02016Y0312(02) — NL — 16.08.2024 — 011.001


Onderstaande tekst dient louter ter informatie en is juridisch niet bindend. De EU-instellingen zijn niet aansprakelijk voor de inhoud. Alleen de besluiten die zijn gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie (te raadplegen in EUR-Lex) zijn authentiek. Deze officiële versies zijn rechtstreeks toegankelijk via de links in dit document

►B

AANBEVELING VAN HET EUROPEES COMITÉ VOOR SYSTEEMRISICO’S

van 15 december 2015

betreffende de beoordeling van grensoverschrijdende effecten van macroprudentiële beleidsmaatregelen en van vrijwillige toepassing van wederkerigheid ten aanzien van macroprudentiële beleidsmaatregelen

(ESRB/2015/2)

(PB C 097 van 12.3.2016, blz. 9)

Gewijzigd bij:

 

 

Publicatieblad

  nr.

blz.

datum

 M1

AANBEVELING VAN HET EUROPEES COMITÉ VOOR SYSTEEMRISICO’S  van 24 maart 2016 2016/C 153/01

  C 153

1

29.4.2016

 M2

AANBEVELING VAN HET EUROPEES COMITÉ VOOR SYSTEEMRISICO’S  van 24 juni 2016 2016/C 290/01

  C 290

1

10.8.2016

►M3

AANBEVELING VAN HET EUROPEES COMITÉ VOOR SYSTEEMRISICO’S  van 20 oktober 2017 2017/C 431/01

  C 431

1

15.12.2017

 M4

AANBEVELING VAN HET EUROPEES COMITÉ VOOR SYSTEEMRISICO’S  van 8 januari 2018 2018/C 41/01

  C 41

1

3.2.2018

 M5

AANBEVELING VAN HET EUROPEES COMITÉ VOOR SYSTEEMRISICO’S  van 16 juli 2018 2018/C 338/01

  C 338

1

21.9.2018

 M6

AANBEVELING VAN HET EUROPEES COMITÉ VOOR SYSTEEMRISICO’S  van 5 december 2018 2019/C 39/01

  C 39

1

1.2.2019

 M7

AANBEVELING VAN HET EUROPEES COMITÉ VOOR SYSTEEMRISICO’S  van 15 januari 2019 2019/C 106/01

  C 106

1

20.3.2019

 M8

AANBEVELING VAN HET EUROPEES COMITÉ VOOR SYSTEEMRISICO’S  van 2 juni 2020 2020/C 217/01

  C 217

1

1.7.2020

 M9

AANBEVELING VAN HET EUROPEES COMITÉ VOOR SYSTEEMRISICO’S  van 22 december 2020 2021/C 43/01

  C 43

1

8.2.2021

 M10

AANBEVELING VAN HET EUROPEES COMITÉ VOOR SYSTEEMRISICO’S  van 30 april 2021 2021/C 222/01

  C 222

1

11.6.2021

 M11

AANBEVELING VAN HET EUROPEES COMITÉ VOOR SYSTEEMRISICO’S  van 24 maart 2021 2021/C 222/02

  C 222

13

11.6.2021

 M12

AANBEVELING VAN HET EUROPEES COMITÉ VOOR SYSTEEMRISICO’S  van 26 juli 2021 2021/C 358/01

  C 358

1

7.9.2021

 M13

AANBEVELING VAN HET EUROPEES COMITÉ VOOR SYSTEEMRISICO’S  van 16 februari 2022 2022/C 174/01

  C 174

1

28.4.2022

 M14

AANBEVELING VAN HET EUROPEES COMITÉ VOOR SYSTEEMRISICO’S  van 30 maart 2022 2022/C 206/02

  C 206

3

23.5.2022

 M15

AANBEVELING VAN HET EUROPEES COMITÉ VOOR SYSTEEMRISICO’  van 2 juni 2022 2022/C 286/01

  C 286

1

27.7.2022

 M16

AANBEVELING VAN HET EUROPEES COMITÉ VOOR SYSTEEMRISICO’S  van 6 maart 2023 2023/C 158/01

  C 158

1

4.5.2023

 M17

AANBEVELING VAN HET EUROPEES COMITÉ VOOR SYSTEEMRISICO’S  van 6 juli 2023 2023/C 307/01

  C 307

1

31.8.2023

 M18

AANBEVELING VAN HET EUROPEES COMITÉ VOOR SYSTEEMRISICO’S  van 3 oktober 2023 C/2023/899

  C 899

1

14.11.2023

►M19

AANBEVELING VAN HET EUROPEES COMITÉ VOOR SYSTEEMRISICO’S  van 8 december 2023 C/2024/3114

  C 3114

1

6.5.2024

►M20

AANBEVELING VAN HET EUROPEES COMITÉ VOOR SYSTEEMRISICO’S  van 11 juni 2024 C/2024/4775

  C 4775

1

29.7.2024

►M21

AANBEVELING VAN HET EUROPEES COMITÉ VOOR SYSTEEMRISICO’S  van 8 juli 2024 C/2024/5044

  C 5044

1

16.8.2024




▼B

AANBEVELING VAN HET EUROPEES COMITÉ VOOR SYSTEEMRISICO’S

van 15 december 2015

betreffende de beoordeling van grensoverschrijdende effecten van macroprudentiële beleidsmaatregelen en van vrijwillige toepassing van wederkerigheid ten aanzien van macroprudentiële beleidsmaatregelen

(ESRB/2015/2)

2016/C 97/02



AFDELING 1

AANBEVELINGEN

Aanbeveling A — Beoordeling van grensoverschrijdende effecten van de eigen macroprudentiële beleidsmaatregelen van de betrokken autoriteiten

1. De betrokken activerende autoriteiten wordt aanbevolen voorafgaande aan de vaststelling van hun eigen macroprudentiële beleidsmaatregelen de grensoverschrijdende effecten van de tenuitvoerlegging ervan te beoordelen. Op zijn minst moeten de overlooprisicokanalen via risicoaanpassing en regelgevingsarbitrage beoordeeld worden, gebruikmakend van de in hoofdstuk 11 van het ESRB-handboek uiteengezette methode.

2. De betrokken activerende autoriteiten worden aanbevolen het volgende te beoordelen:

a) 

mogelijke grensoverschrijdende effecten (lekken en regelgevingsarbitrage) van de implementatie van macroprudentiële beleidsmaatregelen in hun jurisdictie, en

b) 

mogelijke grensoverschrijdende effecten van voorgestelde macroprudentiële beleidsmaatregelen op andere lidstaten en op de gemeenschappelijke markt.

3. De betrokken activerende autoriteiten wordt aanbevolen minstens één keer per jaar de verwezenlijking en ontwikkeling van de grensoverschrijdende effecten van de door hen ingevoerde macroprudentiële beleidsmaatregelen te monitoren.

Aanbeveling B — Inkennisstelling en verzoek inzake de toepassing van wederkerigheid aangaande de eigen prudentiële beleidsmaatregelen van de betrokken autoriteiten

1. De betrokken activerende autoriteiten wordt aanbevolen het ESRB zo snel mogelijk na vaststelling van macroprudentiële beleidsmaatregelen daarvan in kennis te stellen, zulks uiterlijk twee weken na hun vaststelling. Kennisgevingen omvatten een beoordeling van grensoverschrijdende effecten en van de noodzaak van toepassing van wederkerigheid door andere betrokken autoriteiten. De betrokken activerende autoriteiten wordt verzocht middels de op de ESRB-website gepubliceerde templates in de Engelse taal de informatie te verschaffen.

▼M3

2. Indien toepassing van wederkerigheid door andere lidstaten noodzakelijk geacht wordt om de doeltreffende werking van de betrokken maatregelen te verzekeren, wordt de betrokken activerende autoriteiten aanbevolen tegelijkertijd met de kennisgeving van de maatregel bij het ESRB een verzoek inzake de toepassing van wederkerigheid in te dienen. Het verzoek moet een voorstel voor een materialiteitsdrempel omvatten.

▼B

3. Indien macroprudentiële maatregelen geactiveerd werden voor de vaststelling van deze aanbeveling, of indien toepassing van wederkerigheid niet noodzakelijk geacht werd toen de maatregelen voor het eerst ingevoerd werden, maar de betrokken activerende autoriteit vervolgens heeft besloten dat die toepassing van wederkerigheid noodzakelijk is geworden, wordt de betrokken activerende autoriteiten aanbevolen bij het ESRB een verzoek inzake de toepassing van wederkerigheid in te dienen.

Aanbeveling C — Toepassing van wederkerigheid ten aanzien van de macroprudentiële beleidsmaatregelen van andere betrokken autoriteiten

▼M19

1. De betrokken autoriteiten wordt aanbevolen wederkerigheid toe te passen op de door andere autoriteiten vastgestelde en door het ESRB voor toepassing van wederkerigheid aanbevolen beleidsmaatregelen. Aanbevolen wordt dat wederkerigheid wordt toegepast op de volgende in de bijlage nader uiteengezette maatregelen:

België:
— 
een systeemrisicobufferpercentage van 9 % voor alle IRB-blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen die gedekt zijn door niet-zakelijk onroerend goed waarvoor de zekerheden in België zijn gelegen, van toepassing tot en met 31 maart 2024;
— 
een systeemrisicobufferpercentage van 6 % voor alle IRB-blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen die gedekt zijn door niet-zakelijk onroerend goed waarvoor de zekerheden in België zijn gelegen, van toepassing met ingang van 1 april 2024;
Duitsland:
— 
een systeemrisicobufferpercentage van 2 % voor: i) alle IRB-blootstellingen die gedekt zijn door in Duitsland gelegen niet-zakelijk onroerend goed, en ii) alle standaardbenadering-blootstellingen die geheel en volledig gedekt zijn door in Duitsland gelegen niet-zakelijk onroerend goed als bedoeld in artikel 125, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad ( 1 );
Litouwen:
— 
een systeemrisicobufferpercentage van 2 % voor alle blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen op in de Republiek Litouwen ingezeten natuurlijke personen die gedekt zijn door niet-zakelijk onroerend goed.
Luxemburg:
— 
juridisch bindende lening-/waardelimieten (loan-to-value limits (LTV-limieten)) voor nieuwe hypotheken op in Luxemburg gelegen niet-zakelijk onroerend goed, met verschillende LTV-limieten voor verschillende categorieën kredietnemers:
a) 

een LTV-limiet van 100 % voor eerste kopers die hun hoofdverblijfplaats verwerven;

b) 

een LTV-limiet van 90 % voor andere kopers, d.w.z. niet-eerste kopers die hun hoofdverblijfplaats verwerven. Deze limiet wordt evenredig tenuitvoergelegd via een portefeuillevrije som. Meer bepaald mogen kredietgevers 15 % van de portefeuille van nieuwe hypotheken die aan deze kredietnemers worden verstrekt uitgeven met een hoger LTV-tarief dan 90 %, maar onder het maximale LTV-tarief van 100 %;

c) 

een LTV-limiet van 80 % voor overige hypotheken (met inbegrip van het segment kopen om te verhuren).

Nederland:
— 
een minimum gemiddeld risicogewicht, toegepast overeenkomstig artikel 458, lid 2, punt d), vi), van Verordening (EU) nr. 575/2013, op kredietinstellingen waaraan in Nederland vergunning is verleend en die de IRB-benadering hanteren voor de berekening van de wettelijke kapitaalvereisten met betrekking tot hun portefeuilles van blootstellingen met betrekking tot natuurlijke personen die gedekt zijn door in Nederland gelegen niet-zakelijk onroerend goed. Voor elke afzonderlijke blootstellingspost die binnen het toepassingsgebied van de maatregel valt wordt een risicogewicht van 12 % toegekend aan het gedeelte van de lening dat niet meer bedraagt dan 55 % van de marktwaarde van het onroerend goed dat dient als zekerheid voor de lening, en wordt een risicogewicht van 45 % toegekend aan het resterende deel van de lening. Het minimum gemiddeld risicogewicht van de portefeuille is het naar blootstelling gewogen gemiddelde van de risicogewichten van de afzonderlijke leningen.
Noorwegen:
— 
een systeemrisicobufferpercentage van 4,5 % voor in Noorwegen gesitueerde blootstellingen, toegepast overeenkomstig artikel 133 van Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad ( 2 ), zoals toegepast op en in Noorwegen met ingang van 31 december 2022 overeenkomstig de voorwaarden van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte ( 3 ) (EER-overeenkomst) (hierna de “RKV zoals van toepassing op en in Noorwegen met ingang van 31 december 2022 ” genoemd) op alle kredietinstellingen waaraan in Noorwegen vergunning is verleend;
— 
een minimumrisicogewicht van 20 % voor blootstellingen op niet-zakelijk onroerend goed in Noorwegen, toegepast overeenkomstig artikel 458, lid 2, punt d), iv), van Verordening (EU) nr. 575/2013, zoals van toepassing op Noorwegen met ingang van 31 december 2022 overeenkomstig de voorwaarden van de EER-overeenkomst (hierna de “VKV zoals van toepassing op en in Noorwegen met ingang van 31 december 2022 ”) op kredietinstellingen waaraan in Noorwegen vergunning is verleend en die de IRB-benadering hanteren voor de berekening van de wettelijke kapitaalvereisten;
— 
een minimumrisicogewicht van 35 % voor (naar blootstelling gewogen) gemiddelde risicogewichten van blootstellingen op in Noorwegen gelegen onroerend goed, toegepast krachtens artikel 458, lid 2, punt d), iv), van VKV zoals van toepassing op en in Noorwegen met ingang van 31 december 2022, op kredietinstellingen waaraan in Noorwegen vergunning is verleend en die de IRB-benadering hanteren voor de berekening van de wettelijke kapitaalvereisten.
Zweden:
— 
een kredietinstellingsspecifieke ondergrens van 25 % voor het naar blootstelling gewogen gemiddelde van de risicogewichten, toegepast op de portefeuille van blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen op in Zweden gevestigde debiteuren gedekt door in Zweden gelegen onroerend goed, toegepast krachtens artikel 458, lid 2, punt d), iv), van Verordening (EU) nr. 575/2013 op kredietinstellingen waaraan in Zweden een vergunning werd verleend en die de IRB-benadering hanteren voor de berekening van wettelijke kapitaalvereisten;
— 
een kredietinstellingsspecifiek minimumniveau (ondergrens) van 35 % voor het naar blootstelling gewogen gemiddelde van de risicogewichten die worden toegepast op de portefeuille van blootstellingen met betrekking tot ondernemingen die gedekt zijn door hypotheken op zakelijk onroerend goed (onroerend goed dat fysiek in Zweden is gelegen en voor commerciële doeleinden wordt aangehouden om huurinkomsten te genereren) en een kredietinstellingsspecifiek minimumniveau (ondergrens) van 25 % voor het naar blootstelling gewogen gemiddelde van de risicogewichten die worden toegepast op de portefeuille van blootstellingen met betrekking tot ondernemingen die gedekt zijn door hypotheken zakelijk onroerend goed (appartementsgebouwen die zich fysiek in Zweden bevinden en voor commerciële doeleinden worden aangehouden om huurinkomsten te genereren, waarbij het aantal woningen in het onroerend goed groter is dan drie), toegepast overeenkomstig artikel 458, lid 2, punt d), iv), van Verordening (EU) nr. 575/2013 op kredietinstellingen waaraan in Zweden een vergunning is verleend en die de IRB-benadering hanteren voor de berekening van de wettelijke kapitaalvereisten.
Portugal:
— 
een sectoraal systeemrisicobufferpercentage van 4 % voor alle IRB-blootstellingen met betrekking tot natuurlijke personen die gedekt zijn door niet-zakelijk onroerend goed waarvan de zekerheden in Portugal zijn gelegen..
Denemarken:

▼M21

— 
een sectoraal systeemrisicobufferpercentage van 7 % voor alle soorten in Denemarken gesitueerde blootstellingen met betrekking tot niet-financiële vennootschappen die actief zijn op het gebied van de exploitatie van en handel in onroerend goed en de ontwikkeling van bouwprojecten die zijn geïdentificeerd overeenkomstig de statistische classificatie van economische activiteiten in de Unie (NACE), zoals vastgelegd in Verordening (EG) nr. 1893/2006, met uitzondering van het feit dat het deel van elke blootstelling dat binnen een bandbreedte van 0 % tot 15 % van de lening/waarderatio valt, wordt uitgesloten van de blootstellingen waarop het sectorale systeemrisicobufferpercentage wordt toegepast.

▼M20

Italië:
— 
een systeemrisicobufferpercentage van 0,5 % voor alle in Italië gesitueerde kredietrisicoblootstellingen en tegenpartijkredietrisicoblootstellingen, van toepassing met ingang van 31 december 2024 tot en met 29 juni 2025; verhoogd tot een systeemrisicobufferpercentage van 1,0 % voor alle in Italië gesitueerde kredietrisicoblootstellingen en tegenpartijkredietrisicoblootstellingen, met ingang van 30 juni 2025.

▼B

2. De betrokken autoriteiten wordt aanbevolen wederkerigheid toe te passen op de in deze aanbeveling vermelde macroprudentiële beleidsmaatregelen door dezelfde macroprudentiële beleidsmaatregel te implementeren als de door de activerende autoriteit geïmplementeerde maatregel. Indien dezelfde macroprudentiële beleidsmaatregel in nationale wetgeving niet beschikbaar is, wordt de betrokken autoriteiten aanbevolen na overleg met het ESRB bij wijze van wederkerigheid een in haar jurisdictie beschikbare macroprudentiële beleidsmaatregel vast te stellen die in vergelijking met de geactiveerde macroprudentiële beleidsmaatregel het meest equivalente effect heeft.

3. Tenzij een specifieke uiterste datum wordt aanbevolen in verband met de wederkerigheidstoepassing ten aanzien van een macroprudentiële beleidsmaatregel, wordt de betrokken autoriteiten aanbevolen uiterlijk drie maanden na de publicatie van de meest recente wijziging van deze aanbeveling in het Publicatieblad van de Europese Unie wederkerige macroprudentiële beleidsmaatregelen vast te stellen. De vastgestelde maatregelen en maatregelen inzake de toepassing van wederkerigheid moeten voor zover mogelijk dezelfde activeringsdatum hebben.

Aanbeveling D — Kennisgeving van de toepassing van wederkerigheid ten aanzien van de macroprudentiële beleidsmaatregelen van andere betrokken autoriteiten

De betrokken autoriteiten wordt aanbevolen het ESRB te informeren over de toepassing van wederkerigheid ten aanzien van de macroprudentiële beleidsmaatregelen van andere betrokken autoriteiten. Kennisgevingen worden uiterlijk één maand na vaststelling van de maatregel inzake de toepassing van wederkerigheid verzonden. De kennisgevende autoriteiten wordt verzocht middels de op de ESRB-website gepubliceerde templates in de Engelse taal de informatie te verschaffen.

AFDELING 2

IMPLEMENTATIE

1.    Interpretatie

In deze aanbeveling gelden de volgende definities:

a) 

„activering”: de toepassing van een macroprudentiële beleidsmaatregel op nationaal niveau;

b) 

„vaststelling”: een door een betrokken autoriteit ten aanzien van de invoering, toepassing van wederkerigheid of wijziging van een macroprudentiële beleidsmaatregel genomen besluit;

c) 

„financiële dienst”: een bancaire dienst, kredietdienst, verzekeringsdienst, persoonlijkpensioendienst, beleggingsdienst of een betalingsachtige dienst;

d) 

„macroprudentiële beleidsmaatregel”: maatregel die het voorkomen en verminderen van systeemrisico adresseert, zoals bepaald in artikel 2, onder c), van Verordening (EU) nr. 1092/2010 en werd vastgesteld of geactiveerd door een betrokken autoriteit waarop Unie- of nationale wetgeving van toepassing is;

e) 

„kennisgeving”: een schriftelijke mededeling in de Engelse taal, gericht tot het ESRB door de betrokken autoriteiten, waaronder de ECB, krachtens artikel 9 van Verordening (EU) nr. 1024/2013, betreffende een macroprudentiële beleidsmaatregel overeenkomstig, maar niet beperkt tot artikel 133 van Richtlijn 2013/36/EU en artikel 458 van Verordening (EU) nr. 575/2013, en die een verzoek inzake de toepassing van wederkerigheid kan zijn van een lidstaat overeenkomstig, maar niet beperkt tot artikel 134, lid 4, van Richtlijn 2013/36/EU en artikel 458, lid 8, van Verordening (EU) nr. 575/2013;

f) 

„wederkerigheid”: een regeling krachtens dewelke de betrokken autoriteit in een jurisdictie dezelfde of equivalente door de betrokken activerende autoriteit in een andere jurisdictie vastgestelde macroprudentiële beleidsmaatregel toepast op financiële instellingen die onder haar jurisdictie vallen, indien deze instellingen zijn blootgesteld aan hetzelfde risico als in de laatstgenoemde jurisdictie;

g) 

„betrokken activerende autoriteit”: een betrokken autoriteit die op nationaal niveau belast is met de toepassing van een macroprudentiële beleidsmaatregel;

h) 

„betrokken autoriteit”: een autoriteit die belast is met de vaststelling en/of activering van macroprudentiële beleidsmaatregelen, waaronder, maar niet beperkt tot:

i) 

een overeenkomstig hoofdstuk 4 van Richtlijn 2013/36/EU en artikel 458 van Verordening (EU) nr. 575/2013 aangewezen autoriteit, een bevoegde autoriteit zoals bedoeld in artikel 4, lid 1, punt 40, van Verordening (EU) nr. 575/2013, de ECB overeenkomstig artikel 9, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1024/2013, of

ii) 

een macroprudentiële autoriteit met de doelstellingen, regelingen, bevoegdheden, verantwoordingsplichtvereisten en andere in Aanbeveling ESRB/2011/3 van het Europees Comité voor systeemrisico’s ( 4 ) uiteengezette kenmerken;

▼M3

i) 

„materialiteitsdrempel”: een kwantitatieve drempel waaronder de blootstelling van een afzonderlijke financiëledienstverlener ten aanzien van het geïdentificeerde macroprudentiële risico in de jurisdictie waar de activerende autoriteit de macroprudentiële beleidsmaatregel toepast, als niet-materieel kan worden beschouwd.

▼B

2.    Vrijstellingen

▼M3

1. De betrokken autoriteiten kunnen de onder hun jurisdictie vallende afzonderlijke financiëledienstverleners vrijstellen van de toepassing van een specifieke wederkerige macroprudentiële beleidsmaatregel, indien deze financiëledienstverlener een niet-materiële blootstelling heeft ten aanzien van het geïdentificeerde macroprudentiële risico in de jurisdictie waar de betrokken activerende autoriteit de betreffende macroprudentiële beleidsmaatregel toepast (de-minimisbeginsel). De betrokken autoriteiten wordt verzocht over die vrijstellingen aan het ESRB te rapporteren, zulks middels het op de ESRB-website bekendgemaakte template voor de kennisgeving van wederkerigheidsmaatregelen.

Binnen het kader van de toepassing van het de-minimisbeginsel beveelt het ESRB een materialiteitsdrempel aan op basis van de door de activerende autoriteit uit hoofde van afdeling 1, aanbeveling B, punt 2, voorgestelde materialiteitsdrempel. De drempelkalibratie moet de door het ESRB vastgestelde beste praktijken volgen. De materialiteitsdrempel is een aanbevolen maximumdrempelniveau. Wederkerigheid toepassende betrokken autoriteiten kunnen de aanbevolen drempel toepassen, in voorkomende gevallen voor hun jurisdictie een lagere drempel toepassen, of wederkerigheid toepassen ten aanzien van de maatregel zonder een materialiteitsdrempel. Indien autoriteiten het de-minimisbeginsel toepassen, moeten zij er nauwkeurig op toezien of lekken en regelgevingsarbitrage zich voordoen en in voorkomend geval de regelgevingslacune opvullen.

▼B

2. Indien de betrokken autoriteiten wederkerigheid al toegepast hebben en de maatregel bekendgemaakt hebben voordat die maatregel is aanbevolen voor toepassing van wederkerigheid in deze aanbeveling, hoeft de maatregel inzake de toepassing van wederkerigheid niet gewijzigd te worden, zelfs indien die maatregel verschilt van de door de activerende autoriteit geïmplementeerde maatregel.

3.    Tijdschema en rapportage

1. De betrokken autoriteiten wordt verzocht aan het ESRB en de Raad te rapporteren over hetgeen ingevolge deze aanbeveling werd ondernomen of het niet-ondernemen van actie genoegzaam te rechtvaardigen. Rapporten worden tweejaarlijks ingediend, waarbij het eerste rapport uiterlijk op 30 juni 2017 ingediend moet worden. De rapporten moeten minimaal het volgende bevatten:

a) 

informatie over de inhoud en de timing van de ondernomen acties;

b) 

een beoordeling van de werking van de ondernomen acties vanuit het perspectief van de doelstellingen van deze aanbeveling;

c) 

gedetailleerde rechtvaardiging van krachtens het de-minimisbeginsel verleende vrijstellingen, met een rechtvaardiging van nagelaten actie of afwijken van deze aanbeveling, waaronder vertragingen.

2. Indien het gedeelde verantwoordelijkheden betreft, moeten de betrokken autoriteiten met elkaar coördineren om de benodigde informatie tijdig te verschaffen.

3. De betrokken autoriteiten worden ertoe aangemoedigd het ESRB zo vroeg mogelijk over voorgestelde macroprudentiële beleidsmaatregelen te informeren.

4. Een wederkerige macroprudentiële beleidsmaatregel wordt equivalent geacht indien die maatregel, voor zover mogelijk:

a) 

dezelfde economische impact heeft;

b) 

hetzelfde toepassingsgebied heeft;

c) 

dezelfde consequenties (sancties) heeft bij niet-naleving.

▼M3

4.    Wijzigingen van de aanbeveling

De Algemene Raad zal besluiten wanneer deze aanbeveling gewijzigd moet worden. Die wijzigingen omvatten met name aanvullende of gewijzigde macroprudentiële beleidsmaatregelen waarop conform aanbeveling C, en de verband houdende bijlage met maatregelspecifieke informatie, waaronder de door het ESRB verstrekte materialiteitsdrempel, wederkerigheid toegepast moet worden. De Algemene Raad kan de uiterste termijnen uit de voorgaande paragrafen verlengen, indien wetgevende initiatieven nodig zijn om te voldoen aan een of meer aanbevelingen. Met name kan de Algemene Raad besluiten deze aanbeveling te wijzigen na herziening van het bindende erkenningskader door de Commissie uit hoofde van Uniewetgeving of op basis van de ervaring opgedaan met de werking van de bij deze aanbeveling ingestelde regeling inzake de vrijwillige toepassing van wederkerigheid.

▼B

5.    Toezicht en beoordeling

1. Het ESRB-secretariaat:

a) 

staat de betrokken autoriteiten bij, onder meer door gecoördineerde rapportage te bevorderen, toepasselijke templates te verstrekken en, waar nodig, werkt het de procedure en het tijdschema inzake naleving nader uit;

b) 

verifieert naleving door de betrokken autoriteiten, onder meer door hen op hun verzoek bij te staan, en dient nalevingsrapporten in bij de Algemene Raad.

2. De Algemene Raad beoordeelt de door de betrokken autoriteiten gerapporteerde acties en rechtvaardigingen en besluit, voor zover van toepassing, of deze aanbeveling niet is nageleefd en of de betrokken autoriteiten er niet in zijn geslaagd het nalaten van actie genoegzaam te rechtvaardigen.

▼M19




BIJLAGE

België

Een systeemrisicobufferpercentage op alle IRB-blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen die gedekt zijn door niet-zakelijk onroerend goed waarvan de zekerheden in België zijn gelegen

I.    Beschrijving van de maatregel

1. Tot en met 31 maart 2024 legt de Belgische maatregel, toegepast overeenkomstig artikel 133 van Richtlijn 2013/36/EU, een systeemrisicobufferpercentage van 9 % op aan IRB-blootstellingen met betrekking tot natuurlijke personen die gedekt zijn door niet-zakelijk onroerend goed waarvan de zekerheden in België zijn gelegen (zowel voor blootstellingen in wanbetaling als niet in wanbetaling).

2. Met ingang van 1 april 2024 legt de Belgische maatregel, toegepast overeenkomstig artikel 133 van Richtlijn 2013/36/EU, een systeemrisicobufferpercentage van 6 % op aan blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen die gedekt zijn door niet-zakelijk onroerend goed waarvan de zekerheden in België zijn gelegen (zowel voor blootstellingen in wanbetaling als niet in wanbetaling).

II.    Wederkerige toepassing

3. De betrokken autoriteiten wordt aanbevolen wederkerigheid toe te passen op de Belgische maatregel door deze toe te passen op IRB-blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen op natuurlijke personen die gedekt zijn door niet-zakelijk onroerend goed waarvoor de zekerheden in België zijn gelegen (zowel voor blootstellingen in wanbetaling als niet in wanbetaling). Alternatief kan de maatregel wederkerig worden toegepast aan de hand van het volgende toepassingsgebied in de COREP-rapportage: IRB-blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen op natuurlijke personen die die gedekt zijn door in België gelegen niet-zakelijk onroerend goed (zowel voor blootstellingen in wanbetaling als niet in wanbetaling).

4. Indien dezelfde macroprudentiële beleidsmaatregel in hun jurisdictie niet beschikbaar is, wordt de betrokken autoriteiten aanbevolen om na raadpleging van het ESRB een in hun jurisdictie beschikbare macroprudentiële beleidsmaatregel toe te passen die het meest gelijkwaardige effect heeft als de voornoemde voor toepassing van wederkerigheid aanbevolen maatregel, waaronder de vaststelling van toezichtsmaatregelen en -bevoegdheden zoals vastgelegd in titel VII, hoofdstuk 2, afdeling IV, van Richtlijn 2013/36/EU. De betrokken autoriteiten wordt aanbevolen de gelijkwaardige maatregel uiterlijk vier maanden na de bekendmaking van deze aanbeveling in het Publicatieblad van de Europese Unie vast te stellen.

III.    Materialiteitsdrempel

5. De maatregel wordt aangevuld met een instellingsspecifieke materialiteitsdrempel om de mogelijke toepassing van het de-minimisbeginsel door de betrokken autoriteiten die wederkerigheid op de maatregel toepassen te sturen. Instellingen kunnen van het systeemrisicobuffervereiste worden vrijgesteld zolang hun desbetreffende sectorale blootstellingen niet meer dan 2 miljard EUR bedragen. Daarom is wederkerige toepassing alleen vereist wanneer de instellingsspecifieke drempel wordt overschreden.

6. Overeenkomstig afdeling 2.2.1 van Aanbeveling ESRB/2015/2 is de materialiteitsdrempel van 2 miljard EUR een aanbevolen maximumdrempelniveau. De betrokken autoriteiten die wederkerigheid toepassen kunnen derhalve in voorkomend geval een lagere drempel voor hun jurisdicties vaststellen, en niet de aanbevolen drempel, of wederkerigheid op de maatregel toepassen zonder materialiteitsdrempel.

Duitsland

Een systeemrisicobufferpercentage van 2 % voor: i) alle IRB-blootstellingen die gedekt zijn door in Duitsland gelegen niet-zakelijk onroerend goed, en ii) alle standaardbenadering-blootstellingen die geheel en volledig gedekt zijn door in Duitsland gelegen niet-zakelijk onroerend goed als bedoeld in artikel 125, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad

I.    Beschrijving van de maatregel

1. De Duitse maatregel, toegepast overeenkomstig artikel 133 van Richtlijn 2013/36/EU, legt een systeemrisicobufferpercentage van 2 % op voor alle blootstellingen (d.w.z. bloostellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen en andere blootstellingen) op natuurlijke personen die gedekt zijn door in Duitsland gelegen niet-zakelijk onroerend goed. De maatregel is van toepassing op i) kredietinstellingen waaraan in Duitsland vergunning is verleend en die de IRB-benadering hanteren voor de berekening van hun risicogewogen posten voor blootstellingen die gedekt zijn door in Duitsland gelegen niet-zakelijk onroerend goed, en ii) kredietinstellingen waaraan in Duitsland een vergunning is verleend en die de standaardbenadering hanteren voor de berekening van hun risicogewogen posten voor blootstellingen die geheel en volledig gedekt zijn door niet-zakelijk onroerend goed, als bedoeld in artikel 125, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013, dat in Duitsland is gelegen.

II.    Wederkerige toepassing

2. De betrokken autoriteiten wordt aanbevolen om wederkerigheid toe te passen op de Duitse maatregel door deze toe te passen op kredietinstellingen waaraan in Duitsland een vergunning is verleend.

3. Indien dezelfde macroprudentiële beleidsmaatregel in hun jurisdictie niet beschikbaar is, wordt de betrokken autoriteiten aanbevolen om na raadpleging van het ESRB een in hun jurisdictie beschikbare macroprudentiële beleidsmaatregel toe te passen die het meest gelijkwaardige effect heeft als de voornoemde voor de toepassing van wederkerigheid aanbevolen maatregel, waaronder de vaststelling van toezichtmaatregelen en -bevoegdheden zoals vastgelegd in titel VII, hoofdstuk 2, afdeling IV, van Richtlijn 2013/36/EU.

4. De betrokken autoriteiten wordt aanbevolen om ervoor te zorgen dat de wederkerig toe te passen maatregel wordt toegepast en wordt nageleefd met ingang van 1 februari 2023.

III.    Materialiteitsdrempel

5. De maatregel wordt aangevuld met een instellingsspecifieke materialiteitsdrempel om de mogelijke toepassing van het de-minimisbeginsel door de betrokken autoriteiten die wederkerigheid op de maatregel toepassen te sturen. Kredietinstellingen kunnen van het systeemrisicobuffervereiste worden vrijgesteld zolang hun desbetreffende sectorale blootstellingen 10 miljard EUR niet overschrijden. Daarom is wederkerige toepassing alleen vereist wanneer de instellingsspecifieke drempel wordt overschreden.

6. De betrokken autoriteiten dienen de materialiteit van de blootstellingen te monitoren. In lijn met afdeling 2.2.1 van Aanbeveling ESRB/2015/2 is de materialiteitsdrempel van 10 miljard EUR een aanbevolen maximumdrempelniveau. Betrokken autoriteiten die wederkerigheid toepassen kunnen derhalve in voorkomend geval een lagere drempel voor hun jurisdicties vaststellen, en niet de aanbevolen drempel, of wederkerigheid op de maatregel toepassen zonder materialiteitsdrempel.

Litouwen:

Een systeemrisicobufferpercentage van 2 % voor alle blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen op in de Republiek Litouwen ingezeten natuurlijke personen die gedekt zijn door niet-zakelijk onroerend goed.

I.    Beschrijving van de maatregel

1. De Litouwse maatregel, toegepast overeenkomstig artikel 133 van Richtlijn 2013/36/EU, legt een systeemrisicobufferpercentage van 2 % op voor alle blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen op natuurlijke personen in Litouwen die gedekt zijn door niet-zakelijk onroerend goed.

II.    Wederkerige toepassing

2. De betrokken autoriteiten wordt aanbevolen wederkerigheid toe te passen op de Litouwse maatregel door deze toe te passen op in Litouwen gevestigde bijkantoren van banken waaraan in eigen land vergunning is verleend en op directe grensoverschrijdende blootstellingen op natuurlijke personen in Litouwen die gedekt zijn door niet-zakelijk onroerend goed. Een aanzienlijk deel van de totale hypotheekposities wordt aangehouden door buitenlandse bijkantoren van buitenlandse banken die in Litouwen werkzaam zijn. Daarom zou wederkerige toepassing van de maatregel door andere lidstaten bijdragen tot een gelijk speelveld en ervoor zorgen dat alle belangrijke marktdeelnemers rekening houden met het toegenomen risico van niet-zakelijk onroerend goed in Litouwen en hun veerkracht vergroten.

3. Indien dezelfde macroprudentiële beleidsmaatregel in hun jurisdictie niet beschikbaar is, wordt de betrokken autoriteiten aanbevolen om na raadpleging van het ESRB een in hun jurisdictie beschikbare macroprudentiële beleidsmaatregel toe te passen die het meest gelijkwaardige effect heeft als de voornoemde voor toepassing van wederkerigheid aanbevolen maatregel, waaronder de vaststelling van toezichtmaatregelen en -bevoegdheden zoals vastgelegd in titel VII, hoofdstuk 2, afdeling IV, van Richtlijn 2013/36/EU. De betrokken autoriteiten wordt aanbevolen de gelijkwaardige maatregel uiterlijk vier maanden na de bekendmaking van deze aanbeveling in het Publicatieblad van de Europese Unie vast te stellen.

III.    Materialiteitsdrempel

4. De maatregel wordt aangevuld met een instellingsspecifieke materialiteitsdrempel om de mogelijke toepassing van het de-minimisbeginsel door de betrokken autoriteiten die wederkerigheid toepassen op de maatregel te sturen. Instellingen kunnen van het systeemrisicobuffervereiste worden vrijgesteld indien hun desbetreffende sectorale blootstellingen 50 miljoen EUR niet overschrijden, hetgeen overeenkomt met ongeveer 0,5 % van de desbetreffende blootstellingen van de totale kredietsector in Litouwen. Daarom is wederkerige toepassing alleen vereist wanneer de instellingsspecifieke drempel wordt overschreden.

5. Rechtvaardiging voor een dergelijke drempel:

a. 

Het is noodzakelijk om de potentiële versnippering van de regelgeving tot een minimum te beperken, aangezien dezelfde materialiteitsdrempel ook van toepassing zal zijn op kredietinstellingen waaraan in Litouwen vergunning is verleend;

b. 

De toepassing van een dergelijke materialiteitsdrempel zou bijdragen tot het waarborgen van een gelijk speelveld in die zin dat instellingen met blootstellingen van vergelijkbare omvang onderworpen zijn aan het systeemrisicobuffervereiste;

c. 

De drempel is relevant voor de financiële stabiliteit, aangezien de verdere ontwikkeling van het risico van niet-zakelijk onroerend goed voornamelijk zal afhangen van de activiteit op de woningmarkt, die deels afhankelijk is van het bedrag van de nieuwe leningen die worden uitgegeven voor de aankoop van woningen. Daarom moet de maatregel worden toegepast op marktdeelnemers die op deze markt actief zijn, ook al zijn hun portefeuilles hypotheken niet zo groot als die van de grootste kredietverstrekkers.

6. Overeenkomstig afdeling 2.2.1 van Aanbeveling ESRB/2015/2 is de materialiteitsdrempel van 50 miljoen EUR een aanbevolen maximumdrempelniveau. Betrokken autoriteiten die wederkerigheid toepassen kunnen derhalve in voorkomend geval een lagere drempel voor hun jurisdicties vaststellen, en niet de aanbevolen drempel, of wederkerigheid op de maatregel toepassen zonder materialiteitsdrempel.

Luxemburg:

Juridisch bindende lening-/waardelimieten (loan-to-value (LTV) limits (LTV-limieten) voor nieuwe hypotheken op in Luxemburg gelegen niet-zakelijk onroerend goed, met verschillende LTV-limieten voor verschillende categorieën kredietnemers:

a) 

een LTV-limiet van 100 % voor eerste kopers die hun hoofdverblijfplaats verwerven;

b) 

een LTV-limiet van 90 % voor andere kopers, d.w.z. niet-eerste kopers die hun hoofdverblijfplaats verwerven. Deze limiet wordt evenredig tenuitvoergelegd via een portefeuillevrije som. Meer specifiek mogen kredietgevers 15 % van de portefeuille van nieuwe hypotheken die aan deze kredietnemers worden verstrekt, uitgeven met een hoger-tarief van dan 90 %, maar onder het maximale LTV-tarief van 100 %;

c) 

een LTV-limiet van 80 % voor overige hypotheekleningen (met inbegrip van het segment kopen om te verhuren).

I.    Beschrijving van de maatregel

1. De Luxemburgse autoriteiten hebben juridisch bindende LTV-limieten geactiveerd voor nieuwe hypotheken voor in Luxemburg gelegen onroerend goed. Naar aanleiding van de aanbeveling van het Comité du Risque Systémique (Comité voor systeemrisico’s) ( 5 ) heeft de Commission de Surveillance du Secteur Financier (Commissie voor het toezicht op de financiële sector) ( 6 ), handelend in overleg met de Banque centrale du Luxembourg, LTV-limieten geactiveerd die voor drie categorieën kredietnemers verschillen. De LTV-limieten voor elk van de drie categorieën zijn als volgt:

a) 

een LTV-limiet van 100 % voor eerste kopers die hun hoofdverblijfplaats verwerven;

b) 

een LTV-limiet van 90 % voor andere kopers, d.w.z. niet-eerste kopers die hun hoofdverblijfplaats verwerven. Deze limiet wordt evenredig tenuitvoergelegd via een portefeuillevrije som. Meer bepaald mogen kredietgevers 15 % van de portefeuille van nieuwe hypotheken die aan deze kredietnemers worden verstrekt uitgeven met een LTV-tarief hoger dan 90 %, maar onder het maximale LTV-tarief van 100 %;

c) 

een LTV-limiet van 80 % voor overige hypotheken (met inbegrip van het segment kopen-om-te-verhuren).

2. De LTV-ratio is de verhouding tussen de som van alle leningen of tranches van leningen die door de kredietnemer met niet-zakelijk onroerend goed worden gedekt op het moment dat de lening wordt verstrekt, en de waarde van het onroerend goed op hetzelfde tijdstip.

3. De LTV-limieten zijn van toepassing ongeacht het type eigendom (bv. volledige eigendom, vruchtgebruik, ongebonden eigendom).

4. De maatregel wordt toegepast op particuliere kredietnemers die een hypotheek afsluiten voor de aankoop van niet-zakelijk onroerend goed in Luxemburg voor niet-commerciële doeleinden. De maatregel is ook van toepassing indien de kredietnemer voor deze transactie gebruik maakt van een juridische structuur zoals een vastgoedbeleggingsmaatschappij, en in het geval van gezamenlijke aanvragen. “Niet-zakelijk onroerend goed” omvat bouwterreinen, ongeacht of de bouwwerkzaamheden onmiddellijk na de aankoop plaatsvinden of jaren daarna. De maatregel is ook van toepassing indien een lening wordt verstrekt aan een kredietnemer voor de aankoop van een onroerend goed met een erfpachtovereenkomst. Het onroerend goed kan bestemd zijn voor gebruik door de eigenaar of voor verhuur.

II.    Wederkerige toepassing

5. Lidstaten waarvan kredietinstellingen, verzekeringsinstellingen en beroepsbeoefenaren die leningen verstrekken (hypotheekverstrekkers) belangrijke Luxemburgse kredietblootstellingen hebben via rechtstreeks grensoverschrijdend krediet, wordt aanbevolen in hun jurisdictie wederkerigheid toe te passen op de Luxemburgse maatregel. