test in onbelaste toestand [Nm];

Tl,in,max_loss

=

koppelonafhankelijk verlies bij hoogste hydraulisch verliesniveau (maximale hoofddruk, maximaal koel- en smeerdebiet enz.), gemeten met vrij roterende uitgaande aandrijfas bij test in onbelaste toestand [Nm];

floss_corr

=

verliescorrectie voor hydraulisch verliesniveau afhankelijk van ingangskoppel [-];

nin

=

toerental van de ingaande aandrijfas van de transmissie (in voorkomend geval na de koppelomvormer) [ min– 1];

fT

=

koppelverliescoëfficiënt = 1-ηT;

Tin

=

koppel op ingaande aandrijfas [Nm];

ηT

=

koppelafhankelijk rendement (te berekenen); voor een directe overbrenging geldt fT = 0,007 (ηT = 0,993) [-];

fel_corr

=

verliescorrectie voor elektrisch vermogensverliesniveau afhankelijk van ingangskoppel [-];

Tl,in, el

=

aanvullend koppelverlies op ingaande aandrijfas door verbruikers elektrisch vermogen [Nm];

Tl,in,min_el

=

aanvullend koppelverlies op ingaande aandrijfas door verbruikers elektrisch vermogen bij minimaal elektrisch vermogen [Nm];

Tl,in,max_el

=

aanvullend koppelverlies op ingaande aandrijfas door verbruikers elektrisch vermogen bij maximaal elektrisch vermogen [Nm];

Pel

=

tijdens transmissieverliestest gemeten verbruik elektrisch vermogen door verbruikers in de transmissie [W];

Tmax,in

=

maximaal toegestaan ingangskoppel voor een voorwaartse versnelling in de transmissie [Nm];

▼M3

floss_tcc

=

de correctiefactor voor verliezen in een slippende koppeling met koppelomvormer (of slippende koppeling aan de ingangszijde);

ntcc

=

verschil in toerental vóór en voorbij de slippende overbruggingskoppeling van de koppelomvormer, zoals gedefinieerd in punt 2, 16), of de slippende koppeling aan ingangszijde, zoals gedefinieerd in punt 2, 20), [min–1] (het toerental voorbij de slippende koppeling is het toerental nin aan de ingaande aandrijfas van de transmissie).

▼B

3.1.1.

De koppelafhankelijke verliezen van een transmissiesysteem worden als volgt bepaald.

Als er meerdere parallelle en nominaal gelijke vermogensstromen zijn, bijvoorbeeld dubbele tussenassen of verscheidende tandwielen in een planeettandwielmechanisme, kunnen die in dit onderdeel als één vermogensstroom worden behandeld.

3.1.1.1.

Voor elke indirecte overbrenging g van gemeenschappelijke transmissies met een niet-gesplitste vermogensstroom en gewone niet-planetaire tandwieloverbrengingen, worden de volgende stappen gezet:

3.1.1.2.

Voor elke ingeschakelde tandwieloverbrenging worden voor het koppelafhankelijke rendement de volgende constante waarden hm aangenomen:

buitenvertanding – buitenvertanding

:

ηm = 0,986;

buitenvertanding – binnenvertanding

:

ηm = 0,993;

haakse tandwieloverbrenging

:

ηm = 0,97.

(De verliezen van haakse overbrenging mogen ook overeenkomstig punt 6 van deze bijlage met afzonderlijke tests worden bepaald).

3.1.1.3.

Het product van deze koppelafhankelijke rendementen van ingeschakelde tandwieloverbrengingen wordt vermenigvuldigd met een koppelafhankelijk lagerrendement ηb = 99,5 %.

3.1.1.4.

Het totale koppelafhankelijke rendement ηTg voor overbrenging g wordt berekend met:

η Tg = η b * η m,1 * η m,2 * […] * η m,n

3.1.1.5.

De koppelafhankelijke verliescoëfficiënt fTg voor overbrenging g wordt berekend met:

fTg = 1 – η Tg

3.1.1.6.

Het koppelafhankelijke verlies Tl,inTg op de ingaande aandrijfas voor overbrenging g wordt berekend met:

Tl,inTg = fTg * Tin

3.1.1.7.

In het bijzondere geval van transmissies bestaande uit een hoofdgedeelte van het tussenastype dat serieel is gekoppeld aan een planetair bereikgedeelte (met een niet-roterend satellietwiel en de planeetwieldrager verbonden met de uitgaande aandrijfas), kan het koppelafhankelijke rendement van het planetaire bereikgedeelte in het lage bereik, in plaats van volgens de in punt 3.1.1.8 beschreven procedure, worden berekend met:

image

waarbij:

ηm,ring

=

koppelafhankelijk rendement van de overbrenging van satellietwiel naar planeetwiel = 99,3 % [-];

ηm,sun

=

koppelafhankelijk rendement van de overbrenging van planeetwiel naar zonnewiel = 98,6 % [-];

zsun

=

aantal tanden van het zonnewiel van het bereikgedeelte [-];

zring

=

aantal tanden van het satellietwiel van het bereikgedeelte [-].

Het planetaire bereikgedeelte wordt beschouwd als een aanvullende tandwieloverbrenging binnen het tussenashoofdgedeelte en het koppelafhankelijke rendement ηlowrange ervan wordt in aanmerking genomen bij de bepaling van de totale koppelafhankelijke rendementen ηTg voor het lage bereik volgens de berekening in punt 3.1.1.4.

3.1.1.8.

Voor alle andere transmissietypen met complexere gesplitste vermogensstromen en/of planeettandwielmechanismen (bv. een conventionele automatische planeettransmissie) wordt de volgende vereenvoudigde methode toegepast om het koppelafhankelijke rendement te bepalen. De methode kan worden gebruikt voor transmissiesystemen bestaande uit gewone, niet-planetaire tandwieloverbrengingen en/of planetaire tandwieloverbrengingen van het type satelliet-planeet-zon. Bij wijze van alternatief mag het koppelafhankelijke rendement worden berekend volgens VDI-richtlijn nr. 2157. Voor beide berekeningen worden dezelfde rendementsconstanten voor de tandwieloverbrenging gebruikt, zoals vermeld in punt 3.1.1.2.

In dat geval worden voor elke indirecte overbrenging g de volgende stappen gezet:

3.1.1.9.

Uitgaande van een ingangstoerental van 1 rad/s en een ingangskoppel van 1 Nm, wordt een tabel opgesteld van de toerentallen (Ni ) en koppels (Ti ) voor alle tandwielen met een vaste rotatieas (zonnewielen, satellietwielen en gewone tandwielen) en planeetwieldragers. Voor de toerental- en koppelwaarden wordt de rechterhandregel gevolgd, waarbij de rotatie van de motor als positieve richting geldt.

3.1.1.10.

Voor elke planetaire tandwieloverbrenging worden de relatieve toerentallen van zonnewiel naar planeetwieldrager en van satellietwiel naar planeetwieldrager berekend met:

Nsun–carrie r = Nsun Ncarrier
Nring–carrier = Nring Ncarrier

waarbij:

Nsun

=

hoeksnelheid van het zonnewiel [rad/s];

Nring

=

hoeksnelheid van het satellietwiel [rad/s];

Ncarrier

=

hoeksnelheid van de planeetwieldrager [rad/s].

3.1.1.11.

De verliesgenererende vermogens in de tandwieloverbrengingen worden als volgt berekend:

voor elke gewone niet-planetaire tandwieloverbrenging wordt het vermogen P berekend met:
P 1 = N 1 · T 1
P 2 = N 2 · T 2
waarbij:

P

=

vermogen van tandwieloverbrenging [W];

N

=

hoeksnelheid van het tandwiel [rad/s];

T

=

koppel van het tandwiel [Nm].

Voor elke planetaire tandwieloverbrenging worden het virtuele vermogen van het zonnewiel Pv,sun en het satellietwiel Pv,ring berekend met:
Pv,sun = Tsun · (Nsun Ncarrier ) = Tsun · Nsun/carrier
Pv,ring = Tring · (Nring Ncarrier ) = Tring · Nring/carrier
waarbij:

Pv,sun

=

virtueel vermogen van het zonnewiel [W];

Pv,ring

=

virtueel vermogen van het satellietwiel [W];

Tsun

=

koppel van het zonnewiel [Nm];

Tcarrier

=

koppel van de planeetwieldrager [Nm];

Tring

=

koppel van het satellietwiel [Nm].

Negatieve waarden voor het virtuele vermogen geven aan dat de tandwielcombinatie minder vermogen krijgt, positieve waarden voor het virtuele vermogen geven aan dat de combinatie meer vermogen krijgt.
De voor het verlies gecorrigeerde vermogens Padj van de tandwieloverbrengingen worden als volgt berekend:
voor elke gewone niet-planetaire tandwieloverbrenging wordt het negatieve vermogen vermenigvuldigd met het desbetreffende koppelafhankelijke rendement ηm :
Pi > 0 ⇒ Pi,adj = Pi
Pi < 0 ⇒ Pi,adj = Pi · η mi
waarbij:

Padj

=

voor het verlies gecorrigeerde vermogens van de tandwieloverbrengingen [W];

ηm

=

koppelafhankelijk rendement (voor de desbetreffende tandwieloverbrenging; zie punt 3.1.1.2) [-];

voor elke planetaire tandwieloverbrenging wordt het negatieve virtuele vermogen vermenigvuldigd met de koppelafhankelijke rendementen van de overbrenging van zonnewiel naar planeetwiel ηmsun en van satellietwiel naar planeetwiel ηmring :
Pv,i ≥ 0 ⇒ Pi,adj = Pv,i
Pv,i < 0 ⇒ Pi,adj = Pi · ηmsun · ηmring
waarbij:

ηmsun

=

koppelafhankelijk rendement van zonnewiel naar planeetwiel [-];

ηmring

=

koppelafhankelijk rendement van satellietwiel naar planeetwiel [-].

3.1.1.12.

Alle voor verliezen gecorrigeerde vermogenswaarden worden bij elkaar opgeteld om het koppelafhankelijke vermogensverlies van de tandwieloverbrenging Pm,loss van het transmissiesysteem ten opzichte van het ingangsvermogen te verkrijgen:

Pm,loss = ΣPi,adj

waarbij:

i

=

alle tandwielen met een vaste rotatieas [-];

Pm,loss

=

koppelafhankelijk vermogensverlies van de tandwieloverbrenging van het transmissiesysteem [W].

3.1.1.13.

De koppelafhankelijke verliescoëfficiënt voor lagers

fT,bear = 1 – ηbear = 1 – 0,995 = 0,005

en de koppelafhankelijke verliescoëfficiënt voor de tandwieloverbrenging

image

worden bij elkaar opgeteld om de totale koppelafhankelijke verliescoëfficiënt fT van het transmissiesysteem te verkrijgen:

fT = fT,gearmesh + fT,bear

waarbij:

fT

=

totale koppelafhankelijke verliescoëfficiënt voor het transmissiesysteem [-];

fT,bear

=

koppelafhankelijke verliescoëfficiënt voor de lagers [-];

fT,gearmesh

=

koppelafhankelijke verliescoëfficiënt voor de tandwieloverbrenging [-];

Pin

=

vast ingangsvermogen van de transmissie; Pin = (1 Nm × 1 rad/s) [W].

3.1.1.14.

De koppelafhankelijke verliezen op de ingaande aandrijfas voor de specifieke overbrenging worden berekend met:

Tl,inT = fT * Tin

waarbij:

Tl,inT

=

koppelafhankelijk verlies op ingaande aandrijfas [Nm];

Tin

=

koppel op ingaande aandrijfas [Nm].

3.1.2.

De koppelonafhankelijke verliezen worden volgens onderstaande procedure gemeten.

3.1.2.1.   Algemene voorschriften

De voor de metingen gebruikte transmissie moet in overeenstemming zijn met de getekende specificaties van de in serie geproduceerde transmissies en moet nieuw zijn.

De transmissie mag worden aangepast om aan de testvoorschriften van deze bijlage te voldoen, bv. door meetsensoren aan te brengen of een extern olieconditioneringssysteem aan te sluiten.

De in dit punt vermelde toleranties betreffen de meetwaarden zonder onzekerheid van de sensor.

▼M1

De totale geteste tijd per transmissie-exemplaar en overbrenging mag niet meer dan 5 keer de feitelijke testtijd per overbrenging bedragen (maar een transmissie mag opnieuw worden getest als dat nodig is vanwege een meet- of opstellingsfout).

▼B

Hetzelfde transmissie-exemplaar mag voor maximaal tien verschillende tests worden gebruikt, bijvoorbeeld voor tests betreffende de koppelverliezen van de transmissie voor varianten met en zonder retarder (met verschillende temperatuurvoorschriften) of met verschillende soorten olie. Als hetzelfde transmissie-exemplaar voor tests met verschillende soorten olie wordt gebruikt, moet de test met de aanbevolen fabrieksvullingsolie als eerste worden uitgevoerd.

Het is niet toegestaan een bepaalde test verscheidene malen te verrichten en vervolgens de test met de laagste resultaten te kiezen.

Op verzoek van de goedkeuringsinstantie verstrekt de aanvrager van de certificering bijzonderheden om aan te tonen dat aan de voorschriften van deze bijlage wordt voldaan.

3.1.2.2.   Differentiële metingen

Om invloeden van de testopstelling (bv. lagers, koppelingen) van de gemeten koppelverliezen af te trekken, mogen differentiële metingen worden verricht om deze parasitaire koppelwaarden te bepalen. ►M3  De metingen worden verricht met dezelfde toerentalpunten en dezelfde temperatuur of temperaturen van de lagers van de testopstelling (± 3 K) als bij de eigenlijke test. ◄ De meetonzekerheid van de koppelsensor moet minder dan 0,3 Nm bedragen.

3.1.2.3.   Inlopen

Op verzoek van de aanvrager kan op de transmissie een inloopprocedure worden toegepast. Voor de inloopprocedure gelden de volgende bepalingen.

3.1.2.3.1.

De procedure duurt niet langer dan 30 uur per overbrenging en 100 uur in totaal.

3.1.2.3.2.

Het ingangskoppel is niet hoger dan 100 % van het maximale ingangskoppel.

3.1.2.3.3.

Het maximale ingangstoerental is niet hoger dan het gespecificeerde maximumtoerental voor de transmissie.

3.1.2.3.4.

De fabrikant specificeert het toerental- en koppelprofiel van de inloopprocedure.

3.1.2.3.5.

De fabrikant documenteert de looptijd, het toerental, het koppel en de olietemperatuur gedurende de inloopprocedure en verstrekt hierover een rapport aan de goedkeuringsinstantie.

3.1.2.3.6.

De voorschriften betreffende omgevingstemperatuur (punt 3.1.2.5.1), meetnauwkeurigheid (punt 3.1.4), testopstelling (punt 3.1.8) en montagehoek (punt 3.1.3.2) zijn niet van toepassing op de inloopprocedure.

3.1.2.4.   Voorconditionering

3.1.2.4.1.

De transmissie en de testapparatuur mogen voorafgaand aan de inloop- en testprocedures worden voorgeconditioneerd om deze op de vereiste temperaturen te brengen en de temperaturen te stabiliseren.

▼M3

3.1.2.4.2.

De voorconditionering wordt uitgevoerd zonder koppelbelasting op de niet-aangedreven as.

▼B

3.1.2.4.3.

Het maximale ingangstoerental is niet hoger dan het gespecificeerde maximumtoerental voor de transmissie.

3.1.2.4.4.

De maximale gecombineerde tijd van de voorconditionering mag voor één transmissie in totaal niet meer dan vijftig uur bedragen. Aangezien de volledige transmissietest in meerdere testreeksen kan worden verdeeld (bijvoorbeeld een afzonderlijke reeks per versnelling), kan de voorconditionering in verschillende reeksen worden gesplitst. Elke voorconditioneringsreeks mag niet langer dan ►M3  honderd ◄ minuten duren.

3.1.2.4.5.

De voorconditioneringstijd telt niet mee als tijd van de inloop- en testprocedures.

3.1.2.5.   Testomstandigheden

3.1.2.5.1.   Omgevingstemperatuur

De test wordt uitgevoerd bij een omgevingstemperatuur van 25 °C ± 10 K.

De omgevingstemperatuur wordt op een zijdelingse afstand van 1 m van de transmissie gemeten.

Het omgevingstemperatuurvoorschrift geldt niet voor de inloopprocedure.

3.1.2.5.2.   Olietemperatuur

Externe verwarming is, behalve voor de olie, niet toegestaan.

Tijdens de meting gelden (afgezien van de stabilisatie) de volgende temperatuurgrenzen:

Voor SMT-, AMT- en DCT-transmissies mag de olietemperatuur aan de aftapplug niet hoger zijn dan 83 °C bij meting zonder retarder of 87 °C als er een retarder op de transmissie is gemonteerd. Als metingen op een transmissie zonder retarder worden gecombineerd met afzonderlijke metingen op een retarder, geldt de lage temperatuurgrens om rekening te houden met het aandrijfmechanisme en de versnellingsverhouding van de retarder en, bij een ontkoppelbare retarder, met de koppeling.
Bij planetaire transmissies met koppelomvormer en bij transmissies met meer dan twee wrijvingskoppelingen mag de olietemperatuur aan de aftapplug niet hoger zijn dan 93 °C zonder retarder of 97 °C met retarder.

De hierboven vermelde hogere temperatuurgrenzen voor tests met retarder mogen alleen worden toegepast als de retarder in de transmissie is geïntegreerd of een in de transmissie geïntegreerd koel- of oliesysteem heeft.

Tijdens het inlopen gelden dezelfde olietemperatuurspecificaties als bij de eigenlijke test.

Uitzonderlijke olietemperatuurpieken tot 110 °C zijn toegestaan in de volgende omstandigheden:

1) 

tijdens de inloopprocedure tot maximaal 10 % van de gebruikte inlooptijd;

2) 

tijdens de stabilisatieperiode.

De olietemperatuur wordt gemeten aan de aftapplug of in het oliecarter.

3.1.2.5.3.   Oliekwaliteit

Bij de test wordt nieuwe, voor de eerste vulling aanbevolen olie voor de Europese markt gebruikt. Voor het inlopen en de koppelmeting mag dezelfde olie worden gebruikt.

3.1.2.5.4.   Olieviscositeit

Als voor de eerste vulling verschillende soorten olie worden aanbevolen, worden zij gelijkwaardig geacht als de kinematische viscositeit van die soorten bij dezelfde temperatuur minder dan 10 % van elkaar verschilt (binnen de vastgestelde bandbreedte voor KV100). Olie met een lagere viscositeit dan de in de test gebruikte olie wordt geacht te leiden tot lagere verliezen voor de tests die volgens deze optie worden verricht. Eventuele aanvullende olie voor eerste vulling moet hetzij binnen de bandbreedte van 10 % vallen, hetzij een lagere viscositeit hebben dan de olie in de test om onder hetzelfde certificaat te mogen vallen.

3.1.2.5.5.   Oliepeil en -conditionering

Het oliepeil moet aan de nominale specificaties voor de transmissie beantwoorden.

Als een extern olieconditioneringssysteem wordt gebruikt, wordt ervoor gezorgd dat er steeds een hoeveelheid olie in de transmissie aanwezig is die overeenkomt met het gespecificeerde oliepeil.

Om te garanderen dat het externe olieconditioneringssysteem de test niet beïnvloedt, wordt op één testpunt met in- en uitgeschakeld conditioneringssysteem gemeten. Het verschil tussen beide metingen van het koppelverlies (= ingangskoppel) moet minder dan 5 % bedragen. Het testpunt is als volgt gespecificeerd:

1) 

versnelling = hoogste indirecte versnelling;

▼M3

2) 

ingangstoerental = ten minste 60 % van het maximale ingangstoerental, ten hoogste 80 % van het maximale ingangstoerental;

▼B

3) 

temperaturen zoals aangegeven in punt 3.1.2.5.

Voor transmissies met hydraulische drukregeling of slimme smeersystemen wordt de meting van de koppelonafhankelijke verliezen bij twee verschillende instellingen verricht: eerst met de druk van het transmissiesysteem ingesteld op ten minste de minimale waarde voor omstandigheden met ingeschakelde versnelling en vervolgens met de hoogst mogelijke hydraulische druk (zie punt 3.1.6.3.1).

3.1.3.

Montage

▼M3

3.1.3.1.

De elektrische machine en de koppelsensor worden aan de ingangszijde van de transmissie gemonteerd. De uitgaande aandrijfassen roteren vrij. In het geval van een transmissie met een geïntegreerd differentieel, bijvoorbeeld voor voorwielaandrijving, moeten de uitgangszijden op roteerbare wijze met elkaar kunnen worden vergrendeld (bv. door een geactiveerde differentieelblokkering of een andere mechanische differentieelblokkering die alleen voor de meting wordt toegepast).

▼B

3.1.3.2.

De transmissie wordt gemonteerd onder dezelfde hellingshoek als bij de montage in het voertuig overeenkomstig de tekening van de goedkeuring ± 1° of onder een hoek van 0° ± 1°.

3.1.3.3.

De interne oliepomp is in de transmissie opgenomen.

3.1.3.4.

Indien voor de transmissie een oliekoeler mag of moet worden gebruikt, mag die bij de test worden weggelaten of mag een oliekoeler in de test worden gebruikt.

3.1.3.5.

De transmissietest mag met of zonder aandrijfmechanisme van een krachtafnemer en/of krachtafnemer worden uitgevoerd. Om de vermogensverliezen van krachtafnemers en/of het aandrijfmechanisme van een krachtafnemer te bepalen, worden de waarden in ►M3  bijlage IX ◄ bij deze verordening toegepast. Voor deze waarden wordt aangenomen dat de transmissie zonder aandrijfmechanisme van een krachtsafnemer en/of krachtafnemer wordt getest.

3.1.3.6.

De transmissiemeting mag met of zonder gemonteerde enkelvoudige droge koppeling (met een of twee platen) worden verricht. Koppelingen van een ander type moeten tijdens de test gemonteerd zijn.

3.1.3.7.

De afzonderlijke invloed van parasitaire belastingen wordt overeenkomstig punt 3.1.8 voor elke specifieke testopstelling en koppelsensor berekend.

3.1.4.

Meetapparatuur

De faciliteiten van het kalibratielaboratorium moeten voldoen aan de eisen van ►M3  IATF ◄  16949, ISO 9000-reeks of ISO/IEC 17025. Alle voor kalibraties en/of controles gebruikte referentiemeetapparatuur van het laboratorium moet herleidbaar zijn naar nationale (internationale) standaarden.

3.1.4.1.   Koppel

De meetonzekerheid van de koppelsensor moet minder dan 0,3 Nm bedragen.

Het gebruik van koppelsensoren met een hogere meetonzekerheid is toegestaan als het gedeelte van de onzekerheid boven de 0,3 Nm kan worden berekend en overeenkomstig punt 3.1.8 (Meetonzekerheid) bij het gemeten koppelverlies wordt opgeteld.

3.1.4.2.   Toerental

De onzekerheid van de toerentalsensoren mag niet meer dan ± min– 1 bedragen.

3.1.4.3.   Temperatuur

De onzekerheid van de temperatuursensoren voor de meting van de omgevingstemperatuur mag niet meer dan ± 1,5 K bedragen.

De onzekerheid van de temperatuursensoren voor de meting van de olietemperatuur mag niet meer dan ± 1,5 K bedragen.

3.1.4.4.   Druk

De onzekerheid van de druksensoren mag niet meer dan 1 % van de maximaal gemeten druk bedragen.

3.1.4.5.   Elektrische spanning

De onzekerheid van de voltmeter mag niet meer dan 1 % van de maximaal gemeten spanning bedragen.

3.1.4.6.   Elektrische stroom

De onzekerheid van de ampèremeter mag niet meer dan 1 % van de maximaal gemeten stroom bedragen.

3.1.5.

Meetsignalen en gegevensregistratie

Tijdens de meting worden ten minste de volgende signalen geregistreerd:

1) 

ingangskoppels [Nm];

2) 

ingangstoerentallen [ min– 1];

3) 

omgevingstemperatuur [°C];

4) 

olietemperatuur [°C].

Als de transmissie is uitgerust met een met hydraulische druk geregeld schakel- en/of koppelingssysteem of met een mechanisch aangedreven slim smeersysteem, wordt ook het volgende geregistreerd:

5) 

oliedruk [kPa].

Als de transmissie is uitgerust met voor de transmissie dienende elektrische hulpapparatuur, wordt ook het volgende geregistreerd:

6) 

elektrische spanning van voor de transmissie dienende elektrische hulpapparatuur [V];

7) 

elektrische stroom van voor de transmissie dienende elektrische hulpapparatuur [A].

Voor differentiële metingen ter compensatie van invloeden van de testopstelling wordt ook het volgende geregistreerd:

8) 

temperatuur van de lagers van de testopstelling [°C].

De bemonsterings- en registratiefrequentie moet ten minste 100 Hz bedragen.

Om de hoeveelheid meetfouten te verkleinen wordt een laagdoorlaatfilter gebruikt.

3.1.6.

Testprocedure

3.1.6.1.   Compensatie van nulkoppelsignaal

Het nulsignaal van de koppelsensor(en) wordt gemeten. De sensor(en) voor de meting moet(en) in de testopstelling worden geïnstalleerd. De aandrijflijn van de testopstelling moet (aan ingangs- en uitgangszijde) onbelast zijn. De gemeten koppelsignaalafwijking van nul wordt gecompenseerd.

▼M3

3.1.6.2.   Toerentalbereik

Het koppelverlies wordt gemeten voor de volgende toerentalpunten (toerental van de ingaande aandrijfas): 600, 900, 1 200 , 1 600 , 2 000 , 2 500 , 3 000 , 4 000  min–1 en veelvouden van 10 van deze waarden tot het maximumtoerental per versnelling volgens de specificaties van de transmissie of het laatste toerentalpunt vóór het vastgestelde maximumtoerental. Het is toegestaan aanvullende intermediaire toerentalpunten te meten.

De toerentalovergang (tijd tussen twee toerentalpunten) mag niet langer dan 20 seconden duren.

▼B

3.1.6.3.   Meetreeks

3.1.6.3.1. 

Als de transmissie voorzien is van slimme smeersystemen en/of voor de transmissie dienende elektrische hulpapparatuur, wordt de meting verricht met twee instellingen van deze systemen.

De eerste meetreeks (punten 3.1.6.3.2 tot en met 3.1.6.3.4) wordt uitgevoerd met het laagste vermogensverbruik dat de hydraulische en elektrische systemen kunnen hebben bij werking in het voertuig (laag verliesniveau).
De tweede meetreeks wordt uitgevoerd terwijl de systemen zijn ingesteld voor werking met het hoogst mogelijke vermogensverbruik dat zij kunnen hebben bij werking in het voertuig (hoog verliesniveau).
3.1.6.3.2. 

De metingen worden in oplopende volgorde van het laagste tot het hoogste toerental verricht.

3.1.6.3.3. 

►M3  Voor elk toerentalpunt is een stabilisatietijd van ten minste 5 seconden binnen de in punt 3.1.2.5 vermelde temperatuurgrenzen vereist. ◄ . Zo nodig kan de stabilisatietijd door de fabrikant worden verlengd tot maximaal 60 seconden. Tijdens de stabilisatie wordt de olie- en omgevingstemperatuur geregistreerd.

▼M3

3.1.6.3.4. 

Na de stabilisatietijd moet het koppelverlies constant blijven bij het werkelijk gemeten toerentalpunt in de tijd. Als dat het geval is, moeten de in punt 3.1.5 genoemde meetsignalen gedurende ten minste 5 seconden maar niet langer dan 15 seconden worden geregistreerd. Indien het koppelverlies bij het werkelijk gemeten toerentalpunt niet constant is in de tijd, bv. door een opzettelijke periodieke afwijking in de koppelverliezen veroorzaakt door actieve of passieve regelapparatuur, gebruikt de fabrikant de testtijd die nodig is om een reproduceerbaar en representatief resultaat te verkrijgen.

▼B

3.1.6.3.5. 

Bij elke meetinstelling worden twee metingen uitgevoerd.

3.1.7.

Validering van de meting

▼M3

3.1.7.1.

Het rekenkundige gemiddelde wordt berekend voor elk van de gemeten koppel- en toerentalwaarden, en eventuele waarden voor de elektrische spanning en stroom. De uit te voeren metingen duren ten minste 5 seconden, maar niet langer dan 15 seconden. Indien het koppelverlies bij het werkelijk gemeten toerentalpunt niet constant is in de tijd, bv. door een opzettelijke periodieke afwijking in de koppelverliezen veroorzaakt door actieve of passieve regelapparatuur, gebruikt de fabrikant de testtijd die nodig is om een reproduceerbaar en representatief resultaat te verkrijgen.

▼B

3.1.7.2.

Het gemiddelde toerental moet voor elk gemeten punt van de volledige koppelverliesreeks minder dan ± 5 min– 1 afwijken van het toerentalinstelpunt.

3.1.7.3.

De mechanische koppelverliezen en het eventuele verbruik van elektrisch vermogen worden voor elke meting als volgt berekend:

▼M3

Tloss = T1,in(nin, Tin,gear)

▼B

Pel = I * U

Invloeden van de testopstelling mogen van de koppelverliezen worden afgetrokken (zie punt 3.1.2.2).

3.1.7.4.

Van de mechanische koppelverliezen en het eventuele verbruik van elektrisch vermogen wordt het (rekenkundige) gemiddelde van beide reeksen genomen.

3.1.7.5.

De afwijking tussen de gemiddelde koppelverliezen van de twee meetpunten voor elke instelling moet minder dan ± 5 % van het gemiddelde bedragen, of als dat meer is minder dan ± 1 Nm. Vervolgens wordt het rekenkundige gemiddelde van de twee gemiddelde vermogenswaarden genomen.

3.1.7.6.

Als de afwijking groter is, wordt de grootste gemiddelde koppelverlieswaarde genomen of wordt de test voor de versnelling herhaald.

3.1.7.7.

De afwijkingen tussen de waarden van het gemiddelde verbruik van elektrisch vermogen (spanning × stroom) van de twee metingen voor elke meetinstelling moeten minder dan ± 10 % van het gemiddelde bedragen, of als dat meer is minder dan ± 5 W. Vervolgens wordt het rekenkundige gemiddelde van de twee gemiddelde vermogenswaarden genomen.

3.1.7.8.

Als de afwijking groter is, wordt de reeks van gemiddelde spannings- en stroomwaarden genomen die het hoogste gemiddelde verbruik van elektrisch vermogen oplevert, of wordt de test herhaald voor de versnelling.

3.1.8.

Meetonzekerheid

Het gedeelte van de berekende totale onzekerheid UT,loss boven de 0,3 Nm wordt voor het gerapporteerde koppelverlies Tloss,rep bij Tloss opgeteld. Als UT,loss minder dan 0,3 Nm bedraagt, geldt: Tloss,rep  = Tloss .

Tloss,rep = Tloss + MAX (0, (UT,loss – 0,3 Nm))

De totale onzekerheid UT,loss van het koppelverlies wordt op basis van de volgende parameters berekend:

1) 

temperatuurinvloed;

2) 

parasitaire belastingen;

3) 

kalibratiefout (incl. tolerantie van de gevoeligheid, lineariteit, hysterese en herhaalbaarheid).

De totale onzekerheid van het koppelverlies (UT,loss ) wordt gebaseerd op de onzekerheden van de sensoren met een betrouwbaarheid van 95 %. Bij de berekening wordt de vierkantswortel van de som van de kwadraten genomen („foutvoortplantingswet van Gauss”):

image

image

image

image

image

wpara = senspara * ipara

waarbij:

Tloss

=

gemeten koppelverlies (ongecorrigeerd) [Nm];

Tloss,rep

=

gerapporteerd koppelverlies (na correctie voor onzekerheid) [Nm];

UT,loss

=

totale uitgebreide onzekerheid van de koppelverliesmeting met een betrouwbaarheid van 95 % [Nm];

UT,in

=

onzekerheid van de meting van het ingangskoppelverlies [Nm];

uTKC

=

onzekerheid door temperatuurinvloed op koppelsignaal [Nm];

wtkc

=

temperatuurinvloed op koppelsignaal per Kref, opgegeven door sensorfabrikant [%];

uTK0

=

onzekerheid door temperatuurinvloed op nulkoppelsignaal (ten opzichte van nominaal koppel) [Nm];

wtk0

=

temperatuurinvloed op nulkoppelsignaal per Kref (ten opzichte van nominaal koppel), opgegeven door sensorfabrikant [%];

Kref

=

referentietemperatuurinterval voor uTKC en uTK0, wtk0 en wtkc, opgegeven door sensorfabrikant [K];

ΔK

=

verschil tussen sensortemperatuur bij kalibratie en bij meting [K]. Als de sensortemperatuur niet kan worden gemeten, wordt een standaardwaarde van ΔK = 15 K gebruikt;

Tc

=

gemeten koppelwaarde bij koppelsensor [Nm];

Tn

=

nominale koppelwaarde van koppelsensor [Nm];

ucal

=

onzekerheid door koppelsensorkalibratie [Nm];

Wcal

=

relatieve kalibratieonzekerheid (ten opzichte van nominaal koppel) [%];

kcal

=

kalibratieverbeteringsfactor (indien opgegeven door sensorfabrikant, anders = 1);

upara

=

onzekerheid door parasitaire belastingen [Nm];

wpara

=

senspara × ipara

relatieve invloed van krachten en buigende koppels als gevolg van foutieve uitlijning;

senspara

=

maximuminvloed van parasitaire belastingen voor specifieke koppelsensor, opgegeven door sensorfabrikant [%]; indien de sensorfabrikant geen specifieke waarde voor parasitaire belastingen heeft opgegeven, bedraagt deze waarde 1,0 %;

ipara

=

maximuminvloed van parasitaire belastingen voor specifieke koppelsensor, afhankelijk van de testopstelling (A/B/C, zoals hieronder aangegeven);

=

A) 10 % als lagers de parasitaire krachten vóór en achter de sensor isoleren en er een flexibele verbinding (of cardanas) functioneel in de nabijheid van de sensor is gemonteerd (ervoor of erachter); de lagers kunnen ook in een aandrijvende of remmende machine (bv. een elektrische machine) en/of de transmissie geïntegreerd zijn, mits de krachten in de machine en/of transmissie van de sensor geïsoleerd worden. Zie figuur 1.
Figuur 1
▼M3
Voorbeeld van testopstelling A voor optie 1
▼B image

=

B) 50 % als lagers de parasitaire krachten vóór en achter de sensor isoleren en er geen flexibele verbinding functioneel in de nabijheid van de sensor is gemonteerd; de lagers kunnen ook in een aandrijvende of remmende machine (bv. een elektrische machine) en/of de transmissie geïntegreerd zijn, mits de krachten in de machine en/of transmissie van de sensor geïsoleerd worden. Zie figuur 2.
Figuur 2
▼M3
Voorbeeld van testopstelling B voor optie 1
▼B image

=

C) 100 % voor andere opstellingen.

▼M3

Een testopstelling voor een transmissie met geïntegreerd differentieel voor voorwielaandrijving bestaat uit een dynamometer aan de ingangszijde van de transmissie en ten minste één dynamometer aan de uitgangszijde(n) van de transmissie. Aan de ingangszijde en aan de uitgangszijde(n) van de transmissie wordt koppelmeetapparatuur gemonteerd. Bij testopstellingen met slechts één dynamometer aan de uitgangszijde moet het vrij roterende uiteinde van de transmissie met geïntegreerd differentieel op roteerbare wijze worden vergrendeld aan het andere uiteinde aan de uitgangszijde (bv. door een geactiveerde differentieelblokkering of door een andere mechanische differentieelblokkering die alleen voor de meting wordt toegepast).

De graadverdeling van de factor ipara voor de maximuminvloed van parasitaire belastingen voor specifieke koppelsensor is gelijk aan de hierboven beschreven gevallen (A/B/C).

Figuur 2A
Voorbeeld van testopstelling A voor optie 1 voor een transmissie met geïntegreerd differentieel (bv. voor voorwielaandrijving) image
Figuur 2B
Voorbeeld van testopstelling B voor optie 1 voor een transmissie met geïntegreerd differentieel (bv. voor voorwielaandrijving)
image
De fabrikant mag de testopstellingen A en B aanpassen op basis van een degelijke technische beoordeling en in overleg met de goedkeuringsinstantie, bv. om praktische redenen in verband met de testopstelling. In het geval van een dergelijke afwijking moeten de reden en de alternatieve opstelling duidelijk in het testrapport worden vermeld.
De test mag worden uitgevoerd zonder een afzonderlijke lagereenheid in de testopstelling aan de ingangs-/uitgangszijde van de transmissie indien de transmissieas waarop het koppel wordt gemeten, wordt ondersteund door twee lagers in de transmissiebehuizing die in staat zijn de door het tandwielmechanisme veroorzaakte radiale en axiale krachten op te vangen.
Figuur 2C
Voorbeelden waarbij de krachten in de transmissie geïsoleerd en niet geïsoleerd zijn van de ingangszijde:
image

▼B

3.2.

Optie 2: meting van de koppelonafhankelijke verliezen, meting van de koppelverliezen bij het maximumkoppel en interpolatie van de koppelafhankelijke verliezen volgens een lineair model

Bij optie 2 wordt het koppelverlies bepaald met een combinatie van metingen en lineaire interpolatie. Er worden metingen verricht voor de koppelonafhankelijke verliezen van de transmissie en voor één belastingspunt van de koppelafhankelijke verliezen (maximaal ingangskoppel). Op basis van de koppelverliezen in onbelaste toestand en bij maximaal ingangskoppel worden de koppelverliezen voor de tussenliggende ingangskoppelwaarden met koppelverliescoëfficiënt fTlimo berekend.

Koppelverlies Tl,in op de ingaande aandrijfas van de transmissie wordt berekend met:

▼M3

T l,in (n in ,T in ,gear) = T l,in,min_loss + f Tlino × T in + T l,in,min_el + f el_corr × T in + f loss tcc × T in

▼B

De op het lineaire model gebaseerde koppelverliescoëfficiënt fTlimo wordt berekend met:

image

waarbij:

Tl,in

=

koppelverlies op ingaande aandrijfas [Nm];

Tl,in,min_loss

=

weerstandskoppelverlies aan transmissie-ingang, gemeten met vrij roterende uitgaande aandrijfas bij test in onbelaste toestand [Nm];

nin

=

toerental van ingaande aandrijfas [min– 1];

fTlimo

=

op lineair model gebaseerde koppelverliescoëfficiënt [-];

Tin

=

koppel op ingaande aandrijfas [Nm];

Tin,maxT

=

getest maximumkoppel op ingaande aandrijfas (gewoonlijk 100 % ingangskoppel, zie punten 3.2.5.2 en 3.4.4) [Nm];

Tl,maxT

=

koppelverlies op ingaande aandrijfas met Tin = Tin,maxT;

fel_corr

=

verliescorrectie voor elektrisch vermogensverliesniveau afhankelijk van ingangskoppel [-];

Tl,in,el

=

aanvullend koppelverlies op ingaande aandrijfas door verbruikers elektrisch vermogen [Nm];

Tl,in,min_el

=

aanvullend koppelverlies op ingaande aandrijfas door verbruikers elektrisch vermogen bij minimaal elektrisch vermogen [Nm].

▼M3

De correctiefactor voor de koppelafhankelijke elektrische koppelverliezen fel_corr , het koppelverlies op de ingaande aandrijfas van de transmissie als gevolg van het energieverbruik van de voor de transmissie dienende elektrische hulpapparatuur Tl,in,el en de verliescorrectiefactor floss_tcc voor slippende overbruggingskoppeling van de koppelomvormer zoals gedefinieerd in punt 2, 16), of slippende koppeling aan ingangszijde zoals gedefinieerd in punt 2, 20), worden berekend zoals beschreven in punt 3.1.

▼B

3.2.1.

De koppelverliezen worden volgens onderstaande procedure gemeten.

3.2.1.1.   Algemene voorschriften

Zoals voor optie 1 vermeld in punt 3.1.2.1.

3.2.1.2.   Differentiële metingen

Zoals voor optie 1 vermeld in punt 3.1.2.2.

3.2.1.3.   Inlopen

Zoals voor optie 1 vermeld in punt 3.1.2.3.

3.2.1.4.   Voorconditionering

Zoals voor optie 3 vermeld in punt 3.3.2.1.

3.2.1.5.   Testomstandigheden

3.2.1.5.1.   Omgevingstemperatuur

Zoals voor optie 1 vermeld in punt 3.1.2.5.1.

3.2.1.5.2.   Olietemperatuur

Zoals voor optie 1 vermeld in punt 3.1.2.5.2.

3.2.1.5.3.   Oliekwaliteit en -viscositeit

Zoals voor optie 1 vermeld in de punten 3.1.2.5.3 en 3.1.2.5.4.

3.2.1.5.4.   Oliepeil en -conditionering

Zoals voor optie 3 vermeld in punt 3.3.3.4.

3.2.2.

Montage

Zoals voor optie 1 vermeld in punt 3.1.3 voor de meting van koppelonafhankelijke verliezen.

Zoals voor optie 3 vermeld in punt 3.3.4 voor de meting van koppelafhankelijke verliezen.

3.2.3.

Meetapparatuur

Zoals voor optie 1 vermeld in punt 3.1.4 voor de meting van koppelonafhankelijke verliezen.

Zoals voor optie 3 vermeld in punt 3.3.5 voor de meting van koppelafhankelijke verliezen.

3.2.4.

Meetsignalen en gegevensregistratie

Zoals voor optie 1 vermeld in punt 3.1.5 voor de meting van koppelonafhankelijke verliezen.

Zoals voor optie 3 vermeld in punt 3.3.7 voor de meting van koppelafhankelijke verliezen.

3.2.5.

Testprocedure

Het in de simulatietool te gebruiken koppelverliesdiagram bevat de koppelverlieswaarden van een transmissie die afhangen van het ingangstoerental en het ingangskoppel.

Om het koppelverliesdiagram voor een transmissie te bepalen worden de basisgegevens voor het koppelverliesdiagram overeenkomstig dit punt gemeten en berekend. De koppelverliesresultaten worden overeenkomstig punt 3.4 aangevuld en overeenkomstig aanhangsel 12 geformatteerd met het oog op verdere verwerking door de simulatietool.

3.2.5.1.

De koppelonafhankelijke verliezen worden alleen voor de instelling met laag verliesniveau van de elektrische en hydraulische verbruikers bepaald volgens de procedure die in punt 3.1.1 voor optie 1 is beschreven.

3.2.5.2.

Bepaal de koppelafhankelijke verliezen voor elke versnelling volgens de procedure die in punt 3.3.6 voor optie 3 is beschreven, maar met een ander toepasselijk koppelbereik:

koppelbereik:

de koppelverliezen voor elke versnelling worden gemeten bij 100 % van het maximale ingangskoppel van de transmissie per versnelling.

Als het uitgangskoppel hoger is dan 10 kNm (voor een theoretische verliesvrije transmissie) of als het ingangsvermogen hoger is dan het gespecificeerde maximale ingangsvermogen, is punt 3.4.4 van toepassing.

3.2.6.

Validering van de meting

Zoals voor optie 3 vermeld in punt 3.3.8.

3.2.7.

Meetonzekerheid

Zoals voor optie 1 vermeld in punt 3.1.8 voor de meting van koppelonafhankelijke verliezen.

Zoals voor optie 3 vermeld in punt 3.3.9 voor de meting van koppelafhankelijk verlies.

3.3.

Optie 3: meting van het totale koppelverlies.

Bij optie 3 wordt het koppelverlies bepaald door volledige meting van de koppelafhankelijke verliezen, met inbegrip van de koppelonafhankelijke verliezen van de transmissie.

3.3.1.   Algemene voorschriften

Zoals voor optie 1 vermeld in punt 3.1.2.1.

3.3.1.1.   Differentiële metingen

Zoals voor optie 1 vermeld in punt 3.1.2.2.

3.3.2.   Inlopen

Zoals voor optie 1 vermeld in punt 3.1.2.3.

3.3.2.1.   Voorconditionering

Zoals voor optie 1 vermeld in punt 3.1.2.4, met uitzondering van het volgende:

de voorconditionering wordt uitgevoerd in de versnelling met directe aandrijving, zonder koppelbelasting op de uitgaande aandrijfas of met de doelkoppelwaarde op de uitgaande aandrijfas ingesteld op nul. Als de transmissie geen versnelling met directe aandrijving heeft, wordt de versnelling gebruikt waarvan de verhouding het dichtst bij 1:1 ligt;
of
de in punt 3.1.2.4 vermelde voorschriften zijn van toepassing, met uitzondering van het volgende:
de voorconditionering wordt uitgevoerd in de versnelling met directe aandrijving, zonder koppelbelasting op de uitgaande aandrijfas of met een koppel op de uitgaande aandrijfas binnen +/– 50 Nm. Als de transmissie geen versnelling met directe aandrijving heeft, wordt de versnelling gebruikt waarvan de verhouding het dichtst bij 1:1 ligt;
of, als de testopstelling een (hoofdwrijvings)koppeling op de ingaande aandrijfas omvat:
de in punt 3.1.2.4 vermelde voorschriften zijn van toepassing, met uitzondering van het volgende:
de voorconditionering wordt uitgevoerd in de versnelling met directe aandrijving, zonder koppelbelasting op de uitgaande aandrijfas of zonder koppelbelasting op de ingaande aandrijfas. Als de transmissie geen versnelling met directe aandrijving heeft, wordt de versnelling gebruikt waarvan de verhouding het dichtst bij 1:1 ligt;
De transmissie wordt dan vanaf de uitgangszijde aangedreven. Deze voorstellen kunnen ook worden gecombineerd.

3.3.3.   Testomstandigheden

3.3.3.1.   Omgevingstemperatuur

Zoals voor optie 1 vermeld in punt 3.1.2.5.1.

3.3.3.2.   Olietemperatuur

Zoals voor optie 1 vermeld in punt 3.1.2.5.2.

3.3.3.3.   Oliekwaliteit en -viscositeit

Zoals voor optie 1 vermeld in de punten 3.1.2.5.3 en 3.1.2.5.4.

3.3.3.4.   Oliepeil en -conditionering

De in punt 3.1.2.5.5 vermelde voorschriften zijn van toepassing, met de volgende afwijking:

het testpunt voor het externe olieconditioneringssysteem is als volg gespecificeerd:

1) 

hoogste indirecte versnelling;

▼M3

2) 

ingangstoerental = ten minste 60 %, ten hoogste 80 % van het maximale ingangstoerental;

▼B

3) 

ingangskoppel = maximaal ingangskoppel voor de hoogste indirecte versnelling.

3.3.4.   Montage

De testopstelling wordt aangedreven door elektrische machines (aan ingangs- en uitgangszijde).

▼M3

Aan de ingangs- en uitgangszijde(n) van de transmissie worden koppelsensoren gemonteerd.

▼B

Voor het overige zijn de voorschriften van punt 3.1.3 van toepassing.

3.3.5.   Meetapparatuur

Voor de meting van de koppelonafhankelijke verliezen gelden de in punt 3.1.4 voor optie 1 vermelde meetapparatuurvoorschriften.

Voor de meting van de koppelafhankelijke verliezen gelden de volgende voorschriften.

De meetonzekerheid van de koppelsensor moet minder dan 5 % van het gemeten koppelverlies bedragen, of als dat meer is minder dan 1 Nm.

Het gebruik van koppelsensoren met een hogere meetonzekerheid is toegestaan als de gedeelten van de onzekerheid boven de 5 % of 1 Nm kunnen worden berekend en het kleinste van deze gedeelten wordt opgeteld bij het gemeten koppelverlies.

De meetonzekerheid voor het koppel wordt overeenkomstig punt 3.3.9 berekend en toegepast.

Voor het overige gelden de in punt 3.1.4 voor optie 1 vermelde meetapparatuurvoorschriften.

3.3.6.   Testprocedure

3.3.6.1.   Compensatie van nulkoppelsignaal

Overeenkomstig punt 3.1.6.1.

▼M3

3.3.6.2.   Toerentalbereik

Het koppelverlies wordt gemeten voor de volgende toerentalpunten (toerental van de ingaande aandrijfas): 600, 900, 1 200 , 1 600 , 2 000 , 2 500 , 3 000 , 4 000  min –1 en veelvouden van 10 van deze waarden tot het maximumtoerental per versnelling volgens de specificaties van de transmissie of het laatste toerentalpunt vóór het vastgestelde maximumtoerental. Het is toegestaan aanvullende intermediaire toerentalpunten te meten.

De toerentalovergang (tijd tussen twee toerentalpunten) mag niet langer dan 20 seconden duren.

3.3.6.3.   Koppelbereik

Voor elk toerentalpunt wordt het koppelverlies gemeten bij de volgende ingangskoppels: 0 (vrij roterende uitgaande aandrijfas), 200, 400, 600, 900, 1 200 , 1 600 , 2 000 , 2 500 , 3 000 , 3 500 , 4 000 , […] Nm tot het maximale ingangskoppel per versnelling volgens de specificaties van de transmissie of het laatste koppelpunt vóór het vastgestelde maximumkoppel en/of het laatste koppelpunt vóór het uitgangskoppel van 10 kNm. Het is toegestaan aanvullende intermediaire koppelpunten te meten. Indien het koppelbereik te klein is, zijn aanvullende koppelpunten vereist, zodat ten minste 5 koppelpunten op gelijke afstand worden gemeten. De intermediaire koppelpunten mogen worden gecorrigeerd naar het dichtstbijzijnde veelvoud van 50 Nm.

Als het uitgangskoppel hoger is dan 10 kNm (voor een theoretische verliesvrije transmissie) of als het ingangsvermogen hoger is dan het gespecificeerde maximale ingangsvermogen, is punt 3.4.4 van toepassing.

De koppelovergang (tijd tussen twee koppelpunten) mag niet langer dan 15 seconden duren (180 seconden voor optie 2).

Aan de in- en uitgangszijde mogen verschillende koppelsensoren met een beperkt meetbereik worden gebruikt om het volledige koppelbereik van een transmissie in het hiervoor beschreven diagram te bestrijken. Daarom mag de meting worden verdeeld in segmenten waarbinnen dezelfde set koppelsensoren wordt gebruikt. Het algehele koppelverliesdiagram wordt uit deze meetsegmenten samengesteld.

▼B

3.3.6.4.   Meetreeks

3.3.6.4.1.

De metingen worden in oplopende volgorde van het laagste tot het hoogste toerental verricht.

▼M3

3.3.6.4.2.

Het ingangskoppel wordt met de hierboven aangegeven koppelpunten veranderd van het laagste tot het hoogste koppel dat door de koppelsensoren voor elk toerentalpunt wordt bestreken.

▼B

3.3.6.4.3.

►M3  Voor elk toerental- en koppelpunt is een stabilisatietijd van ten minste 5 seconden binnen de in punt 3.3.3 vermelde temperatuurgrenzen vereist. ◄ Zo nodig kan de stabilisatietijd door de fabrikant worden verlengd tot maximaal 60 seconden (maximaal 180 seconden voor optie 2). Tijdens de stabilisatie wordt de olie- en omgevingstemperatuur geregistreerd.

▼M3

3.3.6.4.3.1.

Na de stabilisatietijd moet het koppelverlies constant blijven bij het werkelijk gemeten toerentalpunt in de tijd. Als dat het geval is, moeten de in punt 3.3.7 genoemde meetsignalen gedurende ten minste 5 seconden maar niet langer dan 15 seconden worden geregistreerd. Indien het koppelverlies bij het werkelijk gemeten toerentalpunt niet constant is in de tijd, bv. door een opzettelijke periodieke afwijking in de koppelverliezen veroorzaakt door actieve of passieve regelapparatuur, gebruikt de fabrikant de testtijd die nodig is om een reproduceerbaar en representatief resultaat te verkrijgen.

▼B

3.3.6.4.4.

De meetreeks wordt in totaal twee keer uitgevoerd. De herhaling van de metingen voor de segmenten waarvoor dezelfde set koppelsensoren wordt gebruikt, mag opeenvolgend plaatsvinden.

3.3.7.   Meetsignalen en gegevensregistratie

Tijdens de meting worden ten minste de volgende signalen geregistreerd:

1) 

in- en uitgangskoppels [Nm];

2) 

in- en uitgangstoerentallen [ min– 1];

3) 

omgevingstemperatuur [°C];

4) 

olietemperatuur [°C].

Als de transmissie is uitgerust met een met hydraulische druk geregeld schakel- en/of koppelingssysteem of met een mechanisch aangedreven slim smeersysteem, wordt ook het volgende geregistreerd:

5) 

oliedruk [kPa].

Als de transmissie is uitgerust met voor de transmissie dienende elektrische hulpapparatuur, wordt ook het volgende geregistreerd:

6) 

elektrische spanning van voor de transmissie dienende elektrische hulpapparatuur [V];

7) 

elektrische stroom van voor de transmissie dienende elektrische hulpapparatuur [A].

Voor differentiële metingen ter compensatie van invloeden van de testopstelling wordt ook het volgende geregistreerd:

8) 

temperatuur van de lagers van de testopstelling [°C].

De bemonsterings- en registratiefrequentie moet ten minste 100 Hz bedragen.

Om meetfouten te voorkomen, wordt een laagdoorlaatfilter gebruikt.

3.3.8.   Validering van de meting

▼M3

3.3.8.1.

Voor elke van de twee metingen die ten minste 5 seconden maar niet langer dan 15 seconden duren, wordt het rekenkundige gemiddelde van de koppel- en toerentalwaarden, en eventuele waarden voor de elektrische spanning en stroom, berekend. Indien het koppelverlies bij het werkelijk gemeten toerentalpunt niet constant is in de tijd, bv. door een opzettelijke periodieke afwijking in de koppelverliezen veroorzaakt door actieve of passieve regelapparatuur, gebruikt de fabrikant de testtijd die nodig is om een reproduceerbaar en representatief resultaat te verkrijgen.

▼B

3.3.8.2.

►M1  Op de ingaande aandrijfas moet het gemiddelde gemeten koppel voor elk gemeten bedrijfspunt van de volledige koppelverliesreeks minder dan ± 5 Nm of, als dat meer is ±  ►M3  1,0 % ◄ , afwijken van het koppelinstelpunt. ◄ Op de ingaande aandrijfas moet het gemiddelde gemeten koppel voor elk gemeten bedrijfspunt van de volledige koppelverliesreeks minder dan ± 5 Nm of, als dat meer is ± 5 %, afwijken van het koppelinstelpunt.

▼M3

3.3.8.3.

De mechanische koppelverliezen en het eventuele verbruik van elektrisch vermogen worden voor elke meting als volgt berekend:

image

In het geval van een transmissie met geïntegreerd differentieel en een dynamometer op elke uitgaande aandrijfas wordt het totale mechanische koppelverlies (Tloss) berekend door:

image

De correctiefactor voor de verliescorrectie floss_tcc voor slippende overbruggingskoppeling van de koppelomvormer of slippende koppeling aan ingangszijde, overeenkomstig de definities 16) en 20), wordt berekend zoals beschreven in punt 3.1.

Invloeden van de testopstelling mogen van de koppelverliezen worden afgetrokken (overeenkomstig punt 3.1.2.2).

▼B

3.3.8.4.

Van de mechanische koppelverliezen en het eventuele verbruik van elektrisch vermogen wordt het (rekenkundige) gemiddelde van beide reeksen genomen.

3.3.8.5.

De afwijking tussen de gemiddelde koppelverliezen van de twee meetreeksen moet minder dan ± 5 % van het gemiddelde bedragen, of als dat meer is minder dan ± 1 Nm. Van de twee gemiddelde koppelverlieswaarden wordt het rekenkundige gemiddelde genomen. Als de afwijking groter is, wordt de grootste gemiddelde koppelverlieswaarde genomen of wordt de test herhaald voor de versnelling.

3.3.8.6.

De afwijkingen tussen de waarden van het gemiddelde verbruik van elektrisch vermogen (spanning × stroom) van de twee meetreeksen moeten minder dan ± 10 % van het gemiddelde bedragen, of als dat meer is minder dan ± 5 W. Vervolgens wordt het rekenkundige gemiddelde van de twee gemiddelde vermogenswaarden genomen.

3.3.8.7.

Als de afwijking groter is, wordt de reeks van gemiddelde spannings- en stroomwaarden genomen die het hoogste gemiddelde verbruik van elektrisch vermogen oplevert, of wordt de test herhaald voor de versnelling.

3.3.9.   Meetonzekerheid

Van de gedeelten van de berekende totale onzekerheid UT,loss boven de 5 % van Tloss en 1 Nm (ΔUT,loss ) wordt de ΔUT,loss met de laagste waarde voor het gerapporteerde koppelverlies Tloss,rep bij Tloss opgeteld. Als UT,loss kleiner is dan 5 % van Tloss of 1 Nm, geldt: Tloss,rep  = Tloss .

Tloss,rep = Tloss + MAX (0, ΔUT,loss)

ΔUT,loss = MIN ((UT,loss - 5 % × Tloss), (UT,loss – 1 Nm))

Voor elke meetreeks wordt de totale onzekerheid UT,loss van het koppelverlies op basis van de volgende parameters berekend:

1) 

temperatuurinvloed;

2) 

parasitaire belastingen;

3) 

kalibratiefout (incl. tolerantie van de gevoeligheid, lineariteit, hysterese en herhaalbaarheid).

De totale onzekerheid van het koppelverlies (UT,loss ) wordt gebaseerd op de onzekerheden van de sensoren met een betrouwbaarheid van 95 %. Bij de berekening wordt de vierkantswortel van de som van de kwadraten genomen („foutvoortplantingswet van Gauss”):

image

image

image

image

image

image

wpara = senspara * ipara

waarbij:

Tloss

=

gemeten koppelverlies (ongecorrigeerd) [Nm];

Tloss,rep

=

gerapporteerd koppelverlies (na correctie voor onzekerheid) [Nm];

UT,loss

=

totale uitgebreide onzekerheid van de koppelverliesmeting met een betrouwbaarheid van 95 % [Nm];

uT,in/out

=

onzekerheid van de meting van het in- of uitgangskoppelverlies, afzonderlijk voor in- en uitgangskoppelsensor [Nm];

igear

=

overbrengingsverhouding [-];

uTKC

=

onzekerheid door temperatuurinvloed op koppelsignaal [Nm];

wtkc

=

temperatuurinvloed op koppelsignaal per Kref, opgegeven door sensorfabrikant [%];

uTK0

=

onzekerheid door temperatuurinvloed op nulkoppelsignaal (ten opzichte van nominaal koppel) [Nm];

wtk0

=

temperatuurinvloed op nulkoppelsignaal per Kref (ten opzichte van nominaal koppel), opgegeven door sensorfabrikant [%];

Kref

=

referentietemperatuurinterval voor uTKC en uTK0, wtk0 en wtkc, opgegeven door sensorfabrikant [K];

ΔK

=

verschil tussen sensortemperatuur bij kalibratie en bij meting [K]. Als de sensortemperatuur niet kan worden gemeten, wordt een standaardwaarde van ΔK = 15 K gebruikt;

Tc

=

gemeten koppelwaarde bij koppelsensor [Nm];

Tn

=

nominale koppelwaarde van koppelsensor [Nm];

ucal

=

onzekerheid door koppelsensorkalibratie [Nm];

Wcal

=

relatieve kalibratieonzekerheid (ten opzichte van nominaal koppel) [%];

kcal

=

kalibratieverbeteringsfactor (indien opgegeven door sensorfabrikant, anders = 1);

upara

=

onzekerheid door parasitaire belastingen [Nm];

wpara

=

senspara × ipara

relatieve invloed van krachten en buigende koppels als gevolg van foutieve uitlijning [%];

senspara

=

maximuminvloed van parasitaire belastingen voor specifieke koppelsensor, opgegeven door sensorfabrikant [%]; indien de sensorfabrikant geen specifieke waarde voor parasitaire belastingen heeft opgegeven, bedraagt deze waarde 1,0 %;

ipara

=

maximuminvloed van parasitaire belastingen voor specifieke koppelsensor, afhankelijk van de testopstelling (A/B/C, zoals hieronder aangegeven);

=

A) 10 % als lagers de parasitaire krachten vóór en achter de sensor isoleren en er een flexibele verbinding (of cardanas) functioneel in de nabijheid van de sensor is gemonteerd (ervoor of erachter); de lagers kunnen ook in een aandrijvende of remmende machine (bv. een elektrische machine) en/of de transmissie geïntegreerd zijn, mits de krachten in de machine en/of aandrijving van de sensor geïsoleerd worden. Zie figuur 3.
Figuur 3
▼M3
Voorbeeld van testopstelling A voor optie 3
▼B image

=

B) 50 % als lagers de parasitaire krachten vóór en achter de sensor isoleren en er geen flexibele verbinding functioneel in de nabijheid van de sensor is gemonteerd; de lagers kunnen ook in een aandrijvende of remmende machine (bv. een elektrische machine) en/of de transmissie geïntegreerd zijn, mits de krachten in de machine en/of aandrijving van de sensor geïsoleerd worden. Zie figuur 4.
Figuur 4
▼M3
Voorbeeld van testopstelling B voor optie 3
▼B image

=

C) 100 % voor andere opstellingen.

▼M3

Een testopstelling voor de transmissie met geïntegreerd differentieel voor voorwielaandrijving bestaat uit een dynamometer aan de ingangszijde van de transmissie en ten minste één dynamometer aan de uitgangszijde(n) van de transmissie. Aan de ingangszijde en aan de uitgangzijde(n) van de transmissie wordt koppelmeetapparatuur gemonteerd. Bij testopstellingen met slechts één dynamometer aan de uitgangszijde moet het vrij roterende uiteinde van de transmissie met geïntegreerd differentieel op roteerbare wijze worden vergrendeld aan het andere uiteinde aan de uitgangszijde (bv. door een geactiveerde differentieelblokkering of door een andere mechanische differentieelblokkering die alleen voor de meting wordt toegepast).

De graadverdeling van de factor ipara voor de maximuminvloed van parasitaire belastingen voor de specifieke koppelsensoren is gelijk aan de hierboven beschreven gevallen (A/B/C).

Figuur 5

Voorbeeld van testopstelling A voor een transmissie met geïntegreerd differentieel (bv. voor voorwielaandrijving)

image

Figuur 6

Voorbeeld van testopstelling B voor een transmissie met geïntegreerd differentieel (bv. voor voorwielaandrijving)

image

In het geval van een dynamometer op elke uitgaande aandrijfas wordt de totale onzekerheid van het koppelverlies (UT,loss ) berekend met:

image

De fabrikant mag de testopstellingen A en B aanpassen op basis van een degelijke technische beoordeling en in overleg met de goedkeuringsinstantie, bv. om praktische redenen in verband met de testopstelling. In het geval van een dergelijke afwijking moeten de reden en de alternatieve opstelling duidelijk in het testrapport worden vermeld.

De test mag worden uitgevoerd zonder een afzonderlijke lagereenheid in de testopstelling aan de ingangs-/uitgangszijde van de transmissie indien de transmissieas waarop het koppel wordt gemeten, wordt ondersteund door twee lagers in de transmissiebehuizing die in staat zijn de door het tandwielmechanisme veroorzaakte radiale en axiale krachten op te vangen (zie figuur 2C in 3.1.8).

▼B

3.4.

Aanvulling van inputbestanden voor de simulatietool

►M3  Voor elke versnelling moet volgens een van de beschreven testopties of met behulp van standaardkoppelverlieswaarden een koppelverliesdiagram worden bepaald voor de vermelde ingangstoerental- en ingangskoppelpunten. ◄ Voor het inputbestand voor de simulatietool wordt dit basisdiagram van het koppelverlies als volgt aangevuld.

3.4.1.

►M3  Als het hoogste geteste ingangstoerental het laatste toerentalpunt vóór het vastgestelde maximaal toelaatbare transmissietoerental was, wordt het koppelverlies door middel van lineaire regressie aan de hand van de laatste twee gemeten toerentalpunten geëxtrapoleerd naar het maximumtoerental. ◄

3.4.2.

►M3  Als het hoogste geteste ingangskoppel het laatste koppelpunt vóór het vastgestelde maximaal toelaatbare transmissiekoppel was, wordt het koppelverlies door middel van lineaire regressie aan de hand van de laatste twee gemeten koppelpunten voor het overeenkomstige toerentalpunt geëxtrapoleerd naar het maximumkoppel. ◄ In verband met de toleranties van het motorkoppel enz. zal de simulatietool zo nodig een extrapolatie van het koppelverlies toepassen voor ingangskoppels tot 10 % boven dat vastgestelde maximaal toelaatbare transmissiekoppel.

3.4.3.

Als de koppelverlieswaarden tegelijkertijd voor zowel het maximale ingangstoerental als het maximale ingangskoppel worden geëxtrapoleerd, wordt het koppelverlies voor het gecombineerde punt van het hoogste toerental en het hoogste koppel door middel van tweedimensionale lineaire extrapolatie berekend.

3.4.4.

Als het maximale uitgangskoppel hoger is dan 10 kNm (voor een theoretische verliesvrije transmissie) en/of voor alle toerental- en koppelpunten waarvan het ingangsvermogen hoger is dan het gespecificeerde maximale ingangsvermogen, mag de fabrikant ervoor kiezen voor alle koppels boven 10 kNm, respectievelijk voor alle toerental- en koppelpunten waarvan het ingangsvermogen hoger is dan het gespecificeerde maximale ingangsvermogen, de koppelverlieswaarden te nemen van één van de volgende:

1) 

de berekende substitutiewaarden (aanhangsel 8);

2) 

optie 1;

3) 

optie 2 of 3 in combinatie met een koppelsensor voor de hogere uitgangskoppels (indien nodig).

Voor de gevallen i) en ii) van optie 2 worden de koppelverliezen in belaste toestand bij het ingangskoppel dat overeenkomt met een uitgangskoppel van 10 kNm en/of bij het gespecificeerde maximale ingangsvermogen gemeten.

▼M3

3.4.5.

Voor toerentallen onder het vastgestelde minimumtoerental en voor de aanvullende ingangstoerentalstap van 0 min–1 worden de voor het minimumtoerentalpunt bepaalde gerapporteerde koppelverliezen gekopieerd.

▼B

3.4.6.

Om de koppelverlieswaarden in het negatieve ingangskoppelbereik in vrijloopomstandigheden te verkrijgen, worden de waarden van de positieve ingangskoppels voor de overeenkomstige negatieve ingangskoppels gekopieerd.

3.4.7.

Met instemming van een goedkeuringsinstantie mogen de koppelverliezen voor de ingangstoerentallen beneden 1 000  min– 1 worden vervangen door de koppelverliezen bij 1 000  min– 1 wanneer meting technisch onmogelijk is.

▼M3

3.4.8.

Als de meting van toerentalpunten technisch onmogelijk is (bv. vanwege de eigenfrequentie), mag de fabrikant de koppelverliezen in overleg met de goedkeuringsinstantie door middel van interpolatie of extrapolatie bepalen (beperkt tot maximaal één toerentalpunt per versnelling).

▼B

3.4.9.

De gegevens van het koppelverliesdiagram worden overeenkomstig aanhangsel 12 van deze bijlage geformatteerd en opgeslagen.

▼M3

4.   Testprocedure voor koppelomvormer (TC)

De kenmerken van de koppelomvormer die als input voor de simulatietool moeten worden bepaald, zijn T pum1000 (referentiekoppel bij ingangstoerental van 1 000  min–1) en μ (koppelverhouding van de koppelomvormer). Beide waarden hangen af van toerentalverhouding v (= uitgangstoerental (turbinewiel) / ingangstoerental (pompwiel)) van de koppelomvormer.

De aanvrager van de certificering past, ongeacht de optie die voor de bepaling van de koppelverliezen van de transmissie is gekozen, de volgende methode toe om de kenmerken van de TC te bepalen.

Om rekening te houden met de twee mogelijke opstellingen van de TC en de mechanische transmissieonderdelen, wordt het volgende onderscheid gemaakt tussen de s- en p-opstelling:

s-opstelling

:

seriële opstelling van TC en mechanische transmissieonderdelen;

p-opstelling

:

parallelle opstelling van TC en mechanische transmissieonderdelen (installatie met gesplitst vermogen).

Voor s-opstellingen mogen de TC-kenmerken hetzij afzonderlijk van de mechanische transmissie, hetzij in combinatie met de mechanische transmissie worden beoordeeld. Voor p-opstellingen kunnen de TC-kenmerken alleen in combinatie met de mechanische transmissie worden beoordeeld. In dat geval wordt de hele opstelling, bestaande uit de koppelomvormer en de mechanische transmissie, echter voor de hydromechanische versnellingen waarvoor de meting wordt uitgevoerd, beschouwd als een TC met soortgelijke karakteristieken als één koppelomvormer. In het geval van metingen in combinatie met een mechanische transmissie moeten de toerentalverhouding v en alle overeenkomstige waarden voor stapgrootte en grenswaarden worden aangepast door rekening te houden met de verhouding van de mechanische transmissie.

Voor de bepaling van de kenmerken van de koppelomvormer mag uit twee meetopties worden gekozen:

i) 

optie A: meting bij constant ingangstoerental;

ii) 

optie B: meting bij constant ingangskoppel overeenkomstig SAE J643.

De fabrikant kan voor zowel s- als p-opstellingen uit de opties A en B kiezen.

Voor de input van de simulatietool worden koppelverhouding μ en referentiekoppel Tpum van de koppelomvormer gemeten voor het bereik v ≤ 0,95 (= voortstuwingsmodus).

Bij gebruik van standaardwaarden moeten de in de simulatietool ingevoerde gegevens over de kenmerken van de koppelomvormer alleen betrekking hebben op het bereik v ≤ 0,95 (of de aangepaste toerentalverhouding). De generieke waarden voor vrijloopomstandigheden worden automatisch toegevoegd door de simulatietool.

▼B



Tabel 1

Standaardwaarden voor v ≥ 1,00

v

μ

Tpum 1000

1,000

1,0000

0,00

1,100

0,9999

– 40,34

1,222

0,9998

– 80,34

1,375

0,9997

– 136,11

1,571

0,9996

– 216,52

1,833

0,9995

– 335,19

2,200

0,9994

– 528,77

2,500

0,9993

– 721,00

3,000

0,9992

– 1 122,00

3,500

0,9991

– 1 648,00

4,000

0,9990

– 2 326,00

4,500

0,9989

– 3 182,00

5,000

0,9988

– 4 242,00

4.1.   Optie A: bij constant toerental gemeten kenmerken van de koppelomvormer

4.1.1.   Algemene voorschriften

De voor de metingen gebruikte koppelomvormer moet in overeenstemming zijn met de getekende specificaties van in serie geproduceerde koppelomvormers.

De TC mag worden aangepast om aan de testvoorschriften van deze bijlage te voldoen, bv. door meetsensoren aan te brengen.

Op verzoek van de goedkeuringsinstantie verstrekt de aanvrager van de certificering bijzonderheden om aan te tonen dat aan de voorschriften van deze bijlage wordt voldaan.

4.1.2.   Olietemperatuur

De ingangsolietemperatuur van de TC moet aan de volgende voorschriften voldoen.

Bij afzonderlijk van de transmissie uitgevoerde TC-metingen moet de olietemperatuur 90 °C + 7 / – 3 K bedragen.
Bij in combinatie met de transmissie uitgevoerde TC-metingen (s- en p-opstelling) moet de olietemperatuur 90 °C + 20 / – 3 K bedragen.

De olietemperatuur wordt gemeten aan de aftapplug of in het oliecarter.

Als de TC-kenmerken afzonderlijk van de transmissie worden gemeten, wordt de olietemperatuur gemeten voordat de olie in de testtrommel/testbank van de koppelomvormer komt.

4.1.3.   Oliedebiet en -druk

Het oliedebiet bij de ingang van de TC en de oliedruk bij de uitgang van de TC worden binnen de gespecificeerde bedrijfsgrenzen van de koppelomvormer voor het betrokken transmissietype en het geteste maximale ingangstoerental gehouden.

4.1.4.   Oliekwaliteit en -viscositeit

Zoals voor transmissietests vermeld in de punten 3.1.2.5.3 en 3.1.2.5.4.

4.1.5.   Montage

De koppelomvormer wordt op een testbank gemonteerd waarbij op de in- en uitgaande aandrijfas van de TC een koppelsensor, toerentalsensor en elektrische machine worden gemonteerd.

4.1.6.   Meetapparatuur

De faciliteiten van het kalibratielaboratorium moeten voldoen aan de eisen van ►M3  IATF ◄  16949, ISO 9000-reeks of ISO/IEC 17025. Alle voor kalibraties en/of controles gebruikte referentiemeetapparatuur van het laboratorium moet herleidbaar zijn naar nationale (internationale) standaarden.

4.1.6.1.   Koppel

De meetonzekerheid van de koppelsensor moet minder dan 1 % van de gemeten koppelwaarde bedragen.

Het gebruik van koppelsensoren met een hogere meetonzekerheid is toegestaan als het gedeelte van de onzekerheid boven de 1 % van het gemeten koppel kan worden berekend en overeenkomstig punt 4.1.7 wordt opgeteld bij het gemeten koppelverlies.

4.1.6.2.   Toerental

De onzekerheid van de toerentalsensoren mag niet meer dan ± 1 min– 1 bedragen.

4.1.6.3.   Temperatuur

De onzekerheid van de temperatuursensoren voor de meting van de omgevingstemperatuur mag niet meer dan ± 1,5 K bedragen.

De onzekerheid van de temperatuursensoren voor de meting van de olietemperatuur mag niet meer dan ± 1,5 K bedragen.

4.1.7.   Testprocedure

4.1.7.1.   Compensatie van nulkoppelsignaal

Overeenkomstig punt 3.1.6.1.

4.1.7.2.   Meetreeks

4.1.7.2.1.

Het ingangstoerental npum van de TC wordt op een constante waarde gebracht binnen het bereik:

1 000  min– 1 ≤ npum  ≤ 2 000  min– 1.

4.1.7.2.2.

De toerentalverhouding v wordt aangepast door het uitgangstoerental ntur van 0 min– 1 te verhogen naar de ingestelde waarde van npum .

4.1.7.2.3.

De stapgrootte bedraagt 0,1 voor het toerentalverhoudingsbereik van 0 tot 0,6 en 0,05 voor het bereik van 0,6 tot 0,95.

4.1.7.2.4.

De fabrikant kan de bovengrens van de toerentalverhouding tot een lagere waarde dan 0,95 beperken. In dat geval moeten de metingen ten minste zeven gelijk verdeelde punten tussen v = 0 en een waarde van v < 0,95 omvatten.

4.1.7.2.5.

►M3  Voor elk punt is een stabilisatietijd van ten minste 3 seconden binnen de in punt 4.1.2 vermelde temperatuurgrenzen vereist. ◄ Zo nodig kan de stabilisatietijd door de fabrikant worden verlengd tot maximaal 60 seconden. Tijdens de stabilisatie wordt de olietemperatuur geregistreerd.

▼M3

4.1.7.2.6.

Voor elk punt worden de in punt 4.1.8 vermelde signalen voor het testpunt gedurende ten minste 3 seconden, maar niet langer dan 15 seconden geregistreerd.

▼B

4.1.7.2.7.

De meetreeks (punten 4.1.7.2.1 tot en met 4.1.7.2.6) wordt in totaal twee keer uitgevoerd.

4.1.8.   Meetsignalen en gegevensregistratie

Tijdens de meting worden ten minste de volgende signalen geregistreerd:

1) 

ingangskoppel (pompwiel) Tc,pum [Nm];

2) 

uitgangskoppel (turbinewiel) Tc,tur [Nm];

3) 

ingangstoerental (pompwiel) npum [ min– 1];

4) 

uitgangstoerental (turbinewiel) ntur [ min– 1];

5) 

ingangsolietemperatuur van de TC KTCin [°C].

De bemonsterings- en registratiefrequentie moet ten minste 100 Hz bedragen.

Om meetfouten te voorkomen, wordt een laagdoorlaatfilter gebruikt.

4.1.9.   Validering van de meting

4.1.9.1.

Voor elke van de twee metingen wordt het rekenkundig gemiddelde van de in een periode van 3-15 seconden gemeten koppel- en toerentalwaarden berekend.

4.1.9.2.

Van beide reeksen gemeten koppel- en toerentalwaarden wordt het (rekenkundige) gemiddelde genomen.

4.1.9.3.

De afwijking tussen de gemiddelde koppelwaarden van de twee meetreeksen moet minder dan ± 5 % van het gemiddelde bedragen, of als dat meer is minder dan ± 1 Nm. Van de twee gemiddelde koppelwaarden wordt het rekenkundige gemiddelde genomen. Als de afwijking groter is, wordt de test voor de TC herhaald of wordt de volgende waarde voor de punten 4.1.10 en 4.1.11 genomen:

— 
voor de berekening van ΔUT,pum/tur: de kleinste gemiddelde koppelwaarde voor Tc,pum/tur;
— 
voor de berekening van koppelverhouding μ: de grootste gemiddelde koppelwaarde voor Tc,pum;
— 
voor de berekening van koppelverhouding μ: de kleinste gemiddelde koppelwaarde voor Tc,tur;
— 
voor de berekening van referentiekoppel Tpum1000: de kleinste gemiddelde koppelwaarde voor Tc,pum.

4.1.9.4.

Op de ingaande aandrijfas moet het gemiddelde gemeten toerental en koppel voor elk gemeten bedrijfspunt van de volledige toerentalverhoudingreeks minder dan ± 5 min– 1, respectievelijk ± 5 Nm afwijken van het toerental- respectievelijk koppelinstelpunt.

4.1.10.   Meetonzekerheid

Het gedeelte van de berekende meetonzekerheid UT,pum/tur boven de 1 % van het gemeten koppel Tc,pum/tur wordt gebruikt om de karakteristieke waarde van de TC op de hieronder beschreven wijze te corrigeren.

ΔUT,pum/tur = MAX (0, (UT,pum/tur - 0,01 × Tc,pum/tur))

De onzekerheid UT,pum/tur van de koppelmeting wordt op basis van de volgende parameter berekend:

i) 

kalibratiefout (incl. tolerantie van de gevoeligheid, lineariteit, hysterese en herhaalbaarheid).

De onzekerheid UT,pum/tur van de koppelmeting wordt gebaseerd op de onzekerheden van de sensoren met een betrouwbaarheid van 95 %.

UT,pum/tur = 2 * ucal

image

waarbij:

Tc,pum/tur

=

gemeten koppelwaarde bij ingangs-/uitgangskoppelsensor (ongecorrigeerd) [Nm];

Tpum

=

ingangskoppel (pompwiel) (na correctie voor onzekerheid) [Nm];

UT,pum/tur

=

onzekerheid van de meting van het ingangs-/uitgangskoppelmeting met een betrouwbaarheid van 95 %, afzonderlijk voor in- en uitgangskoppelsensor [Nm];

Tn

=

nominale koppelwaarde van koppelsensor [Nm];

ucal

=

onzekerheid door koppelsensorkalibratie [Nm];

Wcal

=

relatieve kalibratieonzekerheid (ten opzichte van nominaal koppel) [%];

kcal

=

kalibratieverbeteringsfactor (indien opgegeven door sensorfabrikant, anders = 1);

4.1.11.   Berekening van TC-kenmerken

Voor elk meetpunt worden met de meetgegevens de volgende berekeningen verricht:

de koppelverhouding van de TC wordt berekend met:

image

de toerentalverhouding van de TC wordt berekend met:

image

het referentiekoppel bij 1 000 min– 1 wordt berekend met:

image

waarbij:

μ

=

koppelverhouding van de TC [-];

v

=

toerentalverhouding van de TC [-];

Tc,pum

=

ingangskoppel (pompwiel) (gecorrigeerd) [Nm];

npum

=

ingangstoerental (pompwiel) [ min– 1];

ntur

=

uitgangstoerental (turbinewiel) [ min– 1];

Tpum1000

=

referentiekoppel bij 1 000  min– 1 [Nm].

4.2.   Optie B: meting bij constant ingangskoppel (overeenkomstig SAE J643)

4.2.1.   Algemene voorschriften

Overeenkomstig punt 4.1.1.

4.2.2.   Olietemperatuur

Overeenkomstig punt 4.1.2.

4.2.3.   Oliedebiet en -druk

Overeenkomstig punt 4.1.3.

4.2.4.   Oliekwaliteit

Overeenkomstig punt 4.1.4.

4.2.5.   Montage

Overeenkomstig punt 4.1.5.

4.2.6.   Meetapparatuur

Overeenkomstig punt 4.1.6.

4.2.7.   Testprocedure

4.2.7.1.   Compensatie van nulkoppelsignaal

Overeenkomstig punt 3.1.6.1.

4.1.7.2.   Meetreeks

4.2.7.2.1.

Het ingangskoppel Tpum wordt op een positief niveau ingesteld bij npum  = 1 000  min– 1 terwijl de uitgaande aandrijfas van de TC in niet-roterende toestand wordt gehouden (uitgangstoerental ntur  = 0 min– 1).

4.2.7.2.2.

De toerentalverhouding v wordt aangepast door het uitgangstoerental ntur van 0 min– 1 te verhogen naar een waarde van ntur die het bruikbare bereik van v met ten minste zeven gelijk verdeelde toerentalpunten bestrijkt.

4.2.7.2.3.

De stapgrootte bedraagt 0,1 voor het toerentalverhoudingsbereik van 0 tot 0,6 en 0,05 voor het bereik van 0,6 tot 0,95.

4.2.7.2.4.

De fabrikant kan de bovengrens van de toerentalverhouding tot een lagere waarde dan 0,95 beperken.

4.2.7.2.5.

►M3  Voor elk punt is een stabilisatietijd van ten minste 5 seconden binnen de in punt 4.2.2 vermelde temperatuurgrenzen vereist. ◄ Zo nodig kan de stabilisatietijd door de fabrikant worden verlengd tot maximaal 60 seconden. Tijdens de stabilisatie wordt de olietemperatuur geregistreerd.

▼M3

4.2.7.2.6.

Voor elk punt worden de in punt 4.2.8 vermelde waarden voor het testpunt gedurende ten minste 5 seconden, maar niet langer dan 15 seconden geregistreerd.

▼B

4.2.7.2.7.

De meetreeks (punten 4.2.7.2.1 tot en met 4.2.7.2.6) wordt in totaal twee keer uitgevoerd.

4.2.8.   Meetsignalen en gegevensregistratie

Overeenkomstig punt 4.1.8.

4.2.9.   Validering van de meting

Overeenkomstig punt 4.1.9.

4.2.10.   Meetonzekerheid

Overeenkomstig punt 4.1.9.

4.2.11.   Berekening van TC-kenmerken

Overeenkomstig punt 4.1.11.

5.    ►M3  Testprocedure voor andere koppeloverbrengingsonderdelen (OTTC) ◄

Dit onderdeel is van toepassing op motorretarders, transmissieretarders, aandrijflijnretarders en onderdelen die in de simulatietool als retarder worden behandeld. Tot deze onderdelen behoren voertuigstartvoorzieningen, zoals een enkelvoudige natte koppeling aan de ingang van de transmissie of een hydrodynamische koppeling.

5.1.   Methoden voor de bepaling van de weerstandsverliezen van de retarder

Het weerstandskoppelverlies van de retarder is een functie van het toerental van de retarderrotor. Aangezien de retarder in verschillende delen van de aandrijflijn van het voertuig kan worden opgenomen, hangt het rotortoerental af van het aandrijfdeel (= toerentalreferentie) en de versnellingsverhouding tussen het aandrijfdeel en de retarderrotor, zoals aangegeven in tabel 2.



Tabel 2

Toerentallen retarderrotor

Configuratie

Toerentalreferentie

Berekening toerental retarderrotor

A.  Motorretarder

Motortoerental

nretarder = nengine × istep-up

B.  Retarder bij ingang transmissie

Toerental ingaande aandrijfas transmissie

nretarder = ntransm.input × istep-up

= ntransm.output × itransm * istep-up

▼M3

C.  Retarder bij uitgang transmissie of bij ingang asoverbrenging

Transmissie Toerental uitgaande aandrijfas transmissie of toerental ingaande aandrijfas asoverbrenging

nretarder = ntransm.output × istep-up

▼B

waarbij:

istep-up

=

versnellingsverhouding = toerental retarderrotor / toerental aandrijfdeel

itransm

=

transmissieverhouding = toerental ingaande aandrijfas transmissie / toerental uitgaande aandrijfas transmissie

Als de retarder in de motor is opgenomen en daar niet uit kan worden weggenomen, wordt de test in combinatie met de motor verricht. Dit onderdeel is niet van toepassing op die in de motor opgenomen niet-wegneembare retarders.

Retarders die door middel van een koppeling van de aandrijflijn of de motor kunnen worden ontkoppeld, worden geacht in ontkoppelde toestand een rotortoerental van nul te hebben en geen vermogenverlies te hebben.

De weerstandsverliezen van de retarder worden met een van de volgende methoden gemeten:

1) 

meting op de retarder als zelfstandige eenheid;

2) 

meting in combinatie met de transmissie.

5.1.1.   Algemene voorschriften

Als de verliezen op de retarder als zelfstandige eenheid worden gemeten, worden de uitkomsten beïnvloed door de koppelverliezen in de lagers van de testopstelling. Deze lagerverliezen mogen worden gemeten en van de gemeten weerstandsverliezen van de retarder worden afgetrokken.

De fabrikant moet garanderen dat de voor de metingen gebruikte retarder in overeenstemming is met de getekende specificaties van in serie geproduceerde retarders.

De retarder mag worden aangepast om aan de testvoorschriften van deze bijlage te voldoen, bv. door meetsensoren aan te brengen of externe olieconditioneringssystemen aan te sluiten.

