02017L0593 — NL — 22.11.2022 — 001.001


Onderstaande tekst dient louter ter informatie en is juridisch niet bindend. De EU-instellingen zijn niet aansprakelijk voor de inhoud. Alleen de besluiten die zijn gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie (te raadplegen in EUR-Lex) zijn authentiek. Deze officiële versies zijn rechtstreeks toegankelijk via de links in dit document

►B

GEDELEGEERDE RICHTLIJN (EU) 2017/593 VAN DE COMMISSIE

van 7 april 2016

tot aanvulling van Richtlijn 2014/65/EU van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot het vrijwaren van financiële instrumenten en geldmiddelen die aan cliënten toebehoren, productgovernanceverplichtingen en de regels die van toepassing zijn op het betalen of het ontvangen van provisies, commissies en geldelijke of niet-geldelijke tegemoetkomingen

(Voor de EER relevante tekst)

(PB L 087 van 31.3.2017, blz. 500)

Gewijzigd bij:

 

 

Publicatieblad

  nr.

blz.

datum

►M1

GEDELEGEERDE RICHTLIJN (EU) 2021/1269 VAN DE COMMISSIE van 21 april 2021

  L 277

137

2.8.2021




▼B

GEDELEGEERDE RICHTLIJN (EU) 2017/593 VAN DE COMMISSIE

van 7 april 2016

tot aanvulling van Richtlijn 2014/65/EU van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot het vrijwaren van financiële instrumenten en geldmiddelen die aan cliënten toebehoren, productgovernanceverplichtingen en de regels die van toepassing zijn op het betalen of het ontvangen van provisies, commissies en geldelijke of niet-geldelijke tegemoetkomingen

(Voor de EER relevante tekst)



HOOFDSTUK I

TOEPASSINGSGEBIED

Artikel 1

Toepassingsgebied en definities

1.  
Deze richtlijn is van toepassing op beleggingsondernemingen, op beheermaatschappijen overeenkomstig artikel 6, lid 4, van Richtlijn 2009/65/EG van het Europees Parlement en de Raad ( 1 ) en op beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen overeenkomstig artikel 6, lid 6, van Richtlijn 2011/61/EU van het Europees Parlement en de Raad ( 2 ).
2.  
Voor de toepassing van de hoofdstukken II, III en IV van deze richtlijn hebben verwijzingen naar beleggingsondernemingen en financiële instrumenten betrekking op kredietinstellingen en gestructureerde deposito's voor alle voorschriften bedoeld in artikel 1, leden 3 en 4, van Richtlijn 2014/65/EU.
3.  
Onder „effectenfinancieringstransactie” wordt een transactie verstaan zoals gedefinieerd in artikel 3, punt 11, van Verordening (EU) 2015/2365 van het Europees Parlement en de Raad ( 3 ) betreffende de transparantie van effectenfinancieringstransacties en van hergebruik.
4.  

Onder „erkend geldmarktfonds” wordt verstaan een instelling voor collectieve belegging die in het kader van Richtlijn 2009/65/EG een vergunning heeft gekregen dan wel onder toezicht staat en, indien van toepassing, een vergunning van een autoriteit heeft gekregen naar het nationale recht van de lidstaat die de vergunning verleent, en die aan alle volgende voorwaarden voldoet:

a) 

haar primaire beleggingsdoelstelling moet zijn dat de intrinsieke waarde van de instelling constant a pari (exclusief winsten) dan wel op de waarde van het aanvangskapitaal plus winsten wordt gehouden;

b) 

om deze primaire beleggingsdoelstelling te verwezenlijken, mag zij uitsluitend beleggen in hoogwaardige geldmarktinstrumenten met een looptijd of een resterende looptijd van niet meer dan 397 dagen of met periodieke rendementsaanpassingen die aansluiten bij een dergelijke looptijd, en met een gewogen gemiddelde looptijd van 60 dagen. Zij mag deze doelstelling ook verwezenlijken door bij wijze van nevenactiviteit in deposito's bij kredietinstellingen te beleggen;

c) 

zij moet liquiditeit verschaffen door afwikkeling op dezelfde dag of de dag daarop.

Voor de toepassing van punt b) wordt een geldmarktinstrument als hoogwaardig aangemerkt indien de beheer-/beleggingsonderneming haar eigen gedocumenteerde beoordeling van de kredietkwaliteit van geldmarktinstrumenten verricht die haar in staat stelt een geldmarktinstrument als hoogwaardig aan te merken. Wanneer een of meer door de ESMA geregistreerde en gecontroleerde ratingbureaus een beoordeling van het instrument hebben verstrekt, houdt de beheer-/ beleggingsonderneming rekening met onder meer die kredietratings.

▼M1

5.  
Onder “duurzaamheidsfactoren” worden verstaan duurzaamheidsfactoren in de zin van artikel 2, punt 24, van Verordening (EU) 2019/2088 van het Europees Parlement en de Raad ( 4 ).

▼B



HOOFDSTUK II

VRIJWARING VAN FINANCIËLE INSTRUMENTEN EN GELDMIDDELEN VAN CLIËNTEN

Artikel 2

Vrijwaring van financiële instrumenten en geldmiddelen van cliënten

1.  

De lidstaten leggen beleggingsondernemingen de volgende verplichtingen op:

a) 

zij moeten alle gegevens en rekeningen bijhouden die hen te allen tijde onmiddellijk in staat stellen de activa die voor een cliënt worden aangehouden, te onderscheiden van voor andere cliënten aangehouden activa en hun eigen activa;

b) 

zij moeten hun gegevens en rekeningen op zodanige wijze bijhouden dat deze accuraat zijn en met name de voor cliënten aangehouden financiële instrumenten en geldmiddelen weerspiegelen en als controlespoor kunnen worden gebruikt;

c) 

zij moeten op gezette tijden nagaan of hun interne gegevens en rekeningen overeenstemmen met die van derden door wie die activa worden aangehouden;

d) 

zij moeten de nodige stappen ondernemen om te garanderen dat overeenkomstig artikel 3 bij een derde gedeponeerde financiële instrumenten van cliënten door middel van verschillend getitelde rekeningen in de boeken van de derde of andere gelijkwaardige maatregelen waarmee hetzelfde beschermingsniveau wordt bereikt, kunnen worden onderkend van de financiële instrumenten die aan de beleggingsonderneming toebehoren, en van de financiële instrumenten die aan die derde toebehoren;

e) 

zij moeten de nodige stappen ondernemen om te garanderen dat geldmiddelen van cliënten die overeenkomstig artikel 4 zijn gedeponeerd bij een centrale bank, een kredietinstelling of een bank waaraan in een derde land vergunning is verleend, dan wel bij een erkend geldmarktfonds, worden aangehouden op rekeningen die kunnen worden onderkend van rekeningen die worden gebruikt voor het aanhouden van aan de beleggingsonderneming toebehorende geldmiddelen;

f) 

zij moeten passende organisatorische regelingen treffen om het risico van verlies of vermindering van activa van cliënten dan wel van rechten in verband met die activa, als gevolg van misbruik van de activa, fraude, wanbeheer, ontoereikende gegevensbewaring of nalatigheid, tot een minimum te beperken.

2.  
Indien beleggingsondernemingen volgens het toepasselijke recht, met inbegrip van met name het eigendoms- en het insolventierecht, niet kunnen voldoen aan lid 1 van dit artikel ter vrijwaring van de rechten van cliënten overeenkomstig de vereisten van artikel 16, leden 8 en 9, van Richtlijn 2014/65/EU, verplichten de lidstaten beleggingsondernemingen regelingen in te voeren om activa van cliënten te vrijwaren in overeenstemming met de doelstellingen van lid 1 van dit artikel.
3.  
Indien het toepasselijke recht van het rechtsgebied waarin de financiële instrumenten of geldmiddelen van cliënten worden aangehouden, beleggingsondernemingen belet zich naar lid 1, onder d) en e), te voegen, stellen de lidstaten voorschriften vast die de rechten van cliënten op gelijkwaardige wijze vrijwaren.

Wanneer de lidstaten gebruik maken van gelijkwaardige verplichtingen krachtens artikel 2, lid 1, onder d) of e), zorgen de lidstaten ervoor dat beleggingsondernemingen cliënten informeren dat zij in dergelijke gevallen geen aanspraak kunnen maken op de bepalingen bedoeld in Richtlijn 2014/65/EU en deze richtlijn.

4.  
De lidstaten zorgen ervoor dat zakelijkezekerheidsrechten, voorrechten of rechten van verrekening op financiële instrumenten of geldmiddelen van cliënten die een derde in staat stellen financiële instrumenten of geldmiddelen van cliënten te vervreemden teneinde schulden in te vorderen die geen betrekking hebben op de cliënt of op de dienstverlening aan de cliënt, niet zijn toegestaan, tenzij dit verplicht is bij de toepasselijke wet in het rechtsgebied van een derde land waarin de financiële instrumenten of geldmiddelen van de cliënt worden aangehouden.

De lidstaten verplichten beleggingsondernemingen, wanneer deze overeenkomsten moeten aangaan waarbij dergelijke zakelijkezekerheidsrechten, voorrechten of rechten van verrekening tot stand worden gebracht, die informatie aan de cliënten mee te delen en hen te wijzen op risico's die aan dergelijke regelingen verbonden zijn.

Wanneer door de onderneming zakelijkezekerheidsrechten, voorrechten of rechten van verrekening over financiële instrumenten of geldmiddelen van cliënten worden verleend of wanneer de onderneming heeft vernomen dat die zijn verleend, wordt daarvan melding gemaakt in de contracten met de cliënt en in de eigen rekeningen van de onderneming zodat de eigendomsstatus van de activa van de cliënt wordt verduidelijkt, zoals in het geval van insolventie.

5.  

De lidstaten zorgen ervoor dat beleggingsondernemingen informatie met betrekking tot financiële instrumenten en geldmiddelen van cliënten ter beschikking stellen aan de volgende entiteiten: bevoegde autoriteiten, benoemde insolventiefunctionarissen en de personen die belast zijn met de ontbinding van failliete ondernemingen. De ter beschikking te stellen informatie omvat:

a) 

de desbetreffende interne rekeningen en gegevens om de saldi van financiële instrumenten en geldmiddelen die voor elk cliënt worden aangehouden, onmiddellijk vast te stellen;

b) 

de plaatsen waar overeenkomstig artikel 4 door beleggingsondernemingen geldmiddelen van cliënten worden aangehouden, nadere gegevens over de rekeningen waarop geldmiddelen van cliënten worden aangehouden, en nadere gegevens over de desbetreffende overeenkomsten met die ondernemingen;

c) 

de plaatsen waar overeenkomstig artikel 3 door beleggingsondernemingen financiële instrumenten worden aangehouden, nadere gegevens over de rekeningen die bij derden zijn geopend, en over de desbetreffende overeenkomsten met die derden, alsook nadere gegevens over de desbetreffende overeenkomsten met die beleggingsondernemingen;

d) 

nadere gegevens over derden die daarmee verbonden (uitbestede) taken verrichten, en een nadere omschrijving van uitbestede taken;

e) 

belangrijke personen van de onderneming die betrokken zijn bij daarmee verbonden processen, met inbegrip van de personen die belast zijn met het toezicht op de verplichtingen van de onderneming met betrekking tot de vrijwaring van activa van cliënten, en

f) 

overeenkomsten die van belang zijn om de eigendom van cliënten over activa vast te stellen.

Artikel 3

Deponeren van geldmiddelen van cliënten

1.  
De lidstaten staan beleggingsondernemingen toe financiële instrumenten die zij namens hun cliënten aanhouden, te deponeren op een rekening of rekeningen bij een derde, mits de ondernemingen de nodige bekwaamheid, zorgvuldigheid en waakzaamheid aan de dag leggen bij de selectie, de aanwijzing en de periodieke beoordeling van de derde en van de regelingen voor het aanhouden en vrijwaren van de betrokken financiële instrumenten.

Met name verplichten de lidstaten beleggingsondernemingen rekening te houden met de deskundigheid en marktreputatie van de betrokken derde, alsook met wettelijke voorschriften voor het aanhouden van deze financiële instrumenten die de rechten van cliënten nadelig kunnen beïnvloeden.

2.  
Wanneer een beleggingsonderneming voornemens is financiële instrumenten van cliënten bij een derde te deponeren, zorgen de lidstaten ervoor dat deze beleggingsonderneming de financiële instrumenten alleen deponeert bij een derde in een rechtsgebied waar de vrijwaring van financiële instrumenten voor rekening van een andere persoon is onderworpen aan specifieke regelgeving en supervisie en de derde aan deze specifieke regelgeving en supervisie is onderworpen.
3.  

De lidstaten zorgen ervoor dat beleggingsondernemingen financiële instrumenten die zij namens cliënten aanhouden, niet deponeren bij een derde in een derde land dat het aanhouden en vrijwaren van financiële instrumenten voor rekening van een andere persoon niet reglementeert, tenzij aan een van de volgende voorwaarden wordt voldaan:

a) 

de aard van de financiële instrumenten of van de beleggingsdiensten in verband met die instrumenten vereist dat ze worden gedeponeerd bij een derde in dat derde land;

b) 

wanneer de financiële instrumenten namens een zakelijke cliënt worden aangehouden, verzoekt die cliënt de onderneming schriftelijk om ze bij een derde in dat derde land te deponeren.

4.  
De lidstaten zorgen ervoor dat de voorschriften van de leden 2 en 3 ook van toepassing zijn wanneer de derde functies met betrekking tot het aanhouden en vrijwaren van financiële instrumenten heeft gedelegeerd aan een andere derde.

Artikel 4

Deponeren van geldmiddelen van cliënten

1.  

De lidstaten verplichten beleggingsondernemingen bij ontvangst van geldmiddelen van cliënten deze onmiddellijk te storten op een of meer rekeningen bij een van de volgende instellingen:

a) 

een centrale bank;

b) 

een kredietinstelling waaraan overeenkomstig Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad ( 5 ) een vergunning is verleend;

c) 

een bank waaraan in een derde land een vergunning is verleend;

d) 

een erkend geldmarktfonds.

De eerste alinea is niet van toepassing op een kredietinstelling waaraan overeenkomstig Richtlijn 2013/36/EU een vergunning is verleend met betrekking tot door die instelling aangehouden deposito's in de zin van deze richtlijn.

2.  
De lidstaten verplichten beleggingsondernemingen, wanneer zij geldmiddelen van cliënten niet bij een centrale bank deponeren, de nodige bekwaamheid, zorgvuldigheid en waakzaamheid aan de dag te leggen bij de selectie, de aanwijzing en de periodieke beoordeling van de kredietinstelling, de bank of het geldmarktfonds waar de geldmiddelen worden belegd, en van de regelingen voor het aanhouden van de betrokken geldmiddelen, en de behoefte aan diversificatie van deze geldmiddelen te onderzoeken in het kader van hun due diligence.

De lidstaten zorgen er met name voor dat beleggingsondernemingen rekening houden met de deskundigheid en de marktreputatie van deze instellingen of geldmarktfondsen om de rechten van cliënten te beschermen, alsook met alle wettelijke verplichtingen of marktpraktijken met betrekking tot het aanhouden van geldmiddelen van cliënten die de rechten van cliënten nadelig kunnen beïnvloeden.

De lidstaten verplichten beleggingsondernemingen ervoor te zorgen dat cliënten hun uitdrukkelijke toestemming geven voor de belegging van hun geldmiddelen in een erkend geldmarktfonds. Teneinde dit recht op toestemming daadwerkelijk te verzekeren delen de beleggingsondernemingen cliënten mee dat bij een erkend geldmarktfonds belegde geldmiddelen niet worden aangehouden in overeenstemming met de in deze richtlijn voorgeschreven regels voor het aanhouden van geldmiddelen van cliënten.

3.  
De lidstaten verplichten beleggingsondernemingen, wanneer zij geldmiddelen van cliënten bij een kredietinstelling, bank of geldmarktfonds van dezelfde groep als de beleggingsonderneming deponeren, de geldmiddelen die zij bij een groepsentiteit of een combinatie van dergelijke groepsentiteiten deponeren, zodanig te beperken dat deze niet meer bedragen dan 20 % van alle middelen.

Een beleggingsonderneming hoeft niet aan deze beperking te voldoen wanneer zij kan aantonen dat gelet op de aard, de omvang en de complexiteit van haar bedrijf alsmede de veiligheid die de in de vorige alinea bedoelde derden bieden, inclusief in elk geval het kleine saldo van geldmiddelen van cliënten die de beleggingsonderneming aanhoudt, de in de vorige alinea bedoelde verplichting niet evenredig is. De beleggingsondernemingen evalueren regelmatig de beoordeling die zij overeenkomstig deze alinea hebben gemaakt, en delen hun aanvankelijke en herziene beoordelingen mee aan de nationale regelgevende instantie.

Artikel 5

Gebruik van financiële instrumenten van cliënten

1.  

De lidstaten staan beleggingsondernemingen niet toe overeenkomsten voor effectenfinancieringstransacties aan te gaan met betrekking tot financiële instrumenten die zij namens een cliënt aanhouden, of anderszins deze financiële instrumenten te gebruiken voor eigen rekening of voor rekening van een andere persoon of cliënt van de onderneming, tenzij aan de volgende twee voorwaarden is voldaan:

a) 

de cliënt heeft vooraf uitdrukkelijk toegestemd met het gebruik van de instrumenten onder nader omschreven voorwaarden, zoals duidelijk blijkt uit geschreven stukken en is bevestigd door een handtekening of een gelijkwaardig teken, en

b) 

de financiële instrumenten van deze cliënt mogen uitsluitend worden gebruikt onder de omschreven voorwaarden waarmee de cliënt instemt.

2.  

De lidstaten staan beleggingsondernemingen niet toe overeenkomsten voor effectenfinancieringstransacties aan te gaan met betrekking tot financiële instrumenten die namens een cliënt op een omnibusrekening van een derde worden aangehouden, of anderszins financiële instrumenten gebruiken die op een dergelijke wijze voor eigen rekening of voor rekening van een andere cliënt worden aangehouden, tenzij naast de in lid 1 genoemde voorwaarden aan ten minste een van de volgende voorwaarden is voldaan:

a) 

elke cliënt wiens financiële instrumenten samen op een omnibusrekening worden aangehouden, moet overeenkomstig lid 1, onder a), vooraf zijn uitdrukkelijke toestemming hebben verleend;

b) 

de beleggingsonderneming moet beschikken over systemen en controlemiddelen die waarborgen dat alleen financiële instrumenten worden gebruikt toebehorende aan cliënten die overeenkomstig lid 1, onder a), vooraf uitdrukkelijk hun toestemming hebben verleend.

De gegevens van de beleggingsonderneming omvatten nadere informatie over de cliënt op wiens instructies de financiële instrumenten zijn gebruikt, alsook het aantal gebruikte financiële instrumenten toebehorende aan elke cliënt die zijn toestemming heeft verleend, teneinde eventuele verliezen op correcte wijze te kunnen toewijzen.

3.  

De lidstaten zorgen ervoor dat beleggingsondernemingen, ter voorkoming van niet-toegestaan gebruik van financiële instrumenten van cliënten voor eigen rekening of voor rekening van een andere persoon, passende maatregelen nemen zoals:

a) 

het sluiten van overeenkomsten met cliënten over maatregelen die de beleggingsonderneming zal nemen ingeval de cliënt op de datum van afwikkeling niet voldoende provisie op zijn rekening heeft, zoals het opnemen van leningen voor de overeenstemmende effecten namens de cliënt of het liquideren van de positie;

b) 

nauwlettend toezicht op hun verwachte capaciteit om op de datum van afwikkeling te leveren en remediërende maatregelen ingeval dit niet mogelijk is, en

c) 

nauwlettend toezicht en onverwijlde opvraging van uitstaande effecten op de datum van afwikkeling en later.

4.  
De lidstaten zorgen ervoor dat beleggingsondernemingen voor alle cliënten specifieke regelingen treffen zodat de kredietnemer van financiële instrumenten van cliënten de passende zekerheden verschaft, deze onderneming toeziet op de voortdurende geschiktheid van deze zekerheden en de nodige stappen onderneemt om het saldo in evenwicht te houden met de waarde van de instrumenten van cliënten.
5.  
De lidstaten zorgen ervoor dat beleggingsondernemingen geen regelingen aangaan die krachtens artikel 16, lid 10, van Richtlijn 2014/65/EU verboden zijn.

Artikel 6

Oneigenlijk gebruik van zekerheidsovereenkomsten die tot overdracht leiden

1.  
De lidstaten verplichten beleggingsfondsen het gebruik van zekerheidsovereenkomsten die tot overdracht leiden, op passende wijze te onderzoeken, en daarvan het bewijs te leveren, in het kader van de relatie tussen de verbintenis van de cliënt ten aanzien van de onderneming en de activa van de cliënt die door de onderneming aan deze overeenkomsten zijn onderworpen.
2.  

Wanneer zij het passende gebruik onderzoeken van zekerheidsovereenkomsten die tot overdracht leiden, en dit met documenten staven, houden de beleggingsondernemingen rekening met de volgende factoren:

a) 

de vraag of er slechts een zwak verband is tussen de verbintenis van de cliënt te aanzien van de onderneming en het gebruik van zekerheidsovereenkomsten die tot overdracht leiden, waaronder de vraag of de aansprakelijkheid van een cliënt ten aanzien van de onderneming weinig waarschijnlijk of verwaarloosbaar is;

b) 

de vraag of het bedrag aan financiële instrumenten of geldmiddelen van de cliënt die in aanmerking komen voor zekerheidsovereenkomsten die tot overdracht leiden, de verbintenis van de cliënt ruimschoots overschrijdt, of zelfs onbeperkt is indien de cliënt geen enkele verbintenis heeft ten aanzien van de onderneming, en

c) 

de vraag of alle financiële instrumenten of geldmiddelen van de cliënt in aanmerking komen voor zekerheidsovereenkomsten die tot overdracht leiden, zonder rekening te houden met de aard van de verbintenis van elke cliënt ten aanzien van de onderneming.

3.  
Wanneer beleggingsondernemingen gebruik maken van zekerheidsovereenkomsten die tot overdracht leiden, wijzen zij zakelijke cliënten en in aanmerking komende tegenpartijen op de betrokken risico's en de effecten van zekerheidsovereenkomsten die tot overdracht leiden, op de financiële instrumenten en geldmiddelen van cliënten.

Artikel 7

Governanceregelingen betreffende de vrijwaring van activa van cliënten

De lidstaten zorgen ervoor dat beleggingsondernemingen één staflid aanstellen dat over voldoende vaardigheid en gezag geschikt en specifiek belast is met aangelegenheden die betrekking hebben op de naleving door ondernemingen van hun verplichtingen betreffende de vrijwaring van financiële instrumenten en geldmiddelen van cliënten.

De lidstaten staan beleggingsondernemingen toe, met volledige inachtneming van deze richtlijn, te besluiten of het aangestelde staflid zich uitsluitend aan deze taak wijdt dan wel of hij deze taak daadwerkelijk kan vervullen naast andere waar te nemen taken.

Artikel 8

Verslagen van externe accountants

De lidstaten verplichten beleggingsondernemingen ervoor te zorgen dat hun externe accountants aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst van de onderneming ten minste elk jaar verslag uitbrengen over de deugdelijkheid van de regelingen die de onderneming ingevolge artikel 16, leden 8, 9 en 10, van Richtlijn 2014/65/EU en dit hoofdstuk heeft getroffen.



HOOFDSTUK III

PRODUCTGOVERNANCEVERPLICHTINGEN

Artikel 9

Productgovernanceverplichtingen voor beleggingsondernemingen die financiële instrumenten vervaardigen

1.  
De lidstaten verplichten beleggingsondernemingen aan dit artikel te voldoen wanneer zij financiële instrumenten vervaardigen, met inbegrip van de creatie, de ontwikkeling, de uitgifte en/of het ontwerp van financiële instrumenten.

De lidstaten verplichten beleggingsondernemingen die financiële instrumenten vervaardigen, op passende en evenredige wijze te voldoen aan de desbetreffende voorschriften in de leden 2 tot en met 15, rekening houdend met de aard van het financieel instrument, de beleggingsdienst en de doelmarkt voor het product.

2.  
De lidstaten verplichten beleggingsondernemingen procedures en maatregelen op te stellen, in te voeren en te handhaven om ervoor te zorgen dat zij bij het vervaardigen van financiële instrumenten voldoen aan de vereisten inzake passend beheer van belangenconflicten, met inbegrip van de vergoeding. Beleggingsondernemingen die financiële instrumenten vervaardigen, waarborgen met name dat het ontwerp van het financieel instrument, met inbegrip van zijn kenmerken, de cliënten niet benadeelt of niet tot problemen voor de integriteit van de markt leidt doordat de onderneming de mogelijkheid krijgt haar eigen risico's of blootstelling aan de onderliggende activa van het product te beperken en/of af te schuiven, wanneer de beleggingsonderneming de onderliggende activa reeds voor eigen rekening aanhoudt.
3.  

De lidstaten verplichten beleggingsondernemingen potentiële belangenconflicten te onderzoeken telkens wanneer zij een financieel instrument vervaardigen. Ondernemingen beoordelen met name of het financieel instrument een situatie tot stand brengt waarin eindcliënten kunnen worden benadeeld wanneer zij:

a) 

een blootstelling aangaan die tegengesteld is aan die welke voorheen door de onderneming zelf werd aangehouden, of

b) 

een blootstelling aangaan die tegengesteld is aan die welke de onderneming wenst aan te houden na de verkoop van het product.

4.  
De lidstaten zorgen ervoor dat beleggingsondernemingen onderzoeken of het financieel instrument een bedreiging kan vormen voor de ordelijke werking of de stabiliteit van financiële markten voordat zij besluiten een product in omloop te brengen.
5.  
De lidstaten verplichten beleggingsondernemingen ervoor te zorgen dat de personeelsleden die betrokken zijn bij het vervaardigen van financiële instrumenten, de nodige deskundigheid bezitten om de kenmerken en risico's te begrijpen van de financiële instrumenten die zij vervaardigen.
6.  
De lidstaten verplichten beleggingsondernemingen ervoor te zorgen dat het leidinggevend orgaan daadwerkelijke controle uitoefent over het proces van productgovernance. De beleggingsondernemingen zorgen ervoor dat de nalevingsverslagen aan het leidinggevend orgaan stelselmatig informatie bevatten over de door de onderneming vervaardigde financiële instrumenten, waaronder ook informatie over de distributiestrategie. De beleggingsondernemingen stellen de verslagen op verzoek ter beschikking aan hun bevoegde autoriteit.
7.  
De lidstaten verplichten beleggingsondernemingen ervoor te zorgen dat de met naleving belaste dienst toezicht houdt op de ontwikkeling en de periodieke evaluatie van de productgovernanceverplichtingen om risico's op niet-naleving van de in dit artikel bedoelde verplichtingen door de onderneming op te sporen.
8.  
De lidstaten verplichten beleggingsondernemingen in hun samenwerking voor het creëren, het ontwikkelen, het uitgeven en/of het ontwerpen van een product, ook met entiteiten die niet aan de vergunningsplicht en het toezicht krachtens Richtlijn 2014/65/EU zijn onderworpen, of met ondernemingen uit derde landen, hun wederzijdse verplichtingen in een schriftelijke overeenkomst vast te stellen.

▼M1

9.  
De lidstaten verplichten beleggingsondernemingen de potentiële doelmarkt voor elk financieel instrument voldoende fijnmazig vast te stellen en het type of de typen cliënten te bepalen met wier behoeften, kenmerken en doelstellingen, met inbegrip van duurzaamheidsdoelstellingen, het financiële instrument overeenstemt. In dit proces identificeert de onderneming de groep of groepen cliënten met wier behoeften, kenmerken en doelstellingen het financiële instrument niet overeenstemt, behalve indien financiële instrumenten duurzaamheidsfactoren in aanmerking nemen. Wanneer beleggingsondernemingen samenwerken bij het vervaardigen van een financieel instrument, moet slechts één doelmarkt worden aangewezen.

▼B

Beleggingsondernemingen die financiële instrumenten vervaardigen welke door andere beleggingsondernemingen in omloop worden gebracht, bepalen de behoeften en kenmerken van cliënten waarmee het product overeenstemt, op basis van hun theoretische kennis en hun voorbije ervaring met het financieel instrument of met soortgelijke financiële instrumenten, de financiële markten en de behoeften, kenmerken en doelstellingen van potentiële eindcliënten.

10.  

De lidstaten verplichten beleggingsondernemingen een scenarioanalyse voor hun financiële instrumenten te verrichten waarin het risico wordt beoordeeld dat het product slechte resultaten zou opleveren voor eindcliënten, en wordt nagegaan in welke omstandigheden dit kan gebeuren. Beleggingsondernemingen beoordelen de werking van financiële instrumenten in negatieve omstandigheden waarin bijvoorbeeld:

a) 

de marktomgeving verslechtert;

b) 

de productontwikkelaar of de derde partij die betrokken is bij de vervaardiging of de werking van het financieel instrument, financiële moeilijkheden ondervindt of zich andere tegenpartijrisico's voordoen;

c) 

het financieel instrument commercieel niet langer levensvatbaar is, of

d) 

de vraag naar het financieel instrument veel hoger is dan verwacht en de middelen van de onderneming en/of de markt van het onderliggende instrument onder druk komen te staan.

▼M1

11.  

De lidstaten verplichten beleggingsondernemingen te bepalen of een financieel instrument voldoet aan de vastgestelde behoeften, kenmerken en doelstellingen van de doelmarkt, onder meer door een onderzoek van de volgende elementen:

(a) 

het risico/rendementsprofiel van het financieel instrument stemt overeen met de doelmarkt;

(b) 

de duurzaamheidsfactoren van het financieel instrument stemmen, in voorkomend geval, overeen met de doelmarkt;

(c) 

het ontwerp van het financieel instrument wordt gedreven door kenmerken die aan de cliënt ten goede komen, en niet door een bedrijfsmodel dat voor zijn rendabiliteit gebaseerd is op slechte resultaten voor de cliënt.

▼B

12.  

De lidstaten verplichten beleggingsondernemingen de voor het financieel instrument voorgestelde kostenstructuur te evalueren, onder meer door rekening te houden met het volgende:

a) 

de kosten en tarieven voor het financieel instrument zijn verenigbaar met de behoeften, de doelstellingen en de kenmerken van de doelmarkt;

b) 

de kosten ondermijnen de rendementsverwachtingen voor het financieel instrument niet, zoals wanneer de kosten of tarieven bijna alle verwachte aan het financieel instrument verbonden belastingvoordelen evenaren, overschrijden of opheffen, en

c) 

de kostenstructuur van het financieel instrument is voldoende transparant voor de doelmarkt, zodat deze geen kosten verhult of te complex is om te begrijpen.

13.  
De lidstaten verplichten beleggingsondernemingen ervoor te zorgen dat de verstrekking van informatie aan distributeurs ook betrekking heeft op de passende kanalen voor distributie van het financieel instrument, het productgoedkeuringsproces en de beoordeling van de doelmarkt, en een behoorlijk niveau bereikt zodat distributeurs in staat zijn het financieel instrument op passende wijze te begrijpen en aan te bevelen of te verkopen.

▼M1

De duurzaamheidsfactoren van het financiële instrument worden transparant gepresenteerd en verschaffen distributeurs de nodig informatie om afdoende rekening te houden met duurzaamheidsdoelstellingen van de cliënt of potentiële cliënt.

▼M1

14.  
De lidstaten verplichten beleggingsondernemingen de financiële instrumenten die zij vervaardigen, regelmatig te evalueren, rekening houdende met gebeurtenissen die het potentiële risico voor de vastgestelde doelmarkt feitelijk kunnen beïnvloeden. De beleggingsondernemingen onderzoeken of het financieel instrument blijft overeenstemmen met de behoeften, kenmerken en doelstellingen, met inbegrip van duurzaamheidsdoelstellingen, van de doelmarkt en of het op de doelmarkt wordt gedistribueerd of cliënten bereikt met wier behoeften, kenmerken en doelstellingen het financiële instrument niet overeenstemt.

▼B

15.  

De lidstaten verplichten beleggingsondernemingen de financiële instrumenten vóór elke verdere uitgifte of nieuwe lancering te evalueren indien zij op de hoogte zijn van gebeurtenissen die de potentiële risico's voor beleggers feitelijk kunnen beïnvloeden, en op gezette tijden te evalueren of de financiële instrumenten functioneren zoals bedoeld. De beleggingsondernemingen bepalen met welke regelmaat zij hun financiële instrumenten evalueren, op basis van toepasselijke factoren die onder meer verband houden met de complexiteit of de innovatieve aard van de gevolgde beleggingsstrategieën. Zij bepalen ook welke belangrijke gebeurtenissen het potentiële risico of de rendementsverwachtingen van het financiële instrument kunnen beïnvloeden, zoals:

a) 

de overschrijding van een drempel die het rendementsprofiel van het financieel instrument beïnvloedt, of

b) 

de solvabiliteit van bepaalde emittenten waarvan de effecten of waarborgen de prestaties van het financieel instrument kunnen beïnvloeden.

De lidstaten zorgen ervoor dat beleggingsondernemingen bij dergelijke gebeurtenissen passende maatregelen nemen zoals:

a) 

relevante informatie verstrekken over de gebeurtenis en de gevolgen daarvan voor het financieel instrument, aan de cliënten of aan de distributeurs van het financieel instrument indien de beleggingsonderneming het financieel instrument niet rechtstreeks aan cliënten verkoopt;

b) 

verandering aanbrengen in het productgoedkeuringsproces;

c) 

verdere uitgiften van het financieel instrument stopzetten;

d) 

verandering aanbrengen in het financieel instrument om oneerlijke contractuele voorwaarden te vermijden;

e) 

onderzoeken of de verkoopkanalen waardoor de financiële instrumenten worden verkocht, geschikt zijn, wanneer ondernemingen tot de bevinding komen dat de verkoop van het financieel instrument niet verloopt zoals voorzien;

f) 

de distributeur contacteren om een wijziging van het distributieproces te bespreken;

g) 

de relatie met de distributeur beëindigen, of

h) 

de relevante bevoegde autoriteit informeren.

Artikel 10

Productgovernanceverplichtingen voor distributeurs

1.  
De lidstaten verplichten beleggingsondernemingen in hun besluiten met betrekking tot het gamma van die financiële instrumenten die zijzelf of andere ondernemingen uitgeven of de diensten die zij cliënten wensen aan te bieden of aan te bevelen, op passende en evenredige wijze te voldoen aan de desbetreffende voorschriften in de leden 2 tot en 10, rekening houdend met de aard van het financieel instrument, de beleggingsdienst en de doelmarkt voor het product.

De lidstaten zorgen ervoor dat beleggingsondernemingen ook voldoen aan de verplichtingen van Richtlijn 2014/65/EU bij het aanbieden of aanbevelen van financiële instrumenten die door niet onder Richtlijn 2014/65/EU vallende entiteiten zijn vervaardigd. In dit proces voeren deze beleggingsondernemingen daadwerkelijke regelingen in om te garanderen dat zij van die ontwikkelaars voldoende informatie over de financiële instrumenten verkrijgen.

Beleggingsondernemingen bepalen de doelmarkt voor het respectieve financieel instrument zelfs indien de doelmarkt niet is omschreven door de ontwikkelaar.

▼M1

2.  
De lidstaten verplichten beleggingsondernemingen passende productgovernanceregelingen in te voeren om ervoor te zorgen dat de producten en de diensten die zij wensen aan te bieden of aan te bevelen, overeenstemmen met de behoeften, kenmerken en doelstellingen, met inbegrip van duurzaamheidsdoelstellingen, van een omschreven doelmarkt, en dat de voorgenomen distributiestrategie overeenstemt met de afgebakende doelmarkt. Beleggingsondernemingen omschrijven en beoordelen de omstandigheden en behoeften van de cliënten op wie zij zich willen richten, om ervoor te zorgen dat geen afbreuk wordt gedaan aan de belangen van cliënten ten gevolge van commerciële of financieringsprocessen. In dit proces identificeren de beleggingsondernemingen groepen cliënten met wier behoeften, kenmerken en doelstellingen het product of de dienst niet overeenstemt, behalve indien financiële instrumenten duurzaamheidsfactoren in aanmerking nemen.

▼B

De lidstaten zorgen ervoor dat beleggingsondernemingen van onder Richtlijn 2014/65/EU vallende ontwikkelaars informatie verkrijgen met het oog op het nodige begrip en de nodige kennis van de producten die zij wensen aan te bevelen of te verkopen, zodat deze producten worden gedistribueerd in overeenstemming met de behoeften, kenmerken en doelstellingen van de omschreven doelmarkt.

De lidstaten verplichten beleggingsondernemingen alle redelijke stappen te ondernemen om ervoor te zorgen dat zij ook van niet onder Richtlijn 2014/65/EU vallende ontwikkelaars passende en betrouwbare informatie verkrijgen, zodat deze producten worden gedistribueerd in overeenstemming met de behoeften, kenmerken en doelstellingen van de doelmarkt. Wanneer er geen relevante publiek beschikbare informatie is, onderneemt de distributeur alle redelijke stappen om deze relevante informatie van de ontwikkelaar of zijn gemachtigde te verkrijgen. Aanvaardbare publiek beschikbare informatie is informatie die duidelijk, betrouwbaar en op het regelgevingskader afgestemd is, zoals de openbaarmakingsvereisten krachtens Richtlijn 2003/71/EG van het Europees Parlement en de Raad ( 6 ) of Richtlijn 2004/109/EG van het Europees Parlement en de Raad ( 7 ). Deze verplichting geldt voor producten die op primaire en secundaire markten worden verkocht, en wordt evenredig toegepast naargelang van de verkrijgbaarheid van publiek beschikbare informatie en de complexiteit van het product.

Beleggingsondernemingen gebruiken de informatie die zij van ontwikkelaars hebben verkregen, en informatie over hun eigen cliënten om de doelmarkt en de distributiestrategie te omschrijven. Wanneer een beleggingsonderneming als ontwikkelaar en als distributeur optreedt, is slechts één doelmarktbeoordeling vereist.

3.  
De lidstaten verplichten beleggingsondernemingen in hun besluiten met betrekking tot het gamma van financiële instrumenten en diensten die zij cliënten wensen aan te bieden of aan te bevelen, en met betrekking tot de respectievelijke doelmarkten de naleving, te garanderen van alle toepasselijke verplichtingen krachtens Richtlijn 2014/65/EU, inclusief de verplichtingen met betrekking tot openbaarmaking, beoordeling van geschiktheid of deugdelijkheid, inducements en passend beheer van belangenconflicten. In dit verband is bijzondere zorg vereist wanneer distributeurs nieuwe producten wensen aan te bieden of aan te bevelen of wanneer er variaties optreden in de diensten die zij verlenen.
4.  
De lidstaten verplichten beleggingsondernemingen hun productgovernanceregelingen regelmatig te evalueren en te actualiseren om ervoor te zorgen dat deze robuust en geschikt voor hun doel blijven, en indien nodig de passende maatregelen te nemen.

▼M1

5.  
De lidstaten verplichten beleggingsondernemingen de beleggingsinstrumenten die zij aanbieden of aanbevelen en de diensten die zij verlenen, regelmatig te evalueren, rekening houdende met elke gebeurtenis die het potentiële risico voor de afgebakend doelmarkt materieel kan beïnvloeden. Ondernemingen evalueren ten minste of de producten of diensten blijven overeenstemmen met de behoeften, kenmerken en doelstellingen, met inbegrip van duurzaamheidsdoelstellingen, van de omschreven doelmarkt, en of de voorgenomen distributiestrategie geschikt blijft. Ondernemingen onderzoeken de doelmarkt opnieuw en/of actualiseren de productgovernanceregelingen wanneer zij tot de bevinding komen dat zij de doelmarkt voor een specifieke producten of diensten onjuist hebben omschreven of deze niet langer voldoen aan de omstandigheden van de afgebakende doelmarkt, bijvoorbeeld wanneer het product ten gevolge van marktomstandigheden niet-liquide of zeer volatiel is geworden.

▼B

6.  
De lidstaten verplichten beleggingsondernemingen ervoor te zorgen dat hun met naleving belaste dienst toezicht houdt op de ontwikkeling en de periodieke evaluatie van de productgovernanceverplichtingen om risico's op niet-naleving van de in dit artikel bedoelde verplichtingen door de onderneming op te sporen.
7.  
De lidstaten verplichten beleggingsondernemingen ervoor te zorgen dat de desbetreffende personeelsleden over de nodige deskundigheid beschikken om de kenmerken en risico's te begrijpen van de producten die zij wensen aan te bieden of aan te bevelen en van de geleverde diensten en de behoeften, kenmerken en doelstellingen van de omschreven doelmarkt.
8.  
De lidstaten verplichten beleggingsondernemingen ervoor te zorgen dat het leidinggevend orgaan daadwerkelijke controle uitoefent over het productgovernanceproces van de onderneming om te bepalen welk gamma van beleggingsproducten zij aanbieden of aanbevelen en welke diensten zij leveren aan de respectievelijke doelmarkten. Beleggingsondernemingen zorgen ervoor dat de nalevingsverslagen aan het leidinggevend orgaan stelselmatig informatie bevatten over de producten die zij aanbieden of aanbevelen en de geleverde diensten. De nalevingsverslagen worden op verzoek aan de bevoegde autoriteiten verstrekt.
9.  
De lidstaten zorgen ervoor dat beleggingsondernemingen ontwikkelaars verkoopinformatie, en indien passend, informatie over de bovengenoemde evaluaties verstrekken ter ondersteuning van de productevaluaties die ontwikkelaars verrichten.
10.  

Wanneer verschillende ondernemingen samenwerken bij de distributie van een product of dienst, zorgen de lidstaten ervoor dat de beleggingsonderneming met directe band met de cliënt uiteindelijke verantwoordelijkheid draagt voor de naleving van de in dit artikel bedoelde productgovernanceverplichtingen. Intermediaire beleggingsondernemingen moeten evenwel:

a) 

ervoor zorgen dat relevante productinformatie wordt doorgegeven van de ontwikkelaar aan de einddistributeur in de keten;

b) 

de ontwikkelaar in staat stellen de nodige informatie te verkrijgen wanneer deze informatie over productverkoop nodig heeft om te voldoen aan zijn eigen productgovernanceverplichtingen, en

c) 

indien van toepassing, de productgovernanceverplichtingen voor ontwikkelaars toepassen op de dienst die zij verlenen.



HOOFDSTUK IV

INDUCEMENTS

Artikel 11

Inducements

1.  
De lidstaten verplichten beleggingsondernemingen die een provisie of commissie betalen of ontvangen, of een niet-geldelijke tegemoetkoming verstrekken of verkrijgen in verband met het verlenen van een beleggingsdienst of een nevendienst aan de cliënt, ervoor te zorgen dat alle voorwaarden bedoeld in artikel 24, lid 9, van Richtlijn 2014/65/EU en de verplichtingen bedoeld in de leden 2 tot en met 5 te allen tijde worden nagekomen.
2.  

Een provisie, commissie of niet-geldelijke tegemoetkoming wordt geacht bedoeld te zijn om de kwaliteit van de desbetreffende dienst aan de cliënt te verbeteren, indien aan alle volgende voorwaarden is voldaan:

a) 

de rechtvaardiging bestaat erin dat aan de desbetreffende cliënt een bijkomend of hoger niveau van dienstverlening, evenredig met het niveau van de ontvangen inducements, wordt verleend, zoals:

i) 

het verstrekken van niet-onafhankelijk beleggingsadvies over en toegang tot een breed gamma van geschikte financiële instrumenten, waaronder een passend aantal instrumenten van derde productaanbieders die geen nauwe banden met de beleggingsonderneming hebben;

ii) 

het verstrekken van niet-onafhankelijk beleggingsadvies in combinatie met: een aanbod aan de cliënt, ten minste op jaarbasis, om de voortdurende geschiktheid te evalueren van de financiële instrumenten waarin de cliënt heeft belegd; of met een andere lopende dienst die voor de cliënt van waarde zou kunnen zijn, zoals advies over de voorgestelde optimale activaverdeling van de cliënt, of

iii) 

het verlenen van toegang, tegen concurrerende prijzen, tot een breed gamma van financiële instrumenten die aan de behoeften van de cliënten zouden kunnen voldoen, waaronder een passend aantal instrumenten van derde productaanbieders die geen nauwe banden hebben met de beleggingsonderneming, samen met het verstrekken van hulpmiddelen met toegevoegde waarde, zoals middelen voor objectieve informatieverstrekking die de betrokken cliënt ondersteunen bij beleggingsbeslissingen of hem in staat stellen de reeks financiële instrumenten waarin hij heeft belegd, te monitoren, modelleren of corrigeren, of het verstrekken van periodieke verslagen over de prestaties en de kosten en lasten die verbonden zijn aan de financiële instrumenten;

b) 

de voordelen zijn niet rechtstreeks voor de ontvangende onderneming, haar aandeelhouders of werknemers, zonder dat er tastbare voordelen zijn voor de desbetreffende cliënt;

c) 

de rechtvaardiging bestaat erin dat aan de desbetreffende cliënt een doorlopend voordeel wordt verleend in verband met een doorlopende inducement.

Een provisie, commissie of niet-geldelijke tegemoetkoming wordt niet aanvaardbaar geacht indien de verstrekking van de desbetreffende diensten aan de cliënt wordt vervalst of verstoord ten gevolge van deze provisie, commissie of niet-geldelijke tegemoetkoming.

3.  
Beleggingsondernemingen blijven voortdurend aan de in lid 2 bedoelde verplichtingen voldoen zolang zij de provisie, commissie of niet-geldelijke tegemoetkoming blijven betalen of ontvangen.
4.  

Beleggingsondernemingen bewaren de gegevens tot staving van het feit dat de provisie, de commissie of de niet-geldelijke tegemoetkoming bedoeld is om de kwaliteit van de desbetreffende dienst aan de cliënt te verbeteren:

a) 

door een interne lijst bij te houden van alle provisies, commissies of niet-geldelijke tegemoetkomingen die de beleggingsonderneming van een derde partij heeft ontvangen in verband met het verlenen van beleggings- of nevendiensten, en

b) 

door op te tekenen hoe de provisies, commissies of niet-geldelijke tegemoetkomingen die de beleggingsonderneming heeft betaald of ontvangen of die zij voornemens is te gebruiken, de kwaliteit van de aan de desbetreffende cliënten verstrekte diensten verbeteren, en welke stappen zijn ondernomen om de verplichting van de onderneming tot eerlijk, billijk en professioneel handelen in overeenstemming met de belangen van de cliënt niet in het gedrang te brengen.

5.  

De beleggingsonderneming deelt met betrekking tot betalingen of tegemoetkomingen die zij van derden heeft ontvangen of aan derden heeft betaald, aan de cliënt de volgende informatie mee:

a) 

voordat zij de desbetreffende beleggings- of nevendienst verleent, deelt de beleggingsonderneming de cliënt overeenkomstig artikel 24, lid 9, tweede alinea, van Richtlijn 2014/65/EU informatie over de betrokken betalingen of voordelen mee. Kleine niet-geldelijke tegemoetkomingen kunnen in algemene bewoordingen worden omschreven. Andere niet-geldelijke tegemoetkomingen die de beleggingsonderneming heeft ontvangen of betaald in verband met de aan een cliënt verstrekte beleggingsdienst, worden van een prijs voorzien en afzonderlijk medegedeeld;

b) 

wanneer een beleggingsonderneming niet in staat is geweest zich voorafgaandelijk te vergewissen van het bedrag van een te verrichten betaling of een te ontvangen tegemoetkoming en de cliënt in plaats daarvan heeft ingelicht over de methode van berekening van dat bedrag, verstrekt zij haar cliënten achteraf eveneens informatie over het juiste bedrag van de verrichte betaling of de ontvangen tegemoetkoming, en

c) 

zolang de beleggingsonderneming (voortdurende) inducements ontvangt in verband met de beleggingsdiensten die aan de desbetreffende cliënten worden verstrekt, informeert zij haar cliënten ten minste één maal per jaar individueel over het reële bedrag van de betalingen of de ontvangen of betaalde tegemoetkomingen. Kleine niet-geldelijke tegemoetkomingen kunnen in algemene bewoordingen worden omschreven.

Bij de uitvoering van deze voorschriften houden beleggingsondernemingen rekening met de regels inzake kosten en lasten bedoeld in artikel 24, lid 4, onder c), van Richtlijn 2014/65/EU en artikel 50 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/565 van de Commissie ( 8 ).

Wanneer meer ondernemingen bij een distributiekanaal zijn betrokken, voldoet elke beleggingsonderneming die een beleggings- of nevendienst verstrekt, aan haar verplichtingen met betrekking tot de mededeling van informatie aan haar cliënten.

Artikel 12

Inducements met betrekking tot onafhankelijk beleggingsadvies of vermogensbeheerdiensten

1.  
De lidstaten zorgen ervoor dat beleggingsondernemingen die onafhankelijk beleggingsadvies of vermogensbeheerdiensten bieden, provisies, commissies of niet-geldelijke tegemoetkomingen die door een derde of een namens de derde handelende persoon zijn verstrekt in verband met aan deze cliënt verstrekte diensten, zo snel als redelijkerwijze mogelijk is na ontvangst doorgeven aan de cliënt. Alle provisies, commissies of niet-geldelijke tegemoetkomingen die zij van derden heeft ontvangen in verband met het verstrekken van onafhankelijk beleggingsadvies en vermogensbeheerdiensten, worden volledig aan de cliënt overgedragen.

Beleggingsondernemingen ontwikkelen en voeren een beleid dat erop gericht is provisies, commissies of niet-geldelijke tegemoetkomingen die zijn betaald aan of ontvangen van een derde of een namens de derde handelende persoon in verband met het verstrekken van onafhankelijk beleggingsadvies en vermogensbeheerdiensten aan elke individuele cliënt toe te wijzen en over te dragen.

Beleggingsondernemingen informeren cliënten over de provisies, commissies of geldelijke tegemoetkomingen die aan hen worden doorgegeven, zoals door middel van de periodieke rapportageberichten aan de cliënt.

2.  
Beleggingsondernemingen die onafhankelijk beleggingsadvies of vermogensbeheerdiensten verstrekken, ontvangen geen niet-geldelijke tegemoetkomingen die niet kunnen worden aangemerkt als aanvaardbare kleine niet-geldelijke tegemoetkomingen in overeenstemming met lid 3.
3.  

De volgende voordelen worden alleen als aanvaardbare niet-geldelijke tegemoetkomingen aangemerkt indien het gaat om:

a) 

informatie of documentatie met betrekking tot een financieel instrument of een beleggingsdienst die algemeen van aard is of gepersonaliseerd is om de omstandigheden van een individuele cliënt weer te geven;

b) 

geschreven materiaal van een derde dat door een zakelijke emittent is besteld en vergoed om een nieuwe uitgifte van de onderneming te promoten, of wanneer de derde onderneming contractueel verbonden is met en wordt vergoed door de emittent om dit materiaal op doorlopende basis aan te maken, op voorwaarde dat de relatie in het materiaal duidelijk wordt bekendgemaakt en het materiaal gelijktijdig ter beschikking wordt gesteld aan elke beleggingsonderneming die daarom verzoekt, of aan het algemene publiek;

c) 

deelname aan conferenties, seminaries of andere opleidingen over de voordelen en de kenmerken van een specifiek financieel instrument of een specifieke beleggingsdienst;

d) 

ontvangstkosten met een redelijke de minimis-waarde, zoals voeding en drank op een zakelijke ontmoeting of een conferentie, seminarie of andere opleiding zoals bedoeld onder c), en

e) 

andere kleine niet-geldelijke tegemoetkomingen die een lidstaat geschikt acht om de kwaliteit van de aan de cliënt geboden dienst te verhogen, en die, rekening houdend met de totale hoeveelheid van door een entiteit of een groep van entiteiten verleende voordelen, van die aard en omvang zijn dat het onwaarschijnlijk is dat hierdoor afbreuk wordt gedaan aan de naleving door de beleggingsonderneming van haar verplichting om te handelen in het belang van de cliënt.

Aanvaardbare kleine niet-geldelijke tegemoetkomingen zijn redelijk en evenredig en van een zodanige omvang dat het onwaarschijnlijk is dat het gedrag van de beleggingsonderneming hierdoor kan worden beïnvloed op enigerlei wijze die schadelijk is voor de belangen van de betrokken cliënt.

Kleine niet-geldelijke tegemoetkomingen worden aan de cliënten meegedeeld voordat de desbetreffende beleggings- of nevendiensten worden verstrekt. In overeenstemming met artikel 11, lid 5, onder a), kunnen kleine niet-geldelijke tegemoetkomingen in algemene bewoordingen worden omschreven.

Artikel 13

Inducements met betrekking tot onderzoek

1.  

De lidstaten zorgen ervoor dat het verstrekken van onderzoeksdiensten door derden aan beleggingsondernemingen die vermogensbeheerdiensten of andere beleggings- of nevendiensten aan cliënten verlenen, niet als inducement wordt beschouwd indien deze wordt ontvangen in ruil voor een van de volgende:

a) 

directe betalingen door de beleggingsonderneming uit haar eigen middelen;

b) 

betalingen uit een afzonderlijke betaalrekening voor onderzoek die onder controle van de beleggingsonderneming staat, mits aan de volgende voorwaarden met betrekking tot de werking van de rekening wordt voldaan;

i) 

de betaalrekening voor onderzoek wordt gefinancierd met een specifiek aan de cliënt aangerekende vergoeding;

ii) 

bij het instellen van de betaalrekening voor onderzoek en het overeenkomen van de onderzoeksvergoeding met hun cliënten voorzien de beleggingsondernemingen bij interne maatregel in een budget voor onderzoek dat zij regelmatig evalueren;

iii) 

de beleggingsonderneming wordt verantwoordelijk geacht voor de betaalrekening voor onderzoek;

iv) 

de beleggingsonderneming evalueert regelmatig de kwaliteit van het aangeschafte onderzoekswerk op basis van solide kwaliteitscriteria en de geschiktheid ervan om tot betere beleggingsbeslissingen te komen;

Wat punt b) van de eerste alinea betreft, verstrekt een beleggingsonderneming cliënten de volgende informatie wanneer zij van de betaalrekening voor onderzoek gebruik maakt:

a) 

vóór het verstrekken van een beleggingsdienst aan cliënten, informatie over het gebudgetteerde bedrag voor onderzoek en het bedrag van de geraamde onderzoeksvergoeding voor elke cliënt;

b) 

jaarlijkse informatie over de totale kosten die voor elk van hen zijn gemaakt voor onderzoek door derden.

2.  

Wanneer een beleggingsonderneming een betaalrekening voor onderzoek beheert, zorgen de lidstaten ervoor dat de beleggingsonderneming op verzoek van hun cliënten of van de bevoegde autoriteiten verplicht kan worden een samenvattend overzicht te bieden van de aanbieders die uit deze rekening worden betaald, het totale bedrag van betalingen over een bepaalde periode, de door de beleggingsonderneming ontvangen voordelen en diensten en de verhouding van het totale bestede bedrag ten opzichte van het voor die periode door de onderneming gebudgetteerde bedrag, rekening houdend met terugbetalingen of overdrachten ingeval er op de rekening residuele bedragen staan. Voor de toepassing van lid 1, onder b), i), is de specifieke onderzoeksvergoeding:

a) 

uitsluitend gebaseerd op een onderzoeksbudget dat door de beleggingsonderneming is vastgesteld om te voldoen aan de behoefte aan onderzoek door derden met betrekking tot de diensten die zij haar cliënten aanbiedt, en

b) 

niet gebonden aan het volume en/of de waarde van de namens de cliënten verrichte transacties.

3.  
Elke operationele regeling voor de inning van de onderzoeksvergoeding bij de cliënt, indien deze niet afzonderlijk wordt geïnd maar als onderdeel van een transactiecommissie, vermeldt een afzonderlijk identificeerbare onderzoeksvergoeding en voldoet aan alle voorwaarden van lid 1, eerste alinea, onder b), en van lid 1, tweede alinea.
4.  
Het totale bedrag van onderzoeksvergoedingen mag het onderzoeksbudget niet overschrijden.
5.  
De beleggingsonderneming bedingt met haar cliënten, in de overeenkomst over beleggingsbeheer of in de algemene verkoopvoorwaarden, de onderzoeksvergoeding die door de onderneming in het budget wordt uitgetrokken alsmede de regelmaat waarmee in de loop van het jaar specifieke onderzoeksvergoedingen van de middelen van de cliënt worden afgetrokken. Het onderzoeksbudget wordt alleen verhoogd nadat de cliënten duidelijk zijn geïnformeerd over de voorgenomen verhogingen. Ingeval de betaalrekening voor onderzoek aan het einde van een periode een overschot vertoont, beschikt de onderneming over een procedure voor terugbetaling van middelen aan de cliënt of voor verrekening met het onderzoeksbudget en de berekende vergoeding voor de volgende periode.
6.  
Voor de toepassing van lid 1, eerste alinea, onder b), ii), wordt het onderzoeksbudget uitsluitend door de beleggingsonderneming beheerd en wordt uitgegaan van een redelijke beoordeling van de behoefte aan onderzoek door derden. De toewijzing van het onderzoeksbudget voor aanschaf van onderzoek door derden wordt onderworpen aan passende controles en toezicht door leidinggevenden om ervoor te zorgen dat het budget wordt beheerd en aangewend in het belang van de cliënten van de onderneming. Deze controles omvatten een duidelijke audittrail van betalingen aan aanbieders van onderzoeksdiensten en beschrijven hoe de betaalde bedragen zijn vastgesteld met betrekking tot de in lid 1, onder b), iv), bedoelde kwaliteitscriteria. Beleggingsondernemingen maken geen gebruik van het onderzoeksbudget en de betaalrekening voor onderzoek om intern onderzoek te financieren.
7.  
Voor de toepassing van lid 1, onder b), iii), kan de beleggingsonderneming het beheer van de betaalrekening voor onderzoek aan een derde delegeren, mits de regeling bevorderlijk is voor de onverwijlde aankoop van onderzoek door derden en betalingen aan aanbieders van onderzoeksdiensten namens de beleggingsonderneming, in overeenstemming met de instructies van de beleggingsonderneming.
8.  
Voor de toepassing van lid 1, onder b), iv), vermeldt de beleggingsonderneming alle noodzakelijke gegevens in een beleidsdocument dat aan de cliënten wordt bezorgd. Hierin wordt eveneens omschreven voor welke aankopen van onderzoeksdiensten ten behoeve van cliëntenportefeuilles middelen uit de betaalrekening voor onderzoek kunnen worden aangewend, rekening houdend met de voor verschillende types van portefeuilles geldende beleggingsstrategieën, alsmede welke aanpak de onderneming zal volgen om de kosten eerlijk te verdelen over de verschillende portefeuilles van cliënten.
9.  
Een beleggingsonderneming die uitvoerende diensten aanbiedt, rekent voor deze diensten afzonderlijke vergoedingen aan die alleen de kosten voor de uitvoering van de transactie vertegenwoordigen. Voor alle andere voordelen of diensten die door dezelfde beleggingsonderneming aan in de EU gevestigde beleggingsondernemingen wordt verstrekt, wordt een afzonderlijk identificeerbare vergoeding aangerekend; de levering van deze voordelen of diensten en de vergoedingen daarvoor worden niet beïnvloed door of afhankelijk gesteld van het niveau van betaling voor uitvoerende diensten.



HOOFDSTUK V

SLOTBEPALINGEN

Artikel 14

Inwerkingtreding en toepassing

1.  
De lidstaten stellen uiterlijk op 3 juli 2017 de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast om aan deze richtlijn te voldoen, en maken deze bekend. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mede.

Zij passen die bepalingen toe met ingang van 3 januari 2018.

Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor die verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2.  
De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mede die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 15

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 16

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.



( 1 ) Richtlijn 2009/65/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe's) (PB L 302 van 17.11.2009, blz. 32).

( 2 ) Richtlijn 2011/61/EU van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2011 inzake beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen en tot wijziging van de Richtlijnen 2003/41/EG en 2009/65/EG en van de Verordeningen (EG) nr. 1060/2009 en (EU) nr. 1095/2010 (PB L 174 van 1.7.2011, blz. 1).

( 3 ) Verordening (EU) 2015/2365 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 betreffende de transparantie van effectenfinancieringstransacties en van hergebruik en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 (PB L 337 van 23.12.2015, blz. 1).

( 4 ) Verordening (EU) 2019/2088 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019 betreffende informatieverschaffing over duurzaamheid in de financiëledienstensector (PB L 317 van 9.12.2019, blz. 1).

( 5 ) Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, tot wijziging van Richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG (PB L 176 van 27.6.2013, blz. 338).

( 6 ) Richtlijn 2003/71/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende het prospectus dat gepubliceerd moet worden wanneer effecten aan het publiek worden aangeboden of tot de handel worden toegelaten en tot wijziging van Richtlijn 2001/34/EG (PB L 345 van 31.12.2003, blz. 64).

( 7 ) Richtlijn 2004/109/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 december 2004 betreffende de transparantievereisten die gelden voor informatie over uitgevende instellingen waarvan effecten tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten en tot wijziging van Richtlijn 2001/34/EG (PB L 390 van 31.12.2004, blz. 38).

( 8 ) Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/565 van de Commissie van 25 april 2016 tot aanvulling van Richtlijn 2014/65/EU van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de door beleggingsondernemingen in acht te nemen organisatorische eisen en voorwaarden voor de bedrijfsuitoefening en wat betreft de definitie van begrippen voor de toepassing van genoemde richtlijn (zie bladzijde 1 van dit Publicatieblad).