Op basis van de in aanhangsel 6 van deze bijlage beschreven familie mogen de gemeten weerstandsverliezen voor transmissies met retarder voor dezelfde (gelijkwaardige) transmissie zonder retarder worden gebruikt.

Voor het meten van de koppelverliezen van varianten met en zonder retarder mag dezelfde transmissie-eenheid worden gebruikt.

Op verzoek van de goedkeuringsinstantie verstrekt de aanvrager van de certificering bijzonderheden om aan te tonen dat aan de voorschriften van deze bijlage wordt voldaan.

5.1.2.   Inlopen

Op verzoek van de aanvrager kan op de retarder een inloopprocedure worden toegepast. Voor de inloopprocedure gelden de volgende bepalingen.

5.1.2.1.

Als de fabrikant inloopprocedure op de retarder toepast, mag de inlooptijd voor de retarder niet langer dan 100 uur duren met een nulkoppel op de retarder. Desgewenst mag de retarder gedurende maximaal 6 uur onder koppelbelasting inlopen.

5.1.3.   Testomstandigheden

5.1.3.1.   Omgevingstemperatuur

De test wordt uitgevoerd bij een omgevingstemperatuur van 25 °C ± 10 K.

De omgevingstemperatuur wordt op een zijdelingse afstand van 1 m van de retarder gemeten.

5.1.3.2.   Luchtdruk

Voor magnetische retarders moet de luchtdruk minimaal 899 hPa overeenkomstig de internationale standaardatmosfeer (ISA) ISO 2533 bedragen.

5.1.3.3.   Olie- of watertemperatuur

Voor hydrodynamische retarders:

externe verwarming is, behalve voor de vloeistof, niet toegestaan.

Als de retarder als zelfstandige eenheid wordt getest, mag de temperatuur van de retardervloeistof (olie of water) niet hoger zijn dan 87°C.

Als de retarder in combinatie met de transmissie wordt getest, gelden de olietemperatuurgrenzen voor transmissietests.

5.1.3.4.   Olie- of waterkwaliteit

Bij de test wordt nieuwe, voor de eerste vulling aanbevolen olie voor de Europese markt gebruikt.

Bij waterretarders moet de waterkwaliteit in overeenstemming zijn met de specificaties van de fabrikant van de retarder. De waterdruk wordt ingesteld op een vaste waarde die dicht bij de omstandigheden bij montage in een voertuig ligt (relatieve druk 1 ± 0,2 bar bij ingangsslang van de retarder).

5.1.3.5.   Olieviscositeit

Als voor de eerste vulling verschillende soorten olie worden aanbevolen, worden zij gelijkwaardig geacht als de kinematische viscositeit van die soorten bij dezelfde temperatuur minder dan 50 % van elkaar verschilt (binnen de vastgestelde bandbreedte voor KV100).

5.1.3.6.   Olie- of waterpeil

Het olie- of waterpeil moet aan de nominale specificaties voor de retarder beantwoorden.

5.1.4.   Montage

De elektrische machine, de koppelsensor en de toerentalsensor worden aan de ingangszijde van de retarder of de transmissie gemonteerd.

De retarder (en de transmissie) wordt gemonteerd onder dezelfde hellingshoek als bij de montage in het voertuig overeenkomstig de tekening van de goedkeuring ± 1° of onder een hoek van 0° ± 1°.

5.1.5.   Meetapparatuur

Zoals voor transmissietests vermeld in punt 3.1.4.

5.1.6.   Testprocedure

5.1.6.1.   Compensatie van nulkoppelsignaal

Zoals voor transmissietests vermeld in punt 3.1.6.1.

5.1.6.2.   Meetreeks

De meetreeks voor het koppelverlies van de retarder moet voldoen aan de voorschriften voor transmissietests in de punten 3.1.6.3.2 tot en met 3.1.6.3.5.

5.1.6.2.1.   Meting op de retarder als zelfstandige eenheid

Als de retarder als zelfstandige eenheid wordt getest, worden de koppelverliesmetingen bij de volgende toerentalpunten uitgevoerd:

200, 400, 600, 900, 1 200 , 1 600 , 2 000 , 2 500 , 3 000 , 3 500 , 4 000 , 4 500 , 5 000 , voortgezet tot het maximale rotortoerental van de retarder.

5.1.6.2.2.   Meting in combinatie met de transmissie

5.1.6.2.2.1.

Als de retarder in combinatie met een transmissie wordt getest, wordt een zodanige versnelling van de transmissie gekozen dat de retarder bij maximaal rotortoerental kan werken.

5.1.6.2.2.   Het koppelverlies wordt gemeten bij de voor de transmissietest aangegeven toerentallen.

5.1.6.2.2.3.

Op verzoek van de fabrikant mogen meetpunten worden toegevoegd voor transmissie-ingangstoerentallen lager dan 600 min– 1.

5.1.6.2.2.4.

De fabrikant mag de retarderverliezen van de totale transmissieverliezen onderscheiden door in onderstaande volgorde tests te verrichten:

▼M1

1) 

meting van het belastingonafhankelijke koppelverlies voor de hele transmissie, met inbegrip van de retarder, zoals aangegeven in punt 3.1 voor transmissietests, in een van de hogere transmissieversnellingen

= Tl,in,withret

▼B

2) 

de retarder en de daarmee verband houdende delen worden vervangen door delen die nodig zijn voor de gelijkwaardige transmissievariant zonder retarder. Herhaling van de meting van punt 1)

= Tl,in,withoutret

3) 

bepaling van het belastingonafhankelijke koppelverlies voor het retardersysteem door het verschil tussen de gegevensreeksen van de twee tests te berekenen

= Tl,in,retsys = Tl,in,withret – Tl,in,withoutret

5.1.7.   Meetsignalen en gegevensregistratie

Zoals voor transmissietests vermeld in punt 3.1.5.

5.1.8.   Validering van de meting

Alle geregistreerde gegevens worden gecontroleerd en verwerkt zoals voor transmissietests vermeld in punt 3.1.7.

5.2.   Aanvulling van inputbestanden voor de simulatietool

5.2.1.

De retarderkoppelverliezen voor toerentallen onder het laagste meettoerental worden gelijkgesteld aan het bij dit laagste meettoerental gemeten koppelverlies.

5.2.2.

Als de retarderverliezen van de totale verliezen zijn onderscheiden door het verschil tussen de gegevensreeksen van tests met en zonder retarder te berekenen (zie punt 5.1.6.2.2.4), hangen de werkelijke toerentallen van de retarderrotor af van de plaats van de retarder en/of de gekozen overbrengingsverhouding en de versnellingsverhouding van de retarder, en kunnen zij dus afwijken van de gemeten toerentallen van de ingaande aandrijfas van de transmissie. De werkelijke toerentallen van de retarderrotor worden overeenkomstig tabel 2 in punt 5.1 berekend op basis van de gemeten weerstandsverliezen.

5.2.3.

De gegevens van het koppelverliesdiagram worden overeenkomstig aanhangsel 12 van deze bijlage geformatteerd en opgeslagen.

▼M3

6.   Testprocedure voor aanvullende onderdelen van de aandrijflijn (ADC) / onderdeel van de aandrijflijn met enkelvoudige reductie (bv. haakse overbrenging)

6.1.   Methoden voor de bepaling van de verliezen van een onderdeel van de aandrijflijn met enkelvoudige reductie

De verliezen van een onderdeel van de aandrijflijn met enkelvoudige reductie worden bepaald zoals hieronder aangegeven voor de volgende gevallen:

6.1.1.   Geval A: meting op een afzonderlijk onderdeel van de aandrijflijn met enkelvoudige reductie

De meting van het koppelverlies van een onderdeel van de aandrijflijn met enkelvoudige reductie mag gebeuren volgens de drie opties die voor de bepaling van de transmissieverliezen zijn beschreven:

optie 1

:

meting van koppelonafhankelijke verliezen en berekening van koppelafhankelijke verliezen (optie 1 voor transmissietest);

optie 2

:

meting van koppelonafhankelijke verliezen en meting van koppelafhankelijke verliezen bij vollast (optie 2 voor transmissietest);

optie 3

:

meting bij vollastpunten (optie 3 voor transmissietest).

Voor de meting, validering en berekening van de onzekerheid van de verliezen van een onderdeel van de aandrijflijn met enkelvoudige reductie wordt gebruikgemaakt van de in punt 3 beschreven procedure voor de optie voor de transmissietest in kwestie, met de volgende afwijkende voorschriften:

de metingen worden verricht bij 200 min–1 en 400 min–1 (aan de ingaande aandrijfas van het onderdeel van de aandrijflijn met enkelvoudige reductie) en voor de volgende toerentalpunten: 600, 900, 1 200 , 1 600 , 2 000 , 2 500 , 3 000 , 4 000  min–1 en veelvouden van 10 van deze waarden tot het maximumtoerental volgens de specificaties van het onderdeel van de aandrijflijn met enkelvoudige reductie, of het laatste toerentalpunt vóór het vastgestelde maximumtoerental. Het is toegestaan aanvullende intermediaire toerentalpunten te meten.

6.1.1.1.   Toepasselijk toerentalbereik:

van 200 min– 1 (op de aandrijfas waarop de haakse overbrenging is gemonteerd) tot het maximumtoerental volgens de specificaties van de haakse overbrenging of de laatste toerentalstap vóór het vastgestelde maximumtoerental.

6.1.2.   Geval B: individuele meting van een met een transmissie verbonden onderdeel van de aandrijflijn met enkelvoudige reductie

Als het onderdeel van de aandrijflijn met enkelvoudige reductie in combinatie met een transmissie wordt getest, wordt de test uitgevoerd volgens een van de opties die voor transmissietests zijn beschreven:

optie 1

:

meting van koppelonafhankelijke verliezen en berekening van koppelafhankelijke verliezen (optie 1 voor transmissietest);

optie 2

:

meting van koppelonafhankelijke verliezen en meting van koppelafhankelijke verliezen bij vollast (optie 2 voor transmissietest);

optie 3

:

meting bij vollastpunten (optie 3 voor transmissietest).

6.1.2.1.

De fabrikant mag de verliezen van het onderdeel van de aandrijflijn met enkelvoudige reductie van de totale transmissieverliezen onderscheiden door in onderstaande volgorde tests te verrichten:

(1) 

meting van het koppelverlies voor de hele transmissie, met inbegrip van het onderdeel van de aandrijflijn met enkelvoudige reductie, zoals aangegeven voor de toepasselijke optie voor transmissietests

= Tl,in,withad

(2) 

onderdeel van de aandrijflijn met enkelvoudige reductie en de daarmee verband houdende delen worden vervangen door delen die nodig zijn voor de gelijkwaardige transmissievariant zonder onderdeel van de aandrijflijn met enkelvoudige reductie. Herhaling van de meting van punt 1

= Tl,in,withoutad

(3) 

bepaling van het koppelverlies voor het systeem van het onderdeel van de aandrijflijn met enkelvoudige reductie door het verschil tussen de gegevensreeksen van de twee tests te berekenen

= Tl,in,adsys = max(0, Tl,in,withad – Tl,in,withoutad)

6.2.   Aanvulling van inputbestanden voor de simulatietool

6.2.1.

De koppelverliezen voor toerentallen onder het hierboven aangegeven minimumtoerental en voor het ingangstoerentalpunt 0 min–1 worden gelijkgesteld aan het koppelverlies bij het minimumtoerental.

6.2.2.

Als het hoogste geteste ingangstoerental van het onderdeel van de aandrijflijn met enkelvoudige reductie het laatste toerentalpunt vóór het vastgestelde maximaal toelaatbare toerental van het onderdeel van de aandrijflijn met enkelvoudige reductie was, wordt het koppelverlies door middel van lineaire regressie aan de hand van de laatste twee gemeten toerentalpunten geëxtrapoleerd naar het maximumtoerental.

6.2.3.

De koppelverliesgegevens voor de ingaande aandrijfas van de transmissie waarmee het onderdeel van de aandrijflijn met enkelvoudige reductie wordt gecombineerd, worden door middel van lineaire inter- en extrapolatie berekend.

▼B

7.   Conformiteit van de gecertificeerde CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen

7.1.

Alle transmissies, koppelomvormers (TC), andere koppeloverbrengingsonderdelen (OTTC) en aanvullende onderdelen van de aandrijflijn (ADC) moeten zodanig worden gefabriceerd dat zij in overeenstemming zijn met het goedgekeurde type zoals beschreven in het certificaat en de bijlagen daarbij. ►M3  De procedures voor de waarborging van de conformiteit van de gecertificeerde CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen moeten in overeenstemming zijn met de regelingen inzake de overeenstemming van de productie in artikel 31 van Verordening (EU) 2018/858. ◄

7.2.

De koppelomvormer (TC), andere koppeloverbrengingsonderdelen (OTTC) en aanvullende onderdelen van de aandrijflijn (ADC) zijn uitgesloten van de voorschriften voor productieconformiteitstests in onderdeel 8 van deze bijlage.

7.3.

De conformiteit van de gecertificeerde CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen wordt gecontroleerd aan de hand van de beschrijving in de in aanhangsel 1 van deze bijlage beschreven certificaten.

7.4.

De conformiteit van de gecertificeerde CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen wordt beoordeeld overeenkomstig de in dit punt vermelde specifieke voorwaarden.

7.5.

De fabrikant test jaarlijks ten minste het in tabel 3 vermelde aantal transmissies, dat gebaseerd is op het totale aantal transmissies dat de fabrikant per jaar produceert. Bij de bepaling van de productieaantallen worden alleen transmissies meegeteld waarop deze verordening van toepassing is.

7.6.

Elke transmissie die door de fabrikant wordt getest, moet representatief zijn voor een specifieke familie. Onverminderd punt 7.10 moet slechts één transmissie per familie worden getest.

7.7.

Bij een totaal jaarlijks productievolume tussen 1 001 en 10 000  transmissies bepalen de fabrikant en de goedkeuringsinstantie in onderling overleg welke familie wordt getest.

7.8.

Bij een totaal jaarlijks productievolume van meer dan 10 000  transmissies wordt altijd de familie van transmissies met het hoogste productievolume getest. De fabrikant moet aan de goedkeuringsinstantie een onderbouwing geven van het aantal verrichte tests en de keuze van de families (bv. door opgave van de verkoopaantallen). De overige te testen families bepalen de fabrikant en de goedkeuringsinstantie in onderling overleg.



Tabel 3

Steekproefgrootte conformiteitstests

Totale jaarproductie van transmissies

Aantal tests

0 – 1 000

0

> 1 000 – 10 000

1

> 10 000 – 30 000

2

> 30 000

3

> 100 000

4

7.9.

De goedkeuringsinstantie bepaalt samen met de fabrikant welk(e) transmissietype(n) getest moeten worden om de conformiteit van de gecertificeerde CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen te controleren. De goedkeuringsinstantie waarborgt dat de gekozen transmissietypen gefabriceerd zijn volgens dezelfde standaarden als toegepast worden bij serieproductie.

7.10.

Als het resultaat van een overeenkomstig punt 8 uitgevoerde test hoger is dan de in punt 8.1.3 bedoelde waarde, worden nog eens drie transmissies uit dezelfde familie getest. Als ten minste een daarvan wordt afgekeurd, is artikel 23 van toepassing.

8.   Productieconformiteitstests

Voor tests betreffende de conformiteit van de gecertificeerde CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen wordt met wederzijdse voorafgaande instemming van de goedkeuringsinstantie en de aanvrager van de certificering de volgende methode toegepast.

8.1.   Conformiteitstest voor transmissies

8.1.1.

Het overbrengingsrendement wordt volgens de in dit punt beschreven vereenvoudigde procedure bepaald.

8.1.2.1.

Alle in deze bijlage gespecificeerde grenstoestanden voor certificeringstests zijn van toepassing.

Als andere grenstoestanden voor het olietype, de olietemperatuur en de hellingshoek worden toegepast, laat de fabrikant duidelijk zien welke invloed deze toestanden en de voor de certificering gebruikte toestanden hebben op het rendement.

8.1.2.2.

De meting wordt uitgevoerd volgens dezelfde testoptie als is toegepast bij de certificeringstests, maar is beperkt tot de in dit punt vermelde bedrijfspunten.

▼M3

8.1.2.2.1.

Als bij de certificeringstests optie 1 is toegepast, worden de koppelonafhankelijke verliezen voor de in punt 8.1.2.2.2, 3), vermelde twee toerentallen gemeten en gebruikt om de koppelverliezen bij de drie in punt 8.1.2.2.2, 2), gedefinieerde koppelpunten te berekenen.

Als bij de certificeringstests optie 2 is toegepast, worden de koppelonafhankelijke verliezen voor de in punt 8.1.2.2.2, 3), vermelde twee toerentallen gemeten. De koppelafhankelijke verliezen bij het maximumkoppel worden bij dezelfde twee toerentallen gemeten. De koppelverliezen bij de drie koppelpunten gedefinieerd in punt 8.1.2.2.2, 2), worden geïnterpoleerd zoals beschreven voor de certificeringsprocedure.

Als bij de certificeringstests optie 3 is toegepast, worden de koppelverliezen voor de in punt 8.1.2.2.2 bedoelde 18 bedrijfspunten gemeten.

▼B

8.1.2.2.2.

Het overbrengingsrendement wordt bepaald voor 18 bedrijfspunten, die als volgt worden gedefinieerd:

1) 

te gebruiken versnellingen:

getest wordt bij de drie hoogste versnellingen van de transmissie;

▼M3

2) 

koppelbereik:

als bij de certificeringstests optie 1 of optie 2 is toegepast, worden de volgende drie koppelpunten gebruikt: 0,6 × max(Tin,rep(inputspeed, gear)), 0,8 × max(Tin,rep(inputspeed, gear)) en max(Tin,rep(inputspeed, gear)) waarbij max(Tin,rep(inputspeed, gear)) de hoogste ingangskoppelwaarde is die voor de certificering van de desbetreffende combinatie van ingangstoerental en overbrenging is gerapporteerd.

Als bij de certificeringstest optie 3 is toegepast, worden de drie hoogste koppelpunten gebruikt die bij de certificeringstest voor de desbetreffende combinatie van ingangstoerental en overbrenging zijn gemeten.

▼B

3) 

toerentalbereik:

getest wordt bij de twee transmissie-ingangstoerentallen 1 200  min– 1 en 1 600  min– 1.

▼M3

8.1.2.3.

Voor elk van de 18 bedrijfspunten wordt het overbrengingsrendement berekend met:

image

waarbij:

η i

=

rendement van elk bedrijfspunt (1 t/m 18);

T in,set

=

instelpunt ingangskoppel [Nm];

T loss,rep

=

gerapporteerd koppelverlies (na correctie voor onzekerheid) [Nm].

▼B

8.1.2.4.

Het totale rendement tijdens de tests betreffende de conformiteit van de gecertificeerde CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen ηA,CoP wordt berekend als het rekenkundige gemiddelde van het rendement van alle 18 bedrijfspunten.

image

8.1.3.

De test betreffende de conformiteit van de gecertificeerde CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen is doorstaan als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan.

Het rendement van de aan de test betreffende de conformiteit van de gecertificeerde CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen onderworpen transmissie ηA,CoP mag niet lager zijn dan X % van het overbrengingsrendement van de typegoedkeuring ηA,TA .

ηA,TA ηA,CoP X

▼M1

X heeft voor SMT/AMT/DCT-transmissies de waarde 1,5 % en voor APT-transmissies en transmissies met meer dan twee wrijvingsschakelkoppelingen de waarde 3 %.

▼M3

Het rendement van de goedgekeurde transmissie ηA,TA wordt berekend door het rekenkundige gemiddelde te nemen van het tijdens de certificering bepaalde rendement van 18 bedrijfspunten, gebaseerd op de formules in 8.1.2.3 en 8.1.2.4, zoals gedefinieerd in 8.1.2.2.2.

▼B




Aanhangsel 1

MODEL VAN EEN CERTIFICAAT VOOR EEN ONDERDEEL, TECHNISCHE EENHEID OF SYSTEEM

Maximumformaat: A4 (210 × 297 mm)

CERTIFICAAT BETREFFENDE DE CO2-EMISSIE- EN BRANDSTOFVERBRUIKSEIGENSCHAPPEN VAN EEN FAMILIE VAN TRANSMISSIES / KOPPELOMVORMERS / ANDERE KOPPELOVERBRENGINGSONDERDELEN / AANVULLENDE ONDERDELEN VAN DE AANDRIJFLIJN  ( 16 )



Mededeling betreffende de:

— verlening (1)

— uitbreiding (1)

— weigering (1)

— intrekking (1)

Stempel instantie

van een certificaat uit hoofde van Verordening (EG) nr. 595/2009, ten uitvoer gelegd bij Verordening (EU) 2017/2400.

Verordening (EG) nr. XXXXX en Verordening (EU) 2017/2400 zoals laatstelijk gewijzigd bij …

Certificeringsnummer:

Hash:

Reden van de uitbreiding:

AFDELING I

0.1.

Merk (handelsnaam van de fabrikant):

0.2.

Type:

0.3.

Middel tot identificatie van het type, indien op het onderdeel aangebracht:

0.3.1.

Plaats van het merkteken:

0.4.

Naam en adres van de fabrikant:

0.5.

In het geval van onderdelen en technische eenheden, plaats en wijze van aanbrenging van het EG-goedkeuringsmerk:

0.6.

Naam en adres van de assemblagefabriek(en):

0.7.

Naam en adres van de eventuele vertegenwoordiger van de fabrikant:

AFDELING II

1.   Eventuele aanvullende informatie: zie addendum

1.1.   Optie die is toegepast voor de bepaling van de koppelverliezen:

1.1.1

bij een transmissie: voor beide uitgangskoppelbereiken 0-10 kNm en > 10 kNm afzonderlijk voor elke overbrengingsverhouding

2.

Goedkeuringsinstantie die verantwoordelijk is voor de uitvoering van de tests:

3.

Datum van het testrapport:

4.

Nummer van het testrapport:

5.

Eventuele opmerkingen: zie addendum

6.

Plaats

7.

Datum

8.

Handtekening

Bijlagen:

1. 

Inlichtingenformulier

2. 

Testrapport




Aanhangsel 2

Inlichtingenformulier transmissie



Inlichtingenformulier nr.:

Betreft:

Datum van afgifte:

Datum van de wijziging:

krachtens …

▼M1

Type transmissie/transmissiefamilie (indien van toepassing):

▼B

0.   ALGEMEEN

0.1.

Naam en adres van de fabrikant:

0.2.

Merk (handelsnaam van de fabrikant):

0.3.

Type transmissie:

0.4.

Familie van transmissies:

0.5.

Transmissietype als technische eenheid / familie van transmissies als technische eenheid

0.6.

Handelsnaam of -namen (indien van toepassing):

0.7.

Middel tot identificatie van het model, indien aangebracht op de transmissie:

0.8.

In het geval van onderdelen en technische eenheden, plaats en wijze van aanbrenging van het EG-goedkeuringsmerk:

0.9.

Naam en adres van de assemblagefabriek(en):

0.10.

Naam en adres van de vertegenwoordiger van de fabrikant:

DEEL 1

ESSENTIËLE EIGENSCHAPPEN VAN (OUDER)TRANSMISSIE EN TRANSMISSIE-TYPEN BINNEN EEN FAMILIE VAN TRANSMISSIES



 

Oudertransmissie

leden v.d. familie

 

 

of transmissietype

 

 

 

#1

#2

#3

 

 

▼M1 —————

▼B

1.0.   SPECIFIEKE INFORMATIE OVER TRANSMISSIE / FAMILIE VAN TRANSMISSIES

1.1.

Overbrengingsverhouding. Versnellingsschema en vermogensstroom

1.2.

Hartafstand tussenasoverbrengingen

1.3.

Type van lagers op overeenkomstige plaatsen, indien gemonteerd

1.4.

Type van schakelelementen op overeenkomstige plaatsen (klauwkoppelingen, met inbegrip van synchromeshringen, of wrijvingskoppelingen), indien gemonteerd

1.5.

Tandwielbreedte voor optie 1 of tandwielbreedte ± 1 mm voor optie 2 of 3

1.6.

Totaal aantal voorwaartse versnellingen

1.7.

Aantal klauwkoppelingen

1.8.

Aantal synchronisators

1.9.

Aantal platen wrijvingskoppeling (behalve voor enkelvoudige droge koppeling met 1 of 2 platen)

1.10.

Buitendiameter van platen wrijvingskoppeling (behalve voor enkelvoudige droge koppeling met 1 of 2 platen)

1.11.

Oppervlakteruwheid van de tanden (incl. tekeningen)

1.12.

Aantal asafdichtingen van bewegende aandrijfassen

1.13.

Oliedebiet voor smering en koeling per omwenteling van de ingaande aandrijfas van de transmissie

1.14.

Olieviscositeit bij 100 °C (± 10 %)

1.15.

Systeemdruk van hydraulische versnellingsbakken

1.16.

Gespecificeerd oliepeil ten opzichte van centrale as en overeenkomstig de getekende specificatie (gebaseerd op de gemiddelde waarde tussen de boven- en ondergrens) in statische of werkende toestand. Het oliepeil wordt gelijk geacht als alle roterende transmissieonderdelen (behalve de oliepomp en de aandrijving daarvan) zich boven het gespecificeerde oliepeil bevinden.

1.17.

Gespecificeerd oliepeil (± 1 mm)

1.18.

►M3  Overbrengingsverhoudingen [-] en maximaal ingangskoppel [Nm], maximaal ingangsvermogen (kW) en maximaal ingangstoerental [min–1] voor de hoogste nominale versie per lid van de familie (wanneer hetzelfde lid van de familie wordt verkocht onder een andere handelsbenaming) ◄

1 versnelling
2 versnelling
3 versnelling
4 versnelling
5 versnelling
6 versnelling
7 versnelling
8 versnelling
9 versnelling
10 versnelling
11 versnelling
12 versnelling
n versnelling

▼M3

1.19.

Slip van overbruggingskoppeling van de koppelomvormer bij vaste overbrenging (ja/nee)

Zo ja, opgave van permanente slip in overbruggingskoppeling van de koppelomvormer of in koppeling aan de ingangszijde in afzonderlijke diagrammen voor elke versnelling, afhankelijk van de gemeten ingangstoerental-/ingangskoppelpunten, zie bijvoorbeeld gegevens voor versnelling 1 hieronder:



Slip koppelomvormer [min–1] Versnelling 1

Referentie ingangskoppel

(Nm)

Referentie ingangstoerental (min–1)

600

900

1 200

1 600

2 000

2 500

0

20

50

60

60

60

60

200

30

40

10

10

10

10

400

30

40

20

20

20

20

600

30

40

20

20

20

20

900

30

40

20

20

20

20

1 200

30

40

20

20

20

20

▼B

LIJST VAN BIJLAGEN



Nr.:

Beschrijving:

Datum van afgifte:

1

Informatie over de omstandigheden van de transmissietest

2

 




Bijlage 1 bij Inlichtingenformulier transmissie

Informatie over de testomstandigheden (indien van toepassing)



1.1.  Meting met retarder

ja / nee

1.2.  Meting met haakse overbrenging

ja / nee

1.3.  Hoogste getest ingangstoerental [ min– 1]

 

1.4.  Hoogste geteste ingangskoppel [Nm]

 




Aanhangsel 3

Inlichtingenformulier hydrodynamische koppelomvormer (TC)



Inlichtingenformulier nr.:

Betreft:

Datum van afgifte:

Datum van de wijziging:

krachtens ...

▼M1

TC-type/TC-familie (indien van toepassing):

▼B

0.   ALGEMEEN

0.1.

Naam en adres van de fabrikant

0.2.

Merk (handelsnaam van de fabrikant):

0.3.

TC-type:

0.4.

TC-familie:

0.5.

TC-type als technische eenheid / TC-familie als technische eenheid

0.6.

Handelsnaam of -namen (indien van toepassing):

0.7.

Middel tot identificatie van het model, indien aangebracht op de TC:

0.8.

In het geval van onderdelen en technische eenheden, plaats en wijze van aanbrenging van het EG-goedkeuringsmerk:

0.9.

Naam en adres van de assemblagefabriek(en):

0.10.

Naam en adres van de vertegenwoordiger van de fabrikant:

DEEL 1

ESSENTIËLE EIGENSCHAPPEN VAN (OUDER)TC EN TC-TYPEN BINNEN EEN TC-FAMILIE



 

Ouder-TC of

leden v.d. familie

 

 

TC-type

#1

#2

#3

 

 

 

 

 

 

 

 

 

▼M1 —————

▼B

1.0.   SPECIFIEKE INFORMATIE OVER KOPPELOMVORMER / FAMILIE VAN KOPPELOMVORMERS

1.1.

Voor hydrodynamische koppelomvormer zonder mechanische transmissie (seriële opstelling).

1.1.1.

Buitendiameter torus

1.1.2.

Binnendiameter torus

1.1.3.

Opstelling van pomp (P), turbine (T) en stator (S) in stroomrichting

1.1.4.

Breedte torus

1.1.5

Olietype volgens testspecificatie

1.1.6.

Ontwerp bladen

1.2.

Voor hydrodynamische koppelomvormer met mechanische transmissie (parallelle opstelling).

1.2.1.

Buitendiameter torus

1.2.2.

Binnendiameter torus

1.2.3

Opstelling van pomp (P), turbine (T) en stator (S) in stroomrichting

1.2.4.

Breedte torus

1.2.5.

Olietype volgens testspecificatie

1.2.6.

Ontwerp bladen

1.2.7.

Versnellingsschema en vermogensstroom in koppelomvormingsmodus

1.2.8.

Type van lagers op overeenkomstige plaatsen, indien gemonteerd

1.2.9.

Type van koel- of smeerpomp (met verwijzing naar onderdelenlijst)

1.2.10

Type van schakelelementen op overeenkomstige plaatsen (klauwkoppelingen (met inbegrip van synchromeshringen) of wrijvingskoppelingen), indien gemonteerd

1.2.11.

Oliepeil ten opzichte van centrale as, volgens tekening

LIJST VAN BIJLAGEN



Nr.:

Beschrijving:

Datum van afgifte:

1.

Informatie over de omstandigheden van de koppelomvormertest

2.

 




Bijlage 1 bij Inlichtingenformulier koppelomvormer

Informatie over de testomstandigheden (indien van toepassing)

1.   Meetmethode

1.1.

TC met mechanische transmissie

ja/nee

1.2.

TC als technische eenheid

ja / nee




Aanhangsel 4

Inlichtingenformulier andere koppeloverbrengingsonderdelen (OTTC)



Inlichtingenformulier nr.:

Betreft:

Datum van afgifte:

Datum van de wijziging:

krachtens …

▼M1

OTTC-type/OTTC-familie (indien van toepassing):

▼B

0.   ALGEMEEN

0.1.

Naam en adres van de fabrikant:

0.2.

Merk (handelsnaam van de fabrikant):

0.3.

OTTC-type:

0.4.

OTTC-familie:

0.5.

OTTC-type als technische eenheid / OTTC-familie als technische eenheid

0.6.

Handelsnaam of -namen (indien van toepassing):

0.7.

Middel tot identificatie van het model, indien aangebracht op het OTTC:

0.8.

In het geval van onderdelen en technische eenheden, plaats en wijze van aanbrenging van het EG-goedkeuringsmerk:

0.9.

Naam en adres van de assemblagefabriek(en):

0.10.

Naam en adres van de vertegenwoordiger van de fabrikant:

DEEL 1

ESSENTIËLE EIGENSCHAPPEN VAN (OUDER)OTTC EN OTTC-TYPEN BINNEN EEN OTTC-FAMILIE



 

Ouder-OTTC

Lid v.d. familie

 

 

 

#1

#2

#3

 

 

▼M1 —————

▼B

1.0.   SPECIFIEKE INFORMATIE OVER OTTC

1.1.

Voor hydrodynamische koppeloverbrengingsonderdelen (OTTC) / retarder

1.1.1.

Buitendiameter torus

1.1.2.

Breedte torus

1.1.3.

Ontwerp bladen

1.1.4

Werkingsvloeistof

1.1.5.

Buitendiameter torus – binnendiameter torus (OD-ID)

1.1.6.

Aantal bladen

1.1.7.

Viscositeit werkingsvloeistof

1.2.

Voor magnetische koppeloverbrengingsonderdelen (OTTC) / retarder

1.2.1.

Ontwerp trommel (eletromagnetische retarder of retarder met permanente magneet)

1.2.2.

Buitendiameter rotor

1.2.3.

Ontwerp koelbladen

1.2.4.

Ontwerp bladen

1.2.5.

Werkingsvloeistof

1.2.6.

Buitendiameter rotor – binnendiameter rotor (OD-ID)

1.2.7.

Aantal rotoren

1.2.8.

Aantal koelbladen / bladen

1.2.9.

Viscositeit werkingsvloeistof

1.2.10.

Aantal armen

1.3.

Voor koppeloverbrengingsonderdelen (OTTC) / hydrodynamische koppeling

1.3.1.

Buitendiameter torus

1.3.2.

Breedte torus

1.3.3.

Ontwerp bladen

1.3.4.

Viscositeit werkingsvloeistof

1.3.5.

Buitendiameter torus – binnendiameter torus (OD-ID)

1.3.6.

Aantal bladen

LIJST VAN BIJLAGEN



Nr.:

Beschrijving:

Datum van afgifte:

1.

Informatie over de omstandigheden van de OTTC-test

2.

 




Bijlage 1 bij Inlichtingenformulier OTTC

Informatie over de testomstandigheden (indien van toepassing)

1.   Meetmethode

met transmissie
ja / nee
met motor j
a / nee
aandrijfmechanisme
ja / nee
direct
ja / nee

2.

Hoogste testtoerental van belangrijkste koppelopnemer van OTTC, bv. retarderrotor [ min– 1]




Aanhangsel 5

Inlichtingenformulier aanvullende onderdelen van de aandrijflijn (ADC)



Inlichtingenformulier nr.:

Betreft:

Datum van afgifte:

Datum van de wijziging:

δυνάμει …

▼M1

ADC-type/ADC-familie (indien van toepassing):

▼B

0.   ALGEMEEN

0.1.

Naam en adres van de fabrikant:

0.2.

Merk (handelsnaam van de fabrikant):

0.3.

ADC-type:

0.4.

ADC-familie:

0.5.

ADC-type als technische eenheid / ADC-familie als technische eenheid

0.6.

Handelsnaam of -namen (indien van toepassing):

0.7.

Middel tot identificatie van het model, indien aangebracht op het ADC:

0.8.

In het geval van onderdelen en technische eenheden, plaats en wijze van aanbrenging van het EG-goedkeuringsmerk:

0.9.

Naam en adres van de assemblagefabriek(en):

0.10.

Naam en adres van de vertegenwoordiger van de fabrikant:

DEEL 1

ESSENTIËLE EIGENSCHAPPEN VAN (OUDER)ADC EN ADC-TYPEN BINNEN EEN ADC-FAMILIE



 

Ouder-ADC

Lid v.d. familie

 

 

 

#1

#2

#3

 

 

▼M1 —————

▼B

1.0.   SPECIFIEKE INFORMATIE OVER ADC / HAAKSE OVERBRENGING

1.1.

Overbrengingsverhouding en versnellingsschema

1.2.

Hoek tussen ingaande en uitgaande aandrijfas

1.3.

Type lagers op overeenkomstige plaatsen

1.4.

Aantal tanden per tandwiel

1.5.

Tandwielbreedte

1.6.

Aantal asafdichtingen van bewegende aandrijfassen

1.7.

Olieviscositeit (± 10 %)

1.8.

Oppervlakteruwheid van de tanden

1.9.

Gespecificeerd oliepeil ten opzichte van centrale as en overeenkomstig de getekende specificatie (gebaseerd op de gemiddelde waarde tussen de boven- en ondergrens) in statische of werkende toestand. Het oliepeil wordt gelijk geacht als alle roterende transmissieonderdelen (behalve de oliepomp en de aandrijving daarvan) zich boven het gespecificeerde oliepeil bevinden.

1.10.

Oliepeil binnen (± 1 mm).

LIJST VAN BIJLAGEN



Nr.:

Beschrijving:

Datum van afgifte:

1.

Informatie over de omstandigheden van de ADC-test

2.

 




Bijlage 1 bij Inlichtingenformulier ADC

Informatie over de testomstandigheden (indien van toepassing)

1.   Meetmethode



met transmissie

ja / nee

aandrijfmechanisme

ja / nee

direct

ja / nee

2.

Hoogste testtoerental bij ADC-ingang [ min– 1]




Aanhangsel 6

Familieconcept

1.   Algemeen

Een familie van transmissies, koppelomvormers, andere koppeloverbrengingsonderdelen of aanvullende onderdelen van de aandrijflijn wordt gekenmerkt door ontwerp- en prestatieparameters. Deze moeten voor alle leden binnen de familie gemeenschappelijk zijn. De fabrikant kan beslissen welke transmissies, koppelomvormers, andere koppeloverbrengingsonderdelen of aanvullende onderdelen van de aandrijflijn tot een familie behoren, mits aan de in dit aanhangsel vermelde criteria voor lidmaatschap wordt voldaan. De betrokken familie moet door de goedkeuringsinstantie worden goedgekeurd. De fabrikant verstrekt de goedkeuringsinstantie de toepasselijke informatie over de leden van de familie.

1.1.   Bijzondere gevallen

In sommige gevallen kan er interactie tussen de parameters zijn. Hiermee moet rekening worden gehouden om te waarborgen dat in een familie alleen transmissies, koppelomvormers, andere koppeloverbrengingsonderdelen of aanvullende onderdelen van de aandrijflijn met soortgelijke kenmerken worden opgenomen. De fabrikant moet deze gevallen bepalen en de goedkeuringsinstantie hiervan op de hoogte brengen. Hiermee wordt dan rekening gehouden als criterium voor de vorming van een nieuwe familie van transmissies, koppelomvormers, andere koppeloverbrengingsonderdelen of aanvullende onderdelen van de aandrijflijn.

Indien voorzieningen of kenmerken die niet in punt 9 zijn vermeld, sterk van invloed zijn op het prestatieniveau, moet de fabrikant deze apparatuur naar goede ingenieurspraktijk vaststellen en de goedkeuringsinstantie hiervan op de hoogte brengen. Hiermee wordt dan rekening gehouden als criterium voor de vorming van een nieuwe familie van transmissies, koppelomvormers, andere koppeloverbrengingsonderdelen of aanvullende onderdelen van de aandrijflijn.

1.2.

In het familieconcept worden criteria en parameters bepaald die de fabrikant kan gebruiken om transmissies, koppelomvormers, andere koppeloverbrengingsonderdelen of aanvullende onderdelen van de aandrijflijn te groeperen in families en typen met dezelfde of soortgelijke CO2-gegevens.

2.

De goedkeuringsinstantie kan concluderen dat het hoogste koppelverlies van de familie van transmissies, koppelomvormers, andere koppeloverbrengingsonderdelen of aanvullende onderdelen van de aandrijflijn het beste kan worden gekarakteriseerd door aanvullende tests te verrichten. In dat geval verstrekt de fabrikant passende informatie om te bepalen welke in de familie opgenomen transmissie, koppelomvormer, andere koppeloverbrengingsonderdelen of aanvullende onderdelen van de aandrijflijn waarschijnlijk het hoogste koppelverliesniveau zullen hebben.

Indien leden binnen een familie andere kenmerken hebben die geacht kunnen worden het koppelverlies te beïnvloeden, moeten die kenmerken eveneens worden bepaald en bij de selectie van de ouder in aanmerking worden genomen.

3.

Parameters die de familie van transmissies bepalen

3.1.

De volgende criteria moeten voor alle leden binnen een familie van transmissies gelijk zijn:

a) 

overbrengingsverhouding, versnellingsschema en vermogensstroom (alleen voor voorwaartse versnellingen, met uitzondering van kruipversnellingen);

b) 

hartafstand tussenasoverbrengingen;

c) 

type van lagers op overeenkomstige plaatsen, indien gemonteerd;

d) 

type van schakelelementen op overeenkomstige plaatsen (klauwkoppelingen, met inbegrip van synchromeshringen, of wrijvingskoppelingen), indien gemonteerd.

3.2.

De volgende criteria moeten voor alle leden binnen een familie van transmissies gemeenschappelijk zijn. Voor de hieronder vermelde parameters mag na goedkeuring door de goedkeuringsinstantie een specifiek bereik worden toegepast:

a) 

tandwielbreedte ± 1 mm;

b) 

totaal aantal voorwaartse versnellingen;

c) 

aantal klauwkoppelingen;

d) 

aantal synchronisators;

e) 

aantal platen wrijvingskoppeling (behalve voor enkelvoudige droge koppeling met 1 of 2 platen);

f) 

buitendiameter van platen wrijvingskoppeling (behalve voor enkelvoudige droge koppeling met 1 of 2 platen);

g) 

oppervlakteruwheid van de tanden;

h) 

aantal asafdichtingen van bewegende aandrijfassen;

i) 

oliedebiet voor smering en koeling per omwenteling van de ingaande aandrijfas;

j) 

olieviscositeit (± 10 %);

k) 

systeemdruk van hydraulische versnellingsbakken;

l) 

gespecificeerd oliepeil ten opzichte van centrale as en overeenkomstig de getekende specificatie (gebaseerd op de gemiddelde waarde tussen de boven- en ondergrens) in statische of werkende toestand. Het oliepeil wordt gelijk geacht als alle roterende transmissieonderdelen (behalve de oliepomp en de aandrijving daarvan) zich boven het gespecificeerde oliepeil bevinden;

m) 

gespecificeerd oliepeil (± 1 mm).

4.

Keuze van de oudertransmissie

De oudertransmissie wordt gekozen aan de hand van onderstaande criteria:

a) 

de grootste tandwielbreedte voor optie 1 of de grootste tandwielbreedte ± 1 mm voor optie 2 of 3;

b) 

het grootste totale aantal versnellingen;

c) 

het grootste aantal klauwkoppelingen;

d) 

het grootste aantal synchronisators;

e) 

het grootste aantal wrijvingskoppelingsplaten (behalve voor enkelvoudige droge koppeling met 1 of 2 platen);

f) 

de grootste waarde van de buitendiameter van wrijvingskoppelingsplaten (behalve voor enkelvoudige droge koppeling met 1 of 2 platen);

g) 

de hoogste waarde van de oppervlakteruwheid van de tanden;

h) 

het grootste aantal asafdichtingen van bewegende aandrijfassen;

i) 

het grootste oliedebiet voor smering en koeling per omwenteling van de ingaande aandrijfas;

j) 

de hoogste olieviscositeit;

k) 

de hoogste systeemdruk van hydraulische versnellingsbakken;

l) 

het hoogste gespecificeerd oliepeil ten opzichte van centrale as en overeenkomstig de getekende specificatie (gebaseerd op de gemiddelde waarde tussen de boven- en ondergrens) in statische of werkende toestand. Het oliepeil wordt gelijk geacht als alle roterende transmissieonderdelen (behalve de oliepomp en de aandrijving daarvan) zich boven het gespecificeerde oliepeil bevinden;

m) 

het hoogste gespecificeerd oliepeil (± 1 mm).

5.

Parameters die de familie van koppelomvormers bepalen

5.1.

De volgende criteria moeten voor alle leden binnen een familie van koppelomvormers (TC-familie) gelijk zijn.

5.1.1.

Voor hydrodynamische koppelomvormer zonder mechanische transmissie (seriële opstelling):

a) 

buitendiameter torus;

b) 

binnendiameter torus;

c) 

opstelling van pomp (P), turbine (T) en stator (S) in stroomrichting;

d) 

breedte torus;

e) 

olietype volgens testspecificatie;

f) 

ontwerp bladen.

5.1.2.

Voor hydrodynamische koppelomvormer met mechanische transmissie (parallelle opstelling):

a) 

buitendiameter torus;

b) 

binnendiameter torus;

c) 

opstelling van pomp (P), turbine (T) en stator (S) in stroomrichting;

d) 

breedte torus;

e) 

olietype volgens testspecificatie;

f) 

ontwerp bladen;

g) 

versnellingsschema en vermogensstroom in koppelomvormingsmodus;

h) 

type van lagers op overeenkomstige plaatsen, indien gemonteerd;

i) 

type van koel- of smeerpomp (met verwijzing naar onderdelenlijst);

j) 

type van schakelelementen op overeenkomstige plaatsen (klauwkoppelingen (met inbegrip van synchromeshringen) of wrijvingskoppelingen), indien gemonteerd.

5.1.3.

De volgende criteria moeten voor alle leden binnen een familie van hydrodynamische koppelomvormers met mechanische transmissie (parallelle opstelling) gemeenschappelijk zijn. Voor de hieronder vermelde parameters mag na goedkeuring door de goedkeuringsinstantie een specifiek bereik worden toegepast:

a) 

oliepeil ten opzichte van centrale as, volgens tekening.

6.

Keuze van de ouderkoppelomvormer

6.1.

Voor hydrodynamische koppelomvormer zonder mechanische transmissie (seriële opstelling)

Elk lid van de familie van koppelomvormers zonder mechanische transmissie kan als ouder worden gekozen, mits alle in punt 5.1.1 vermelde criteria identiek zijn.

6.2.

Voor hydrodynamische koppelomvormer met mechanische transmissie

De ouder van de hydrodynamische koppelomvormers met mechanische transmissie (parallelle opstelling) wordt gekozen aan de hand van onderstaande criteria:

a) 

het hoogste oliepeil ten opzichte van centrale as, volgens tekening.

7.

Parameters die de familie van andere koppeloverbrengingsonderdelen (OTTC-familie) bepalen

7.1.

De volgende criteria moeten voor alle leden binnen een familie van hydrodynamische koppeloverbrengingsonderdelen/retarders gelijk zijn:

a) 

buitendiameter torus;

b) 

breedte torus;

c) 

ontwerp bladen;

d) 

werkingsvloeistof.

7.2.

De volgende criteria moeten voor alle leden binnen een familie van magnetische koppeloverbrengingsonderdelen/retarders gelijk zijn:

a) 

ontwerp trommel (eletromagnetische retarder of retarder met permanente magneet);

b) 

buitendiameter rotor;

c) 

ontwerp koelbladen;

d) 

ontwerp bladen.

7.3.

De volgende criteria moeten voor alle leden binnen een familie van koppeloverbrengingsonderdelen/hydrodynamische koppelingen gelijk zijn:

a) 

buitendiameter torus;

b) 

breedte torus;

c) 

ontwerp bladen.

7.4.

De volgende criteria moeten voor alle leden binnen een familie van hydrodynamische koppeloverbrengingsonderdelen/retarders gemeenschappelijk zijn. Voor de hieronder vermelde parameters mag na goedkeuring door de goedkeuringsinstantie een specifiek bereik worden toegepast:

a) 

buitendiameter torus – binnendiameter torus (OD-ID);

b) 

aantal bladen;

c) 

viscositeit werkingsvloeistof (± 50 %).

7.5.

De volgende criteria moeten voor alle leden binnen een familie van magnetische koppeloverbrengingsonderdelen/retarders gemeenschappelijk zijn. Voor de hieronder vermelde parameters mag na goedkeuring door de goedkeuringsinstantie een specifiek bereik worden toegepast:

a) 

buitendiameter torus – binnendiameter rotor (OD-ID);

b) 

aantal rotoren;

c) 

aantal koelbladen / bladen;

d) 

aantal armen.

7.6.

De volgende criteria moeten voor alle leden binnen een familie van koppeloverbrengingsonderdelen/hydrodynamische koppelingen gemeenschappelijk zijn. Voor de hieronder vermelde parameters mag na goedkeuring door de goedkeuringsinstantie een specifiek bereik worden toegepast:

a) 

viscositeit werkingsvloeistof (± 10 %);

b) 

buitendiameter torus – binnendiameter torus (OD-ID);

c) 

aantal bladen.

8.

Keuze van de ouder van de koppeloverbrengingsonderdelen

8.1.

De ouder van de hydrodynamische koppeloverbrengingsonderdelen/retarders wordt gekozen aan de hand van onderstaande criteria:

a) 

hoogste waarde: buitendiameter torus – binnendiameter torus (OD-ID);

b) 

het grootste aantal bladen;

c) 

de hoogste viscositeit van de werkingsvloeistof.

8.2.

De ouder van de magnetische koppeloverbrengingsonderdelen/retarders wordt gekozen aan de hand van onderstaande criteria:

a) 

hoogste waarde buitendiameter rotor – binnendiameter rotor (OD-ID);

b) 

het grootste aantal rotoren;

c) 

het grootste aantal koelbladen / bladen;

d) 

het grootste aantal armen.

8.3.

De ouder van de koppeloverbrengingsonderdelen/hydrodynamische koppelingen wordt gekozen aan de hand van onderstaande criteria:

a) 

de hoogste viscositeit van de werkingsvloeistof (± 10 %);

b) 

hoogste waarde buitendiameter torus – binnendiameter torus (OD-ID);

c) 

het grootste aantal bladen.

9.

Parameters die de familie van aanvullende onderdelen van de aandrijflijn bepalen

9.1.

De volgende criteria moeten voor alle leden binnen een familie van aanvullende onderdelen van de aandrijflijn/haakse overbrengingen gelijk zijn:

a) 

overbrengingsverhouding en versnellingsschema;

b) 

hoek tussen ingaande en uitgaande aandrijfas;

c) 

type van lagers op overeenkomstige plaatsen.

9.2.

De volgende criteria moeten voor alle leden binnen een familie van aanvullende onderdelen van de aandrijflijn/haakse overbrengingen gemeenschappelijk zijn. Voor de hieronder vermelde parameters mag na goedkeuring door de goedkeuringsinstantie een specifiek bereik worden toegepast:

a) 

tandwielbreedte;

b) 

aantal asafdichtingen van bewegende aandrijfassen;

c) 

olieviscositeit (± 10 %);

d) 

oppervlakteruwheid van de tanden;

e) 

gespecificeerd oliepeil ten opzichte van centrale as en overeenkomstig de getekende specificatie (gebaseerd op de gemiddelde waarde tussen de boven- en ondergrens) in statische of werkende toestand. Het oliepeil wordt gelijk geacht als alle roterende transmissieonderdelen (behalve de oliepomp en de aandrijving daarvan) zich boven het gespecificeerde oliepeil bevinden.

10.

Keuze van de ouder van de aanvullende onderdelen van de aandrijflijn

10.1.

De ouder van de aanvullende onderdelen van de aandrijflijn/haakse overbrengingen wordt gekozen aan de hand van onderstaande criteria:

a) 

de grootste tandwielbreedte;

a) 

het grootste aantal asafdichtingen van bewegende aandrijfassen;

c) 

de hoogste olieviscositeit (± 10 %);

d) 

de hoogste oppervlakteruwheid van de tanden;

e) 

het hoogste gespecificeerd oliepeil ten opzichte van centrale as en overeenkomstig de getekende specificatie (gebaseerd op de gemiddelde waarde tussen de boven- en ondergrens) in statische of werkende toestand. Het oliepeil wordt gelijk geacht als alle roterende transmissieonderdelen (behalve de oliepomp en de aandrijving daarvan) zich boven het gespecificeerde oliepeil bevinden.




Aanhangsel 7

Opschriften en nummering

1.   Opschriften

Als een onderdeel overeenkomstig deze bijlage wordt gecertificeerd, worden de volgende opschriften op het onderdeel aangebracht:

▼M1

1.1.

de naam of het handelsmerk van de fabrikant;

1.2.

het merk en het type, zoals vastgelegd in de in de punten 0.2 en 0.3 van de aanhangselen 2 tot en met 5 van deze bijlage bedoelde informatie;

▼B

1.3.

het certificeringsmerk (indien van toepassing) in de vorm van een rechthoek met daarin de kleine letter „e”, gevolgd door het nummer van de lidstaat die het certificaat heeft verleend:

1 voor Duitsland;
2 voor Frankrijk;
3 voor Italië;
4 voor Nederland;
5 voor Zweden;
6 voor België;
7 voor Hongarije;
8 voor Tsjechië;
9 voor Spanje;
11 voor het Verenigd Koninkrijk;
12 voor Oostenrijk;
13 voor Luxemburg;
17 voor Finland;
18 voor Denemarken;
19 voor Roemenië;
20 voor Polen;
21 voor Portugal;
23 voor Griekenland;
24 voor Ierland;
25 voor Kroatië;
26 voor Slovenië;
27 voor Slowakije;
29 voor Estland;
32 voor Letland;
34 voor Bulgarije;
36 voor Litouwen;
49 voor Cyprus;
50 voor Malta.

1.4.

►M3  In de nabijheid van de rechthoek wordt het „basisgoedkeuringsnummer” aangebracht, zoals gespecificeerd voor deel 4 van het in bijlage IV bij Verordening (EU) 2020/683 beschreven typegoedkeuringsnummer, voorafgegaan door de twee cijfers die het volgnummer aangeven van de recentste technische wijziging van deze verordening en een letter waarmee het onderdeel wordt aangegeven waarvoor het certificaat is verleend. ◄

Voor deze verordening is het volgnummer ►M3  02 ◄ .

De letters voor deze verordening zijn in tabel 1 vermeld.



Tabel 1

▼M1

G

Transmissie

▼B

C

Koppelomvormer (TC)

O

Ander koppeloverbrengingsonderdeel (OTTC)

D

Aanvullend onderdeel van de aandrijflijn (ADC)

▼M3

1.5.

Voorbeeld van het certificeringsmerk

image

Bovenstaand certificeringsmerk, aangebracht op een transmissie, koppelomvormer (TC), ander koppeloverbrengingsonderdeel (OTTC) of aanvullend onderdeel van de aandrijflijn (ADC), geeft aan dat het type in kwestie in Polen (e20) is gecertificeerd krachtens deze verordening. De eerste twee cijfers (02) geven het volgnummer van de recentste technische wijziging van deze verordening aan. Het volgende teken geeft aan dat het certificaat is verleend voor een transmissie (G). De laatste vijf cijfers (00005) zijn door de goedkeuringsinstantie aan de transmissie toegekend als basisgoedkeuringsnummer.

▼B

1.6.

Op verzoek van de aanvrager van de certificering kan, met voorafgaande toestemming van de goedkeuringsinstantie, een andere tekengrootte worden gebruikt dan is aangegeven in punt 1.5. De tekens moeten echter duidelijk leesbaar blijven.

1.7.

De opschriften, etiketten, platen of stickers moeten even lang meegaan als de transmissie, de koppelomvormer (TC), het andere koppeloverbrengingsonderdeel (OTTC) of het aanvullende onderdelen van de aandrijflijn (ADC) en moeten duidelijk leesbaar en onuitwisbaar zijn. De fabrikant zorgt ervoor dat de opschriften, etiketten, platen of stickers niet kunnen worden verwijderd zonder vernietigd of onleesbaar te worden.

1.8.

Indien dezelfde goedkeuringsinstantie afzonderlijke certificaten heeft verleend voor een transmissie, koppelomvormer, ander koppeloverbrengingsonderdeel of aanvullend onderdeel van de aandrijflijn en die onderdelen in combinatie zijn gemonteerd, volstaat het om één certificeringsmerk overeenkomstig punt 1.3 aan te brengen. Dat certificeringsmerk wordt gevolgd door de toepasselijke in punt 1.4 beschreven opschriften voor de transmissie, de koppelomvormer, het andere koppeloverbrengingsonderdeel of het aanvullende onderdeel van de aandrijflijn, waartussen het teken „/” wordt aangebracht.

1.9.

Het certificeringsmerk moet zichtbaar zijn wanneer de transmissie, de koppelomvormer, het andere koppeloverbrengingsonderdeel of het aanvullende onderdeel van de aandrijflijn in het voertuig is gemonteerd en moet worden bevestigd aan een deel dat noodzakelijk is voor het normale bedrijf en tijdens de levensduur van het onderdeel normaliter niet hoeft te worden vervangen.

1.10.

Als de koppelomvormer of andere koppeloverbrengingsonderdelen zodanig geconstrueerd zijn dat zij na montage op een transmissie niet toegankelijk en/of zichtbaar zijn, wordt het certificeringsmerk van de koppelomvormer of het andere koppeloverbrengingsonderdeel op de transmissie aangebracht.

In het in de eerste alinea beschreven geval wordt, als de koppelomvormer of het andere koppeloverbrengingsonderdeel niet is gecertificeerd, in plaats van het certificeringsnummer het teken „–” op de transmissie aangebracht naast de in punt 1.4 vermelde letter.

2.   Nummering

▼M3

2.1.

Het certificeringsnummer van transmissies, koppelomvormers, andere koppeloverbrengingsonderdelen en aanvullende onderdelen van de aandrijflijn bestaat uit de volgende delen:



eX*YYYY/YYYY*ZZZZ/ZZZZ*X*00000*00

section 1

section 2

section 3

Additional letter to section 3

section 4

section 5

Indication of country issuing the certificate

HDV CO2 determination Regulation ‘2017/2400’

Latest amending Regulation (ZZZZ/ZZZZ)

See Table 1 of this Appendix

Base certification number 00000

Extension 00

▼B




Aanhangsel 8

Standaardkoppelverlieswaarden – transmissie

Berekende substitutiewaarden op basis van het nominale maximumkoppel van de transmissie

Koppelverlies Tl,in op de ingaande aandrijfas van de transmissie wordt berekend met:

image

waarbij:

Tl,in

=

koppelverlies op ingaande aandrijfas [Nm];

Tdx

=

weerstandskoppel bij x min– 1 [Nm];

Taddx

=

aanvullend weerstandskoppel van haakse tandwieloverbrenging bij x min– 1 [Nm];

(indien van toepassing)

nin

=

toerental van ingaande aandrijfas [ min– 1];

fT

=

1-η;

η

=

rendement

fT

=

0,01 voor directe overbrenging, 0,04 voor indirecte overbrengingen

fT_add

=

0,04 voor haakse tandwieloverbrenging (indien van toepassing)

Tin

=

koppel op ingaande aandrijfas [Nm].

Voor transmissies met klauwkoppelingen (gesynchroniseerde manuele transmissies (SMT), geautomatiseerde manuele transmissies of automatische mechanisch gekoppelde transmissies (AMT) en transmissies met dubbele koppeling (DCT)) wordt weerstandskoppel Tdx berekend met:

image

waarbij:

Tmax,in

=

maximaal toegestaan ingangskoppel in een voorwaartse versnelling van de transmissie [Nm];

=

max(Tmax,in,gear)

Tmax,in,gear

=

maximaal toegestaan ingangskoppel in een versnelling, waarbij gear = 1, 2, 3, … hoogste versnelling. Voor transmissies met hydrodynamische koppelomvormer is dit ingangskoppel het koppel bij de ingang van de transmissie, vóór de koppelomvormer.

Voor transmissies met wrijvingsschakelkoppelingen (> 2 wrijvingskoppelingen) wordt weerstandskoppel Tdx berekend met:

image

Hier wordt „wrijvingskoppeling” gebruikt in verband met een koppeling of rem die met wrijving werkt en nodig is voor blijvende koppeloverbrenging in ten minste één versnelling.
Voor transmissies met een haakse overbrenging (bv. kegeltandwiel) wordt het aanvullende weerstandskoppel van de haakse tandwieloverbrenging Taddx opgenomen in de berekening van Tdx :

image

(alleen indien van toepassing)

▼M3

Voor transmissies met geïntegreerd differentieel wordt het geïntegreerd differentieel beschouwd als een haakse overbrenging. Bijgevolg worden de bovenstaande uitdrukkingen voor Tadd0 , Tadd1000 en fTadd gebruikt voor de berekening van T l,in .

▼B




Aanhangsel 9

Generiek model — koppelomvormer

Generiek model van een koppelomvormer op basis van standaardtechnologie

Voor de bepaling van de kenmerken van de omvormer mag een generiek model van een koppelomvormer worden toegepast dat op specifieke motorkarakteristieken is gebaseerd.

Het generieke TC-model is gebaseerd op de volgende karakteristieke motorgegevens:

nrated

=

maximumtoerental van de motor bij maximaal vermogen (afgelezen uit de door de motorvoorbewerkingstool berekende vollastcurve van de motor) [ min– 1];

Tmax

=

maximumkoppel van de motor (afgelezen uit de door de motorvoorbewerkingstool berekende vollastcurve van de motor) [Nm].

De generieke TC-karakteristieken gelden bijgevolg alleen voor een combinatie van de TC met een motor met dezelfde specifieke karakteristieke motorgegevens.

Beschrijving van het vierpuntsmodel voor de koppelcapaciteit van de TC:

Generieke koppelcapaciteit en generieke koppelverhouding:

Figuur 1

Generieke koppelcapaciteit

image

Figuur 2

Generieke koppelverhouding

image

waarbij:

TP1000

=

referentiekoppel van de pomp;

image

[Nm]

v

=

toerentalverhouding;

image

[-];

μ

=

koppelverhouding;

image

[-];

vs

=

toerentalverhouding bij vrijlooppunt;

image

[-].

Voor een TC met roterende behuizing (Trilocktype) bedraagt vs gewoonlijk 1. Voor andere soorten TC's, en met name als het vermogen wordt gesplitst, kan vs andere waarden dan 1 hebben;

vc

=

toerentalverhouding bij aangrijppunt

image

[-];

v0

=

afslapunt; v 0 = 0 [ min– 1];

vm

=

intermediaire toerentalverhouding;

image

[-].

Bij het model wordt de generieke koppelcapaciteit berekend op basis van de volgende definities:

afslapunt:
— 
afslapunt bij 70 % van nominaal motortoerental;
— 
motorkoppel bij afslapunt op 80 % van maximummotorkoppel;
— 
motor/pompreferentiekoppel op afslapunt:

image

intermediair punt:
— 
intermediaire toerentalverhouding vm = 0,6 * vs
— 
motor/pompreferentiekoppel op intermediair punt bij 80 % van referentiekoppel op afslapunt:

image

aangrijppunt:
— 
aangrijppunt bij 90 % vrijloopomstandigheden: vc = 0,90 * vs
— 
motor/pompreferentiekoppel op koppelpunt bij 50 % van referentiekoppel op afslapunt:

image

vrijlooppunt:
— 
referentiekoppel bij vrijloopomstandigheden = vs :

image

Bij het model wordt de generieke koppelverhouding berekend op basis van de volgende definities:

afslapunt:
— 
koppelverhouding bij afslapunt v0 = vs = 0:

image

intermediair punt:
— 
lineaire interpolatie tussen afslapunt en aangrijppunt;
aangrijppunt:
— 
koppelverhouding bij aangrijppunt vc = 0,9 * vs :

image

vrijlooppunt:
— 
koppelverhouding bij vrijloopomstandigheden = vs :

image

rendement:
n = μ * v

er wordt lineaire interpolatie tussen de berekende specifieke punten toegepast.

▼M3




Aanhangsel 10

Standaardkoppelverlieswaarden — andere koppeloverbrengingsonderdelen

Berekende standaardkoppelverlieswaarden voor andere koppeloverbrengingsonderdelen

Voor primaire hydrodynamische (olie- of water-)retarders met inbegrepen functionaliteit voor het wegrijden van het voertuig vanuit stilstand wordt het weerstandskoppelverlies berekend met:

image

Voor andere hydrodynamische (olie- of water-)retarders wordt het weerstandskoppelverlies berekend met:

image

Voor (permanente of elektromagnetische) magnetische retarders wordt het weerstandskoppelverlies berekend met:

image

waarbij:

Tretarder

=

weerstandskoppelverlies van de retarder (Nm);

nretarder

=

rotortoerental van de retarder [min–1] (zie punt 5.1 van deze bijlage);

istep-up

=

versnellingsverhouding = toerental retarderrotor / toerental aandrijfonderdeel (zie punt 5.1 van deze bijlage).

▼B




Aanhangsel 11

▼M3

Standaardkoppelverlieswaarden — haakse tandwieloverbrenging of onderdeel van de aandrijflijn met enkelvoudige reductie

De standaardkoppelverlieswaarden voor een haakse tandwieloverbrenging of een onderdeel van de aandrijflijn met enkelvoudige reductie zonder transmissie worden, overeenkomstig de in aanhangsel 8 beschreven standaardkoppelverlieswaarden voor de combinatie van een transmissie met een haakse tandwieloverbrenging, berekend met:

▼B

image

waarbij:

Tl,in

=

koppelverlies op ingaande aandrijfas van de transmissie [Nm];

Taddx

=

aanvullend weerstandskoppel van haakse tandwieloverbrenging bij x min– 1 [Nm]

(indien van toepassing);

nin

=

toerental van ingaande aandrijfas van de transmissie [ min– 1];

fT

=

1-η;

η = rendement

fT_add = 0,04 voor haakse tandwieloverbrenging;

Tin

=

koppel op ingaande aandrijfas van de transmissie [Nm];

Tmax,in

=

maximaal toegestaan ingangskoppel in een voorwaartse versnelling van de transmissie [Nm];

=

max(Tmax,in,gear);

Tmax,in,gear

=

maximaal toegestaan ingangskoppel in een versnelling, waarbij gear = 1, 2, 3, … hoogste versnelling.

image

De met bovenstaande berekeningen verkregen standaardkoppelverliezen mogen bij de volgens de opties 1-3 verkregen koppelverliezen van een transmissie worden opgeteld om de koppelverliezen voor de combinatie van de specifieke transmissie met een haakse overbrenging te bepalen.




Aanhangsel 12

Inputparameters voor de simulatietool

Inleiding

In dit aanhangsel worden de parameters beschreven die de fabrikant van transmissies, koppelomvormers (TC), andere koppeloverbrengingsonderdelen (OTTC) en aanvullende onderdelen van de aandrijflijn (ADC) als input voor de simulatietool moet verstrekken. Het te gebruiken xml-schema en voorbeeldgegevens zijn beschikbaar op het speciale elektronische distributieplatform.

Definities

1)

„Parameter-ID” : unieke identificatiecode die in de simulatietool voor een specifieke inputparameter of reeks inputgegevens wordt gebruikt.

2)

„Type” :

datatype van de parameter:

string …

:

tekenreeks in ISO 8859-1-codering;

token …

:

tekenreeks in ISO 8859-1-codering, zonder lege karakters aan begin en eind;

date …

:

datum en tijd (UTC) in de vormYYYY-MM-DDTHH:MM:SSZ, waarbij de cursieve letters vaste tekens zijn, bv. „2002-05-30T09:30:10Z”;

integer …

:

waarde van een geheel getal zonder voorafgaande nullen, bv. „1800”;

double, X …

:

gebroken getal met precies X cijfers na het scheidingsteken (.) en zonder voorafgaande nullen, bv. voor „double, 2”: „2345.67”; voor „double, 4”: „45.6780”.

3)

„Eenheid” : natuurkundige eenheid van de parameter.

Reeks inputparameters

▼M1



Tabel 1

Inputparameters „Transmission/General”

Parameternaam

Parameter-ID

Type

Eenheid

Beschrijving/referentie

Manufacturer

P205

token

[-]

 

Model

P206

token

[-]

 

CertificationNumber

P207

token

[-]

 

Date

P208

dateTime

[-]

Datum en tijd waarop de onderdeel-hash is gecreëerd

AppVersion

P209

token

[-]

 

TransmissionType

P076

string

[-]

►M3  Toegestane waarden (1): „SMT”, „AMT”, „APT-S”, „APT-P”, „APT-N”, „IHPC Type 1” ◄

MainCertificationMethod

P254

string

[-]

Toegestane waarden: „Option 1”, „Option 2”, „Option 3”, „Standard values”

▼M3

DifferentialIncluded

P353

boolean

[-]

 

AxlegearRatio

P150

double, 3

[-]

Facultatief, alleen vereist als „DifferentialIncluded” is ingesteld op „true”

(1)   

Transmissies met dubbele koppeling (DCT) worden opgegeven als transmissietype AMT.

▼B



Tabel 2

Inputparameters „Transmission/Gears” per versnelling

Parameternaam

Parameter-ID

Type

Eenheid

Beschrijving/referentie

GearNumber

P199

integer

[-]

 

Ratio

P078

double, 3

[-]

►M3  In het geval van een transmissie met geïntegreerd differentieel wordt de overbrengingsverhouding van de transmissie alleen opgegeven zonder rekening te houden met de asoverbrengingsverhouding ◄

MaxTorque

P157

integer

[Nm]

facultatief

MaxSpeed

P194

integer

[ min– 1]

facultatief



Tabel 3

Inputparameters „Transmission/LossMap” per versnelling en voor elk rasterpunt in het verliesdiagram

Parameternaam

Parameter-ID

Type

Eenheid

Beschrijving/referentie

InputSpeed

P096

double, 2

[ min– 1]

 

InputTorque

P097

double, 2

[Nm]

 

TorqueLoss

P098

double, 2

[Nm]

 



Tabel 4

Inputparameters „TorqueConverter/General”

Parameternaam

Parameter-ID

Type

Eenheid

Beschrijving/referentie

Manufacturer

P210

token

[-]

 

Model

P211

token

[-]

 

▼M1

CertificationNumber

P212

token

[-]

 

▼B

Date

P213

dateTime

[-]

Datum en tijd waarop de onderdeel-hash is gecreëerd

AppVersion

P214

string

[-]

 

CertificationMethod

P257

string

[-]

Toegestane waarden: „Measured”, „Standard values”



Tabel 5

Inputparameters „TorqueConverter/Characteristics” voor elk rasterpunt in de karakteristieke curve

Parameternaam

Parameter-ID

Type

Eenheid

Beschrijving/referentie

SpeedRatio

P099

double, 4

[-]

 

TorqueRatio

P100

double, 4

[-]

 

InputTorqueRef

P101

double, 2

[Nm]

 



Tabel 6

▼M3

Inputparameters „ADC/General” (alleen vereist als onderdeel aanwezig is)

▼B

Parameternaam

Parameter-ID

Type

Eenheid

Beschrijving/referentie

Manufacturer

P220

token

[-]

 

Model

P221

token

[-]

 

▼M1

CertificationNumber

P222

token

[-]

 

▼B

Date

P223

dateTime

[-]

Datum en tijd waarop de onderdeel-hash is gecreëerd

AppVersion

P224

string

[-]

 

Ratio

P176

double, 3

[-]

 

CertificationMethod

P258

string

[-]

Toegestane waarden: „Option 1”, „Option 2”, „Option 3”, „Standard values”



Tabel 7

▼M3

Inputparameters „ADC/LossMap” voor elk rasterpunt in het verliesdiagram (alleen vereist als onderdeel aanwezig is)

▼B

Parameternaam

Parameter-ID

Type

Eenheid

Beschrijving/referentie

InputSpeed

P173

double, 2

[ min– 1]

 

InputTorque

P174

double, 2

[Nm]

 

TorqueLoss

P175

double, 2

[Nm]

 



Tabel 8

Inputparameters „Retarder/General” (alleen vereist als onderdeel aanwezig is)

Parameternaam

Parameter-ID

Type

Eenheid

Beschrijving/referentie

Manufacturer

P225

token

[-]

 

Model

P226

token

[-]

 

▼M1

CertificationNumber

P227

token

[-]

 

▼B

Date

P228

dateTime

[-]

Datum en tijd waarop de onderdeel-hash is gecreëerd

AppVersion

P229

string

[-]

 

CertificationMethod

P255

string

[-]

Toegestane waarden: „Measured”, „Standard values”



Tabel 9

Inputparameters „Retarder/LossMap” voor elk rasterpunt in de karakteristieke curve (alleen vereist als onderdeel aanwezig is)

Parameternaam

Parameter-ID

Type

Eenheid

Beschrijving/referentie

RetarderSpeed

P057

double, 2

[ min– 1]

 

TorqueLoss

P058

double, 2

[Nm]

 




BIJLAGE VII

CONTROLE VAN ASGEGEVENS

1.   Inleiding

Deze bijlage bevat de certificeringsvoorschriften betreffende de koppelverliezen van voortstuwingsassen voor zware bedrijfsvoertuigen. Als alternatief voor de certificering van assen kan de in aanhangsel 3 van deze bijlage beschreven berekeningsprocedure voor het standaardkoppelverlies worden toegepast om de voertuigspecifieke CO2-emissies te bepalen.

2.   Definities

Voor de toepassing van deze bijlage wordt verstaan onder:

1)

„as met enkele reductie (SR)” : aangedreven as met slechts één tandwielreductie, gewoonlijk een al dan niet hypoïde kegeltandwieloverbrenging;

2)

„enkelvoudige portaalas (SP)” : as waarbij er gewoonlijk een verticale afstand is tussen de draaiende as van het kroonwiel en de draaiende as van het wiel om een grotere bodemvrijheid of bij stadsbussen een verlaagde vloer mogelijk te maken. ►M3  De eerste reductie is gewoonlijk een kegeltandwieloverbrenging, de tweede een rechte tandwieloverbrenging (of schroeftandwieloverbrenging) met een verticale afstand tussen de assen nabij de wielen; ◄

3)

„naafreductieas (HR)” : aangedreven as met twee tandwielreducties. De eerste is gewoonlijk een al dan niet hypoïde kegeltandwieloverbrenging. De andere is een planetaire tandwieloverbrenging, die zich gewoonlijk in de buurt van de wielnaven bevindt;

4)

„tandemas met enkele reductie (SRT)” : aangedreven as die in wezen gelijk is aan een enkelvoudige aangedreven as, maar ook tot doel heeft koppel van de ingangsflens via een uitgangsflens naar een andere as over te brengen. Het koppel kan met een rechte tandwieloverbrenging nabij de ingangsflens worden overgebracht om een verticale afstand voor de uitgangsflens te genereren. Een andere mogelijkheid is bij de kegeltandwieloverbrenging een tweede rondsel te gebruiken, dat koppel afneemt bij het kroonwiel;

5)

„tandemas met naafreductie (HRT)” : naafreductieas die op de voor een tandemas met enkele reductie (SRT) beschreven wijze koppel naar achteren kan overbrengen;

6)

„asbehuizing” : behuizingsdelen om de constructie de nodige stevigheid te geven en de aandrijflijndelen, lagers en afdichtingen van de as te dragen;

7)

„rondsel” : deel van een meestal uit twee tandwielen bestaande kegeltandwieloverbrenging. Het rondsel is het aandrijvende tandwiel dat met de ingangsflens verbonden is. Bij een SRT of HRT kan een tweede rondsel gemonteerd zijn om koppel van het kroonwiel af te nemen;

8)

„kroonwiel” : deel van een meestal uit twee tandwielen bestaande kegeltandwieloverbrenging. Het kroonwiel is het aangedreven tandwiel en is met het differentieelhuis verbonden;

9)

„naafreductie” : de planeettandwieloverbrenging die gewoonlijk buiten de planeetlager op de naafreductieassen is gemonteerd. De tandwieloverbrenging bestaat uit drie soorten tandwielen: het zonnewiel, de planeetwielen en het satellietwiel. Het zonnewiel bevindt zich in het midden, de planeetwielen draaien rond het zonnewiel en zijn gemonteerd op de planeetwieldrager, die aan de naaf is bevestigd. Er zijn doorgaans drie tot vijf planeetwielen. Het satellietwiel draait niet en is op het aslichaam gemonteerd;

10)

„planeetwielen” : tandwielen die binnen het satellietwiel van een planeettandwieloverbrenging rond het zonnewiel draaien. Zij zijn met lagers gemonteerd op een planeetwieldrager, die aan een naaf is bevestigd;

11)

„viscositeitsgetal van het olietype” : viscositeitsgetal volgens SAE J306;

12)

„fabrieksvullingsolie” : het viscositeitsgetal van het olietype waarmee de as in de fabriek is gevuld en dat bedoeld is om tot de eerste onderhoudsbeurt te worden gebruikt;

13)

„aslijn” : groep assen die dezelfde basisasfunctie hebben, zoals gedefinieerd in het familieconcept;

14)

„asfamilie” : door de fabrikant bepaalde groep assen die door hun ontwerp overeenkomstig aanhangsel 4 van deze bijlage soortgelijke ontwerpkenmerken en CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen hebben;

15)

„weerstandskoppel” : koppel dat vereist is om de interne wrijving van een as te overwinnen wanneer de wieluiteinden vrij draaien met een uitgangskoppel van 0 Nm;

16)

„gespiegelde asbehuizing” : asbehuizing die gespiegeld is ten opzichte van een verticaal vlak;

17)

„asingang” : de zijde van de as waar het koppel op de as wordt overgedragen;

18)

„asuitgang” : de zijde(n) van de as waar het koppel aan de wielen wordt overgedragen.

3.   Algemene voorschriften

▼M3

De astandwielen en alle lagers moeten nieuw zijn voor de controle van de asverliezen, terwijl de lagers op de wieluiteinden reeds mogen zijn ingelopen en voor meerdere metingen mogen worden gebruikt.

▼B

Op verzoek van de aanvrager kunnen in één asbehuizing met dezelfde wieluiteinden verschillende overbrengingsverhoudingen worden getest.

Er mogen verschillende asverhoudingen van naafreductieassen en enkelvoudige portaalassen (HR, HRT, SP) worden gemeten door alleen de naafreductie te wisselen. De voorschriften in aanhangsel 4 van deze bijlage zijn van toepassing.

De totale bedrijfstijd voor het facultatieve inlopen en de meting van een individuele as mag (behalve voor de asbehuizing en de wieluiteinden) niet meer dan 120 uur bedragen.

Voor het testen van de verliezen van een as moet de koppelverliesdiagram voor elke verhouding van een individuele as worden gemeten; de assen mogen echter overeenkomstig aanhangsel 4 van deze bijlage in asfamilies worden gegroepeerd.

3.1.   Inlopen

Op verzoek van de aanvrager kan op de as een inloopprocedure worden toegepast. Voor de inloopprocedure gelden de volgende bepalingen.

3.1.1.

Bij de inloopprocedure mag alleen fabrieksvullingsolie worden gebruikt. De olie die bij het inlopen wordt gebruikt, mag niet worden gebruikt voor de in punt 4 beschreven tests.

3.1.2.

De fabrikant specificeert het toerental- en koppelprofiel van de inloopprocedure.

3.1.3.

De fabrikant documenteert de looptijd, het toerental, het koppel en de olietemperatuur gedurende de inloopprocedure en verstrekt hierover een rapport aan de goedkeuringsinstantie.

3.1.4.

De voorschriften betreffende olietemperatuur (punt 4.3.1), meetnauwkeurigheid (punt 4.4.7) en testopstelling (punt 4.2) zijn niet van toepassing op de inloopprocedure.

4.   Testprocedure voor assen

4.1.   Testomstandigheden

4.1.1.   Omgevingstemperatuur

De temperatuur in de meetcel moet op 25 °C ± 10 °C worden gehouden. De omgevingstemperatuur wordt binnen een afstand van 1 m van de asbehuizing gemeten. Er mag alleen warmte op de as worden toegepast door middel van een extern olieconditioneringssysteem, zoals beschreven in punt 4.1.5.

4.1.2.   Olietemperatuur

De olietemperatuur wordt naar goede ingenieurspraktijk in het midden van het oliecarter of op een ander geschikt punt gemeten. Bij externe olieconditionering mag de olietemperatuur ook in de uitlaatleiding van de asbehuizing naar het conditioneringssysteem, op een afstand van minder dan 5 cm van de uitlaat, worden gemeten. In beide gevallen mag de olietemperatuur niet hoger zijn dan 70°C.

4.1.3.   Oliekwaliteit

Bij de meting mag alleen aanbevolen fabrieksvullingsolie, zoals gespecificeerd door de asfabrikant, worden gebruikt. ►M3  Als met één asbehuizing verschillende overbrengingsverhoudingsvarianten worden getest, wordt voor elke afzonderlijke meting van het volledige assysteem nieuwe olie aangebracht. ◄

4.1.4.   Olieviscositeit

Als voor de fabrieksvulling verschillende soorten olie met een verschillend viscositeitsgetal zijn gespecificeerd, kiest de fabrikant voor de metingen van de ouderas de olie met het hoogste viscositeitsgetal.

Als binnen een asfamilie verschillende soorten olie met hetzelfde viscositeitsgetal als fabrieksvullingsolie zijn gespecificeerd, mag de aanvrager een van die soorten olie kiezen voor de meting in verband met de certificering.

4.1.5.   Oliepeil en -conditionering

Het oliepeil of het vulvolume wordt ingesteld op het hoogste niveau dat in de onderhoudsspecificaties van de fabrikant is aangegeven.

Er mogen een extern olieconditioneringssysteem en een filtersysteem worden gebruikt. De asbehuizing mag worden aangepast om het olieconditioneringssysteem erin op te nemen.

Het olieconditioneringssysteem mag, naar goede ingenieurspraktijk, niet zodanig worden gemonteerd dat de olieniveaus van de as kunnen worden veranderd om het rendement te verhogen of voortstuwingskoppel te genereren.

4.2.   Testopstelling

Voor de koppelverliesmeting zijn verschillende testopstellingen, zoals beschreven in de punten 4.2.3 en 4.2.4, toegestaan.

4.2.1.   Montage van de as

Bij een tandemas wordt elke as afzonderlijk gemeten. De eerste as met langsdifferentieel wordt geblokkeerd. De uitgaande aandrijfas van doorvoerassen wordt vrij roteerbaar gemonteerd.

4.2.2.   Montage van koppelmeters

4.2.2.1.

Voor een testopstelling met twee elektrische machines worden de koppelmeters op de ingangsflens en op één wieluiteinde gemonteerd, terwijl het andere is geblokkeerd.

4.2.2.2.

Voor een testopstelling met drie elektrische machines worden de koppelmeters op de ingangsflens en op elk wieluiteinde gemonteerd.

4.2.2.3.

Bij een opstelling met twee machines zijn steekassen van verschillende lengten toegestaan om de differentieel te blokkeren en ervoor te zorgen dat beide wieluiteinden draaien.

4.2.3.   Testopstelling van type A

Met een testopstelling van type A wordt bedoeld een opstelling waarbij een dynamometer aan de asingangzijde en ten minste een dynamometer aan de asuitgangzijde(n) zijn gemonteerd. Aan de asingangszijde en aan de asuitgangzijde(n) wordt koppelmeetapparatuur gemonteerd. ►M3  Voor opstellingen van type A met slechts één dynamometer aan de uitgangszijde moet het vrij roterende uiteinde van de as op roteerbare wijze worden vergrendeld aan het andere uiteinde aan de uitgangszijde (bv. door een geactiveerde differentieelblokkering of door een andere mechanische differentieelblokkering die alleen voor de meting wordt toegepast). ◄

Om parasitaire verliezen te vermijden, wordt de koppelmeetapparatuur zo dicht mogelijk bij de asingangszijde en de asuitgangszijde(n), ondersteund met passende lagers, geplaatst.

Er mag aanvullende mechanische isolatie van de koppelsensoren tegen parasitaire belasting van de aandrijfassen worden toegepast, bijvoorbeeld door aanvullende lagers en een flexibele verbinding of een lichtgewicht cardanas tussen de sensoren en een van deze lagers te monteren. ►M3  In figuur 1 is een voorbeeld van een testopstelling van type A met twee dynamometers weergegeven. ◄

Als fabrikanten een testopstelling van type A toepassen, moeten zij een analyse van de parasitaire belastingen verstrekken. Op basis van deze analyse beslist de goedkeuringsinstantie over de maximuminvloed van parasitaire belastingen. De waarde van ipara kan echter niet lager zijn dan 10 %.

Figuur 1

Voorbeeld van testopstelling van type A

image

4.2.4.   Testopstelling van type B

Een andere testopstelling wordt een testopstelling van type B genoemd. Voor die opstellingen wordt de maximuminvloed van parasitaire belastingen ipara op 100 % gesteld.

Met instemming van de goedkeuringsinstantie mogen lagere waarden voor ipara worden toegepast.

4.3.   Testprocedure

Om het koppelverliesdiagram voor een as te bepalen worden de basisgegevens voor het koppelverliesdiagram overeenkomstig punt 4.4 gemeten en berekend. ►M1  De koppelverliesresultaten worden overeenkomstig punt 4.4.8 aangevuld en overeenkomstig aanhangsel 6 geformatteerd met het oog op verdere verwerking door de simulatietool. ◄

4.3.1.   Meetapparatuur

De faciliteiten van het kalibratielaboratorium moeten voldoen aan de eisen van ►M3  IATF ◄  16949, ISO 9000-reeks of ISO/IEC 17025. Alle voor kalibraties en/of controles gebruikte referentiemeetapparatuur van het laboratorium moet herleidbaar zijn naar nationale (internationale) standaarden.

4.3.1.1.   Koppelmeting

De meetonzekerheid voor het koppel wordt overeenkomstig punt 4.4.7 berekend en toegepast.

De bemonsteringsfrequentie van de koppelsensoren moet in overeenstemming zijn met punt 4.3.2.1.

4.3.1.2.   Toerental

De onzekerheid van de toerentalsensoren voor de meting van het ingangs- en uitgangstoerental mag niet meer dan ± 2 min– 1 bedragen.

4.3.1.3.   Temperaturen

De onzekerheid van de temperatuursensoren voor de meting van de omgevingstemperatuur mag niet meer dan ± 1 °C bedragen.

De onzekerheid van de temperatuursensoren voor de meting van de olietemperatuur mag niet meer dan ± 0,5 °C bedragen.

4.3.2.   Meetsignalen en gegevensregistratie

De volgende signalen worden geregistreerd om de koppelverliezen te berekenen:

i) 

in- en uitgangskoppels [Nm];

ii) 

in- en/of uitgangstoerentallen [ min– 1];

iii) 

omgevingstemperatuur [°C];

iv) 

olietemperatuur [°C];

v) 

temperatuur bij koppelsensor ►M3  [°C] (optioneel) ◄ .

4.3.2.1.

De sensoren moeten ten minste de volgende bemonsteringsfrequenties hebben:

koppel: 1 kHz;
toerental: 200 Hz;
temperaturen: 10 Hz.

4.3.2.2.

De gegevens die worden gebruikt om het rekenkundige gemiddelde voor elk rasterpunt te bepalen, worden met een frequentie van ten minste 10 Hz geregistreerd. De ruwe gegevens hoeven niet te worden gerapporteerd.

Met instemming van de goedkeuringsinstantie mag signaalfiltering worden toegepast. Aliasing moet worden voorkomen.

▼M3

4.3.3.   Koppelbereik:

het te meten bereik van het koppelverliesdiagram is beperkt tot:

— 
hetzij een uitgangskoppel van 10 kNm voor zware vrachtwagens en zware bussen, hetzij 2 kNm voor middelzware vrachtwagens;
— 
of een ingangskoppel van 5 kNm voor zware vrachtwagens en zware bussen of 1 kNm voor middelzware vrachtwagens;
— 
of het door de fabrikant toegestane maximale motorvermogen voor een specifieke as of, bij meerdere aangedreven assen, overeenkomstig de nominale vermogensverdeling.

▼B

4.3.3.1.

De fabrikant mag de meting tot een uitgangskoppel van 20 kNm uitbreiden door de koppelverliezen lineair te extrapoleren of door metingen tot een uitgangskoppel van 20 kNm te verrichten, met stappen van 2 000  Nm. Voor de meting in dit aanvullende koppelbereik wordt aan de uitgangszijde een andere koppelsensor met een maximumkoppel van 20 kNm (opstelling met 2 machines) of twee andere 10 kNm-sensoren (opstelling met 3 machines) gebruikt.

Als na afloop van de meting van een as de straal van de kleinste band wordt beperkt (bv. productontwikkeling) of als de fysische grenzen van de testopstelling zijn bereikt (bv. door wijzigingen bij productontwikkeling), mogen de ontbrekende punten door de fabrikant uit het bestaande diagram worden geëxtrapoleerd. Van alle punten in het diagram mag niet meer dan 10 % door extrapolatie zijn verkregen en aan de geëxtrapoleerde punten wordt een extra koppelverlies van 5 % toegevoegd.

▼M3

4.3.3.2.

Te meten uitgangskoppelstappen voor zware vrachtwagens en zware bussen:

250 Nm < Tout < 1 000  Nm : stappen van 250 Nm;

1 000 Nm ≤ Tout ≤ 2 000 Nm : stappen van 500 Nm;

2 000 Nm ≤ Tout ≤ 10 000 Nm : stappen van 1 000  Nm;

Tout > 10 000 Nm : stappen van 2 000  Nm;

Te meten uitgangskoppelstappen voor middelzware vrachtwagens:

50 Nm < Tout < 200 Nm : stappen van 50 Nm;

200 Nm ≤ Tout ≤ 400 Nm : stappen van 100 Nm;

400 Nm ≤ Tout ≤ 2 000  Nm : stappen van 200 Nm;

Tout > 2 000 Nm : stappen van 400 Nm.

▼B

4.3.4.   Toerentalbereik

Het testtoerentalbereik gaat van een wieltoerental van 50 min– 1 tot het maximumtoerental. Het hoogste te meten testtoerental wordt hetzij bepaald door het maximale ingangstoerental van de as, hetzij door het maximale wieltoerental, afhankelijk van de vraag aan welke van de volgende voorwaarden het eerst wordt voldaan:

4.3.4.1. 

het maximale ingangstoerental van de as kan beperkt zijn tot de ontwerpspecificatie van de as;

4.3.4.2. 

►M3  het maximale wieltoerental wordt gemeten bij de kleinste toepasselijke banddiameter bij een snelheid van 90 km/h voor middelzware en zware vrachtwagens en 110 km/h voor zware bussen. ◄ Als de kleinste toepasselijke banddiameter niet is bepaald, is punt 4.3.4.1 van toepassing.

▼M3

4.3.5.   Te meten wieltoerentalstappen

De wieltoerentallen worden getest in stappen van 50 min–1 voor zware vrachtwagens en zware bussen en 100 min–1 voor middelzware vrachtwagens. Het is toegestaan intermediaire toerentalstappen te meten.

▼B

4.4.   Meting van koppelverliesdiagrammen voor assen

4.4.1.   Testreeks van koppelverliesdiagram

►M3  Bij elke toerentalstap wordt het koppelverlies voor elke uitgangskoppelstap vanaf de laagste koppelwaarde tot het maximum gemeten en vervolgens neerwaarts tot het minimum. ◄ De toerentalstappen kunnen in iedere volgorde worden gemeten. ►M1  De meetreeks voor het koppel wordt twee keer uitgevoerd en geregistreerd. ◄

De reeks mag worden onderbroken om te koelen of verwarmen.

▼M3

4.4.2.   Meetduur

De meetduur voor elk afzonderlijk rasterpunt bedraagt ten minste 5 seconden, maar niet meer dan 20 seconden.

▼B

4.4.3.   Bepaling van het gemiddelde voor rasterpunten

▼M1

Van de waarden die voor elk rasterpunt in het in punt 4.4.2 bedoelde interval van 5-20 seconden zijn geregistreerd, wordt het rekenkundig gemiddelde genomen.

▼B

Van de vier gemiddelde intervalwaarden voor de overeenkomstige toerental- en koppelrasterpunten, die verkregen zijn met de twee meetreeksen in op- en neerwaartse richting, wordt het rekenkundige gemiddelde genomen, zodat het resultaat één koppelverlieswaarde is.

4.4.4.

Het koppelverlies (aan de ingangszijde) van de as wordt berekend met:

image

waarbij:

Tloss,

=

koppelverlies van de as aan de ingangszijde [Nm];

Tin

=

ingangskoppel [Nm];

igear

=

asoverbrengingsverhouding [-];

Tout

=

uitgangskoppel [Nm].

4.4.5.

Validering van de meting

▼M1

4.4.5.1.

De gemiddelde toerentalwaarden per rasterpunt (interval van 5-20 s) mogen voor het uitgangstoerental niet meer dan ± 5 min-1 van de instelwaarden afwijken.

▼B

4.4.5.2.

De in punt 4.4.3 bedoelde gemiddelde uitgangskoppelwaarden voor elk rasterpunt mogen niet meer dan ± 20 Nm of, als dat een hogere waarde is, ± 1 % afwijken van het koppelinstelpunt voor hetzelfde rasterpunt.

4.4.5.3.

Als niet aan de hierboven vermelde criteria wordt voldaan, is de meting ongeldig. In dat geval wordt de meting voor de hele toerentalstap herhaald. Als de herhaalde meting geldig is, worden de gegevens geconsolideerd.

4.4.6.

Berekening van de onzekerheid

De totale onzekerheid UT,loss van het koppelverlies wordt op basis van de volgende parameters berekend:

i) 

temperatuurinvloed;

ii) 

parasitaire belastingen;

iii) 

onzekerheid (incl. tolerantie van de gevoeligheid, lineariteit, hysterese en herhaalbaarheid).

De totale onzekerheid van het koppelverlies (UT,loss ) wordt gebaseerd op de onzekerheden van de sensoren met een betrouwbaarheid van 95 %. Bij de berekening wordt voor elke gebruikte sensor (bv. bij een opstelling met drie machines: UT,in, UT,out,1 en UTout,2) de vierkantswortel van de som van de kwadraten genomen („foutvoortplantingswet van Gauss”):

▼M3 —————

▼B

image

image

image

image

image

wpara = senspara * ipara

waarbij:

UT,in/out

=

onzekerheid van de meting van het in- of uitgangskoppelverlies, afzonderlijk voor in- en uitgangskoppel [Nm];

igear

=

asoverbrengingsverhouding [-];

UTKC

=

onzekerheid door temperatuurinvloed op momentaan koppelsignaal [Nm];

wtkc

=

temperatuurinvloed op momentaan koppelsignaal per Kref, opgegeven door sensorfabrikant [%];

UTK0

=

onzekerheid door temperatuurinvloed op nulkoppelsignaal (ten opzichte van nominaal koppel) [Nm];

wtk0

=

temperatuurinvloed op nulkoppelsignaal per Kref (ten opzichte van nominaal koppel), opgegeven door sensorfabrikant [%];

Kref

=

referentietemperatuurinterval voor tkc en tk0, opgegeven door sensorfabrikant [°C];

ΔK

=

absoluut verschil tussen de bij de koppelsensor gemeten sensortemperatuur bij kalibratie en bij meting. Als de sensortemperatuur niet kan worden gemeten, wordt een standaardwaarde van ►M3  ΔK = 15 ◄ gebruikt [°C];

Tc

=

momentane/gemeten koppelwaarde bij koppelsensor [Nm];

Tn

=

nominale koppelwaarde van koppelsensor [Nm];

Ucal

=

onzekerheid door koppelsensorkalibratie [Nm];

wcal

=

relatieve kalibratieonzekerheid (ten opzichte van nominaal koppel) [%];

kcal

=

kalibratievooruitgangsfactor (indien opgegeven door sensorfabrikant, anders = 1);

Upara

=

onzekerheid door parasitaire belastingen [Nm];

wpara

=

senspara * ipara

relatieve invloed van krachten en buigende koppels als gevolg van afwijking;

senspara

=

maximuminvloed van parasitaire belastingen voor specifieke koppelsensor, opgegeven door sensorfabrikant [%]; indien de sensorfabrikant geen specifieke waarde voor parasitaire belastingen heeft opgegeven, bedraagt deze waarde 1,0 %;

ipara

=

maximuminvloed van parasitaire belastingen voor specifieke koppelsensor, afhankelijk van de testopstelling zoals aangegeven in de punten 4.2.3 en 4.2.4 van deze bijlage.

▼M3

4.4.7.

Beoordeling van de totale onzekerheid van het koppelverlies

Het gerapporteerde koppelverlies Tloss wordt geacht gelijk te zijn aan het gemeten koppelverlies Tloss als de berekende onzekerheden UT,in/out kleiner zijn dan de volgende grenswaarden:

UT,in : 7,5 Nm of 0,25 % van het gemeten koppel (de waarde met de grootste toegestane onzekerheid is van toepassing).

Bij testopstellingen met één dynamometer aan de uitgangszijde:

UT,out : 15 Nm of 0,25 % van het gemeten koppel (de waarde met de grootste toegestane onzekerheid is van toepassing).

Bij testopstellingen met twee dynamometers aan elke uitgangszijde:

UT,out : 7,5 Nm of 0,25 % van het gemeten koppel (de waarde met de grootste toegestane onzekerheid is van toepassing).

Als de berekende onzekerheden hoger zijn, wordt het gedeelte van de berekende onzekerheid boven de hierboven vermelde grenswaarden als volgt bij Tloss ingevoegd om het gerapporteerde koppelverlies Tloss,rep te verkrijgen:

als de grenswaarden van UT,in zijn overschreden:

Tloss,rep = Tloss + ΔUTin

ΔUT,in = MIN((UT,in – 0,25 % × Tc) of (UT,in – 7,5 Nm))

als de grenswaarden van UT,out zijn overschreden:

Tloss,rep = Tloss + ΔUT,out / igear

Bij testopstellingen met één dynamometer aan de uitgangszijde:

ΔUT,out = MIN((UT,out – 0,25 % × Tc) of (UT,out – 15 Nm))

Bij testopstellingen met twee dynamometers aan elke uitgangszijde:

image

ΔUT,out_1 = MIN((UT,out_1 – 0,25 % × Tc) of (UT,out_1 – 7,5 Nm))

ΔUT,out_2 = MIN((UT,out_1 – 0,25 % × Tc) of (UT,out_1 – 7,5 Nm))

waarbij:

UT,in/out

=

onzekerheid van de meting van het in- of uitgangskoppelverlies, afzonderlijk voor in- en uitgangskoppel [Nm]

igear

=

asoverbrengingsverhouding [-];

ΔUT

=

gedeelte van de berekende onzekerheid boven de vastgestelde grenswaarden.

▼B

4.4.8.

Aanvulling van gegevens koppelverliesdiagram

4.4.8.1.

Als de koppelwaarden de bovengrens van het bereik overschrijden, wordt lineaire extrapolatie toegepast. Bij de extrapolatie wordt de helling van een lineaire regressie op basis van alle gemeten koppelpunten voor de betrokken toerentalstap toegepast.

▼M3

4.4.8.2.

Voor uitgangskoppelwaarden onder het laagste gemeten rasterpunt, zoals gedefinieerd in punt 4.3.3.2, worden de koppelverlieswaarden van het laagste gemeten rasterpunt gebruikt.

▼B

4.4.8.3.

Voor het wieltoerental 0 min– 1 worden de koppelverlieswaarden van de toerentalstap 50 min– 1 gebruikt.

4.4.8.4.

Voor negatieve ingangskoppels (bv. vrijloop, vrij draaien) wordt de voor het overeenkomstige positieve ingangskoppel gemeten koppelverlieswaarde gebruikt.

▼M1

4.4.8.5.

Bij een tandemas wordt het gecombineerde koppelverliesdiagram voor beide assen uit de testresultaten voor de afzonderlijke assen aan de ingangszijde berekend. De ingangskoppels worden daar ook bij opgeteld.

Tloss,rep,tdm = Tloss,rep, 1 + Tloss,rep, 2

Tin,tdm = Tin, 1 + Tin, 2

▼B

5.   Conformiteit van de gecertificeerde CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen

5.1.

Elk overeenkomstig deze bijlage goedgekeurd astype moet zodanig worden gefabriceerd dat het in overeenstemming is met het goedgekeurde type zoals beschreven in het certificaat en de bijlagen daarbij. ►M3  De procedures voor de waarborging van de conformiteit van de gecertificeerde CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen moeten in overeenstemming zijn met het bepaalde in artikel 31 van Verordening (EU) 2018/858. ◄

5.2.

De conformiteit van de gecertificeerde CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen wordt gecontroleerd aan de hand van de beschrijving in het in aanhangsel 1 van deze bijlage beschreven certificaat en de specifieke voorwaarden in dit punt.

5.3.

De fabrikant test jaarlijks ten minste het in tabel 1 vermelde aantal assen, dat gebaseerd is op de jaarlijkse productieaantallen. Bij de bepaling van de productieaantallen worden alleen assen meegeteld waarop deze verordening van toepassing is.

5.4.

Elke as die door de fabrikant wordt getest, moet representatief zijn voor een specifieke familie.

5.5.

Het aantal families van assen met enkele reductie (SR) en andere assen waarvoor de tests moeten worden verricht, is vermeld in tabel 1.



Tabel 1

Steekproefgrootte conformiteitstests

Productieaantal

Aantal tests voor SR-assen

Aantal tests voor andere assen dan SR-assen

0 – 40 000

2

1

40 001 – 50 000

2

2

50 001 – 60 000

3

2

60 001 – 70 000

4

2

70 001 – 80 000

5

2

80 001 en meer

5

3

5.6.

De twee asfamilies met de hoogste productievolumes worden altijd getest. De fabrikant moet aan de goedkeuringsinstantie een onderbouwing geven van het aantal verrichte tests en de keuze van de families (bv. door opgave van de verkoopaantallen). De overige te testen families bepalen de fabrikant en de goedkeuringsinstantie in onderling overleg.

5.7.

De goedkeuringsinstantie bepaalt samen met de fabrikant welk(e) astype(n) getest moeten worden om de conformiteit van de gecertificeerde CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen te controleren. De goedkeuringsinstantie waarborgt dat de gekozen astypen gefabriceerd zijn volgens dezelfde normen als toegepast worden bij serieproductie.

5.8.

Als het resultaat van een overeenkomstig punt 6 uitgevoerde test hoger is dan de in punt 6.4 vermelde waarde, worden nog eens drie assen uit dezelfde familie getest. Als ten minste een daarvan wordt afgekeurd, is artikel 23 van toepassing.

6.   Productieconformiteitstests

6.1.

Voor tests betreffende de conformiteit van de gecertificeerde CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen wordt met wederzijdse voorafgaande instemming van de goedkeuringsinstantie en de aanvrager van de certificering een van de volgende methoden toegepast:

a) 

meting van het koppelverlies overeenkomstig deze bijlage door alleen voor de in punt 6.2 beschreven rasterpunten de volledige procedure te volgen;

b) 

meting van het koppelverlies overeenkomstig deze bijlage door alleen voor de in punt 6.2 beschreven rasterpunten de volledige procedure te volgen, met uitzondering van de inloopprocedure. Om rekening te houden met de inloopeigenschappen van een as, mag een correctiefactor worden toegepast. Deze factor wordt naar goede ingenieursinzichten en met goedkeuring van de goedkeuringsinstantie bepaald;

c) 

meting van het weerstandskoppel overeenkomstig punt 6.3. De fabrikant mag naar goede ingenieursinzichten een inloopprocedure kiezen, die ten hoogste 100 h mag duren.

6.2.

Als de beoordeling van de conformiteit van de gecertificeerde CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen overeenkomstig punt 6.1 onder a) of b), wordt verricht, is de meting beperkt tot vier rasterpunten uit het goedgekeurde koppelverliesdiagram.

6.2.1.

Daartoe wordt het volledige koppelverliesdiagram van de as waarvan de conformiteit van de gecertificeerde CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen wordt getest, in drie even grote toerentalbereiken en drie koppelbereiken verdeeld om negen controlegebieden te bepalen, zoals weergegeven in figuur 2.

▼M1

Figuur 2

Toerental- en koppelbereik voor de tests betreffende de conformiteit van de gecertificeerde CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen

image

▼B

6.2.2.

Voor vier controlegebieden wordt één punt gekozen en overeenkomstig de in onderdeel 4.4 beschreven volledige procedure gemeten en geëvalueerd. Elk controlepunt wordt als volgt gekozen:

i) 

de controlegebieden worden aan de hand van de aslijn gekozen:

— 
SR-assen, met inbegrip van tandemcombinaties: controlegebieden 5, 6, 8 en 9;
— 
HR-assen, met inbegrip van tandemcombinaties: controlegebieden 2, 3, 4 en 5;
ii) 

het gekozen punt moet zich midden in het gebied bevinden wat het toerentalbereik en het toepasselijke koppelbereik voor dat toerental betreft;

iii) 

om een vergelijking met een corresponderend punt van het voor de certificering gemeten verliesdiagram te kunnen maken, wordt het gekozen punt naar het dichtstbijzijnde gemeten punt van het goedgekeurde diagram verschoven. ►M3  Indien het gekozen punt in het midden tussen twee goedgekeurde punten ligt, wordt het hoogste punt gebruikt. ◄

6.2.3.

Voor elk gemeten punt van de test betreffende de conformiteit van de gecertificeerde CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen en het daarmee corresponderende punt van het diagram van de typegoedkeuring, wordt het rendement berekend met:

image

waarbij:

ηi

=

rendement van het rasterpunt uit elk afzonderlijk controlegebied 1 t/m 9;

Tout

=

uitgangskoppel [Nm];

Tin

=

ingangskoppel [Nm];

iaxle

=

asverhouding [-].

6.2.4.

Het gemiddelde rendement van het controlegebied wordt als volgt berekend:

voor SR-assen:

image

image

image

voor HR-assen:

image

image

image

waarbij:

ηavr,low speed

=

gemiddeld rendement bij laag toerental;

ηavr,mid speed

=

gemiddeld rendement bij middentoerental;

ηavr,high speed

=

gemiddeld rendement bij hoog toerental;

ηavr,total

=

vereenvoudigd gemiddeld rendement voor as.

6.2.5.

Als de beoordeling van de conformiteit van de gecertificeerde CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen overeenkomstig punt 6.1, onder c), wordt verricht, moet tijdens de certificering het weerstandskoppel worden bepaald van de ouderas van de familie waartoe de geteste as behoort. ►M3  Dit kan voor of na de inloopprocedure overeenkomstig punt 3.1 worden gedaan, of door alle koppeldiagramwaarden voor elke toerentalstap neerwaarts te extrapoleren tot 0 Nm. De extrapolatie moet lineair of een polynoom van de tweede graad zijn, afhankelijk van welke standaardafwijking kleiner is. ◄

6.3.

Bepaling van weerstandskoppel

6.3.1.

Voor de bepaling van het weerstandskoppel van een as is een vereenvoudigde testopstelling met één elektrische machine en één koppelsensor aan de ingangszijde vereist. ►M3  In het geval van een enkelvoudige portaalas met een lengte die verschilt van de twee uitgaande aandrijfassen, wordt ook een testopstelling met twee elektrische machines en twee koppelsensoren op elke uitgangszijde toegestaan. In dit opzicht worden beide uitgaande aandrijfassen synchroon in de rijrichting aangedreven. Het uiteindelijke weerstandskoppel wordt uitgedrukt door de som van beide uitgangskoppels. ◄

6.3.2.

De testomstandigheden van punt 4.1 zijn van toepassing. De berekening van de onzekerheid voor het koppel kan achterwege worden gelaten.

6.3.3.

Het weerstandskoppel wordt overeenkomstig punt 4.3.4 in het toerentalbereik van het goedgekeurde type gemeten, met de in punt 4.3.5 aangegeven toerentalstappen.

6.4.

Beoordeling van de test betreffende de conformiteit van de gecertificeerde CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen

6.4.1.

De test betreffende de conformiteit van de gecertificeerde CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen is doorstaan als aan een van de volgende voorwaarden wordt voldaan:

▼M1

a) 

als het koppelverlies overeenkomstig punt 6.1, onder a) of b), is gemeten, mag het gemiddelde rendement van de as die getest is ter beoordeling van de conformiteit van de gecertificeerde CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen niet lager zijn dan 1,5 % voor SR-assen en 2,0 % voor alle andere aslijnen onder het overeenkomstige gemiddelde rendement van de as bij de typegoedkeuring;

b) 

als het weerstandskoppel overeenkomstig punt 6.1, onder c), is gemeten, moet het weerstandskoppel van de as die getest is ter beoordeling van de conformiteit van de gecertificeerde CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen lager zijn dan het overeenkomstige weerstandskoppel van de as bij de typegoedkeuring of moet het binnen de in tabel 2 vermelde tolerantie blijven.

▼M3



Tabel 2

As-lijn

Toleranties voor assen die na inlopen zijn gemeten

Vergelijking met Td0

Toleranties voor assen die zonder inlopen zijn gemeten

Vergelijking met Td0

voor

i

tolerantie Td0_input [Nm]

voor

i

tolerantie Td0_input [Nm]

voor

i

tolerantie Td0_input [Nm]

voor

i

tolerantie Td0_input [Nm]

SR

≤ 3

10

> 3

9

> 3

16

> 3

15

SRT

≤ 3

11

> 3

10

> 3

18

> 3

16

SP

≤ 6

11

> 6

10

> 6

18

> 6

16

HR

≤ 7

15

> 7

12

> 7

25

> 7

20

HRT

≤ 7

16

> 7

13

> 7

27

> 7

21

i = overbrengingsverhouding

▼B




Aanhangsel 1

MODEL VAN EEN CERTIFICAAT VOOR EEN ONDERDEEL, TECHNISCHE EENHEID OF SYSTEEM

Maximumformaat: A4 (210 × 297 mm)

CERTIFICAAT BETREFFENDE DE CO2-EMISSIE- EN BRANDSTOFVERBRUIKSEIGENSCHAPPEN VAN EEN ASFAMILIE



Mededeling betreffende de:

— verlening (1)

— uitbreiding (1)

— weigering (1)

— intrekking (1)

Stempel instantie
(1)   

(1) Doorhalen wat niet van toepassing is (soms hoeft niets te worden doorgehaald als meerdere antwoorden mogelijk zijn)

van een certificaat betreffende de CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen van een asfamilie overeenkomstig Verordening (EU) 2017/2400 van de Commissie.

Verordening (EU) 2017/2400 van de Commissie, zoals laatstelijk gewijzigd bij …

Certificeringsnummer:

Hash:

Reden van de uitbreiding:

AFDELING I

0.1.

Merk (handelsnaam van de fabrikant):

0.2.

Type:

0.3.

Middel tot identificatie van het type, indien op de as aangebracht:

0.3.1.

Plaats van het merkteken:

0.4.

Naam en adres van de fabrikant:

0.5.

In het geval van onderdelen en technische eenheden, plaats en wijze van aanbrenging van het EG-certificeringsmerk:

0.6.

Naam en adres van de assemblagefabriek(en):

0.7.

Naam en adres van de eventuele vertegenwoordiger van de fabrikant:

AFDELING II

1.

Eventuele aanvullende informatie: zie addendum

2.

Goedkeuringsinstantie die verantwoordelijk is voor de uitvoering van de tests:

3.

Datum van het testrapport:

4.

Nummer van het testrapport:

5.

Eventuele opmerkingen: zie addendum

6.

Plaats

7.

Datum

8.

Handtekening

Bijlagen:

1. 

Inlichtingenformulier

2. 

Testrapport




Aanhangsel 2

Inlichtingenformulier as



Inlichtingenformulier nr.:

Afgifte:

Datum van afgifte:

Datum van de wijziging:

krachtens …

▼M1

Astype/Asfamilie (indien van toepassing):

▼B

0.   ALGEMEEN

0.1.

Naam en adres van de fabrikant:

0.2.

Merk (handelsnaam van de fabrikant):

0.3.

Astype:

0.4.

Asfamilie (indien van toepassing):

0.5.

Astype als technische eenheid / asfamilie als technische eenheid

0.6.

Handelsnaam of -namen (indien van toepassing):

0.7.

Middel tot identificatie van het type, indien op het onderdeel aangebracht:

0.8.

In het geval van onderdelen en technische eenheden, plaats en wijze van aanbrenging van het certificeringsmerk:

0.9.

Naam en adres van de assemblagefabriek(en):

0.10.

Naam en adres van de vertegenwoordiger van de fabrikant:

DEEL 1

ESSENTIËLE EIGENSCHAPPEN VAN (OUDER)AS EN AS-TYPEN BINNEN EEN ASFAMILIE



 

Ouderas

Lid v.d. familie

 

 

of astype

#1

#2

#3

 

 

▼M1 —————

▼B

1.0.   SPECIFIEKE INFORMATIE OVER AS



1.1

Aslijn (SR, HR, SP, SRT, HRT)

 

 

1.2

Asoverbrengingsverhouding

 

 

▼M3

1.3

Asbehuizing (tekening)

 

 

 

 

 

 

▼B

1.4

Tandwielspecificaties

 

 

 

1.4.1

Diameter kroonwiel [mm]

 

 

 

 

 

1.4.2

Verticale afstand rondsel / kroonwiel [mm]

 

 

 

 

 

1.4.3.

Hoek rondsel ten opzichte van horizontaal vlak [o]

1.4.4.

Alleen voor portaalassen:

hoek tussen rondselas en kroonwielas [o]

1.4.5.

Aantal tanden rondsel

1.4.6.

Aantal tanden kroonwiel

1.4.7.

Horizontale afstand van rondsel [mm]

1.4.8.

Horizontale afstand van kroonwiel [mm]

▼M3

1.5.

Olievolume(s) [cm3]

1.6.

Oliepeil(en) [mm]

▼B

1.7.

Oliespecificatie

▼M3

1.8.

Lagertype (type, hoeveelheid, binnendiameter, buitendiameter, breedte en tekening)

1.9.

Afdichtingstype (hoofddiameter, aantal keerringen) [mm]

1.10.

Wieluiteinden (tekening)

1.10.1.

Lagertype (type, hoeveelheid, binnendiameter, buitendiameter, breedte en tekening)

1.10.2.

Afdichtingstype (hoofddiameter, aantal keerringen) [mm]

▼B

1.10.3.

Type vet

▼M3

1.11.

Aantal planeetwielen / rechte tandwielen voor differentieelhouder

1.12.

Kleinste breedte van planeetwielen / rechte tandwielen voor differentieelhouder [mm]

▼B

1.13.

Overbrengingsverhouding van naafreductie

LIJST VAN BIJLAGEN



Nr.

Omschrijving

Datum van afgifte

1.

2.

 

▼M3




Aanhangsel 3

Berekening van het standaardkoppelverlies

De standaardkoppelverliezen voor assen zijn in tabel 1 vermeld. De standaardwaarden in de tabel zijn de som van een generieke constante rendementswaarde voor de belastingafhankelijke verliezen en een generiek basisweerstandskoppelverlies voor weerstandsverliezen bij lage belasting.

Bij berekeningen voor tandemassen wordt gebruikgemaakt van een gecombineerd rendement voor een doorvoeras (SRT, HRT) plus de bijbehorende enkele as (SR, HR).



Tabel 1

Generiek rendement en weerstandsverlies

Basisfunctie

Generiek rendement

η

Weerstandskoppel

(wielzijde)

Td0 = T0 + T1 × igear

As met enkele reductie (SR)

0,98

T0 = 70 Nm

T1 = 20 Nm

Tandemas met enkele reductie (SRT) / enkelvoudige portaalas (SP)

0,96

T0 = 80 Nm

T1 = 20 Nm

Naafreductieas (HR)

0,97

T0 = 70 Nm

T1 = 20 Nm

Tandemas met naafreductie (HRT)

0,95

T0 = 90 Nm

T1 = 20 Nm

Alle andere astechnologieën

0,90

T0 = 150 Nm

T1 = 50 Nm

Het basisweerstandskoppel (wielzijde) Td0 wordt berekend met:

Td0 = T0 + T1 × igear

met gebruikmaking van de waarden uit tabel 1.

Het standaardkoppelverlies Tloss,std aan de wielzijde van de as wordt berekend met:

image

waarbij:

Tloss,std

=

standaardkoppelverlies aan ingangszijde [Nm];

Td0

=

basisweerstandskoppel voor het hele toerentalbereik [Nm];

igear

=

asoverbrengingsverhouding [-];

η

=

generiek rendement voor belastingafhankelijke verliezen [-];

Tout

=

uitgangskoppel [Nm].

Het bijbehorende koppel (aan de ingangszijde) van de as wordt berekend met:

image

waarbij:

Tin

=

ingangskoppel [Nm].

▼B




Aanhangsel 4

Familieconcept

1.

De aanvrager van de certificering vraagt bij de goedkeuringsinstantie een certificaat aan voor een asfamilie die gebaseerd is op de in punt 3 vermelde familiecriteria.

Een asfamilie wordt gekenmerkt door ontwerp- en prestatieparameters. Deze moeten voor alle assen binnen de familie gemeenschappelijk zijn. De asfabrikant kan beslissen welke assen tot een asfamilie behoren, mits aan de in punt 4 vermelde familiecriteria wordt voldaan. Behalve de in punt 4 genoemde parameters kan de asfabrikant ook aanvullende criteria opgeven op basis waarvan families van kleinere omvang kunnen worden bepaald. Dat zijn niet noodzakelijkerwijs parameters die het prestatieniveau beïnvloeden. De asfamilie moet door de goedkeuringsinstantie worden goedgekeurd. De fabrikant verstrekt de goedkeuringsinstantie de toepasselijke informatie over de prestaties van de leden van de asfamilie.

2.

Bijzondere gevallen

In sommige gevallen kan er interactie tussen de parameters zijn. Hiermee moet rekening worden gehouden om te waarborgen dat in een asfamilie alleen assen met soortgelijke kenmerken worden opgenomen. De fabrikant moet deze gevallen bepalen en de goedkeuringsinstantie hiervan op de hoogte brengen. Hiermee moet vervolgens rekening worden gehouden als criterium bij het creëren van een nieuwe asfamilie.

Indien parameters die niet in punt 3 zijn vermeld, sterk van invloed zijn op het prestatieniveau, moet de fabrikant deze parameters naar goede ingenieurspraktijk vaststellen en de goedkeuringsinstantie hiervan op de hoogte brengen.

3.

Parameters die een asfamilie bepalen

3.1.   Categorie van de as

a) 

As met enkele reductie (SR)

b) 

Naafreductieas (HR)

c) 

Enkelvoudige portaalas (SP)

d) 

Tandemas met enkele reductie (SRT)

e) 

Tandemas met naafreductie (HRT)

f) 

Zelfde geometrie in asbehuizing tussen differentieellagers en horizontaal vlak door het hart van de aandrijfas van het rondsel volgens getekende specificatie (behalve voor enkelvoudige portaalassen (SP)). Geometrische wijzigingen door het facultatief aanbrengen van een differentieelblokkering zijn toegestaan binnen dezelfde asfamilie. Bij gespiegelde asbehuizingen kunnen de gespiegelde assen in dezelfde asfamilie worden opgenomen als de oorspronkelijke assen, mits de kegeltandwieloverbrengingen op de andere draairichting zijn afgestemd (wijziging van spiraalrichting);

▼M1

g) 

diameter van het kroonwiel (+ 1,5 %/– 8 % t.o.v. de grootste diameter volgens tekening);

▼B

h) 

verticale hypoïde afstand rondsel/kroonwiel binnen ± 2 mm;

i) 

bij enkelvoudige portaalassen (SP): hoek rondsel ten opzichte van horizontaal vlak binnen ± 5°;

j) 

bij enkelvoudige portaalassen (SP): hoek tussen rondselas en kroonwielas binnen ± 3,5°;

k) 

bij naafreductieassen en enkelvoudige portaalassen (HR, HRT, FHR, SP): zelfde aantal planeettandwielen en rechte tandwielen;

▼M1

l) 

overbrengingsverhouding van elke overbrengingsstap binnen een as in een bereik van 2, mits slechts één tandwieloverbrenging wordt gewijzigd;

▼B

m) 

oliepeil binnen ± 10 mm of olievolume binnen ± 0,5 liter volgens getekende specificatie en installatiepositie in het voertuig;

n) 

olietype met zelfde viscositeitsgetal (aanbevolen fabrieksvulling);

▼M3

o) 

type van lagers (binnendiameter, buitendiameter en breedte) op overeenkomstige plaatsen (indien gemonteerd) binnen ± 1 mm volgens tekening;

▼M3

p) 

afdichtingstype.

▼B

4.

Keuze van de ouderas

4.1.

Als ouderas binnen een asfamilie wordt de as met de grootste asverhouding genomen. Als meer dan twee assen dezelfde asverhouding hebben, verstrekt de fabrikant een analyse van de bepaling van de slechtst presterende as, die als ouderas wordt gekozen.

4.2.

De goedkeuringsinstantie kan concluderen dat het slechtste koppelverlies van een familie het best kan worden bepaald door extra assen te testen. De asfabrikant moet in dit geval informatie verstrekken aan de hand waarvan kan worden vastgesteld welke as van de familie waarschijnlijk het hoogste koppelverliesniveau zal hebben.

4.3.

Indien assen binnen de familie andere kenmerken hebben die geacht kunnen worden het koppelverlies te beïnvloeden, moeten die kenmerken eveneens worden bepaald en bij de selectie van de ouderas in aanmerking worden genomen.




Aanhangsel 5

Opschriften en nummering

1.   Opschriften

Als overeenkomstig deze bijlage typegoedkeuring voor een as wordt verleend, worden de volgende opschriften op de as aangebracht:

▼M1

1.1. 

de naam of het handelsmerk van de fabrikant;

▼B

1.2. 

het merk en het type, zoals vastgelegd in de in de punten 0.2 en 0.3 van aanhangsel 2 van deze bijlage bedoelde informatie;

1.3. 

het certificeringsmerk in de vorm van een rechthoek met daarin de kleine letter „e”, gevolgd door het nummer van de lidstaat die het certificaat heeft verleend:

1 voor Duitsland;
2 voor Frankrijk;
3 voor Italië;
4 voor Nederland;
5 voor Zweden;
6 voor België;
7 voor Hongarije;
8 voor Tsjechië;
9 voor Spanje;
11 voor het Verenigd Koninkrijk;
12 voor Oostenrijk;
13 voor Luxemburg;
17 voor Finland;
18 voor Denemarken;
19 voor Roemenië;
20 voor Polen;
21 voor Portugal;
23 voor Griekenland;
24 voor Ierland;
25 voor Kroatië;
26 voor Slovenië;
27 voor Slowakije;
29 voor Estland;
32 voor Letland;
34 voor Bulgarije;
36 voor Litouwen;
49 voor Cyprus;
50 voor Malta.

1.4.

►M3  

In de nabijheid van de rechthoek wordt het „basiscertificeringsnummer” aangebracht, zoals gespecificeerd voor deel 4 van het in bijlage IV bij Verordening (EU) 2020/683 beschreven typegoedkeuringsnummer, voorafgegaan door de twee cijfers die het volgnummer aangeven van de recentste technische wijziging van deze verordening en de letter „L“, waarmee wordt aangegeven dat het certificaat voor een as is verleend.

Voor deze verordening is het volgnummer 02.

 ◄

▼M3

1.4.1.   Voorbeeld en afmetingen van het certificeringsmerk

image

Bovenstaand certificeringsmerk, aangebracht op een as, geeft aan dat het type in kwestie in Polen (e20) is goedgekeurd krachtens deze verordening. De eerste twee cijfers (00) geven het volgnummer van de recentste technische wijziging van deze verordening aan. De volgende letter geeft aan dat het certificaat is verleend voor een as (L). De laatste vier cijfers (0004) zijn door de typegoedkeuringsinstantie aan de as toegekend als basiscertificeringsnummer.

▼B

1.5.

Op verzoek van de aanvrager van de certificering kan, met voorafgaande toestemming van de typegoedkeuringsinstantie, een andere tekengrootte worden gebruikt dan is aangegeven in punt 1.4.1. De tekens moeten echter duidelijk leesbaar blijven.

1.6.

De opschriften, etiketten, platen of stickers moeten even lang meegaan als de as en moeten duidelijk leesbaar en onuitwisbaar zijn. De fabrikant zorgt ervoor dat de opschriften, etiketten, platen of stickers niet kunnen worden verwijderd zonder vernietigd of onleesbaar te worden.

1.7.

Het certificeringsnummer moet zichtbaar zijn wanneer de as in het voertuig is gemonteerd en moet worden bevestigd aan een deel dat noodzakelijk is voor het normale bedrijf en tijdens de levensduur van het onderdeel normaliter niet hoeft te worden vervangen.

2.   Nummering:

▼M3

2.1.

Het certificeringsnummer van assen bestaat uit de volgende delen:



eX*YYYY/YYYY*ZZZZ/ZZZZ*L*00000*00

Deel 1

Deel 2

Deel 3

Aanvullende letter bij deel 3

Deel 4

Deel 5

Aanduiding van het land dat het certificaat verleent

Verordening betreffende de CO2-bepaling van zware bedrijfsvoertuigen „2017/2400”

Recentste wijzigingsverordening (ZZZZ/ZZZZ)

L = as

Basiscertificeringsnummer 00000

Uitbreiding 00

▼B




Aanhangsel 6

Inputparameters voor de simulatietool

Inleiding

In dit aanhangsel worden de parameters beschreven die de onderdeelfabrikant als input voor de simulatietool moet verstrekken. Het te gebruiken xml-schema en voorbeeldgegevens zijn beschikbaar op het speciale elektronische distributieplatform.

Definities

▼M1

1)

„Parameter-ID” : unieke identificatiecode die in de simulatietool voor een specifieke inputparameter of reeks inputgegevens wordt gebruikt.

▼B

2)

„Type” :

datatype van de parameter:

string …

:

tekenreeks in ISO 8859-1-codering;

token …

:

tekenreeks in ISO 8859-1-codering, zonder lege karakters aan begin en eind;

date …

:

datum en tijd (UTC) in de vorm YYYY-MM-DDTHH:MM:SSZ, waarbij de cursieve letters vaste tekens zijn, bv. „2002-05-30T09:30:10Z”;

integer …

:

waarde van een geheel getal zonder voorafgaande nullen, bv. „1800”;

double, X …

:

gebroken getal met precies X cijfers na het scheidingsteken (.) en zonder voorafgaande nullen, bv. voor „double, 2”: „2345.67”; voor „double, 4”: „45.6780”.

3)

„Eenheid” … : natuurkundige eenheid van de parameter.

Reeks inputparameters



Tabel 1

Inputparameters „Axlegear/General”

Parameternaam

Parameter-ID

Type

Eenheid

Beschrijving/referentie

Manufacturer

P215

token

[-]

 

Model

P216

token

[-]

 

▼M1

CertificationNumber

P217

token

[-]

 

▼B

Date

P218

dateTime

[-]

Datum en tijd waarop de onderdeel-hash is gecreëerd

AppVersion

P219

token

[-]

 

LineType

P253

string

[-]

Toegestane waarden: „Single reduction axle”, „Single portal axle”, „Hub reduction axle”, „Single reduction tandem axle”, „Hub reduction tandem axle”

Ratio

P150

double, 3

[-]

 

CertificationMethod

P256

string

[-]

Toegestane waarden: „Measured”, „Standard values”



Tabel 2

Inputparameters „Axlegear/LossMap” voor elk rasterpunt in het verliesdiagram

Parameternaam

Parameter-ID

Type

Eenheid

Beschrijving/referentie

InputSpeed

P151

double, 2

[ min– 1]

 

InputTorque

P152

double, 2

[Nm]

 

TorqueLoss

P153

double, 2

[Nm]

 




BIJLAGE VIII

CONTROLE VAN LUCHTWEERSTANDSGEGEVENS

▼M3

1.   Inleiding

In deze bijlage worden de testprocedures ter bepaling van de luchtweerstandsgegevens uiteengezet.

▼B

2.   Definities

Voor de toepassing van deze bijlage wordt verstaan onder:

1)

„actieve aerodynamische voorziening” : middelen die door een regeleenheid worden ingeschakeld om de luchtweerstand van het gehele voertuig te verlagen;

2)

„aerodynamische hulpmiddelen” : facultatieve voorzieningen ter beïnvloeding van de luchtstroming rond het gehele voertuig;

3)

„A-stijl” : verbinding tussen het cabinedak en het voorste schutbord door middel van een draagconstructie;

4)

„geometrie van de blanke carrosserie” : de draagconstructie met inbegrip van de voorruit van de cabine;

5)

„B-stijl” : verbinding tussen de cabinevloer en het cabinedak in het midden van de cabine door middel van een draagconstructie;

6)

„onderkant van de cabine” : draagconstructie van de cabinevloer;

7)

„cabine boven frame” : afstand van het frame tot het cabinereferentiepunt langs verticaal Z. De afstand wordt gemeten van de bovenkant van het horizontale frame tot het cabinereferentiepunt langs verticaal Z.

8)

„cabinereferentiepunt” : referentiepunt (X/Y/Z = 0/0/0) van het CAD-coördinatensysteem van de cabine of een duidelijk gedefinieerd punt van het cabinepakket, bv. hielpunt;

9)

„cabinebreedte” : horizontale afstand tussen de linker en de rechter B-stijl van de cabine;

10)

„test met constante snelheid” : op een testbaan uit te voeren meetprocedure om de luchtweerstand te bepalen;

11)

„gegevensreeks” : gegevens die geregistreerd worden wanneer een meetsegment één keer wordt doorlopen;

12)

„EMS” : Europees modulair systeem overeenkomstig Richtlijn 96/53/EG van de Raad;

13)

„framehoogte” : afstand van de wielhartlijn tot de bovenkant van het horizontale frame in Z;

14)

„hielpunt” : punt dat de plaats van de hiel van de schoen op de ingedrukte vloerbedekking vertegenwoordigt wanneer de onderkant van de schoen het niet-ingedrukte versnellingspedaal raakt en de enkel een hoek van 87° maakt (ISO 20176:2011);

15)

„meetgebied(en)” : aangewezen deel of delen van de testbaan met ten minste een meetsegment dat door een stabilisatiesegment wordt voorafgegaan;

16)

„meetsegment” : aangewezen deel van de testbaan dat van belang is voor het registreren en beoordelen van gegevens;

17)

„dakhoogte” : afstand langs verticaal Z van het cabinereferentiepunt tot het hoogste punt van het dak zonder zonnedak.

3.   Bepaling van de luchtweerstand

De procedure voor de test met constante snelheid wordt toegepast om de luchtweerstandskenmerken te bepalen. Tijdens de test met constante snelheid worden onder bepaalde omstandigheden op de testbaan de belangrijkste meetsignalen aandrijfkoppel, voertuigsnelheid, luchtsnelheid en gierhoek gemeten bij twee verschillende constante voertuigsnelheden (lage en hoge snelheid). De tijdens de test met constante snelheid geregistreerde meetgegevens worden ingevoerd in de luchtweerstandvoorbewerkingstool, die het product van de weerstandscoëfficiënt en de oppervlakte van de dwarsdoorsnede voor omstandigheden zonder zijwind Cd · Acr (0) bepaalt, die als input voor de simulatietool dient. De aanvrager van de certificering moet een waarde Cd · Adeclared opgeven die tussen Cd· Acr (0) en maximaal + 0,2 m2 hoger ligt. ►M3  De waarde Cd·Adeclared dient als input voor de simulatietool en is de referentiewaarde voor de tests betreffende de conformiteit van de gecertificeerde CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen. ◄

▼M1

Voor voertuigen die geen lid van een familie zijn, worden de in aanhangsel 7 van deze bijlage beschreven standaardwaarden voor Cd·Adeclared gebruikt. In dat geval hoeven geen inputgegevens betreffende de luchtweerstand te worden verstrekt. De standaardwaarden worden automatisch toegekend door de simulatietool.

▼B

3.1.   Voorschriften betreffende de testbaan

3.1.1.

De testbaan moet een van de volgende vormen hebben:

i) 

een (in één richting te rijden (*)) circuit:

met twee meetgebieden, een op elk van de twee rechte stukken, met een afwijking van minder dan 20°);

(*) de testbaan moet in ieder geval in beide richtingen worden gereden om te corrigeren voor afwijkingen van de mobiele anemometer (zie punt 3.6)

of

ii) 

een (in beide richtingen te rijden) circuit of rechte baan:

met één meetgebied (of twee met bovengenoemde maximale afwijking); twee opties: er wordt van rijrichting veranderd na elk testsegment of na een te kiezen reeks testsegmenten (waarbij bv. eerst tien keer in richting 1 wordt gereden en vervolgens tien keer in richting 2).

3.1.2.

Meetsegmenten

Op de testbaan worden een of meer meetsegmenten met een lengte van 250 m, met een tolerantie van ± 3 m, uitgezet.

3.1.3.

Meetgebieden

Een meetgebied bestaat uit ten minste een meetsegment en een stabilisatiesegment. Het eerste meetsegment van een meetgebied wordt voorafgegaan door een stabilisatiesegment om het toerental en het koppel te laten stabiliseren. Het stabilisatiesegment heeft een lengte van ten minste 25 m. De testbaan moet zodanig zijn ontworpen dat het voertuig tijdens de test het stabilisatiesegment al met de beoogde maximale snelheid kan binnenrijden.

De breedte- en lengtegraad van het start- en eindpunt van elk meetsegment wordt bepaald met een nauwkeurigheid van ten minste 0,15 m 95 % Circular Error Probable (DGPS-nauwkeurigheid).

3.1.4.

Vorm van de meetsegmenten

De meet- en stabilisatiesegmenten moeten in rechte lijn gelegen zijn.

3.1.5.

Hellingsgraad in lengterichting van de meetsegmenten

De gemiddelde hellingsgraad in lengterichting van elk meetsegment en van het stabilisatiesegment mag niet hoger zijn dan ± 1 %. Het meetsegment mag niet zodanige hellingsvariaties hebben dat de variatie van de snelheid en het koppel hoger is dan de in punt 3.10.1.1, vii) en viii), van deze bijlage bedoelde grenswaarden.

3.1.6.

Wegdek van de testbaan

Het wegdek van de testbaan bestaat uit asfalt of beton. De meetsegmenten hebben één soort wegdek. Verschillende meetsegmenten mogen een verschillend wegdek hebben.

3.1.7.

Gebied voor metingen in stilstand

De testbaan moet een gebied hebben waar het voertuig stil kan staan om het koppelmeetsysteem op nul te stellen en op verloop te controleren.

3.1.8.

Afstand tot obstakels aan de rand van de weg en vrije bovenruimte

Aan beide zijden van het voertuig mogen zich binnen een afstand van 5 m geen obstakels bevinden. Vangrails tot een hoogte van 1 m zijn toegestaan op een afstand van meer dan 2,5 m van het voertuig. Boven de meetsegmenten mogen zich geen bruggen en dergelijke bouwwerken bevinden. De testbaan moet genoeg vrije bovenruimte hebben om de anemometer op de in punt 3.4.7 van deze bijlage beschreven wijze op het voertuig te monteren.

3.1.9.

Hoogteprofiel

De fabrikant bepaalt of bij de beoordeling van de test een hoogtecorrectie moet worden toegepast. Als een hoogtecorrectie wordt toegepast, moet het hoogteprofiel voor elk meetsegment worden verstrekt. De gegevens moeten aan de volgende voorschriften voldoen:

i) 

het hoogteprofiel moet in de rijrichting worden gemeten met een rasterafstand van 50 m of minder;

ii) 

voor elk rasterpunt worden de lengte- en breedtegraad en de hoogte op ten minste één punt („hoogtemeetpunt”) aan weerszijden van de middellijn van de baan gemeten, waarna de gemiddelde waarde voor het rasterpunt wordt genomen;

iii) 

de in de luchtweerstandvoorbewerkingstool ingevoerde rasterpunten moeten op minder dan 1 m van de middellijn van het meetsegment gelegen zijn;

iv) 

de ligging van de hoogtemeetpunten ten opzichte van de middellijn van de baan (loodrechte afstand, aantal punten) wordt zodanig gekozen dat het resulterende hoogteprofiel representatief is voor de door het testvoertuig gereden helling;

v) 

het hoogteprofiel moet een nauwkeurigheid van ± 1 cm of beter hebben;

vi) 

de meetgegevens mogen niet meer dan tien jaar oud zijn. Als het wegdek in het meetgebied wordt vervangen, moet het hoogteprofiel opnieuw worden gemeten.

3.2.   Voorschriften voor omgevingsomstandigheden

3.2.1.

De omgevingsomstandigheden worden met de in punt 3.4 beschreven apparatuur gemeten.

3.2.2.

De omgevingstemperatuur moet tussen 0°C en 25°C liggen. Dit criterium wordt door de luchtweerstandvoorbewerkingstool gecontroleerd aan de hand van het signaal van de op het voertuig gemeten omgevingstemperatuur. Dit criterium geldt alleen voor de gegevensreeksen van de reeks lage snelheid – hoge snelheid – lage snelheid en niet voor de kalibratietest en de opwarmfasen.

3.2.3.

De temperatuur van de testbaan mag niet hoger zijn dan 40°C . Dit criterium wordt door de luchtweerstandvoorbewerkingstool gecontroleerd aan de hand van het signaal van de op het voertuig met een IR-sensor gemeten testbaantemperatuur. Dit criterium geldt alleen voor de gegevensreeksen van de reeks lage snelheid — hoge snelheid — lage snelheid en niet voor de kalibratietest en de opwarmfasen.

3.2.4.

Het wegdek moet tijdens de reeks lage snelheid — hoge snelheid — lage snelheid droog zijn, zodat de rolweerstandscoëfficiënten vergelijkbaar zijn.

3.2.5.

De windomstandigheden moeten binnen het volgende bereik liggen:

i) 

gemiddelde windsnelheid: ≤ 5 m/s;

ii) 

snelheid van windstoten (gecentreerd voortschrijdend gemiddelde van 1 s): ≤ 8 m/s.

De punten i) en ii) zijn van toepassing op gegevensreeksen van de test met hoge snelheid en de kalibratietest, maar niet op de tests met lage snelheid;

iii) 

gemiddelde gierhoek (β):

≤ 3 voor gegevensreeksen van de test met hoge snelheid;
≤ 5 voor gegevensreeksen van de kalibratietest.

De luchtweerstandvoorbewerkingstool controleert aan de hand van de op het voertuig geregistreerde signalen, waarop een grenslaagcorrectie is toegepast, of de windomstandigheden aan de eisen voldoen. Meetgegevens die verzameld zijn onder omstandigheden waarbij de bovenstaande grenswaarden werden overschreden, worden automatisch van de berekeningen uitgesloten.

▼M3

3.3.

Montage van het voertuig

3.3.1.

Algemene montagevoorschriften

3.3.1.1.

Het geteste voertuig vertegenwoordigt het voertuig dat in de handel wordt gebracht, conform de voorschriften voor typegoedkeuring van voertuigen overeenkomstig Verordening (EU) 2018/858. Dit voorschrift geldt niet voor uitrusting die nodig is om de test met constante snelheid te kunnen uitvoeren (bv. totale voertuighoogte met inbegrip van anemometer).

3.3.1.2.

Het voertuig wordt uitgerust met banden die aan de volgende criteria voldoen:

— 
de op het etiket vermelde brandstofefficiëntie is de beste of een na beste die op het moment van de test verkrijgbaar is;
— 
maximale profieldiepte van 10 mm op alle banden op het volledige voertuig inclusief de aanhangwagen (indien van toepassing);
— 
de banden zijn opgepompt binnen een tolerantie van ± 20 kPa van de op de zijwand van de band vermelde spanning overeenkomstig artikel 3 van VN-Reglement nr. 54 ( 17 ).

3.3.1.3.

De asuitlijning moet aan de specificaties van de fabrikant voldoen.

3.3.1.4.

Tijdens de metingen van de testreeks lage snelheid — hoge snelheid — lage snelheid mogen er geen bandenspanningregelsystemen actief zijn.

3.3.1.5.

Als het voertuig met een actieve aerodynamische voorziening is uitgerust, mag de voorziening onder de volgende voorwaarden tijdens de test met constante snelheid actief zijn:

— 
tegenover de goedkeuringsinstantie is aangetoond dat de voorziening altijd actief is en de luchtweerstand van het voertuig doeltreffend vermindert als het voertuig met meer dan 60 km/h rijdt voor middelzware en zware vrachtwagens en meer dan 80 km/h voor zware bussen;
— 
dat de voorziening op alle voertuigen van de familie op soortgelijke wijze is gemonteerd en functioneert.

In alle andere gevallen wordt de actieve aerodynamische voorziening tijdens de test met constante snelheid volledig uitgeschakeld.

3.3.1.6.

Het voertuig mag niet uitgerust zijn met tijdelijke kenmerken, wijzigingen of voorzieningen die niet representatief zijn voor het voertuig tijdens gebruik en die dienen om de luchtweerstandswaarde tijdens de test te verlagen (zoals afgeplakte openingen op de carrosserie). Wijzigingen die dienen om de aerodynamische eigenschappen van het geteste voertuig aan de specificaties van het oudervoertuig aan te passen, zijn toegestaan.

3.3.1.7.

Aftermarket-onderdelen, d.w.z. onderdelen die niet onder de typegoedkeuring van het voertuig overeenkomstig Verordening 2018/858 vallen (bv. zonnekleppen, luchthoorns, extra koplampen, signaleringslichten, koeienvangers of skiboxen), worden niet in aanmerking genomen voor de luchtweerstand overeenkomstig deze bijlage.

3.3.1.8.

Het voertuig wordt zonder lading gemeten.

3.3.2.

Installatievoorschriften voor middelzware en zware enkelvoudige vrachtwagens

3.3.2.1.

Het voertuigchassis moet passen bij de afmetingen van de standaardcarrosserie of de standaardoplegger, zoals gedefinieerd in aanhangsel 4 van deze bijlage.

3.3.2.2.

De overeenkomstig punt 3.5.3.1, vii), bepaalde voertuighoogte moet binnen de in aanhangsel 3 van deze bijlage vermelde grenzen liggen.

3.3.2.3.

De cabine en de aerodynamische hulpmiddelen moeten zo goed mogelijk passen bij de gedefinieerde standaardcarrosserie of standaardoplegger. De aerodynamische hulpmiddelen (bv. spoiler) moeten overeenkomstig de instructies van de fabrikant worden gemonteerd.

3.3.2.4.

The cabin and the aero accessories shall be adapted to best fit to the defined standard body or semi-trailer. The installation of the aero accessories (e.g. spoiler) shall be in accordance with the instructions of the manufacturer.

3.3.2.5.

De oplegger wordt overeenkomstig aanhangsel 4 van deze bijlage geconfigureerd.

▼B

3.4.

Meetapparatuur

Het kalibratielaboratorium moet voldoen aan de eisen van ►M3  IATF ◄  16949, ISO 9000-reeks of ISO/IEC 17025. Alle voor kalibraties en/of controles gebruikte referentiemeetapparatuur van het laboratorium moet herleidbaar zijn naar nationale (internationale) standaarden.

3.4.1.   Koppel

3.4.1.1.

Het directe koppel op alle aangedreven assen wordt met een van de volgende meetsystemen gemeten:

a) 

een naafkoppelmeter;

b) 

een velgkoppelmeter;

c) 

een steekaskoppelmeter.

▼M3

3.4.1.2.

Eén koppelmeter moet door middel van kalibratie aan de volgende systeemvereisten voldoen:

i)

niet-lineariteit:

< ± 6 Nm voor zware vrachtwagens en zware bussen;

< ± 5 Nm voor middelzware vrachtwagens;

ii)

herhaalbaarheid:

< ± 6 Nm voor zware vrachtwagens en zware bussen;

< ± 5 Nm voor middelzware vrachtwagens;

iii)

overspraak:

< ± 10 Nm voor zware vrachtwagens en zware bussen;

< ± 8 Nm voor middelzware vrachtwagens

(geldt alleen voor velgkoppelmeters);

iv)

meetfrequentie: ≥ 20 Hz;

daarbij wordt verstaan onder:

„niet-lineariteit”: maximale afwijking tussen ideale en werkelijke uitgangssignaalkenmerken voor een gemeten grootheid in een specifiek meetbereik;

„herhaalbaarheid”: mate waarin de resultaten van achtereenvolgende, onder dezelfde meetomstandigheden uitgevoerde metingen van dezelfde grootheid met elkaar overeenstemmen;

„overspraak”: signaal bij de hoofduitgang van een sensor (My), dat afkomstig is van een meetgrootheid (Fz) die op de sensor werkt, maar verschilt van de aan die uitgang toegewezen gemeten grootheid. De coördinaten worden overeenkomstig het systeem van ISO 4130 toegewezen.

De geregistreerde koppelgegevens worden gecorrigeerd voor de door de leverancier bepaalde meetafwijking van het instrument.

▼B

3.4.2.   Voertuigsnelheid

De snelheid van het voertuig wordt door de luchtweerstandvoorbewerkingstool bepaald aan de hand van het voorassignaal van de CAN-bus, dat op een van de volgende wijzen wordt gekalibreerd:

optie a)

:

op basis van een referentiesnelheid die berekend wordt uit het tijdsverschil tussen twee vaste opto-elektronische sensoren (zie punt 3.4.4 van deze bijlage) en de bekende lengte van het meetsegment of de meetsegmenten; of

optie b)

:

op basis van een uit het tijdsverschil van het DGPS-plaatsbepalingssignaal afgeleid snelheidssignaal en de bekende lengte van het meetsegment of de meetsegmenten, afgeleid van de DGPS-coördinaten.

De voertuigsnelheid wordt gekalibreerd aan de hand van de bij de test met hoge snelheid geregistreerde gegevens.

▼M3

3.4.3.   Referentiesignaal voor de berekening van het toerental van de wielen van de aangedreven as

Er wordt één van de drie opties gekozen:

optie 1: op basis van motortoerental
Het CAN-signaal van het motortoerental en de overbrengingsverhoudingen (versnellingen voor test met lage snelheid en test met hoge snelheid, asverhouding) moeten ter beschikking worden gesteld. Voor het CAN-signaal van het motortoerental moet worden aangetoond dat het signaal naar de luchtweerstandvoorbewerkingstool identiek is aan het signaal dat gebruikt wordt voor tests tijdens het gebruik overeenkomstig bijlage I bij Verordening (EU) nr. 582/2011.
Voor voertuigen met koppelomvormer waarvoor de test met lage snelheid niet met ingeschakelde overbruggingskoppeling in optie 1 kan worden uitgevoerd, moeten bovendien het toerentalsignaal van de cardanas en de asverhouding of het gemiddelde wieltoerentalsignaal van de aangedreven as aan de luchtweerstandvoorbewerkingstool worden verstrekt. Aangetoond moet worden dat het aan de hand van dit aanvullende signaal berekende motortoerental niet meer dan 1 % afwijkt van het CAN-motortoerental. Dit moet worden aangetoond voor de gemiddelde waarde van een meetsegment dat wordt afgelegd met de laagst mogelijke voertuigsnelheid waarbij de koppelomvormer met ingeschakelde overbruggingskoppeling kan werken en met de toepasselijke voertuigsnelheid voor de test met hoge snelheid.
optie 2: op basis van wieltoerental
Het gemiddelde van de CAN-signalen voor het toerental van het linker- en rechterwiel van de aangedreven as moet ter beschikking worden gesteld. Als alternatief kunnen externe sensoren worden gebruikt. Elke methode moet voldoen aan de voorschriften van tabel 2 van bijlage X bis.
Bij optie 2 worden de inputparameters voor overbrengingsverhoudingen en asverhouding ingesteld op 1, onafhankelijk van de aandrijflijnconfiguratie.
optie 3: op basis van elektromotortoerental
In het geval van hybride en puur elektrische voertuigen moeten het CAN-signaal van het motortoerental en de overbrengingsverhoudingen (versnellingen voor test met lage snelheid en test met hoge snelheid, en asverhouding indien van toepassing) ter beschikking worden gesteld. Aangetoond moet worden dat het wieltoerental van de aangedreven as bij de test met lage en hoge snelheid uitsluitend wordt bepaald door deze specificaties van de aandrijflijnconfiguratie.

▼B

3.4.4.   Opto-elektronische sensoren

Het signaal van de sensoren wordt aan de luchtweerstandvoorbewerkingstool verstrekt voor de markering van het begin en het eind van het meetsegment en de kalibratie van het signaal van de voertuigsnelheid. De meetfrequentie van het markeringssignaal moet ten minste 100 Hz bedragen. Als alternatief kan een DGPS-systeem worden gebruikt.

3.4.5.   (D)GPS-systeem

Optie a), uitsluitend voor plaatsbepaling: GPS

Vereiste nauwkeurigheid:

i)

positie: < 3 m 95 % Circular Error Probable;

ii)

bijwerkfrequentie: ≥ 4 Hz.

Optie b), voor kalibratie van de voertuigsnelheid en plaatsbepaling: differentieel GPS-systeem (DGPS).

Vereiste nauwkeurigheid:

i)

positie: 0,15 m 95 % Circular Error Probable;

ii)

bijwerkfrequentie: ≥ 100 Hz.

3.4.6.   Stationair weerstation

Met een stationair weerstation worden de luchtdruk en de vochtigheid van de omgevingslucht bepaald. Dit meteorologische instrument moet op minder dan 2 000  m van een van de meetgebieden worden geplaatst en op gelijke hoogte met de meetgebieden of hoger gelegen zijn.

Vereiste nauwkeurigheid:

i)

temperatuur: ± 1 C ;

ii)

vochtigheid: ± 5 % relatieve luchtvochtigheid;

iii)

druk: ± 1 mbar;

iv)

bijwerkfrequentie: ≤ 6 minuten.

3.4.7.   Mobiele anemometer

Met een mobiele anemometer worden de luchtstroomomstandigheden gemeten, namelijk de luchtsnelheid en de gierhoek (β) tussen de totale luchtstroom en de lengteas van het voertuig.

3.4.7.1.   Nauwkeurigheidsvoorschriften

De anemometer moet volgens ISO 16622 in een faciliteit gekalibreerd zijn. Er moet voldaan worden aan de nauwkeurigheidsvoorschriften van tabel 1.



Tabel 1

Nauwkeurigheidsvoorschriften voor anemometer

Bereik luchtsnelheid

[m/s]

Nauwkeurigheid luchtsnelheid

[m/s]

Nauwkeurigheid gierhoek in bereik van 180° ± 7°

[graden]

20 ± 1

± 0,7

± 1,0

27 ± 1

± 0,9

± 1,0

35 ± 1

± 1,2

± 1,0

▼M3

3.4.7.2.   Plaatsing

De mobiele anemometer wordt als volgt op het voertuig gemonteerd:

i) 

X-positie:

middelzware en zware enkelvoudige vrachtwagens en trekkers: voorzijde ± 0,3 m van de oplegger of bakcarrosserie;
zware bussen: tussen het uiteinde van het eerste kwart van het voertuig en de achterzijde van het voertuig;
middelzware vrachtwagens van het type bestelwagen: tussen de B-stijl en de achterzijde van het voertuig;
ii) 

Y-positie: spiegelvlak met een tolerantie van ± 0,1 m;

iii) 

Z-positie:

op een derde van de totale voertuighoogte boven het voertuig, gemeten vanaf de grond, met een tolerantie van 0,0 m tot + 0,2 m. Voor voertuigen met een totale hoogte van meer dan 4 m kan de montagehoogte boven het voertuig op verzoek van de fabrikant worden beperkt tot 1,3 m, met een tolerantie van 0,0 m tot + 0,2 m.

De instrumentatie moet zo nauwkeurig mogelijk gebeuren met behulp van geometrische of optische hulpmiddelen. De plaatsing wordt gecontroleerd met de kalibratietest overeenkomstig punt 3.6 van deze bijlage.

▼B

3.4.7.3.

De bijwerkfrequentie van de anemometer moet ten minste 4 Hz bedragen.

3.4.8.   Omgevingstemperatuursensor op het voertuig

De temperatuur van de omgevingslucht wordt aan de mast van de mobiele anemometer gemeten. De sensor moet maximaal 600 mm onder de mobiele anemometer worden gemonteerd. De sensor wordt tegen de zon afgeschermd.

Vereiste nauwkeurigheid: ± 1 C .

Bijwerkfrequentie: ≥ 1 Hz.

3.4.9.   Temperatuur van de testbaan

De temperatuur van de testbaan wordt op het voertuig geregistreerd met een contactloze breedband-IR-sensor (8–14 μm). Voor asfalt en beton wordt een emissiegraad van 0,90 toegepast. ►M3  De IR-sensor wordt volgens ASTM E2847 of VDI/VDE 3511 gekalibreerd. ◄

Vereiste nauwkeurigheid bij kalibratie: temperatuur: ± 2,5 °C .

Bijwerkfrequentie: ≥ 1 Hz.

3.5.

Procedure voor de test met constante snelheid

Voor elke toe te passen combinatie van meetsegment en rijrichting wordt, in die richting, onderstaande procedure voor de test met constante snelheid gevolgd, die bestaat uit een testreeks van lage snelheid, hoge snelheid en lage snelheid.

3.5.1.

De gemiddelde snelheid van een meetsegment moet bij de test met lage snelheid tussen 10 en 15 km/h liggen.

3.5.2.

De gemiddelde snelheid van een meetsegment moet bij de test met hoge snelheid in het volgende bereik liggen:

▼M3

maximumsnelheid: 95 km/h voor middelzware en zware vrachtwagens en 103 km/h voor zware bussen;

▼B

minimumsnelheid: 85 km/h of, als dat lager is, 3 km/h minder dan de maximumsnelheid waarmee het voertuig op de testbaan gebruikt kan worden.

3.5.3.

De test wordt strikt volgens de in de punten 3.5.3.1 tot en met 3.5.3.9 van deze bijlage beschreven reeks uitgevoerd.

3.5.3.1.   Voorbereiding van het voertuig en de meetsystemen

i) 

Montage van de koppelmeters op de aangedreven assen van het testvoertuig en controle van de montage en signaalgegevens volgens de specificaties van de fabrikant.

ii) 

Vastlegging van de relevante algemene voertuiggegevens in het officiële testformulier overeenkomstig punt 3.7 van deze bijlage.

iii) 

Voor de berekening van de versnellingscorrectie door de luchtweerstandvoorbewerkingstool wordt voorafgaand aan de test het werkelijke gewicht van het voertuig bepaald binnen een bereik van ± 500 kg.

iv) 

Controle of de bandenspanning niet hoger is dan de maximaal toelaatbare spanning en vastlegging van de bandenspanningswaarden.

v) 

Voorbereiding van opto-elektronische sensoren bij het meetsegment (of de meetsegmenten) of controle of het DGPS-systeem naar behoren werkt.

vi) 

Installatie van mobiele anemometer op het voertuig en/of controle van de montage, positie en richting. ►M3  Telkens als de anemometer op het voertuig is gemonteerd of is aangepast, moet een kalibratietest worden verricht. ◄

▼M3

vii) 

Controle van de voertuigconfiguratie wat betreft hoogte en geometrie, bij standaard rijhoogte:

— 
middelzware en zware enkelvoudige vrachtwagens en trekkers: de maximumhoogte van het voertuig wordt bepaald door bij de vier hoeken van de bakcarrosserie of de oplegger te meten;
— 
zware bussen en middelzware vrachtwagens van het type bestelwagen: de maximumhoogte van het voertuig wordt gemeten overeenkomstig de technische voorschriften van bijlage I bij Verordening (EU) nr. 1230/2012, waarbij geen rekening wordt gehouden met de in aanhangsel 1 van die bijlage bedoelde inrichtingen en apparatuur.

▼B

viii) 

Aanpassing van de hoogte van de oplegger aan de streefwaarde en nieuwe bepaling van de maximumhoogte van het voertuig, indien nodig.

ix) 

De spiegels of optische systemen, dakwindgeleiders en andere aerodynamische voorzieningen moeten zich in de toestand bevinden die tijdens het rijden gebruikelijk is.

3.5.3.2.   Opwarmfase

Rijdt het voertuig ten minste 90 minuten lang met de streefsnelheid van de test met hoge snelheid om het systeem op te warmen. Als het voertuig heeft stilgestaan (bv. om de configuratie te veranderen of vanwege een ongeldige test), wordt het opnieuw opgewarmd, waarbij de opwarmtijd ten minste even lang is als de tijd dat het voertuig heeft stilgestaan. De opwarmfase kan worden gebruikt om de in punt 3.6 van deze bijlage beschreven kalibratietest te verrichten.

▼M1

Indien het niet mogelijk is om gedurende een volledige ronde een hoge snelheid aan te houden, bijvoorbeeld omdat de bochten te scherp zijn, is het toegestaan van de vereiste streefsnelheid af te wijken in de bochten, alsook op de nabijgelegen rechte stukken die nodig zijn om het voertuig af te remmen en te versnellen.

Afwijkingen moeten zo klein mogelijk zijn.

Als alternatief mag de opwarmfase ook worden uitgevoerd op een nabijgelegen weg, voor zover de streefsnelheid gedurende 90 % van de opwarmtijd binnen ± 10 km/h wordt aangehouden. Het deel van de opwarmfase dat wordt gebruikt om van de weg naar het gebied voor metingen in stilstand van de testbaan te rijden om de koppelmeters op nul te stellen, wordt opgenomen in de andere opwarmfase die in punt 3.5.3.4 is beschreven. Dit deel mag niet langer dan 20 minuten duren. De snelheid en de tijd tijdens de opwarmfase worden door de meetapparatuur geregistreerd.

▼B

3.5.3.3.   Nulstelling van koppelmeters

De koppelmeters worden als volgt op nul gesteld:

i) 

zet het voertuig stil;

ii) 

hef de wielen waarop het instrument is aangebracht van de grond;

iii) 

stel de aflezing van de versterker van de koppelmeters op nul.

▼M3

Het voertuig mag niet langer dan 15 minuten stilstaan.

▼M1

3.5.3.4.

Warm het voertuig nog eens ten minste 10 minuten lang op en rijd, indien van toepassing, de afstand van de weg naar het gebied voor metingen in stilstand van de testbaan om de koppelmeters op nul te stellen met de streefsnelheid van de test met hoge snelheid. ►M3  De opwarmfase overeenkomstig dit punt mag niet korter zijn dan de stilstandfase en niet langer dan 30 minuten duren. ◄

▼B

3.5.3.5.

Eerste test met lage snelheid

Verricht de eerste meting bij lage snelheid. Zorg ervoor dat:

i) 

het voertuig in een zo recht mogelijke lijn door het meetsegment wordt gereden;

ii) 

de gemiddelde rijsnelheid voor het meetsegment en het voorafgaande stabilisatiesegment aan punt 3.5.1 van deze bijlage voldoet;

iii) 

de rijsnelheid in de meet- en stabilisatiesegmenten aan de stabiliteitsbepalingen van punt 3.10.1.1, vii), van deze bijlage voldoet;

iv) 

het in de meet- en stabilisatiesegmenten gemeten koppel aan de stabiliteitsbepalingen van punt 3.10.1.1, viii), van deze bijlage voldoet;

v) 

het begin en het eind van de meetsegmenten duidelijk in de meetgegevens zijn aangegeven door middel van een geregistreerd markeringssignaal (opto-elektrische sensoren en geregistreerde GPS-gegevens) of door gebruik te maken van een DGPS-systeem;

vi) 

het voertuig onverwijld over de delen van de testbaan buiten de meetsegmenten en voorafgaande stabilisatiesegmenten wordt gereden. Tijdens deze fasen worden onnodige manoeuvres vermeden (zoals het rijden van vloeiende bochten);

vii) 

de tests met lage snelheid niet langer dan 20 minuten duren, zodat voorkomen wordt dat de banden afkoelen.

▼M3

viii) 

elke vertraging vóór het begin van de test met lage snelheid zodanig wordt uitgevoerd dat het gebruik van de mechanische bedrijfsrem tot een minimum wordt beperkt, d.w.z. door vrijloop of gebruik te maken van de retarder.

▼B

3.5.3.6.

Warm het voertuig nog eens ten minste 5 minuten lang op door met de streefsnelheid van de test met hoge snelheid te rijden.

3.5.3.7.

Test met hoge snelheid

Verricht de meting bij hoge snelheid. Zorg ervoor dat:

i) 

het voertuig in een zo recht mogelijke lijn door het meetsegment wordt gereden;

ii) 

de gemiddelde rijsnelheid voor het meetsegment en het voorafgaande stabilisatiesegment aan punt 3.5.2 van deze bijlage voldoet;

iii) 

de rijsnelheid in de meet- en stabilisatiesegmenten aan de stabiliteitsbepalingen van punt 3.10.1.1, vii), van deze bijlage voldoet;

iv) 

het in de meet- en stabilisatiesegmenten gemeten koppel aan de stabiliteitsbepalingen van punt 3.10.1.1, viii), van deze bijlage voldoet;

v) 

het begin en het eind van de meetsegmenten duidelijk in de meetgegevens zijn aangegeven door middel van een geregistreerd markeringssignaal (opto-elektrische sensoren en geregistreerde GPS-gegevens) of door gebruik te maken van een DGPS-systeem;

vi) 

bij het rijden buiten de meetsegmenten en voorafgaande stabilisatiesegmenten onnodige manoeuvres worden vermeden (zoals het rijden van vloeiende bochten en onnodige versnellingen of vertragingen);

vii) 

de afstand tussen het gemeten voertuig en een ander voertuig dat over de testbaan rijdt, ten minste 500 m bedraagt;

viii) 

er ten minste 10 geldige passages per rijrichting worden geregistreerd.

Als aan het bepaalde in punt 3.6 is voldaan, kan de test met hoge snelheid worden gebruikt voor de kalibratie van de anemometer.

3.5.3.8.

Tweede test met lage snelheid

Verricht de tweede meting met lage snelheid direct na de test met hoge snelheid. Er moet aan dezelfde bepalingen worden voldaan als bij de eerste test met lage snelheid.

3.5.3.9.

Controle van het verloop van koppelmeters

Direct na afloop van de tweede test met lage snelheid worden de koppelmeters op verloop gecontroleerd volgens de volgende procedure:

1. 

zet het voertuig stil;

2. 

hef de wielen waarop het instrument is aangebracht van de grond;

3. 

bereken het verloop van elke koppelmeter uit het gemiddelde van de minimumreeks van 10 seconden, dat minder dan 25 Nm moet bedragen.

Als deze waarde wordt overschreden, is de test ongeldig.

3.6.

Kalibratietest

De afwijking van de anemometer wordt bepaald door een kalibratietest op de testbaan te verrichten.

3.6.1.

Er worden ten minste 5 geldige passages van een recht segment van 250 ± 3 m in elke rijrichting met hoge voertuigsnelheid uitgevoerd.

3.6.2.

De in punt 3.2.5 van deze bijlage vermelde geldigheidscriteria voor de windomstandigheden en de in punt 3.1 van deze bijlage vermelde testbaancriteria zijn van toepassing.

3.6.3.

De gegevens die tijdens de kalibratietest worden geregistreerd, worden door de luchtweerstandvoorbewerkingstool gebruikt om de meetafwijking te berekenen en een dienovereenkomstige correctie toe te passen. ►M3  De signalen voor het wielkoppel, motortoerental, cardanastoerental of gemiddelde wieltoerental worden niet gebruikt bij de beoordeling. ◄

3.6.4.

De kalibratietest kan onafhankelijk van de procedure voor de test met constante snelheid worden verricht. Als de kalibratietest afzonderlijk wordt verricht, gebeurt dit als volgt:

i) 

bereid de opto-elektronische sensoren bij het segment van 250 m ± 3 m voor of controleer of het DGPS-systeem naar behoren werkt;

ii) 

controleer de voertuigconfiguratie wat betreft hoogte en geometrie overeenkomstig punt 3.5.3.1 van deze bijlage. Pas de hoogte van de oplegger zo nodig aan overeenkomstig de voorschriften in aanhangsel 4 van deze bijlage;

iii) 

er gelden geen opwarmvoorschriften;

iv) 

verricht de kalibratietest voor ten minste 5 geldige passages, zoals hierboven beschreven.

3.6.5.

Verricht in de volgende gevallen een nieuwe kalibratietest:

a) 

als de anemometer van het voertuig is gedemonteerd;

b) 

als de anemometer is verplaatst;

▼M3

c) 

als een andere trekker of enkelvoudige vrachtwagen wordt gebruikt;

▼M1

d) 

als de luchtweerstandfamilie is veranderd.

▼B

3.7.

Testformulier

Naast de registratie van de modale meetgegevens, worden in een formulier ten minste de volgende gegevens over de test vastgelegd:

i) 

algemene beschrijving van het voertuig (zie specificaties in aanhangsel 2 – Inlichtingenformulier);

ii) 

werkelijke maximumhoogte van het voertuig, bepaald overeenkomstig punt 3.5.3.1, vii);

iii) 

begintijd en datum van de test;

iv) 

voertuigmassa binnen een bereik van ± 500 kg;

v) 

bandenspanningen;

vi) 

bestandsnamen van meetgegevens;

vii) 

vastlegging van buitengewone gebeurtenissen (met tijd en nummer van meetsegmenten), bijvoorbeeld:

— 
nabije passage van een ander voertuig;
— 
manoeuvres om ongelukken te voorkomen, fouten bij het rijden;
— 
technische fouten;
— 
meetfouten.

3.8.

Gegevensverwerking

3.8.1.

De geregistreerde gegevens worden gesynchroniseerd en op basis van het rekenkundige gemiddelde, een naastebuuranalyse of lineaire interpolatie op een temporele resolutie van 100 Hz gealigneerd.

3.8.2.

Alle geregistreerde gegevens worden op fouten gecontroleerd. In de volgende gevallen worden meetgegevens verder buiten beschouwing gelaten:

— 
als de gegevensreeksen vanwege gebeurtenissen tijdens de meting ongeldig zijn (zie punt 3.7, vii));
— 
als voor een meetsegment de maximale waarde van het instrument is bereikt (bv. als de anemometer bij harde windvlagen het maximumsignaal afgeeft);
— 
als bij metingen de toegestane grenswaarden voor het verloop van de koppelmeter zijn overschreden.

3.8.3.

Voor de beoordeling van de tests met constante snelheid moet de laatste beschikbare versie van de luchtweerstandvoorbewerkingstool worden gebruikt. Naast de hierboven beschreven gegevensverwerking, worden alle beoordelingsstappen die validiteitscontroles omvatten (met uitzondering van de hierboven vermelde lijst) door de luchtweerstandvoorbewerkingstool verricht.

3.9.

►M1  Inputgegevens voor de luchtweerstandvoorbewerkingstool ◄

In de volgende tabellen zijn de vereisten voor de registratie van meetgegevens en de voorbewerking van gegevens als input van de luchtweerstandvoorbewerkingstool vermeld:

tabel 2 voor het voertuiggegevensbestand;
tabel 3 voor het omgevingsomstandighedenbestand;
tabel 4 voor het meetsegmentconfiguratiebestand;
Table 5 voor het meetgegevensbestand;
tabel 6 voor de hoogteprofielbestanden (facultatieve inputgegevens).

►M1  De technische documentatie van de luchtweerstandvoorbewerkingstool bevat een uitvoerige beschrijving van de vereiste gegevensformaten, de inputbestanden en de beoordelingsprincipes. ◄ De gegevens worden overeenkomstig punt 3.8 van deze bijlage verwerkt.

▼M3



Tabel 1

Inputgegevens voor de luchtweerstandvoorbewerkingstool — Voertuiggegevensbestand

Inputgegevens

Eenheid

Toelichting

Code voertuiggroep

[-]

1 – 19 voor zware vrachtwagens overeenkomstig tabel 1 van bijlage I

31a – 40f voor zware bussen overeenkomstig de tabellen 4 tot en met 6 van bijlage I

51 – 56 voor middelzware vrachtwagens overeenkomstig tabel 2 van bijlage I

Voertuigconfiguratie met aanhangwagen

[-]

Geeft aan of het voertuig is gemeten zonder aanhangwagen (input „No”) of is gemeten met aanhangwagen, bv. als combinatie van trekker en oplegger (input „Yes”)

Voertuigtestmassa

[kg]

Werkelijke massa tijdens metingen

Technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand

[kg]

Zware vrachtwagens: technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand van de enkelvoudige vrachtwagen of trekker (zonder aanhangwagen of oplegger)

Alle andere voertuigklassen: geen vermelding

Asverhouding

[-]

Asoverbrengingsverhouding (1) (2)

Overbrengingsverhouding hoge snelheid

[-]

Overbrengingsverhouding van de versnelling die tijdens de test met hoge snelheid is gebruikt (1) (4)

Overbrengingsverhouding lage snelheid

[-]

Overbrengingsverhouding van de versnelling die tijdens de test met lage snelheid is gebruikt (1) (4)

Hoogte anemometer

[m]

Hoogte van het meetpunt van de gemonteerde anemometer vanaf de grond

Hoogte voertuig

[m]

middelzware en zware enkelvoudige vrachtwagens en trekkers: maximumhoogte van het voertuig overeenkomstig punt 3.5.3.1, vii)

Alle andere voertuigklassen: geen vermelding

Vaste overbrengingsverhouding tijdens test met lage snelheid

[-]

„yes” / „no” (voor voertuigen die niet met vergrendelde koppelomvormer kunnen rijden tijdens de test met lage snelheid)

Maximumsnelheid voertuig

[km/h]

Maximumsnelheid waarmee het voertuig in de praktijk op de testbaan gebruikt kan worden (2)

Verloop koppelmeter linkerwiel

[Nm]

Gemiddeld meetresultaat van de koppelmeter overeenkomstig punt 3.5.3.9

Verloop koppelmeter rechterwiel

[Nm]

Tijdstempel nulstelling van koppelmeters

[s] sinds dagbegin (van eerste dag)

 

Tijdstempel controle van het verloop van koppelmeters

(1)   

Overbrengingsverhouding met ten minste drie decimalen vermelden.

(2)   

Als hetzij het signaal van het cardanastoerental, hetzij het signaal van het gemiddelde wieltoerental aan de luchtweerstandvoorbewerkingstool wordt verstrekt (zie punt 3.4.3; optie 1 voor voertuigen met koppelomvormers of optie 2), bedraagt de inputparameter voor asverhouding „1 000 ”.

(3)   

Input uitsluitend vereist als de waarde lager is dan 88 km/h.

(4)   

Als het gemiddelde wieltoerental aan de luchtweerstandvoorbewerkingstool wordt verstrekt (zie punt 3.4.3, optie 2), bedragen de inputparameters voor de overbrengingsverhoudingen „1 000 ”.

▼B



Tabel 3

Inputgegevens voor de luchtweerstandvoorbewerkingstool — Omgevingsomstandighedenbestand

Signaal

Identificatiecode kolom in inputbestand

Een-heid

Meet-frequentie

Toelich-ting

Tijd

<t>

[s] sinds dag-begin (van eerste dag)

Omgevings-temperatuur

<t_amb_stat>

[°C]

Ten minste 1 gemiddelde waarden per 6 minuten

Stationair weer-station

Luchtdruk

<p_amb_stat>

[mbar]

Stationair weer-station

Relatieve luchtvochtigheid

<rh_stat>

[%]

Stationair weer-station



▼M1

Tabel 4

Inputgegevens voor de luchtweerstandvoorbewerkingstool — Meetsegmentconfiguratiebestand

▼B

Inputgegevens

Eenheid

Toelichting

Markeringssignaal gebruikt

[-]

1 = Markeringssignaal gebruikt; 0 = geen markeringssignaal gebruikt

ID meetsegment

[-]

Door de gebruiker gedefinieerd identificatienummer

ID rijrichting

[-]

Door de gebruiker gedefinieerd identificatienummer

Koers

[°]

Koers van het meetsegment

Lengte van het meetsegment

[m]

Breedtegraad beginpunt segment

decimale graden of decimale minuten

standaard-GPS, eenheid decimale graden:

minimaal 5 decimalen

Lengtegraad beginpunt segment

standaard-GPS, eenheid decimale minuten:

minimaal 3 decimalen

Breedtegraad eindpunt segment

DGPS, eenheid decimale graden:

minimaal 7 decimalen

Lengtegraad eindpunt segment

DGPS, eenheid decimale minuten:

minimaal 5 decimalen

Pad en/of bestandsnaam van hoogteprofielbestand

[-]

Alleen vereist voor tests met constante snelheid (niet voor kalibratietest) en als hoogtecorrectie wordt toegepast



Tabel 5

Inputgegevens voor de luchtweerstandvoorbewerkingstool — Meetgegevensbestand

Signaal

Identificatiecode kolom in inputbestand

Eenheid

Meetfrequentie

Toelichting

Tijd

<t>

[s] sinds dagbegin (van eerste dag)

100 Hz

Vaste frequentie van 100 Hz; tijdsignaal dat wordt gebruikt voor de correlatie met weergegevens en voor de frequentiecontrole

(D)GPS breedtegraad

<lat>

decimale graden of decimale minuten

GPS: ≥ 4 Hz

DGPS: ≥ 100 Hz

standaard-GPS, eenheid decimale graden:

minimaal 5 decimalen

(D)GPS lengtegraad

<long>

standaard-GPS, eenheid decimale minuten:

minimaal 3 decimalen

DGPS, eenheid decimale graden:

minimaal 7 decimalen

DGPS, eenheid decimale minuten:

minimaal 5 decimalen

(D)GPS koers

<hdg>

[°]

≥ 4 Hz

 

DGPS snelheid

<v_veh_GPS>

[km/h]

≥ 20 Hz

 

Snelheid voertuig

<v_veh_CAN>

[km/h]

≥ 20 Hz

Onbewerkt voorassignaal van CAN-bus

Luchtsnelheid

<v_air>

[m/s]

≥ 4 Hz

Onbewerkte gegevens (aflezing instrument)

Instromingshoek (β)

<beta>

[°]

≥ 4 Hz

Onbewerkte gegevens (aflezing instrument); „180°” betekent dat de luchtstroom recht van voren komt

▼M3

Motortoerental, cardanastoerental, gemiddeld wieltoerental of elektromotortoerental

<n_eng>,<n_card>, <n_wheel_ave> of <n_EM>

[min–1]

≥ 20 Hz;

Zie punt 3.4.3.

▼B

Koppelmeter (linkerwiel)

<tq_l>

[Nm]

≥ 20 Hz

Koppelmeter (rechterwiel)

<tq_r>

[Nm]

≥ 20 Hz

Omgevingstemperatuur voertuig

<t_amb_veh>

[°C]

≥ 1 Hz

 

Markeringssignaal

<trigger>

[-]

100 Hz

Facultatief signaal; vereist als de meetsegmenten met opto-elektronische sensoren worden aangegeven (optie „trigger_used = 1”)

Temperatuur van de testbaan

<t_ground>

[°C]

≥ 1 Hz

 

Geldigheid

<valid>

[-]

Facultatief signaal (1 = geldig; 0 = ongeldig)



Tabel 6

Inputgegevens voor de luchtweerstandvoorbewerkingstool – Hoogteprofielbestand

Inputgegevens

Eenheid

Toelichting

Breedtegraad

decimale graden of decimale minuten

Eenheid decimale graden:

minimaal 7 decimalen

Lengtegraad

Eenheid decimale minuten:

minimaal 5 decimalen

Hoogte

[m]

Minimaal 2 decimalen

3.10.

Geldigheidscriteria

Deze punten bevatten de criteria voor het verkrijgen van geldige resultaten in de luchtweerstandvoorbewerkingstool.

3.10.1.   Geldigheidscriteria voor de test met constante snelheid

3.10.1.1.

De luchtweerstandvoorbewerkingstool accepteert tijdens de test met constante snelheid geregistreerde gegevensreeksen indien aan de volgende geldigheidscriteria wordt voldaan:

i) 

de gemiddelde voertuigsnelheid beantwoordt aan de criteria van punt 3.5.2;

ii) 

de omgevingstemperatuur ligt binnen het in punt 3.2.2 vermelde bereik. Dit criterium wordt door de luchtweerstandvoorbewerkingstool gecontroleerd aan de hand van de op het voertuig gemeten omgevingstemperatuur;

iii) 

de temperatuur van de testbaan ligt binnen het in punt 3.2.3 vermelde bereik.

iv) 

de omstandigheden van de gemiddelde windsnelheid zijn overeenkomstig punt 3.2.5, i), geldig;

v) 

de omstandigheden van de snelheid van windstoten zijn overeenkomstig punt 3.2.5, ii), geldig;

vi) 

de omstandigheden van de gemiddelde gierhoek zijn overeenkomstig punt 3.2.5, iii), geldig;

vii) 

er wordt voldaan aan de stabiliteitscriteria voor de voertuigsnelheid:

test met lage snelheid:

image

waarbij:

vlms,avrg

=

μέση τιμή μετρήσεων ταχύτητας οχήματος ανά τμήμα μέτρησης [km/h]

vlm,avrg

=

κεντρικός κινητός μέσος όρος ταχύτητας οχήματος με χρονική βάση Xms δευτερόλεπτα [km/h]

Xms

=

απαιτούμενος χρόνος για την οδήγηση απόστασης 25 m με την πραγματική ταχύτητα του οχήματος [s]

test met hoge snelheid:

image

waarbij:

vhms,avrg

=

gemiddelde snelheid van het voertuig per meetsegment [km/h];

vhm,avrg

=

gecentreerd voortschrijdend gemiddelde van snelheid van het voertuig over een periode van 1 s [km/h];

viii) 

er wordt voldaan aan de stabiliteitscriteria voor het voertuigkoppel:

▼M3

test met lage snelheid:
(T lms,avrg T grd ) × (1 – tol) ≤ (T lms,avrg T grd ) ≤ (T lms,avrg T grd ) × (1 + tol)
T grd = F grd,avrg × r dyn,avrg
waarbij:

Tlms,avrg

=

gemiddelde van Tsum per meetsegment;

Tgrd

=

gemiddeld koppel als gevolg van hellingkracht;

Fgrd,avrg

=

gemiddelde hellingkracht over meetsegment;

rdyn,avrg

=

gemiddelde werkelijke rolstraal over meetsegment (zie formule onder ix)) [m];

Tsum

=

TL + TR ; som van gecorrigeerde koppelwaarden linker- en rechterwiel [Nm];

T lm,avrg

=

gecentreerd voortschrijdend gemiddelde van Tsum over een periode van Xms seconden;

Xms

=

tijd die nodig is om een afstand van 25 m af te leggen met de werkelijke snelheid van het voertuig [s];

tol

=

relatieve tolerantie voor koppel: 0,5 voor middelzware vrachtwagens en zware vrachtwagens van de groepen 1s, 1 en 2; 0,3 voor zware vrachtwagens van andere groepen en zware bussen;

▼B

test met lage snelheid:

image

waarbij:

Thms,avrg

=

gemiddelde van Tsum per meetsegment [Nm];

Tgrd

=

gemiddeld koppel als gevolg van hellingkracht (zie test met lage snelheid) [Nm];

Tsum

=

TL + TR ; som van gecorrigeerde koppelwaarden linker- en rechterwiel [Nm];

Thm,avrg

=

gecentreerd voortschrijdend gemiddelde van Tsum over een periode van 1 s [Nm];

ix) 

geldige koers van het voertuig tijdens passage meetsegment (< 10o afwijking van streefkoers voor test met lage snelheid, test met hoge snelheid en kalibratietest);

x) 

de op basis van de gekalibreerde voertuigsnelheid berekende afstand die in een meetsegment is afgelegd, verschilt niet meer dan 3 meter van de beoogde afstand (voor test met lage snelheid en test met hoge snelheid);

▼M1

xi) 

►M3  de plausibiliteitscontrole voor het motortoerental, cardanastoerental of gemiddelde wieltoerental (naargelang het geval) is doorstaan: ◄

►M3  motortoerental of gemiddelde wieltoerental ◄ voor test met hoge snelheid:

image

image

image

waarbij:

igear

=

overbrengingsverhouding van de versnelling die tijdens de test met hoge snelheid is gebruikt [-];

iaxle

=

asoverbrengingsverhouding [-];

vhms,avrg

=

gemiddelde snelheid van het voertuig (meetsegment voor hoge snelheid) [km/h];

neng,1s

=

gecentreerd voortschrijdend gemiddelde van het ►M3  motortoerental of gemiddelde wieltoerental ◄ over een periode van 1 s (meetsegment voor hoge snelheid) [min-1]

neng,avrg

=

gemiddelde van het ►M3  motortoerental of gemiddelde wieltoerental ◄ (meetsegment voor hoge snelheid) [min-1];

rdyn,avrg

=

gemiddelde werkelijke rolstraal voor één meetsegment voor hoge snelheid [m];

rdyn,ref,HS

=

op basis van alle geldige meetsegmenten voor hoge snelheid berekende werkelijke referentierolstraal (aantal = n) [m];

►M3  motortoerental of gemiddelde wieltoerental ◄ voor test met lage snelheid:

image

image

image

waarbij:

igear

=

overbrengingsverhouding van de versnelling die tijdens de test met lage snelheid is gebruikt [-];

iaxle

=

asoverbrengingsverhouding [-];

vlms,avrg

=

gemiddelde snelheid van het voertuig (meetsegment voor lage snelheid) [km/h];

neng,float

=

gecentreerd voortschrijdend gemiddelde van ►M3  motortoerental of gemiddelde wieltoerental ◄ over een periode van Xms seconden (meetsegment voor lage snelheid) [min-1];

neng,avrg

=

gemiddelde van ►M3  motortoerental of gemiddelde wieltoerental ◄ (meetsegment voor lage snelheid) [min-1];

Xms

=

tijd die nodig is om met lage snelheid een afstand van 25 m af te leggen [s];

rdyn,avrg

=

gemiddelde werkelijke rolstraal voor één meetsegment voor lage snelheid [m];

rdyn,ref,LS1/LS2

=

op basis van alle geldige meetsegmenten voor de eerste of tweede test met lage snelheid berekende werkelijke referentierolstraal (aantal = n) [m].

De plausibiliteitscontrole voor het cardanastoerental wordt op soortgelijke wijze verricht, waarbij neng,1s wordt vervangen door ncard,1s (gecentreerd voortschrijdend gemiddelde van cardanastoerental over een periode van 1 s voor meetsegment voor hoge snelheid) en neng,float wordt vervangen door ncard,float (voortschrijdend gemiddelde van cardanastoerental over een periode van Xms seconden voor meetsegment voor lage snelheid) en igear de waarde 1 heeft;

▼B

xii) 

het betrokken gedeelte van de meetgegevens is in het inputbestand van de luchtweerstandvoorbewerkingstool niet als „ongeldig” aangemerkt.

3.10.1.2.

De luchtweerstandvoorbewerkingstool sluit afzonderlijke gegevensreeksen van de beoordeling uit als er voor de eerste en de tweede test met lage snelheid een ongelijk aantal gegevensreeksen is voor een bepaalde combinatie van meetsegment en rijrichting. In dat geval worden van de test met lage snelheid met het grootste aantal testreeksen de eerste gegevensreeksen uitgesloten.

3.10.1.3.

De luchtweerstandvoorbewerkingstool sluit afzonderlijke combinaties van meetsegmenten en rijrichtingen van de beoordeling uit als:

i) 

er geen geldige gegevensreeks van de eerste en/of tweede test met lage snelheid beschikbaar is;

ii) 

er minder dan twee geldige gegevensreeksen van de test met hoge snelheid beschikbaar zijn.

3.10.1.4.

De luchtweerstandvoorbewerkingstool beschouwt de volledige test met constante snelheid in de volgende gevallen als ongeldig:

i) 

als niet aan de in punt 3.1.1 beschreven voorschriften betreffende de testbaan wordt voldaan;

ii) 

als er per rijrichting minder dan 10 gegevensreeksen beschikbaar zijn (test met hoge snelheid);

iii) 

als er per rijrichting minder dan 5 geldige gegevensreeksen beschikbaar zijn (kalibratietest);

iv) 

als de rolweerstandscoëfficiënten (RRC) voor de eerste en tweede test met lage snelheid meer dan 0,40 kg/t van elkaar verschillen. Dit criterium wordt voor elke combinatie van een meetsegment en een rijrichting afzonderlijk gecontroleerd.

3.10.2.   Geldigheidscriteria voor de kalibratietest

3.10.2.1.

De luchtweerstandvoorbewerkingstool accepteert tijdens de kalibratietest geregistreerde gegevensreeksen indien aan de volgende geldigheidscriteria wordt voldaan:

i) 

de gemiddelde voertuigsnelheid beantwoordt aan de criteria van punt 3.5.2 voor de test met hoge snelheid;

ii) 

de omstandigheden van de gemiddelde windsnelheid zijn overeenkomstig punt 3.2.5, i), geldig;

iii) 

de omstandigheden van de snelheid van windstoten zijn overeenkomstig punt 3.2.5, ii), geldig;

iv) 

de omstandigheden van de gemiddelde gierhoek zijn overeenkomstig punt 3.2.5, iii), geldig;

v) 

er wordt voldaan aan de stabiliteitscriteria voor de voertuigsnelheid:

image

waarbij:

vhms,avrg

=

gemiddelde snelheid van het voertuig per meetsegment [km/h];

vhm,avrg

=

gecentreerd voortschrijdend gemiddelde van snelheid van het voertuig over een periode van 1 s [km/h];

3.10.2.2.

De luchtweerstandvoorbewerkingstool beschouwt de gegevens uit één meetsegment in de volgende gevallen als ongeldig:

i) 

als de gemiddelde voertuigsnelheden van alle geldige gegevensreeksen van elke rijrichting meer dan 2 km/h van elkaar verschillen;

ii) 

als er per rijrichting minder dan 5 gegevensreeksen beschikbaar zijn.

3.10.2.3.

De luchtweerstandvoorbewerkingstool beschouwt de volledige kalibratietest als ongeldig als er voor een meetsegment geen geldig resultaat beschikbaar is.

3.11.

Opgave van de luchtweerstandswaarde

De basiswaarde voor de opgave van de luchtweerstandswaarde is het eindresultaat van Cd · Acr (0) dat berekend is door de luchtweerstandvoorbewerkingstool. De aanvrager van de certificering moet een waarde Cd · Adeclared opgeven die tussen Cd · Acr (0) en maximaal + 0,2 m2 hoger ligt. Bij deze tolerantie wordt rekening gehouden met de onzekerheden bij de selectie van de oudervoertuigen als minst gunstige geval voor alle leden van de familie die getest kunnen worden. De waarde Cd · Adeclared dient als input voor de simulatietool en is de referentiewaarde voor de tests betreffende de conformiteit van de gecertificeerde CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen.

▼M3

Op basis van één gemeten Cd·Acr (0) kunnen verschillende opgegeven waarden Cd·Adeclared worden gecreëerd, mits aan de in aanhangsel 5, punt 3.1, vermelde familiebepalingen voor middelzware en zware vrachtwagens en de in aanhangsel 5, punt 4.1, vermelde familiebepalingen voor zware bussen wordt voldaan.

▼B




Aanhangsel 1

MODEL VAN EEN CERTIFICAAT VOOR EEN ONDERDEEL, TECHNISCHE EENHEID OF SYSTEEM

Maximumformaat: A4 (210 × 297 mm)

CERTIFICAAT BETREFFENDE DE CO2-EMISSIE- EN BRANDSTOFVERBRUIKSEIGENSCHAPPEN VAN EEN LUCHTWEERSTANDFAMILIE



Mededeling betreffende de:

— verlening (1)

— uitbreiding (1)

— weigering (1)

— intrekking (1)

Stempel instantie

van een certificaat betreffende de CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen van een luchtweerstandfamilie overeenkomstig Verordening (EU) 2017/2400 van de Commissi.

Verordening (EU) 2017/2400 van de Commissie, zoals laatstelijk gewijzigd bij …

Certificeringsnummer:

Hash:

Reden van de uitbreiding:

AFDELING I

0.1.

Merk (handelsnaam van de fabrikant):

0.2.

Voertuigcarrosserie- en luchtweerstandstype of -familie (indien van toepassing):

0.3.

Lid van de voertuigcarrosserie- en luchtweerstandfamilie (indien het een familie betreft):

0.3.1.

Voertuigcarrosserie- en luchtweerstandsouder:

0.3.2.

Voertuigcarrosserie- en luchtweerstandstypen binnen de familie:

0.4.

Middel tot identificatie van het type, indien aanwezig:

0.4.1.

Plaats van het merkteken:

0.5.

Naam en adres van de fabrikant:

0.6.

In het geval van onderdelen en technische eenheden, plaats en wijze van aanbrenging van het EG-certificeringsmerk:

0.7.

Naam en adres van de assemblagefabriek(en):

0.9.

Naam en adres van de eventuele vertegenwoordiger van de fabrikant:

AFDELING II

1.

Eventuele aanvullende informatie: zie addendum

2.

Goedkeuringsinstantie die verantwoordelijk is voor de uitvoering van de tests:

3.

Datum van het testrapport:

4.

Nummer van het testrapport:

5.

Eventuele opmerkingen: zie addendum

6.

Plaats:

7.

Datum:

8.

Handtekening:

Bijlagen:

Informatiepakket. Testrapport.

▼M1




Aanhangsel 2

Inlichtingenformulier luchtweerstand



Informatieblad nr.:

Afgifte:

van:

Wijziging:

krachtens …

Luchtweerstandstype of -familie (indien van toepassing):

Algemene opmerking: voor het importeren van inputgegevens van de simulatietool moet een elektronisch bestandsformaat worden gedefinieerd. De inputgegevens van de simulatietool en de in het inlichtingenformulier verlangde gegevens kunnen van elkaar verschillen (nog te bepalen). Een gegevensbestand is in het bijzonder nodig als grote hoeveelheden gegevens, zoals efficiëntiediagrammen, moeten worden verwerkt (geen handmatige overbrenging/input nodig).

0.0.   ALGEMEEN

0.1. Naam en adres van de fabrikant:

0.2. Merk (handelsnaam van de fabrikant):

0.3. Luchtweerstandstype (of -familie, indien van toepassing):

0.4. Handelsbenaming(en) (indien beschikbaar):

0.5. Middel tot identificatie van het type, indien aangebracht op het voertuig:

0.6. In het geval van onderdelen en technische eenheden, plaats en wijze van aanbrenging van het certificeringsmerk:

0.7. Naam en adres van de assemblagefabriek(en):

0.8. Naam en adres van de vertegenwoordiger van de fabrikant:

DEEL 1

ESSENTIËLE EIGENSCHAPPEN VAN (OUDER)LUCHTWEERSTAND EN LUCHTWEERSTANDSTYPEN BINNEN EEN LUCHTWEERSTANDFAMILIE



 

Ouderluchtweerstand

Familielid

 

 

of luchtweerstandstype

#1

#2

#3

 

 

1.0.   SPECIFIEKE LUCHTWEERSTANDSINFORMATIE

1.1.0. VOERTUIG

1.1.1. Voertuiggroep volgens CO2-regelgeving voor zware bedrijfsvoertuigen

▼M3

1.2.0. Voertuigmodel / Handelsbenaming

1.2.1. Assenconfiguratie

1.2.2. Technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand

1.2.3. Cabine- of modellijn

1.2.4. Breedte cabine (maximumwaarde in Y-richting, voor voertuigen met een cabine)

1.2.5. Lengte cabine (maximumwaarde in X-richting, voor voertuigen met een cabine)

1.2.6. Dakhoogte (voor voertuigen met een cabine)

1.2.7. Wielbasis

1.2.8. Hoogte cabine boven frame (voor voertuigen met een frame)

1.2.9. Framehoogte (voor voertuigen met een frame)

1.2.10. Aerodynamische accessoires (bv. dakwindgeleider, zijfenders, zijafschermingen, hoekvinnen)

1.2.11. Bandmaten vooras

1.2.12. Bandmaten aangedreven as(sen)

1.2.13. Voertuigbreedte overeenkomstig punt 2, 8), van bijlage III (voor voertuigen zonder cabine)

1.2.14. Voertuiglengte overeenkomstig punt 2, 7), van bijlage III (voor voertuigen zonder cabine)

1.2.15. Hoogte van de geïntegreerde carrosserie overeenkomstig punt 2, 5), van bijlage III (voor voertuigen zonder cabine)

▼M1

1.3.

Specificaties carrosserie (volgens definitie standaardcarrosserie)

1.4.

Specificaties oplegger of aanhangwagen (volgens specificatie standaardoplegger of standaardaanhangwagen)

1.5.

Parameter die de familie bepaalt volgens de beschrijving van de aanvrager (oudercriteria en afwijkende familiecriteria)

LIJST VAN BIJLAGEN



Nr.:

Beschrijving:

Datum van afgifte:

1.

Informatie over de testomstandigheden

2.

 

Bijlage 1 bij inlichtingenformulier

Informatie over de testomstandigheden (indien van toepassing)

1.1. Testbaan waarop de tests zijn uitgevoerd

1.2. Totale voertuigmassa bij meting [kg]

1.3. Maximumhoogte van het voertuig bij meting [m]

1.4. Gemiddelde omgevingstemperatuur tijdens eerste test met lage snelheid [°C]

1.5. Gemiddelde snelheid van het voertuig tijdens test met hoge snelheid [km/h]

1.6. Product van weerstandscoëfficiënt (Cd ) en de oppervlakte van de dwarsdoorsnede (Ac r) voor omstandigheden zonder zijwind CdAcr(0) [m2]

1.7. Product van weerstandscoëfficiënt (Cd ) en de oppervlakte van de dwarsdoorsnede (Acr ) voor omstandigheden met gemiddelde zijwind tijdens test met constante snelheid CdAcr(β) [m2]:

1.8. Gemiddelde gierhoek tijdens test met constante snelheid β [°]

1.9. Opgegeven luchtweerstandswaarde Cd·Adeclared [m2]

1.10. Versienummer van de luchtweerstandvoorbewerkingstool.

▼M3




Aanhangsel 3

Voorschriften betreffende voertuighoogte voor enkelvoudige vrachtwagens en trekkers

1. Middelzware enkelvoudige vrachtwagens, zware enkelvoudige vrachtwagens en trekkers die in de test met constante snelheid overeenkomstig punt 3 van deze bijlage worden gemeten, moeten aan de voorschriften betreffende voertuighoogte van tabel 2 voldoen.

2. De voertuighoogte moet overeenkomstig punt 3.5.3.1, vii), worden bepaald.

3. Alle soorten enkelvoudige vrachtwagens en trekkers van voertuiggroepen die niet in tabel 2 zijn opgenomen, worden niet aan tests met constante snelheid onderworpen.



Tabel 2

Voorschriften betreffende voertuighoogte voor middelzware enkelvoudige vrachtwagens, zware enkelvoudige vrachtwagens en trekkers

Voertuiggroep

Minimale voertuighoogte [m]

Maximale voertuighoogte [m]

51, 53, 55

3,20

3,50

1s, 1

3,40

3,60

2

3,50

3,75

3

3,70

3,90

4

3,85

4,00

5

3,90

4,00

9

Soortgelijke waarden als voor enkelvoudige vrachtwagens met dezelfde technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand (groep 1, 2, 3 of 4)

10

3,90

4,00

▼B




Aanhangsel 4

▼M3

Configuraties van standaardcarrosserie en standaardoplegger voor enkelvoudige vrachtwagens en trekkers

▼B

1.  ►M3  Middelzware enkelvoudige vrachtwagens en zware enkelvoudige vrachtwagens waarvan de luchtweerstand moet worden vastgesteld, moeten aan de voorschriften betreffende standaardcarrosserie van dit aanhangsel voldoen. Trekkers moeten aan de voorschriften betreffende standaardopleggers van dit aanhangsel voldoen. ◄

2. De toepasselijke standaardcarrosserie of standaardoplegger wordt uit tabel 8 afgelezen.

▼M3



Tabel 3

Toewijzing van standaardcarrosserie en standaardoplegger voor test met constante snelheid

Voertuiggroepen

Standaardcarrosserie of standaardoplegger

51, 53, 55

B-II

1s, 1

B1

2

B2

3

B3

4

B4

5

ST1

9

Afhankelijk van technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand:

7,5 – 10 t: B1

> 10 – 12 t: B2

> 12 – 16 t: B3

> 16 t: B5

10

ST1

3. De standaardcarrosserieën B-II, B1, B2, B3, B4 en B5 moeten worden gebouwd als een gesloten carrosserie in de vorm van een testbak. Zij moeten twee achterdeuren hebben en geen zijdeuren. De standaardcarrosserieën hebben geen laadkleppen, voorspoilers of zijfenders om de luchtweerstand te verlagen. De specificaties van de standaardcarrosserieën zijn opgenomen in:

tabel 9a voor standaardcarrosserie B-II;
tabel 9 voor standaardcarrosserie B1;
tabel 10 voor standaardcarrosserie B2;
tabel 11 voor standaardcarrosserie B3;
tabel 12 voor standaardcarrosserie B4;
tabel 13 voor standaardcarrosserie B5;

De in de tabellen 9a tot en met 15 vermelde massa’s worden niet gecontroleerd voor de luchtweerstandstest.

▼B

4. De voorschriften voor het type en het chassis van de standaardoplegger ST1 zijn vermeld in tabel 14. De specificaties zijn weergegeven in tabel 15.

5. Alle afmetingen en massa's waarvoor geen specifieke tolerantie is vermeld, moeten in overeenstemming zijn met Verordening (EU) nr. 1230/2012, bijlage I, aanhangsel 2 (d.w.z. een afwijking van ten hoogste ± 3 % van de streefwaarde).



Tabel 9

Specificaties van standaardcarrosserie B1

Specificatie

Eenheid

Uitwendige afmeting

(tolerantie)

Toelichting

Lengte

[mm]

6 200

 

Breedte

[mm]

2 550 (– 10)

 

Hoogte

[mm]

2 680 (± 10)

Bak: uitwendige hoogte: 2 560

Langsligger: 120

Afrondingsstraal van zijkanten en dak met voorpaneel

[mm]

50 – 80

 

Afrondingsstraal van zijkanten met dakpaneel

[mm]

50 – 80

 

Overige hoeken

[mm]

Afgerond met een straal ≤ 10

 

Massa

[kg]

1 600

►M3  De massa wordt in de simulatietool als generieke waarde gebruikt en hoeft niet te worden gecontroleerd voor luchtweerstandstests ◄

▼M3



Tabel 9 a

Specificaties van standaardcarrosserie B-II

Specificatie

Eenheid

Uitwendige afmeting

(tolerantie)

Toelichting

Lengte

[mm]

4 500 (± 10)

 

Breedte

[mm]

2 300 (± 10)

 

Hoogte

[mm]

2 500 (± 10)

Bak:

uitwendige hoogte: 2 380

Langsligger: 120

Afrondingsstraal van zijkanten en dak met voorpaneel

[mm]

30 - 80

 

Afrondingsstraal van zijkanten met dakpaneel

[mm]

30 - 80

 

Overige hoeken

[mm]

Afgerond met een straal ≤ 10

 

Massa

[kg]

800

De massa wordt in de simulatietool als generieke waarde gebruikt en hoeft niet te worden gecontroleerd voor luchtweerstandstests

▼B



Tabel 10

Specificaties van standaardcarrosserie B2

Specificatie

Eenheid

Uitwendige afmeting

(tolerantie)

Toelichting

Lengte

[mm]

7 400

 

Breedte

[mm]

2 550 (– 10)

 

Hoogte

[mm]

2 760 (± 10)

Bak: uitwendige hoogte: 2 640

Langsligger: 120

Afrondingsstraal van zijkanten en dak met voorpaneel

[mm]

50 – 80

 

Afrondingsstraal van zijkanten met dakpaneel

[mm]

50 – 80

 

Overige hoeken

[mm]

Afgerond met een straal ≤ 10

 

Massa

[kg]

1 900

►M3  De massa wordt in de simulatietool als generieke waarde gebruikt en hoeft niet te worden gecontroleerd voor luchtweerstandstests ◄



Tabel 11

Specificaties van standaardcarrosserie B3

Specificatie

Eenheid

Uitwendige afmeting

(tolerantie)

Toelichting

Lengte

[mm]

7 450

 

Breedte

[mm]

2 550 (– 10)

Wettelijke grenswaarde (Richtlijn 96/53/EG),

inwendig ≥ 2 480

Hoogte

[mm]

2 880 (± 10)

Bak: uitwendige hoogte: 2 760

Langsligger: 120

Afrondingsstraal van zijkanten en dak met voorpaneel

[mm]

50 – 80

 

Afrondingsstraal van zijkanten met dakpaneel

[mm]

50 – 80

 

Overige hoeken

[mm]

Afgerond met een straal ≤ 10

 

Massa

[kg]

2 000

►M3  De massa wordt in de simulatietool als generieke waarde gebruikt en hoeft niet te worden gecontroleerd voor luchtweerstandstests ◄



Tabel 12

Specificaties van standaardcarrosserie B4

Specificatie

Eenheid

Uitwendige afmeting

(tolerantie)

Toelichting

Lengte

[mm]

7 450

 

Breedte

[mm]

2 550 (– 10)

 

Hoogte

[mm]

2 980 ± 10

Bak: uitwendige hoogte: 2 860

Langsligger: 120

Afrondingsstraal van zijkanten en dak met voorpaneel

[mm]

50 – 80

 

Afrondingsstraal van zijkanten met dakpaneel

[mm]

50 – 80

 

Overige hoeken

[mm]

Afgerond met een straal ≤ 10

 

Massa

[kg]

2 100

►M3  De massa wordt in de simulatietool als generieke waarde gebruikt en hoeft niet te worden gecontroleerd voor luchtweerstandstests ◄



Tabel 13

Specificaties van standaardcarrosserie B5

Specificatie

Eenheid

Uitwendige afmeting

(tolerantie)

Toelichting

Lengte

[mm]

7 820

inwendig ≥ 7 650

Breedte

[mm]

2 550 (– 10)

Wettelijke grenswaarde (Richtlijn 96/53/EG),

inwendig ≥ 2 460

Hoogte

[mm]

2 980 ± 10

Bak: uitwendige hoogte: 2 860

Langsligger: 120

Afrondingsstraal van zijkanten en dak met voorpaneel

[mm]

50 – 80

 

Afrondingsstraal van zijkanten met dakpaneel

[mm]

50 – 80

 

Overige hoeken

[mm]

Afgerond met een straal ≤ 10

 

Massa

[kg]

2 200

►M3  De massa wordt in de simulatietool als generieke waarde gebruikt en hoeft niet te worden gecontroleerd voor luchtweerstandstests ◄



Tabel 14

Type en chassisconfiguratie van standaardoplegger ST1

Type aanhangwagen

Drieassige oplegger zonder gestuurde as(sen)

Chassisconfiguratie

— Volledige ladderconstructie

— Frame zonder bodembedekking

— Twee stroken aan weerszijden als bescherming tegen klemrijden

— Bescherming aan de achterzijde tegen klemrijden (UPS)

— Lamphouderplaat aan de achterzijde

— Zonder palletkisten

— Twee reservewielen achter de derde as

— Eén gereedschapskist aan het eind van de carrosserie, vóór de UPS (links of rechts)

— Spatlappen voor en na assenstellen;

— Luchtvering

— Schijfremmen

— Bandenmaat: 385/65 R 22.5

— Twee achterdeuren

— Zonder zijdeuren

— Zonder laadklep

— Zonder voorspoiler

— Zonder zijfenders voor aerodynamica



Tabel 15

▼M1

Specificaties van standaardoplegger „ST1”

▼B

Specificatie

Eenheid

Uitwendige afmeting

(tolerantie)

Toelichting

Totale lengte

[mm]

13 685

 

Totale breedte (carrosseriebreedte)

[mm]

2 550 (– 10)

 

Carrosseriehoogte

[mm]

2 850 (± 10)

Totale maximumhoogte: 4 000 (Richtlijn 96/53/EG)

Totale hoogte, zonder lading

[mm]

4 000 (– 10)

Hoogte over de volledige lengte Specificatie voor oplegger, niet van belang voor de controle van de voertuighoogte tijdens test met constante snelheid

Hoogte koppelinrichting, zonder lading

[mm]

1 150

Specificatie voor oplegger, wordt niet gecontroleerd tijdens test met constante snelheid

Wielbasis

[mm]

7 700

 

Asafstand

[mm]

1 310

Drie assen, 24 t (Richtlijn 96/53/EG)

Vooroverhang:

[mm]

1 685

Straal: 2 040 (wettelijke grenswaarde, Richtlijn 96/53/EG)

Voorwand

 

 

Voorwand met aansluitingen voor perslucht en elektriciteit

Hoek tussen voor- en zijpaneel

[mm]

Onderbroken door een strip en een afrondingsstraal ≤ 5

Snijlijn van een cirkel met de kingpin als middelpunt en een straal van 2 040 (wettelijke grenswaarde Richtlijn 96/53/EG)

Overige hoeken

[mm]

Afgerond met een straal ≤ 10

 

Afmetingen gereedschapskist langs x-as voertuig

[mm]

655

Tolerantie: ± 10 % van streefwaarde

Afmetingen gereedschapskist langs y-as voertuig

[mm]

445

Tolerantie: ± 5 % van streefwaarde

Afmetingen gereedschapskist langs z-as voertuig

[mm]

495

Tolerantie: ± 5 % van streefwaarde

Lengte zijdelingse bescherming tegen klemrijden

[mm]

3 045

Twee stroken aan weerszijden, overeenkomstig VN/ECE-Reglement 73, wijzingenreeks 01 (2010), +/– 100 afhankelijk van wielbasis

Profiel van stroken

[mm2]

100 × 30

VN/ECE-Reglement 73, wijzingenreeks 01 (2010)

Technisch brutogewicht van het voertuig

[kg]

39 000

Wettelijk brutomassa voertuig (GVWR): 24 000 (Richtlijn 96/53/EG)

Ledig gewicht van het voertuig

[kg]

7 500

Hoeft niet te worden gecontroleerd bij luchtweerstandstest

Toegestane asbelasting

[kg]

24 000

Wettelijke grenswaarde (Richtlijn 96/53/EG)

Technische asbelasting

[kg]

27 000

3 × 9 000




Aanhangsel 5

▼M3

Luchtweerstandfamilie

▼B

1.   Algemeen

Een luchtweerstandfamilie wordt gekenmerkt door ontwerp- en prestatieparameters. Deze moeten voor alle voertuigen binnen de familie gemeenschappelijk zijn. ►M3  De fabrikant kan beslissen welke voertuigen tot een luchtweerstandfamilie behoren, mits aan de in punt 3 vermelde lidmaatschapscriteria voor middelzware vrachtwagens en zware vrachtwagens en aan de in punt 6 vermelde lidmaatschapscriteria voor zware bussen wordt voldaan. ◄ De luchtweerstandfamilie moet door de goedkeuringsinstantie worden goedgekeurd. De fabrikant verstrekt de goedkeuringsinstantie de toepasselijke informatie over de luchtweerstand van de leden van de luchtweerstandfamilie.

2.   Bijzondere gevallen

In sommige gevallen kan er interactie tussen de parameters zijn. Hiermee moet rekening worden gehouden om te waarborgen dat in een luchtweerstandfamilie alleen voertuigen met soortgelijke kenmerken worden opgenomen. De fabrikant moet deze gevallen bepalen en de goedkeuringsinstantie hiervan op de hoogte brengen. Hiermee moet vervolgens rekening worden gehouden als criterium bij het creëren van een nieuwe luchtweerstandfamilie.

▼M3

Behalve de in punt 4 van dit aanhangsel genoemde parameters voor middelzware en zware vrachtwagens en de in punt 6.1 van dit aanhangsel genoemde parameters voor zware bussen, kan de fabrikant ook aanvullende criteria opgeven op basis waarvan families van kleinere omvang kunnen worden gedefinieerd.

4.   Parameters die de luchtweerstandfamilie voor middelzware en zware vrachtwagens bepalen

▼B

4.1.

►M3  Middelzware en zware vrachtwagens mogen in een familie worden gegroepeerd als zij overeenkomstig tabel 1 of tabel 2 van bijlage I tot dezelfde voertuiggroep behoren en als aan de volgende criteria wordt voldaan: ◄

a) 

dezelfde cabinebreedte en geometrie van de blanke carrosserie tot en met de B-stijl en boven het hielpunt, met uitzondering van de onderkant van de cabine (bv. motortunnel). Alle leden van de familie bevinden zich binnen een bereik van ± 10 mm van het oudervoertuig;

b) 

dezelfde dakhoogte langs verticaal Z. Alle leden van de familie bevinden zich binnen een bereik van ± 10 mm van het oudervoertuig;

c) 

►M3  voor voertuigen met een frame: dezelfde hoogte van cabine boven frame. ◄ Aan dit criterium wordt voldaan als het hoogteverschil van de cabines boven frame binnen Z < 175 mm ligt.

Met gegevens van het CAD (computer-aided design) moet worden aangetoond dat aan de familieconceptvoorschriften wordt voldaan.

Figuur 1

Familiedefinitie

image

4.2.

Een luchtweerstandfamilie bestaat uit leden die getest kunnen worden en voertuigconfiguraties die niet getest kunnen worden overeenkomstig deze verordening.

4.3.

De leden van de familie die getest kunnen worden, zijn voertuigconfiguraties die aan de montagevoorschriften in punt 3.3 van het hoofdgedeelte van deze bijlage voldoen.

▼M3

5.   Keuze van het oudervoertuig van de luchtweerstandfamilie voor middelzware en zware vrachtwagens

▼B

5.1.

Het oudervoertuig van elke familie wordt gekozen aan de hand van de volgende criteria:

▼M3

5.2.

Voor middelzware enkelvoudige vrachtwagens, zware enkelvoudige vrachtwagens en trekkers moet het voertuigchassis passen bij de afmetingen van de standaardcarrosserie of de standaardoplegger, zoals gedefinieerd in aanhangsel 4 van deze bijlage.

▼B

5.3.

Alle leden van de familie die getest kunnen worden, moeten dezelfde of een lagere luchtweerstandswaarde hebben als de voor het oudervoertuig opgegeven waarde Cd · Adeclared.

▼M3

5.4.

De aanvrager van de certificering moet kunnen aantonen dat het oudervoertuig op basis van wetenschappelijke methoden, bv. numerieke stromingsleer (computational fluid dynamics — CFD), windtunnelresultaten of goede ingenieurspraktijken, overeenkomstig punt 5.3 is gekozen. Deze bepaling geldt voor alle voertuigvarianten die volgens de in punt 3 van deze bijlage beschreven procedure voor de test met constante snelheid getest kunnen worden. Andere voertuigconfiguraties (bv. voertuighoogten die niet aan de voorschriften in aanhangsel 4 voldoen, wielbases die niet aan de afmetingen van de standaardcarrosserie in aanhangsel 5 voldoen) krijgen, zonder dat nadere feiten aangetoond moeten worden, dezelfde luchtweerstandswaarde als het oudervoertuig binnen de familie dat getest kan worden. Aangezien de banden als een deel van de meetapparatuur worden beschouwd, moet de invloed daarvan bij het aantonen van het minst gunstige scenario buiten beschouwing worden gelaten.

5.5.

Voor zware vrachtwagens kan de opgegeven waarde Cd·Adeclared worden gebruikt om families in andere voertuiggroepen samen te stellen als aan de familiecriteria overeenkomstig punt 5 van dit aanhangsel wordt voldaan op basis van de bepalingen in tabel 16.



Tabel 16

Bepalingen voor de overdracht van luchtweerstandswaarden van zware vrachtwagens naar andere voertuiggroepen

Voertuiggroep

Overdrachtformule

Toelichting

1, 1s

Voertuiggroep 2 – 0,2 m2

Alleen toegestaan als de waarde voor de betrokken familie in groep 2 is gemeten

2

Voertuiggroep 3 – 0,2 m2

Alleen toegestaan als de waarde voor de betrokken familie in groep 3 is gemeten

3

Voertuiggroep 4 – 0,2 m2

 

4

Geen overdracht toegestaan

 

5

Geen overdracht toegestaan

 

9

Voertuiggroep 1, 2, 3, 4 + 0,1 m2

De toepasselijke groep voor de overdracht moet met de technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand overeenkomen.

In het geval van een technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand van > 16 ton:

— groep 4 vormt de basis voor de overdracht voor groep 9

— groep 5 vormt de basis voor de overdracht voor groep 10

Overdracht van reeds overgedragen waarden is toegestaan.

10

Voertuiggroep 1, 2, 3, 5 + 0,1 m2

11

Voertuiggroep 9

Overdracht van reeds overgedragen waarden is toegestaan

12

Voertuiggroep 10

Overdracht van reeds overgedragen waarden is toegestaan

16

Voertuiggroep 9 + 0,3 m2

Overdracht van reeds overgedragen waarden is toegestaan

▼M3

5.6.

Voor middelzware vrachtwagens mag de opgegeven waarde Cd·Adeclared worden overgedragen om families in andere voertuiggroepen samen te stellen als overeenkomstig punt 5 van dit aanhangsel aan de familiecriteria wordt voldaan en als aan de bepalingen in tabel 16 bis wordt voldaan. De overdracht gebeurt door de waarde voor Cd·Adeclared ongewijzigd over te nemen van de oorspronkelijke groep.



Tabel 16 a

Bepalingen voor de overdracht van luchtweerstandswaarden van middelzware vrachtwagens naar andere voertuiggroepen

Voertuiggroep

Overdracht toegestaan van voertuiggroep(en)

51

53

52

54

53

51

54

52

6.

Parameters die de luchtweerstandfamilie voor zware bussen bepalen

6.1.

Zware bussen mogen in een familie worden gegroepeerd als zij overeenkomstig de tabellen 4, 5 en 6 van bijlage I tot dezelfde voertuiggroep behoren en als aan de volgende criteria wordt voldaan:

(a) 

voertuigbreedte: alle leden van de familie bevinden zich binnen een bereik van ± 50 mm van het oudervoertuig. De carrosseriebreedte wordt overeenkomstig de definities in bijlage III bepaald;

(b) 

hoogte van de geïntegreerde carrosserie: alle leden van de familie bevinden zich binnen het totale bereik van 250 mm. De hoogte van de geïntegreerde carrosserie wordt overeenkomstig de definities in bijlage III bepaald;

(c) 

voertuiglengte: alle leden van de familie bevinden zich binnen een bereik van 5 m. De lengte wordt overeenkomstig de definities in bijlage III bepaald.

Met gegevens van computer-aided design of met tekeningen moet worden aangetoond dat aan de familieconceptvoorschriften wordt voldaan. De wijze van aantonen wordt door de fabrikant gekozen.

7.

Keuze van het oudervoertuig van de luchtweerstandfamilie voor zware bussen

Het oudervoertuig van elke familie wordt gekozen aan de hand van de volgende criteria:

7.1.

Alle leden van de familie moeten dezelfde luchtweerstandswaarde hebben als of een lagere luchtweerstandswaarde dan de voor het oudervoertuig opgegeven waarde Cd·Adeclared .

7.2

De aanvrager van de certificering moet kunnen aantonen dat het oudervoertuig op basis van wetenschappelijke methoden, bv. numerieke stromingsleer, windtunnelresultaten of goede ingenieurspraktijken, overeenkomstig punt 7.1 is gekozen. Dit omvat tevens de invloed van op het dak gemonteerde systemen. Aangezien de banden als een deel van de meetapparatuur worden beschouwd, moet de invloed daarvan bij het aantonen van het minst gunstige scenario buiten beschouwing worden gelaten.

7.3.

De opgegeven waarde Cd·Adeclared kan worden gebruikt om families in andere voertuiggroepen samen te stellen als aan de familiecriteria overeenkomstig punt 1 van dit aanhangsel wordt voldaan op basis van overdrachtsfuncties of de bepalingen overeenkomstig tabel 16b. Meerdere combinaties van kopieer- en overdrachtsfuncties zijn toegestaan.

Voor voertuigen van subgroepen die in de tweede kolom van tabel 16b de waarde „nee” hebben, wijst de simulatietool automatisch generieke waarden voor luchtweerstand toe.



Tabel 16b

Bepalingen voor de overdracht van luchtweerstandswaarden tussen de voertuiggroepen

Subgroep voertuigparameter

Meting luchtweerstand toegestaan

Overdracht toegestaan van voertuiggroep(en) en overdrachtsformule voor Cd·Adeclared

Overdracht toegestaan van voertuiggroep(en) door Cd·Adeclared ongewijzigd over te nemen van oorspronkelijke groep

31a

nee

niet van toepassing

niet van toepassing

31b1

nee

niet van toepassing

niet van toepassing

31b2

alleen voor interstedelijke cyclus

niet van toepassing

32a, 32b, 32c, 32d, 33b2, 34a, 34b, 34c, 34d

31c

nee

niet van toepassing

niet van toepassing

31d

nee

niet van toepassing

niet van toepassing

31e

nee

niet van toepassing

niet van toepassing

32 a

ja

niet van toepassing

31b2, 32b, 32c, 32d, 34a, 34b, 34c, 34d

32b

ja

niet van toepassing

31b2, 32a, 32c, 32d, 34a, 34b, 34c, 34d

32c

ja

niet van toepassing

31b2, 32a, 32b, 32d, 34a, 34b, 34c, 34d

32d

ja

niet van toepassing

31b2, 32a, 32b, 32c, 34a, 34b, 34c, 34d

32e

ja

niet van toepassing

32f, 34e, 34f

32f

ja

niet van toepassing

32e, 34e, 34f

33 a

nee

niet van toepassing

niet van toepassing

33b1

nee

niet van toepassing

niet van toepassing

33b2

alleen voor interstedelijke cyclus

voertuiggroep 31b2 + 0,1 m2

34 a, 34b, 34c, 34d, 35b2, 36 a, 36b, 36c, 36d

33c

nee

niet van toepassing

niet van toepassing

33d

nee

niet van toepassing

niet van toepassing

33e

nee

niet van toepassing

niet van toepassing

34 a

ja

voertuiggroep 32a + 0,1 m2

33b2, 34b, 34c, 34d, 35b2, 36a, 36b, 36c, 36d

34b

ja

voertuiggroep 32b + 0,1 m2

33b2, 34a, 34c, 34d, 35b2, 36a, 36b, 36c, 36d

34c

ja

voertuiggroep 32c + 0,1 m2

33b2, 34a, 34b, 34d, 35b2, 36a, 36b, 36c, 36d

34d

ja

voertuiggroep 32d + 0,1 m2

33b2, 34a, 34b, 34c, 35b2, 36a, 36b, 36c, 36d

34e

ja

voertuiggroep 32e + 0,1 m2

34f, 36e, 36f

34f

ja

voertuiggroep 32f + 0,1 m2

34e, 36e, 36f

35 a

nee

niet van toepassing

niet van toepassing

35b1

nee

niet van toepassing

niet van toepassing

35b2

alleen voor interstedelijke cyclus

voertuiggroep 33b2 + 0,1 m2

36 a, 36b, 36c, 36d, 37b2, 38 a, 38b, 38c, 38d

35c

nee

niet van toepassing

niet van toepassing

36 a

ja

voertuiggroep 34 a + 0,1 m2

35b2, 36b, 36c, 36d, 37b2, 38 a, 38b, 38c, 38d

36b

ja

voertuiggroep 34b + 0,1 m2

35b2, 36 a, 36c, 36d, 37b2, 38 a, 38b, 38c, 38d

36c

ja

voertuiggroep 34c + 0,1 m2

35b2, 36 a, 36b, 36d, 37b2, 38 a, 38b, 38c, 38d

36d

ja

voertuiggroep 34d + 0,1 m2

35b2, 36 a, 36b, 36c, 37b2, 38 a, 38b, 38c, 38d

36e

ja

voertuiggroep 34e + 0,1 m2

36f, 38e, 38f

36f

ja

voertuiggroep 34f + 0,1 m2

36e, 38e, 38f

37 a

nee

niet van toepassing

niet van toepassing

37b1

nee

niet van toepassing

niet van toepassing

37b2

alleen voor interstedelijke cyclus

voertuiggroep 33b2 + 0,1 m2

38 a, 38b, 38c, 38d, 39b2, 40 a, 40b, 40c, 40d

37c

nee

niet van toepassing

niet van toepassing

37d

nee

niet van toepassing

niet van toepassing

37e

nee

niet van toepassing

niet van toepassing

38 a

ja

voertuiggroep 34 a + 0,1 m2

37b2, 38b, 38c, 38d, 39b2, 40 a, 40b, 40c, 40d

38b

ja

voertuiggroep 34b + 0,1 m2

37b2, 38 a, 38c, 38d, 39b2, 40 a, 40b, 40c, 40d

38c

ja

voertuiggroep 34c + 0,1 m2

37b2, 38 a, 38b, 38d, 39b2, 40 a, 40b, 40c, 40d

38d

ja

voertuiggroep 34d + 0,1 m2

37b2, 38 a, 38b, 38c, 39b2, 40 a, 40b, 40c, 40d

38e

ja

voertuiggroep 34e + 0,1 m2

38f, 40e, 40f

38f

ja

voertuiggroep 34f + 0,1 m2

38e, 40e, 40f

39 a

nee

niet van toepassing

niet van toepassing

39b1

nee

niet van toepassing

niet van toepassing

39b2

alleen voor interstedelijke cyclus

voertuiggroep 35b2 + 0,1 m2

40a, 40b, 40c, 40d

39c

nee

niet van toepassing

niet van toepassing

40 a

ja

voertuiggroep 36 a + 0,1 m2

39b2, 40b, 40c, 40d

40b

ja

voertuiggroep 36b + 0,1 m2

39b2, 40a, 40c, 40d

40c

ja

voertuiggroep 36c + 0,1 m2

39b2, 40a, 40b, 40d

40d

ja

voertuiggroep 36d + 0,1 m2

39b2, 40a, 40b, 40c

40e

ja

voertuiggroep 36e + 0,1 m2

40f

40f

ja

voertuiggroep 36f + 0,1 m2

40e

▼B




Aanhangsel 6

Conformiteit van de gecertificeerde CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen

1. De conformiteit van de gecertificeerde CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen wordt gecontroleerd met tests met constante snelheid overeenkomstig onderdeel 3 van het hoofdgedeelte van deze bijlage. De volgende aanvullende bepalingen zijn van toepassing ten aanzien van de conformiteit van de gecertificeerde CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen:

i) 

de omgevingstemperatuur ligt tijdens de test met constante snelheid binnen ± 5 C van de waarde van de certificeringsmeting. Dit criterium wordt gecontroleerd op basis van de door de luchtweerstandsvoorbewerkingstool berekende gemiddelde temperatuur van de eerste test met lage snelheid;

ii) 

de snelheid van het voertuig ligt tijdens de test met hoge snelheid binnen ± 2 km/h van de waarde van de certificeringsmeting.

Alle tests betreffende de conformiteit van de gecertificeerde CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen staan onder toezicht van de goedkeuringsinstantie.

2. Een voertuig slaagt niet voor de test betreffende de conformiteit van de gecertificeerde CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen als de gemeten waarde Cd Acr (0) hoger is dan de voor het oudervoertuig opgegeven waarde Cd · Adeclared plus een tolerantiemarge van 7,5 %. Als het voertuig niet voor de eerste test slaagt, mogen op andere dagen maximaal twee extra tests met hetzelfde voertuig worden verricht. ►M1  Als de gemeten waarde Cd Acr (0) van alle verrichte tests hoger is dan de voor het oudervoertuig opgegeven waarde Cd·Adeclared plus een tolerantiemarge van 7,5 %, is artikel 23 van deze verordening van toepassing. ◄

▼M1

Voor de berekening van de waarde Cd Acr (0) wordt de versie van de luchtweerstandvoorbewerkingstool van de ouderluchtweerstand overeenkomstig bijlage 1 bij aanhangsel 2 van deze bijlage gebruikt.

▼M3

3. Het aantal voertuigen dat per productiejaar wordt onderworpen aan een test betreffende de conformiteit van de gecertificeerde CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen, wordt op basis van tabel 17 bepaald. De tabel wordt voor middelzware vrachtwagens, zware vrachtwagens en zware bussen afzonderlijk toegepast.



Tabel 17

Aantal voertuigen dat per productiejaar wordt onderworpen aan een test betreffende de conformiteit van de gecertificeerde CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen

(afzonderlijk toe te passen voor middelzware vrachtwagens, zware vrachtwagens en zware bussen)

Aantal geteste voertuigen

Tijdschema

In het voorgaande jaar geproduceerd aantal voor de CoP-test relevante voertuigen

0

≤ 25

1

Driejaarlijks (*1)

25 < X ≤ 500

1

Tweejaarlijks

500 < X ≤ 5 000

1

Jaarlijks

5 000 < X ≤ 15 000

2

Jaarlijks

≤ 25 000

3

Jaarlijks

≤ 50 000

4

Jaarlijks

≤ 75 000

5

Jaarlijks

≤ 100 000

6

Jaarlijks

100 001 en meer

(*1)   

De controle van de conformiteit van productie moet binnen de eerste twee jaar worden uitgevoerd.

Bij de bepaling van de productieaantallen worden alleen luchtweerstandsgegevens meegeteld waarop deze verordening van toepassing is en waarvoor geen standaardwaarden voor de luchtweerstand overeenkomstig aanhangsel 7 van deze bijlage zijn gebruikt.

▼B

4. Voor de selectie van voertuigen voor de test betreffende de conformiteit van de gecertificeerde CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen gelden de volgende bepalingen:

4.1. 

er worden alleen voertuigen van de productielijn getest;

4.2. 

er worden alleen voertuigen geselecteerd die aan de bepalingen voor tests met constante snelheid van punt 3.3 van het hoofdgedeelte van deze bijlage voldoen;

4.3. 

de banden als een deel van de meetapparatuur worden beschouwd en mogen door de fabrikant worden gekozen;

4.4. 

voertuigen van families waarvoor de luchtweerstandswaarde overeenkomstig aanhangsel 5, punt 5, is bepaald door overdracht van andere voertuigen, worden niet onderworpen aan de test betreffende de conformiteit van de gecertificeerde CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen;

4.5. 

voertuigen waarvoor standaardwaarden voor de luchtweerstand overeenkomstig aanhangsel 8 zijn gebruikt, worden niet onderworpen aan de test betreffende de conformiteit van de gecertificeerde CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen;

▼M3

4.6. 

een eerste voertuig dat aan een test betreffende de conformiteit van de gecertificeerde CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen wordt onderworpen, wordt gekozen uit het luchtweerstandstype of de luchtweerstandfamilie met de hoogste productievolumes in het desbetreffende jaar. Eventuele extra voertuigen worden geselecteerd uit alle luchtweerstandfamilies en worden overeengekomen tussen de fabrikant en de goedkeuringsinstantie op basis van de reeds geteste luchtweerstandfamilies en voertuiggroepen. Als slechts één test per jaar of minder moet worden uitgevoerd, moet het voertuig altijd uit alle luchtweerstandfamilies worden gekozen en moet dit tussen de fabrikant en de goedkeuringsinstantie worden overeengekomen.

▼B

5. Nadat een voertuig voor de test betreffende de conformiteit van de gecertificeerde CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen is geselecteerd, controleert de fabrikant binnen twaalf maanden de conformiteit van die eigenschappen. De fabrikant kan de goedkeuringsinstantie verzoeken die termijn met maximaal zes maanden te verlengen als hij kan aantonen dat de controle vanwege de weersomstandigheden niet binnen de voorgeschreven termijn kon plaatsvinden.

▼M3




Aanhangsel 7

Standaardwaarden

In dit aanhangsel worden standaardwaarden voor de opgegeven luchtweerstandswaarde Cd·Adeclared beschreven. Als standaardwaarden worden toegepast, hoeven geen inputgegevens betreffende de luchtweerstand aan de simulatietool te worden verstrekt. In dat geval worden de standaardwaarden automatisch toegekend door de simulatietool.

1. De standaardwaarden voor zware vrachtwagens zijn vermeld in tabel 18.



Tabel 18

Standaardwaarden voor Cd·Adeclared voor zware vrachtwagens

Voertuiggroep

Standaardwaarde Cd·Adeclared [m2]

1, 1s

7,1

2

7,2

3

7,4

4

8,4

5

8,7

9

8,5

10

8,8

11

8,5

12

8,8

16

9,0

2. 

3. 

4. De standaardwaarden voor zware bussen zijn vermeld in tabel 21. Voor voertuiggroepen waarvoor geen meting van de luchtweerstand is toegestaan (overeenkomstig aanhangsel 5, punt 7.3, van deze bijlage), zijn standaardwaarden niet relevant.



Tabel 21

Standaardwaarden voor Cd·Adeclared voor zware bussen

Subgroep voertuigparameter

Standaardwaarde Cd·Adeclared [m2]

31a

niet relevant

31b1

niet relevant

31b2

4,9

31c

niet relevant

31d

niet relevant

31e

niet relevant

32 a

4,6

32b

4,6

32c

4,6

32d

4,6

32e

5,2

32f

5,2

33 a

niet relevant

33b1

niet relevant

33b2

5,0

33c

niet relevant

33d

niet relevant

33e

niet relevant

34 a

4,7

34b

4,7

34c

4,7

34d

4,7

34e

5,3

34f

5,3

35 a

niet relevant

35b1

niet relevant

35b2

5,1

35c

niet relevant

36 a

4,8

36b

4,8

36c

4,8

36d

4,8

36e

5,4

36f

5,4

37 a

niet relevant

37b1

niet relevant

37b2

5,1

37c

niet relevant

37d

niet relevant

37e

niet relevant

38 a

4,8

38b

4,8

38c

4,8

38d

4,8

38e

5,4

38f

5,4

39 a

niet relevant

39b1

niet relevant

39b2

5,2

39c

niet relevant

40a

4,9

40b

4,9

40c

4,9

40d

4,9

40e

5,5

40f

5,5

5. De standaardwaarden voor middelzware vrachtwagens zijn vermeld in tabel 22.



Tabel 22

Standaardwaarden voor Cd·Adeclared voor middelzware vrachtwagens

Voertuiggroep

Standaardwaarde Cd·Adeclared [m2]

53

5,8

54

2,5

▼B




Aanhangsel 8

▼M3

Opschriften

Als een voertuig overeenkomstig deze bijlage wordt gecertificeerd, worden de volgende opschriften op de cabine of de carrosserie aangebracht:

▼M1

1.1. 

de naam of het handelsmerk van de fabrikant;

▼B

1.2. 

het merk en het type, zoals vastgelegd in de in de punten 0.2 en 0.3 van aanhangsel 2 van deze bijlage bedoelde informatie;

1.3. 

het certificeringsmerk in de vorm van een rechthoek met daarin de kleine letter „e”, gevolgd door het nummer van de lidstaat die het certificaat heeft verleend:

1 voor Duitsland;
2 voor Frankrijk;
3 voor Italië;
4 voor Nederland;
5 voor Zweden;
6 voor België;
7 voor Hongarije;
8 voor Tsjechië;
9 voor Spanje;
11 voor het Verenigd Koninkrijk;
12 voor Oostenrijk;
13 voor Luxemburg;
17 voor Finland;
18 voor Denemarken;
19 voor Roemenië;
20 voor Polen;
21 voor Portugal;
23 voor Griekenland;
24 voor Ierland;
25 voor Kroatië;
26 voor Slovenië;
27 voor Slowakije;
29 voor Estland;
32 voor Letland;
34 voor Bulgarije;
36 voor Litouwen;
49 voor Cyprus;
50 voor Malta.
1.4. 
►M3  

In de nabijheid van de rechthoek wordt het „basiscertificeringsnummer” aangebracht, zoals gespecificeerd voor deel 4 van het in bijlage I bij Verordening (EU) 2020/683 beschreven typegoedkeuringsnummer, voorafgegaan door de twee cijfers die het volgnummer aangeven van de recentste technische wijziging van deze verordening en de letter „P”, waarmee wordt aangegeven dat de goedkeuring de luchtweerstand betreft.

Voor deze verordening is het volgnummer 02.

 ◄

▼M3

1.4.1.   Voorbeeld en afmetingen van het certificeringsmerk

image

Bovenstaand certificeringsmerk, aangebracht op een cabine, geeft aan dat het type in kwestie in Polen (e20) is gecertificeerd krachtens deze verordening. De eerste twee cijfers (02) geven het volgnummer van de recentste technische wijziging van deze verordening aan. De volgende letter geeft aan dat het certificaat de luchtweerstand betreft (P). De laatste vijf cijfers (00005) zijn door de goedkeuringsinstantie voor de luchtweerstand toegekend als basiscertificeringsnummer.

▼B

1.5. 

Het certificeringsmerk wordt zodanig op de cabine aangebracht dat het onuitwisbaar en duidelijk leesbaar is. Het moet zichtbaar zijn wanneer de cabine op het voertuig is gemonteerd en moet worden bevestigd aan een deel dat noodzakelijk is voor het normale gebruik van de cabine en tijdens de levensduur van de cabine normaliter niet hoeft te worden vervangen. ►M1  De opschriften, etiketten, platen of stickers moeten even lang meegaan als de cabine en moeten duidelijk leesbaar en onuitwisbaar zijn. ◄ De fabrikant zorgt ervoor dat de opschriften, etiketten, platen of stickers niet kunnen worden verwijderd zonder vernietigd of onleesbaar te worden.

2.   Nummering

▼M3

2.1.

Het certificeringsnummer van de luchtweerstand bestaat uit de volgende delen:



Deel 1

Deel 2

Deel 3

Aanvullende letter bij deel 3

Deel 4

Deel 5

Aanduiding van het land dat het certificaat verleent

Verordening betreffende de CO2-bepaling van zware bedrijfsvoertuigen „2017/2400”

Recentste wijzigingsverordening (ZZZZ/ZZZZ)

P = Luchtweerstand

Basiscertificeringsnummer 00000

Uitbreiding 00

▼M1




Aanhangsel 9

Inputparameters voor de simulatietool

Inleiding

In dit aanhangsel worden de parameters beschreven die de voertuigfabrikant als input voor de simulatietool moet verstrekken. Het te gebruiken xml-schema en voorbeeldgegevens zijn beschikbaar op het speciale elektronische distributieplatform.

Het xml-bestand wordt automatisch gegenereerd door de luchtweerstandvoorbewerkingstool.

Definities

1.

„Parameter-ID”unieke identificatiecode die in de simulatietool voor een specifieke inputparameter of reeks inputgegevens wordt gebruikt.

2.

„Type”

datatype van de parameter:

string …

tekenreeks in ISO 8859-1-codering;

token …

tekenreeks in ISO 8859-1-codering, zonder lege karakters aan begin en eind;

date …

datum en tijd (UTC) in de vorm YYYY-MM-DD T HH:MM:SS Z , waarbij de cursieve letters vaste tekens zijn, bv. „2002-05-30T09:30:10Z”;

integer …

waarde van een geheel getal zonder voorafgaande nullen, bv. „1800”;

double, X …

gebroken getal met precies X cijfers na het scheidingsteken (.) en zonder voorafgaande nullen, bv. voor „double, 2”: „2345.67”; voor „double, 4”: „45.6780”.

3.

„Eenheid” …natuurkundige eenheid van de parameter.

Reeks inputparameters



Tabel 1

Inputparameters „AirDrag”

Parameternaam

Parameter-ID

Type

Eenheid

Beschrijving/referentie

Manufacturer

P240

token

 

 

Model

P241

token

 

 

CertificationNumber

P242

token

 

Identificatiecode van het onderdeel dat in het certificeringsproces is gebruikt

Date

P243

date

 

Datum en tijd waarop de onderdeel-hash is gecreëerd

AppVersion

P244

token

 

Nummer dat de versie van de luchtweerstandvoorbewerkingstool aangeeft

CdxA_0

P245

double, 2

[m2]

Eindresultaat van de luchtweerstandvoorbewerkingstool

▼M3

TransferredCdxA

P246

double, 2

[m2]

CdxA_0 die overeenkomstig tabel 16 van aanhangsel 5 voor zware vrachtwagens, tabel 16a van aanhangsel 5 voor middelzware vrachtwagens en tabel 16b van aanhangsel 5 voor zware bussen naar gerelateerde families in andere voertuiggroepen is overgedragen. Als geen overdrachtregel is toegepast, wordt CdxA_0 verstrekt.

▼M1

DeclaredCdxA

P146

double, 2

[m2]

Opgegeven waarde voor de luchtweerstandfamilie

Als in de simulatietool overeenkomstig aanhangsel 7 standaardwaarden worden toegepast, hoeven geen inputgegevens betreffende de luchtweerstand te worden verstrekt. De standaardwaarden worden automatisch toegekend volgens de voertuiggroepentabel.

▼M3




BIJLAGE IX

CONTROLE VAN GEGEVENS BETREFFENDE DE HULPAPPARATUUR VAN VRACHTWAGENS EN BUSSEN

1.   Inleiding

Deze bijlage bevat de bepalingen betreffende de opgave van technologieën en andere relevante inputinformatie over hulpapparatuur voor zware bedrijfsvoertuigen met het oog op de bepaling van de voertuigspecifieke CO2-emissies.

In de simulatietool wordt voor het verbruik van vermogen door de volgende soorten hulpapparatuur gebruikgemaakt van technologiespecifieke gemiddelde generieke modellen voor vermogensverbruik:

a) 

koelventilator motor;

b) 

stuursysteem;

c) 

elektrisch systeem

d) 

pneumatisch systeem

e) 

systeem voor verwarming, ventilatie en airconditioning (HVAC);

f) 

krachtafnemer op transmissie (PTO).

De generieke waarden worden in de simulatietool geïntegreerd en automatisch gebruikt op basis van de relevante inputinformatie overeenkomstig deze bijlage. De desbetreffende formaten van de inputgegevens voor de simulatietool worden beschreven in bijlage III. Ten behoeve van de duidelijkheid zijn de in bijlage III gebruikte driecijferige parameter-ID’s ook in deze bijlage opgenomen.

2.   Definities

Voor de toepassing van deze bijlage wordt verstaan onder (de bijbehorende soort hulpapparatuur wordt tussen haakjes vermeld):

(1) 

„aan krukas gemonteerde ventilator”: installatie waarbij de ventilator, vaak met behulp van een flens, in het verlengde van de krukas wordt aangedreven (koelventilator motor);

(2) 

„door riem of transmissie aangedreven ventilator”: ventilator die op een plaats is gemonteerd waar een aanvullende riem, spaninrichting of transmissie nodig is (koelventilator motor);

(3) 

„hydraulisch aangedreven ventilator”: ventilator die met hydraulische olie wordt aangedreven en veelal op enige afstand van de motor is gemonteerd. Een hydraulisch systeem met oliesysteem, pomp en kleppen beïnvloedt de verliezen en het rendement in het systeem (koelventilator motor);

(4) 

„elektrisch aangedreven ventilator”: ventilator die door een elektrische motor wordt aangedreven. Het rendement van de volledige energieomzetting, inclusief in- en uitgaande accustroom, wordt in aanmerking genomen (koelventilator motor);

(5) 

„elektronisch geregelde viscosekoppeling”: viscosekoppeling waarin de vloeistofstroom elektronisch wordt geregeld met behulp van een aantal sensorsignalen en softwarealgoritmen (koelventilator motor);

(6) 

„bimetallisch geregelde viscosekoppeling”: koppeling waarin een bimetaalverbinding wordt gebruikt om een temperatuurverandering in een mechanische verplaatsing om te zetten. De mechanische verplaatsing werkt dan als actuator voor de viscosekoppeling (koelventilator motor);

(7) 

„koppeling met discrete stappen”: mechanische voorziening waarbij de mate van inschakeling alleen volgens bepaalde stappen mogelijk is (niet traploos regelbaar) (koelventilator motor);

(8) 

„binaire koppeling” of „on/offkoppeling”: mechanische koppeling die alleen volledig ingeschakeld of volledig uitgeschakeld kan zijn (koelventilator motor);

(9) 

„verdringerpomp met variabel debiet”: voorziening die mechanische energie omzet in hydraulische vloeistofenergie. De hoeveelheid vloeistof die per omwenteling wordt verplaatst, kan tijdens de werking van de pomp worden veranderd (koelventilator motor);

(10) 

„verdringerpomp met constant debiet”: voorziening die mechanische energie omzet in hydraulische vloeistofenergie. De hoeveelheid vloeistof die per omwenteling wordt verplaatst, kan tijdens de werking van de pomp niet worden veranderd (koelventilator motor);

(11) 

„regeling met elektrische motor”: aandrijving van de ventilator met een elektrische motor. De elektrische machine zet elektrische energie om in mechanische energie. Het vermogen en het toerental worden geregeld met conventionele technologie voor elektrische motoren (koelventilator motor);

(12) 

„verdringerpomp met vast debiet (standaardtechnologie)”: pomp met een inwendige beperking van het debiet (stuursysteem);

(13) 

„verdringerpomp met vast debiet met elektronische regeling”: pomp waarbij het debiet elektronisch wordt geregeld (stuursysteem);

(14) 

„dubbele verdringerpomp”: pomp met twee kamers (met gelijk of een verschillend slagvolume) met mechanische inwendige beperking van het debiet (stuursysteem);

(14 bis) 

„dubbele verdringerpomp met elektronische regeling”: pomp met twee kamers (met gelijk of een verschillend slagvolume) die samen of in specifieke omstandigheden afzonderlijk kunnen worden gebruikt. Het debiet wordt elektronisch geregeld door een klep (stuursysteem);

(15) 

„mechanisch geregelde verdringerpomp met variabel debiet”: pomp waarbij het slagvolume inwendig mechanisch wordt geregeld (inwendige drukmeetvoorziening) (stuursysteem);

(16) 

„elektronisch geregelde verdringerpomp met variabel debiet”: pomp waarbij het slagvolume elektronisch wordt geregeld (stuursysteem);

(17) 

„elektrisch aangedreven pomp”: een stuursysteem dat wordt aangedreven door een elektrische motor met hydraulische vloeistof die continu recirculeert (stuursysteem);

(17 bis) 

„volledig elektrische stuurinrichting”: een stuursysteem dat wordt aangedreven door een elektrische motor zonder continu gerecirculeerde hydraulische vloeistof (stuursysteem);

(18) 

(19) 

„luchtcompressor met energiebesparingssysteem” of „ESS”: compressor die het energieverbruik tijdens het afblazen verlaagt, bijvoorbeeld door de inlaatzijde af te sluiten; ESS wordt met de systeemluchtdruk geregeld (pneumatisch systeem);

(20) 

„compressorkoppeling (viscose)”: ontkoppelbare compressor, waarbij de koppeling door de systeemluchtdruk wordt geregeld (geen „slimme” strategie); in ontkoppelde toestand veroorzaakt viscosekoppeling geringe verliezen (pneumatisch systeem);

(21) 

„compressorkoppeling (mechanisch)”: ontkoppelbare compressor, waarbij de koppeling door de systeemluchtdruk wordt geregeld (geen „slimme” strategie) (pneumatisch systeem);

(22) 

„luchtbeheersysteem met optimale regeneratie” of „AMS”: elektronisch luchtbehandelingssysteem waarbij een elektronisch geregelde luchtdroger voor geoptimaliseerde luchtregeneratie wordt gecombineerd met een voorkeursluchtuitstroming bij vrijloopomstandigheden (vereist een koppeling of ESS) (pneumatisch systeem);

(23) 

„lichtemitterende diode” of „led”: halfgeleiders die zichtbaar licht uitzenden wanneer er een elektrische stroom doorheen stroomt (elektrisch systeem);

(24) 

(25) 

„krachtafnemer” of „PTO”: voorziening op een transmissie of motor waarop een optionele vermogensopnemer („verbruiker”), zoals een hydraulische pomp, kan worden aangesloten; een krachtafnemer is meestal facultatief (PTO);

(26) 

„aandrijfmechanisme van een krachtafnemer”: voorziening in een transmissie waarop een krachtafnemer (PTO) kan worden gemonteerd;

(26 bis) 

„ingeschakeld tandwiel”: een tandwiel dat met de draaiende assen van hetzij de motor, hetzij de transmissie is verbonden terwijl de PTO-koppeling (indien van toepassing) geopend is (PTO);

(27) 

„klauwkoppeling”: (manoeuvreerbare) koppeling waarbij het koppel voornamelijk wordt overgebracht door normaalkrachten tussen in elkaar grijpende tanden. Een klauwkoppeling kan worden in- en uitgeschakeld. Zij wordt alleen in onbelaste toestand bediend (bijvoorbeeld bij het schakelen met handmatige transmissie) (PTO);

(28) 

„synchromeshring”: type klauwkoppeling waarbij een wrijvingsvoorziening wordt gebruikt om de toerentallen van de roterende delen die worden gekoppeld gelijk te maken (PTO);

(29) 

„meerplatenkoppeling”: koppeling waarbij meerdere frictievoeringen parallel zijn opgesteld en op alle wrijvingsparen dezelfde aandrukkracht wordt uitgeoefend. Meerplatenkoppelingen zijn compact en kunnen in belaste toestand gekoppeld en ontkoppeld worden. Zij kunnen als droge of natte koppelingen worden ontworpen (PTO);

(30) 

„schuifwiel”: tandwiel dat als schakelelement wordt gebruikt, waarbij het schakelen plaatsvindt door het tandwiel zodanig over zijn as te verschuiven dat de aangrijping met het tegenwiel tot stand komt of wordt opgeheven (PTO);

(31) 

„koppeling met discrete stappen (uit + 2 fasen)”: mechanische voorziening waarbij de mate van inschakeling alleen volgens twee bepaalde stappen plus „uit” mogelijk is (niet traploos regelbaar) (koelventilator motor);

(32) 

„koppeling met discrete stappen (uit + 3 fasen)”: mechanische voorziening waarbij de mate van inschakeling alleen volgens drie bepaalde stappen plus „uit” mogelijk is (niet traploos regelbaar) (koelventilator motor);

(33) 

„verhouding compressor/motor”: de voorwaartse versnellingsverhouding tussen het motortoerental en het toerental van de luchtcompressor zonder slip (i = nin/nout) (pneumatisch systeem);

(34) 

„mechanisch geregelde luchtvering”: een luchtveringssysteem waarbij de regelkleppen voor de luchtvering mechanisch worden bediend zonder elektronica en software (pneumatisch systeem);

(35) 

„elektronisch geregelde luchtvering”: een luchtveringssysteem waarbij een combinatie van een aantal sensorsignalen en softwarealgoritmen wordt gebruikt om de regelkleppen voor de luchtvering elektronisch te bedienen (pneumatisch systeem);

(36) 

„pneumatische SCR-reagensdosering”: het gebruik van perslucht om reagens in het uitlaatsysteem te doseren (pneumatisch systeem);

(37) 

„pneumatische deuraandrijftechnologie”: het gebruik van perslucht om de passagiersdeuren van het voertuig te bedienen (pneumatisch systeem);

(38) 

„elektrische deuraandrijftechnologie”: het gebruik van een elektrische motor of een elektrohydraulisch systeem om de passagiersdeuren van het voertuig te bedienen (pneumatisch systeem);

(39) 

„gemengde deuraandrijftechnologie”: zowel „pneumatische deuraandrijftechnologie” als „elektrische deuraandrijftechnologie” is in het voertuig geïnstalleerd (pneumatisch systeem);

(40) 

„slim regeneratiesysteem”: een pneumatisch systeem waarin de vraag naar regeneratielucht wordt geoptimaliseerd met betrekking tot de hoeveelheid gedroogde lucht die wordt geproduceerd (pneumatisch systeem);

(41) 

„slim compressiesysteem”: een pneumatisch systeem waarin de luchtuitstroming elektronisch wordt geregeld met een voorkeursluchtuitstroming bij vrijloopomstandigheden (pneumatisch systeem);

(42) 

„binnenverlichting”: de verlichting in de passagiersruimte die is geïnstalleerd om aan de voorschriften van punt 7.8 (binnenverlichting) van bijlage 3 bij VN-Reglement nr. 107 ( *1 ) te voldoen (elektrisch systeem);

(43) 

„dagrijlichten”: het „dagrijlicht” overeenkomstig punt 2.7.25 van VN-Reglement nr. 48 ( *2 ) (elektrisch systeem);

(44) 

„positielichten”: het „zijmarkeringslicht” overeenkomstig punt 2.7.24 van VN-Reglement nr. 48 (elektrisch systeem);

(45) 

„remlichten”: het „stoplicht” overeenkomstig punt 2.7.12 van VN-Reglement nr. 48 (elektrisch systeem);

(46) 

„koplampen”: de „dimlichtkoplamp” overeenkomstig punt 2.7.10 van VN-Reglement nr. 48, en de „grootlichtkoplamp” overeenkomstig punt 2.7.9 van VN-reglement nr. 48 (elektrisch systeem);

(47) 

„alternator”: een elektrische machine om de accu op te laden en elektrisch vermogen aan de elektrische hulpapparatuur te leveren wanneer de verbrandingsmotor van het voertuig draait. Een alternator kan niet bijdragen tot de aandrijving van het voertuig (elektrisch systeem);

(48) 

„slim alternatorsysteem”: een systeem met een of meer alternatoren in combinatie met een of meer specifieke REESS dat elektronisch wordt geregeld en voorrang geeft aan de opwekking van elektrische energie bij vrijloopomstandigheden (elektrisch systeem);

(49) 

„verwarmings-, ventilatie- en airconditioningsysteem” of „HVAC-systeem”: een systeem dat actief kan verwarmen en/of actief kan koelen en lucht kan uitwisselen of verversen om de luchtkwaliteit in de passagiers- en/of bestuurdersruimte te verbeteren (HVAC-systeem);

(50) 

„HVAC-systeemconfiguratie”: een combinatie van onderdelen van een HVAC-systeem overeenkomstig tabel 13 van deze bijlage (HVAC-systeem);

(51) 

„systeem voor warmtecomfort voor passagiersruimte”: een systeem dat gebruikmaakt van ventilatoren om de lucht binnen het voertuig te circuleren of frisse lucht in het voertuig te blazen en waarbij de luchtstroom ten minste actief kan worden gekoeld of verwarmd. De lucht wordt verdeeld vanuit het dak van het voertuig en, in het geval van dubbeldekkers, op beide dekken. In het geval van dubbeldeksvoertuigen met open dak, op het benedendek (HVAC-systeem);

(52) 

„aantal warmtepompen voor de passagiersruimte”: het aantal in het voertuig geïnstalleerde warmtepompen om de cabinelucht of de verse lucht die naar de passagiersruimte wordt geleid, te verwarmen en/of af te koelen. Als een warmtepomp wordt gebruikt voor de passagiers- en voor de bestuurdersruimte, wordt de pomp alleen voor de passagiersruimte meegeteld (HVAC-systeem). Als verschillende warmtepompen voor verwarming en koeling zijn geïnstalleerd, wordt het aantal warmtepompen bepaald door het laagste aantal voor verwarming en koeling afzonderlijk — d.w.z. het aantal warmtepompen voor koeling en het aantal warmtepompen voor verwarming worden afzonderlijk meegeteld (bv. in het geval van twee warmtepompen voor koeling en één warmtepomp voor verwarming wordt slechts één warmtepomp meegeteld);

(53) 

„airconditioningsysteem voor bestuurdersruimte”: in het voertuig is een systeem geïnstalleerd dat de cabinelucht of de frisse lucht die naar de bestuurder of de bestuurdersruimte wordt geleid, kan koelen (HVAC-systeem);

(54) 

„airconditioningsysteem voor passagiersruimte”: in het voertuig is een systeem geïnstalleerd dat de cabinelucht of de frisse lucht die naar de passagiersruimte wordt geleid, kan koelen (HVAC-systeem);

(55) 

„onafhankelijke warmtepomp voor de bestuurdersruimte”: in het voertuig is een warmtepomp geïnstalleerd die alleen voor de bestuurdersruimte wordt gebruikt (HVAC-systeem);

(56) 

„2-traps warmtepomp”: een warmtepomp waarbij de mate van inschakeling alleen in twee stappen mogelijk is, maar niet traploos regelbaar (HVAC-systeem);

(57) 

„3-traps warmtepomp”: een warmtepomp waarbij de mate van inschakeling alleen in drie stappen mogelijk is, maar niet traploos regelbaar (HVAC-systeem);

(58) 

„4-traps warmtepomp”: een warmtepomp waarbij de mate van inschakeling alleen in vier stappen mogelijk is, maar niet traploos regelbaar (HVAC-systeem);

(59) 

„traploze warmtepomp”: een warmtepomp waarbij de mate van inschakeling traploos regelbaar is of waarbij de compressor van de airconditioning wordt aangedreven door een elektrische motor met traploos regelbare snelheid (HVAC-systeem);

(60) 

„vermogen hulpverwarming”: zoals vermeld op het etiket dat is gedefinieerd in punt 4 van bijlage 7 bij VN-Reglement nr. 122 ( *3 ) (HVAC-systeem);

(61) 

„dubbele beglazing”: ramen van de passagiersruimte die bestaan uit twee glasramen die van elkaar gescheiden zijn door een met gas gevulde ruimte of door een vacuüm. Indien er verschillende soorten ramen in de passagiersruimte aanwezig zijn, moet het overheersende raamtype met de grootste oppervlakte worden gekozen. Voor de beoordeling van het overheersende raamtype worden de voorruit, de achterruit, de zijruit(en) van de bestuurder, ruiten in deuren, ruiten boven en voor de vooras (zie figuur 1 voor voorbeelden) en kantelramen buiten beschouwing gelaten (HVAC-systeem);

Figuur 1

Ruiten die niet in aanmerking worden genomen voor het overheersende raamtype

image

(62) 

„warmtepomp”: een systeem dat gebruikmaakt van een koelmiddel in een circulair proces om thermische energie van de omgeving over te brengen naar de passagiersruimte en/of de bestuurdersruimte en/of thermische energie in de tegenovergestelde richting over te brengen (koel- en/of verwarmingsfunctie) met een prestatiecoëfficiënt groter dan 1 (HVAC-systeem);

(63) 

„R-744-warmtepomp”: een warmtepomp die gebruikmaakt van R-744-koelmiddel als werkmedium (HVAC-systeem);

(64) 

„niet-R-744-warmtepomp”: een warmtepomp die gebruikmaakt van een ander werkmedium dan R-744-koelmiddel. Voor de mogelijke mate van inschakeling (2-traps, 3-traps, 4-traps, traploos) zijn de definities 56 tot en met 59 van toepassing (HVAC-systeem);

(65) 

„regelbare koelmiddelthermostaat”: een koelmiddelthermostaat waarvan de kenmerken worden beïnvloed door ten minste één extra input naast de koelmiddeltemperatuur, bv. actieve elektrische verwarming van de thermostaat (HVAC-systeem);

(66) 

„regelbare hulpverwarming”: een op brandstof werkende verwarming met ten minste twee niveaus van verwarmingscapaciteit naast „uit”, die afhankelijk van de vereiste verwarmingscapaciteit in de bus kan worden geregeld (HVAC-systeem);

(67) 

„warmtewisselaar afvalgas motor”: een warmtewisselaar die de thermische energie van motorafvalgas gebruikt om het koelcircuit te verwarmen (HVAC-systeem);

(68) 

„gescheiden luchtverdeelkanalen”: een of meer luchtkanalen die zijn aangesloten op een systeem voor warmtecomfort om de geconditioneerde lucht gelijkmatig over de passagiersruimte te verdelen. Luchtkanalen kunnen luidsprekers, watervoorzieningen voor HVAC-systemen en elektrische kabelbomen omvatten. Persluchtreservoirs mogen niet in dit/deze kanaal/kanalen worden geïnstalleerd. Aan de hand van deze modelparameter houdt de simulatietool rekening met verminderde warmteoverdrachtsverliezen naar de omgeving of onderdelen binnen het kanaal. Voor HVAC-configuraties 8, 9 en 10 in de voertuiggroepen 31, 33, 35, 37 en 39 moet deze input op „true” worden gezet, aangezien deze configuraties baat hebben bij lagere verliezen doordat gekoelde lucht direct in het voertuiginterieur wordt geblazen, zelfs zonder enig luchtkanaal. Voor alle HVAC-configuraties in de voertuiggroepen 32, 34, 36, 38 en 40 moet deze parameter op „true” worden gezet, aangezien dit de stand van de techniek is (HVAC-systeem);

(69) 

„elektrisch aangedreven compressor”: een compressor die door een elektrische motor wordt aangedreven (pneumatisch systeem);

(70) 

„elektrische waterverwarmer”: een apparaat dat gebruikmaakt van elektrische energie om het koelmiddel van het voertuig op te warmen, met een prestatiecoëfficiënt van minder dan 1, en dat actief wordt gebruikt voor de verwarmingsfunctie tijdens het gebruik van het voertuig op de weg (HVAC-systeem);

(71) 

„elektrische luchtverwarmer”: een apparaat dat gebruikmaakt van elektrische energie om de lucht van de passagiers- en/of bestuurdersruimte op te warmen, met een prestatiecoëfficiënt van minder dan 1 (HVAC-systeem);

(72) 

„andere verwarmingstechnologie”: elke volledig elektrische technologie die wordt gebruikt voor de verwarming van de passagiers- en/of bestuurdersruimte die niet onder de technologieën in de definities 62, 70 of 71 valt (HVAC-systeem);

(73) 

„lood-zuuraccu — conventioneel”: een lood-zuuraccu waarop geen van de definities 74 of 75 van toepassing is (elektrisch systeem);

(74) 

„lood-zuuraccu — AGM” (Absorbed Glass Mat): een lood-zuuraccu waarbij in elektrolyt gedrenkte glasvezelmatten worden gebruikt als scheiding tussen de negatieve en de positieve platen (elektrisch systeem);

(75) 

„lood-zuuraccu — gel”: een lood-zuuraccu waarbij een silicagel in de elektrolyt is gemengd (elektrisch systeem);

(76) 

„lithiumionaccu — hoog vermogen”: een lithiumionaccu waarbij de getalverhouding tussen de nominale maximumstroom in [A] en de nominale capaciteit in [Ah] gelijk is aan of groter is dan 10 (elektrisch systeem);

(77) 

„lithiumionaccu — hoge energie”: een lithiumionaccu waarbij de getalverhouding tussen de nominale maximumstroom in [A] en de nominale capaciteit in [Ah] lager is dan 10 (elektrisch systeem);

(78) 

„condensator met DC/DC-omvormer”: een (ultra)condensator voor de opslag van elektrische energie, gecombineerd met een DC/DC-eenheid die het spanningsniveau aanpast en de stroom van en naar het boordnet met elektrische verbruikers regelt (elektrisch systeem);

(79) 

„gelede bus”: een zware bus die een incompleet voertuig, compleet voertuig of voltooid voertuig is dat bestaat uit ten minste twee starre delen die met elkaar zijn verbonden door een scharnierend deel. De delen kunnen alleen in een werkplaats met elkaar worden verbonden of van elkaar worden losgemaakt. Bij complete of voltooide zware bussen van dit voertuigtype maakt het scharnierend deel het mogelijk dat reizigers zich vrij tussen de starre delen kunnen bewegen.

3.   Beschrijving van aanvullende relevante inputinformatie in de simulatietool

3.1.   Koelventilator motor

De informatie over de ventilatortechnologie voor motorkoeling wordt verstrekt op basis van de toepasselijke combinaties van ventilatoraandrijving en ventilatorregeltechnologie, zoals beschreven in tabel 4 hieronder.

Als een nieuwe technologie binnen een ventilatoraandrijvingsgroep (bv. aan krukas gemonteerd) niet in de lijst voorkomt, wordt de aan „standaard ventilatoraandrijvingsgroep” toegewezen technologie verstrekt.

Indien een nieuwe technologie in geen enkele ventilatoraandrijvingsgroep kan worden gevonden, moet de aan „standaard algemeen” toegewezen technologie worden verstrekt.



Tabel 4

Ventilatortechnologieën voor motorkoeling (P181)

Ventilatoraandrijvingsgroep

Regeling ventilator

Middelzware en zware vrachtwagens

Zware bussen

Aan krukas gemonteerd

Elektronisch geregelde viscosekoppeling

X

X

Bimetallisch geregelde viscosekoppeling

X (DC)

X

Koppeling met discrete stappen

X

 

Koppeling met discrete stappen (uit + 2 fasen)

 

X

Koppeling met discrete stappen (uit + 3 fasen)

 

X

Binaire koppeling

X

X (DC, DO)

Door riem of overbrenging aangedreven

Elektronisch geregelde viscosekoppeling

X

X

Bimetallisch geregelde viscosekoppeling

X (DC)

X

Koppeling met discrete stappen

X

 

Koppeling met discrete stappen (uit + 2 fasen)

 

X

Koppeling met discrete stappen (uit + 3 fasen)

 

X

Binaire koppeling

X

X (DC)

Hydraulisch aangedreven

Verdringerpomp met variabel debiet

X

X

Verdringerpomp met constant debiet

X (DC, DO)

X (DC)

Elektrisch aangedreven

Regeling met elektrische motor

X (DC)

X (DC)

X: van toepassing, DC: standaard ventilatoraandrijvingsgroep, DO: standaard algemeen

3.2.   Stuursysteem

De stuursysteemtechnologie wordt verstrekt overeenkomstig tabel 5 voor elke actief gestuurde as van het voertuig.

Als een nieuwe technologie binnen een stuurtechnologiegroep (bv. mechanisch aangedreven) niet in de lijst voorkomt, wordt de aan „standaard stuurtechnologiegroep” toegewezen technologie verstrekt. Indien een nieuwe technologie in geen enkele stuurtechnologiegroep kan worden gevonden, moet de aan „standaard algemeen” toegewezen technologie worden verstrekt.



Tabel 5

Stuursysteemtechnologieën (P182)

Stuurtechnologiegroep

Technologie

Middelzware en zware vrachtwagens

Zware bussen

Mechanisch aangedreven

Vast debiet

X (DC, DO)

X (DC, DO)

Vast debiet, elektronische regeling

X

X

Dubbele verdringerpomp

X

X

Dubbele verdringerpomp met elektronische regeling

X

X

Variabel debiet, mechanische regeling

X

X

Variabel debiet, elektronische regeling

X

X

Elektrisch

Elektrisch aangedreven pomp

X (DC)

X (DC)

Volledig elektrische stuurinrichting

X

X

X: van toepassing, DC: standaard stuurtechnologiegroep, DO: standaard algemeen

3.3.   Elektrisch systeem

3.3.1.   Middelzware en zware vrachtwagens

De technologie van het elektrische systeem wordt verstrekt overeenkomstig

Tabel 6.

Als de in het voertuig gebruikte technologie niet is vermeld, wordt de „standaardtechnologie” aan de simulatietool verstrekt.



Tabel 6

Technologieën voor elektrisch systeem voor middelzware en zware vrachtwagens (P183)

Technologie

Standaardtechnologie

Standaardtechnologie — ledkoplampen

3.3.2.   Zware bussen

De technologie van het elektrische systeem wordt verstrekt overeenkomstig tabel 7.



Tabel 7

Technologieën voor elektrisch systeem voor zware bussen

Groep elektrisch systeem

Parameter

Parameter (ID)

Input voor simulatietool

Toelichting

Alternator

Alternatortechnologie

P294

„conventional” / „smart” / „no alternator”

„smart” wordt opgegeven voor systemen die voldoen aan de definities van punt 2, (48);

„no alternator” is van toepassing op HEV’s die geen alternator in het elektrische hulpsysteem hebben. Voor PEV’s is geen input vereist.

Slimme alternator — maximale nominale stroom

P295

waarde in [A]

Maximale nominale stroom bij nominaal toerental overeenkomstig het etiket of het gegevensblad van de fabrikant, of gemeten overeenkomstig ISO 8854:2012

Input per slimme alternator

Slimme alternator — nominale spanning

P296

waarde in [V]

Toegestane waarden: „12”, „24”, „48”

Input per slimme alternator

Accu’s voor slimme alternatorsystemen

Technologie

P297

„lead-acid battery – conventional” / „lead-acid battery – AGM” / „lead-acid battery – gel” / „li-ion battery – high power” / „li-ion battery – high energy”

Input per accu die wordt opgeladen door een slim alternatorsysteem

Als een accutechnologie niet in de lijst voorkomt, wordt als input de technologie „Lead-acid battery – Conventional” verstrekt.

Nominale spanning

P298

waarde in [V]

Toegestane waarden: „12”, „24”, „48”

Input per accu die wordt opgeladen door een slim alternatorsysteem

Wanneer accu’s in serie zijn geconfigureerd (bv. twee 12V-eenheden voor een 24V-systeem), wordt de feitelijke nominale spanning van de afzonderlijke accu-eenheden (12 V in dit voorbeeld) verstrekt.

Nominale capaciteit

P299

waarde in [Ah]

Capaciteit in Ah overeenkomstig het etiket of het gegevensblad van de fabrikant

Input per accu die wordt opgeladen door een slim alternatorsysteem

Condensators voor slimme alternatorsystemen

Technologie

P300

met DC/DC-omvormer

Input per accu die wordt opgeladen door een slim alternatorsysteem

Nominale elektrische capaciteit

P301

waarde in [F]

Elektrische capaciteit in farad (F) overeenkomstig het etiket of het gegevensblad van de fabrikant

Input per condensator die wordt opgeladen door een slim alternatorsysteem

Nominale spanning

P302

waarde in [V]

Nominale bedrijfsspanning overeenkomstig het etiket of het gegevensblad van de fabrikant

Input per condensator die wordt opgeladen door een slim alternatorsysteem

Elektrische energievoorziening hulpapparatuur

Levering aan elektrische hulpapparatuur van HEV REESS mogelijk

P303

„true” / „false”

Wordt op „true” ingesteld als het voertuig is uitgerust met een gereguleerde stroomverbinding waarmee elektrische energie kan worden overgedragen van een HEV-opslagsysteem voor aandrijfenergie naar het boordnet met elektrische verbruikers.

Input alleen vereist voor HEV.

Binnenverlichting

Binnenverlichting (led)

P304

„true” / „false”

De parameters worden alleen op „true” ingesteld als alle lichten van de categorie voldoen aan de definities 42 tot en met 46 in punt 2.

Buitenverlichting

Ledlampen als dagrijlichten

P305

„true” / „false”

Ledlampen als positielichten

P306

„true” / „false”

Ledlampen als remlichten

P307

„true” / „false”

Ledlampen als koplampen

P308

„true” / „false”

3.4.   pneumatisch systeem

3.4.1.   Pneumatische systemen die met overdruk werken

3.4.1.1.   Volume van de luchttoevoer

Voor pneumatische systemen die met overdruk werken, moet het volume van de luchttoevoer worden verstrekt overeenkomstig tabel 8.



Tabel 8

Pneumatische systemen met overdruk — volume van de luchttoevoer

Volume van de luchttoevoer

Middelzware en zware vrachtwagens (onderdeel van P184)

Zware bussen (P309)

Klein slagvolume ≤ 250 cm3; 1 cilinder / 2 cilinders

X

X

Middelgroot 250 cm3 < slagvolume ≤ 500 cm3; 1 cilinder / 2 cilinders, eentraps

X

X

Middelgroot 250 cm3 < slagvolume ≤ 500 cm3; 1 cilinder / 2 cilinders, tweetraps

X

X

Groot slagvolume > 500 cm3; 1 cilinder / 2 cilinders, eentraps / tweetraps

X, DO

 

Groot slagvolume > 500 cm3; eentraps

 

X, DO

Groot slagvolume > 500 cm3; tweetraps

 

X

Bij een tweetrapscompressor wordt het slagvolume van de eerste trap gebruikt om het volume van het luchtcompressorsysteem te beschrijven. In het geval van compressoren zonder zuiger moet de „standaard algemene” (DO) technologie worden opgegeven.

In het geval van zware bussen met elektrisch aangedreven compressoren moet als input voor het volume van de luchttoevoer „not applicable” worden verstrekt, aangezien de simulatietool met deze parameter geen rekening houdt.

3.4.1.2.   Brandstofbesparingstechnologieën

Brandstofbesparingstechnologieën moeten worden verstrekt overeenkomstig de in tabel 9 voor middelzware en zware vrachtwagens en tabel 10 voor zware bussen vermelde combinaties.



Tabel 9

Pneumatische systemen met overdruk — brandstofbesparingstechnologieën voor zware vrachtwagens, middelzware vrachtwagens (onderdeel van P184)

Combinatienummer

Compressoraandrijving

Compressorkoppeling

Luchtcompressor met energiebesparingssysteem (ESS)

Luchtbeheersysteem met optimale regeneratie (AMS)

1

mechanisch

nee

nee

nee

2

mechanisch

nee

ja

nee

3

mechanisch

viscose

nee

nee

4

mechanisch

mechanisch

nee

nee

5

mechanisch

nee

ja

ja

6

mechanisch

viscose

nee

ja

7

mechanisch

mechanisch

nee

ja

8

elektrisch

nee

nee

nee

9

elektrisch

nee

nee

ja



Tabel 10

Pneumatische systemen met overdruk — brandstofbesparingstechnologieën voor zware bussen

Combinatienummer

Compressoraandrijving (P310)

Compressorkoppeling (P311)

Slim regeneratiesysteem (P312)

Slim compressiesysteem (P313)

1

mechanisch

nee

nee

nee

2

mechanisch

nee

ja

nee

3

mechanisch

nee

nee

ja

4

mechanisch

nee

ja

ja

5

mechanisch

viscose

nee

nee

6

mechanisch

viscose

ja

nee

7

mechanisch

viscose

nee

ja

8

mechanisch

viscose

ja

ja

9

mechanisch

mechanisch

nee

nee

10

mechanisch

mechanisch

ja

nee

11

mechanisch

mechanisch

nee

ja

12

mechanisch

mechanisch

ja

ja

13

elektrisch

nee

nee

nee

14

elektrisch

nee

ja

nee

3.4.1.3.   Verdere kenmerken van het pneumatische systeem voor zware bussen

Voor zware bussen worden de gegevens over de verdere kenmerken van het pneumatische systeem verstrekt overeenkomstig tabel 11.



Tabel 11

Verdere kenmerken van het pneumatische systeem voor zware bussen

Parameter

Parameter-ID

Input voor simulatietool

Toelichting

Verhouding compressor/motor

P314

waarde in [-]

Verhouding = compressortoerental / motortoerental. Alleen van toepassing bij mechanisch aangedreven compressor

Instaphoogte in niet-geknielde toestand

P290

waarde in [mm]

Overeenkomstig de definities in punt 2, 10), van bijlage III.

Deze waarde wordt gedocumenteerd aan de hand van de tekeningen van de voertuigopstelling die bij de parametrisering van de luchtveringsregeling van het voertuig worden gebruikt. De waarde vertegenwoordigt de toestand zoals aan de klant geleverd als normale rijhoogte. Deze parameter is alleen relevant voor zware bussen.

Regeling luchtvering

P315

„mechanically”/ „electronically”

 

Pneumatische SCR-reagensdosering

P316

„true” / „false”

Zie punt 2, (36).

Aandrijftechnologie deur

P291

„pneumatic” / „mixed” / „electric”

 

3.4.2.   Pneumatische systemen die met vacuüm werken

Voor voertuigen met pneumatische systemen die met vacuüm werken (relatieve onderdruk) moet „Vacuum pump” of „Vacuum pump + elec. driven” als input in de simulatietool (P184) worden verstrekt. Deze technologie is niet van toepassing voor zware bussen.

3.5.   HVAC-systeem

3.5.1.   HVAC-systeem voor middelzware en zware vrachtwagens

De technologie van het HVAC-systeem wordt verstrekt overeenkomstig tabel 12.



Tabel 12

Technologieën voor HVAC-systeem voor middelzware en zware vrachtwagens (P185)

Technologie

Geen (geen airconditioningsysteem voor bestuurdersruimte)

Standaard

3.5.2.   HVAC-systeem voor zware bussen

De configuratie van het HVAC-systeem moet voldoen aan de definities in tabel 13. Een grafische voorstelling van de verschillende configuraties wordt gegeven in figuur 2.



Tabel 13

HVAC-systeemconfiguratie voor zware bussen (P317)

HVAC-systeemconfiguratie

Systeem voor warmtecomfort voor passagiersruimte

Aantal warmtepompen voor passagiersruimte overeenkomstig punt 2, 52)

Bestuurdersruimte gedekt door warmtepomp(en) voor passagierscompartiment

Onafhankelijke warmtepomp(en) voor bestuurdersruimte

Star

Geleed

1

nee

0

0

nee

nee

2

nee

0

0

nee

ja

3

ja

0

0

nee

nee

4

ja

0

0

nee

ja

5

ja

1

1 of 2

nee

nee

6

ja

1

1 of 2

ja

nee

7

ja

1

1 of 2

nee

ja

8

ja

> 1

> 2

nee

nee

9

ja

> 1

> 2

nee

ja

10

ja

> 1

> 2

ja

nee

Figuur 2

HVAC-systeemconfiguratie voor zware bussen (star en geleed)

image

De HVAC-systeemparameters moeten worden opgegeven overeenkomstig tabel 14.



Tabel 14

HVAC-systeemparameters (zware bussen)

Parameter

Parameter-ID

Input voor simulatietool

Toelichting

Warmtepomptype voor koeling bestuurdersruimte

P318

„none” / „not applicable” / „R-744” / „non R-744 2-stage” / „non R-744 3-stage” / „non R-744 4-stage” / „non R-744 continuous”

„not applicable” moet worden opgegeven voor HVAC-systeemconfiguraties 6 en 10 vanwege de toevoer door de warmtepomp van de passagiersruimte

Warmtepomptype voor verwarming bestuurdersruimte

P319

„none” / „not applicable” / „R-744” / „non R-744 2-stage” / „non R-744 3-stage” / „non R-744 4-stage” / „non R-744 continuous”

„not applicable” moet worden opgegeven voor HVAC-systeemconfiguraties 6 en 10 vanwege de toevoer door de warmtepomp van de passagiersruimte

Warmtepomptype voor koeling passagiersruimte

P320

„none” / „R-744” / „non R-744 2-stage” / „non R-744 3-stage” / „non R-744 4-stage” / „non R-744 continuous”

In het geval van meerdere warmtepompen met verschillende technologieën voor de koeling van de passagiersruimte, moet de dominante technologie worden opgegeven (bv. op basis van het beschikbare vermogen of de voorkeurstechnologie tijdens gebruik).

Warmtepomptype voor verwarming passagiersruimte

P321

„none” / „R-744” / „non R-744 2-stage” / „non R-744 3-stage” / „non R-744 4-stage” / „non R-744 continuous”

In het geval van meerdere warmtepompen met verschillende technologieën voor de verwarming van de passagiersruimte, moet de dominante technologie worden opgegeven (bv. op basis van het beschikbare vermogen of de voorkeurstechnologie tijdens gebruik).

Vermogen hulpverwarming

P322

waarde in [W]

Nominaal vermogen zoals gespecificeerd voor het apparaat;

Voer „0” in als er geen hulpverwarming is geïnstalleerd.

Dubbele beglazing

P323

„true” / „false”

 

Regelbare koelmiddelthermostaat

P324

„true” / „false”

 

Regelbare hulpverwarming

P325

„true” / „false”

 

Warmtewisselaar afvalgas motor

P326

„true” / „false”

 

Gescheiden luchtverdeelkanalen

P327

„true” / „false”

 

Elektrische waterverwarmer

P328

„true” / „false”

Input alleen te verstrekken voor HEV’s en PEV’s

Elektrische luchtverwarmer

P329

„true” / „false”

Input alleen te verstrekken voor HEV’s en PEV’s

Andere verwarmingstechnologie

P330

„true” / „false”

Input alleen te verstrekken voor HEV’s en PEV’s

3.6.   Krachtafnemer op transmissie (PTO)

Bij zware vrachtwagens waarbij op de transmissie een krachtafnemer en/of een aandrijfmechanisme voor een krachtafnemer is gemonteerd, wordt voor het vermogensverbruik gebruikgemaakt van vastgestelde generieke waarden. Die waarden vertegenwoordigen de vermogensverliezen bij gebruikelijke rijmodus wanneer de met een PTO verbonden verbruiker, bv. een hydraulische pomp, uitgeschakeld of losgekoppeld is. Het vermogensverbruik met ingeschakelde verbruiker, dat afhankelijk is van de toepassing, wordt daar door de simulatietool bij opgeteld en wordt hieronder niet beschreven.



Tabel 12

Verbruik van mechanisch vermogen door PTO’s met uitgeschakelde verbruikers voor zware vrachtwagens

Varianten in ontwerp met betrekking tot vermogensverliezen (ten opzichte van transmissie zonder PTO en/of PTO-aandrijfmechanisme)

Vermogensverlies

Aanvullende onderdelen die weerstandsverlies veroorzaken

Aandrijfassen/tandwielen (P247)

Andere elementen (P248)

[W]

Alleen één ingeschakeld tandwiel dat zich boven het gespecificeerde oliepeil bevindt (geen aanvullende tandwieloverbrenging)

0

Alleen de aandrijfas van de PTO

Klauwkoppeling (incl. synchromeshring) of schuifwiel

50

Alleen de aandrijfas van de PTO

Meerplatenkoppeling

350

Alleen de aandrijfas van de PTO

Meerplatenkoppeling met specifieke pomp voor PTO-koppeling

3 000

Aandrijfas en/of maximaal twee ingeschakelde tandwielen

Klauwkoppeling (incl. synchromeshring) of schuifwiel

150

Aandrijfas en/of maximaal twee ingeschakelde tandwielen

Meerplatenkoppeling

400

Aandrijfas en/of maximaal twee ingeschakelde tandwielen

Meerplatenkoppeling met specifieke pomp voor PTO-koppeling

3 050

Aandrijfas en/of meer dan twee ingeschakelde tandwielen

Klauwkoppeling (incl. synchromeshring) of schuifwiel

200

Aandrijfas en/of meer dan twee ingeschakelde tandwielen

Meerplatenkoppeling

450

Aandrijfas en/of meer dan twee ingeschakelde tandwielen

Meerplatenkoppeling met specifieke pomp voor PTO-koppeling

3 100

PTO met een of meer extra tandwieloverbrengingen, zonder ontkoppelingsmogelijkheid

1 500

Indien meerdere krachtafnemers zijn gemonteerd op de transmissie, wordt alleen het onderdeel met de hoogste verliezen overeenkomstig tabel 12 opgegeven voor de combinatie van de criteria „PTOShaftsGearWheels” en „PTOShaftsOtherElements”. Voor middelzware vrachtwagens en zware bussen wordt geen opgave van PTO’s op de transmissie voorzien.

▼B




BIJLAGE X

CERTIFICERINGSPROCEDURE VOOR PNEUMATISCHE BANDEN

1.   Inleiding

Deze bijlage bevat de certificeringsbepalingen voor banden met betrekking tot de rolweerstandscoëfficiënt. Voor de berekening van de rolweerstand van het voertuig die als input van de simulatietool dient, geeft de aanvrager van goedkeuring voor pneumatische banden voor elke aan fabrikanten van originele uitrusting geleverde band de toepasselijke rolweerstandscoëfficiënt Cr en de betrokken bandentestbelasting FZTYRE op.

▼M3

2.   Definities

Voor de toepassing van deze bijlage gelden de definities in de VN-Reglementen nrs. 54 ( 18 ) en 117 ( 19 ), en wordt bovendien verstaan onder:

▼B

1)

„rolweerstandscoëfficiënt Cr” : de verhouding tussen de rolweerstand en de belasting op de band;

2)

„belasting op de band FZTYRE” : belasting die tijdens de rolweerstandstest op de band wordt uitgeoefend;

3)

„type band” :

een assortiment banden die onderling niet verschillen op punten als:

a) 

de naam van de fabrikant;

b) 

de merknaam of het handelsmerk ►M3  ; ◄

▼M3

c) 

de bandenklasse (overeenkomstig VN-Reglement nr. 117);

▼B

d) 

de bandenmaataanduiding;

e) 

de bandstructuur (diagonaal, radiaal);

f) 

de gebruikscategorie (normale band, winterband of speciale band) zoals gedefinieerd in ►M3  VN ◄ -Reglement nr. 117;

g) 

de snelheidscategorie of -categorieën;

h) 

de belastingsindex of -indices;

i) 

de handelsaanduiding of handelsbenaming;

j) 

de opgegeven rolweerstandscoëfficiënt van de band.

▼M3

4)

„fuelEfficiencyClass”: : een parameter die overeenstemt met de brandstofefficiëntieklasse van de band, zoals gedefinieerd in deel A van bijlage I bij Verordening (EU) 2020/740 ( 20 ). Voor banden die niet onder het toepassingsgebied van Verordening (EU) 2020/740 vallen, is de brandstofefficiëntieklasse van de band niet van toepassing en wordt de parameter FuelEfficiencyClass in aanhangsel 3 geregistreerd als „N/A” (niet van toepassing).

▼B

3.   Algemene voorschriften

3.1.

De fabriek van de bandenfabrikant moet volgens ►M3  IATF ◄  16949 gecertificeerd zijn.

▼M3

3.2.

Meting van de rolweerstandscoëfficiënt van de band

De rolweerstandscoëfficiënt van de band wordt overeenkomstig deel A van bijlage I bij Verordening (EU) 2020/740 gemeten en afgestemd, uitgedrukt in N/kN en op de eerste decimaal afgerond overeenkomstig ISO 80000-1, aanhangsel B, punt B.3, regel B (voorbeeld 1).

De standaardrolweerstandscoëfficiënt voor C2- en C3-banden komt overeen met winterbanden voor gebruik bij zware sneeuwval, zoals beschreven in VN-reglement nr. 117, punt 6.3.2. Voor banden die niet onder Verordening (EG) nr. 661/2009 ( 21 ) of Verordening (EU) 2019/2144 ( 22 ) vallen, bedraagt de standaardwaarde 13,0 N/kN en wordt de FuelEfficiencyClass geregistreerd als „N/A” (niet van toepassing).

De standaardwaarde FzISO is het percentage van de verticale kracht gerelateerd aan de belastingsindex van de band bij nominale bandenspanning (en gemeten op één enkele band). Voor C2- en C3-banden bedraagt dit percentage 85 % en voor andere banden 80 %.

3.3.

Meting

De bandenfabrikant verricht de in punt 3.2 bedoelde test in een laboratorium van een technische dienst als bedoeld in artikel 68 van Verordening (EU) 2018/858; hij mag deze test in zijn eigen faciliteiten verrichten op voorwaarde dat:

i) 

de test plaatsvindt onder het toezicht van een vertegenwoordiger van een technische dienst die door de verantwoordelijke goedkeuringsinstantie is aangewezen, of

ii) 

de bandenfabrikant overeenkomstig artikel 68 van Verordening (EU) 2018/858 als technische dienst van categorie A is aangewezen.

▼B

3.4.

Opschriften en traceerbaarheid

▼M3

3.4.1.

De band moet duidelijk te identificeren zijn wat betreft het toepasselijke certificaat en de bijbehorende rolweerstandscoëfficiënt.

▼B

3.4.2.

►M1  De bandenfabrikant gebruikt de bandopschriften op de zijkant van de band of brengt een extra identificatiemiddel op de band aan. ◄ Het extra identificatiemiddel moet de band op unieke wijze koppelen aan de rolweerstandscoëfficiënt. Dit kan in de vorm van:

— 
een QR-code;
— 
een streepjescode;
— 
identificatie met radiogolven (RFID);
— 
een aanvullend opschrift; of
— 
een ander hulpmiddel dat aan de voorschriften van punt 3.4.1 voldoet.

3.4.3.

Als een extra identificatiemiddel wordt gebruikt, moet dat leesbaar blijven tot het moment van verkoop van het voertuig.

3.4.4.

►M3  Overeenkomstig artikel 38, lid 2, van Verordening (EU) 2018/858 is voor overeenkomstig deze verordening gecertificeerde banden geen typegoedkeuringsmerk vereist. ◄

4.   Conformiteit van de gecertificeerde CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen

4.1.

Elke krachtens deze verordening gecertificeerde band moet in overeenstemming zijn met de overeenkomstig punt 3.2 van deze bijlage opgegeven rolweerstandswaarde.

4.2.

Om de conformiteit van de gecertificeerde CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen te controleren wordt een willekeurige steekproef uit de serieproductie genomen en overeenkomstig punt 3.2 getest ►M3  De tests worden uitgevoerd op nieuwe testbanden in de zin van de definitie in punt 2 van VN-Reglement nr. 117. ◄

4.3.

Frequentie van de tests

4.3.1.

Van een specifiek type band dat bestemd is voor verkoop aan de fabrikanten van originele uitrusting, wordt per 20 000  stuks per jaar de rolweerstandscoëfficiënt van ten minste één band getest (bv. twee conformiteitscontroles per jaar als er van een type jaarlijks 20 001 tot 40 000  stuks aan fabrikanten van originele uitrusting worden geleverd).

4.3.2.

Als de levering aan fabrikanten van originele uitrusting van een voor verkoop aan die fabrikanten bestemd specifiek type band tussen 500 en 20 000  stuks per jaar bedraagt, wordt jaarlijks ten minste één conformiteitscontrole voor dat type verricht.

4.3.3.

Als de levering van een specifiek type band dat bestemd is voor verkoop aan de fabrikanten van originele uitrusting minder dan 500 stuks bedraagt, wordt om het jaar ten minste één conformiteitscontrole overeenkomstig punt 4.4 verricht.

4.3.4.

Als de in punt 4.3.1 bedoelde hoeveelheid van aan de fabrikanten van originele uitrusting geleverde banden binnen 31 kalenderdagen wordt gehaald, bedraagt het in punt 4.3 beschreven aantal conformiteitscontroles maximaal één per 31 kalenderdagen.

4.3.5.

De fabrikant moet aan de goedkeuringsinstantie een onderbouwing geven van het aantal verrichte tests (bv. door opgave van de verkoopaantallen).

4.4.

Controleprocedure

4.4.1.

Er wordt één band overeenkomstig punt 3.2 getest. Normaliter wordt de machine afgesteld volgens de formule die geldig is op de datum waarop de test wordt uitgevoerd. ►M3  ————— ◄

▼M3

4.4.2.

Als de gemeten en afgestemde waarde lager dan of gelijk aan de opgegeven waarde plus 0,3 N/kN is, wordt de rolweerstand van de band conform geacht.

4.4.3.

Als de gemeten waarde de opgegeven waarde met meer dan 0,3 N/kN overschrijdt, worden nog eens drie banden getest. Als de rolweerstandswaarde van ten minste een van de drie banden de opgegeven waarde met meer dan 0,4 N/kN overschrijdt, is artikel 23 van toepassing.

▼M3

4.4.3.1.

Als de gemeten en opnieuw afgestemde waarde lager dan of gelijk aan de opgegeven waarde plus 0,3 N/kN is, wordt de rolweerstand van de band conform geacht.

4.4.3.2.

Als de gemeten en overeenkomstig de punten 4.4.3 en 4.4.3.1 afgestemde waarde de opgegeven waarde met meer dan 0,3 N/kN overschrijdt, worden nog eens drie banden getest. Als de gemeten en overeenkomstig de punten 4.4.3 en 4.4.3.1 afgestemde waarde van ten minste een van de drie banden de opgegeven waarde met meer dan 0,4 N/kN overschrijdt, is artikel 23 van toepassing.

▼M1




Aanhangsel 1

MODEL VAN EEN CERTIFICAAT VOOR EEN ONDERDEEL, TECHNISCHE EENHEID OF SYSTEEM

Maximumformaat: A4 (210 × 297 mm)

CERTIFICAAT BETREFFENDE DE CO2-EMISSIE- EN BRANDSTOFVERBRUIKSEIGENSCHAPPEN VAN EEN BANDENFAMILIE



Mededeling betreffende de:

— verlening (1)

— uitbreiding (1)

— weigering (1)

— intrekking (1)

Stempel instantie
(1)   

doorhalen wat niet van toepassing is

van een certificaat betreffende de CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen van een bandenfamilie overeenkomstig Verordening (EU) 2017/2400 van de Commissie, als gewijzigd bij Verordening (EU) 2019/318 van de Commissie.

Certificeringsnummer: …

Hash: …

Reden van de uitbreiding: …

1. Naam en adres van de fabrikant: …

2. Naam en adres van de eventuele vertegenwoordiger van de fabrikant: …

3. Merknaam of handelsmerk: …

4. Omschrijving van het type band: …

a) 

naam van de fabrikant: …

b) 

merknaam of handelsmerk:

▼M3

c) 

bandenklasse (volgens Verordening (EG) nr. 661/2009 of Verordening (EU) 2019/2144)

▼M1

d) 

bandenmaataanduiding: …

e) 

bandstructuur (diagonaal; radiaal): …

f) 

gebruikscategorie (normale band, winterband, speciale band): …

g) 

snelheidscategorie of -categorieën: …

h) 

belastingsindex of -indices: …

i) 

handelsaanduiding of handelsbenaming: …

j) 

opgegeven rolweerstandscoëfficiënt van de band: …

5. Identificatiecode(s) van de band en voor het vermelden toegepaste technologie(ën), indien van toepassing:



Technologie:

Code:

6. Technische dienst en, in voorkomend geval, testlaboratorium dat voor de goedkeuring of de verificatie van conformiteitstests is erkend: …

7. Opgegeven waarden:

7.1. 

opgegeven rolweerstandsniveau van de band (in N/kN en op de eerste decimaal afgerond overeenkomstig ISO 80000-1, aanhangsel B, punt B.3, regel B (voorbeeld 1))

Cr, … [N/kN]

▼M3

7.2. 

bandentestbelasting overeenkomstig deel A van bijlage I bij Verordening (EG) 2020/740

FZTYRE… [N]

▼M1

7.3. 

Afstellingsformule: …

8. Opmerkingen: …

9. Plaats: …

10. Datum: …

11. Handtekening: …

12. Bij deze mededeling gevoegde stukken: …

▼B




Aanhangsel 2

Inlichtingenformulier rolweerstandscoëfficiënt van de band

AFDELING I

0.1.

Naam en adres van de fabrikant:

▼M3

0.2.

Merkna(a)m(en) of handelsmerk(en):

▼B

0.3.

Naam en adres van de aanvrager:

▼M3

0.4.

Handelsaanduiding(en) of handelsbenaming(en):

0.5.

Bandenklasse (overeenkomstig VN-Reglement nr. 117):

▼B

0.6.

Bandenmaataanduiding:

0.7.

de bandstructuur (diagonaal; radiaal);

0.8.

Gebruikscategorie (normale band, winterband, speciale band):

0.9.

Snelheidscategorie of -categorieën:

0.10.

Belastingsindex of -indices:

▼M3

0.11.

▼B

0.12.

Opgegeven rolweerstandscoëfficiënt:

0.13.

Hulpmiddel of hulpmiddelen voor het vermelden van aanvullende identificatiecode voor rolweerstandscoëfficiënt (indien van toepassing):

▼M1 —————

▼B

0.15.

Belasting FZTYRE: … [N]

▼M1 —————

▼M3

0.16.

Typegoedkeuringsmerk van de band (overeenkomstig VN-Reglement nr. 117), indien van toepassing:

0.17.

Typegoedkeuringsmerk van de band (overeenkomstig VN-Reglement nr. 54 of 30 ( 23 )):

▼B

AFDELING II

1.

Goedkeuringsinstantie of technische dienst (of geaccrediteerd laboratorium):

2.

Nummer van het testrapport:

3.

Eventuele opmerkingen:

▼M1

4.

Datum van het testrapport:

▼B

5.

Identificatiegegevens van de testmachine en trommeldiameter/-oppervlak:

6.

Details van de testband:

6.1. 

Bandenmaataanduiding en gebruiksindicatie:

6.2. 

Merk of handelsaanduiding van de band:

▼M3

6.3. 

Referentietestspanning: kPa

▼B

7.

Testgegevens:

7.1. 

Meetmethode:

7.2. 

Testsnelheid: km/h

7.3. 

Belasting F ZTYRE : N

7.4. 

Oorspronkelijke testbandenspanning: kPa

7.5. 

Afstand van de as van de band tot het buitenoppervlak van de trommel in statische toestand, rL: m

7.6. 

Breedte en materiaal testvelg:

7.7. 

Omgevingstemperatuur: °C

7.8. 

Skimtestbelasting (behalve bij de vertragingsmethode): N

8.

Rolweerstandscoëfficiënt:

▼M3

8.1. 

Initiële waarde (of het gemiddelde indien meer dan één): N/kN

▼B

8.2. 

Gecorrigeerd voor temperatuur: … N/kN

8.3. 

Gecorrigeerd voor temperatuur en trommeldiameter: N/kN

▼M1

8.4. 

Afstellingsformule:

▼M1

8.5. 

Rolweerstandsniveau van de band (in N/kN en op de eerste decimaal afgerond overeenkomstig ISO 80000-1, aanhangsel B, punt B.3, regel B (voorbeeld 1)) Cr,aligned, … [N/kN]

▼B

9.

Datum van de test:




Aanhangsel 3

▼M1

Inputparameters voor de simulatietool

▼B

Inleiding

In dit aanhangsel worden de parameters beschreven die de onderdeelfabrikant als input voor de simulatietool moet verstrekken. Het te gebruiken xml-schema en voorbeeldgegevens zijn beschikbaar op het speciale elektronische distributieplatform.

Definities

▼M1

1)

„Parameter-ID” : unieke identificatiecode die in de simulatietool voor een specifieke inputparameter of reeks inputgegevens wordt gebruikt.

▼B

2)

„Type” :

datatype van de parameter:

string …

:

tekenreeks in ISO 8859-1-codering;

token …

:

tekenreeks in ISO 8859-1-codering, zonder lege karakters aan begin en eind;

date …

:

datum en tijd (UTC) in de vorm YYYY-MM-DDTHH:MM:SSZ, waarbij de cursieve letters vaste tekens zijn, bv. „2002-05-30T09:30:10Z”;

integer …

:

waarde van een geheel getal zonder voorafgaande nullen, bv. „1800”;

double, X …

:

gebroken getal met precies X cijfers na het scheidingsteken (.) en zonder voorafgaande nullen, bv. voor „double, 2”: „2345.67”; voor „double, 4”: „45.6780”.

3)

„Eenheid” … : natuurkundige eenheid van de parameter.

Reeks inputparameters



Tabel 1

Inputparameters „Tyre”

Parameternaam

Parameter-ID

Type

Eenheid

Beschrijving/referentie

Manufacturer

P230

token

 

 

Model

P231

token

 

Handelsnaam van de fabrikant

▼M1

CertificationNumber

P232

token

 

 

▼B

Date

P233

date

 

Datum en tijd waarop de onderdeel-hash is gecreëerd

AppVersion

P234

token

 

Versienummer van de evaluatietool

RRCDeclared

P046

double, 4

[N/N]

 

FzISO

P047

integer

[N]

 

▼M1

►M3  Tyre Size Designation ◄

P108

string

[-]

Toegestane waarden (niet uitputtend): „9.00 R20”, „9 R22.5”, „9.5 R17.5”, „10 R17.5”, „10 R22.5”, „10.00 R20”, „11 R22.5”, „11.00 R20”, „11.00 R22.5”, „12 R22.5”, „12.00 R20”, „12.00 R24”, „12.5 R20”, „13 R22.5”, „14.00 R20”, „14.5 R20”, „16.00 R20”, „205/75 R17.5”, „215/75 R17.5”, „225/70 R17.5”, „225/75 R17.5”, „235/75 R17.5”, „245/70 R17.5”, „245/70 R19.5”, „255/70 R22.5”, „265/70 R17.5”, „265/70 R19.5”, „275/70 R22.5”, „275/80 R22.5”, „285/60 R22.5”, „285/70 R19.5”, „295/55 R22.5”, „295/60 R22.5”, „295/80 R22.5”, „305/60 R22.5”, „305/70 R19.5”, „305/70 R22.5”, „305/75 R24.5”, „315/45 R22.5”, „315/60 R22.5”, „315/70 R22.5”, „315/80 R22.5”, „325/95 R24”, „335/80 R20”, „355/50 R22.5”, „365/70 R22.5”, „365/80 R20”, „365/85 R20”, „375/45 R22.5”, „375/50 R22.5”, „375/90 R22.5”, „385/55 R22.5”, „385/65 R22.5”, „395/85 R20”, „425/65 R22.5”, „495/45 R22.5”, „525/65 R20.5”

▼M3

TyreClass

P370

string

[-]

„C2”, „C3” of „N/A”

FuelEfficiencyClass

P371

string

 

„A”, „B”, „C”, „D”, „E” of „N/A”

▼B




Aanhangsel 4

Nummering

1.   Nummering:

▼M3

1.1.

Het certificeringsnummer van de banden bestaat uit de volgende delen:



eX*YYYY/YYYY*ZZZZ/ZZZZ*T*00000*00

Deel 1

Deel 2

Deel 3

Aanvullende letter bij deel 3

Deel 4

Deel 5

Aanduiding van het land dat het certificaat verleent

Verordening betreffende de CO2-bepaling van zware bedrijfsvoertuigen „2017/2400”

Recentste wijzigingsverordening (ZZZZ/ZZZZ)

T = band

Basiscertificeringsnummer 00000

Uitbreiding 00




BIJLAGE X bis

CONFORMITEIT VAN HET GEBRUIK VAN DE SIMULATIETOOL EN VAN DE CO2-EMISSIE- EN BRANDSTOFVERBRUIKSEIGENSCHAPPEN VAN ONDERDELEN, TECHNISCHE EENHEDEN EN SYSTEMEN: CONTROLETESTPROCEDURE

1.   Inleiding

Deze bijlage bevat de voorschriften voor de controletestprocedure waarmee de CO2-emissies van nieuwe middelzware en zware vrachtwagens worden gecontroleerd.

De controletestprocedure bestaat uit een test op de weg om de CO2-emissies van nieuwe voertuigen na productie te controleren. Deze procedure wordt uitgevoerd door de voertuigfabrikant en gecontroleerd door de goedkeuringsinstantie die de licentie voor het gebruik van de simulatietool heeft verleend.

Tijdens de controletestprocedure worden het koppel en het toerental bij de aangedreven wielen, het motortoerental, het brandstofverbruik, de ingeschakelde versnelling van het voertuig en de andere in punt 6.1.6 genoemde relevante parameters gemeten. De gemeten gegevens worden gebruikt als input voor de simulatietool, die gebruikmaakt van inputgegevens en inputinformatie betreffende het voertuig afkomstig van de bepaling van de CO2-emissies en het brandstofverbruik van het voertuig. Voor de simulatie van de controletestprocedure worden het momentaan gemeten wielkoppel, het toerental van de wielen en het motortoerental als input gebruikt. Om de controletestprocedure te doorstaan, moeten de CO2-emissies berekend op basis van het gemeten brandstofverbruik binnen de in punt 7 vastgestelde toleranties liggen in vergelijking met de middels de controlegegevensreeks gesimuleerde CO2-emissies. Figuur 1 is een schematische afbeelding van de methode van de controletestprocedure De evaluatiestappen die door de simulatietool worden uitgevoerd bij de simulatie van de controletestprocedure, worden beschreven in aanhangsel 1 van deze bijlage.

Als onderdeel van de controletestprocedure wordt ook de juistheid van de bij de certificering van de CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen van de onderdelen, technische eenheden en systemen verkregen inputgegevens betreffende het voertuig beoordeeld om de gegevens en het gegevensverwerkingsproces te controleren. De juistheid van de inputgegevens met betrekking tot onderdelen, technische eenheden en systemen die relevant zijn voor de luchtweerstand en de rolweerstand van het voertuig moet worden gecontroleerd overeenkomstig punt 6.1.1.

Figuur 1

Schematische afbeelding van de methode van de controletestprocedure

image

2.   Definities

Voor de toepassing van deze bijlage wordt verstaan onder:

(1) 

„voor de controletest relevante gegevensreeks”: een reeks inputgegevens voor onderdelen, technische eenheden en systemen en inputinformatie die wordt gebruikt voor de CO2-bepaling van een voor de controletestprocedure relevant voertuig;

(2) 

„voor de controletestprocedure relevant voertuig”: een nieuw voertuig waarvoor een waarde voor de CO2-emissies en het brandstofverbruik is bepaald en opgegeven overeenkomstig artikel 9;

(3) 

„gecorrigeerde feitelijke massa van het voertuig”: de gecorrigeerde feitelijke massa van het voertuig overeenkomstig punt 2, 4), van bijlage III;

(4) 

„feitelijke massa van het voertuig voor controletestprocedure”: de feitelijke massa van het voertuig zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 6, van Verordening (EU) nr. 1230/2012, maar met een volle tank en plus de aanvullende meetapparatuur zoals vermeld in punt 5 (meetapparatuur), plus de feitelijke massa van de aanhangwagen of oplegger indien vereist in punt 6.1.4.1;

(5) 

„feitelijke massa van het voertuig voor controletestprocedure met lading”: de feitelijke massa van het voertuig voor de controletestprocedure met de lading die wordt toegepast in de controletestprocedure van punt 6.1.4.2;

(6) 

„wielvermogen”: het totale vermogen bij de aangedreven wielen van een voertuig om alle rijweerstanden op het wiel te overwinnen, zoals berekend in de simulatietool op basis van het gemeten koppel en het toerental van de aangedreven wielen;

(7) 

„signaal van het Control Area Network” of „CAN-signaal”: een signaal dat afkomstig is van de verbinding met de elektronische regeleenheid van het voertuig, zoals bedoeld in aanhangsel 1, punt 2.1.5, van bijlage II bij Verordening (EU) nr. 582/2011;

(8) 

„rit in de stad”: de totale afstand die tijdens de meting van het brandstofverbruik wordt afgelegd bij snelheden van niet meer dan 50 km/h;

(9) 

„rit op het platteland”: de totale afstand die tijdens de meting van het brandstofverbruik wordt afgelegd bij snelheden van meer dan 50 km/h, maar niet meer dan 70 km/h;

(10) 

„rit op de snelweg”: de totale afstand die tijdens de meting van het brandstofverbruik wordt afgelegd bij snelheden hoger dan 70 km/h;

(11) 

„overspraak”: het signaal bij de hoofduitgang van een sensor (My), dat afkomstig is van een meetgrootheid (Fz) die op de sensor werkt, maar verschilt van de aan die uitgang toegewezen gemeten grootheid; de coördinaten worden overeenkomstig het systeem van ISO 4130 toegewezen.

3.   Voertuigselectie

Door het aantal nieuwe voertuigen dat per productiejaar moet worden getest, wordt gewaarborgd dat de relevante variaties van de gebruikte onderdelen, technische eenheden of systemen door de controletestprocedure worden gedekt. De voertuigselectie voor de controletest is gebaseerd op de volgende voorschriften:

(a) 

de voertuigen die aan de controletest worden onderworpen, worden geselecteerd uit de voertuigen van de productielijn waarvoor een waarde voor de CO2-emissies en het brandstofverbruik is bepaald en opgegeven overeenkomstig artikel 9. De in of op het voertuig gemonteerde onderdelen, technische eenheden of systemen zijn afkomstig uit een serieproductie en komen overeen met die welke op de productiedatum van het voertuig zijn gemonteerd;

(b) 

de voertuigselectie wordt op basis van voorstellen van de voertuigfabrikant gemaakt door de goedkeuringsinstantie die de licentie voor het gebruik van de simulatietool heeft verleend;

(c) 

alleen voertuigen met één aangedreven as worden voor controletests geselecteerd;

(d) 

aanbevolen wordt om in elke controletest de relevante gegevensreeksen voor de onderdelen in kwestie en met de hoogste verkoopcijfers per fabrikant op te nemen. De onderdelen, technische eenheden of systemen mogen allemaal in één voertuig of in verschillende voertuigen worden gecontroleerd. Afgezien van het criterium van hoogste verkoopcijfers beslist de in punt b) genoemde goedkeuringsinstantie of andere voertuigen met relevante gegevensreeksen voor motor, as en transmissie in de controletest moeten worden opgenomen;

(e) 

voertuigen die voor de CO2-certificering van hun onderdelen, technische eenheden of systemen standaardwaarden gebruiken in plaats van de gemeten waarden voor de transmissie en voor de asverliezen, worden niet voor de controletest geselecteerd zolang voertuigen worden geproduceerd die voldoen aan de voorschriften van de punten a) tot en met c) en waarvoor bij de CO2-certificering gebruik wordt gemaakt van diagrammen met gemeten verliezen voor deze onderdelen, technische eenheden of systemen;

(f) 

het minimumaantal verschillende voertuigen met verschillende combinaties van voor de controletest relevante gegevensreeksen dat jaarlijks aan de hand van een controletest moet worden getest, wordt gebaseerd op de in tabel 1 aangegeven verkoopcijfers van de voertuigfabrikant.



Tabel 1

Bepaling van het minimumaantal voertuigen dat door de voertuigfabrikant moet worden getest

Aantal te testen voertuigen

Tijdschema

Geproduceerde voor de controletestprocedure relevante voertuigen / jaar (*2)

0

≤ 25

1

Driejaarlijks (*1)

26 – 250

1

Tweejaarlijks

251 – 5 000

1

Jaarlijks

5 001 – 25 000

2

Jaarlijks

25 001 – 50 000

3

Jaarlijks

50 001 – 75 000

4

Jaarlijks

75 001 – 100 000

5

Jaarlijks

meer dan 100 000

(*1)   

Het totale aantal voertuigen van een fabrikant dat onder het toepassingsgebied van deze verordening valt, moet in aanmerking worden genomen, en zowel middelzware als zware vrachtwagens moeten over een periode van zes jaar aan de controletestprocedure worden onderworpen.

(*2)   

De controletestprocedure moet binnen de eerste twee jaar worden uitgevoerd.

(g) 

de voertuigfabrikant voltooit de controletest binnen een periode van tien maanden na de datum waarop het voertuig voor de controletest is geselecteerd.

4.   Toestand van het voertuig

Elk voertuig dat de controletest ondergaat, moet zich in een toestand bevinden die overeenkomt met de toestand waarin het voertuig in de handel wordt gebracht. Veranderingen in hardware, zoals smeermiddelen, of in software, zoals ondersteunende regeleenheden, zijn niet toegestaan. De banden mogen worden vervangen door meetbanden met een vergelijkbare bandenmaat (± 10 %).

De punten 3.3 tot en met 3.6 van bijlage II bij Verordening (EU) nr. 582/2011 zijn van toepassing.

4.1.   Voertuig inrijden

Het inrijden van het voertuig is niet verplicht. Indien de totale door het testvoertuig afgelegde afstand minder dan 15 000  km bedraagt, past de simulatietool een evolutiecoëfficiënt voor het testresultaat toe, zoals gedefinieerd in aanhangsel 1. De totale door het testvoertuig afgelegde afstand is de afgelezen kilometerstand aan het begin van de meting van het brandstofverbruik. De totale afgelegde afstand aan het begin van de opwarmfase mag maximaal 20 000  km bedragen.

4.2.   Brandstof en smeermiddelen

Alle smeermiddelen zijn dezelfde als de smeermiddelen die worden gebruikt wanneer het voertuig in de handel wordt gebracht.

Voor de meting van het brandstofverbruik zoals beschreven in punt 6.1.5 wordt de brandstof gebruikt die in de handel verkrijgbaar is. In geval van betwisting wordt gebruikgemaakt van de geschikte referentiebrandstof die is gespecificeerd in bijlage IX bij Verordening (EU) nr. 582/2011.

Aan het begin van de opwarmfase is de brandstoftank vol. Het is niet toegestaan het voertuig tussen het begin van de opwarmfase en het einde van de meting van het brandstofverbruik bij te tanken.

De onderste verbrandingswaarde van de tijdens de controletest gebruikte brandstof wordt bepaald overeenkomstig punt 3.2 van bijlage V. De brandstofpartij wordt na de opwarmfase uit de tank genomen. Bij dualfuelmotoren wordt deze procedure op beide brandstoffen toegepast.

5.   Meetapparatuur

De faciliteiten van het kalibratielaboratorium moeten voldoen aan de eisen van IATF 16949, ISO 9000-reeks of ISO/IEC 17025. Alle voor kalibraties en controles gebruikte referentiemeetapparatuur van het laboratorium moet herleidbaar zijn naar nationale of internationale standaarden.

5.1.   Wielkoppel

Het directe koppel op alle aangedreven assen wordt gemeten met een van de volgende meetsystemen die voldoen aan de in tabel 2 vermelde voorschriften:

a) 

een naafkoppelmeter;

b) 

een velgkoppelmeter;

c) 

een steekaskoppelmeter.

Het verloop wordt tijdens de controletest gemeten door het koppelmeetsysteem overeenkomstig punt 6.1.5.4 op nul te stellen na de opwarmfase overeenkomstig punt 6.1.5.3 door de as op te heffen en onmiddellijk na de controletest opnieuw het koppel bij de opgetilde as te meten overeenkomstig punt 6.1.5.6.

Voor een geldig testresultaat moet een maximumverloop (som van de absolute waarden van beide wielen) van het koppelmeetsysteem tijdens de controletestprocedure van 1,5 % van het gekalibreerde bereik van één koppelmeter worden aangetoond.

5.2.   Voertuigsnelheid

De geregistreerde voertuigsnelheid is gebaseerd op het CAN-signaal.

5.3.   Ingeschakelde versnelling

Voor voertuigen met SMT- en AMT-transmissies wordt de ingeschakelde versnelling met behulp van de simulatietool berekend op basis van het gemeten motortoerental, de voertuigsnelheid, de bandmaten en de overbrengingsverhoudingen van het voertuig overeenkomstig aanhangsel 1. Het motortoerental wordt door de simulatietool afgeleid uit de in punt 5.4 gedefinieerde inputgegevens.

Voor voertuigen met een APT-transmissie wordt de ingeschakelde versnelling en de status van de koppelomvormer (actief of niet actief) op basis van CAN-signalen verstrekt.

5.4.   Motortoerental

Het motortoerental wordt geregistreerd op basis van CAN, OBD of alternatieve meetsystemen die voldoen aan de voorschriften van tabel 2.

5.5.   Toerental van de wielen van de aangedreven as

Het toerental van het linker- en rechterwiel van de aangedreven as wordt geregistreerd op basis van CAN of alternatieve meetsystemen die voldoen aan de voorschriften van tabel 2.

5.6.   Toerental van de ventilator

Voor niet-elektrisch aangedreven motorkoelventilatoren wordt het toerental van de ventilator geregistreerd. Hiervoor wordt gebruikgemaakt van het CAN-signaal of van een externe sensor die aan de voorschriften van tabel 2 voldoet.

Voor elektrisch aangedreven motorkoelventilatoren worden de stroom en de spanning voor de gelijkstroominput geregistreerd aan het aansluitpunt van de elektrische motor of de omzetter. Uit deze twee signalen wordt door vermenigvuldiging het elektrisch vermogen aan het aansluitpunt berekend en beschikbaar gemaakt als een tijdsgeresolveerd signaal als input voor de simulatietool. In het geval van meerdere elektrisch aangedreven motorkoelventilatoren wordt de som van de elektrische vermogens aan de aansluitpunten ter beschikking gesteld.

5.7.   Brandstofmeetsysteem

Het brandstofverbruik wordt aan boord gemeten met behulp van meetapparatuur op basis van een van de volgende meetmethoden:

— 
meting van de brandstofmassa: de brandstofmeetapparatuur moet voldoen aan de in tabel 2 vastgestelde nauwkeurigheidsvoorschriften voor het brandstofmassameetsysteem;
— 
meting van het brandstofvolume met correctie voor de thermische uitzetting van de brandstof: de apparatuur voor de meting van het brandstofvolume en de brandstoftemperatuur moet voldoen aan de in tabel 2 vastgestelde nauwkeurigheidsvoorschriften voor het brandstofvolumemeetsysteem. De gemeten waarden voor brandstofvolumedebiet worden omgezet in brandstofmassadebiet overeenkomstig de volgende vergelijkingen:

m fuel,i = V fuel,i ·ρi

image

waarbij:

mfuel, i

=

brandstofmassadebiet in monster i [g/h];

ρ0

=

dichtheid van de voor de controletest gebruikte brandstof in (g/dm3). De dichtheid wordt bepaald overeenkomstig bijlage IX bij Verordening (EU) nr. 582/2011. Indien bij de controletest dieselbrandstof wordt gebruikt, mag ook de gemiddelde waarde van het dichtheidsinterval voor de referentiebrandstoffen B7 overeenkomstig bijlage IX bij Verordening (EU) nr. 582/2011 worden gebruikt;

t0

=

brandstoftemperatuur die overeenkomt met de dichtheid ρ0 voor de referentiebrandstof [°C];

ρi

=

dichtheid van de testbrandstof in monster i [gd/m3];

Vfuel, i

=

brandstofvolumedebiet in monster i [dm3/h];

ti

=

gemeten brandstoftemperatuur in monster i [°C];

β

=

temperatuurcorrectiefactor (0,001 K-1).

Bij dualfuelvoertuigen wordt het brandstofdebiet voor elk van beide brandstoffen afzonderlijk gemeten.

5.8.   Voertuigmassa

De volgende massa’s van het voertuig worden gemeten met apparatuur die aan de voorschriften van tabel 2 voldoet:

(a) 

feitelijke massa van het voertuig voor controletestprocedure;

(b) 

feitelijke massa van het voertuig voor controletestprocedure met lading.

5.9.   Algemene vereisten voor metingen aan boord zoals aangegeven in de punten 5.1 tot en met 5.8

De in punt 6.1.6, tabel 4, vermelde inputgegevens worden verstrekt op basis van de metingen. Alle gegevens worden ten minste met een frequentie van 2 Hz of, als die hoger is, met de aanbevolen frequentie van de fabrikant van de apparatuur geregistreerd.

De inputgegevens voor de simulatietool kunnen bestaan uit gegevens van verschillende registreertoestellen. Het koppel op en het toerental van de wielen worden in één gegevenslogger geregistreerd. Indien voor de andere signalen verschillende gegevensloggers worden gebruikt, moet één gemeenschappelijk signaal, zoals de voertuigsnelheid, worden geregistreerd om een correcte tijdsalignering van de signalen te waarborgen. Op basis van de tijdsalignering van de signalen wordt de hoogste correlatiecoëfficiënt verkregen van het gemeenschappelijke signaal dat met de verschillende gegevensloggers is geregistreerd.

Alle gebruikte meetapparatuur moet voldoen aan de nauwkeurigheidsvoorschriften van tabel 2. Apparatuur die niet in tabel 2 is opgenomen, moet voldoen aan de nauwkeurigheidsvoorschriften van tabel 2 van bijlage V.



Tabel 2

Voorschriften voor meetsystemen

Meetsysteem

Nauwkeurigheid

Stijgtijd (1)

Balans voor voertuiggewicht

50 kg of, als dat minder is,

< 0,5 % van max. kalibratie

Toerental wielen

< 0,5 % van afgelezen waarde bij 80 km/h

≤ 1 s

Brandstofmassadebiet voor vloeibare brandstoffen (2)

< 1,0 % van afgelezen waarde of, als dat meer is,

< 0,2 % van max. kalibratie

Brandstofmassadebiet voor gasvormige brandstoffen (2)

< 1,0 % van afgelezen waarde of, als dat meer is,

< 0,5 % van max. kalibratie

Systeem voor de meting van het brandstofvolume (2)

< 1,0 % van afgelezen waarde of, als dat meer is,

< 0,5 % van max. kalibratie

Temperatuur van de brandstof

± 1 °C

≤ 2 s

Sensor voor het meten van het toerental van de koelventilator (indien gebruikt)

< 0,4 % van afgelezen waarde of, als dat meer is,

< 0,2 % van max. kalibratie van het toerental

≤ 1 s

Spanning

< 2 % van afgelezen waarde of, als dat meer is,

< 1 % van max. kalibratie van het toerental

≤ 1 s

Elektrische stroom

< 2 % van afgelezen waarde of, als dat meer is,

< 1 % van max. kalibratie van het toerental

≤ 1 s

Motortoerental

Zoals weergegeven in bijlage V.

Bij voertuigen met stop-startsysteem voor de motor wordt nagegaan of het motortoerental ook correct wordt geregistreerd voor toerentallen onder het stationaire toerental.

Wielkoppel

Voor kalibratie van 10 kNm (in het volledige kalibratiebereik):

i.  niet-lineariteit (3):

< ± 40 Nm voor zware vrachtwagens

< ± 30 Nm voor middelzware vrachtwagens

ii.  herhaalbaarheid (4):

< ± 20 Nm voor zware vrachtwagens

< ± 15 Nm voor middelzware vrachtwagens

iii.  overspraak:

< ± 20 Nm voor zware vrachtwagens

< ± 15 Nm voor middelzware vrachtwagens

(geldt alleen voor velgkoppelmeters)

iv.  meetfrequentie: ≥ 20 Hz;

< 0,1 s

(1)   

„Stijgtijd” is het tijdverschil tussen de 10 %- en de 90 %-respons van de eindwaarde die van de analysator wordt afgelezen (t90 – t10).

(2)   

Aan de nauwkeurigheid wordt voldaan voor het integrale brandstofdebiet na 100 minuten.

(3)   

„Niet-lineariteit” is de maximale afwijking tussen ideale en werkelijke uitgangssignaalkenmerken voor een gemeten waarde in een specifiek meetbereik.

(4)   

„Herhaalbaarheid” is de mate waarin de resultaten van achtereenvolgende, onder dezelfde meetomstandigheden uitgevoerde metingen van dezelfde gemeten waarde met elkaar overeenstemmen.

De maximumkalibratiewaarden zijn de maximale waarden die tijdens alle tests voor het meetsysteem worden verwacht, vermenigvuldigd met een willekeurige factor groter dan 1 en kleiner dan of gelijk aan 2. Voor het koppelmeetsysteem mag de maximumkalibratie worden beperkt tot 10 kNm.

Bij dualfuelmotoren wordt de waarde van de maximumkalibratie voor het meetsysteem voor brandstofmassadebiet of brandstofvolume bepaald overeenkomstig punt 3.5 van bijlage V. Voor het brandstofvolume wordt de maximumkalibratiewaarde bepaald door de waarden van de maximumkalibratiewaarden voor brandstofmassadebiet te delen door de dichtheidswaarde ρ0, bepaald overeenkomstig punt 5.7.

Aan de opgegeven nauwkeurigheid wordt voldaan door de som van alle afzonderlijke nauwkeurigheden indien meer dan één schaal wordt gebruikt.

5.10.   Motorkoppel

Het motorkoppel wordt tijdens de controletestprocedure geregistreerd met het oog op de evaluatie van verontreinigende emissies. Het signaal moet voldoen aan de voorschriften voor het signaal van het motorkoppel in tabel 1 van aanhangsel 1, punt 2.2, van bijlage II bij Verordening (EU) nr. 582/2011.

5.11.   Verontreinigende emissies

Voor de meting van verontreinigende emissies wordt gebruikgemaakt van de apparatuur en procedures die zijn vastgesteld in de aanhangsels 1 tot en met 4 van bijlage II bij Verordening (EU) nr. 582/2011. De beoordeling van de gegevens resulteert in de in tabel 4 van punt 6.1.6 vermelde momentane emissiemassadebieten als input voor de simulatietool.

Op basis van deze inputsignalen berekent de simulatietool automatisch de specifieke verontreinigende emissies op de testbank die bij de controletest worden gemeten (BSEM), zoals beschreven in deel B van aanhangsel 1 van deze bijlage. Deze resultaten worden vervolgens automatisch opgenomen in de output van de simulatietool overeenkomstig punt 8.13.14. De aanvullende voorschriften van Verordening (EU) nr. 582/2011 inzake de beoordeling van gegevens (bv. op arbeid gebaseerde vensters, vensters met bewegend gemiddelde), de start van de test en de rit zijn niet van toepassing.

In de controletestprocedure zijn geen goedkeurings- en afkeuringscriteria voor verontreinigende emissies van toepassing.

6.   Testprocedure

6.1.   Voorbereiding van het voertuig

Het voertuig wordt uit de serieproductie genomen en geselecteerd overeenkomstig punt 3.

6.1.1.   Controle van inputinformatie en inputgegevens en gegevensverwerking

De inputgegevens worden gecontroleerd aan de hand van het gegevensdossier van de fabrikant en het klanteninformatiedossier voor het geselecteerde voertuig. Het voertuigidentificatienummer van het geselecteerde voertuig is hetzelfde als het voertuigidentificatienummer in het gegevensdossier van de fabrikant en het klanteninformatiedossier.

Op verzoek van de goedkeuringsinstantie die de licentie voor het gebruik van de simulatietool heeft verleend, verstrekt de voertuigfabrikant binnen 15 werkdagen het gegevensdossier van de fabrikant, de voor het gebruik van de simulatietool benodigde inputinformatie en inputgegevens, alsook het certificaat betreffende de CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen voor alle relevante onderdelen, technische eenheden of systemen.

6.1.1.1.   Controle van onderdelen, technische eenheden of systemen en inputgegevens en -informatie

Voor de op het voertuig gemonteerde onderdelen, technische eenheden en systemen worden de volgende controles uitgevoerd:

(a) 

integriteit van de gegevens voor de simulatietool: de integriteit van de cryptografische hash van het gegevensdossier van de fabrikant overeenkomstig artikel 9, lid 3, die tijdens de controletestprocedure met de hashingtool opnieuw is berekend, wordt gecontroleerd door deze te vergelijken met de cryptografische hash in het certificaat van overeenstemming;

(b) 

voertuiggegevens: het voertuigidentificatienummer, de assenconfiguratie, de geselecteerde hulpapparatuur en de krachtafnemer, de versnellingsuitschakeling overeenkomstig punt 6.2 van bijlage III en de voorschriften inzake actieve aerodynamische voorzieningen overeenkomstig punt 3.3.1.5 van bijlage VIII stemmen overeen met het geselecteerde voertuig;

(c) 

motorkoppelbegrenzingen die in de input voor de simulatietool zijn opgegeven, moeten in de controletestprocedure worden gecontroleerd indien zij zijn opgegeven voor een versnelling uit de hoogste 50 % van de versnellingen (d.w.z. voor de versnellingen 7 tot en met 12 bij een transmissie met 12 versnellingen) en indien een van de volgende gevallen van toepassing is:

i) 

koppelbegrenzing opgegeven op voertuigniveau overeenkomstig punt 6.1 van bijlage III;

ii) 

koppelbegrenzing opgegeven in de input voor het transmissieonderdeel overeenkomstig parameter P157 in tabel 2 van aanhangsel 12 van bijlage VI en indien de opgegeven waarde niet hoger is dan 90 % van het maximale motorkoppel.

Voor alle koppelbegrenzingen die aan een controle worden onderworpen, moet worden aangetoond dat het 99 %-percentiel van het motorkoppel dat tijdens de meting van het brandstofverbruik in de betrokken versnelling wordt geregistreerd, de opgegeven koppelbegrenzing met niet meer dan 5 % overschrijdt. Daartoe omvat de controletest fasen in de respectieve versnellingen waarbij vol gas wordt gegeven. De controle wordt uitgevoerd op basis van het geregistreerde motorkoppel, zoals beschreven in punt 5.10.

De controle van de motorkoppelbegrenzing mag ook worden uitgevoerd als een afzonderlijke test die uitsluitend bestaat uit specifieke versnellingen met volle belasting en zonder andere verplichtingen wat betreft de beoordeling van de test;

(d) 

gegevens over onderdelen, technische eenheden en systemen: het certificeringsnummer en modeltype zoals afgedrukt op het certificaat betreffende de CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen stemmen overeen met het (de) in het geselecteerde voertuig geïnstalleerd(e) onderdeel, technische eenheid of systeem;

(e) 

de hash van de inputgegevens voor de simulatietool en de inputinformatie stemmen overeen met de hash die op het certificaat betreffende de CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen is afgedrukt voor de volgende onderdelen, technische eenheden of systemen:

(i) 

motoren;

(ii) 

transmissies;

(iii) 

koppelomvormers;

(iv) 

andere koppeloverbrengingsonderdelen;

(v) 

aanvullende onderdelen van de aandrijflijn;

(vi) 

assen;

(vii) 

luchtweerstand van de carrosserie of de aanhangwagen;

(viii) 

banden.

6.1.1.2.   Controle van de voertuigmassa

Op verzoek van de goedkeuringsinstantie die de licentie voor het gebruik van de simulatietool heeft verleend, wordt de door de fabrikant bepaalde massa gecontroleerd overeenkomstig punt 2 van aanhangsel 2 van bijlage I bij Verordening (EU) nr. 1230/2012. Indien die controle niet wordt doorstaan, wordt de in punt 2, 4), van bijlage III bij deze verordening gedefinieerde gecorrigeerde feitelijke massa bepaald.

6.1.1.3.   Te nemen maatregelen

In geval van discrepanties in het certificeringsnummer of de cryptografische hash van een of meer bestanden met betrekking tot de in punt 6.1.1.1, e), 1) tot en met 8), genoemde onderdelen, technische eenheden of systemen, worden de onjuiste gegevens voor alle verdere handelingen vervangen door het juiste inputgegevensbestand dat voldoet aan de controles overeenkomstig de punten 6.1.1.1 en 6.1.1.2. Hetzelfde geldt voor alle andere onjuiste informatie als bedoeld in de punten b) en c) van punt 6.1.1.1.

Indien de resultaten in het gegevensdossier van de fabrikant en het klanteninformatiedossier de controle niet doorstaan of indien voor de in punt 6.1.1.1, e), 1) tot en met 8), genoemde onderdelen, technische eenheden of systemen geen volledige reeks inputgegevens met de juiste certificaten betreffende de CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen beschikbaar is, wordt de controletest beëindigd en doorstaat het voertuig de controletestprocedure niet.

6.1.2.   Inrijfase

Er mag een inrijfase tot een afgelezen kilometerstand van maximaal 15 000  km plaatsvinden. In het geval van beschadiging van een van de in punt 6.1.1.1 genoemde onderdelen, technische eenheden of systemen mag het onderdeel, de technische eenheid of het systeem worden vervangen door een gelijkwaardig(e) onderdeel, technische eenheid of systeem met hetzelfde certificeringsnummer. De vervanging wordt in het testrapport gedocumenteerd.

Alle relevante onderdelen, technische eenheden en systemen worden vóór de metingen gecontroleerd om abnormale omstandigheden uit te sluiten, zoals een verkeerd oliepeil, verstopte luchtfilters of waarschuwingen van het boorddiagnosesysteem.

6.1.3.   Opstelling van meetapparatuur

Alle meetsystemen worden gekalibreerd overeenkomstig de voorschriften van de fabrikant van de apparatuur. Als er geen voorschriften zijn, moeten de aanbevelingen van de fabrikant van de apparatuur voor de kalibratie worden gevolgd.

Na de inrijfase wordt het voertuig uitgerust met de in punt 5 beschreven meetsystemen.

6.1.4.   Opstelling van het testvoertuig voor de meting van het brandstofverbruik

6.1.4.1.   Voertuigconfiguratie

Trekkers van de in tabel 1 en tabel 2 van bijlage I gedefinieerde voertuiggroepen worden met om het even welk type oplegger getest, mits de hieronder gedefinieerde lading kan worden toegepast.

Enkelvoudige vrachtwagens van de in tabel 1 en tabel 2 van bijlage I gedefinieerde voertuiggroepen worden met een aanhangwagen getest, voor zover een aanhangwagenverbinding is gemonteerd. Elk carrosserietype of elke andere voorziening voor het dragen van de in punt 6.1.4.2 beschreven lading kan worden toegepast. De carrosserieën van enkelvoudige vrachtwagens kunnen afwijken van de in punt 2 van aanhangsel 4 van bijlage VIII vermelde standaardcarrosserieën.

Bestelwagens van de in tabel 2 van bijlage I gedefinieerde voertuiggroepen worden getest met de definitieve carrosserieën van het complete of voltooide voertuig.

6.1.4.2.   Lading van het voertuig

Voor zware vrachtwagens van de groepen 4 en hoger moet de lading van het voertuig ten minste overeenkomen met een massa die leidt tot een totaal testgewicht van 90 % van het maximale toegestane gewicht overeenkomstig Richtlijn 96/53/EG (*) voor het specifieke voertuig of de specifieke voertuigcombinatie.

Voor zware vrachtwagens van de groepen 1s, 1, 2 en 3, en middelzware vrachtwagens bevindt de lading zich in een bereik tussen 55 % en 75 % van het maximaal toegestane gewicht overeenkomstig Richtlijn 96/53/EG voor het specifieke voertuig of de specifieke voertuigcombinatie.

6.1.4.3.   Bandenspanning

De bandenspanning moet worden ingesteld overeenkomstig de aanbevelingen van de fabrikant, met een maximale afwijking van minder dan 10 %. De banden van de oplegger mogen afwijken van de standaardbanden die in tabel 2 van deel B van bijlage II bij Verordening (EG) nr. 661/2009 voor de CO2-certificering van banden worden beschreven.

6.1.4.4.   Instellingen voor hulpapparatuur

Alle instellingen die van invloed zijn op de energiebehoefte van de hulpapparatuur worden, waar van toepassing, op een zo laag mogelijk, maar redelijk energieverbruik ingesteld. De klimaatregeling moet uitgeschakeld zijn en de ontluchting van de cabine moet ingesteld zijn op een waarde die lager is dan de gemiddelde massastroom. Bijkomende energieverbruikers die niet nodig zijn om het voertuig te laten rijden, worden uitgeschakeld. Externe apparaten om aan boord energie te leveren, zoals externe accu’s, zijn alleen toegestaan voor de werking van de extra meetapparatuur voor de in tabel 2 vermelde controletestprocedure, maar mogen geen energie leveren aan de voertuigapparatuur die aanwezig zal zijn wanneer het voertuig in de handel wordt gebracht.

6.1.4.5.   Regeneratie van deeltjesfilters

Een regeneratie van deeltjesfilters wordt, indien van toepassing, vóór de controletest gestart. Punt 4.6.10 van bijlage II bij Verordening (EU) nr. 582/2011 is van toepassing.

6.1.5.   Controletest

6.1.5.1.   Trajectselectie

Het voor de controletest gekozen traject moet voldoen aan de in tabel 3 beschreven voorschriften. De trajecten kunnen zowel openbare als privéwegen omvatten.

6.1.5.2.   Voorconditionering van het voertuig

Er is geen andere voorconditionering dan de voorconditionering overeenkomstig punt 6.1.5.3 toegestaan.

6.1.5.3.   Opwarmen van het voertuig

Voordat met de meting van het brandstofverbruik wordt begonnen, moet het voertuig een opwarmfase doorlopen zoals aangegeven in tabel 3. De opwarmfase wordt bij de evaluatie van de controletest niet in aanmerking genomen.

Voordat met het opwarmen wordt begonnen, worden de analysatoren van het draagbare emissiemeetsysteem gecontroleerd en gekalibreerd volgens de procedures van aanhangsel 1 van bijlage II bij Verordening (EU) nr. 582/2011.

6.1.5.4.   Nulstelling van de koppelmeetapparatuur

De koppelmeters worden als volgt op nul gesteld:

— 
zet het voertuig stil;
— 
hef de wielen waarop het instrument is aangebracht van de grond zodat de wielen vrij kunnen draaien en er geen extern koppel op de koppelsensor wordt uitgeoefend;
— 
stel de aflezing van de versterker van de koppelmeters op nul. De nulstelling wordt in minder dan 20 minuten voltooid.

6.1.5.5.   Meting van het brandstofverbruik en registratie van de signalen voor de emissies van verontreinigende stoffen

De meting van het brandstofverbruik begint onmiddellijk na de nulstelling van de wielkoppelmeetapparatuur wanneer het voertuig stilstaat. Tijdens de meting wordt met het voertuig gereden in een rijstijl waarbij onnodig remmen van het voertuig, indrukken van het gaspedaal en agressief nemen van bochten worden vermeden. De geavanceerde rijhulpsystemen worden afgesteld op de stand die automatisch wordt geactiveerd bij het activeren van het contact, en het schakelen van de versnellingen wordt door het geautomatiseerde systeem uitgevoerd (in het geval van AMT- of APT-transmissies) en de snelheidsregelaar wordt gebruikt (indien van toepassing). De duur van de meting van het brandstofverbruik moet binnen de in tabel 3 aangegeven toleranties liggen. De meting van het brandstofverbruik wordt ook beëindigd wanneer het voertuig vlak voor de meting van het verloop van de koppelmeetapparatuur stilstaat.

De registratie van signalen die relevant zijn voor de evaluatie van verontreinigende emissies begint uiterlijk zodra de meting van het brandstofverbruik is begonnen en eindigt tegelijk met de meting van het brandstofverbruik.

Als input voor de simulatietool wordt de volledige testsequentie verstrekt, te beginnen met de laatste tijdstap van 0,5 s van de stilstandfase na de nulstelling van koppelmeters en eindigend met de eerste tijdstap van 0,5 s van de uiteindelijke stilstandfase.

6.1.5.6.   Meting van het verloop van de koppelmeetapparatuur

Onmiddellijk na de meting van het brandstofverbruik wordt het verloop van de koppelmeetapparatuur geregistreerd door het koppel te meten onder dezelfde voertuigvoorwaarden als tijdens de nulstelling. Indien de meting van het brandstofverbruik eindigt voordat de meting van het verloop wordt gestopt, wordt het voertuig ten behoeve van de meting van het verloop binnen 5 minuten tot stilstand gebracht. Het verloop van elke koppelmeter wordt berekend uit het gemiddelde van de minimumreeks van 10 seconden.

Onmiddellijk daarna wordt de controle van de emissiemetingen uitgevoerd overeenkomstig de procedures in punt 2.7 van aanhangsel 1 van bijlage II bij Verordening (EU) nr. 582/2011.

6.1.5.7.   Grensvoorwaarden voor de controletest

De grensvoorwaarden waaraan met het oog op een geldige controletest moet worden voldaan, worden vermeld in de tabellen 3 t/m 3b.

Als het voertuig de controletest overeenkomstig punt 7.3 doorstaat, wordt de test als geldig opgegeven, ook als niet aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

— 
waarden liggen lager dan de minimumwaarden voor de parameters nr. 1, 2, 6 en 9;
— 
waarden liggen hoger dan de maximumwaarden voor de parameters nr. 3, 4, 5, 7, 8, 10 en 12;
— 
waarden liggen hoger dan de maximumwaarden voor parameter nr. 7, als de totale testtijd die niet in stilstand wordt doorgebracht meer dan 80 minuten bedraagt.



Tabel 3

Parameters voor een geldige controletest voor alle voertuiggroepen

Nr.

Parameter

Min.

Max.

1

Opwarmfase [minuten]

60

 

2

Gemiddelde snelheid tijdens opwarmfase [km/h]

70 (1)

100

3

Duur van meting brandstofverbruik [minuten]

80

120

8

Gemiddelde omgevingstemperatuur

5 °C

30 °C

9

Wegomstandigheden: droog

100 %

 

10

Wegomstandigheden: sneeuw of ijs

 

0 %

11

Hoogte boven zeespiegel van traject [m]

 

800

12

Duur van continu stationair draaien bij stilstand [minuten]

 

3

(1)   

Als de maximumsnelheid van het voertuig lager is dan 80 km/h, moet de gemiddelde snelheid tijdens het opwarmen hoger zijn dan de maximumsnelheid van het voertuig min 10 km/h.



Tabel 3a

Parameters voor een geldige controletest voor de voertuiggroepen 4, 5, 9, 10

Nr.

Parameter

Min.

Max.

4

Afstand op basis van aandeel rit in de stad

2 %

8 %

5

Afstand op basis van aandeel rit op het platteland

7 %

13 %

6

Afstand op basis van aandeel rit op de snelweg

79 %

7

Tijd op basis van aandeel stationair draaien bij stilstand

 

5 %



Tabel 3b

Parameters voor een geldige controletest voor andere zware en middelzware vrachtwagens

Nr.

Parameter

Min.

Max.

4

Afstand op basis van aandeel rit in de stad

10 %

50 %

5

Afstand op basis van aandeel rit op het platteland

15 %

25 %

6

Afstand op basis van aandeel rit op de snelweg

25 %

7

Tijd op basis van aandeel stationair draaien bij stilstand

 

10 %

In geval van buitengewone verkeersomstandigheden wordt de controletest herhaald.

6.1.6.   Rapportage van gegevens

De tijdens de controletestprocedure geregistreerde gegevens worden als volgt gerapporteerd aan de goedkeuringsinstantie die de licentie voor het gebruik van de simulatietool heeft verleend:

de geregistreerde gegevens worden gerapporteerd in een constant signaal van 2 Hz zoals aangegeven in tabel 4. Gegevens die bij hogere frequenties dan 2 Hz worden geregistreerd, worden omgerekend naar 2 Hz door het gemiddelde te nemen van de intervallen rond de 2 Hz-knooppunten. In het geval van bv. een bemonstering bij 10 Hz wordt het eerste 2 Hz-knooppunt gedefinieerd door het gemiddelde van seconde 0,1 tot en met 0,5 en wordt het tweede knooppunt gedefinieerd door het gemiddelde van seconde 0,6 tot en met 1,0. Het tijdstempel voor elk knooppunt is het laatste tijdstempel per knooppunt, d.w.z. 0,5, 1,0, 1,5 enz.



Tabel 4

Formaat van de gegevensrapportage voor de gemeten gegevens voor de simulatietool bij de controletest

Grootheid

Eenheid

Kopregel inputgegevens

Opmerking

Tijdknooppunt

[s];

<t>

 

Voertuigsnelheid

[km/h]

<v>

 

Motortoerental

[min–1]

<n_eng>

 

Toerental koelventilator motor

[min–1]

<n_fan>

In het geval van niet-elektrisch aangedreven motorkoelventilatoren

Elektrisch vermogen koelventilator motor

[W]

<Pel_fan>

In het geval van elektrisch aangedreven motorkoelventilatoren

Koppel linkerwiel

[Nm]

<tq_wh_left>

 

Koppel rechterwiel

[Nm]

<tq_wh_right>

 

Toerental linkerwiel

[min–1]

<n_wh_left>

 

Toerental rechterwiel

[min–1]

<n_wh_right>

 

Versnelling

[-]

<gear>

Verplicht voor APT-transmissies

Koppelomvormer actief

[-]

<TC_active>

0 = niet actief (vergrendeld); 1 = actief (ontgrendeld); verplicht voor AT-transmissies, niet relevant voor andere transmissietypen

Brandstofdebiet

[g/h]

<fc_X>

Brandstofmassadebiet overeenkomstig punt 5.7 (1).

In de kopregel is „X” het brandstoftype overeenkomstig tabel 2 van aanhangsel 7 van bijlage V bij deze verordening, bijvoorbeeld „<fc_Diesel CI>”.

Bij dualfuelmotoren moet voor elke brandstof in een aparte kolom worden voorzien.

Motorkoppel

[Nm]

<tq_eng>

Motorkoppel overeenkomstig punt 5.10.

CH4-massastroom

[g/s]

<CH4>

Alleen als dit onderdeel moet worden gemeten overeenkomstig punt 1 van aanhangsel 1 van bijlage II bij Verordening (EU) nr. 582/2011.

CO-massastroom

[g/s]

<CO>

 

NMHC-massastroom

[g/s]

<NMHC>

Alleen als dit onderdeel moet worden gemeten overeenkomstig punt 1 van aanhangsel 1 van bijlage II bij Verordening (EU) nr. 582/2011.

NOx-massastroom

[g/s]

<NOx>

 

THC-massastroom

[g/s]

<THC>

Alleen als dit onderdeel moet worden gemeten overeenkomstig punt 1 van aanhangsel 1 van bijlage II bij Verordening (EU) nr. 582/2011.

Stroom deeltjesaantal

[#/s]

<PN>

 

CO2-massastroom

[g/s]

 

 

(1)   

De correctie van het brandstofdebiet naar standaard-NCV wordt automatisch uitgevoerd door de simulatietool op basis van de input van de onderste verbrandingswaarde (NCV) van de tijdens de controletest gebruikte brandstof overeenkomstig tabel 4a.

Bovendien moeten de in tabel 4a vermelde gegevens worden gerapporteerd. Deze gegevens worden bij de evaluatie van de controletestprocedure direct in de grafische gebruikersinterface van de simulatietool ingevoerd.



Tabel 4 a

Formaat van de gegevensrapportage voor verdere informatie voor de simulatietool bij de controletest

Grootheid

Eenheid

Opmerking

Gemeten onderste verbrandingswaarde

[MJ/kg]

Onderste verbrandingswaarde van de tijdens de controletest gebruikte brandstof, bepaald overeenkomstig punt 3.2 van bijlage V.

Deze input moet voor alle brandstoftypen worden verstrekt, d.w.z. ook voor dieselmotoren met compressieontsteking (1)

In geval van dualfuelmotoren moeten waarden voor beide brandstoffen worden verstrekt.

Inrijafstand

[km]

Overeenkomstig punt 6.1.2.

Op basis van deze input corrigeert de simulatietool het gemeten brandstofverbruik overeenkomstig aanhangsel 1.

Ventilatordiameter

[mm]

Diameter van de motorkoelventilator.

Deze input is niet relevant voor elektrisch aangedreven motorkoelventilatoren.

Verloop koppelmeter linkerwiel

[Nm]

Gemiddeld meetresultaat van de koppelmeter overeenkomstig punt 6.1.5.6

Verloop koppelmeter rechterwiel

[Nm]

(1)   

Tijdens de controletestprocedure mag het voertuig worden gebruikt met in de handel verkrijgbare dieselbrandstof. In tegenstelling tot referentiediesel (B7) wordt de variatie in de onderste verbrandingswaarde voor in de handel verkrijgbare brandstof groter geacht dan de meetnauwkeurigheid bij het bepalen van de onderste verbrandingswaarde.

7.   Evaluatie van de test

7.1.   Input voor simulatietool

(1) 

De volgende inputs worden ter beschikking gesteld van de simulatietool: inputgegevens en inputinformatie;

(2) 

gegevensdossier van de fabrikant;

(3) 

klanteninformatiedossier;

(4) 

verwerkte meetgegevens overeenkomstig tabel 4;

(5) 

verdere informatie overeenkomstig tabel 4a.

7.2.   Evaluatiestappen die door de simulatietool worden uitgevoerd

7.2.1.   Controle van het gegevensverwerkingsproces

De simulatietool maakt een nieuwe simulatie van de CO2-emissies en het brandstofverbruik op basis van de in punt 7.1 omschreven inputinformatie en inputgegevens en controleert de overeenkomstige resultaten in het gegevensdossier van de fabrikant en in het door de fabrikant verstrekte klanteninformatiedossier.

In geval van afwijkingen zijn de in artikel 23 bedoelde corrigerende maatregelen van toepassing.

7.2.2.   Bepaling van de CVTP-verhouding

Bij de evaluatie van de test worden de CO2-emissies tijdens de meting vergeleken met gesimuleerde CO2-emissies. Voor deze vergelijking berekent de simulatietool de verhouding tussen de gemeten en de gesimuleerde CO2-emissies op de testbank voor de totale voor de controletest relevante rit (CVTP) met de volgende vergelijking:

image

waarbij:

CVTP

=

verhouding tussen de gemeten en de gesimuleerde CO2-emissies tijdens de controletestprocedure („CVTP-verhouding”);

n

=

aantal brandstoffen (2 voor dualfuelmotoren, anders 1);

CO2i

=

generieke CO2-emissiefactor (gram CO2 per gram brandstof) voor het specifieke brandstoftype zoals ingevoerd in de simulatietool;

BSFCm-c

=

gemeten specifiek brandstofverbruik op de testbank, gecorrigeerd voor een inrijfase zoals berekend overeenkomstig punt 2 van deel A in aanhangsel 1 [g/kWh];

BSFCsim

=

specifiek brandstofverbruik op de testbank bepaald door de simulatietool overeenkomstig punt 3 van deel A in aanhangsel 1 [g/kWh].

7.3.   Doorslaggevende controle

Het voertuig doorstaat de controletest als de overeenkomstig punt 7.2.2 vastgestelde CVTP-verhouding gelijk is aan of kleiner is dan de in tabel 5 vastgestelde tolerantie.

Voor een vergelijking met de opgegeven CO2-emissies van het voertuig overeenkomstig artikel 9 worden de gecontroleerde CO2-emissies van het voertuig als volgt bepaald:

CO2verified = CVTP × CO2declared

waarbij:

CO2verified

=

gecontroleerde CO2-emissies van het voertuig in [g/t-km];

CO2declared

=

opgegeven CO2-emissies van het voertuig in [g/t-km].

Indien een eerste voertuig de toleranties voor CVTP niet haalt, mogen op verzoek van de voertuigfabrikant twee extra tests op hetzelfde voertuig worden uitgevoerd of mogen twee andere soortgelijke voertuigen worden getest. Voor de evaluatie van het in tabel 5 beschreven doorslaggevend criterium worden de gemiddelden van de individuele CVTP-verhoudingen van de maximaal drie tests gebruikt. Als niet aan het doorslaggevend criterium wordt voldaan, doorstaat het voertuig de controletestprocedure niet.



Tabel 5

Doorslaggevend criterium voor de controletest

Doorslaggevend criterium voor de controletestprocedure

CVTP-verhouding ≤ 1,075

Als CVTP lager is dan 0,925 moeten de resultaten aan de Commissie worden gemeld voor verdere analyse om de oorzaak vast te stellen.

8   Rapportageprocedures

Het testrapport wordt voor elk getest voertuig door de voertuigfabrikant opgesteld en bevat ten minste de volgende resultaten van de controletest:

8.1. Algemeen

8.1.1. Naam en adres van de fabrikant van het voertuig

8.1.2. Adres van de assemblagefabriek(en)

8.1.3. Naam, adres, telefoon- en faxnummer en e-mailadres van de vertegenwoordiger van de voertuigfabrikant

8.1.4. Type en handelsbenaming

8.1.5. Selectiecriteria voor het voertuig en voor CO2-relevante onderdelen (tekst)

8.1.6. Eigenaar van het voertuig

8.1.7. Afgelezen kilometerstand bij het begin van de test voor de meting van het brandstofverbruik (in km)

8.2. Voertuiginformatie

8.2.1. Voertuigmodel / Handelsbenaming

8.2.2. Voertuigidentificatienummer (VIN)

8.2.2.1. Het voertuigidentificatienummer (VIN) van het eerst geteste voertuig, indien de test is uitgevoerd nadat bij de eerste voertuigtest de in punt 7.3 bedoelde toleranties niet werden gehaald

8.2.3. Voertuigcategorie (N2, N3)

8.2.4. Assenconfiguratie

8.2.5. Technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand (t)

8.2.6. Voertuiggroep

8.2.7. Gecorrigeerde feitelijke massa van het voertuig (kg)

8.2.8. Cryptografische hash van het gegevensdossier van de fabrikant

8.2.9. Gecombineerd brutogewicht van de voertuigcombinatie in de controletest (kg)

8.2.10. Massa in rijklare toestand

8.3. Voornaamste motorspecificaties

8.3.1. Motormodel

8.3.2. Motorcertificeringsnummer

8.3.3. Nominaal motorvermogen (kW)

8.3.4. Cilinderinhoud (l)

8.3.5. Referentiebrandstoftype van de motor (diesel/lpg/cng…)

8.3.6. Hash van bestand/document van brandstofdiagram

8.4. Voornaamste transmissiespecificaties

8.4.1. Transmissiemodel

8.4.2. Transmissiecertificeringsnummer

8.4.3. Hoofdoptie die gebruikt is voor het genereren van de verliesdiagrammen (optie 1/optie 2/optie 3/standaardwaarden)

8.4.4. Type transmissie

8.4.5. Aantal versnellingen

8.4.6. Eindoverbrengingsverhouding

8.4.7. Retardertype

8.4.8. Krachtafnemer (ja/neen)

8.4.9. Hash van bestand/document van efficiëntiediagram

8.5. Voornaamste retarderspecificaties

8.5.1. Model van retarder

8.5.2. Certificeringsnummer van retarder

8.5.3. Toegepaste certificeringsoptie om een verliesdiagram te genereren (standaardwaarden/meting)

8.5.4. Hash van bestand/document van retarderefficiëntiediagram

8.6. Koppelomvormerspecificatie

8.6.1. Model van koppelomvormer

8.6.2. Certificeringsnummer van koppelomvormer

8.6.3. Toegepaste certificeringsoptie om een verliesdiagram te genereren (standaardwaarden/meting)

8.6.4. Hash van bestand/document van efficiëntiediagram

8.7. Specificaties van haakse overbrenging

8.7.1. Model van haakse overbrenging

8.7.2. Ascertificeringsnummer

8.7.3. Toegepaste certificeringsoptie om een verliesdiagram te genereren (standaardwaarden/meting)

8.7.4. Verhouding haakse overbrenging

8.7.5. Hash van bestand/document van efficiëntiediagram

8.8. Asspecificaties

8.8.1. Asmodel

8.8.2. Ascertificeringsnummer

8.8.3. Toegepaste certificeringsoptie om een verliesdiagram te genereren (standaardwaarden/meting)

8.8.4. Astype (bv. standaard enkelvoudig aangedreven as)

8.8.5. Asverhouding

8.8.6. Hash van bestand/document van efficiëntiediagram

8.9. Aerodynamica

8.9.1. Model

8.9.2. Toegepaste certificeringsoptie om Cd × A te berekenen (standaardwaarde/meting)

8.9.3. Cd × A-certificeringsnummer (indien van toepassing)

8.9.4. Cd × A-waarde

8.9.5. Hash van bestand/document van efficiëntiediagram

8.10. Voornaamste bandspecificaties

8.10.1. Bandcertificeringsnummer op alle assen

8.10.2. Specifieke rolweerstandscoëfficiënt van alle banden op alle assen

8.11. Voornaamste aanvullende specificaties

8.11.1. Ventilatortechnologie voor motorkoeling

8.11.1.1. Diameter motorkoelventilator

8.11.2. Stuurpomptechnologie

8.11.3. Technologie elektrisch systeem

8.11.4. Technologie pneumatisch systeem

8.12. Testomstandigheden

8.12.1. Feitelijke massa van het voertuig voor controletestprocedure (kg)

8.12.2. Feitelijke massa van het voertuig voor VTP met lading (kg)

8.12.3. Opwarmfase (minuten)

8.12.4. Gemiddelde snelheid tijdens opwarmfase (km/h)

8.12.5. Duur van de meting van het brandstofverbruik (minuten)

8.12.6. Afstand op basis van aandeel van de rit in de stad (%)

8.12.7. Afstand op basis van aandeel van de rit op het platteland (%)

8.12.8. Afstand op basis van aandeel van de rit op de snelweg (%)

8.12.9. Tijd op basis van aandeel van stationair draaien bij stilstand (%)

8.12.10. Gemiddelde omgevingstemperatuur (°C)

8.12.11. Wegomstandigheden (droog, nat, sneeuw, ijs; indien andere, specificeren)

8.12.12. Maximale hoogte boven de zeespiegel van het traject (m)

8.12.13. Maximale duur van continu stationair draaien bij stilstand (minuten)

8.13. Resultaten van de controletest

8.13.1. Gemiddeld ventilatorvermogen, door de simulatietool berekend voor de controletest (kW)

8.13.2. Positieve wielarbeid tijdens de controletest, berekend door de simulatietool (kWh)

8.13.3. Gemeten positieve wielarbeid tijdens de controletest (kWh)

8.13.4. NCV van de voor de controletest gebruikte brandstof(fen) in (MJ/kg)

8.13.5. Gemeten brandstofverbruikwaarde(n) in de controletest (g/kWh)

8.13.5.1. Gemeten CO2-emissiewaarde(n) in de controletest (g/kWh)

8.13.6. Gemeten brandstofverbruikwaarde(n) in de controletest, gecorrigeerd (g/kWh)

8.13.6.1. Gemeten CO2-emissiewaarde(n) in de controletest, gecorrigeerd (g/kWh)

8.13.7. Gesimuleerde brandstofverbruikwaarde(n) in de controletest (g/kWh)

8.13.7.1. Gesimuleerde CO2-emissiewaarde(n) in de controletest (g/kWh)

8.13.8. Gesimuleerd brandstofverbruik in de controletest (g/kWh)

8.13.8.1. Gesimuleerde CO2-emissie in de controletest (g/kWh)

8.13.9. Opdrachtprofiel (lange afstanden / lange afstanden (EMS) / regionaal / regionaal (EMS) / stedelijk / gemeentelijk / bouw)

8.13.10. Gecontroleerde CO2-emissies van het voertuig in (g/tkm)

8.13.11. Opgegeven CO2-emissies van het voertuig in (g/tkm)

8.13.12. Verhouding van het in de controletestprocedure gemeten en gesimuleerde brandstofverbruik (CVPT) in (-)

8.13.13. Controletest doorstaan (ja/nee)

8.13.14. Verontreinigende emissies in de controletest

8.13.14.1. CO (mg/kWh)

8.13.14.2. THC (**) (mg/kWh)

8.13.14.3. NMHC (***) (mg/kWh)

8.13.14.4. CH4 (***) (mg/kWh)

8.13.14.5. NOx (mg/kWh)

8.13.14.6. Deeltjesaantal (#/kWh)

8.13.14.7. Positieve motorarbeid (kWh)

8.14. Software- en gebruikersinformatie

8.14.1. Versie van de simulatietool (X.X.X)

8.14.2. Datum en tijdstip van de simulatie

8.15. Input voor de simulatietool overeenkomstig punt 7.1.

8.16. Outputgegevens van de simulatie

8.16.1. Geaggregeerde simulatieresultaten

Het kommagescheiden bestand (CSV-bestand) met dezelfde naam als het taakbestand en met de extensie „.vsum” bevat de geaggregeerde resultaten van de gesimuleerde controletest en is door de simulatietool via de grafische gebruikersinterfaceversie (GUI) gegenereerd („sum exec data file”).

8.16.2. Tijdsgeresolveerde simulatieresultaten

Het kommagescheiden bestand (CSV-bestand) met een naam waarin het VIN en de naam van het meetgegevensbestand zijn opgenomen, en met de extensie „.vmod” bevat de tijdsgeresolveerde resultaten van de gesimuleerde controletest en is door de simulatietool via de grafische gebruikersinterfaceversie (GUI) gegenereerd („mod data file”).




Aanhangsel 1

Belangrijkste beoordelingsstappen en vergelijkingen zoals uitgevoerd door de simulatietool in een simulatie van de controletestprocedure

In dit aanhangsel worden de belangrijkste evaluatiestappen en onderliggende basisvergelijkingen beschreven die door de simulatietool worden toegepast tijdens een simulatie van de controletestprocedure.

DEEL A: Bepaling van de CVTP-factor

Om de in punt 7.2.2 beschreven CVTP-factor te bepalen, worden de hieronder beschreven berekeningsprocedures toegepast:

1. 

Berekening van het wielvermogen

De uit de verwerkte meetgegevens afgelezen koppelgegevens overeenkomstig tabel 4 worden als volgt gecorrigeerd voor het verloop van de koppelmeter:

image

waarbij:

i

=

index voor linker- en rechterwiel van de aangedreven as;

Tcorr

=

verloopcorrectie van koppelsignaal [Nm];

T

=

koppelsignaal vóór verloopcorrectie [Nm];

Tdrift

=

verloop van de koppelmeter zoals vastgelegd tijdens de controle van het verloop aan het eind van de controletest [Nm];

t

=

tijdknooppunt [s];

tstart

=

eerste tijdstempel in de verwerkte meetgegevens overeenkomstig tabel 4 [s];

tend

=

laatste tijdstempel in de verwerkte meetgegevens overeenkomstig tabel 4 [s].

Het wielvermogen wordt als volgt berekend op basis van het gecorrigeerde wielkoppel en toerental van het wiel:

image

waarbij:

i

=

index voor linker- en rechterwiel van de aangedreven as;

t

=

tijdknooppunt [s];

Pwheel

=

wielvermogen [kW];

nwheel

=

wieltoerental [min–1];

Tcorr

=

verloopcorrectie van koppelsignaal [Nm];

Het totale wielvermogen wordt vervolgens berekend als de som van het wielvermogen van het linker- en rechterwiel:

image

2. 

Bepaling van het gemeten specifieke brandstofverbruik op de testbank (FCm-c)

Het resultaat voor „gemeten specifieke brandstofverbruik op de testbank, gecorrigeerd voor een inrijfase” (BSFCm-c), zoals gevraagd in punt 7.2.2, wordt als volgt door de simulatietool berekend.

In een eerste stap wordt de ruwe waarde (BSFCm) voor het gemeten specifieke brandstofverbruik op de testbank tijdens de controletest als volgt berekend:

image

waarbij:

BSFCm

=

ruwe waarde voor gemeten specifiek brandstofverbruik op de testbank tijdens de controletest [g/kWh];

FCm (t)

=

tijdens de controletest gemeten momentaan brandstofmassadebiet [g/s];

Δt

=

duur van het tijdsinterval = 0,5 [s];

Wwheel,pos,m

=

tijdens de controletest gemeten positieve wielarbeid [kWh]

image

In een tweede stap wordt BSFCm gecorrigeerd voor de onderste verbrandingswaarde (NCV) van de in de controletest gebruikte brandstof, wat resulteert in BSFCm,corr:

image

waarbij:

BSFCm,corr

=

waarde voor gemeten specifiek brandstofverbruik op de testbank tijdens de controletest, gecorrigeerd voor NCV-invloeden [g/kWh];

NCVmeas

=

onderste verbrandingswaarde van de tijdens de controletest gebruikte brandstof, bepaald overeenkomstig punt 3.2 van bijlage V [MJ/kg];

NCVstd

=

standaard-NCV overeenkomstig tabel 5 in punt 5.4.3.1 van bijlage V [MJ/kg].

Deze correctie wordt toegepast voor alle brandstoftypen, dus ook voor dieselmotoren met compressieontsteking (zie voetnoot 2 in tabel 4a).

In een derde stap wordt de correctie voor een inrijfase toegepast:

image

waarbij:

BSFCm-c

=

gemeten specifiek brandstofverbruik op de testbank, gecorrigeerd voor een inrijfase;

ef

=

evolutiecoëfficiënt van 0,98;

mileage

=

inrijafstand [km].

Voor dualfuelvoertuigen worden de drie evaluatiestappen afzonderlijk uitgevoerd voor beide brandstoffen.

3. 

Bepaling van het door de simulatietool gesimuleerde specifieke brandstofverbruik op de testbank (BSFCsim)

In de controletestmodus van de simulatietool wordt het gemeten wielvermogen toegepast als input voor het achterwaartse simulatiealgoritme. De tijdens de controletest ingeschakelde versnellingen worden bepaald door de motortoerentallen per versnelling bij de gemeten voertuigsnelheid te berekenen en de versnelling te kiezen die het motortoerental oplevert dat het dichtst bij het gemeten motortoerental ligt. Voor APT-transmissies wordt tijdens fasen met actieve koppelomvormer het werkelijke versnellingssignaal van de meting gebruikt.

De verliesmodellen voor asoverbrenging, haakse overbrenging, retarders, transmissies en PTO’s worden op dezelfde wijze toegepast als in de opgavemodus van de simulatietool.

Voor het vermogensverbruik van hulpapparatuur met betrekking tot de stuurpomp en het pneumatische, elektrische en HVAC-systeem worden de generieke waarden toegepast zoals die voor elke technologie in de simulatietool zijn ingevoerd. Voor de berekening van het vermogensverbruik van de motorkoelventilator worden de volgende formules toegepast:

geval a) niet-elektrisch aangedreven motorkoelventilatoren:

image

waarbij:

Pfan

=

vermogensverbruik motorkoelventilator [kW];

t

=

tijdknooppunt [s];

nfan

=

gemeten toerental van de ventilator [min–1];

Dfan

=

diameter van de ventilator [mm];

C1

=

7,32 kW;

C2

=

1 200 min–1;

C3

=

810 mm;

geval b) elektrisch aangedreven motorkoelventilatoren:

Pfan(t) = P el(t)  . 1,05

Pfan

=

vermogensverbruik motorkoelventilator [kW];

t

=

tijdknooppunt [s];

Pel

=

elektrisch vermogen aan de aansluitpunten van de motorkoelventilator(en), gemeten overeenkomstig punt 5.6.1.

Bij voertuigen waarvan de motor tijdens de controletest wordt gestopt en gestart, worden voor het vermogensverbruik van hulpapparatuur en voor de energie om de motor opnieuw te starten soortgelijke correcties toegepast als die welke in de opgavemodus van de simulatietool worden toegepast.

De simulatie van het momentane brandstofverbruik van de motor FCsim(t) wordt voor elk tijdsinterval van 0,5 seconde als volgt uitgevoerd:

— 
interpolatie van het brandstofdiagram van de motor aan de hand van het gemeten motortoerental en het resulterende motorkoppel op basis van de achterwaartse berekening, met inbegrip van de rotatie-inertie van de motor, berekend aan de hand van het gemeten motortoerental;
— 
het hierboven bepaalde vereiste motorkoppel is beperkt tot de gecertificeerde capaciteiten van de motor bij vollast. Voor die tijdsintervallen wordt het wielvermogen in de achterwaartse simulatie dienovereenkomstig verminderd. Bij de berekening van BSFCsim, zoals hieronder uiteengezet, worden deze gesimuleerde wielvermogensgegevens (Pwheel,sim(t)) in aanmerking genomen;
— 
er wordt een WHTC-correctiefactor toegepast die overeenkomt met de toewijzing stad, platteland en snelweg op basis van de definities in punt 2, 8), tot en met punt 2, 10), en de gemeten voertuigsnelheid.

Het door de simulatietool berekende specifieke brandstofverbruik op de testbank BSFCm-c, zoals toegepast in punt 7.2.2 voor de berekening van de CVTP-factor, wordt als volgt berekend:

image

waarbij:

BSFCsim

=

specifiek brandstofverbruik op de testbank zoals bepaald door de simulatietool voor de controletest [g/kWh];

t

=

tijdknooppunt [s];

FCsim

=

momentaan brandstofverbruik van de motor [g/s];

Δt

=

duur van het tijdsinterval = 0,5 [s];

FCESS,corr

=

correctie van het brandstofverbruik met betrekking tot het vermogensverbruik van hulpapparatuur als gevolg van het stoppen van de motor (ESS), zoals toegepast in de opgavemodus van de simulatietool [g];

Wwheel,pos,sim

=

positieve wielarbeid zoals bepaald door de simulatietool voor de controletest [kWh];

image

fs

=

simulatiefrequentie = 2 [Hz];

Pwheel,sim

=

gesimuleerd wielvermogen voor de controletest [kW].

In het geval van dualfuelmotoren wordt de BSFCsim voor beide brandstoffen afzonderlijk bepaald.

DEEL B: Bepaling van de specifieke verontreinigende emissies op de testbank

Het motorvermogen wordt als volgt berekend uit de gemeten signalen voor motortoerental en motorkoppel:

image

waarbij:

Peng,m

=

gemeten motorkoppel in de controletest [kW];

t

=

tijdknooppunt [s];

neng

=

gemeten motortoerental [min–1];

Teng

=

gemeten motorkoppel [Nm].

De tijdens de controletest gemeten positieve motorarbeid wordt als volgt berekend:

image

Weng,pos,m

=

tijdens de controletest gemeten positieve motorarbeid [kWh];

fs

=

bemonsteringsfrequentie = 2 [Hz];

tstart

=

eerste tijdstempel in de verwerkte meetgegevens overeenkomstig tabel 4 [s];

tend

=

laatste tijdstempel in de verwerkte meetgegevens overeenkomstig tabel 4 [s].

De tijdens de controletest gemeten specifieke verontreinigende emissies op de testbank BSEM worden als volgt berekend:

image

waarbij:

BSEM

=

tijdens de controletest gemeten specifieke verontreinigende emissies op de testbank [g/kWh];

EM

=

tijdens de controletest gemeten momentaan debiet van verontreinigende emissies [g/s].

(*) Richtlijn 96/53/EG van de Raad van 25 juli 1996 houdende vaststelling, voor bepaalde aan het verkeer binnen de Gemeenschap deelnemende wegvoertuigen, van de in het nationale en het internationale verkeer maximaal toegestane afmetingen, en van de in het internationale verkeer maximaal toegestane gewichten (PB L 235 van 17.9.1996, blz. 59).

(**) Alleen als dit onderdeel moet worden gemeten overeenkomstig punt 1 van aanhangsel 1 van bijlage II bij Verordening (EU) nr. 582/2011.

(***) Voor elektrischeontstekingsmotoren.

▼M3




BIJLAGE X ter

CERTIFICERING VAN ONDERDELEN VAN DE ELEKTRISCHE AANDRIJFLIJN

1.   Inleiding

De in deze bijlage beschreven testprocedures voor onderdelen leveren de inputgegevens voor de simulatietool betreffende elektrische-machinesystemen, IEPC, IHPC van type 1, accusystemen en condensatorsystemen op.

2.   Definities en afkortingen

Voor de toepassing van deze bijlage wordt verstaan onder:

(1) 

„accuregeleenheid” of „BCU”: een elektronische voorziening die de elektrische en thermische functies van het accusysteem regelt, beheert, detecteert of berekent, en die zorgt voor de communicatie tussen het accusysteem of het accupack of een deel van een accupack en andere regeleenheden van het voertuig;

(2) 

„accupack”: een REESS (oplaadbaar opslagsysteem voor elektrische energie) dat secundaire cellen of secundairecelsamenstellen omvat die gewoonlijk zijn verbonden met celelektronica, voedingsschakelingen en een overstroomuitschakeling, met inbegrip van elektrische verbindingen en interfaces voor externe systemen (voorbeelden van externe systemen zijn systemen voor thermische conditionering, hoogspannings- en laagspanningshulpsystemen en communicatiesystemen);

(3) 

„accusysteem”: een REESS dat bestaat uit secundairecelsamenstellen of accupacks, alsook uit elektrische circuits, elektronica, interfaces voor externe systemen (bv. systeem voor thermische conditionering), BCU’s en schakelaars;

(4) 

„representatief accusubsysteem”: een subsysteem van een accusysteem dat bestaat uit ofwel secundairecelsamenstellen ofwel accupacks, in serie en/of parallel geschakeld met elektrische circuits, systeeminterfaces voor thermische conditionering, regeleenheden en celelektronica;

(5) 

„cel”: een functionele basiseenheid van een accu, bestaande uit een samenstel van elektroden, elektrolyt, houder, aansluitpunten en gewoonlijk scheidingselementen, die een bron van elektrische energie is die wordt verkregen door directe omzetting van chemische energie;

(6) 

„celelektronica”: een elektronische voorziening die thermische of elektrische gegevens van cellen of celsamenstellen of condensatoren of condensatorsamenstellen verzamelt en eventueel bewaakt, en die elektronica bevat om cellen of condensatoren uit te balanceren indien nodig;

(7) 

„secundaire cel”: een cel die is ontworpen om elektrisch te worden opgeladen door middel van een omkeerbare chemische reactie;

(8) 

„condensator”: een voorziening voor de opslag van elektrische energie, tot stand gebracht door de effecten van elektrostatische dubbellaagse capaciteit en elektrochemische pseudocapaciteit in een elektrochemische cel;

(9) 

„condensatorcel”: een functionele basiseenheid van een condensator, bestaande uit een samenstel van elektroden, elektrolyt, houder, aansluitpunten en gewoonlijk scheidingselementen;

(10) 

„condensatorregeleenheid” of „CCU”: een elektronische voorziening die de elektrische en thermische functies van het condensatorsysteem regelt, beheert, detecteert of berekent, en die zorgt voor de communicatie tussen het condensatorsysteem of het condensatorpack of een deel van een condensatorpack en andere regeleenheden van het voertuig;

(11) 

„condensatorpack”: een REESS dat condensatorcellen of condensatorsamenstellen omvat die gewoonlijk zijn verbonden met condensatorcelelektronica, voedingsschakelingen en een overstroomuitschakeling, met inbegrip van elektrische verbindingen, interfaces voor externe systemen en CCU’s. Voorbeelden van externe systemen zijn systemen voor thermische conditionering, hoogspannings- en laagspanningshulpsystemen en communicatiesystemen;

(12) 

„condensatorsysteem”: een REESS met condensatorcellen of condensatorsamenstellen of condensatorpack(s), alsook met elektrische circuits, elektronica, interfaces voor externe systemen (bv. systeem voor thermische conditionering), CCU’s en schakelaars;

(13) 

„representatief condensatorsubsysteem”: een subsysteem van een condensatorsysteem dat bestaat uit ofwel condensatorsamenstellen ofwel condensatorpack(s), in serie en/of parallel geschakeld met elektrische circuits, systeeminterfaces voor thermische conditionering, regeleenheden en condensatorcelelektronica;

(14) 

„nC”: de stroomsterkte gelijk aan n keer de ontlaadcapaciteit gedurende één uur, uitgedrukt in ampère (d.w.z. de stroomsterkte die 1/n uur nodig heeft om de testvoorziening volledig op te laden of te ontladen op basis van de nominale capaciteit);

(15) 

„continuvariabele transmissie” of „CVT”: een automatische transmissie die naadloos kan schakelen in een traploos bereik van overbrengingsverhoudingen;

(16) 

„differentieel”: een voorziening die een koppel in twee takken verdeelt, bijvoorbeeld voor het linker- en het rechterwiel, waarbij deze takken met ongelijke snelheid kunnen draaien. De functie om het koppel te verdelen kan worden beïnvloed of uitgeschakeld door een differentieelrem of differentieelblokkering (indien van toepassing);

(17) 

„differentieelverhouding”: de verhouding tussen de ingangssnelheid van het differentieel (naar de primaire aandrijfenergieomzetter) en de uitgangssnelheid van het differentieel (naar de aangedreven wielen), wanneer beide uitgaande aandrijfassen van het differentieel met hetzelfde toerental draaien;

(18) 

„aandrijving”: de met elkaar verbonden elementen van de aandrijflijn voor de overbrenging van de mechanische energie tussen de aandrijfenergieomzetter(s) en de wielen.

(19) 

„elektische machine” (EM): een energieomzetter die elektrische energie omzet in mechanische energie en omgekeerd;

(20) 

„elektrische-machinesysteem”: een combinatie van onderdelen van de elektrische aandrijflijn zoals geïnstalleerd in het voertuig, bestaande uit een elektrische machine, een omzetter en een of meerdere elektronische regeleenheden, met inbegrip van verbindingen en interfaces voor externe systemen;

(21) 

„type elektrische machine”: a) een asynchrone motor (ASM), b) een bekrachtigde synchrone motor (ESM), c) een synchrone motor met permanente magneet (PSM), of d) een reluctantiemotor (RM);

(22) 

„ASM”: een asynchroon type elektrische machine waarbij de voor de opwekking van het koppel benodigde elektrische stroom in de rotor wordt opgewekt door elektromagnetische inductie van het magnetische veld van de statorwikkeling;

(23) 

„ESM”: een bekrachtigd synchroon type elektrische machine met meerfasige AC-elektromagneten op de stator die een magnetisch veld creëren dat draait naargelang van de oscillaties van de netstroom. Voor de bekrachtiging moet de rotor met gelijkstroom worden gevoed;

(24) 

„PSM”: een synchroon type elektrische machine met permanente magneet, met meerfasige AC-elektromagneten op de stator die een magnetisch veld creëren dat draait naargelang van de oscillaties van de netstroom. Permanente magneten in de stalen rotor creëren een constant magnetisch veld;

(25) 

„RM”: een reluctantiemotor, een type elektrische machine met meerfasige AC-elektromagneten op de stator die een magnetisch veld creëren dat draait naargelang van de oscillaties van de netstroom. De motor induceert niet-permanente magnetische polen op de ferromagnetische rotor die geen wikkelingen heeft. Het koppel wordt gegenereerd door magnetische reluctantie;

(26) 

„behuizing”: een geïntegreerd en structureel deel van het onderdeel dat de interne units omhult en beveiliging biedt tegen direct contact uit gelijk welke richting;

(27) 

„energieomzetter”: een systeem waarin de vorm van de energie-output verschilt van de vorm van de energie-input.

(28) 

„aandrijfenergieomzetter”: een energieomzetter van de aandrijflijn die geen perifere voorziening is en waarvan de energie-output direct of indirect wordt gebruikt voor de aandrijving van het voertuig.

(29) 

„categorie aandrijfenergieomzetter”: i) een verbrandingsmotor, ii) een elektrische machine, of iii) een brandstofcel;

(30) 

„energieopslagsysteem”: een systeem dat energie opslaat en die energie afgeeft in dezelfde vorm als de inputenergie;

(31) 

„opslagsysteem voor aandrijfenergie”: een energieopslagsysteem van de aandrijflijn dat geen perifere voorziening is en waarvan de energie-output direct of indirect wordt gebruikt voor de aandrijving van het voertuig.

(32) 

„categorie opslagsysteem voor aandrijfenergie”: i) een brandstofopslagsysteem, ii) een oplaadbaar opslagsysteem voor elektrische energie (REESS), of iii) een oplaadbaar opslagsysteem voor mechanische energie;

(33) 

„vorm van energie”: i) elektrische energie, ii) mechanische energie, of iii) chemische energie (met inbegrip van brandstoffen);

(34) 

„brandstofopslagsysteem”: een opslagsysteem voor aandrijfenergie dat chemische energie als vloeibare of gasvormige brandstof opslaat.

(35) 

„versnellingsbak”: een voorziening die het koppel en de snelheid wijzigt met vaste verhoudingen voor elke versnelling en die ook de functionaliteit van versnellingen waartussen kan worden geschakeld kan omvatten;

(36) 

„versnellingsnummer”: een aanduiding voor de verschillende versnellingen waartussen kan worden geschakeld voor voorwaartse verplaatsing in een transmissie met specifieke overbrengingsverhoudingen; de versnelling met de hoogste overbrengingsverhouding krijgt het nummer 1; het identificatienummer wordt met 1 verhoogd voor elke versnelling in aflopende volgorde van overbrengingsverhouding;

(37) 

„overbrengingsverhouding”: voorwaartse versnellingsverhouding tussen het toerental van de ingaande aandrijfas (naar de primaire aandrijfenergieomzetter) en het toerental van de uitgaande aandrijfas (naar de aangedreven wielen) zonder slip;

(38) 

„accusysteem met hoge energie” of „HEBS”: een accusysteem of representatief accusubsysteem waarvoor de getalverhouding tussen de maximale ontlaadstroom in A, opgegeven door de onderdeelfabrikant bij een laadniveau van 50 % overeenkomstig punt 5.4.2.3.2, en het nominale elektrische laadvermogen in Ah bij een ontlaadsnelheid van 1 C bij kamertemperatuur, kleiner is dan 10;

(39) 

„accusysteem met hoog vermogen” of „HPBS”: een accusysteem of representatief accusubsysteem waarvoor de getalverhouding tussen de maximale ontlaadstroom in A, opgegeven door de onderdeelfabrikant bij een laadniveau van 50 % overeenkomstig punt 5.4.2.3.2, en het nominale elektrische laadvermogen in Ah bij een ontlaadsnelheid van 1 C bij kamertemperatuur, gelijk is aan of hoger is dan 10;

(40) 

„geïntegreerde elektrische aandrijflijncomponent” of „IEPC”: een gecombineerd systeem van een elektrische-machinesysteem samen met de functionaliteit van een versnellingsbak met hetzij één of meerdere versnellingen, hetzij een differentieel, of beide, met ten minste een van de volgende kenmerken:

— 
gemeenschappelijke behuizing van ten minste twee onderdelen;
— 
gemeenschappelijk smeersysteem van ten minste twee onderdelen;
— 
gemeenschappelijk koelcircuit van ten minste twee onderdelen;
— 
gemeenschappelijke elektrische aansluiting van ten minste twee onderdelen.

Voorts moet een IEPC aan de volgende criteria voldoen:

— 
de component heeft alleen uitgaande aandrijfas(sen) naar de aangedreven wielen van het voertuig en geen ingaande aandrijfas(sen) om voortstuwingskoppel in het systeem in te brengen;
— 
als meer dan één elektrische-machinesysteem deel uitmaakt van de IEPC, moeten alle elektrische machines op één DC-voedingsbron worden aangesloten voor alle overeenkomstig deze bijlage verrichte tests;
— 
als de functionaliteit van een versnellingsbak met meerdere versnellingen is opgenomen, mogen er alleen discrete versnellingsstappen zijn;
(41) 

„wielmotor van het IEPC-type”: een IEPC met hetzij één uitgaande aandrijfas, hetzij twee uitgaande aandrijfassen die direct met de wielnaaf of wielnaven zijn verbonden en waarbij voor de toepassing van deze bijlage twee configuraties worden onderscheiden:

— 
Configuratie „L”: in het geval van één uitgaande aandrijfas is hetzelfde onderdeel tweemaal symmetrisch geïnstalleerd (d.w.z. één aan de linker- en één aan de rechterkant van het voertuig op dezelfde wielpositie in de lengterichting);
— 
Configuratie „T”: in het geval van twee uitgaande aandrijfsassen is slechts één onderdeel geïnstalleerd, waarbij de ene uitgaande aandrijfas aan de linkerzijde en de andere uitgaande aandrijfas aan de rechterzijde van het voertuig wordt verbonden met dezelfde wielpositie in de lengterichting;
(42) 

„geïntegreerde hybride elektrische aandrijfcomponent van type 1” of „IHPC Type 1”: een gecombineerd systeem van meerdere elektrische-machinesystemen samen met de functionaliteit van een versnellingsbak met meerdere versnellingen, gekenmerkt door een gemeenschappelijke behuizing van alle onderdelen en met ten minste één van de volgende kenmerken:

— 
gemeenschappelijk smeersysteem van ten minste twee onderdelen;
— 
gemeenschappelijk koelcircuit van ten minste twee onderdelen;
— 
gemeenschappelijke elektrische aansluiting van ten minste twee onderdelen.

Voorts moet een IHPC van type 1 aan de volgende criteria voldoen:

— 
de component heeft slechts één ingaande aandrijfas om het voortstuwingskoppel in het systeem te brengen en slechts één uitgaande aandrijfas naar de aangedreven wielen van het voertuig;
— 
voor alle overeenkomstig deze bijlage verrichte tests mogen alleen discrete versnellingsstappen worden gebruikt;
— 
de werking van de aandrijflijn als parallelhybride moet mogelijk zijn (ten minste in één specifieke modus die wordt gebruikt voor alle overeenkomstig deze bijlage verrichte tests);
— 
de component kan worden getest in de transmissietest overeenkomstig bijlage VI met de elektrische stroomvoorziening losgekoppeld overeenkomstig punt 4.4.1.2, b);
— 
alle elektrische machines moeten voor alle overeenkomstig deze bijlage verrichte tests op één DC-voedingsbron worden aangesloten;
— 
het versnellingsbakgedeelte in de IHPC van type 1 mag bij geen van de overeenkomstig deze bijlage verrichte tests als continuvariabele transmissie werken;
— 
de IHPC van type 1 mag geen hydrodynamische koppelomvormer bevatten;
(43) 

„interne verbrandingsmotor” of „ICE”: een energieomzetter met periodieke of continue oxidatie van brandstof, waarbij chemische en mechanische energie worden omgezet;

(44) 

„omzetter”: een omvormer voor elektrische energie die gelijkstroom in eenfasige of meerfasige wisselstroom omzet;

(45) 

„perifere voorziening”: voorzieningen die energie verbruiken, omzetten, opslaan of aanleveren, waarbij de energie niet direct of indirect wordt gebruikt voor de aandrijving van het voertuig, maar die essentieel zijn voor de werking van de aandrijflijn en daarom als onderdeel van de aandrijflijn worden beschouwd;

(46) 

„aandrijflijn”: de totale combinatie in een voertuig van opslagsystemen voor aandrijfenergie, aandrijfenergieomzetters en de aandrijvingen, die de wielen voorziet van mechanische energie voor de aandrijving van het voertuig, plus perifere voorzieningen;

(47) 

„nominale capaciteit”: het totale aantal ampère-uren dat kan worden onttrokken aan een volledig geladen accu, bepaald overeenkomstig punt 5.4.1.3;

(48) 

„nominaal toerental”: hoogste toerental van het elektrische-machinesysteem waarbij het totale maximumkoppel optreedt;

(49) 

„kamertemperatuur”: de omgevingslucht in de meetcel heeft een temperatuur van (25 ± 10) °C;

(50) 

„laadniveau” of „SOC”: de beschikbare elektrische lading die in een accusysteem is opgeslagen, uitgedrukt als percentage van de nominale capaciteit overeenkomstig punt 5.4.1.3 (waarbij 0 % staat voor leeg en 100 % voor vol);

(51) 

„te testen eenheid” of „UUT”: het of de feitelijk te testen elektrische-machinesysteem, IEPC of IHPC van type 1;

(52) 

„accu-UUT”: het feitelijk te testen accusysteem of representatieve accusubsysteem;

(53) 

„condensator-UUT”: het feitelijk te testen condensatorsysteem of representatieve condensatorsubsysteem.

Voor de toepassing van deze bijlage zijn de volgende afkortingen van toepassing:

AC

wisselstroom (alternating current)

DC

gelijkstroom (direct current)

DCIR

interne gelijkstroomweerstand (direct current internal resistance)

EMS

elektrische-machinesysteem (electric machine system)

OCV

opencircuitspanning (open circuit voltage)

SC

standaardcyclus (standard cycle)

3.   Algemene voorschriften

De faciliteiten van het kalibratielaboratorium moeten voldoen aan de eisen van IATF 16949, ISO 9000-reeks of ISO/IEC 17025. Alle voor kalibraties en/of controles gebruikte referentiemeetapparatuur van het laboratorium moet herleidbaar zijn naar nationale of internationale standaarden.

3.1.   Specificaties voor meetapparatuur

De meetapparatuur moet aan de volgende nauwkeurigheidsvoorschriften voldoen:



Tabel 1

Voorschriften voor meetsystemen

Meetsysteem

Nauwkeurigheid (1)

Toerental

0,5 % van de afgelezen waarde van de analysator of, als dat meer is, 0,1 % van de max. kalibratie (2) van het toerental

Koppel

0,6 % van de afgelezen waarde van de analysator of, als dat meer is, 0,3 % van de max. kalibratie (2) of 0,5 Nm van het koppel

Elektrische stroom

0,5 % van de afgelezen waarde van de analysator of, als dat meer is, 0,25 % van de max. kalibratie (2) of 0,5 A van de elektrische stroom

Spanning

0,5 % van de afgelezen waarde van de analysator of, als dat meer is, 0,25 % van de max. kalibratie (2) van de spanning

Temperatuur

1,5 K

(1)   

„Nauwkeurigheid” is de mate waarin de van de analysator afgelezen waarde in absolute termen afwijkt van een naar een nationale of internationale standaard herleidbare referentiewaarde.

(2)   

De waarde voor „max. kalibratie” is 1,1 keer de maximale voorspelde waarde voor het respectieve meetsysteem die tijdens een specifieke, overeenkomstig deze bijlage uitgevoerde test wordt verwacht.

Meerpuntskalibratie is toegestaan, wat betekent dat een meetsysteem mag worden gekalibreerd tot een nominale waarde die lager ligt dan de capaciteit van het meetsysteem.

3.2.   Gegevensregistratie

Alle meetgegevens, met uitzondering van de temperatuur, worden gemeten en geregistreerd met een frequentie van ten minste 100 Hz. Voor temperatuur is een meetfrequentie van ten minste 10 Hz voldoende.

Met instemming van de goedkeuringsinstantie mag signaalfiltering worden toegepast. Aliasing moet worden voorkomen.

4.   Testen van elektrische-machinesystemen, IEPC’s en IHPC’s van type 1

4.1.   Testomstandigheden

De UUT moet worden geïnstalleerd en de meetgrootheden elektrische stroom, spanning, elektrisch vermogen van omzetter, toerental en koppel moeten worden vastgesteld overeenkomstig figuur 1 en punt 4.1.1.

Figuur 1

Bepalingen voor de meting van het elektrische-machinesysteem of IEPC

image

4.1.1.   Vergelijkingen voor vermogenswaarden

Vermogenswaarden worden berekend met de onderstaande vergelijkingen:

4.1.1.1.   Omzettervermogen

Het elektrische vermogen naar of van de omzetter (of DC/DC-omvormer indien van toepassing) wordt berekend met de volgende vergelijking:

PINV_in = VINV_in × IINV_in

waarbij:

PINV_in

het elektrische vermogen van of naar de omzetter (of DC/DC-omvormer indien van toepassing) aan de DC-zijde van de omzetter (of aan de zijde van de DC-voedingsbron van de DC/DC-omvormer) [W];

VINV_in

de spanning aan de ingang van de omzetter (of DC/DC-omvormer indien van toepassing) aan de DC-zijde van de omzetter (of aan de zijde van de DC-voedingsbron van de DC/DC-omvormer) [V];

IINV_in

de elektrische stroom aan de ingang van de omzetter (of DC/DC-omvormer indien van toepassing) aan de DC-zijde van de omzetter (of aan de zijde van de DC-voedingsbron van de DC/DC-omvormer) [A].

Als er meerdere aansluitingen zijn voor omzetter(s) (of DC/DC-omvormer(s) indien van toepassing) naar de elektrische DC-voedingsbron zoals gedefinieerd overeenkomstig punt 4.1.3, moet het totale elektrische vermogen van alle verschillende omzetters worden gemeten.

4.1.1.2.   Mechanisch uitgangsvermogen

Het mechanisch uitgangsvermogen van de UUT wordt berekend met de volgende vergelijking:

image

waarbij

PUUT_out

het mechanisch uitgangsvermogen van de UUT [W];

TUUT

het koppel van de UUT [Nm];

n

het toerental van de UUT [min–1].

Bij een elektrische-machinesysteem worden het koppel en het toerental gemeten aan de rotatieas. Voor een IEPC worden het koppel en het toerental gemeten aan de uitgangszijde van de versnellingsbak of, indien er ook een differentieel is, aan de uitgangszijde(n) van het differentieel.

Voor een IEPC met geïntegreerd differentieel kunnen een of meerdere meetapparaten voor het uitgangskoppel hetzij aan beide uitgangszijden, hetzij aan slechts één van de uitgangszijden worden geïnstalleerd. Bij testopstellingen met slechts één dynamometer aan de uitgangszijde moet het vrij roterende uiteinde van de IEPC met geïntegreerd differentieel op roteerbare wijze worden vergrendeld aan het andere uiteinde aan de uitgangszijde (bv. door een geactiveerde differentieelblokkering of door een andere mechanische differentieelblokkering die alleen voor de meting wordt toegepast).

In het geval van een wielmotor van het IEPC-type worden hetzij één, hetzij twee dergelijke onderdelen gemeten. Wanneer twee dergelijke onderdelen worden gemeten, gelden de volgende bepalingen, afhankelijk van de configuratie:

— 
voor configuratie „L” worden het koppel en het toerental gemeten aan de uitgangszijde van de versnellingsbak. In dit geval wordt de inputparameter „NrOfDesignTypeWheelMotorMeasured” ingesteld op 1;
— 
voor configuratie „T” kunnen een of meerdere meetapparaten voor het uitgangskoppel hetzij aan beide uitgaande aandrijfassen, hetzij aan slechts één van de uitgaande aandrijfassen worden geïnstalleerd.
a) 

Wanneer de meetapparaten voor het uitgangskoppel op beide uitgaande aandrijfassen zijn geïnstalleerd, gelden de volgende bepalingen:

— 
de koppelwaarden van beide uitgaande aandrijfassen worden tijdens of na de verwerking van de testbankgegevens virtueel bij elkaar opgeteld;
— 
van de toerentalwaarden van beide uitgaande aandrijfassen wordt tijdens of na de verwerking van de testbankgegevens virtueel het gemiddelde genomen.
— 
In dit geval wordt de inputparameter „NrOfDesignTypeWheelMotorMeasured” ingesteld op 2.
b) 

Wanneer een meetapparaat voor het uitgangskoppel op slechts één van de uitgaande aandrijfassen is geïnstalleerd, gelden de volgende bepalingen:

— 
het koppel en het toerental worden aan de uitgangszijde van de versnellingsbak gemeten.
— 
In dit geval wordt de inputparameter „NrOfDesignTypeWheelMotorMeasured” ingesteld op 1.

4.1.2.   Inlopen

Op verzoek van de aanvrager kan de UUT worden ingelopen. Voor de inloopprocedure gelden de volgende bepalingen:

— 
de totale bedrijfstijd voor het facultatieve inlopen en de meting van een UUT mag (behalve voor wieluiteinden) niet meer dan 120 uur bedragen;
— 
bij de inloopprocedure mag alleen fabrieksvullingsolie worden gebruikt. De olie die bij het inlopen wordt gebruikt, mag ook worden gebruikt voor de overeenkomstig punt 4.2 verrichte tests;
— 
de onderdeelfabrikant specificeert het toerental- en koppelprofiel van de inloopprocedure;
— 
de onderdeelfabrikant documenteert de looptijd, het toerental, het koppel en de olietemperatuur gedurende de inloopprocedure en verstrekt hierover een rapport aan de goedkeuringsinstantie;
— 
de voorschriften betreffende olietemperatuur (punt 4.1.8.1), meetnauwkeurigheid (punt 3.1) en testopstelling (punten 4.1.3 t/m 4.1.7) zijn niet van toepassing op de inloopprocedure.

4.1.3.   Stroomtoevoer naar omzetter

De stroomtoevoer naar de omzetter (of DC/DC-omvormer indien van toepassing) moet een gelijkstroomvoeding met constante spanning zijn die in staat is om voldoende elektrisch vermogen te leveren aan of te absorberen van de omzetter (of DC/DC-omvormer indien van toepassing) bij het maximale (mechanische of elektrische) vermogen van de UUT voor de duur van de in deze bijlage gespecificeerde tests.

De DC-ingangsspanning naar de omzetter (of DC/DC-omvormer indien van toepassing) moet zich binnen een bereik van ± 2 % van de gewenste waarde voor de DC-ingangsspanning naar de UUT bevinden gedurende alle perioden waarin feitelijke meetgegevens worden geregistreerd die worden gebruikt als basis voor de bepaling van de inputgegevens voor de simulatietool.

In tabel 2 van punt 4.2 is aangegeven welke tests bij welk(e) spanningsniveau(s) moeten worden uitgevoerd. Er zijn twee verschillende spanningsniveaus voor de uit te voeren metingen gedefinieerd:

— 
Vmin,Test is de streefwaarde van de DC-ingangsspanning naar de UUT die overeenstemt met de minimumspanning voor onbeperkte operationele capaciteit;
— 
Vmax,Test is de streefwaarde van de DC-ingangsspanning naar de UUT die overeenstemt met de maximumspanning voor onbeperkte operationele capaciteit.

4.1.4.   Opstelling en bedrading

Alle bedrading, afscherming, beugels enz. moeten in overeenstemming zijn met de door de fabrikant(en) van de verschillende onderdelen van de UUT gespecificeerde voorwaarden.

4.1.5.   Koelsysteem

De temperatuur van alle delen van het elektrische-machinesysteem moet gedurende de volledige bedrijfstijd tijdens alle overeenkomstig deze bijlage verrichte tests binnen het door de onderdeelfabrikant toegestane bereik liggen. Voor IEPC en IHPC van type 1 geldt dit ook voor alle andere onderdelen zoals versnellingsbakken en assen die deel uitmaken van de IEPC of IHPC van type 1.

4.1.5.1.   Koelvermogen tijdens tests

4.1.5.1.1.   Koelvermogen voor meting van koppelbegrenzingen

Voor alle overeenkomstig punt 4.2 verrichte tests, behalve voor de EPMC overeenkomstig punt 4.2.6, moet de onderdeelfabrikant het aantal gebruikte koelcircuits dat verbonden is met een externe warmtewisselaar opgeven. Voor elk van deze circuits die verbonden zijn met een externe warmtewisselaar moeten de volgende parameters aan de inlaat van het respectieve koelcircuit van de UUT worden opgegeven:

— 
het maximale koelmiddelmassadebiet of de maximuminlaatdruk zoals aangegeven door de onderdeelfabrikant;
— 
de toegelaten maximale koelmiddeltemperaturen zoals aangegeven door de onderdeelfabrikant;
— 
het maximaal beschikbare koelvermogen op de testbank.

Deze opgegeven waarden moeten worden gedocumenteerd in het inlichtingenformulier van het respectieve onderdeel.

De volgende werkelijke waarden moeten onder de opgegeven maximumwaarden blijven en worden voor elk met een externe warmtewisselaar verbonden koelcircuit geregistreerd, samen met de testgegevens voor alle overeenkomstig punt 4.2 verrichte tests, behalve voor de overeenkomstig punt 4.2.6 verrichte EPMC-test:

— 
koelmiddelvolumedebiet of -massadebiet;
— 
koelmiddeltemperatuur aan de inlaat van het koelcircuit van de UUT;
— 
koelmiddeltemperatuur aan de inlaat en uitlaat van de warmtewisselaar van de testbank aan de zijde van de UUT.

Voor alle overeenkomstig punt 4.2 verrichte tests moet de minimumtemperatuur van het koelmiddel aan de inlaat van het koelcircuit van de UUT, in het geval van vloeistofkoeling, 25 °C bedragen.

Indien voor de tests overeenkomstig deze bijlage andere koelmiddelen dan gewone koelmiddelen worden gebruikt, mogen de door de onderdeelfabrikant vastgestelde temperatuurgrenzen niet worden overschreden.

In het geval van vloeistofkoeling moet het maximaal beschikbare koelvermogen op de testbank worden bepaald op basis van het koelmiddelmassadebiet, het temperatuurverschil over de warmtewisselaar van de testbank aan de kant van de UUT en de specifieke warmtecapaciteit van het koelmiddel.

Er mag geen extra ventilator in de testopstelling worden geplaatst om de onderdelen van de UUT actief te koelen.

4.1.6.   Omzetter

De omzetter moet in dezelfde modus en met dezelfde instellingen werken als die welke door de onderdeelfabrikant voor de werkelijke gebruiksomstandigheden in het voertuig zijn gespecificeerd.

4.1.7.   Omgevingsomstandigheden in de meetcel

Alle tests moeten worden uitgevoerd bij een omgevingstemperatuur in de meetcel van 25 ± 10 °C. De omgevingstemperatuur moet worden gemeten op een afstand van 1 m van de UUT.

4.1.8.   Smeerolie voor IEPC’s of IHPC’s van type 1

Smeerolie moet voldoen aan de onderstaande punten 4.1.8.1 tot en met 4.1.8.4. Deze bepalingen zijn niet van toepassing op EM-systemen.

4.1.8.1.   Olietemperaturen

De olietemperaturen worden naar goede ingenieurspraktijk in het midden van het oliecarter of op een ander geschikt punt gemeten.

Voor handhaving van de temperaturen binnen de door de onderdeelfabrikant aangegeven grenswaarden mag eventueel gebruik worden gemaakt van een hulpregelsysteem overeenkomstig punt 4.1.8.4.

Bij externe conditionering van olie die alleen ten behoeve van de test wordt toegevoegd, mag de olietemperatuur in de uitlaatleiding van de UUT-behuizing naar het conditioneringssysteem, op een afstand van minder dan 5 cm voorbij de uitlaat, worden gemeten. In beide gevallen mag de olietemperatuur de door de onderdeelfabrikant aangegeven temperatuurgrens niet overschrijden. Aan de typegoedkeuringsinstantie moet een degelijke technische motivering worden verstrekt om uit te leggen dat het externe olieconditioneringssysteem niet wordt gebruikt om het rendement van de UUT te verbeteren. Oliecircuits die geen deel uitmaken van en niet zijn aangesloten op het koelcircuit van onderdelen van het elektrische-machinesysteem, moeten een temperatuur hebben van ten hoogste 70 °C.

4.1.8.2.   Oliekwaliteit

Bij de meting mag alleen aanbevolen fabrieksvullingsolie, zoals gespecificeerd door de onderdeelfabrikant van de UUT, worden gebruikt.

4.1.8.3.   Olieviscositeit

Als voor de fabrieksvulling verschillende oliën zijn gespecificeerd, kiest de onderdeelfabrikant voor de metingen van de UUT in verband met de certificering een olie waarvan de kinematische viscositeit (KV) bij gelijke temperatuur binnen een marge van ± 10 % van de kinematische viscositeit van de olie met de hoogste viscositeit ligt (binnen de gespecificeerde bandbreedte voor KV100).

4.1.8.4.   Oliepeil en -conditionering

Het oliepeil of het vulvolume bevindt zich tussen het hoogte en laagste niveau dat in de onderhoudsspecificaties van de onderdeelfabrikant is aangegeven.

Er mogen een extern olieconditioneringssysteem en een filtersysteem worden gebruikt. De UUT-behuizing mag worden aangepast om het olieconditioneringssysteem erin op te nemen.

Het olieconditioneringssysteem mag, naar goede ingenieurspraktijk, niet zodanig worden gemonteerd dat de olieniveaus van de UUT kunnen worden veranderd om het rendement te verhogen of voortstuwingskoppel te genereren.

4.1.9.   Gebruik van tekens

4.1.9.1.   Koppel en vermogen

De gemeten waarden voor koppel en vermogen zijn positief voor de UUT die de dynamometer aandrijft en negatief voor de UUT die de dynamometer afremt (d.w.z. de dynamometer die de UUT aandrijft).

4.1.9.2.   Elektrische stroom

De gemeten stroomwaarden zijn positief voor de UUT die elektrisch vermogen onttrekt aan de voeding van de omzetter (of DC/DC-omvormer indien van toepassing) en negatief voor de UUT die elektrisch vermogen levert aan de omzetter (of DC/DC-omvormer indien van toepassing) en aan de voeding.

4.2.   Uit te voeren tests

In tabel 2 zijn alle tests gedefinieerd die moeten worden uitgevoerd ten behoeve van de certificering van één specifieke familie van elektrische-machinesystemen of IEPC’s zoals gedefinieerd overeenkomstig aanhangsel 13.

De cyclus voor het bepalen van het elektrisch vermogen (EPMC) overeenkomstig punt 4.2.6 en de weerstandscurve overeenkomstig punt 4.2.3 worden voor alle andere leden binnen een familie, met uitzondering van de ouder van de familie, weggelaten.

Als op verzoek van de onderdeelfabrikant artikel 15, lid 5, van deze verordening wordt toegepast, moeten de EPMC overeenkomstig punt 4.2.6 en de weerstandscurve overeenkomstig punt 4.2.3 ook voor die specifieke EM of IEPC worden uitgevoerd.



Tabel 2

Overzicht van uit te voeren test voor elektrische-machinesystemen of IEPC’s

Test

Verwijzing naar punt

Vereist(e) spanningsniveau(s) (overeenkomstig 4.1.3)

Verplicht voor ouder?

Verplicht voor andere leden binnen een familie?

Maximale en minimale koppelbegrenzingen

4.2.2.

Vmin,Test en Vmax,Test

ja

ja

Weerstandscurve

4.2.3.

Vmin,Test of Vmax,Test

ja

nee

Maximaal continu koppel gedurende 30 minuten

4.2.4.

Vmin,Test en Vmax,Test

ja

ja

Overbelastingskenmerken

4.2.5.

Vmin,Test en Vmax,Test

ja

ja

EPMC

4.2.6.

Vmin,Test en Vmax,Test

ja

nee

4.2.1.   Algemene bepalingen

De meting wordt verricht terwijl alle temperaturen van de UUT tijdens de test binnen de door de onderdeelfabrikant gedefinieerde grenswaarden worden gehouden.

Alle tests moeten worden uitgevoerd met volledig actieve belastingsreductiefunctionaliteit, afhankelijk van de temperatuurgrenzen van het elektrische-machinesysteem. Als aanvullende parameters van andere systemen die zich buiten de grenzen van het elektrische-machinesysteem bevinden, van invloed zijn op het belastingsreductiegedrag van toepassingen in het voertuig, mag met deze aanvullende parameters geen rekening worden gehouden tijdens de overeenkomstig deze bijlage verrichte tests.

Voor een elektrische-machinesysteem hebben alle aangegeven koppel- en toerentalwaarden betrekking op de rotatieas van de elektrische machine, tenzij anders vermeld.

Voor een IEPC hebben alle koppel- en toerentalwaarden betrekking op de uitgangszijde van de versnellingsbak of, indien er ook een differentieel is, op de uitgangszijde van het differentieel, tenzij anders vermeld.

4.2.2.   Test van maximum- en minimumkoppelbegrenzingen

De test meet de maximale en minimale koppelkenmerken van de UUT om de opgegeven begrenzingen van het systeem te controleren.

Voor een IEPC met een versnellingsbak met meerdere versnellingen wordt de test alleen uitgevoerd voor de versnelling met de overbrengingsverhouding die het dichtst bij 1 ligt. Als de overbrengingsverhoudingen van twee versnellingen dezelfde afstand hebben tot een overbrengingsverhouding van 1, wordt de test alleen verricht voor de versnelling met de hoogste van de twee overbrengingsverhoudingen.

4.2.2.1.   Opgave van waarden door de onderdeelfabrikant

De onderdeelfabrikant geeft de waarden voor het maximum- en minimumkoppel van de UUT op als functie van het toerental van de UUT tussen 0 min–1 en het maximumtoerental van de UUT voorafgaand aan de test. Deze waarde moet afzonderlijk worden opgegeven voor elk van de twee spanningsniveaus Vmin,Test en Vmax,Test.

4.2.2.2.   Controle van de maximumkoppelbegrenzingen

De UUT wordt gedurende ten minste twee uur tot het begin van de test geconditioneerd (d.w.z. zonder het systeem in werking te stellen) bij een omgevingstemperatuur van 25 ± 10 °C. Als deze test direct na een andere overeenkomstig deze bijlage verrichte test wordt uitgevoerd, mag de conditionering van ten minste twee uur achterwege worden gelaten of worden verkort, zolang de UUT in de meetcel blijft en de omgevingstemperatuur in de meetcel op 25 ± 10 °C wordt gehouden.

Net vóór het begin van de test draait de UUT gedurende drie minuten op de testbank tegen het door de onderdeelfabrikant aanbevolen toerental, waarbij 80 % van het maximumvermogen wordt geleverd.

Het uitgangskoppel en het toerental van de UUT moeten worden gemeten bij ten minste tien verschillende toerentallen om de maximale koppelcurve tussen het laagste en het hoogste toerental correct te bepalen.

Het laagste toerentalinstelpunt moet door de onderdeelfabrikant worden gespecificeerd op een toerental gelijk aan of kleiner dan 2 % van het maximumtoerental van de UUT zoals aangegeven door de onderdeelfabrikant overeenkomstig punt 4.2.2.1. Als het met de testopstelling niet mogelijk is het systeem met een dergelijk laag toerentalinstelpunt te laten draaien, geeft de onderdeelfabrikant voor het laagste toerental hetzelfde laagste toerental op dat met de specifieke testopstelling kan worden behaald.

Het hoogste toerentalinstelpunt wordt gedefinieerd als het maximumtoerental van de UUT zoals aangegeven door de onderdeelfabrikant overeenkomstig punt 4.2.2.1

De overige acht of meer verschillende toerentallen moeten zich tussen het laagste en het hoogste toerentalinstelpunt bevinden en door de onderdeelfabrikant worden gespecificeerd. Het interval tussen twee aangrenzende toerentallen mag niet groter zijn dan 15 % van het door de onderdeelfabrikant opgegeven maximumtoerental van de UUT.

Alle bedrijfspunten worden gedurende ten minste drie seconden aangehouden. Het uitgangskoppel en het toerental van de UUT worden geregistreerd als gemiddelde waarde van de laatste seconde van de meting. De volledige test duurt hoogstens 5 minuten.

4.2.2.3.   Controle van de minimumkoppelbegrenzingen

De UUT wordt gedurende ten minste twee uur tot het begin van de test geconditioneerd (d.w.z. zonder het systeem in werking te stellen) bij een omgevingstemperatuur van 25 ± 10 °C. Als deze test direct na een andere overeenkomstig deze bijlage verrichte test wordt uitgevoerd, mag de conditionering van ten minste twee uur achterwege worden gelaten of worden verkort, zolang de UUT in de meetcel blijft en de omgevingstemperatuur in de meetcel op 25 ± 10 °C wordt gehouden.

Net vóór het begin van de test draait de UUT gedurende drie minuten op de testbank tegen het door de onderdeelfabrikant aanbevolen toerental, waarbij 80 % van het maximumvermogen wordt geleverd.

Het uitgangskoppel en het toerental van de UUT worden gemeten bij dezelfde toerentallen als gekozen in punt 4.2.2.2.

Alle bedrijfspunten worden gedurende ten minste drie seconden aangehouden. Het uitgangskoppel en het toerental van de UUT worden geregistreerd als gemiddelde waarde van de laatste seconde van de meting. De volledige test duurt hoogstens 5 minuten.

4.2.2.4.   Interpretatie van de resultaten

Het door de onderdeelfabrikant overeenkomstig punt 4.2.2.1 opgegeven maximumkoppel van de UUT wordt aanvaard als definitieve waarde indien het niet hoger ligt dan + 2 % voor het totale maximumkoppel en + 4 % voor de andere meetpunten met een tolerantie van ± 2 % voor toerentallen ten opzichte van de overeenkomstig punt 4.2.2.2 gemeten waarden.

Als de door de onderdeelfabrikant opgegeven waarden voor maximumkoppel de hierboven gedefinieerde grenzen overschrijden, worden de werkelijk gemeten waarden als definitieve waarden gebruikt.

Als de door de onderdeelfabrikant overeenkomstig punt 4.2.2.1 opgegeven waarden voor het maximumkoppel van de UUT lager zijn dan de overeenkomstig punt 4.2.2.2 gemeten waarden, worden de door de onderdeelfabrikant opgegeven waarden als definitieve waarden gebruikt.

Het door de onderdeelfabrikant overeenkomstig punt 4.2.2.1 opgegeven minimumkoppel van de UUT wordt aanvaard als definitieve waarde indien het niet lager ligt dan – 2 % voor het totale minimumkoppel en – 4 % voor de andere meetpunten met een tolerantie van ± 2 % voor toerentallen ten opzichte van de overeenkomstig punt 4.2.2.3 gemeten waarden.

Als de door de onderdeelfabrikant opgegeven waarden voor minimumkoppel de hierboven gedefinieerde grenzen overschrijden, moeten de werkelijk gemeten waarden als definitieve waarden worden gebruikt.

Als de door de onderdeelfabrikant overeenkomstig punt 4.2.2.1 opgegeven waarden voor het minimumkoppel van de UUT hoger zijn dan de overeenkomstig punt 4.2.2.3 gemeten waarden, worden de door de onderdeelfabrikant opgegeven waarden als definitieve waarden gebruikt.

4.2.3.   Test van weerstandscurve

Met deze test worden de weerstandsverliezen in de UUT gemeten, d.w.z. het mechanische en/of elektrische vermogen dat nodig is om het systeem met externe stroombronnen op een bepaalde snelheid te laten draaien.

De UUT wordt gedurende ten minste twee uur geconditioneerd (d.w.z. zonder het systeem in werking te stellen) bij een omgevingstemperatuur van 25 ± 10 °C. Als deze test direct na een andere overeenkomstig deze bijlage verrichte test wordt uitgevoerd, mag de conditionering van ten minste twee uur achterwege worden gelaten of worden verkort, zolang de UUT in de meetcel blijft en de omgevingstemperatuur in de meetcel op 25 ± 10 °C wordt gehouden.

Net vóór het begin van de eigenlijke test mag de UUT gedurende drie minuten op de testbank draaien tegen het door de onderdeelfabrikant aanbevolen toerental, waarbij 80 % van het maximumvermogen wordt geleverd.

De eigenlijke test wordt overeenkomstig een van de volgende opties uitgevoerd:

— 
optie A: de uitgaande aandrijfas van de UUT wordt verbonden met een belastingsmachine (bv. dynamometer) en de belastingsmachine (bv. dynamometer) moet de UUT met het beoogde toerental laten draaien. De elektrische voeding naar de omzetter (of DC/DC-omvormer indien van toepassing) of de AC-fasekabels tussen de elektromotor en de omzetter mogen inactief of losgekoppeld zijn;
— 
optie B: de uitgaande aandrijfas van de UUT is niet verbonden met een belastingsmachine (bv. dynamometer) en de UUT wordt op het beoogde toerental gehouden door middel van elektrisch vermogen dat aan de omzetter (of DC/DC-omvormer indien van toepassing) wordt geleverd;
— 
optie C: de uitgaande aandrijfas van de UUT wordt verbonden met een belastingsmachine (bv. dynamometer) en de UUT wordt op het beoogde toerental gehouden hetzij door de belastingsmachine (bv. dynamometer) hetzij door het elektrische vermogen dat aan de omzetter (of DC/DC-omvormer indien van toepassing) wordt geleverd, of een combinatie van beide.

De test wordt ten minste met dezelfde toerentallen als gekozen in punt 4.2.2.2 uitgevoerd; er mogen meer bedrijfspunten op andere toerentallen worden toegevoegd. Alle bedrijfspunten worden ten minste tien seconden aangehouden, gedurende welke het werkelijke toerental van de UUT binnen ± 2 % van het toerentalinstelpunt moet liggen.

De volgende waarden worden geregistreerd als gemiddelde waarde over de laatste vijf seconden van de meting, afhankelijk van de gekozen testoptie:

— 
voor opties B en C: elektrisch vermogen naar de omzetter (of DC/DC-omvormer indien van toepassing);
— 
voor opties A en C: het koppel dat op de uitgaande aandrijfas(sen) van de UUT door de belastingsmachine (d.w.z. de dynamometer) wordt uitgeoefend;
— 
voor alle opties: het toerental van de UUT.

Als de UUT een IEPC is met een versnellingsbak met meerdere versnellingen, wordt de test uitgevoerd voor de versnelling met de overbrengingsverhouding die het dichtst bij 1 ligt. Als de overbrengingsverhoudingen van twee versnellingen dezelfde afstand hebben tot een overbrengingsverhouding van 1, wordt de test alleen verricht voor de versnelling met de hoogste van de twee overbrengingsverhoudingen.

Bovendien mag de test ook worden verricht voor alle andere voorwaartse versnellingen van de IEPC, zodat voor elke voorwaartse versnelling van de IEPC een specifieke gegevensreeks wordt bepaald.

4.2.4.   Test van maximaal continu koppel gedurende 30 minuten

Tijdens de test wordt het maximaal continu koppel gedurende 30 minuten gemeten dat de UUT in de loop van 1 800 seconden gemiddeld kan bereiken.

Voor een IEPC met een versnellingsbak met meerdere versnellingen wordt de test alleen uitgevoerd voor de versnelling met de overbrengingsverhouding die het dichtst bij 1 ligt. Als de overbrengingsverhoudingen van twee versnellingen dezelfde afstand hebben tot een overbrengingsverhouding van 1, wordt de test alleen verricht voor de versnelling met de hoogste van de twee overbrengingsverhoudingen.

4.2.4.1.   Opgave van waarden door de onderdeelfabrikant

De onderdeelfabrikant geeft voor de UUT de waarden op voor het maximaal continu koppel gedurende 30 minuten en het overeenkomstige toerental voorafgaand aan de test. Het toerental moet binnen een bereik liggen waarin het mechanisch vermogen groter is dan 90 % van het totale maximumvermogen dat wordt bepaald op basis van de overeenkomstig punt 4.2.2 geregistreerde gegevens inzake de maximumkoppelbegrenzing voor het respectieve spanningsniveau. Deze waarde moet afzonderlijk worden opgegeven voor elk van de twee spanningsniveaus Vmin,Test en Vmax,Test.

4.2.4.2.   Controle van maximaal continu koppel gedurende 30 minuten

De UUT wordt gedurende ten minste vier uur geconditioneerd (d.w.z. zonder het systeem in werking te stellen) bij een omgevingstemperatuur van 25 ± 10 °C. Als deze test direct na een andere overeenkomstig deze bijlage verrichte test wordt uitgevoerd, mag de conditionering van ten minste vier uur achterwege worden gelaten of worden verkort, zolang de UUT in de meetcel blijft en de omgevingstemperatuur in de meetcel op 25 ± 10 °C wordt gehouden.

De UUT draait op het koppel- en toerentalinstelpunt dat overeenkomt met het door de onderdeelfabrikant overeenkomstig punt 4.2.4.1 opgegeven maximaal continu koppel gedurende 30 minuten gedurende een totale periode van 1 800 seconden.

Het uitgangskoppel en het toerental van de UUT en het elektrisch vermogen naar of van de omzetter (of DC/DC-omvormer indien van toepassing) worden gedurende deze periode van 1 800 seconden gemeten. De gemeten waarde voor mechanisch vermogen als functie van de tijd mag niet meer dan ± 5 % afwijken van de door de onderdeelfabrikant overeenkomstig punt 4.2.4.1 opgegeven waarde voor mechanisch vermogen; het toerental mag niet meer dan ± 2 % afwijken van de door de onderdeelfabrikant overeenkomstig punt 4.2.4.1 opgegeven waarde. Het maximaal continu koppel gedurende 30 minuten is het gemiddelde van het uitgangskoppel over de meetperiode van 1 800 seconden. Het overeenkomstige toerental is het gemiddelde van het toerental over de meetperiode van 1 800 seconden.

4.2.4.3.   Interpretatie van de resultaten

De door de onderdeelfabrikant overeenkomstig punt 4.2.4.1 opgegeven waarden worden aanvaard als definitieve waarden indien zij wat betreft koppel niet meer dan + 4 %, en wat betreft toerental niet meer dan ± 2 % afwijken van de overeenkomstig punt 4.2.4.2 gemeten gemiddelde waarden.

Als de door de onderdeelfabrikant opgegeven waarden de hierboven omschreven grenswaarden overschrijden, moeten de punten 4.2.4.1 tot en met 4.2.4.3 worden herhaald met andere waarden voor het maximaal continu koppel gedurende 30 minuten en/of het overeenkomstige toerental.

Als de door de onderdeelfabrikant overeenkomstig punt 4.2.4.1 opgegeven waarde voor koppel lager is dan de overeenkomstig punt 4.2.4.2 gemeten gemiddelde waarde voor koppel, met een tolerantie van ± 2 % voor toerental, worden de door de onderdeelfabrikant opgegeven waarden als definitieve waarden gebruikt.

Bovendien wordt voor het werkelijke gemeten elektrische vermogen naar of van de omzetter (of DC/DC-omvormer indien van toepassing) het gemiddelde berekend over de meetperiode van 1 800 seconden. Ook het gemiddelde continue vermogen gedurende 30 minuten wordt berekend op basis van de definitieve waarden voor maximaal continu koppel gedurende 30 minuten en het bijbehorende gemiddelde toerental.

4.2.5.   Test van overbelastingskenmerken

De test meet de duur van het vermogen van de UUT om het maximale uitgangskoppel te leveren, teneinde de overbelastingskenmerken van het systeem af te leiden.

Voor een IEPC met een versnellingsbak met meerdere versnellingen wordt de test alleen uitgevoerd voor de versnelling met de overbrengingsverhouding die het dichtst bij 1 ligt. Als de overbrengingsverhoudingen van twee versnellingen dezelfde afstand hebben tot een overbrengingsverhouding van 1, wordt de test alleen verricht voor de versnelling met de hoogste van de twee overbrengingsverhoudingen.

4.2.5.1.   Opgave van waarden door de onderdeelfabrikant

De onderdeelfabrikant geeft de waarde op voor het maximale uitgangskoppel van de UUT op het specifieke, voor de test gekozen toerental en voor het overeenkomstige toerental voorafgaand aan de test. Het overeenkomstige toerental is hetzelfde toerentalinstelpunt als gebruikt voor de overeenkomstig punt 4.2.4.2 verrichte meting van het respectieve spanningsniveau. De opgegeven waarde voor het maximale uitgangskoppel van de UUT moet voor het respectieve spanningsniveau gelijk zijn aan of groter zijn dan de waarde van het maximale continue koppel gedurende 30 minuten zoals bepaald overeenkomstig punt 4.2.4.3.

Bovendien moet de onderdeelfabrikant een duur t0_maxP opgeven gedurende welke het maximale uitgangskoppel van de UUT constant kan worden gehaald op basis van de in punt 4.2.5.2 genoemde voorwaarden. Deze waarde moet afzonderlijk worden opgegeven voor elk van de twee spanningsniveaus Vmin,Test en Vmax,Test.

4.2.5.2.   Controle van maximaal uitgangskoppel

De UUT wordt gedurende ten minste twee uur geconditioneerd (d.w.z. zonder het systeem in werking te stellen) bij een omgevingstemperatuur van 25 ± 10 °C. Als deze test direct na een andere overeenkomstig deze bijlage verrichte test wordt uitgevoerd, mag de conditionering van ten minste twee uur achterwege worden gelaten of worden verkort, zolang de UUT in de meetcel blijft en de omgevingstemperatuur in de meetcel op 25 ± 10 °C wordt gehouden.

Net vóór het begin van de test draait de UUT gedurende 30 minuten op de testbank om 50 % van het maximaal continu koppel gedurende 30 minuten te leveren bij het respectieve, overeenkomstig punt 4.2.4.3 bepaalde toerental.

De UUT draait vervolgens op het koppel- en toerentalinstelpunt dat overeenkomt met het door de onderdeelfabrikant overeenkomstig punt 4.2.5.1 opgegeven maximaal uitgangskoppel.

Het uitgangskoppel en het toerental van de UUT, alsook de DC-ingangsspanning naar de omzetter (of DC/DC-omvormer indien van toepassing) en het elektrisch vermogen naar of van de omzetter (of DC/DC-omvormer indien van toepassing) worden gedurende een door de onderdeelfabrikant overeenkomstig punt 4.2.5.1 opgegeven periode t0_maxP gemeten.

4.2.5.3.   Interpretatie van de resultaten

De overeenkomstig punt 4.2.5.2 geregistreerde waarden voor koppel en toerental als functie van de tijd worden aanvaard indien zij over de gehele periode t0_maxP niet meer dan ± 2 % voor koppel en ± 2 % voor toerental van de door de onderdeelfabrikant overeenkomstig punt 4.2.5.1 opgegeven waarden afwijken.

Als de door de onderdeelfabrikant opgegeven waarden buiten de in de eerste alinea van dit punt gedefinieerde toleranties vallen, moeten de procedures van de punten 4.2.5.1 en 4.2.5.2 en van dit punt worden herhaald met andere waarden voor het maximumkoppel aan de uitgang van de UUT en/of de duur t0_maxP.

Het gemiddelde van de werkelijke gemeten waarden over de periode t0_maxP, berekend voor de verschillende signalen van toerental, koppel en DC-ingangsspanning naar de omzetter (of DC/DC-omvormer indien van toepassing), wordt gebruikt als definitieve waarde voor de karakterisering van het overbelastingspunt. Bovendien wordt voor het werkelijke gemeten elektrische vermogen naar of van de omzetter (of DC/DC-omvormer indien van toepassing) het gemiddelde berekend over de periode t0_maxP.

4.2.6.   EPMC-test

De EPMC-test meet het elektrisch vermogen naar of van de omzetter (of DC/DC-omvormer indien van toepassing) voor verschillende bedrijfspunten van de UUT.

4.2.6.1.   Voorconditionering

De UUT wordt gedurende ten minste twee uur geconditioneerd (d.w.z. zonder het systeem in werking te stellen) bij een omgevingstemperatuur van 25 ± 10 °C. Als deze test direct na een andere overeenkomstig deze bijlage verrichte test wordt uitgevoerd, mag de conditionering van ten minste twee uur achterwege worden gelaten of worden verkort, zolang de UUT in de meetcel blijft en de omgevingstemperatuur in de meetcel op 25 ± 10 °C wordt gehouden.

4.2.6.2.   Te meten bedrijfspunten

Voor een IEPC met versnellingsbak met meerdere versnellingen worden de toerentalinstelpunten overeenkomstig punt 4.2.6.2.1 en voor koppel overeenkomstig punt 4.2.6.2.2 bepaald voor elke voorwaartse versnelling.

4.2.6.2.1.   Toerentalinstelpunten

De instelpunten voor een autonoom elektrische-machinesysteem of een IEPC zonder versnellingen waartussen kan worden geschakeld, worden gedefinieerd overeenkomstig de volgende bepalingen:

a) 

als toerentalinstelpunten van de UUT worden dezelfde instelpunten gebruikt als voor de meting die overeenkomstig punt 4.2.2.2 voor het respectieve spanningsniveau is uitgevoerd;

b) 

het toerentalinstelpunt voor de controle van het maximaal continu koppel gedurende 30 minuten, uitgevoerd overeenkomstig punt 4.2.4.2 voor het respectieve spanningsniveau, wordt gebruikt naast de in punt a) hierboven gedefinieerde instelpunten;

c) 

naast de in de punten a) en b) gedefinieerde instelpunten kunnen nog andere toerentalinstelpunten worden gedefinieerd;

in het geval van een IEPC met een versnellingsbak met meerdere versnellingen moet voor elke afzonderlijke voorwaartse versnelling een afzonderlijke gegevensreeks met toerentalinstelpunten voor de UUT worden gedefinieerd op basis van de volgende bepalingen:

d) 

de overeenkomstig de punten a) tot en met c) bepaalde toerentalinstelpunten voor de versnelling met de overbrengingsverhouding die het dichtst bij 1 ligt (als de overbrengingsverhoudingen van twee versnellingen dezelfde afstand hebben tot een overbrengingsverhouding van 1, wordt de test alleen verricht voor de versnelling met de hoogste van de twee overbrengingsverhoudingen), nk,gear_iCT1, worden gebruikt als basis voor de volgende stap in punt e);

e) 

deze toerentalinstelpunten worden met de volgende vergelijking omgerekend naar de respectieve instelpunten voor alle andere versnellingen:

nk,gear = nk,gear_iCT1 × igear_iCT1 / igear

waarbij:

nk,gear

=

toerentalinstelpunt k voor een specifieke versnelling

(waarbij k = 1, 2, 3, …, maximumaantal toerental- instelpunten)

(waarbij gear = 1, …, hoogste versnelling);

nk,gear_iCT1

=

toerentalinstelpunt k voor de versnelling met de overbrengingsverhouding die het dichtst bij 1 ligt overeenkomstig punt d)

(waarbij k = 1, 2, 3, …, maximumaantal toerental- instelpunten)

igear

=

overbrengingsverhouding van een specifieke versnelling [-]

(waarbij gear = 1, …, hoogste versnelling);

igear_iCT1

=

overbrengingsverhouding van de versnelling met de overbrengingsverhouding die het dichtst bij 1 ligt

overeenkomstig punt d) [-].

4.2.6.2.2.   Koppelinstelpunten

De instelpunten voor een autonoom elektrische-machinesysteem of een IEPC zonder versnellingen waartussen kan worden geschakeld, worden gedefinieerd overeenkomstig de volgende bepalingen:

a) 

voor de meting moeten ten minste tien koppelinstelpunten voor de UUT worden gedefinieerd, die zich zowel aan de positieve kant (d.w.z. rijden) als aan de negatieve kant (d.w.z. remmen) van het koppel bevinden. Het laagste en hoogste koppelinstelpunt worden gedefinieerd op basis van de overeenkomstig punt 4.2.2.4 voor het respectieve spanningsniveau vastgestelde minimum- en maximumkoppelbegrenzingen, waarbij het laagste koppelinstelpunt het totale minimumkoppel, Tmin_overall, is en het hoogste koppelinstelpunt het totale maximumkoppel, Tmax_overall, is dat op basis van deze waarden wordt bepaald;

b) 

de overige acht of meer verschillende koppelinstelpunten moeten zich tussen het laagste en het hoogste koppelinstelpunt bevinden. Het interval tussen twee opeenvolgende koppelinstelpunten mag niet groter zijn dan 22.5 % van het totale maximumkoppel van de UUT dat overeenkomstig punt 4.2.2.4 voor het respectieve spanningsniveau is vastgesteld;

c) 

de grenswaarde voor positief koppel bij een bepaald toerental is de maximumkoppelbegrenzing op dit toerentalinstelpunt, bepaald overeenkomstig punt 4.2.2.4 voor het respectieve spanningsniveau, min 5 % van Tmax_overall. Alle koppelinstelpunten bij een bepaald toerentalinstelpunt die hoger zijn dan de grenswaarde voor positief koppel op dit toerentalinstelpunt worden vervangen door één enkel koppelinstelpunt bij de maximumkoppelbegrenzing op dit toerentalinstelpunt;

d) 

de grenswaarde voor negatief koppel bij een bepaald toerental is de minimumkoppelbegrenzing op dit toerentalinstelpunt, bepaald overeenkomstig punt 4.2.2.4 voor het respectieve spanningsniveau, min 5 % van Tmin_overall. Alle koppelinstelpunten bij een bepaald toerentalinstelpunt die lager zijn dan de grenswaarde voor negatief koppel op dit toerentalinstelpunt, worden vervangen door een enkel koppelinstelpunt bij de minimumkoppelbegrenzing op dit toerentalinstelpunt;

e) 

de minimum- en maximumkoppelbegrenzingen voor een bepaald toerentalinstelpunt worden bepaald op basis van de overeenkomstig punt 4.2.2.4 verkregen gegevens voor het respectieve spanningsniveau, met behulp van lineaire interpolatie;

in het geval van een IEPC met een versnellingsbak met meerdere versnellingen moet voor elke afzonderlijke versnelling een afzonderlijke gegevensreeks met koppelinstelpunten voor de UUT worden gedefinieerd op basis van de volgende bepalingen:

f) 

de overeenkomstig de punten a) tot en met e) bepaalde koppelinstelpunten voor de versnelling met de overbrengingsverhouding die het dichtst bij 1 ligt (als de overbrengingsverhoudingen van twee versnellingen dezelfde afstand hebben tot een overbrengingsverhouding van 1, wordt de test alleen verricht voor de versnelling met de hoogste van de twee overbrengingsverhoudingen), Tj,gear_iCT1, worden gebruikt als basis voor de volgende stap in de punten g) en h);

g) 

deze koppelinstelpunten worden met de volgende vergelijking omgerekend naar de respectieve instelpunten voor alle andere versnellingen:

Tj,gear = Tj,gear_iCT1 / igear_iCT1 × igear

waarbij:

Tj,gear

=

koppelinstelpunt j voor een specifieke versnelling

(waarbij j = 1, 2, 3, …, maximumaantal koppel- instelpunten)

(waarbij gear = 1, …, hoogste versnelling);

Tj,gear_iCT1

=

koppelinstelpunt j voor de versnelling met de overbrengingsverhouding die het dichtst bij 1 ligt

overeenkomstig punt f)

(waarbij j = 1, 2, 3, …, maximumaantal koppel- instelpunten)

igear

=

overbrengingsverhouding van een specifieke versnelling [-]

(waarbij gear = 1, …, hoogste versnelling);

igear_iCT1

=

overbrengingsverhouding van de versnelling met de overbrengingsverhouding die het dichtst bij 1 ligt

overeenkomstig punt f) [-];

h) 

alle koppelinstelpunten Tj,gear met een absolute waarde van meer dan 10 kNm hoeven niet te worden gemeten tijdens de eigenlijke test overeenkomstig punt 4.2.6.4.

4.2.6.3.   Te meten signalen

Het elektrisch vermogen naar of van de omzetter (of DC/DC-omvormer indien van toepassing) en het uitgangskoppel en toerental van de UUT worden gemeten bij de overeenkomstig punt 4.2.6.2 gespecificeerde bedrijfspunten.

4.2.6.4.   Testsequentie

De testsequentie bestaat uit statische instelpunten met overeenkomstig punt 4.2.6.2 vastgestelde toerental- en koppelwaarden.

Als zich een onvoorziene onderbreking voordoet, mag de testsequentie onder de onderstaande voorwaarden worden voortgezet:

— 
de UUT blijft binnen de meetcel en de omgevingstemperatuur in de testcel wordt op 25 ± 10 °C gehouden;
— 
alvorens de test voort te zetten, moet de UUT op de testbank worden geplaatst om op te warmen overeenkomstig de aanbevelingen van de onderdeelfabrikant;
— 
na de opwarming wordt de testsequentie voortgezet bij het eerstvolgende lagere toerentalinstelpunt tot het toerentalinstelpunt waarop de onderbreking zich voordeed;
— 
bij het eerstvolgende lagere toerentalinstelpunt wordt de in de punten a) tot en met m) beschreven testsequentie gevolgd, maar alleen voor conditioneringsdoeleinden zonder registratie van de meetgegevens;
— 
de meetgegevens worden geregistreerd vanaf het eerste bedrijfspunt op het toerentalinstelpunt waarop de onderbreking zich voordeed.

In het geval van een IEPC geldt het volgende:

— 
de testsequentie wordt achtereenvolgens uitgevoerd voor elke versnelling, te beginnen met de versnelling met de hoogste overbrengingsverhouding en vervolgens met de versnellingen in dalende volgorde van overbrengingsverhouding;
— 
alle overeenkomstig punt 4.2.6.2 bepaalde instelpunten binnen een gegevensreeks voor een specifieke versnelling moeten worden afgewerkt voordat de meting in een andere versnelling wordt voortgezet;
— 
het is toegestaan de test te onderbreken nadat de meting voor een specifieke versnelling is afgerond;
— 
het gebruik van verschillende koppelmeters is toegestaan.

Net voordat met het eerste instelpunt van de test wordt begonnen, moet de UUT op de testbank worden geplaatst om op te warmen overeenkomstig de aanbevelingen van de onderdeelfabrikant. Het eerste toerentalinstelpunt voor de werkelijk gemeten versnelling bij de start van de EPMC-test, is het laagste toerentalinstelpunt.

De resterende instelpunten voor de werkelijk gemeten versnelling worden in de onderstaande volgorde afgewerkt:

a) 

het eerste bedrijfspunt bij een bepaald toerentalinstelpunt wordt gedefinieerd als het hoogste koppel bij dit specifieke toerental;

b) 

het volgende bedrijfspunt wordt ingesteld op hetzelfde toerental en het laagste positieve koppelinstelpunt (d.w.z. rijden);

c) 

het volgende bedrijfspunt wordt ingesteld op hetzelfde toerental en het op een na hoogste positieve koppelinstelpunt (d.w.z. rijden);

d) 

het volgende bedrijfspunt wordt ingesteld op hetzelfde toerental en het op twee na laagste positieve koppelinstelpunt (d.w.z. rijden);

e) 

deze volgorde van omschakelen van het resterende hoogste naar het resterende laagste koppelinstelpunt wordt aangehouden tot alle positieve koppelinstelpunten (d.w.z. rijden) bij een bepaald toerentalinstelpunt zijn gemeten;

f) 

alvorens verder te gaan met stap g) kan de UUT worden afgekoeld overeenkomstig de aanbevelingen van de onderdeelfabrikant door een bepaald instelpunt te gebruiken dat door de onderdeelfabrikant is gedefinieerd;

g) 

vervolgens wordt de meting van het negatieve koppelinstelpunt (d.w.z. remmen) bij hetzelfde toerentalinstelpunt uitgevoerd, te beginnen bij het laagste koppel bij dit specifieke toerental;

h) 

het volgende bedrijfspunt wordt ingesteld op hetzelfde toerental en het hoogste negatieve koppelinstelpunt (d.w.z. remmen);

i) 

het volgende bedrijfspunt wordt ingesteld op hetzelfde toerental en het op twee na laagste negatieve koppelinstelpunt (d.w.z. remmen);

j) 

het volgende bedrijfspunt wordt ingesteld op hetzelfde toerental en het op een na hoogste negatieve koppelinstelpunt (d.w.z. remmen);

k) 

deze volgorde van omschakelen van het resterende laagste naar het resterende hoogste koppelinstelpunt wordt aangehouden tot alle negatieve koppelinstelpunten (d.w.z. remmen) bij een bepaald toerentalinstelpunt zijn gemeten;

l) 

alvorens verder te gaan met stap m) kan de UUT worden afgekoeld overeenkomstig de aanbevelingen van de onderdeelfabrikant door een bepaald instelpunt te gebruiken dat door de onderdeelfabrikant is gedefinieerd;

m) 

de test wordt voortgezet bij het eerstvolgende hogere toerentalinstelpunt door de stappen a) tot en met m) van deze testsequentie te herhalen, tot alle toerentalinstelpunten voor de werkelijk gemeten versnelling zijn afgewerkt.

Alle bedrijfspunten worden gedurende ten minste vijf seconden aangehouden. Tijdens deze bedrijfstijd wordt het toerental van de UUT op het toerentalinstelpunt gehouden, met een tolerantie van ± 1 % of, als dat meer is, 20 min–1. Bovendien moet gedurende deze bedrijfstijd, met uitzondering van het hoogste en laagste koppelinstelpunt van elk toerentalinstelpunt, het koppel op het koppelinstelpunt worden gehouden, met een tolerantie van ± 1 % of, als dat meer is, ± 5 Nm.

Het elektrisch vermogen naar of van de omzetter (of DC/DC-omvormer indien van toepassing), het uitgangskoppel en het toerental van de UUT worden geregistreerd als gemiddelde waarden over de laatste twee seconden van de bedrijfstijd.

4.3.   Verwerking van meetgegevens van de UUT

4.3.1.   Algemene bepalingen voor verwerking

Alle in de punten 4.3.2 tot en met 4.3.6 omschreven verwerkingsstappen worden afzonderlijk uitgevoerd voor de gegevensreeksen die voor de twee verschillende spanningsniveaus overeenkomstig punt 4.1.3 zijn gemeten.

4.3.2.   Maximale en minimale koppelbegrenzingen

De overeenkomstig punt 4.2.2.4 bepaalde gegevens voor de maximum- en minimumkoppelbegrenzingen moeten door lineaire extrapolatie (met gebruikmaking van de twee dichtstbijzijnde punten) worden uitgebreid tot het toerental nul en tot het maximumtoerental van de UUT zoals opgegeven door de onderdeelfabrikant indien dit bereik niet door de geregistreerde meetgegevens wordt gedekt.

4.3.3.   Weerstandscurve

De gegevens voor de overeenkomstig punt 4.2.3 bepaalde weerstandscurve moeten overeenkomstig de volgende bepalingen worden gewijzigd:

1) 

als het elektrisch vermogen naar de omzetter (of DC/DC-omvormer indien van toepassing) inactief was of was losgekoppeld, worden de respectieve waarden voor elektrisch vermogen naar de omzetter (of DC/DC-omvormer indien van toepassing) op 0 ingesteld;

2) 

als de uitgaande aandrijfas van de UUT niet was verbonden met de belastingsmachine (bv. dynamometer), worden de respectieve koppelwaarden op 0 ingesteld;

3) 

de overeenkomstig de punten 1) en 2) gewijzigde gegevens moeten door middel van lineaire extrapolatie worden uitgebreid tot het door de onderdeelfabrikant opgegeven maximumtoerental van de UUT indien dit bereik niet door de geregistreerde meetgegevens wordt gedekt;

4) 

de overeenkomstig de punten 1) tot en met 3) gewijzigde waarden voor elektrisch vermogen naar de omzetter (of DC/DC-omvormer indien van toepassing) moeten worden gezien als virtueel mechanisch verliesvermogen; deze waarden van virtueel mechanisch verliesvermogen worden omgezet in virtueel weerstandskoppel met het respectieve toerental van de uitgaande aandrijfas van de UUT;

5) 

op elk toerentalinstelpunt van de uitgaande aandrijfas van de UUT in de overeenkomstig de punten 1) tot en met 3) gewijzigde gegevens wordt de overeenkomstig punt 4 bepaalde waarde voor virtueel weerstandskoppel opgeteld bij het werkelijke koppel van de belastingsmachine (d.w.z. dynamometer) om het totale weerstandskoppel van de UUT als functie van het toerental te definiëren;

6) 

de waarden voor het totale weerstandskoppel van de UUT bij het laagste toerentalinstelpunt, bepaald op basis van de overeenkomstig punt 5) gewijzigde gegevens, worden gekopieerd naar een nieuw item bij een toerental van 0 min–1 en toegevoegd aan de overeenkomstig punt 5) gewijzigde gegevens.

4.3.4.   EPMC

De overeenkomstig punt 4.2.6.4 bepaalde gegevens voor de EPMC worden overeenkomstig de volgende bepalingen uitgebreid voor elke afzonderlijk gemeten voorwaartse versnelling:

(1) 

de waarden van alle gegevensparen voor uitgangskoppel en elektrisch vermogen van de omzetter, bepaald bij het laagste toerentalinstelpunt, worden gekopieerd naar een nieuw item bij toerental nul;

(2) 

de waarden van alle gegevensparen voor uitgangskoppel en elektrisch vermogen van de omzetter, bepaald bij het hoogste toerentalinstelpunt, worden gekopieerd naar een nieuw item bij het hoogste toerentalinstelpunt maal 1.05;

(3) 

als bij een specifiek toerentalinstelpunt (met inbegrip van de nieuw ingevoerde gegevens in de punten 1 en 2 hierboven) een overeenkomstig punt 4.2.6.2.2, a) tot en met g), vastgesteld koppelinstelpunt voor de feitelijke meting overeenkomstig punt 4.2.6.2.2, h), werd weggelaten, wordt een nieuw gegevenspunt berekend op basis van de volgende bepalingen:

(a) 

toerental: met gebruikmaking van het weggelaten instelpunt voor het toerental;

(b) 

koppel: met gebruikmaking van het weggelaten instelpunt voor koppel;

(c) 

omzettervermogen: door berekening van een nieuwe waarde door lineaire extrapolatie, met toepassing van de helling van de lineaire regressie volgens de kleinstekwadratenmethode, bepaald op basis van de drie werkelijk gemeten koppelinstelpunten die het dichtst bij de koppelwaarde uit punt b) liggen voor het overeenkomstige toerentalinstelpunt;

(d) 

voor positieve koppelwaarden worden geëxtrapoleerde waarden van het omzettervermogen die leiden tot waarden die lager zijn dan de gemeten waarde op het feitelijk gemeten koppelpunt dat zich het dichtst bij de koppelwaarde uit punt b) bevindt, ingesteld op het feitelijk gemeten omzettervermogen op het koppelpunt dat zich het dichtst bij de koppelwaarde uit punt b) bevindt;

(e) 

voor negatieve koppelwaarden worden geëxtrapoleerde waarden van het omzettervermogen die leiden tot waarden die hoger zijn dan de gemeten waarde op het feitelijk gemeten koppelpunt dat zich het dichtst bij de koppelwaarde uit punt b) bevindt, ingesteld op het feitelijk gemeten omzettervermogen op het koppelpunt dat zich het dichtst bij de koppelwaarde uit punt b) bevindt;

(4) 

bij elk toerentalinstelpunt (met inbegrip van de nieuw ingevoerde gegevens in de punten 1 tot en met 3 hierboven) wordt een nieuw gegevenspunt berekend op basis van de gegevens bij het hoogste koppelinstelpunt overeenkomstig de volgende regels:

(a) 

toerental: met gebruikmaking van dezelfde waarde voor het toerental;

(b) 

koppel: met gebruikmaking van de waarde voor koppel vermenigvuldigd met een factor 1,05;

(c) 

omzettervermogen: door berekening van een nieuwe waarde zodat het rendement, gedefinieerd als de verhouding tussen mechanisch vermogen en omzettervermogen, constant blijft;

(5) 

bij elk toerentalinstelpunt (met inbegrip van de nieuw ingevoerde gegevens in de punten 1 tot en met 3 hierboven) wordt een nieuw gegevenspunt berekend op basis van de gegevens bij het laagste koppelinstelpunt overeenkomstig de volgende regels:

(a) 

toerental: met gebruikmaking van dezelfde waarde voor het toerental;

(b) 

koppel: met gebruikmaking van de waarde voor koppel vermenigvuldigd met een factor 1.05;

(c) 

omzettervermogen: berekening van een nieuwe waarde zodat het rendement, gedefinieerd als de verhouding tussen het omzettervermogen en het mechanisch vermogen, constant blijft.

4.3.5.   Overbelastingskenmerken

Op basis van de overeenkomstig punt 4.2.5.3 bepaalde gegevens voor de overbelastingskenmerken wordt een rendementswaarde bepaald door het gemiddelde mechanische uitgangsvermogen over de periode t0_maxP te delen door het gemiddelde elektrische vermogen naar of van de omzetter (of DC/DC-omvormer indien van toepassing) over de periode t0_maxP.

4.3.6.   Maximaal continu koppel gedurende 30 minuten

Op basis van de overeenkomstig punt 4.2.4.3 bepaalde gegevens wordt een rendementswaarde bepaald door het gemiddelde continue vermogen gedurende 30 minuten te delen door het gemiddelde elektrische vermogen naar of van de omzetter (of DC/DC-omvormer indien van toepassing).

Op basis van de meetgegevens voor het maximaal continu koppel gedurende 30 minuten, bepaald overeenkomstig punt 4.2.4.2, worden voor elk koelcircuit dat verbonden is met een externe warmtewisselaar de volgende gemiddelde waarden bepaald van de tijdsgeresolveerde waarden over de meetperiode van 1 800 seconden:

— 
koelvermogen;
— 
koelmiddeltemperatuur aan de inlaat van het koelcircuit van de UUT.

Het koelvermogen wordt bepaald op basis van de specifieke warmtecapaciteit van het koelmiddel, het koelmiddelmassadebiet en het temperatuurverschil over de warmtewisselaar van de proefbank aan de zijde van de UUT.

4.4.   Bijzondere bepalingen voor het testen van IHPC’s van type 1

IHPC’s van type 1 zijn virtueel opgesplitst in twee afzonderlijke onderdelen die in de simulatietool worden verwerkt, namelijk een elektrische-machinesysteem en een transmissie. Daarom moeten twee afzonderlijke gegevensreeksen voor onderdelen worden vastgesteld volgens de in dit punt beschreven bepalingen.

Voor het testen van onderdelen van IHPC’s van type 1 zijn de punten 4.1 tot en met 4.2 van deze bijlage van toepassing.

Voor een IHPC van type 1 worden het koppel en het toerental gemeten aan de uitgaande aandrijfas van het systeem (d.w.z. de uitgangszijde van de versnellingsbak in de richting van de wielen van het voertuig).

De definitie van families overeenkomstig aanhangsel 13 geldt niet voor IHPC’s van type 1. Bijgevolg is het weglaten van tests niet toegestaan en moeten alle in punt 4.2 beschreven tests worden uitgevoerd voor één specifiek IHPC van type 1. Onverminderd deze bepalingen vervalt de test van de weerstandscurve overeenkomstig punt 4.2.3 voor IHPC’s van type 1.

Het genereren van inputgegevens voor IHPC’s van type 1 op basis van standaardwaarden is niet toegestaan.

4.4.1.   Uit te voeren tests voor IHPC’s van type 1

4.4.1.1.   Tests om de totale systeemkenmerken te bepalen

In dit punt wordt beschreven hoe de kenmerken van het volledige IHPC van type 1 worden bepaald, met inbegrip van de verliezen van de versnellingsbak binnen het systeem.

De volgende tests worden op de respectieve punten uitgevoerd overeenkomstig de bepalingen voor een IEPC met versnellingsbak met meerdere versnellingen. Bij al deze tests moet de ingaande aandrijfas die het voortstuwingskoppel in het systeem brengt, hetzij ontkoppeld zijn en vrij draaien, hetzij vastgezet zijn zonder te draaien.



Tabel 2 a

Overzicht van uit te voeren tests voor IHPC’s van type 1

Test

Verwijzing naar punt

Maximale en minimale koppelbegrenzingen

4.2.2.

Maximaal continu koppel gedurende 30 minuten

4.2.4.

Overbelastingskenmerken

4.2.5.

EPMC

4.2.6.

Aangezien de bepalingen voor IEPC’s met versnellingsbak met meerdere versnellingen ook toepasbaar zijn op IHPC’s van type 1, moet de EPMC voor elke afzonderlijke voorwaartse versnelling worden gemeten overeenkomstig punt 4.2.6.2.

4.4.1.2.   Tests om de verliezen van de versnellingsbak binnen het systeem te bepalen

In dit punt wordt beschreven hoe de verliezen van de versnellingsbak binnen het systeem worden bepaald.

Hiertoe wordt het systeem getest overeenkomstig punt 3.3 van bijlage VI. Onverminderd deze bepalingen, geldt het volgende:

— 
de ingaande aandrijfas die het voortstuwingskoppel in het systeem brengt, moet verbonden zijn met en worden aangedreven door een dynamometer overeenkomstig punt 3.3 van bijlage VI;
— 
de stroomtoevoer van de elektrische DC-voedingsbron naar de omzetter(s) (of DC/DC-omvormer(s) indien van toepassing) moet worden losgekoppeld. Om deze loskoppeling mogelijk te maken zonder dat delen van het systeem worden beschadigd, mag het systeem zodanig worden gewijzigd dat dummymagneten of dummyrotoren in de elektrische machine(s) worden gebruikt voor de meting;
— 
het koppelbereik zoals omschreven in punt 3.3.6.3 van bijlage VI wordt uitgebreid tot negatieve koppelwaarden, zodat dezelfde koppelinstelpunten van de positieve zijde ook met een negatief algebraïsch teken worden gemeten.

4.4.2.   Verwerking van meetgegevens van IHPC’s van type 1

Voor de verwerking van meetgegevens van IHPC’s van type 1 zijn alle bepalingen van punt 4.3 van toepassing, tenzij anders vermeld.

4.4.2.1.   Verwerking van gegevens betreffende totale systeemkenmerken

Alle overeenkomstig punt 4.4.1.1 vastgestelde meetgegevens worden behandeld overeenkomstig de punten 4.3.1 tot en met 4.3.6. De bepalingen van punt 4.3.3 worden weggelaten aangezien de meting van de weerstandscurve overeenkomstig punt 4.2.3 niet wordt uitgevoerd voor IHPC’s van type 1. Indien in de respectieve punten specifieke bepalingen voor een IEPC met versnellingsbak met meerdere versnellingen zijn vastgesteld, moeten die specifieke bepalingen worden toegepast.

4.4.2.2.   Verwerking van gegevens betreffende verliezen van de versnellingsbak binnen het systeem

Alle overeenkomstig punt 4.4.1.2 vastgestelde meetgegevens worden behandeld overeenkomstig punt 3.4 van bijlage VI. Onverminderd deze bepalingen, geldt het volgende:

— 
de punten 3.4.2 tot en met 3.4.5 van bijlage VI zijn op analoge wijze van toepassing op negatieve koppelwaarden;
— 
punt 3.4.6 van bijlage VI is niet van toepassing.

4.4.2.3.   Verwerking van gegevens om de specifieke gegevens van het virtuele elektrische-machinesysteem af te leiden

Om de onderdeelgegevens van het virtuele elektrische-machinesysteem te bepalen, worden de volgende stappen toegepast. De volgende verwerkingsstappen worden weggelaten voor de twee overeenkomstig de punten 4.3.5 en 4.3.6 bepaalde rendementswaarden, aangezien deze rendementswaarden uitsluitend dienen voor de beoordeling van de conformiteit van de gecertificeerde CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen.

(a) 

Alle toerental- en koppelwaarden van de overeenkomstig punt 4.4.2.1 verwerkte meetgegevens worden overeenkomstig de volgende vergelijkingen omgerekend van de uitgaande aandrijfas naar de ingaande aandrijfas van de IHPC van type 1. Als dezelfde test voor verschillende versnellingen is uitgevoerd, wordt de omrekening voor elke versnelling afzonderlijk uitgevoerd.

image

image

waarbij:

nEM,virt

=

toerental van het virtuele elektrische-machinesysteem met betrekking tot de ingaande aandrijfas van de IHPC van type 1 [min–1];

noutput

=

gemeten toerental aan de uitgaande aandrijfas van de IHPC van type 1 [min–1];

igbx

=

verhouding tussen het toerental aan de ingaande aandrijfas en het toerental aan de uitgaande aandrijfas van de IHPC van type 1 voor een bepaalde versnelling die tijdens de meting is ingeschakeld [-];

TEM,virt

=

koppel van het virtuele elektrische-machinesysteem met betrekking tot de ingaande aandrijfas van de IHPC van type 1 [Nm];

Toutput

=

gemeten koppel aan de uitgaande aandrijfas van de IHPC van type 1 [Nm];

Tloss,gbx

=

koppelverlies afhankelijk van het toerental en koppel aan de ingaande aandrijfas van de IHPC van type 1 [Nm]. Dit wordt berekend door middel van tweedimensionale lineaire interpolatie op basis van de verliesdiagrammen van de versnellingsbak die overeenkomstig punt 4.4.2.2 voor de desbetreffende versnelling zijn vastgesteld;

versnelling

=

specifieke versnelling die is ingeschakeld tijdens de meting [-].

(b) 

De overeenkomstig punt 4.4.2.1 voor elke voorwaartse versnelling bepaalde diagrammen voor elektrisch vermogen die overeenkomstig punt 4.4.2.3, a), naar de ingaande aandrijfas zijn omgezet, worden als basis voor de volgende berekeningen gebruikt. Alle waarden voor het elektrische vermogen van de omzetter in deze diagrammen voor elektrisch vermogen worden omgezet in de respectieve diagrammen voor het virtuele elektrische-machinesysteem door de verliezen van de versnellingsbak overeenkomstig de volgende vergelijking af te trekken:

image

waarbij:

Pel,virt

elektrisch vermogen van omzetter van het virtuele elektrische-machinesysteem [W];

nEM,virt

toerental van het virtuele elektrische-machinesysteem met betrekking tot de ingaande aandrijfas van de IHPC van type 1, bepaald overeenkomstig punt 4.4.2.3, a), [min–1];

TEM,virt

koppel van het virtuele elektrische-machinesysteem met betrekking tot de ingaande aandrijfas van de IHPC van type 1, bepaald overeenkomstig punt 4.4.2.3, a), [Nm];

Pel,meas

gemeten elektrisch vermogen van de omzetter [W];

Tloss,gbx

koppelverlies afhankelijk van het toerental en koppel aan de ingaande aandrijfas van de IHPC van type 1 [Nm]. Dit wordt berekend door middel van tweedimensionale lineaire interpolatie op basis van de verliesdiagrammen van de versnellingsbak die overeenkomstig punt 4.4.2.2 voor de desbetreffende versnelling zijn vastgesteld;

versnelling

specifieke versnelling die is ingeschakeld tijdens de meting [-].

(c) 

De waarden voor het weerstandskoppel van het virtuele elektrische-machinesysteem worden gespecificeerd bij dezelfde toerentalinstelpunten, nEM,virt, die betrekking hebben op de ingaande aandrijfas van de IHPC van type 1 zoals gebruikt voor de definitie van de maximum- en minimumkoppelcurve van het virtuele elektrische-machinesysteem. Elke afzonderlijke waarde voor het weerstandskoppel in Nm dat bij de verschillende toerentalinstelpunten is aangegeven, wordt ingesteld op nul.

(d) 

De rotatie-inertie van het virtuele elektrische-machinesysteem wordt berekend door de inertiewaarde(n) van de eigenlijke elektrische machine(s), bepaald overeenkomstig punt 8 van aanhangsel 8 van deze bijlage, om te zetten in de overeenkomstige waarde voor rotatie-inertie die betrekking heeft op de ingaande aandrijfas van de IHPC van type 1.

4.4.3.   Genereren van inputgegevens voor de simulatietool

Aangezien IHPC’s van type 1 virtueel zijn opgesplitst in twee afzonderlijke onderdelen die in de simulatietool worden verwerkt, worden afzonderlijke inputgegevens bepaald voor het elektrische-machinesysteem en voor de transmissie. Het in de inputgegevens vermelde certificeringsnummer moet voor beide onderdelen, elektrische-machinesysteem en transmissie, hetzelfde zijn.

4.4.3.1.   Inputgegevens van het virtuele elektrische-machinesysteem

De inputgegevens voor het virtuele elektrische-machinesysteem worden gegenereerd overeenkomstig de definities voor het elektrische-machinesysteem in aanhangsel 15, op basis van de definitieve gegevens die het resultaat zijn van de toepassing van punt 4.4.2.3.

4.4.3.2.   Inputgegevens van de virtuele transmissie

De inputgegevens voor de virtuele transmissie worden gegenereerd overeenkomstig de definities voor de transmissie in de tabellen 1 tot en met 3 van aanhangsel 12 van bijlage VI, op basis van de definitieve gegevens die het resultaat zijn van de toepassing van punt 4.4.2.2. De waarde van de parameter „TransmissionType” in tabel 1 moet worden ingesteld op „IHPC Type 1”.

5.   Testen van accusystemen of representatieve accusubsystemen

De thermische conditioneringsvoorziening van de accu-UUT en de overeenkomstige thermische conditioneringskring in de testbankapparatuur zijn zodanig actief dat de thermische conditioneringsprestaties van de accu-UUT, afhankelijk van de voertuigtoepassing, worden vervuld en moeten de testbankapparatuur in staat stellen de gevraagde testprocedure binnen de operationele grenzen van de accu-UUT uit te voeren.

5.1.   Algemene bepalingen

De onderdelen van de accu-UUT mogen verdeeld zijn over verschillende voorzieningen in het voertuig.

De accu-UUT wordt bestuurd door de BCU, de testbankapparatuur volgt de operationele grenzen die door de BCU via buscommunicatie worden verstrekt. De thermische conditioneringsvoorziening van de accu-UUT en de overeenkomstige thermische conditioneringskring op de testbankapparatuur functioneren overeenkomstig de BCU-regeling, tenzij anders bepaald in de testprocedure. De BCU stelt de testbankapparatuur in staat om de gevraagde testprocedure uit te voeren binnen de operationele grenzen van de accu-UUT. Indien nodig wordt het BCU-programma door de onderdeelfabrikant aangepast voor de gevraagde testprocedure, maar binnen de operationele en veiligheidsgrenzen van de accu-UUT.

5.1.1.   Voorwaarden voor thermische stabilisatie

Thermische stabilisatie is bereikt als gedurende een periode van één uur de afwijkingen tussen de door de onderdeelfabrikant gespecificeerde celtemperatuur en de temperatuur van alle meetpunten voor celtemperatuur kleiner zijn dan ± 7 K.

5.1.2.   Gebruik van tekens

5.1.2.1.   Elektrische stroom

De gemeten waarden voor elektrische stroom moeten een positief teken hebben bij ontlading en een negatief teken bij oplading.

5.1.3.   Referentielocatie voor omgevingstemperatuur

De omgevingstemperatuur wordt gemeten binnen een afstand van 1 m van de accu-UUT op een door de onderdeelfabrikant aangegeven punt.

5.1.4.   Thermische omstandigheden

De temperatuur waarbij de accu wordt getest, d.w.z. de beoogde bedrijfstemperatuur van de accu-UUT, wordt door de onderdeelfabrikant voorgeschreven. De temperatuur van alle meetpunten voor celtemperatuur moet tijdens alle uitgevoerde testen binnen de door de onderdeelfabrikant voorgeschreven grenswaarden liggen.

Voor accu-UUT’s met vloeistofconditionering (d.w.z. verwarming of koeling) moet de temperatuur van de conditioneringsvloeistof bij de inlaat van de accu-UUT worden geregistreerd en binnen ± 2 K van een door de onderdeelfabrikant voorgeschreven waarde worden gehouden.

Bij luchtgekoelde accu-UUT’s wordt de temperatuur van de accu-UUT op een door de onderdeelfabrikant aangegeven punt gehouden binnen + 0/– 20 K van de maximumwaarde die door de onderdeelfabrikant is voorgeschreven.

Voor alle uitgevoerde tests moet het beschikbare koel- en/of verwarmingsvermogen op de testbank worden beperkt tot een door de onderdeelfabrikant opgegeven waarde. Deze waarde moet samen met de testgegevens worden geregistreerd.

Het beschikbare koel- en/of verwarmingsvermogen op de testbank moet op basis van de volgende procedures worden bepaald en samen met de eigenlijke testgegevens van het onderdeel worden geregistreerd:

(1) 

voor vloeistofconditionering op basis van het massadebiet van de conditioneringsvloeistof en het temperatuurverschil over de warmtewisselaar aan de zijde van de accu-UUT;

(2) 

voor elektrische conditionering op basis van de spanning en de elektrische stroom. De onderdeelfabrikant mag de elektrische aansluiting van deze conditioneringseenheid in het kader van de certificering van de accu-UUT wijzigen om een meting van de kenmerken van de accu-UUT mogelijk te maken zonder rekening te houden met het voor de conditionering vereiste elektrische vermogen (bv. als de conditionering direct in de accu-UUT is uitgevoerd en aangesloten). Onverminderd deze bepalingen moet het vereiste elektrische koel- en/of verwarmingsvermogen dat extern door een conditioneringseenheid aan de accu-UUT wordt geleverd, worden geregistreerd;

(3) 

voor andere typen conditionering op basis van goede ingenieursinzichten en na bespreking met de typegoedkeuringsinstantie.

5.2.   Voorbereidingscycli

De accu-UUT moet worden geconditioneerd aan de hand van maximaal vijf cycli van volledige ontlading gevolgd door volledige oplading zodat de prestaties van het systeem gestabiliseerd zijn voordat de eigenlijke test begint.

Opeenvolgende cycli van volledige ontlading gevolgd door volledige oplading worden uitgevoerd bij de door de onderdeelfabrikant vastgestelde bedrijfstemperatuur tot de toestand „voorgeconditioneerd” is bereikt. Het criterium voor een „voorgeconditioneerde” accu-UUT is dat de ontladingscapaciteit tijdens twee opeenvolgende ontladingen niet verandert met een waarde groter dan 3 % van de nominale capaciteit of dat vijf cycli werden uitgevoerd.

De spanning van de accu-UUT mag aan het einde van de ontlading niet dalen onder de door de onderdeelfabrikant aanbevolen minimumspanning (de minimumspanning is de laagste spanning bij ontlading zonder onomkeerbare schade toe te brengen aan de accu-UUT). De criteria voor de beëindiging van de volledige ontladings- en de volledige laadcyclus worden door de onderdeelfabrikant vastgesteld.

5.2.1.   Huidige niveaus voor de voorbereidingscycli van een HPBS

Het ontladen gebeurt met een stroomsterkte van 2 C, het laden overeenkomstig de aanbevelingen van de onderdeelfabrikant.

5.2.2.   Huidige niveaus voor de voorbereidingscycli voor voorconditionering van een HEBS

Het ontladen gebeurt met een stroomsterkte van 1/3 C, het laden overeenkomstig de aanbevelingen van de onderdeelfabrikant.

5.3.   Standaardcyclus

Een standaardcyclus (SC) is bedoeld om ervoor te zorgen dat elke specifieke test van een accu-UUT met dezelfde begintoestand start, ook wat betreft de geladen energie voor CoP-doeleinden overeenkomstig aanhangsel 12. De standaardcyclus wordt uitgevoerd bij de door de onderdeelfabrikant voorgeschreven bedrijfstemperatuur.

5.3.1.   Standaardcyclus voor een HPBS

De standaardcyclus voor een HPBS bestaat achtereenvolgens uit de volgende onderdelen: een standaardontlading, een rustperiode, een standaardoplading en een tweede rustperiode.

De standaardprocedure voor ontladen gebeurt met een stroomsterkte van 1 C tot het minimale laadniveau overeenkomstig de aanbevelingen van de onderdeelfabrikant.

De rustperiode begint onmiddellijk na het beëindigen van het ontladen en duurt 30 minuten.

De standaardprocedure voor opladen wordt uitgevoerd overeenkomstig de specificaties van de onderdeelfabrikant betreffende de criteria voor het beëindigen van het laden en de toepasselijke tijdsgrenzen voor de gehele laadprocedure.

De tweede rustperiode begint onmiddellijk na het beëindigen van het laden en duurt 30 minuten.

5.3.2.   Standaardcyclus voor een HEBS

De standaardcyclus voor een HEBS bestaat achtereenvolgens uit de volgende onderdelen: een standaardontlading, een rustperiode, een standaardoplading en een tweede rustperiode.

De standaardprocedure voor ontladen gebeurt met een stroomsterkte van 1/3 C tot het minimale laadniveau overeenkomstig de aanbevelingen van de onderdeelfabrikant.

De rustperiode begint onmiddellijk na het beëindigen van het ontladen en duurt 30 minuten.

De standaardprocedure voor opladen wordt uitgevoerd overeenkomstig de specificaties van de onderdeelfabrikant betreffende de criteria voor het beëindigen van het laden en de toepasselijke tijdsgrenzen voor de gehele laadprocedure.

De tweede rustperiode begint onmiddellijk na het beëindigen van het laden en duurt 30 minuten.

5.4.   Uit te voeren tests

Alvorens de tests overeenkomstig dit punt worden uitgevoerd, wordt de accu-UUT onderworpen aan de bepalingen overeenkomstig punt 5.2.

5.4.1.   Testprocedure voor nominale capaciteit

Deze test meet de nominale capaciteit van de accu-UUT in Ah bij constante ontladingssnelheden.

5.4.1.1.   Te meten signalen

De volgende signalen worden tijdens de voorconditionering, de uitgevoerde standaardcycli en de eigenlijke test geregistreerd:

— 
laad-/ontlaadstroom aan de aansluitpunten van de accu-UUT;
— 
spanning over de aansluitpunten van de accu-UUT;
— 
temperaturen aan alle meetpunten van de accu-UUT;
— 
omgevingstemperatuur in de testbank;
— 
verwarmings- of koelingsvermogen voor de accu-UUT.

5.4.1.2.   Test

Nadat de accu-UUT volledig is opgeladen overeenkomstig de specificaties van de onderdeelfabrikant en de thermische evenwichtstoestand overeenkomstig punt 5.1.1 is bereikt, wordt een standaardcyclus overeenkomstig punt 5.3 uitgevoerd.

De eigenlijke test moet binnen 3 uur na het einde van de standaardcyclus beginnen, anders moet de standaardcyclus worden herhaald.

De eigenlijke test moet worden uitgevoerd bij kamertemperatuur en bestaan uit een constante stroomontlading met de volgende ontladingssnelheden:

— 
voor een HPBS met de nominale capaciteit van de onderdeelfabrikant van 1 C in Ah;
— 
voor een HEBS met de nominale capaciteit van de onderdeelfabrikant van 1/3 C in Ah.

Alle ontladingstests worden beëindigd wanneer de minimumwaarden overeenkomstig de specificaties van de onderdeelfabrikant zijn bereikt.

5.4.1.3.   Interpretatie van de resultaten

De capaciteit in Ah die wordt verkregen op basis van de geïntegreerde accustroom als functie van de tijd tijdens de eigenlijke test overeenkomstig punt 5.4.1.2, wordt gebruikt als waarde voor de nominale capaciteit.

5.4.1.4.   Te rapporteren gegevens

De volgende gegevens moeten ook worden gerapporteerd:

— 
nominale capaciteit, bepaald overeenkomstig punt 5.4.1.3;
— 
gemiddelde waarden tijdens de eigenlijke test van alle overeenkomstig punt 5.4.1.1 geregistreerde signalen.

Met het oog op de controle van de conformiteit van de productie worden ook de volgende waarden berekend:

— 
de totale geladen energie, Echa, van 20 naar 80 % van het laadniveau tijdens de standaardcyclus die vóór de eigenlijke test wordt uitgevoerd;
— 
de totale ontladen energie, Edis, van 80 naar 20 % van het laadniveau tijdens de eigenlijke test.

Alle gebruikte waarden voor het laadniveau worden berekend op basis van de werkelijk gemeten nominale capaciteit zoals bepaald overeenkomstig punt 5.4.1.3.

De round-tripefficiëntie ηBAT wordt berekend door de totale ontladen energie ,Edis, te delen door de totale geladen energie, Echa, en wordt gerapporteerd in het inlichtingenformulier overeenkomstig aanhangsel 5.

5.4.2.   Testprocedure voor opencircuitspanning, interne weerstand en stroomlimieten

Deze test meet de ohmse weerstand voor ontladings- en oplaadomstandigheden, alsook de opencircuitspanning van de accu-UUT als een functie van het laadniveau. Bovendien wordt de door de onderdeelfabrikant opgegeven maximumstroom voor ontladen en laden gecontroleerd.

5.4.2.1.   Algemene bepalingen voor de tests

Alle gebruikte waarden voor het laadniveau worden berekend op basis van de werkelijk gemeten nominale capaciteit zoals bepaald overeenkomstig punt 5.4.1.3.

Alleen wanneer de accu-UUT tijdens het ontladen de grenswaarde voor de ontladingsspanning bereikt, wordt de stroom zodanig verlaagd dat de spanning van de accu-UUT gedurende de volledige ontladingspuls op de grenswaarde voor ontladingsspanning wordt gehouden.

Alleen wanneer de accu-UUT tijdens het laden de grenswaarde voor de laadspanning bereikt, wordt de stroom zodanig verlaagd dat de spanning van de accu-UUT gedurende de volledige regeneratieve laadpuls op de grenswaarde voor laadspanning wordt gehouden.

Als de testapparatuur binnen 100 ms na een verandering in het stroomprofiel de stroomwaarde niet met de vereiste nauwkeurigheid van ± 1 % van de streefwaarde kan berekenen, worden de desbetreffende geregistreerde gegevens buiten beschouwing gelaten en worden aan de hand van deze gegevens geen gerelateerde waarden voor opencircuitspanning en interne weerstand berekend.

Als de door de BCU via buscommunicatie verstrekte operationele grenzen vereisen dat de stroom wordt verlaagd om binnen de operationele grenzen van de accu-UUT te blijven, moet de testbankapparatuur de respectieve doelstroom verlagen in overeenstemming met de eisen van de BCU.

5.4.2.2.   Te meten signalen

De volgende signalen worden tijdens de voorconditionering en de eigenlijke test geregistreerd:

— 
ontlaadstroom aan de aansluitpunten van de accu-UUT;
— 
spanning over de aansluitpunten van de accu-UUT;
— 
temperaturen aan alle meetpunten van de accu-UUT;
— 
omgevingstemperatuur in de testbank;
— 
verwarmings- of koelingsvermogen voor de accu-UUT.

5.4.2.3.   Test

5.4.2.3.1.   Voorconditionering

Nadat de accu-UUT volledig is opgeladen overeenkomstig de specificaties van de onderdeelfabrikant en de thermische evenwichtstoestand overeenkomstig punt 5.1.1 is bereikt, wordt een standaardcyclus overeenkomstig punt 5.3 uitgevoerd.

Binnen een periode van 1 tot 3 uur na het einde van de standaardcyclus wordt met de eigenlijke test begonnen. Zo niet, dan wordt de procedure van het vorige punt herhaald.

5.4.2.3.2.   Testprocedure

Voor een HPBS wordt de test uitgevoerd bij vijf verschillende laadniveaus: 80, 65, 50, 35 en 20 %.

Voor een HEBS wordt de test uitgevoerd bij vijf verschillende laadniveaus: 90, 70, 50, 35 en 20 %.

In de laatste stap bij een laadniveau van 20 % mag de onderdeelfabrikant de maximale ontlaadstroom van de accu-UUT verlagen zodat het laadniveau boven het minimale laadniveau blijft, in overeenstemming met de specificaties van de onderdeelfabrikant, en een diepe ontlading wordt vermeden.

Voor het begin van de eigenlijke tests op elk laadniveau moet de accu-UUT overeenkomstig punt 5.4.2.3.1 worden voorgeconditioneerd.

Om de voor het testen vereiste laadniveaus te bereiken vanuit de begintoestand van de accu-UUT, moet deze worden ontladen met een constante stroomsnelheid van 1 C voor een HPBS en van 1/3 C voor een HEBS, gevolgd door een rustperiode van 30 minuten voordat de volgende meting begint.

De onderdeelfabrikant moet voorafgaand aan de test de maximale laad- en ontlaadstroom bij elk verschillend laadniveau aangeven die kan worden toegepast gedurende het volledige respectieve tijdsinterval van de stroompuls zoals gedefinieerd overeenkomstig tabel 3 voor een HPBS en tabel 4 voor een HEBS.

De eigenlijke test wordt uitgevoerd bij kamertemperatuur en bestaat uit het stroomprofiel overeenkomstig tabel 3 voor een HPBS en overeenkomstig tabel 4 voor een HEBS.



Tabel 3

Stroomprofiel voor HPBS

Tijdsinterval [s]

Cumulatieve tijd [s]

Doelstroom

0

0

0

20

20

Idischg_max/33

40

60

0

20

80

Ichg_max/33

40

120

0

20

140

Idischg_max/32

40

180

0

20

200

Ichg_max/32

40

240

0

20

260

Idischg_max/3

40

300

0

20

320

Ichg_max/3

40

360

0

20

380

Idischg_max

40

420

0

20

440

Ichg_max

40

480

0



Tabel 4

Stroomprofiel voor HEBS

Tijdsinterval [s]

Cumulatieve tijd [s]

Doelstroom

0

0

0

120

120

Idischg_max/33

40

160

0

120

280

Ichg_max/33

40

320

0

120

440

Idischg_max/32

40

480

0

120

600

Ichg_max/32

40

640

0

120

760

Idischg_max/3

40

800

0

120

920

Ichg_max/3

40

960

0

120

1080

Idischg_max

40

1120

0

120

1240

Ichg_max

40

1280

0

waarbij

Idischg_max

de absolute waarde van de maximale ontlaadstroom die door de onderdeelfabrikant voor het specifieke laadniveau is voorgeschreven en die kan worden toegepast gedurende het volledige respectieve tijdsinterval van de stroompuls;

Ichg_max

de absolute waarde van de maximale laadstroom die door de onderdeelfabrikant voor het specifieke laadniveau is voorgeschreven en die kan worden toegepast gedurende het volledige respectieve tijdsinterval van de stroompuls;

De spanning op tijdstip nul van de test voordat de eerste verandering in de doelstroom optreedt, d.w.z. V0, moet worden gemeten als gemiddelde waarde over 100 ms.

Voor een HPBS moeten de volgende spanningen en stromen worden gemeten:

(1) 

voor elk verschillend pulsniveau van de ontlaad- en laadstroom zoals gespecificeerd in tabel 3 wordt de spanning bij nulstroom als gemiddelde waarde gedurende de laatste seconde voordat de verandering in doelstroom optreedt, d.w.z. Vdstart voor ontladen en Vcstart voor laden, gemeten;

(2) 

voor elk verschillend pulsniveau van de ontlaadstroom, zoals gespecificeerd in tabel 3, wordt de spanning op 2, 10 en 20 seconden nadat de verandering in doelstroom (Vd2, Vd10, Vd20) en de bijbehorende stroom (Id2, Id10, en Id20) optreedt, gemeten als gemiddelde waarde over 100 ms;

(3) 

voor elk verschillend pulsniveau van de laadstroom, zoals gespecificeerd in tabel 3, wordt de spanning op 2, 10 en 20 seconden nadat de verandering in doelstroom (Vc2, Vc10, Vc20) en de bijbehorende stroom (Ic2, Ic10, en Ic20) optreedt, gemeten als gemiddelde waarde over 100 ms.

Tabel 5 bevat een overzicht van de spannings- en stroomwaarden die als functie van de tijd moeten worden gemeten na de verandering van de doelstroom voor een HPBS.



Tabel 5

Spanningsmeetpunten voor elk verschillend niveau van een stroompuls (ontladen en opladen) voor een HPBS

Tijd nadat de verandering in doelstroom optreedt [s]

Ontladen (D) of opladen (C)

Spanning

Elektrische stroom

2

D

Vd2

Id2

10

D

Vd10

Id10

20

D

Vd20

Id20

2

C

Vc2

Ic2

10

C

Vc10

Ic10

20

C

Vc20

Ic20

Voor een HEBS moeten de volgende spanningen en stromen worden gemeten:

(1) 

voor elk verschillend pulsniveau van de ontlaad- en laadstroom, zoals gespecificeerd in tabel 4, wordt de spanning bij nulstroom als gemiddelde waarde gedurende de laatste seconde voordat de verandering in doelstroom optreedt, d.w.z. Vdstart voor ontladen en Vcstart voor laden, gemeten;

(2) 

voor elk verschillend pulsniveau van de ontlaadstroom, zoals gespecificeerd in tabel 4, wordt de spanning op 2, 10, 20 en 120 seconden nadat de verandering in doelstroom (Vd2, Vd10, Vd20 en Vd120) en de bijbehorende stroom (Id2, Id10, Id20 en Id120) optreedt, gemeten als gemiddelde waarde over 100 ms;

(3) 

voor elk verschillend pulsniveau van de laadstroom, zoals gespecificeerd in tabel 4, wordt de spanning op 2, 10, 20 en 120 seconden nadat de verandering in doelstroom (Vc2, Vc10, Vc20 en Vc120) en de bijbehorende stroom (Ic2, Ic10, Ic20 en Ic120) optreedt, gemeten als gemiddelde waarde over 100 ms.

Tabel 6 bevat een overzicht van de spannings- en stroomwaarden die in de tijd moeten worden gemeten na de verandering van de doelstroom voor een HEBS.



Tabel 6

Spanningsmeetpunten voor elk verschillend niveau van een stroompuls (ontladen en opladen) voor een HEBS

Tijd nadat de verandering in doelstroom optreedt [s]

Ontladen (D) of opladen (C)

Spanning

Elektrische stroom

2

D

Vd2

Id2

10

D

Vd10

Id10

20

D

Vd20

Id20

120

D

Vd120

Id120

2

C

Vc2

Ic2

10

C

Vc10

Ic10

20

C

Vc20

Ic20

120

C

Vc120

Ic120

5.4.2.4.   Interpretatie van de resultaten

De volgende berekeningen worden afzonderlijk uitgevoerd voor elk laadniveau dat overeenkomstig punt 5.4.2.3 is gemeten.

5.4.2.4.1.   Berekeningen voor een HPBS

(1) 

Voor elk verschillend pulsniveau van de ontlaadstroom zoals gespecificeerd in tabel 3 worden de waarden voor de interne weerstand berekend op basis van de waarden voor spanning en stroom die overeenkomstig punt 5.4.2.3 zijn gemeten, en wel volgens de volgende vergelijkingen:

— 
RId2 = (Vdstart – Vd2) / Id2;
— 
RId10 = (Vdstart – Vd10) / Id10;
— 
RId20 = (Vdstart – Vd20) / Id20;
(2) 

De interne ontladingsweerstanden RId2_avg, RId10_avg, RId20_avg worden berekend als gemiddelde over alle verschillende in tabel 3 vermelde stroompulsniveaus op basis van de afzonderlijke waarden berekend volgens punt 1.

(3) 

Voor elk verschillend pulsniveau van de laadstroom zoals gespecificeerd in tabel 3 worden de waarden voor de interne weerstand berekend op basis van de waarden voor spanning en stroom die overeenkomstig punt 5.4.2.3 zijn gemeten, en wel volgens de volgende vergelijkingen:

— 
RIc2 = (Vcstart – Vc2) / Ic2;
— 
RIc10 = (Vcstart – Vc10) / Ic10;
— 
RIc20 = (Vcstart – Vc20) / Ic20;
(4) 

De interne laadweerstanden RIc2_avg, RIc10_avg, RIc20_avg worden berekend als gemiddelde over alle verschillende in tabel 3 vermelde stroompulsniveaus op basis van de afzonderlijke waarden berekend volgens punt 3.

(5) 

De totale interne weerstanden RI2, RI10 en RI20 worden berekend als gemiddelde van de respectieve waarden voor ontladen en laden die in de punten 2 en 4 zijn berekend.

(6) 

De opencircuitspanning is de overeenkomstig punt 5.4.2.3 gemeten waarde V0 voor het respectieve laadniveau.

(7) 

De grenswaarden voor de maximale ontlaadstroom worden berekend als gemiddelde waarde over 20 seconden bij de doelstroom Idischg_max voor elk laadniveau, gemeten overeenkomstig punt 5.4.2.3.

(8) 

De grenswaarden voor de maximale laadstroom worden berekend als gemiddelde waarde over 20 seconden bij de doelstroom Ichg_max voor elk laadniveau, gemeten overeenkomstig punt 5.4.2.3. De absolute waarden van de resultaten worden gerapporteerd als definitieve waarden.

5.4.2.4.2.   Berekeningen voor een HEBS

(1) 

Voor elk verschillend pulsniveau van de ontlaadstroom, zoals gespecificeerd in tabel 4, worden de waarden voor interne weerstand berekend op basis van de waarden van spanning en stroom die overeenkomstig punt 5.4.2.3 zijn gemeten, en wel volgens de volgende vergelijkingen:

— 
RId2 = (Vdstart – Vd2) / Id2;
— 
RId10 = (Vdstart – Vd10) / Id10;
— 
RId20 = (Vdstart – Vd20) / Id20;
— 
RId120 = (Vdstart – Vd120) / Id120.
(2) 

De interne ontladingsweerstanden RId2_avg, RId10_avg, RId20_avg en RId120_avg worden berekend als gemiddelde over alle verschillende in tabel 4 vermelde stroompulsniveaus op basis van de afzonderlijke waarden berekend volgens punt 1.

(3) 

Voor elk verschillend pulsniveau van de laadstroom, zoals gespecificeerd in tabel 4, worden de waarden voor interne weerstand berekend op basis van de waarden van spanning en stroom die overeenkomstig punt 5.4.2.3 zijn gemeten, en wel volgens de volgende vergelijkingen:

— 
RIc2 = (Vcstart – Vc2) / Ic2;
— 
RIc10 = (Vcstart – Vc10) / Ic10;
— 
RIc20 = (Vcstart – Vc20) / Ic20;
— 
RIc120 = (Vcstart – Vc120) / Ic120.
(4) 

De interne laadweerstanden RIc2_avg, RIc10_avg, RIc20_avg en RIc120_avg worden berekend als gemiddelde over alle verschillende in tabel 4 vermelde stroompulsniveaus op basis van de afzonderlijke waarden berekend volgens punt 3.

(5) 

De totale interne weerstanden RI2, RI10, RI20 en RI120 worden berekend als gemiddelde van de respectieve waarden voor ontladen en laden die in de punten 2 en 4 zijn berekend.

(6) 

De opencircuitspanning is de overeenkomstig punt 5.4.2.3 gemeten waarde V0 voor het respectieve laadniveau.

(7) 

De grenswaarden voor de maximale ontlaadstroom worden berekend als gemiddelde waarde over 120 seconden bij de doelstroom Idischg_max voor elk laadniveau, gemeten overeenkomstig punt 5.4.2.3.

(8) 

De grenswaarden voor de maximale laadstroom worden berekend als gemiddelde waarde over 120 seconden bij de doelstroom Ichg_max voor elk laadniveau, gemeten overeenkomstig punt 5.4.2.3. De absolute waarden van de resultaten worden gerapporteerd als definitieve waarden.

5.5.   Verwerking van meetgegevens van de accu-UUT

De van het laadniveau afhankelijke waarden voor opencircuitspanning worden bepaald op basis van de waarden die voor de verschillende laadniveaus zijn verkregen overeenkomstig punt 5.4.2.4.1, 6), voor een HPBS en punt 5.4.2.4.2 voor een HEBS.

De verschillende van het laadniveau afhankelijke waarden voor interne weerstand worden bepaald op basis van de waarden die voor de verschillende laadniveaus zijn verkregen overeenkomstig punt 5.4.2.4.1, 5), voor een HPBS en punt 5.4.2.4.2 voor een HEBS.

De grenswaarden voor de maximale ontlaadstroom en de maximale laadstroom worden vastgesteld op basis van de waarden die de onderdeelfabrikant voorafgaand aan de test heeft opgegeven. Als een specifieke waarde voor de maximale ontlaadstroom of maximale laadstroom, bepaald overeenkomstig punt 5.4.2.4.1, 7) en 8), voor een HPBS en punt 5.4.2.4.2 voor een HEBS, meer dan ± 2 % afwijkt van de waarde die de onderdeelfabrikant voorafgaand aan de test heeft opgegeven, moet de respectieve waarde, bepaald overeenkomstig punt 5.4.2.4.1, 7) en 8), voor een HPBS en punt 5.4.2.4.2 voor een HEBS, worden gerapporteerd.

6.   Testen van condensatorsystemen of representatieve condensatorsubsystemen

6.1.   Algemene bepalingen

De onderdelen van het condensatorsysteem van de condensator-UUT mogen verdeeld zijn over verschillende voorzieningen in het voertuig.

De eigenschappen van een condensator zijn nauwelijks afhankelijk van het laadniveau of de stroom. Daarom wordt voor de berekening van de modelinputparameters slechts één test voorgeschreven.

6.1.1.   Gebruik van tekens voor stroom

De gemeten waarden voor elektrische stroom moeten een positief teken hebben bij ontlading en een negatief teken bij oplading.

6.1.2.   Referentielocatie voor omgevingstemperatuur

De omgevingstemperatuur wordt gemeten binnen een afstand van 1 m van de condensator-UUT op een door de onderdeelfabrikant aangegeven punt.

6.1.3.   Thermische omstandigheden

De temperatuur waarbij de condensator wordt getest, d.w.z. de beoogde bedrijfstemperatuur van de condensator-UUT, wordt door de onderdeelfabrikant voorgeschreven. De temperatuur van alle meetpunten voor condensatorceltemperatuur moet tijdens alle uitgevoerde testen binnen de door de onderdeelfabrikant voorgeschreven grenswaarden liggen.

Voor condensator-UUT’s met vloeistofconditionering (d.w.z. verwarming of koeling) moet de temperatuur van de conditioneringsvloeistof bij de inlaat van de condensator-UUT worden geregistreerd en binnen ± 2 K van een door de onderdeelfabrikant voorgeschreven waarde worden gehouden.

Bij luchtgekoelde condensator-UUT’s wordt de temperatuur op een door de onderdeelfabrikant aangegeven punt gehouden binnen + 0/– 20 K van de door de onderdeelfabrikant voorgeschreven maximumwaarde.

Voor alle uitgevoerde tests moet het beschikbare koel- en/of verwarmingsvermogen op de testbank worden beperkt tot een door de onderdeelfabrikant opgegeven waarde. Deze waarde moet samen met de testgegevens worden geregistreerd.

Het beschikbare koel- en/of verwarmingsvermogen op de testbank moet op basis van de volgende procedures worden bepaald en samen met de eigenlijke testgegevens van het onderdeel worden geregistreerd:

(1) 

voor vloeistofconditionering op basis van het massadebiet van de conditioneringsvloeistof en het temperatuurverschil over de warmtewisselaar aan de zijde van de condensator-UUT;

(2) 

voor elektrische conditionering op basis van de spanning en de elektrische stroom. De onderdeelfabrikant mag de elektrische aansluiting van deze conditioneringseenheid in het kader van de certificering van de condensator-UUT wijzigen om een meting van de kenmerken van de condensator-UUT mogelijk te maken zonder rekening te houden met het voor de conditionering vereiste elektrische vermogen (bv. als de conditionering direct in de condensator-UUT is uitgevoerd en in de condensator-UUT is aangesloten). Onverminderd deze bepalingen moet het vereiste elektrische koel- en/of verwarmingsvermogen dat extern door een conditioneringseenheid aan de condensator-UUT wordt geleverd, worden geregistreerd;

(3) 

voor andere typen conditionering op basis van goede ingenieursinzichten en na bespreking met de typegoedkeuringsinstantie.

6.2.   Testomstandigheden

a) 

De condensator-UUT wordt in een testcel met temperatuurregeling geplaatst. De omgevingstemperatuur wordt op 25 ± 10 °C gehouden.

b) 

De spanning wordt gemeten aan de aansluitpunten van de condensator-UUT.

c) 

Het thermische conditioneringssysteem van de condensator-UUT en de overeenkomstige thermische conditioneringskring op de testbankapparatuur moeten volledig operationeel zijn overeenkomstig de respectieve regelingen.

d) 

De regeleenheid stelt de testbankapparatuur in staat om de gevraagde testprocedure uit te voeren binnen de operationele grenzen van de condensator-UUT. Indien nodig moet het programma van de regeleenheid door de fabrikant van de condensator-UUT worden aangepast aan de gevraagde testprocedure.

6.3.   Karakteriseringstest condensator-UUT

a) 

Nadat de condensator-UUT volledig is opgeladen en vervolgens volledig is ontladen tot de laagste bedrijfsspanning overeenkomstig de door de onderdeelfabrikant voorgeschreven laadmethode, moet hij gedurende ten minste 2 uur, maar niet langer dan 6 uur, worden geïmpregneerd.

b) 

Aan het begin van de test moet de temperatuur van de condensator-UUT 25 ± 2 °C bedragen. Er mag echter voor 45 ± 2 °C worden gekozen als aan de typegoedkeurings- of certificeringsinstantie wordt gemeld dat deze temperatuur representatiever is voor de omstandigheden van de typische toepassing.

c) 

Na de impregneertijd moet een volledige laad- en ontlaadcyclus overeenkomstig figuur 2 met constante stroom Itest worden uitgevoerd. Itest is de maximaal toegelaten continue stroom voor de condensator-UUT zoals gespecificeerd door de onderdeelfabrikant.

d) 

Na een wachttijd van ten minste 30 seconden (t0 tot t1) wordt de condensator-UUT opgeladen met een constante stroom Itest tot de maximale bedrijfsspanning V max is bereikt. Vervolgens wordt het opladen stopgezet en wordt de condensator-UUT gedurende 30 seconden (t2 tot en met t3) geïmpregneerd, zodat de spanning zich op haar definitieve waarde V b kan stabiliseren voordat met het ontladen wordt begonnen. Daarna moet de condensator-UUT worden ontladen met een constante stroom Itest tot de laagste bedrijfsspanning V min is bereikt. Vervolgens (vanaf t4) is er nog een wachttijd van ten minste 30 seconden om de spanning tot haar definitieve waarde Vc te laten stabiliseren.

e) 

De stroom en de spanning als functie van de tijd, respectievelijk Imeas en Vmeas, worden geregistreerd met een bemonsteringsfrequentie van ten minste 10 Hz.

f) 

De volgende karakteristieke waarden worden op basis van de meting vastgesteld (zie figuur 2):

V a is de nullastspanning vlak voor het begin van de laadpuls;
V b is de nullastspanning vlak voor het begin van de ontladingspuls;
V c is de nullastspanning vlak na het einde van de ontladingspuls;
ΔV(t 1), ΔV(t 3) zijn de spanningswijzigingen vlak na het toepassen van de constante laad- of ontlaadstroom I test op respectievelijk het tijdstip t 1 en t 3. Deze spanningswijzigingen worden bepaald door toepassing van een lineaire benadering op de spanningskarakteristieken zoals gedefinieerd in detail A van figuur 2 met behulp van de kleinstekwadratenmethode. De gegevensbemonstering voor de rechtelijnbenadering begint zodra de wijziging in de gradiënt, berekend op basis van twee aangrenzende gegevenspunten, kleiner is dan 0.5 % in de richting van het oplopende tijdsignaal.

Figuur 2

Voorbeeld van een spanningscurve voor de meting van de condensator-UUT

image

ΔV(t 1) is het absolute verschil van de spanningen tussen V a en de interceptwaarde van de rechtelijnbenadering op het tijdstip t 1.
ΔV(t 3) is het absolute verschil van de spanningen tussen V b en de interceptwaarde van de rechtelijnbenadering op het tijdstip t 3.
ΔV(t 2) is het absolute verschil van de spanningen tussen V max en V b.
ΔV(t 4) is het absolute verschil van de spanningen tussen V min en V c.

6.4.   Verwerking van meetgegevens van de condensator-UUT

6.4.1.   Berekening van de interne weerstand en capaciteit

De overeenkomstig punt 6.3 verkregen meetgegevens worden gebruikt om de interne weerstand (R) en de capaciteit (C) te berekenen overeenkomstig de volgende vergelijkingen:

a) 

de capaciteit voor het opladen en ontladen wordt als volgt berekend:

opladen:

image

ontladen:

image

b) 

de maximumstroom voor het opladen en ontladen wordt als volgt berekend:

opladen:

image

ontladen:

image

c) 

de interne weerstand voor het opladen en ontladen wordt als volgt berekend:

opladen:

image

ontladen:

image

d) 

voor het model zijn slechts één capaciteit en weerstand nodig, en zij worden als volgt berekend:

capaciteit C:

image

weerstand R:

image

e) 

de maximumspanning wordt gedefinieerd als de geregistreerde waarde Vb en de minimumspanning wordt gedefinieerd als de geregistreerde waarde Vc, zoals gedefinieerd overeenkomstig punt 6.3, f).




Aanhangsel 1

MODEL VAN EEN CERTIFICAAT VOOR EEN ONDERDEEL, TECHNISCHE EENHEID OF SYSTEEM

Maximumformaat: A4 (210 × 297 mm)

CERTIFICAAT BETREFFENDE CO2-EMISSIE- EN BRANDSTOFVERBRUIKSEIGENSCHAPPEN VAN EEN ELEKTRISCHE-MACHINESYSTEEM / IEPC / IHPC VAN TYPE 1 / ACCUSYSTEEM/ CONDENSATORSYSTEEM

Stempel instantie

Mededeling betreffende de:

— 
verlening (1)
— 
uitbreiding (1)
— 
weigering (1)
— 
intrekking (1)

van een certificaat betreffende CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen van een elektrische-machinesysteem / IEPC / IHPC van type 1 / accusysteem/ condensatorsysteem overeenkomstig Verordening (EU) 2017/2400 van de Commissie.

Verordening (EU) 2017/2400 van de Commissie, zoals laatstelijk gewijzigd bij ……………..

Certificeringsnummer:

Hash:

Reden van de uitbreiding:

AFDELING I

0.1. Merk (handelsnaam van de fabrikant):

0.2. Type:

0.3. Middel tot identificatie van het type:

0.3.1. Plaats van het certificeringsmerk:

0.3.2. Wijze van aanbrenging van het certificeringsmerk:

0.5. Naam en adres van de fabrikant:

0.6. Naam en adres van de assemblagefabriek(en):

0.7. Naam en adres van de eventuele vertegenwoordiger van de fabrikant:

AFDELING II

1. Eventuele aanvullende informatie: zie addendum

2. Goedkeuringsinstantie die verantwoordelijk is voor de uitvoering van de tests:

3. Datum van het testrapport:

4. Nummer van het testrapport:

5. Eventuele opmerkingen: zie addendum

6. Plaats:

7. Datum:

8. Handtekening:

Bijlagen:

Informatiepakket. Testrapport.




Aanhangsel 2

Inlichtingenformulier voor een elektrische-machinesysteem

Inlichtingenformulier nr.:

Betreft:

Datum van afgifte:

Datum van de wijziging:

krachtens …

Elektrische-machinesysteemtype / -familie (indien van toepassing):

0. ALGEMEEN

0.1. Naam en adres van de fabrikant:

0.2. Merk (handelsnaam van de fabrikant):

0.3. Elektrische-machinesysteemtype:

0.4. Elektrische-machinesysteemfamilie:

0.5. Elektrische-machinesysteemtype als technische eenheid / elektrische-machinesysteemfamilie als technische eenheid

0.6. Handelsnaam of -namen (indien van toepassing):

0.7. Middel tot identificatie van het model, indien aangebracht op het elektrische-machinesysteem:

0.8. In het geval van onderdelen en technische eenheden, plaats en wijze van aanbrenging van het EG-goedkeuringsmerk:

0.9. Naam en adres van de assemblagefabriek(en):

0.10. Naam en adres van de vertegenwoordiger van de fabrikant:

DEEL 1

ESSENTIËLE EIGENSCHAPPEN VAN (OUDER)ELEKTrische-macHINESYSTEEM EN TYPEN ELEKTRISCHE MACHINES BINNEN EEN FAMILIE VAN ELEKTrische-macHINESYSTEMEN



 

|Ouder-EMS

|Leden v.d. familie

 

|of EMS-type

|

 

|

| #1

| #2

| #3

|

1. Algemeen

1.1. Testspanning(en): V

1.2. Basistoerental van de motor: min–1

1.3. Maximumsnelheid uitgaande aandrijfas motor: min–1

1.4. (of standaard) toerental reductor/uitgaande as van de versnellingsbak: min–1

1.5. Toerental bij maximumvermogen: min–1

1.6. Maximumvermogen: kW

1.7. Toerental bij het maximumkoppel: min–1

1.8. Maximumkoppel: Nm

1.9. Maximumvermogen gedurende 30 minuten: kW

2. Elektrische machine

2.1. Werkingsprincipe

2.1.1. Gelijkstroom (DC)/wisselstroom (AC):

2.1.2. Aantal fasen:

2.1.3. Bekrachtiging/afzonderlijk/in serie/samengesteld:

2.1.4. Synchroon/asynchroon:

2.1.5. Rotor met spoelen/met permanente magneten/met behuizing:

2.1.6. Aantal polen van de motor:

2.2. Rotatie-inertie: kgm2

3. Vermogensregelaar

3.1. Merk:

3.2. Type:

3.3. Werkingsprincipe:

3.4. Regelprincipe: vectorieel/open circuit/gesloten/ander (specificeren):

3.5. Maximale effectieve stroomtoevoer naar de motor: A

3.6. Voor maximale duur van: s

3.7. Gebruikt DC-spanningsbereik (van/tot): V

3.8. DC/DC-omvormer maakt deel uit van het elektrische-machinesysteem overeenkomstig punt 4.1 van deze bijlage (ja/nee):

4. Koelsysteem

4.1. Motor (vloeistof/lucht/ander (specificeren)):

4.2. Regelaar (vloeistof/lucht/ander (specificeren)):

4.3. Beschrijving van het systeem:

4.4. Ontwerptekening(en):

4.5. Grenswaarden temperatuur (min/max): K

4.6. Op referentiepositie:

4.7. Debiet (min/max): L/min

5. Gedocumenteerde waarden van onderdeeltests

5.1. Rendementswaarden voor CoP ( 24 ):

5.2. Koelsysteem (opgave voor elk koelcircuit):

5.2.1. Maximaal koelmiddelmassadebiet of -volumedebiet of maximale inlaatdruk:

5.2.2. Maximale koelmiddeltemperaturen:

5.2.3. Maximaal beschikbaar koelvermogen:

5.2.4. Geregistreerde gemiddelde waarden van elke test

5.2.4.1. Koelmiddelvolumedebiet of -massadebiet:

5.2.4.2. Koelmiddeltemperatuur aan de inlaat van het koelcircuit:

5.2.4.3. Koelmiddeltemperatuur aan de inlaat en uitlaat van de warmtewisselaar van de testbank aan de zijde van de EMS:

LIJST VAN BIJLAGEN



Nr.:

Beschrijving:

Datum van afgifte:

1

Informatie over de omstandigheden van de EMS-test …

 

2

 

Bijlage 1 bij Inlichtingenformulier elektrische-machinesysteem



 

Informatie over de testomstandigheden (indien van toepassing)

1.1




Aanhangsel 3

Inlichtingenformulier voor een IEPC

Inlichtingenformulier nr.:

Betreft:

Datum van afgifte:

Datum van de wijziging:

krachtens …

IEPC-type/-familie (indien van toepassing):

0. ALGEMEEN

0.1. Naam en adres van de fabrikant:

0.2. Merk (handelsnaam van de fabrikant):

0.3. IEPC-type:

0.4. IEPC-familie:

0.5. IEPC-type als technische eenheid / IEPC-familie als technische eenheid

0.6. Handelsnaam of -namen (indien van toepassing):

0.7. Middel tot identificatie van het model, indien aangebracht op de IEPC:

0.8. In het geval van onderdelen en technische eenheden, plaats en wijze van aanbrenging van het EG-goedkeuringsmerk:

0.9. Naam en adres van de assemblagefabriek(en):

0.10. Naam en adres van de vertegenwoordiger van de fabrikant:

DEEL 1

ESSENTIËLE EIGENSCHAPPEN VAN (OUDER)IEPC EN IEPC-TYPEN BINNEN EEN IEPC-FAMILIE



 

|Ouder-IEPC

|Leden v.d. familie

 

|of IEPC-type

|

 

|

| #1

| #2

| #3

|

1. Algemeen

1.1. Testspanning(en): V

1.2. Basistoerental van de motor: min–1

1.3. Maximumsnelheid uitgaande aandrijfas motor: min–1

1.4. (of standaard) toerental reductor/uitgaande as van de versnellingsbak: min–1

1.5. Toerental bij maximumvermogen: min–1

1.6. Maximumvermogen: kW

1.7. Toerental bij het maximumkoppel: min–1

1.8. Maximumkoppel: Nm

1.9. Maximumvermogen gedurende 30 minuten: kW

1.10. Aantal elektrische machines:

2. Elektrische machine (voor elke elektrische machine):

2.1. ID van elektrische machine:

2.2. Werkingsprincipe

2.2.1. Gelijkstroom (DC)/wisselstroom (AC):

2.2.2. Aantal fasen:

2.2.3. Bekrachtiging/afzonderlijk/in serie/samengesteld:

2.2.4. Synchroon/asynchroon:

2.2.5. Rotor met spoelen/met permanente magneten/met behuizing:

2.2.6. Aantal polen van de motor:

2.3. Rotatie-inertie: kgm2

3. Vermogensregelaar (voor elke vermogensregelaar):

3.1. ID van bijbehorende elektrische machine:

3.2. Merk:

3.3. Type:

3.4. Werkingsprincipe:

3.5. Regelprincipe: vectorieel/open circuit/gesloten/ander (specificeren):

3.6. Maximale effectieve stroomtoevoer naar de motor: A

3.7. Voor maximale duur van: s

3.8. Gebruikt DC-spanningsbereik (van/tot): V

3.9. DC/DC-omvormer maakt deel uit van het elektrische-machinesysteem overeenkomstig punt 4.1 van deze bijlage (ja/nee):

4. Koelsysteem

4.1. Motor (vloeistof/lucht/ander (specificeren)):

4.2. Regelaar (vloeistof/lucht/ander (specificeren)):

4.3. Beschrijving van het systeem:

4.4. Ontwerptekening(en):

4.5. Grenswaarden temperatuur (min/max): K

4.6. Op referentiepositie:

4.7. Debiet (min/max): g/min of L/min

5. Versnellingsbak

5.1. Overbrengingsverhouding, versnellingsschema en vermogensstroom:

5.2. Hartafstand tussenasoverbrengingen:

5.3. Type van lagers op overeenkomstige plaatsen, indien gemonteerd:

5.4. Type van schakelelementen op overeenkomstige plaatsen (klauwkoppelingen, met inbegrip van synchromeshringen, of wrijvingskoppelingen), indien gemonteerd:

5.5. Totaal aantal voorwaartse versnellingen:

5.6. Aantal klauwkoppelingen:

5.7. Aantal synchronisators:

5.8. Aantal platen wrijvingskoppeling (behalve voor enkelvoudige droge koppeling met 1 of 2 platen):

5.9. Buitendiameter van platen wrijvingskoppeling (behalve voor enkelvoudige droge koppeling met 1 of 2 platen):

5.10. Oppervlakteruwheid van de tanden (incl. tekeningen):

5.11. Aantal asafdichtingen van bewegende aandrijfassen:

5.12. Oliedebiet voor smering en koeling per omwenteling van de ingaande aandrijfas van de transmissie

5.13. Olieviscositeit bij 100 °C (± 10 %):

5.14. Systeemdruk van hydraulische versnellingsbakken:

5.15. Gespecificeerd oliepeil ten opzichte van centrale as en overeenkomstig de getekende specificatie (gebaseerd op de gemiddelde waarde tussen de boven- en ondergrens) in statische of werkende toestand. Het oliepeil wordt gelijk geacht als alle roterende transmissieonderdelen (behalve de oliepomp en de aandrijving daarvan) zich boven het gespecificeerde oliepeil bevinden:

5.16. Gespecificeerd oliepeil (± 1 mm):

5.17. Overbrengingsverhoudingen [-] en maximaal ingangskoppel [Nm], maximaal ingangsvermogen (kW) en maximaal ingangstoerental [min–1] (voor elke voorwaartse versnelling):

6. Differentieel

6.1. Overbrengingsverhouding:

6.2. Technische ontwerpspecificaties:

6.3. Ontwerptekening:

6.4. Olievolume:

6.5. Oliepeil:

6.6. Oliespecificatie:

6.7. Lagertype (type, hoeveelheid, binnendiameter, buitendiameter, breedte en tekening);

6.8. Afdichtingstype (hoofddiameter, aantal keerringen):

6.9. Wieluiteinden (tekening);

6.9.1. Lagertype (type, hoeveelheid, binnendiameter, buitendiameter, breedte en tekening);

6.9.2. Afdichtingstype (hoofddiameter, aantal keerringen):

6.9.3. Type vet:

6.10. Aantal planeetwielen / rechte tandwielen voor differentieel:

6.11. Kleinste breedte van planeetwielen / rechte tandwielen voor differentieel:

7. Gedocumenteerde waarden van onderdeeltests

7.1. Rendementswaarden voor CoP (*):

7.2. Koelsysteem (opgave voor elk koelcircuit):

7.2.1. Maximaal koelmiddelmassadebiet of -volumedebiet of maximale inlaatdruk:

7.2.2. Maximale koelmiddeltemperaturen:

7.2.3. Maximaal beschikbaar koelvermogen:

7.2.4. Geregistreerde gemiddelde waarden van elke test

7.2.4.1. Koelmiddelvolumedebiet of -massadebiet:

7.2.4.2. Koelmiddeltemperatuur aan de inlaat van het koelcircuit:

7.2.4.3. Koelmiddeltemperatuur aan de inlaat en uitlaat van de warmtewisselaar van de testbank aan de zijde van de IEPC:

LIJST VAN BIJLAGEN



Nr.:

Beschrijving:

Datum van afgifte:

1

Informatie over de omstandigheden van de IEPC-test …

 

2

 

Bijlage 1 bij Inlichtingenformulier IEPC

8. Informatie over de testomstandigheden (indien van toepassing)

8.1. Hoogste getest ingangstoerental [min–1]

8.2. Hoogste geteste ingangskoppel [Nm]




Aanhangsel 4

Inlichtingenformulier voor een IHPC van type 1

Voor IHPC’s van type 1 bestaat het inlichtingenformulier uit de toepasselijke delen van het inlichtingenformulier voor elektrische-machinesystemen overeenkomstig aanhangsel 2 van deze bijlage en van het inlichtingenformulier voor transmissies overeenkomstig aanhangsel 2 van bijlage VI.




Aanhangsel 5

Inlichtingenformulier voor een type accusysteem of een representatief accusubsysteem

Inlichtingenformulier nr.:

Betreft:

Datum van afgifte:

Datum van de wijziging:

krachtens …

Type accusysteem of representatief accusubsysteem:

0. ALGEMEEN

0.1. Naam en adres van de fabrikant:

0.2. Merk (handelsnaam van de fabrikant):

0.3. Type accusysteem:

0.4. 

0.5. Type accusysteem als technische eenheid

0.6. Handelsnaam of -namen (indien van toepassing):

0.7. Middel tot identificatie van het model, indien op het accusysteem aangebracht:

0.8. In het geval van onderdelen en technische eenheden, plaats en wijze van aanbrenging van het EG-goedkeuringsmerk:

0.9. Naam en adres van de assemblagefabriek(en):

0.10. Naam en adres van de vertegenwoordiger van de fabrikant:

DEEL 1

ESSENTIËLE EIGENSCHAPPEN VAN HET TYPE ACCUSYSTEEM OF REPRESENTATIEF ACCUSUBSYSTEEM

Type accu(sub)systeem

1. Algemeen

1.1. Volledig systeem of representatief subsysteem:

1.2. HPBS / HEBS:

1.3. Technische ontwerpspecificaties:

1.4. Chemische samenstelling van de cel:

1.5. Aantal cellen in serie:

1.6. Aantal cellen in parallel:

1.7. Representatieve aansluitdoos met zekeringen en stroomonderbrekers in het geteste systeem (ja/nee):

1.8. Representatieve seriële connectoren opgenomen in het geteste systeem (ja/nee):

2. Conditioneringssysteem

2.1. Vloeistof/lucht/ander (specificeren):

2.2. Beschrijving van het systeem:

2.3. Ontwerptekening(en):

2.4. Grenswaarden temperatuur (min/max): K

2.5. Op referentiepositie:

2.6. Debiet (min/max): L/min

3. Gedocumenteerde waarden van onderdeeltests

3.1. Round-tripefficiëntie voor CoP (**):

3.2. Maximale ontlaadstroom voor CoP:

3.3. Maximale laadstroom voor CoP:

3.4. Testtemperatuur (opgegeven beoogde bedrijfstemperatuur):

3.5. Conditioneringssysteem (aangeven voor elke uitgevoerde test)

3.5.1. Vereiste koeling of verwarming:

3.5.2. Maximaal beschikbaar koel- of verwarmingsvermogen:

LIJST VAN BIJLAGEN



Nr.:

Beschrijving:

Datum van afgifte:

1

Informatie over de omstandigheden van de accusysteemtest …

 

2

 

Bijlage 1 bij Inlichtingenformulier accusysteem



 

Informatie over de testomstandigheden (indien van toepassing)

1.1




Aanhangsel 6

Inlichtingenformulier voor een type condensatorsysteem of een representatief condensatorsubsysteem

Inlichtingenformulier nr.:

Betreft:

Datum van afgifte:

Datum van de wijziging:

krachtens …

Type condensatorsysteem of representatief condensatorsubsysteem:

0. ALGEMEEN

0.1. Naam en adres van de fabrikant:

0.2. Merk (handelsnaam van de fabrikant):

0.3. Type condensatorsysteem:

0.4. Familie van condensatorsysteem:

0.5. Type condensatorsysteem als technische eenheid / familie van condensatorsysteem als technische eenheid

0.6. Handelsnaam of -namen (indien van toepassing):

0.7. Middel tot identificatie van het model, indien op het condensatorsysteem aangebracht:

0.8. In het geval van onderdelen en technische eenheden, plaats en wijze van aanbrenging van het EG-goedkeuringsmerk:

0.9. Naam en adres van de assemblagefabriek(en):

0.10. Naam en adres van de vertegenwoordiger van de fabrikant:

DEEL 1

ESSENTIËLE EIGENSCHAPPEN VAN HET TYPE CONDENSATORSYSTEEM OF REPRESENTATIEF CONDENSATORSUBSYSTEEM

Type condensator(sub)systeem

1. Algemeen

1.1. Volledig systeem of representatief subsysteem:

1.2. Technische ontwerpspecificaties:

1.3. Celtechnologie en specificatie:

1.4. Aantal cellen in serie:

1.5. Aantal cellen in parallel:

1.6. Representatieve aansluitdoos met zekeringen en stroomonderbrekers in het geteste systeem (ja/nee):

1.7. Representatieve seriële connectoren opgenomen in het geteste systeem (ja/nee):

2. Conditioneringssysteem

2.1. Vloeistof/lucht/ander (specificeren):

2.2. Beschrijving van het systeem:

2.3. Ontwerptekening(en):

2.4. Grenswaarden temperatuur (min/max): K

2.5. Op referentiepositie:

2.6. Debiet (min/max): L/min

3. Gedocumenteerde waarden van onderdeeltests

3.1. Testtemperatuur (opgegeven beoogde bedrijfstemperatuur):

3.2. Conditioneringssysteem (aangeven voor elke uitgevoerde test)

3.2.1. Vereiste koeling of verwarming:

3.2.2. Maximaal beschikbaar koel- of verwarmingsvermogen:

LIJST VAN BIJLAGEN



Nr.:

Beschrijving:

Datum van afgifte:

1

Informatie over de omstandigheden van de condensatorsysteemtest …

 

2

 

Bijlage 1 bij Inlichtingenformulier condensatorsysteem



 

Informatie over de testomstandigheden (indien van toepassing)

1.1




Aanhangsel 7

(voorbehouden)




Aanhangsel 8

Standaardwaarden voor een elektrische-machinesysteem

De volgende stappen worden uitgevoerd om de inputgegevens voor het elektrische-machinesysteem te genereren op basis van standaardwaarden:

— 
Stap 1: VN-Reglement nr. 85 is van toepassing op dit aanhangsel, tenzij anders vermeld.
— 
Stap 2: de maximumkoppelwaarden als functie van het toerental worden bepaald op basis van de overeenkomstig punt 5.3.1.4 van VN-Reglement nr. 85 verkregen gegevens. De gegevens worden uitgebreid overeenkomstig punt 4.3.2 van deze bijlage.
— 
Stap 3: de minimumkoppelwaarden als functie van het toerental worden bepaald door de koppelwaarden van stap 2 te vermenigvuldigen met min één.
— 
Stap 4: het maximaal continu koppel gedurende 30 minuten en het bijbehorende toerental worden bepaald op basis van de overeenkomstig punt 5.3.2.3 van VN-Reglement nr. 85 verkregen gegevens als gemiddelde waarden over de periode van 30 minuten. Indien geen waarde voor het maximaal continu koppel gedurende 30 minuten overeenkomstig VN-Reglement nr. 85 kan worden bepaald, of indien de bepaalde waarde 0 Nm is, worden de toepasselijke inputgegevens ingesteld op 0 Nm en wordt het overeenkomstige toerental ingesteld op het nominale toerental dat op basis van de overeenkomstig stap 2 gegenereerde gegevens is bepaald.
— 
Stap 5: de overbelastingskenmerken worden bepaald op basis van de overeenkomstig stap 2 verkregen gegevens. Het overbelastingskoppel en het bijbehorende toerental worden berekend als gemiddelde waarden over het toerentalbereik waarin het vermogen gelijk is aan of groter is dan 90 % van het maximumvermogen. De overbelastingsduur t0_maxP wordt bepaald door de volledige duur van de overeenkomstig stap 2 uitgevoerde test te vermenigvuldigen met een factor 0,25.
— 
Stap 6: het opgenomen elektrisch vermogen wordt vastgesteld overeenkomstig de volgende bepalingen:
(a) 

een diagram voor genormaliseerd vermogensverlies wordt berekend als functie van de genormaliseerde toerental- en koppelwaarden overeenkomstig de volgende vergelijking:

image

waarbij:

Ploss,norm

=

genormaliseerd verliesvermogen [-];

Tnorm,i

=

genormaliseerd koppel voor alle rasterpunten gedefinieerd overeenkomstig punt b), ii), hieronder [-];

ωnorm,j

=

genormaliseerd toerental voor alle rasterpunten gedefinieerd overeenkomstig punt b), i), hieronder [-];

k

=

verliescoëfficiënt [-];

m

=

index met betrekking tot koppelafhankelijke verliezen, van 0 tot 3 [-];

n

=

index met betrekking tot toerentalafhankelijke verliezen, van 0 tot 3 [-];

(b) 

de te gebruiken genormaliseerde toerental- en koppelwaarden voor de vergelijking onder punt a), waarbij de rasterpunten van het genormaliseerde verliesdiagram worden bepaald, zijn:

(i) 

genormaliseerd toerental: 0,02, 0,20, 0,40, 0,60, 0,80, 1,00, 1,20, 1,40, 1,60, 1,80, 2,00, 2,20, 2,40, 2,60, 2,80, 3,00, 3,20, 3,40, 3,60, 3,80, 4,00; als het hoogste toerental bepaald op basis van de overeenkomstig stap 2 gegenereerde gegevens hoger ligt dan een genormaliseerde toerentalwaarde van 4,00, worden extra waarden voor genormaliseerd toerental in oplopende stappen van 0,2 aan de bestaande lijst toegevoegd om het vereiste snelheidsbereik te bestrijken;

(ii) 

genormaliseerd koppel: – 1,00, – 0,95, – 0,90, – 0,85, – 0,80, – 0,75, – 0,70, – 0,65, – 0,60, – 0,55, – 0,50, – 0,45, – 0,40, – 0,35, – 0,30, – 0,25, – 0,20, – 0,15, – 0,10, – 0,05, – 0,01, 0,01, 0,05, 0,10, 0,15, 0,20, 0,25, 0,30, 0,35, 0,40, 0,45, 0,50, 0,55, 0,60, 0,65, 0,70, 0,75, 0,80, 0,85, 0,90, 0,95, 1,00;

(c) 

de te gebruiken verliescoëfficiënt k voor de vergelijking in punt a) wordt afhankelijk van de indices m en n vastgesteld overeenkomstig de onderstaande tabellen:

(i) 

in het geval van een elektrische machine van het type PSM:



 

n

0

1

2

3

m

3

0

0

0

0

2

0,018

0,001

0,03

0

1

0,0067

0

0

0

0

0

0,005

0,0025

0,003

(ii) 

in het geval van een elektrische machine van alle andere typen behalve PSM:



 

n

0

1

2

3

m

3

0

0

0

0

2

0,1

0,03

0,03

0

1

0,01

0

0,001

0

0

0,003

0

0,001

0,001

(d) 

op basis van het overeenkomstig de punten a) tot en met c) bepaalde diagram voor genormaliseerd vermogensverlies wordt het rendement berekend overeenkomstig de volgende bepalingen:

(i) 

de rasterpunten voor de genormaliseerde snelheid zijn: 0,02, 0,20, 0,40, 0,60, 0,80, 1,00, 1,20, 1,40, 1,60, 1,80, 2,00, 2,20, 2,40, 2,60, 2,80, 3,00, 3,20, 3,40, 3,60, 3,80, 4,00;

als het hoogste toerental bepaald op basis van de overeenkomstig stap 2 gegenereerde gegevens hoger ligt dan een genormaliseerde toerentalwaarde van 4,00, worden extra waarden voor genormaliseerd toerental in oplopende stappen van 0,2 aan de bestaande lijst toegevoegd om het vereiste snelheidsbereik te bestrijken;

(ii) 

de rasterpunten voor het genormaliseerde koppel zijn: – 1,00, – 0,95, – 0,90, – 0,85, – 0,80, – 0,75, – 0,70, – 0,65, – 0,60, – 0,55, – 0,50, – 0,45, – 0,40, – 0,35, – 0,30, – 0,25, – 0,20, – 0,15, – 0,10, – 0,05, – 0,01, 0,01, 0,05, 0,10, 0,15, 0,20, 0,25, 0,30, 0,35, 0,40, 0,45, 0,50, 0,55, 0,60, 0,65, 0,70, 0,75, 0,80, 0,85, 0,90, 0,95, 1,00;

(iii) 

voor elk overeenkomstig de punten d), i), en d), ii), bepaald rasterpunt wordt het rendement η berekend overeenkomstig de volgende vergelijkingen:

— 
wanneer de werkelijke waarde van het rasterpunt voor het genormaliseerde koppel kleiner is dan nul:

image

wanneer de resulterende waarde voor η kleiner is dan nul, wordt de waarde op nul vastgesteld;
— 
wanneer de werkelijke waarde van het rasterpunt voor het genormaliseerde koppel groter is dan nul:

image

waarbij:

η

=

rendement [-]

Tnorm,i

=

genormaliseerd koppel voor alle rasterpunten gedefinieerd overeenkomstig punt d), ii), hierboven [-];

ωnorm,j

=

genormaliseerd toerental voor alle rasterpunten gedefinieerd overeenkomstig punt d), i), hierboven [-];

Ploss,norm

=

genormaliseerd verliesvermogen, bepaald overeenkomstig de punten a) t/m c) hierboven [-];

(e) 

op basis van het overeenkomstig punt d) bepaalde efficiëntiediagram wordt het diagram voor werkelijk vermogensverlies van het elektrische-machinesysteem berekend overeenkomstig de volgende bepalingen:

(i) 

voor elk overeenkomstig punt d), i), bepaald rasterpunt van genormaliseerd toerental worden de werkelijke toerentalwaarden nj berekend overeenkomstig de volgende vergelijking:

nj = ωnorm,j × nrated

waarbij:

nj

=

werkelijk toerental [min–1];

ωnorm,j

=

genormaliseerd toerental voor alle rasterpunten gedefinieerd overeenkomstig punt d), i), hierboven [-];

nrated

=

nominaal toerental van het elektrische-machinesysteem, bepaald op basis van de overeenkomstig stap 2 gegenereerde gegevens [min–1];

(ii) 

voor elk overeenkomstig punt d), ii), bepaald rasterpunt van genormaliseerd koppel worden de werkelijke koppelwaarden Ti berekend overeenkomstig de volgende vergelijking:

Ti = Tnorm,i × Tmax

waarbij:

Ti

=

werkelijk koppel [Nm];

Tnorm,i

=

genormaliseerd koppel voor alle rasterpunten gedefinieerd overeenkomstig punt d), ii), hierboven [-];

Tmax

=

totaal maximumkoppel van het elektrische-machinesysteem, bepaald op basis van de overeenkomstig stap 2 gegenereerde gegevens [Nm];

(iii) 

voor elk overeenkomstig de punten e), i), en e), ii), bepaald rasterpunt wordt het werkelijke vermogensverlies berekend overeenkomstig de volgende vergelijking:

image

waarbij:

Ploss

=

werkelijk verliesvermogen [W];

Ti

=

werkelijk koppel [Nm];

nj

=

werkelijk toerental [min–1];

η

=

rendement afhankelijk van genormaliseerd toerental en koppel, bepaald overeenkomstig punt d) hierboven [-];

Tmax

=

totaal maximumkoppel van het elektrische-machinesysteem, bepaald op basis van de overeenkomstig stap 2 gegenereerde gegevens [Nm];

nrated

=

nominaal toerental van het elektrische-machinesysteem, bepaald op basis van de overeenkomstig stap 2 gegenereerde gegevens [min–1];

(iv) 

voor elk overeenkomstig de punten e), i), en e), ii), bepaald rasterpunt wordt het werkelijke elektrische vermogen van de omzetter berekend overeenkomstig de volgende vergelijking:

image

waarbij:

Pel

=

werkelijk elektrisch vermogen van de omzetter [W];

Ploss

=

werkelijk verliesvermogen [W];

Ti

=

werkelijk koppel [Nm];

nj

=

werkelijk toerental [min–1];

(f) 

de gegevens van het overeenkomstig punt e) bepaalde diagram van het werkelijke elektrische vermogen worden uitgebreid overeenkomstig de punten 1), 2), 4) en 5) van punt 4.3.4 van deze bijlage.

— 
Stap 7: de weerstandscurve wordt berekend op basis van het diagram voor werkelijk vermogensverlies, verkregen overeenkomstig punt e), overeenkomstig de volgende bepalingen:
(a) 
op basis van de vermogensverlieswaarden voor de twee rasterpunten zoals gedefinieerd door het genormaliseerde koppel

image

, en de waarden 1,00 en 4,00 voor het genormaliseerde toerental

image

, wordt het van het werkelijke toerental en koppel afhankelijke weerstandskoppel berekend met de volgende vergelijking:

image

waarbij:

Tdrag

=

werkelijk weerstandskoppel [Nm];

Ti

=

werkelijk koppel [Nm];

Tmax

=

totaal maximumkoppel van het elektrische-machinesysteem, bepaald op basis van de overeenkomstig stap 2 gegenereerde gegevens [Nm];

nj

=

werkelijk toerental [min–1];

nrated

=

nominaal toerental van het elektrische-machinesysteem, bepaald op basis van de overeenkomstig stap 2 gegenereerde gegevens [min–1];

Ploss

=

werkelijk verliesvermogen [W];

(b) 

op basis van de twee overeenkomstig punt a) bepaalde waarden voor weerstandskoppel wordt door lineaire extrapolatie een derde waarde voor weerstandskoppel bij toerental nul berekend;

(c) 

op basis van de twee overeenkomstig punt a) bepaalde waarden voor weerstandskoppel wordt door lineaire extrapolatie een vierde waarde voor weerstandskoppel bij het de overeenkomstig stap 6, punt b), i), bepaalde genormaliseerd maximumtoerental berekend.

— 
Stap 8: de rotatie-inertie wordt bepaald aan de hand van een van de volgende opties:
(a) 

optie 1: op basis van de werkelijke rotatie-inertie zoals bepaald door de geometrische vorm en de dichtheid van de respectieve materialen van de rotor van de elektrische machine. Gegevens en methoden uit een CAD-softwareprogramma kunnen worden gebruikt om de werkelijke rotatie-inertie van de rotor van de elektrische machine af te leiden. De gedetailleerde methode voor het bepalen van de rotatie-inertie moet worden overeengekomen met de typegoedkeuringsinstantie;

(b) 

optie 2: op basis van de buitenafmetingen van de rotor van de elektrische machine. Een holle cilinder wordt zodanig gedefinieerd dat hij als volgt met de afmetingen van de rotor van de elektrische machine overeenstemt:

(i) 

de buitendiameter van de cilinder komt overeen met het punt van de rotor met de grootste afstand tot de rotatieas van de rotor, gemeten langs een rechte lijn loodrecht op de rotatieas van de rotor;

(ii) 

de binnendiameter van de cilinder komt overeen met het punt van de rotor met de kleinste afstand tot de rotatieas van de rotor, gemeten langs een rechte lijn loodrecht op de rotatieas van de rotor;

(iii) 

de lengte van de cilinder komt overeen met de afstand tussen de twee verst van elkaar gelegen punten, gemeten langs een rechte lijn evenwijdig aan de rotatieas van de rotor.

Voor de overeenkomstig de punten i) tot en met iii) beschreven holle cilinder wordt de rotatie-inertie berekend met een materiaaldichtheid van 7 850  kg/m3.




Aanhangsel 9

Standaardwaarden voor IEPC

Om de in dit aanhangsel omschreven bepalingen te kunnen gebruiken om inputgegevens voor een IEPC te genereren die geheel of gedeeltelijk op standaardwaarden zijn gebaseerd, moet aan de onderstaande voorwaarden worden voldaan.

Indien meer dan één elektrische-machinesysteem deel uitmaakt van de IEPC, moeten alle elektrische machines exact dezelfde specificaties hebben. Indien meer dan één elektrische-machinesysteem deel uitmaakt van de IEPC, moeten alle elektrische machines op dezelfde referentiepositie (d.w.z. vóór of voorbij de versnellingsbak) zijn aangesloten op de koppelbaan van de IEPC, waarbij alle elektrische machines op deze referentiepositie met hetzelfde toerental moeten draaien en hun individuele koppel (vermogen) moet worden opgeteld door middel van een sommatieversnellingsbak.

(1) Een van de volgende opties wordt toegepast om de inputgegevens voor de IEPC te genereren, geheel of gedeeltelijk gebaseerd op standaardwaarden:

— 
optie 1: alleen standaardwaarden voor alle onderdelen die deel uitmaken van de IEPC
(a) 

De standaardwaarden voor het elektrische-machinesysteem als onderdeel van de IEPC worden bepaald overeenkomstig aanhangsel 8. Indien meerdere elektrische machines deel uitmaken van de IEPC, worden de standaardwaarden overeenkomstig aanhangsel 8 bepaald voor één elektrische machine en worden alle waarden voor koppel en vermogen (mechanisch en elektrisch) vermenigvuldigd met het totale aantal elektrische machines dat deel uitmaakt van de IEPC. De resulterende waarden van deze vermenigvuldiging worden gebruikt voor alle verdere stappen in dit aanhangsel.

De waarde voor de overeenkomstig stap 8 van aanhangsel 8 van deze bijlage verkregen rotatie-inertie wordt vermenigvuldigd met het totale aantal elektrische machines dat deel uitmaakt van de IEPC.

(b) 

Indien de IEPC een versnellingsbak omvat, worden de standaardwaarden voor de IEPC voor elke voorwaartse versnelling afzonderlijk bepaald voor het verbruiksdiagram voor elektrisch vermogen, en voor alle andere inputgegevens alleen voor de versnelling met de overbrengingsverhouding die het dichtst bij 1 ligt, overeenkomstig de volgende procedure:

(i) 

de standaardwaarden voor verliezen in de versnellingsbak worden overeenkomstig punt 2 van dit aanhangsel bepaald;

(ii) 

voor stap i) hierboven worden de overeenkomstig punt a) bepaalde toerental- en koppelpunten op de as van het elektrische-machinesysteem gebruikt als toerental- en koppelwaarden op de ingaande aandrijfas van de versnellingsbak;

(iii) 

om de overeenkomstig aanhangsel 15 vereiste inputgegevens voor de IEPC te genereren met betrekking tot de uitgaande aandrijfas van de versnellingsbak, worden alle overeenkomstig punt a) verkregen koppelwaarden met betrekking tot de uitgaande aandrijfas van de elektrische machine met de volgende vergelijking omgezet naar de uitgaande aandrijfas van de versnellingsbak:

Ti,GBX = (Ti,EM – Ti,l,in (nj,EM, Ti,EM, gear)) × igear

waarbij:

Ti,GBX

=

koppel aan uitgaande aandrijfas van versnellingsbak;

Ti,EM

=

koppel aan uitgaande aandrijfas van elektrische-machinesysteem;

Ti,l,in

=

koppelverlies voor elke voorwaartse versnelling waartussen kan worden geschakeld, gerelateerd aan de ingaande aandrijfas van de versnellingsbakonderdelen van de IEPC, bepaald overeenkomstig punt b), i), hierboven;

nj,EM

=

toerental aan de uitgaande aandrijfas van het elektrische-machinesysteem waarop Ti,EM werd gemeten [min–1];

igear

=

overbrengingsverhouding van een specifieke versnelling [-]

(waarbij gear = 1, …, hoogste versnelling);

(iv) 

om de overeenkomstig aanhangsel 15 vereiste inputgegevens voor de IEPC te genereren met betrekking tot de uitgaande aandrijfas van de versnellingsbak, worden alle overeenkomstig punt a) verkregen toerentalwaarden met betrekking tot de uitgaande aandrijfas van de elektrische machine met de volgende vergelijking omgezet naar de uitgaande aandrijfas van de versnellingsbak:

nj,GBX = nj,EM / igear

waarbij:

nj,EM

=

toerental aan de uitgaande aandrijfas van de elektrische machine [min–1];

igear

=

overbrengingsverhouding van een specifieke versnelling [-]

(waarbij gear = 1, …, hoogste versnelling);

(c) 

Indien de IEPC een differentieel omvat, worden de standaardwaarden voor het differentieel voor elke voorwaartse versnelling afzonderlijk bepaald voor het verbruiksdiagram voor elektrisch vermogen, en voor alle andere inputgegevens alleen voor de versnelling met de overbrengingsverhouding die het dichtst bij 1 ligt, overeenkomstig de volgende stappen:

(i) 

de standaardwaarden voor verliezen in het differentieel worden overeenkomstig punt 3) van dit aanhangsel bepaald;

(ii) 

de overeenkomstig punt b) bepaalde koppelpunten die zijn vastgesteld aan de uitgaande aandrijfas van de versnellingsbak die deel uitmaakt van de IEPC, worden gebruikt als koppelwaarden aan de ingang van het differentieel. Indien de IEPC geen versnellingsbak omvat, worden de overeenkomstig punt a) bepaalde koppelpunten aan de uitgaande aandrijfas van het elektrische-machinesysteem gebruikt als koppelwaarden aan de ingang van het differentieel voor stap i) hierboven;

(iii) 

om de overeenkomstig aanhangsel 15 vereiste inputgegevens voor de IEPC te genereren met betrekking tot de uitgang van het differentieel, worden alle koppelwaarden die betrekking hebben op de uitgaande aandrijfas van ofwel de versnellingsbak (indien de IEPC een versnellingsbak omvat), bepaald overeenkomstig stap iii) van punt b) hierboven, ofwel het elektrische-machinesysteem (indien de IEPC geen versnellingsbak omvat), bepaald overeenkomstig punt a) hierboven, met de volgende vergelijking omgezet naar de uitgang van het differentieel:

Ti,diff,out = (Ti,diff,in – Ti,diff,l,in (Ti,diff,in)) × idiff

waarbij:

Ti,diff,out

=

koppel aan uitgang van differentieel;

Ti,diff,in

=

koppel aan ingang van differentieel;

Ti,diff,l,in

=

koppelverlies op de ingang van het differentieel afhankelijk van het ingangskoppel bepaald overeenkomstig punt c), i);

idiff

=

differentieelverhouding [-];

(iv) 

om de overeenkomstig aanhangsel 15 vereiste inputgegevens voor de IEPC te genereren met betrekking tot de uitgang van het differentieel, worden alle toerentalwaarden die betrekking hebben op de uitgaande aandrijfas van ofwel de versnellingsbak (indien de IEPC een versnellingsbak omvat), bepaald overeenkomstig stap iv) van punt b) hierboven, ofwel het elektrische-machinesysteem (indien de IEPC geen versnellingsbak omvat), bepaald overeenkomstig punt a) hierboven, met de volgende vergelijking omgezet naar de uitgang van het differentieel:

nj,diff,out = nj,diff,in / idiff

waarbij:

nj,diff,in

=

toerental aan ingang van differentieel [min–1];

idiff

=

differentieelverhouding [-];

— 
optie 2: meting van het elektrische-machinesysteem als onderdeel van de IEPC en standaardwaarden voor andere onderdelen van de IEPC
(a) 

De gemeten onderdeelgegevens voor het elektrische-machinesysteem als onderdeel van de IEPC worden bepaald overeenkomstig punt 4 van deze bijlage. Indien meerdere elektrische machines deel uitmaken van de IEPC, worden de onderdeelgegevens bepaald voor één elektrische machine en worden alle waarden voor koppel en vermogen (mechanisch en elektrisch) vermenigvuldigd met het totale aantal elektrische machines dat deel uitmaakt van de IEPC. De resulterende waarden van deze vermenigvuldiging worden gebruikt voor alle verdere stappen in dit aanhangsel.

De waarde voor de overeenkomstig stap 8 van aanhangsel 8 van deze bijlage verkregen rotatie-inertie wordt vermenigvuldigd met het totale aantal elektrische machines dat deel uitmaakt van de IEPC.

(b) 

Indien de IEPC een versnellingsbak omvat, worden de standaardwaarden voor de IEPC voor elke voorwaartse versnelling afzonderlijk bepaald voor het verbruiksdiagram voor elektrisch vermogen, en voor alle andere inputgegevens alleen voor de versnelling met de overbrengingsverhouding die het dichtst bij 1 ligt, overeenkomstig de bepalingen van optie 1, b), hierboven. In dit verband moeten alle verwijzingen in optie 1, b), naar punt a) worden gelezen als verwijzingen naar punt a) van optie 2.

(c) 

Indien de IEPC een differentieel omvat, worden de standaardwaarden voor het differentieel voor elke voorwaartse versnelling afzonderlijk bepaald voor het verbruiksdiagram voor elektrisch vermogen, en voor alle andere inputgegevens alleen voor de versnelling met de overbrengingsverhouding die het dichtst bij 1 ligt, overeenkomstig optie 1, c), hierboven. In dit verband moeten alle verwijzingen in optie 1, c), naar punt b) worden gelezen als verwijzingen naar punt b) van optie 2.

(2) IEPC intern onderdeel versnellingsbak

Het koppelverlies Tgbx,l ,in voor elke voorwaartse versnelling waartussen kan worden geschakeld, gerelateerd aan de ingaande aandrijfas van de versnellingsbakonderdelen van de IEPC, wordt berekend overeenkomstig de volgende bepalingen:

(a) 

Tgbx,l,in (nin, Tin, gear) = Td0 + Td1000 × nin / 1000 min–1 + fT,gear × Tin

waarbij:

Tgbx,l,in

=

koppelverlies op ingaande aandrijfas [Nm];

Tdx

=

weerstandskoppel bij x min–1 [Nm];

nin

=

toerental van ingaande aandrijfas [min–1];

fT,gear

=

versnellingsafhankelijke koppelverliescoëfficiënt [-]

bepaald overeenkomstig de punten b) tot en met f);

Tin

=

koppel op ingaande aandrijfas [Nm];

versnelling

=

1, …, hoogste versnelling [-].

(b) 

De waarden van de vergelijking worden bepaald voor alle transmissieversnellingen die zich voorbij de uitgaande aandrijfas van de elektrische machine bevinden.

(c) 

Indien de IEPC een differentieel omvat, moeten de waarden van de vergelijking worden bepaald voor alle transmissieversnellingen die zich voorbij de uitgaande aandrijfas van de elektrische machine bevinden en vóór, maar met uitzondering van, de tandwieloverbrenging met de ingangsversnelling van het differentieel. De tandwieloverbrenging met de ingangsversnelling van het differentieel kan een extern-externe tandwieloverbrenging zijn (kegel- of schroeftandoverbrenging) of een enkelvoudig planeettandwielmechanisme.

(d) 

Bij wielnaafmotoren worden de waarden van de vergelijking bepaald voor alle transmissieversnellingen die zich voorbij de uitgaande aandrijfas van de elektrische machine en vóór de wielnaaf bevinden.

(e) 

De waarde voor fT wordt overeenkomstig punt 3.1.1 van bijlage VI bepaald.

(f) 

De waarde voor fT bedraagt 0,007 voor een directe overbrenging.

(g) 

De waarden voor Td0 en Td1000 moeten 0,0075 × Tmax,in bedragen voor versnellingsbakken met meer dan twee wrijvingsschakelkoppelingen.

(h) 

De waarden voor Td0 en Td1000 moeten 0,0025 × Tmax,in bedragen voor alle andere versnellingsbakken.

(i) 

Tmax,in is de totale maximumwaarde van alle afzonderlijke maximaal toegestane ingangskoppels voor elke voorwaartse versnelling van de versnellingsbak in [Nm].

(3) IEPC intern onderdeel differentieel

Het koppelverlies Tdiff,l ,in op de ingang van de differentieelonderdelen van de IEPC wordt berekend overeenkomstig de volgende bepalingen:

(a) 

Tdiff,l,in (Tin) = ηdiff × Tdiff,d0 / idiff + (1- ηdiff) × Tin

waarbij:

Tdiff,l,in

=

koppelverlies op ingang van differentieel [Nm];

Tdiff,d0

=

weerstandskoppel [Nm]

bepaald overeenkomstig de punten e) tot en met f);

ηdiff

=

koppelafhankelijk rendement [-]

bepaald overeenkomstig de punten b) tot en met d);

Tin

=

koppel aan ingang van differentieel [Nm];

idiff

=

differentieelverhouding [-];

(b) 

De waarden van de vergelijking worden bepaald voor alle tandwieloverbrengingen van het differentieel, met inbegrip van de tandwieloverbrenging met de ingangsversnelling van het differentieel.

(c) 

De waarde voor ηdiff wordt bepaald overeenkomstig punt 3.1.1 van bijlage VI, waarbij in de respectieve vergelijkingen ηm op 0,98 wordt gesteld in het geval van een kegeltandwieloverbrenging.

(d) 

De verliezen in de tandwielen binnen het differentieel worden genegeerd bij de berekeningen overeenkomstig de punten b) en c) hierboven.

(e) 

In het geval van een differentieel met kegeltandwieloverbrenging in het kroonwiel van het differentieel, wordt de waarde voor Tdiff,d0 berekend met de volgende vergelijking: Tdiff,d0 = 25 Nm + 15 Nm × idiff

(f) 

In het geval van een differentieel met rechte tandwieloverbrenging of enkelvoudig planeettandwielmechanisme in de ingangsversnelling van het differentieel, wordt de waarde voor Tdiff,d0 berekend met de volgende vergelijking: Tdiff,d0 = 25 Nm + 5 Nm × idiff




Aanhangsel 10

Standaardwaarden voor REESS

(1) Accusysteem of representatief accusubsysteem

De volgende stappen worden uitgevoerd om de inputgegevens voor het accusysteem of representatief accusubsysteem te genereren op basis van standaardwaarden:

(a) 

Het accutype wordt bepaald op basis van de getalverhouding tussen de maximumstroom in A (zoals aangegeven overeenkomstig aanhangsel 2, punt 1.4.4, van bijlage 6 bij VN-Reglement nr. 100 (***) en de capaciteit in Ah (zoals aangegeven overeenkomstig aanhangsel 2, punt 1.4.3, van bijlage 6 bij VN-Reglement nr. 100). Het accutype is „accusysteem met hoge energie (HEBS)” wanneer deze verhouding kleiner is dan 10 en „accusysteem met hoog vermogen (HPBS)” wanneer deze verhouding gelijk is aan of groter is dan 10.

(b) 

De nominale capaciteit is de waarde in Ah zoals aangegeven overeenkomstig aanhangsel 2, punt 1.4.3, van bijlage 6 bij VN-Reglement nr. 100.

(c) 

De opencircuitspanning als functie van het laadniveau wordt bepaald op basis van de nominale spanning in V, Vnom, zoals aangegeven overeenkomstig aanhangsel 2, punt 1.4.1, van bijlage 6 bij VN-Reglement nr. 100 (***). De waarden van de opencircuitspanning (OCV) voor de verschillende laadniveaus (SOC) worden berekend op basis van de volgende tabel:



SOC [%]

OCV [V]

0

0,88 × Vnom

10

0,94 × Vnom

50

1,00 × Vnom

90

1,06 × Vnom

100

1,12 × Vnom

(d) 

De interne gelijkstroomweerstand wordt overeenkomstig de onderstaande bepalingen vastgesteld:

(i) 

voor een HPBS overeenkomstig punt a) hierboven wordt de interne gelijkstroomweerstand berekend door de specifieke weerstand van 25 [mOhm × Ah] te delen door de nominale capaciteit in Ah zoals gedefinieerd overeenkomstig punt b) hierboven;

(ii) 

voor een HEBS overeenkomstig punt a) hierboven wordt de interne gelijkstroomweerstand berekend door de specifieke weerstand van 140 [mOhm × Ah] te delen door de nominale capaciteit in Ah zoals gedefinieerd overeenkomstig punt b) hierboven.

(e) 

De waarden voor de maximale laadstroom en de maximale ontlaadstroom worden overeenkomstig de onderstaande bepalingen vastgesteld:

(i) 

voor een HPBS overeenkomstig punt a) hierboven worden de waarden voor zowel de maximale laadstroom als de maximale ontlaadstroom ingesteld op de respectieve stroom in A die overeenkomt met 10 C;

(ii) 

voor een HEBS overeenkomstig punt a) hierboven worden de waarden voor zowel de maximale laadstroom als de maximale ontlaadstroom ingesteld op de respectieve stroom in A die overeenkomt met 1 C.

Absolute waarden voor zowel de maximale laadstroom als de maximale ontlaadstroom moeten als definitieve waarden worden gebruikt.

(2) Condensatorsysteem of representatief condensatorsubsysteem

De volgende stappen worden uitgevoerd om de inputgegevens voor het condensatorsysteem of representatief condensatorsubsysteem te genereren op basis van standaardwaarden:

(a) 

De capaciteit is de nominale capaciteit zoals vermeld op het gegevensblad van het condensatorsysteem of het representatief condensatorsubsysteem. De werkelijke capaciteit van het condensatorsysteem of het representatieve condensatorsubsysteem kan worden bepaald door de nominale capaciteit van een enkele condensatorcel te verhogen overeenkomstig de opstelling (d.w.z. serie en/of parallel) van de enkelvoudige cellen in het condensatorsysteem of het representatieve condensatorsubsysteem.

(b) 

De maximumspanning, Vmax,Cap, is de nominale spanning zoals vermeld op het gegevensblad van het condensatorsysteem of het representatieve condensatorsubsysteem. De werkelijke maximumspanning van het condensatorsysteem of het representatieve condensatorsubsysteem mag worden bepaald door de nominale spanning van een enkele condensatorcel te verhogen overeenkomstig de opstelling (d.w.z. serie en/of parallel) van de enkelvoudige cellen in het condensatorsysteem of het representatieve condensatorsubsysteem.

(c) 

De minimumspanning, Vmin,Cap, is de waarde van Vmax,Cap, bepaald overeenkomstig punt b) hierboven, vermenigvuldigd met 0,45.

(d) 

De interne weerstand wordt overeenkomstig de onderstaande vergelijking vastgesteld:

image

waarbij:

RI,Cap

=

interne weerstand [ohm];

RI,ref

=

referentie voor interne weerstand met een numerieke waarde van 0,015 [Ohm];

Vmax,Cap

=

maximumspanning zoals gedefinieerd overeenkomstig punt b) hierboven [V];

Vmin,Cap

=

minimumspanning zoals gedefinieerd overeenkomstig punt c) hierboven [V];

Vref

=

referentie voor maximumspanning met een numerieke waarde van 2,7 [V];

Cref

=

referentie voor capaciteit met een numerieke waarde van 3 000 [F];

CCap

=

capaciteit zoals gedefinieerd overeenkomstig punt a) hierboven [F].

(e) 

De waarden voor zowel de maximale laadstroom als de maximale ontlaadstroom worden berekend door de waarde van de capaciteit in F, zoals gedefinieerd overeenkomstig punt a), te vermenigvuldigen met een factor 5,0 [A/F]. Absolute waarden voor zowel de maximale laadstroom als de maximale ontlaadstroom moeten als definitieve waarden worden gebruikt.




Aanhangsel 11

(voorbehouden)




Aanhangsel 12

Conformiteit van de gecertificeerde CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen

1.   Elektrische-machinesystemen of IEPC’s

1.1. Alle elektrische-machinesystemen of IEPC’s moeten zodanig worden gefabriceerd dat zij in overeenstemming zijn met het goedgekeurde type zoals beschreven in het certificaat en de bijlagen daarbij. De procedures voor de waarborging van de conformiteit van de gecertificeerde CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen moeten in overeenstemming zijn met het bepaalde in artikel 31 van Verordening (EU) 2018/858.

1.2. De conformiteit van de gecertificeerde CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen wordt gecontroleerd aan de hand van de beschrijving in de in de aanhangsels 2 en 3 van deze bijlage opgenomen certificaten en bijbehorende informatiepakketten.

1.3. De conformiteit van de gecertificeerde CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen wordt beoordeeld overeenkomstig de in dit punt vermelde specifieke voorwaarden.

1.4. De onderdeelfabrikant test jaarlijks ten minste het in tabel 1 vermelde aantal eenheden, dat gebaseerd is op het totale aantal elektrische-machinesystemen of IEPC’s dat de onderdeelfabrikant per jaar produceert. Bij de bepaling van de jaarlijkse productieaantallen worden alleen elektrische-machinesystemen of IEPC’s meegeteld waarop deze verordening van toepassing is en waarvoor geen standaardwaarden zijn gebruikt.

1.5. Bij een totaal jaarlijks productievolume tot 4,000 bepalen de onderdeelfabrikant en de goedkeuringsinstantie in onderling overleg welke familie wordt getest.

1.6. Bij een totaal jaarlijks productievolume van meer dan 4,000 wordt altijd de familie met het hoogste productievolume getest. De onderdeelfabrikant moet aan de goedkeuringsinstantie een onderbouwing geven van het aantal verrichte tests en de keuze van de familie. De overige te testen families bepalen de fabrikant en de goedkeuringsinstantie in onderling overleg.



Tabel 1

Steekproefgrootte conformiteitstests

Totale jaarproductie van hetzij elektrische-machinesystemen, hetzij IEPC’s

Jaarlijks aantal tests

Alternatief

0 – 1 000

n.v.t.

1 test per 3 jaar (*1)

1 001 – 2 000

n.v.t.

1 test per 2 jaar (*1)

2 001 – 4 000

1

n.v.t.

4 001 – 10 000

2

n.v.t.

10 001 – 20 000

3

n.v.t.

20 001 – 30 000

4

n.v.t.

30 001 – 40 000

5

n.v.t.

40 001 – 50 000

6

n.v.t.

> 50 000

7

n.v.t.

(*1)   

De controle van de conformiteit van productie moet in het eerste jaar worden uitgevoerd.

1.7. De goedkeuringsinstantie bepaalt samen met de onderdeelfabrikant welk(e) type(n) elektrische-machinesystemen of IEPC’s getest moeten worden om de conformiteit van de gecertificeerde CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen te controleren. De goedkeuringsinstantie waarborgt dat de gekozen typen elektrische-machinesystemen en IEPC’s gefabriceerd zijn volgens dezelfde standaarden als toegepast worden bij serieproductie.

1.8. Als het resultaat van een overeenkomstig punt 1.9 uitgevoerde test hoger is dan de in punt 1.9.4 bedoelde waarde, worden nog eens drie eenheden uit dezelfde familie getest. Als ten minste een daarvan wordt afgekeurd, is artikel 23 van toepassing.

1.9. Productieconformiteitstests van elektrische-machinesystemen of IEPC’s

1.9.1. Grensvoorwaarden

Alle in deze bijlage gespecificeerde grensvoorwaarden voor certificeringstests zijn van toepassing, tenzij in dit punt anders is bepaald.

Het koelvermogen moet binnen de in deze bijlage gespecificeerde grensvoorwaarden voor certificeringstests liggen.

De meting wordt slechts verricht voor één van de in punt 4.1.3 van deze bijlage aangegeven spanningsniveaus. Het spanningsniveau voor de tests wordt door de onderdeelfabrikant gekozen.

Aan de in punt 3.1 van deze bijlage beschreven specificaties voor meetapparatuur hoeft niet te worden voldaan voor de controle van de conformiteit van productie.

1.9.2. Test

Er worden twee verschillende instelpunten gemeten. Na de meting van het eerste instelpunt mag het systeem worden afgekoeld overeenkomstig de aanbevelingen van de onderdeelfabrikant door een bepaald instelpunt te gebruiken dat door de onderdeelfabrikant is gedefinieerd.

Voor instelpunt 1 worden de overbelastingskenmerken getest overeenkomstig punt 4.2.5 van deze bijlage.

Voor instelpunt 2 wordt het maximaal continu koppel gedurende 30 minuten getest overeenkomstig punt 4.2.4 van deze bijlage.

1.9.3. Verwerking van de resultaten

Alle overeenkomstig de punten 4.2.5.3 en 4.2.4.3 verkregen waarden voor mechanisch en elektrisch vermogen worden gecorrigeerd voor de meetonzekerheid van de meting van de conformiteit van productie overeenkomstig de volgende bepalingen:

(a) 

het procentuele verschil in meetonzekerheid door de meetapparatuur tussen de onderdeeltypegoedkeuring en de controle van de conformiteit van productie overeenkomstig dit aanhangsel wordt berekend voor de meetsystemen die worden gebruikt voor toerental, koppel, stroom en spanning;

(b) 

het procentuele verschil in meetonzekerheid zoals bedoeld in punt a) wordt berekend voor zowel de waarde die van de analysator wordt afgelezen als de maximumkalibratiewaarde zoals gedefinieerd overeenkomstig punt 3.1 van deze bijlage;

(c) 

het totale verschil in meetonzekerheid voor elektrisch vermogen wordt berekend met de volgende vergelijking:

image

waarbij:

ΔuU,max calib

verschil in onzekerheid voor maximumkalibratiewaarde voor spanningsmeting [%];

ΔuU,value

verschil in onzekerheid voor waarde die van de analysator wordt afgelezen voor spanningsmeting [%];

ΔuI,max calib

verschil in onzekerheid voor maximumkalibratiewaarde voor stroommeting [%];

ΔuI,value

verschil in onzekerheid voor waarde die van de analysator wordt afgelezen voor stroommeting [%];

(d) 

het totale verschil in meetonzekerheid voor mechanisch vermogen wordt berekend met de volgende vergelijking:

image

waarbij:

ΔuT,max calib

verschil in onzekerheid voor maximumkalibratiewaarde voor koppelmeting [%];

ΔuT,value

verschil in onzekerheid voor waarde die van de analysator wordt afgelezen voor koppelmeting [%];

Δun,max calib

verschil in onzekerheid voor maximumkalibratiewaarde voor toerentalmeting [%];

Δun,value

verschil in onzekerheid voor waarde die van de analysator wordt afgelezen voor toerentalmeting [%];

(e) 

alle gemeten waarden voor mechanisch vermogen worden gecorrigeerd op basis van de volgende vergelijking:

P* mech = Pmech,meas (1 – ΔuP,mech,CoP)

waarbij:

Pmech,meas

gemeten waarde van mechanisch vermogen;

ΔuP,mech,CoP

totaal verschil in onzekerheid voor mechanisch vermogen overeenkomstig punt d) hierboven;

(f) 

alle gemeten waarden voor elektrisch vermogen worden gecorrigeerd op basis van de volgende vergelijking:

P* el = Pel,meas (1 + ΔuP,el,CoP)

waarbij:

Pel,meas

gemeten waarde van elektrisch vermogen;

ΔuP,el,CoP

totaal verschil in onzekerheid voor elektrisch vermogen overeenkomstig punt c) hierboven.

1.9.4. Evaluatie van de resultaten

Op basis van de overeenkomstig de punten 1.9.2 en 1.9.3 verkregen waarden voor elk van de twee instelpunten worden de rendementswaarden bepaald door het gecorrigeerde mechanische vermogen P* mech te delen door het gecorrigeerde elektrische vermogen P* el.

Het totale rendement tijdens de tests betreffende de conformiteit van de gecertificeerde CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen ηA,CoP wordt berekend als het rekenkundige gemiddelde van de twee rendementswaarden.

De test betreffende de conformiteit van de gecertificeerde CO2-emissies en brandstofverbruikseigenschappen is doorstaan als het verschil tussen ηA,CoP en ηA,TA minder dan 3 % van het rendement van de typegoedkeuring ηA,TA bedraagt. In het geval van een IEPC met hetzij een versnellingsbak, hetzij een differentieel wordt de grenswaarde voor het doorstaan van de controle van de conformiteit van productie verhoogd van 3 % naar 4 %. In het geval van een IEPC met zowel een versnellingsbak als een differentieel wordt de grenswaarde voor het doorstaan van de controle van de conformiteit van productie verhoogd van 3 % naar 5 %.

Het rendement van de typegoedkeuring ηA,TA wordt berekend door het rekenkundige gemiddelde te nemen van de twee overeenkomstig de punten 4.3.5 en 4.3.6 verkregen rendementswaarden en wordt in het inlichtingenformulier bij de certificering van onderdelen gedocumenteerd.

2.   IHPC’s van type 1

2.1. Alle IHPC’s moeten zodanig worden gefabriceerd dat zij in overeenstemming zijn met het goedgekeurde type zoals beschreven in het certificaat en de bijlagen daarbij. De procedures voor de waarborging van de conformiteit van de gecertificeerde CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen moeten in overeenstemming zijn met het bepaalde in artikel 31 van Verordening (EU) 2018/858.

2.2. De conformiteit van de gecertificeerde CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen wordt gecontroleerd aan de hand van de beschrijving in de in aanhangsel 4 van deze bijlage opgenomen certificaten en bijbehorende informatiepakketten.

2.3. De conformiteit van de gecertificeerde CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen wordt beoordeeld overeenkomstig de in punt 1 van dit aanhangsel vermelde specifieke voorwaarden, waarbij de in de desbetreffende punten voor de IEPC gedefinieerde bepalingen worden toegepast, tenzij anders vermeld.

2.4. Onverminderd punt 2.3 van dit aanhangsel, zijn de volgende bepalingen van toepassing:

(a) 

conformiteit van de gecertificeerde CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen wordt alleen gecontroleerd voor individuele typen IHPC’s van type 1 en niet voor families, aangezien de definitie van families voor IHPC’s van type 1 overeenkomstig punt 4.4 van deze bijlage niet is toegestaan;

(b) 

het aantal uit te voeren tests dat voor een afzonderlijk type moet worden verricht, wordt door de fabrikant en de goedkeuringsinstantie overeengekomen;

(c) 

alle verwijzingen naar families in de respectieve punten moeten worden geïnterpreteerd als verwijzingen naar individuele typen;

(d) 

Het rendement van de typegoedkeuring ηA,TA wordt berekend door het rekenkundige gemiddelde te nemen van de twee overeenkomstig de punten 4.3.5 en 4.3.6 verkregen rendementswaarden en wordt in het inlichtingenformulier bij de certificering van onderdelen geregistreerd. Voor deze twee rendementswaarden hoeven de in punt 4.4.2.3 van deze bijlage beschreven verwerkingsstappen niet te worden uitgevoerd.

3.   Accusystemen of representatieve accusubsystemen

3.1. Alle accusystemen of representatieve accusubsystemen moeten zodanig worden gefabriceerd dat zij in overeenstemming zijn met het goedgekeurde type zoals beschreven in het certificaat en de bijlagen daarbij. De procedures voor de waarborging van de conformiteit van de gecertificeerde CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen moeten in overeenstemming zijn met het bepaalde in artikel 31 van Verordening (EU) 2018/858.

3.2. De conformiteit van de gecertificeerde CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen wordt gecontroleerd aan de hand van de beschrijving in de in aanhangsel 5 van deze bijlage opgenomen certificaten en bijbehorende informatiepakketten.

3.3. De conformiteit van de gecertificeerde CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen wordt beoordeeld overeenkomstig de in dit punt vermelde specifieke voorwaarden.

3.4. De onderdeelfabrikant test jaarlijks ten minste het in tabel 2 vermelde aantal eenheden, dat gebaseerd is op het totale aantal accusystemen of representatieve accusubsystemen dat de onderdeelfabrikant per jaar produceert. Bij de bepaling van de jaarlijkse productieaantallen worden alleen accusystemen of representatieve accusubsystemen meegeteld waarop deze verordening van toepassing is en waarvoor geen standaardwaarden zijn gebruikt.



Tabel 2

Steekproefgrootte conformiteitstests

Totale jaarproductie van accusystemen of representatieve accusubsystemen

Jaarlijks aantal tests

Alternatief

0 – 3 000

n.v.t.

1 test per 3 jaar (*1)

3 001 – 6 000

n.v.t.

1 test per 2 jaar (*1)

6 001 – 12 000

1

n.v.t.

12 001 – 30 000

2

n.v.t.

30 001 – 60 000

3

n.v.t.

60 001 – 90 000

4

n.v.t.

90 001 – 120 000

5

n.v.t.

120 001 – 150 000

6

n.v.t.

> 150 000

7

n.v.t.

(*1)   

De controle van de conformiteit van productie moet in het eerste jaar worden uitgevoerd.

3.5. De goedkeuringsinstantie bepaalt samen met de onderdeelfabrikant welk(e) type(n) accusystemen of representatieve accusubsystemen getest moeten worden om de conformiteit van de gecertificeerde CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen te controleren. De goedkeuringsinstantie waarborgt dat de gekozen typen accusystemen of representatieve accusubsystemen gefabriceerd zijn volgens dezelfde standaarden als toegepast worden bij serieproductie.

3.6. Als het resultaat van een overeenkomstig punt 3.7 uitgevoerde test hoger is dan de in punt 3.7.4 bedoelde waarde, worden nog eens drie eenheden van hetzelfde type getest. Als ten minste een daarvan wordt afgekeurd, is artikel 23 van toepassing.

3.7. Productieconformiteitstests van accusystemen of representatieve accusubsystemen

3.7.1. Grensvoorwaarden

Alle in deze bijlage gespecificeerde grensvoorwaarden voor certificeringstests zijn van toepassing.

3.7.2. Test

Er worden twee verschillende tests uitgevoerd.

Voor test 1 wordt de nominale capaciteit getest overeenkomstig punt 5.4.1 van deze bijlage.

Voor test 2 wordt de onderstaande procedure gevolgd.

(a) 

Test 2 wordt na test 1 uitgevoerd.

(b) 

Nadat de accu-UUT volledig is opgeladen overeenkomstig de specificaties van de onderdeelfabrikant en de thermische evenwichtstoestand overeenkomstig punt 5.1.1 is bereikt, wordt een standaardcyclus overeenkomstig punt 5.3 uitgevoerd.

(c) 

Binnen een periode van 1 tot 3 uur na het einde van de standaardcyclus wordt met de eigenlijke test begonnen. Zo niet, dan wordt de procedure van het vorige punt b) herhaald.

(d) 

Om de overeenkomstig de punten e) en f) voor het testen vereiste laadniveaus te bereiken vanuit de begintoestand van de accu-UUT, moet deze worden ontladen met een constante stroomsnelheid van 3 C voor een HPBS en van 1 C voor een HEBS.

(e) 

Voor een HPBS bestaat de eigenlijke test uit een ontlading van 20 seconden bij een laadniveau van 80 % met de tijdens de onderdeeltypegoedkeuring gedocumenteerde maximale ontlaadstroom Idischg_max, en een oplading van 20 seconden bij een laadniveau van 20 % met de tijdens de onderdeeltypegoedkeuring gedocumenteerde maximale laadstroom Ichg_max.

(f) 

Voor een HEBS bestaat de eigenlijke test uit een ontlading van 120 seconden bij een laadniveau van 90 % met de tijdens de onderdeeltypegoedkeuring gedocumenteerde maximale ontlaadstroom Idischg_max, en een oplading van 120 seconden bij een laadniveau van 20 % met de tijdens de onderdeeltypegoedkeuring gedocumenteerde maximale laadstroom Ichg_max.

(g) 

Tijdens de onder e) en f) beschreven eigenlijke test worden de ontlaad- en laadstromen gedurende de respectieve aangegeven perioden geregistreerd.

3.7.3. Verwerking van de resultaten

Voor een HPBS worden voor de ontlaadstroom bij 80 % laadniveau en de laadstroom bij 20 % laadniveau de gemiddelden genomen over de meetperiode van 20 seconden.

Voor een HEBS worden voor de ontlaadstroom bij 90 % laadniveau en de laadstroom bij 20 % laadniveau de gemiddelden genomen over de meetperiode van 120 seconden.

Zowel voor de gemiddelde waarden als voor de ontlaad- en laadstroom moeten absolute waarden worden gebruikt.

3.7.4. Evaluatie van de resultaten

De test betreffende de conformiteit van de gecertificeerde CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen is doorstaan als aan alle onderstaande criteria wordt voldaan:

(a) 

CCoP ≥ 0,95 CTA

waarbij:

CCoP

nominale capaciteit bepaald overeenkomstig punt 3.7.2 [Ah];

CTA

nominale capaciteit bepaald tijdens de onderdeeltypegoedkeuring [Ah];

(b) 

BAT,CoP – ηBAT,TA) ≤ 3 %

waarbij:

ηBAT,CoP

round-tripefficiëntie bepaald overeenkomstig punt 3.7.2 [-];

ηBAT,TA

round-tripefficiëntie bepaald tijdens de onderdeeltypegoedkeuring [-];

(c) 

Idischg_max,CoP ≥ Idischg_max,TA

waarbij:

Idischg_max,CoP

maximale ontlaadstroom bepaald overeenkomstig punt 3.7.2 (bij 80 % laadniveau voor HPBS en 90 % laadniveau voor HEBS) [A];

Idischg_max,TA

maximale ontlaadstroom bepaald tijdens onderdeeltypegoedkeuring (bij 80 % laadniveau voor HPBS en 90 % laadniveau voor HEBS) [A];

(d) 

Ichg_max,CoP ≥ Ichg_max,TA

waarbij:

Ichg_max,CoP

maximale laadstroom bepaald overeenkomstig punt 3.7.2 (bij 20 % laadniveau) [A];

Ichg_max,TA

maximale laadstroom bepaald tijdens onderdeeltypegoedkeuring (bij 20 % laadniveau) [A].

4.   Condensatorsystemen

4.1. Alle condensatorsystemen moeten zodanig worden gefabriceerd dat zij in overeenstemming zijn met het goedgekeurde type zoals beschreven in het certificaat en de bijlagen daarbij. De procedures voor de waarborging van de conformiteit van de gecertificeerde CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen moeten in overeenstemming zijn met het bepaalde in artikel 31 van Verordening (EU) 2018/858.

4.2. De conformiteit van de gecertificeerde CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen wordt gecontroleerd aan de hand van de beschrijving in de in aanhangsel 6 van deze bijlage opgenomen certificaten en bijbehorende informatiepakketten.

4.3. De conformiteit van de gecertificeerde CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen wordt beoordeeld overeenkomstig de in dit punt vermelde specifieke voorwaarden.

4.4. De onderdeelfabrikant test jaarlijks ten minste het in tabel 3 vermelde aantal eenheden, dat gebaseerd is op het totale aantal condensatorsystemen dat de onderdeelfabrikant per jaar produceert. Bij de bepaling van de jaarlijkse productieaantallen worden alleen condensatorsystemen meegeteld waarop deze verordening van toepassing is en waarvoor geen standaardwaarden zijn gebruikt.



Tabel 3

Steekproefgrootte conformiteitstests

Totale jaarproductie van condensatorsystemen

Jaarlijks aantal tests

Alternatief

0 – 3 000

n.v.t.

1 test per 3 jaar (*1)

3 001 – 6 000

n.v.t.

1 test per 2 jaar (*1)

6 001 – 12 000

1

n.v.t.

12 001 – 30 000

2

n.v.t.

30 001 – 60 000

3

n.v.t.

60 001 – 90 000

4

n.v.t.

90 001 – 120 000

5

n.v.t.

120 001 – 150 000

6

n.v.t.

> 150 000

7

n.v.t.

(*1)   

De controle van de conformiteit van productie moet in het eerste jaar worden uitgevoerd.

4.5. De goedkeuringsinstantie bepaalt samen met de onderdeelfabrikant welk(e) type(n) condensatorsystemen getest moeten worden om de conformiteit van de gecertificeerde CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen te controleren. De goedkeuringsinstantie waarborgt dat de gekozen typen condensatorsystemen gefabriceerd zijn volgens dezelfde standaarden als toegepast worden bij serieproductie.

4.6. Als het resultaat van een overeenkomstig punt 4.7 uitgevoerde test hoger is dan de in punt 4.7.4 bedoelde waarde, worden nog eens drie eenheden van hetzelfde type getest. Als ten minste een daarvan wordt afgekeurd, is artikel 23 van toepassing.

4.7. Productieconformiteitstests van condensatorsystemen

4.7.1. Grensvoorwaarden

Alle in deze bijlage gespecificeerde grensvoorwaarden voor certificeringstests zijn van toepassing.

4.7.2. Test

De testprocedure wordt uitgevoerd overeenkomstig punt 6.3 van deze bijlage.

4.7.3. Verwerking van de resultaten

De verwerking van de resultaten wordt uitgevoerd overeenkomstig punt 6.4 van deze bijlage.

4.7.4. Evaluatie van de resultaten

De test betreffende de conformiteit van de gecertificeerde CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen is doorstaan als aan alle onderstaande criteria wordt voldaan:

(a) 

(CCoP / CTA) – 1 < ± 3 %

waarbij:

CCoP

capaciteit bepaald overeenkomstig punt 4.7.2 [F];

CTA

capaciteit bepaald tijdens de onderdeeltypegoedkeuring [F];

(b) 

(RCoP / RTA) – 1 < ± 3 %

waarbij:

RCoP

interne weerstand bepaald overeenkomstig punt 4.7.2 [ohm];

RTA

interne weerstand bepaald tijdens de onderdeeltypegoedkeuring [ohm].




Aanhangsel 13

Familieconcept

1.   Elektrische-machinesystemen en IEPC’s

1.1.   Algemeen

Een familie van elektrische-machinesystemen of IEPC’s wordt gekenmerkt door ontwerp- en prestatieparameters. Deze moeten voor alle leden binnen de familie gemeenschappelijk zijn. De onderdeelfabrikant kan beslissen welke elektrische-machinesystemen of IEPC’s tot een familie behoren, mits aan de in dit aanhangsel vermelde criteria voor lidmaatschap wordt voldaan. De betrokken familie moet door de goedkeuringsinstantie worden goedgekeurd. De onderdeelfabrikant verstrekt de goedkeuringsinstantie de toepasselijke informatie over de leden van de familie.

1.2.   Bijzondere gevallen

In sommige gevallen kan er interactie optreden tussen de parameters. Hiermee moet rekening worden gehouden om te waarborgen dat elektrische-machinesystemen of IEPC’s met soortgelijke kenmerken in een familie worden opgenomen. De onderdeelfabrikant moet deze gevallen bepalen en de goedkeuringsinstantie hiervan op de hoogte brengen. Hiermee moet vervolgens rekening worden gehouden als criterium bij het creëren van een nieuwe familie van elektrische-machinesystemen of IEPC’s.

Indien voorzieningen of kenmerken die niet in punt 1.4 zijn vermeld, sterk van invloed zijn op het prestatieniveau en/of het verbruik van elektrisch vermogen, moet de onderdeelfabrikant deze voorzieningen of kenmerken naar goede ingenieurspraktijk vaststellen en de goedkeuringsinstantie hiervan op de hoogte brengen. Hiermee moet vervolgens rekening worden gehouden als criterium bij het creëren van een nieuwe familie van elektrische-machinesystemen of IEPC’s.

1.3.   Familieconcept

In het familieconcept worden criteria en parameters bepaald die de onderdeelfabrikant kan gebruiken om elektrische-machinesystemen of IEPC’s te groeperen in families met dezelfde of soortgelijke gegevens die relevant zijn voor de CO2-emissies of het energieverbruik.

1.4.   Bijzondere bepalingen inzake representativiteit

De goedkeuringsinstantie kan concluderen dat de prestatieparameters en het verbruik van elektrisch vermogen van de familie van elektrische-machinesystemen of IEPC’s het best kunnen worden gekarakteriseerd met aanvullende tests. De onderdeelfabrikant moet in dit geval informatie verstrekken aan de hand waarvan kan worden vastgesteld welk elektrische-machinesysteem of IEPC van de familie waarschijnlijk de familie het best vertegenwoordigt. De goedkeuringsinstantie kan op basis van deze informatie ook concluderen dat de onderdeelfabrikant een nieuwe familie van elektrische-machinesystemen of IEPC’s moet samenstellen die uit minder leden bestaat om representatiever te zijn.

Indien leden binnen een familie andere kenmerken hebben die geacht kunnen worden de prestatieparameters en/of het verbruik van elektrisch vermogen te beïnvloeden, moeten die kenmerken eveneens worden bepaald en bij de selectie van de ouder in aanmerking worden genomen.

1.5.   Parameters om een familie van elektrische-machinesystemen of IEPC’s te definiëren

Behalve de hieronder genoemde parameters kan de onderdeelfabrikant ook aanvullende criteria opgeven op basis waarvan families van kleinere omvang kunnen worden gedefinieerd. Dat zijn niet noodzakelijkerwijs parameters die de prestaties en/of het verbruik van elektrisch vermogen beïnvloeden.

1.5.1. De volgende criteria zijn in principe gelijk voor alle leden binnen een familie van elektrische-machinesystemen of IEPC’s:

a) 

elektrische machine: rotor, stator, wikkelingen wat betreft afmetingen, ontwerp, materiaal enz.;

b) 

omzetter: vermogensmodules, geleidende staven wat betreft afmetingen, ontwerp, materiaal enz.;

c) 

intern koelsysteem: opstelling, afmetingen en materiaal van koelvinnen, ribben en pennen;

d) 

interne ventilatoren: opstelling en afmetingen;

e) 

omzettersoftware: basiskalibratie bestaande uit temperatuurmodellen (elektrische machine en omzetter), belastingsreductiegrenzen, koppelbaan (overbrenging van aanstuurkoppel naar krachtstroom), fluxkalibratie, stroomregeling, spanningsmodulatie, sensorspecifieke kalibratie (alleen toegestaan indien de sensor wordt gewijzigd);

f) 

parameters in verband met de overbrenging (alleen voor IEPC’s): overeenkomstig de definities in bijlage VI.

Wijzigingen in de in a) tot en met f) genoemde onderdelen zijn alleen aanvaardbaar als er een degelijke technische motivering kan worden gegeven waaruit blijkt dat de respectieve wijziging geen negatieve invloed heeft op de prestatieparameters en/of het verbruik van elektrisch vermogen.

1.5.2. De volgende criteria zijn gemeenschappelijk voor alle leden binnen een familie van elektrische-machinesystemen of IEPC’s. Voor de hieronder vermelde parameters mag na goedkeuring door de goedkeuringsinstantie een specifiek bereik worden toegepast:

a) 

interface uitgaande aandrijfas: alle wijzigingen toegestaan;

b) 

lagerschilden:

voor het interne ontwerp moet worden nagegaan of de passieve koelelementen of de luchtstroom aan de binnenzijde van de lagerschilden door veranderingen worden beïnvloed.

Voor het externe ontwerp hebben schroeven, ophangpunten en flensontwerp geen invloed op de prestaties indien geen passieve koelelementen worden verwijderd of gewijzigd;

c) 

lagers: wijzigingen toegestaan zolang aantal en type van de lagers gelijk blijven;

d) 

as: wijzigingen toegestaan zolang de actieve of passieve koeling niet wordt beïnvloed;

e) 

hoogspanningsaansluiting: wijzigingen met betrekking tot de positie of het type van de hoogspanningsaansluiting zijn toegestaan;

f) 

behuizing: wijzigingen van de behuizing of van het aantal, het type en de positie van de schroeven of bevestigingspunten zijn toegestaan zolang geen passieve koelelementen worden verwijderd of gewijzigd;

g) 

sensor: wijzigingen toegestaan als de gecertificeerde prestaties niet worden gewijzigd;

h) 

omzetterbehuizing: wijzigingen van de behuizing of van het aantal, het type en de positie van de schroeven of bevestigingspunten zijn toegestaan zolang geen passieve koelelementen worden verwijderd of gewijzigd of de interne opstelling van de elektrisch actieve delen niet wordt gewijzigd;

i) 

hoogspanningsaansluiting omzetter: wijzigingen met betrekking tot de positie of het type van de hoogspanningsaansluiting zijn toegestaan zolang de opstelling of positie van de actieve delen of koelelementen (actief/passief) niet wordt gewijzigd;

j) 

omzettersoftware: alle softwarewijzigingen die de basiskalibratie van de elektrische machine (definitie zie boven) niet veranderen, zijn toegestaan. Onverminderd de voorgaande bepalingen zijn begrenzingen van het uitgangsvermogen toegestaan voor leden binnen een familie van elektrische-machinesystemen of IEPC’s;

k) 

omzettersensor: wijzigingen toegestaan als de gecertificeerde prestaties niet worden gewijzigd;

l) 

olieviscositeit: voor alle oliesoorten die voor de fabrieksvulling worden gespecificeerd, moet de kinematische viscositeit bij gelijke temperatuur kleiner zijn dan of gelijk zijn aan 110 % van de kinematische viscositeit van de olie die gebruikt wordt voor de certificering van onderdelen, zoals gedocumenteerd in het desbetreffende inlichtingenformulier (binnen de gespecificeerde brandbreedte voor KV100);

m) 

curve voor maximumkoppel:

de koppelwaarden bij elk toerental van de curve voor maximumkoppel van de overeenkomstig punt 4.2.2.4 van deze bijlage bepaalde ouder moeten binnen het hele geregistreerde toerentalbereik gelijk zijn aan of hoger zijn dan de waarden voor alle andere leden binnen dezelfde familie bij hetzelfde toerental. Koppelwaarden van andere leden binnen dezelfde familie binnen een tolerantie van + 40 Nm of, als dat meer is, + 4 % boven het maximumkoppel van de ouder bij een specifiek toerental, worden als gelijk beschouwd;

n) 

curve voor minimumkoppel:

de koppelwaarden bij elk toerental van de curve voor minimumkoppel van de overeenkomstig punt 4.2.2.4 van deze bijlage bepaalde ouder moeten binnen het hele geregistreerde toerentalbereik gelijk zijn aan of lager zijn dan de waarden voor alle andere leden binnen dezelfde familie bij hetzelfde toerental. Koppelwaarden van andere leden binnen dezelfde familie binnen een tolerantie van – 40 Nm of, als dat meer is, – 4 % onder het minimumkoppel van de ouder bij een specifiek toerental, worden als gelijk beschouwd;

o) 

minimumaantal punten van het EPMC-diagram:

alle leden binnen dezelfde familie moeten een minimumdekking hebben van 60 % van de punten (naar boven afgerond op het volgende gehele getal) van het EPMC-diagram (d.w.z. wanneer het EPMC-diagram van de ouder wordt toegepast op andere leden) die zich binnen de grenzen bevinden van hun respectieve curven voor maximum- en minimumkoppel, bepaald overeenkomstig punt 4.2.2.4 van deze bijlage.

1.6.   Keuze van de ouder

De ouder van een familie van elektrische-machinesystemen of IEPC’s moet het lid zijn met het hoogste totale maximumkoppel dat overeenkomstig punt 4.2.2 van deze bijlage is vastgesteld.




Aanhangsel 14

Opschriften en nummering

1.   Opschriften

Als een onderdeel van de elektrische aandrijflijn overeenkomstig deze bijlage wordt goedgekeurd, worden de volgende opschriften op het onderdeel aangebracht:

1.1. de naam of het handelsmerk van de fabrikant;

1.2. het merk en het type, zoals vastgelegd in de in de punten 0.2 en 0.3 van de aanhangsels 2 tot en met 6 van deze bijlage bedoelde informatie;

1.3. het certificeringsmerk (indien van toepassing) in de vorm van een rechthoek met daarin de kleine letter „e”, gevolgd door het nummer van de lidstaat die het certificaat heeft verleend:



1 voor Duitsland;

19 voor Roemenië;

2 voor Frankrijk;

20 voor Polen;

3 voor Italië;

21 voor Portugal;

4 voor Nederland;

23 voor Griekenland;

5 voor Zweden;

24 voor Ierland;

6 voor België;

25 voor Kroatië;

7 voor Hongarije;

26 voor Slovenië;

8 voor Tsjechië;

27 voor Slowakije;

9 voor Spanje;

29 voor Estland;

12 voor Oostenrijk;

32 voor Letland;

13 voor Luxemburg;

34 voor Bulgarije;

17 voor Finland;

36 voor Litouwen;

18 voor Denemarken;

49 voor Cyprus;

 

50 voor Malta.

1.4. In de nabijheid van de rechthoek wordt het „basiscertificeringsnummer” aangebracht, zoals gespecificeerd voor deel 4 van het in bijlage IV bij Verordening (EU) 2020/683 beschreven typegoedkeuringsnummer, voorafgegaan door de twee cijfers die het volgnummer aangeven van de recentste technische wijziging van deze verordening en een letter waarmee het onderdeel wordt aangegeven waarvoor het certificaat is verleend:

Voor deze verordening is het volgnummer 02.

De letters voor deze verordening zijn in tabel 1 vermeld.



Tabel 1

M

elektrische-machinesysteem (EMS)

I

geïntegreerde elektrische aandrijflijncomponent (IEPC)

H

geïntegreerde hybride elektrische aandrijflijncomponent (IHPC) van type 1

B

accusysteem

A

condensatorsysteem

1.4.1. Voorbeeld en afmetingen van het certificeringsmerk

image

Bovenstaand certificeringsmerk, aangebracht op een onderdeel van de elektrische aandrijflijn, geeft aan dat het type in kwestie in Oostenrijk (e12) is goedgekeurd krachtens deze verordening. De eerste twee cijfers (02) geven het volgnummer van de recentste technische wijziging van deze verordening aan. De volgende letter geeft aan dat het certificaat is verleend voor een elektrische-machinesysteem (M). De laatste vijf cijfers (00005) zijn door de typegoedkeuringsinstantie aan het elektrische-machinesysteem toegekend als basiscertificeringsnummer.

1.5. Op verzoek van de aanvrager van de certificering kan, met voorafgaande toestemming van de typegoedkeuringsinstantie, een andere tekengrootte worden gebruikt dan is aangegeven in punt 1.4.1. De tekens moeten echter duidelijk leesbaar blijven.

1.6. De opschriften, etiketten, platen of stickers moeten even lang meegaan als het onderdeel van de elektrische aandrijflijn en moeten duidelijk leesbaar en onuitwisbaar zijn. De fabrikant zorgt ervoor dat de opschriften, etiketten, platen of stickers niet kunnen worden verwijderd zonder vernietigd of onleesbaar te worden.

1.7. Het certificeringsmerk moet zichtbaar zijn wanneer het onderdeel van de elektrische aandrijflijn in het voertuig is gemonteerd en moet worden bevestigd aan een deel dat noodzakelijk is voor het normale bedrijf en tijdens de levensduur van het onderdeel normaliter niet hoeft te worden vervangen.

2.   Nummering:

2.1. Het certificeringsnummer van het onderdeel van de elektrische aandrijflijn bestaat uit de volgende delen:

eX*YYYY/YYYY*ZZZZ/ZZZZ*X*00000*00



Deel 1

Deel 2

Deel 3

Aanvullende letter bij deel 3

Deel 4

Deel 5

Aanduiding van het land dat het certificaat verleent

Verordening betreffende de CO2-bepaling van zware bedrijfsvoertuigen „2017/2400”

Recentste wijzigingsverordening (ZZZZ/ZZZZ)

Zie tabel 1 van dit aanhangsel

Basiscertificeringsnummer 00000

Uitbreiding 00




Aanhangsel 15

Inputparameters voor de simulatietool

Inleiding

In dit aanhangsel worden de parameters beschreven die de onderdeelfabrikant als input voor de simulatietool moet verstrekken. Het te gebruiken xml-schema en voorbeeldgegevens zijn beschikbaar op het speciale elektronische distributieplatform.

Definities

(1) 

„Parameter-ID”: unieke identificatiecode die in de simulatietool voor een specifieke inputparameter of reeks inputgegevens wordt gebruikt.

(2) 

„Type”: datatype van de parameter:



string…

tekenreeks in ISO 8859-1-codering;

token…

tekenreeks in ISO 8859-1-codering, zonder lege karakters aan begin en eind;

date…

datum en tijd (UTC) in de vorm JJJJ-MM-DDTUU:MM:SSZ waarbij de cursieve letters vaste tekens zijn, bv. „2002-05-30T09:30:10Z”;

integer…

waarde van een geheel getal zonder voorafgaande nullen, bv. „1800”;

double, X…

gebroken getal met precies X cijfers na het scheidingsteken („.”) en zonder voorafgaande nullen, bv. voor „double, 2”: „2345,67”; voor „double, 4”: „45,6780”.

(3) 

„Eenheid”… natuurkundige eenheid van de parameter.

Reeks inputparameters voor elektrische-machinesysteem



Tabel 1

Inputparameter „Electric machine system/General”

Parameternaam

Parameter-ID

Type

Eenheid

Beschrijving/referentie

Manufacturer

P450

token

[-]

 

Model

P451

token

[-]

 

CertificationNumber

P452

token

[-]

 

Date

P453

dateTime

[-]

Datum en tijd waarop de onderdeel-hash is gecreëerd

AppVersion

P454

token

[-]

Specifieke input van de fabrikant met betrekking tot de gebruikte tools voor de beoordeling en verwerking van de gemeten onderdeelgegevens

ElectricMachineType

P455

string

[-]

Bepaald overeenkomstig punt 2, 21), van deze bijlage.

Toegestane waarden: „ASM”, „ESM”, „PSM”, „RM”

CertificationMethod

P456

string

[-]

Toegestane waarden: „Measurement”, „Standard values”

R85RatedPower

P457

integer

[W]

Bepaald overeenkomstig punt 1.9 van bijlage 2 bij VN-Reglement nr. 85, rev. 1.

RotationalInertia

P458

double, 2

[kgm2]

Bepaald overeenkomstig aanhangsel 8, punt 8, van deze bijlage.

DcDcConverterIncluded

P465

boolean

[-]

Ingesteld op „true” als een DC/DC-omvormer deel uitmaakt van het elektrische-machinesysteem overeenkomstig punt 4.1 van deze bijlage.

IHPCType

P466

string

[-]

Toegestane waarden: „None”, „IHPC Type 1”



Tabel 2

Inputparameters „Electric machine system/VoltageLevels” voor elk gemeten spanningsniveau

Parameternaam

Parameter-ID

Type

Eenheid

Beschrijving/referentie

VoltageLevel

P467

integer

[V]

Indien de parameter „CertificationMethod” is ingesteld op „Standard values” hoeft geen input te worden verstrekt.

ContinuousTorque

P459

double, 2

[Nm]

 

TestSpeedContinuousTorque

P460

double, 2

[min–1]

 

OverloadTorque

P461

double, 2

[Nm]

 

TestSpeedOverloadTorque

P462

double, 2

[min–1]

 

OverloadDuration

P463

double, 2

[s];

 



Tabel 3

Inputparameters „Electric machine system/MaxMinTorque” voor elk bedrijfspunt en voor elk gemeten spanningsniveau

Parameternaam

Parameter-ID

Type

Eenheid

Beschrijving/referentie

OutputShaftSpeed

P468

double, 2

[min–1]

 

MaxTorque

P469

double, 2

[Nm]

 

MinTorque

P470

double, 2

[Nm]

 



Tabel 4

Inputparameters „Electric machine system/DragTorque” voor elk bedrijfspunt

Parameternaam

Parameter-ID

Type

Eenheid

Beschrijving/referentie

OutputShaftSpeed

P471

double, 2

[min–1]

 

DragTorque

P472

double, 2

[Nm]

 



Tabel 5

Inputparameters „Electric machine system/ElectricPowerMap” voor elk bedrijfspunt en voor elk gemeten spanningsniveau

In het geval van een IHPC van type 1 (overeenkomstig de definitie in punt 2, 42), van deze bijlage), voor elk bedrijfspunt, voor elk gemeten spanningsniveau en voor elke voorwaartse versnelling.

Parameternaam

Parameter-ID

Type

Eenheid

Beschrijving/referentie

OutputShaftSpeed

P473

double, 2

[min–1]

 

Koppel

P474

double, 2

[Nm]

 

ElectricPower

P475

double, 2

[W]

 



Tabel 6

Inputparameters „Electric machine system/Conditioning” voor elk koelcircuit dat verbonden is met een externe warmtewisselaar

Indien de parameter „CertificationMethod” is ingesteld op „Standard values” hoeft geen input te worden verstrekt.

Parameternaam

Parameter-ID

Type

Eenheid

Beschrijving/referentie

CoolantTempInlet

P476

integer

[°C]

Bepaald overeenkomstig de punten 4.1.5.1 en 4.3.6 van deze bijlage.

CoolingPower

P477

integer

[W]

Bepaald overeenkomstig de punten 4.1.5.1 en 4.3.6 van deze bijlage.

Reeks inputparameters voor IEPC



Tabel 1

Inputparameters „IEPC/General”

Parameternaam

Parameter-ID

Type

Eenheid

Beschrijving/referentie

Manufacturer

P478

token

[-]

 

Model

P479

token

[-]

 

CertificationNumber

P480

token

[-]

 

Date

P481

dateTime

[-]

Datum en tijd waarop de onderdeel-hash is gecreëerd

AppVersion

P482

token

[-]

Specifieke input van de fabrikant met betrekking tot de gebruikte tools voor de beoordeling en verwerking van de gemeten onderdeelgegevens

ElectricMachineType

P483

string

[-]

Bepaald overeenkomstig punt 2, 21), van deze bijlage.

Toegestane waarden: „ASM”, „ESM”, „PSM”, „RM”

CertificationMethod

P484

string

[-]

Toegestane waarden: „Measured for complete component”,

„Measured for EM and standard values for other components”, „Standard values for all components”

R85RatedPower

P485

integer

[W]

Bepaald overeenkomstig punt 1.9 van bijlage 2 bij VN-Reglement nr. 85.

RotationalInertia

P486

double, 2

[kgm2]

Bepaald overeenkomstig aanhangsel 8, punt 8, van deze bijlage.

DifferentialIncluded

P493

boolean

[-]

Ingesteld op „true” indien de IEPC een differentieel omvat.

DesignTypeWheelMotor

P494

boolean

[-]

Ingesteld op „true” in het geval van een wielmotor van het IEPC-type.

NrOf DesignTypeWheelMotorMeasured

P495

integer

[-]

Input alleen relevant in het geval van een wielmotor van het IEPC-type, overeenkomstig punt 4.1.1.2 van deze bijlage.

Toegestane waarden: „1”, „2”



Tabel 2

Inputparameters „IEPC/Gears” voor elke voorwaartse versnelling

Parameternaam

Parameter-ID

Type

Eenheid

Beschrijving/referentie

GearNumber

P496

integer

[-]

 

Ratio

P497

double, 3

[-]

Verhouding tussen het rotortoerental van de elektrische machine en het toerental van de uitgaande aandrijfas van de IEPC.

MaxOutputShaftTorque

P498

integer

[Nm]

facultatief

MaxOutputShaftSpeed

P499

integer

[min–1]

facultatief



Tabel 3

Inputparameters „IEPC/VoltageLevels” voor elk gemeten spanningsniveau

Parameternaam

Parameter-ID

Type

Eenheid

Beschrijving/referentie

VoltageLevel

P500

integer

[V]

Indien de parameter „CertificationMethod” is ingesteld op „Standard values for all components” hoeft geen input te worden verstrekt.

ContinuousTorque

P487

double, 2

[Nm]

 

TestSpeedContinuousTorque

P488

double, 2

[min–1]

 

OverloadTorque

P489

double, 2

[Nm]

 

TestSpeedOverloadTorque

P490

double, 2

[min–1]

 

OverloadDuration

P491

double, 2

[s];

 



Tabel 4

Inputparameters „IEPC/MaxMinTorque” voor elk bedrijfspunt en voor elk gemeten spanningsniveau

Parameternaam

Parameter-ID

Type

Eenheid

Beschrijving/referentie

OutputShaftSpeed

P501

double, 2

[min–1]

 

MaxTorque

P502

double, 2

[Nm]

 

MinTorque

P503

double, 2

[Nm]

 



Tabel 5

Inputparameters „IEPC/DragTorque” voor elk bedrijfspunt en voor elke voorwaartse versnelling (facultatieve versnellingsafhankelijke meting overeenkomstig punt 4.2.3)

Parameternaam

Parameter-ID

Type

Eenheid

Beschrijving/referentie

OutputShaftSpeed

P504

double, 2

[min–1]

 

DragTorque

P505

double, 2

[Nm]

 



Tabel 6

Inputparameters „IEPC/ElectricPowerMap” voor elk bedrijfspunt, voor elk gemeten spanningsniveau en voor elke voorwaartse versnelling

Parameternaam

Parameter-ID

Type

Eenheid

Beschrijving/referentie

OutputShaftSpeed

P506

double, 2

[min–1]

 

Koppel

P507

double, 2

[Nm]

 

ElectricPower

P508

double, 2

[W]

 



Tabel 7

Inputparameters „IEPC/Conditioning” voor elk koelcircuit dat verbonden is met een externe warmtewisselaar

Indien de parameter „CertificationMethod” is ingesteld op „Standard values for all components” hoeft geen input te worden verstrekt.

Parameternaam

Parameter-ID

Type

Eenheid

Beschrijving/referentie

CoolantTempInlet

P509

integer

[°C]

Bepaald overeenkomstig de punten 4.1.5.1 en 4.3.6 van deze bijlage.

CoolingPower

P510

integer

[W]

Bepaald overeenkomstig de punten 4.1.5.1 en 4.3.6 van deze bijlage.

Reeks inputparameters voor accusysteem



Tabel 1

Inputparameters „Battery system/General”

Parameternaam

Parameter-ID

Type

Eenheid

Beschrijving/referentie

Manufacturer

P511

token

[-]

 

Model

P512

token

[-]

 

CertificationNumber

P513

token

[-]

 

Date

P514

dateTime

[-]

Datum en tijd waarop de onderdeel-hash is gecreëerd

AppVersion

P515

token

[-]

Specifieke input van de fabrikant met betrekking tot de gebruikte tools voor de beoordeling en verwerking van de gemeten onderdeelgegevens

CertificationMethod

P517

string

[-]

Toegestane waarden: „Measured”, „Standard values”

BatteryType

P518

string

[-]

Toegestane waarden: „HPBS”, „HEBS”

RatedCapacity

P519

double, 2

[Ah]

 

ConnectorsSubsystemsIncluded

P520

boolean

[-]

Alleen relevant indien representatief accusubsysteem wordt getest: ingesteld op „true” als bij het testen een representatieve kabelbundel voor het aansluiten van accusubsystemen is gebruikt. Altijd ingesteld op „true” als het volledige accusysteem is getest.

JunctionboxIncluded

P511

boolean

[-]

Alleen relevant indien representatief accusubsysteem wordt getest: ingesteld op „true” als bij het testen een representatieve aansluitdoos met uitschakelinrichtingen en zekeringen is gebruikt. Altijd ingesteld op „true” als het volledige accusysteem is getest.

TestingTemperature

P521

integer

[°C]

Bepaald overeenkomstig punt 5.1.4 van deze bijlage.

Indien de parameter „CertificationMethod” is ingesteld op „Standard values” hoeft geen input te worden verstrekt.



Tabel 2

Inputparameters „Battery system/OCV” voor elk gemeten laadniveau

Parameternaam

Parameter-ID

Type

Eenheid

Beschrijving/referentie

SOC

P522

integer

[%]

 

OCV

P523

double, 2

[V]

 



Tabel 3

Inputparameters „Battery system/DCIR” voor elk gemeten laadniveau

Parameternaam

Parameter-ID

Type

Eenheid

Beschrijving/referentie

SOC

P524

integer

[%]

Indien de parameter „CertificationMethod” is ingesteld op „Standard values”, moeten dezelfde DCIR-waarden worden verstrekt voor twee verschillende laadniveaus van 0 % en 100 %.

DCIR RI2

P525

double, 2

[mOhm]

Indien de parameter „CertificationMethod” is ingesteld op „Standard values”, moet de overeenkomstig punt 1, d), van aanhangsel 10 bepaalde DCIR-waarde worden verstrekt.

DCIR RI10

P526

double, 2

[mOhm]

Indien de parameter „CertificationMethod” is ingesteld op „Standard values”, moet de overeenkomstig punt 1, d), van aanhangsel 10 bepaalde DCIR-waarde worden verstrekt.

DCIR RI20

P527

double, 2

[mOhm]

Indien de parameter „CertificationMethod” is ingesteld op „Standard values”, moet de overeenkomstig punt 1, d), van aanhangsel 10 bepaalde DCIR-waarde worden verstrekt.

DCIR RI120

P528

double, 2

[mOhm]

Facultatief, alleen vereist voor accu’s van het type HEBS.

Indien de parameter „CertificationMethod” is ingesteld op „Standard values”, moet de overeenkomstig punt 1, d), van aanhangsel 10 bepaalde DCIR-waarde worden verstrekt.



Tabel 4

Inputparameters „Battery system/Current limits” voor elk gemeten laadniveau

Parameternaam

Parameter-ID

Type

Eenheid

Beschrijving/referentie

SOC

P529

integer

[%]

Indien de parameter „CertificationMethod” is ingesteld op „Standard values”, moeten dezelfde waarden voor MaxChargingCurrent en voor MaxDischargingCurrent worden verstrekt voor twee verschillende laadniveaus van 0 % en 100 %.

MaxChargingCurrent

P530

double, 2

[A]

 

MaxDischargingCurrent

P531

double, 2

[A]

 

Reeks inputparameters voor condensatorsysteem



Tabel 1

Inputparameters „Capacitor system/General”

Parameternaam

Parameter-ID

Type

Eenheid

Beschrijving/referentie

Manufacturer

P532

token

[-]

 

Model

P533

token

[-]

 

CertificationNumber

P534

token

[-]

 

Date

P535

dateTime

[-]

Datum en tijd waarop de onderdeel-hash is gecreëerd

AppVersion

P536

token

[-]

Specifieke input van de fabrikant met betrekking tot de gebruikte tools voor de beoordeling en verwerking van de gemeten onderdeelgegevens

CertificationMethod

P538

string

[-]

Toegestane waarden: „Measurement”, „Standard values”

Capacitance

P539

double, 2

[F]

 

InternalResistance

P540

double, 2

[Ohm]

 

MinVoltage

P541

double, 2

[V]

 

MaxVoltage

P542

double, 2

[V]

 

MaxChargingCurrent

P543

double, 2

[A]

 

MaxDischargingCurrent

P544

double, 2

[A]

 

TestingTemperature

P532

integer

[°C]

Bepaald overeenkomstig punt 6.1.3 van deze bijlage.

Indien de parameter „CertificationMethod” is ingesteld op „Standard values” hoeft geen input te worden verstrekt.

(*) Bepaald overeenkomstig de punten 4.3.5 en 4.3.6 van deze bijlage.

(**) Bepaald overeenkomstig punt 5.4.1.4 van deze bijlage.

(***) VN-Reglement nr. 100 van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties (VN/ECE) — Uniforme bepalingen voor de goedkeuring van voertuigen wat de specifieke voorschriften voor de elektrische aandrijflijn betreft (PB L 449 van 15.12.2021, blz. 1).

▼B




BIJLAGE XI

WIJZIGING VAN RICHTLIJN 2007/46/EG

1) In bijlage I wordt het volgende punt 3.5.7 ingevoegd:

„3.5.7.

Certificering van CO2-emissies en brandstofverbruik (voor zware bedrijfsvoertuigen, overeenkomstig artikel 6 van Verordening (EU) 2017/2400 van de Commissie)

3.5.7.1.

Nummer van licentie simulatietool:”.

2) In bijlage III worden in deel I, onder A (Categorieën M en N), de volgende punten 3.5.7 en 3.5.7.1 ingevoegd:

„3.5.7.

Certificering van CO2-emissies en brandstofverbruik (voor zware bedrijfsvoertuigen, overeenkomstig artikel 6 van Verordening (EU) 2017/2400 van de Commissie)

3.5.7.1

Nummer van licentie simulatietool:”.

3) In bijlage IV wordt deel I als volgt gewijzigd:

a) 

rij 41A wordt vervangen door:



„41A

Emissies (Euro VI) van zware bedrijfsvoertuigen/toegang tot informatie

Verordening (EG) nr. 595/2009

Verordening (EU) nr. 582/2011

X (9)

X (9)

X

X (9)

X (9)

X”;

 

 

 

 

b) 

de volgende rij 41B wordt ingevoegd:



„41B

Licentie CO2-simulatietool (zware bedrijfsvoertuigen)

Verordening (EG) nr. 595/2009

Verordening (EU) 2017/2400

 

 

 

 

X (16)

X”;

 

 

 

 

c) 

de volgende toelichting 16 wordt toegevoegd:

„(16) Voor voertuigen met een technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand vanaf 7 500  kg”.

4) Bijlage IX wordt als volgt gewijzigd:

a) 

In deel I, model B, bladzijde 2, voertuigcategorie N2, wordt het volgende punt 49 ingevoegd:

„49. Cryptografische hash van het gegevensdossier van de fabrikant: …”;

b) 

in deel I, model B, bladzijde 2, voertuigcategorie N3, wordt het volgende punt 49 ingevoegd:

„49. Cryptografische hash van het gegevensbestand van de fabrikant: …”.

5) In bijlage XV wordt in punt 2 de volgende rij ingevoegd:



„46B

Bepaling van rolweerstand

Verordening (EU) 2017/2400, bijlage X”.



( 1 ) Verordening (EU) 2018/858 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 betreffende de goedkeuring van en het markttoezicht op motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 715/2007 en (EG) nr. 595/2009 en tot intrekking van Richtlijn 2007/46/EG (PB L 151 van 14.6.2018, blz. 1).

( 2 ) Verordening (EU) 2017/2400 van de Commissie van 12 december 2017 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 595/2009 van het Europees Parlement en de Raad wat de bepaling van de CO2-emissies en het brandstofverbruik van zware bedrijfsvoertuigen betreft, en tot wijziging van Richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (EU) nr. 582/2011 van de Commissie (PB L 349 van 29.12.2017, blz. 1).”.

( 3 ) VN-Reglement nr. 107 van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties (VN/ECE) — Uniforme bepalingen voor de goedkeuring van voertuigen van categorie M2 of M3 wat hun algemene constructie betreft (PB L 52 van 23.2.2018, blz. 1).

( 4 ) Uitvoeringsverordening (EU) 2020/683 van de Commissie van 15 april 2020 tot uitvoering van Verordening (EU) 2018/858 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de administratieve voorschriften voor de goedkeuring van en het markttoezicht op motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd (PB L 163 van 26.5.2020, blz. 1).

( 5 ) Inputinformatie en inputgegevens zoals gedefinieerd in bijlage III voor primaire voertuigen.

( 6 ) De resultaten voor CO2-emissies en brandstofverbruik hoeven niet via het VIF te worden ingediend, aangezien deze informatie kan worden berekend aan de hand van de resultaten voor energieverbruik en het bekende brandstoftype.

( 7 ) De inhoud van het VIF wordt nader gespecificeerd in deel III van bijlage IV.

( 8 ) Deelverzameling van inputinformatie en inputgegevens zoals gedefinieerd in bijlage III voor complete en voltooide voertuigen.

( 9 )  „i” staat voor het aantal productiestappen tot dusver.

( 10 ) Zie deel III, punt 1.1, van bijlage IV.

( 11 )  PB L 349 van 29.12.2017, blz. 1.

( 12 ) VN-Reglement nr. 49 van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties (VN/ECE) — Uniforme bepalingen met betrekking tot de maatregelen tegen de emissie van verontreinigende gassen en deeltjes door voor voertuigen bestemde compressieontstekingsmotoren en elektrischeontstekingsmotoren (PB L 171 van 24.6.2013, blz. 1).

( 13 ) Bij dualfuelmotoren worden de waarden voor elk brandstoftype en elke werkingsmodus afzonderlijk aangegeven.

►M3  ( 14 ) De tolerantie aangeven; binnen ± 3 % van de door de fabrikant opgegeven waarden. ◄

( 15 ) VN-Reglement nr. 85 van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties (VN/ECE) — Uniforme voorschriften voor de goedkeuring van verbrandingsmotoren of elektrische aandrijvingen bestemd voor het aandrijven van motorvoertuigen van de categorieën M en N, met betrekking tot de meting van het nettovermogen en het maximumvermogen van elektrische aandrijvingen gedurende 30 minuten (PB L 323 van 7.11.2014, blz. 52).

( 16 ) Doorhalen wat niet van toepassing is (soms hoeft niets te worden doorgehaald als meerdere antwoorden mogelijk zijn)

( 17 ) Reglement nr. 54 van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties (VN/ECE) — Uniforme voorschriften voor de goedkeuring van luchtbanden voor bedrijfsvoertuigen en aanhangwagens daarvan (PB L 183 van 11.7.2008, blz. 41).

( *1 ) Reglement nr. 107 van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties (VN/ECE) — Uniforme bepalingen voor de goedkeuring van voertuigen van categorie M2 of M3 wat hun algemene constructie betreft (PB L 52 van 23.2.2018, blz. 1).

( *2 ) Reglement nr. 48 van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties (VN/ECE) — Uniforme bepalingen voor de goedkeuring van voertuigen wat de installatie van verlichtings- en lichtsignaalvoorzieningen betreft (PB L 14 van 16.1.2019, blz. 42).

( *3 ) Reglement nr. 122 van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties (VN/ECE) — Uniforme technische voorschriften voor de goedkeuring van voertuigen van de categorieën M, N en O wat het verwarmingssysteem betreft (PB L 19 van 24.1.2020, blz. 42).

( 18 ) Reglement nr. 54 van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties (VN/ECE) — Uniforme voorschriften voor de goedkeuring van luchtbanden voor bedrijfsvoertuigen en aanhangwagens daarvan (PB L 183 van 11.7.2008, blz. 41).

( 19 ) Reglement nr. 117 van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties (VN/ECE) — Uniforme bepalingen voor de goedkeuring van banden wat rolgeluidemissies en/of grip op nat wegdek en/of rolweerstand betreft [2016/1350] (PB L 218 van 12.8.2016, blz. 1).

( 20 ) Verordening (EU) 2020/740 van het Europees Parlement en de Raad van 25 mei 2020 inzake de etikettering van banden met betrekking tot hun brandstofefficiëntie en andere parameters, tot wijziging van Verordening (EU) 2017/1369 en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1222/2009 (PB L 177 van 5.6.2020, blz. 1).

( 21 ) Verordening (EG) nr. 661/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende typegoedkeuringsvoorschriften voor de algemene veiligheid van motorvoertuigen, aanhangwagens daarvan en daarvoor bestemde systemen, onderdelen en technische eenheden (PB L 200 van 31.7.2009, blz. 1).

( 22 ) Verordening (EU) 2019/2144 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019 betreffende de voorschriften voor de typegoedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en van systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd wat de algemene veiligheid ervan en de bescherming van de inzittenden van voertuigen en kwetsbare weggebruikers betreft, tot wijziging van Verordening (EU) 2018/858 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 325, 16.12.2019, blz. 1).

( 23 ) Reglement nr. 30 van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties (VN/ECE) — Uniforme voorschriften voor de goedkeuring van luchtbanden voor motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan (PB L 201 van 30.7.2008, blz. 70).

( 24 ) Bepaald overeenkomstig de punten 4.3.5 en 4.3.6 van deze bijlage.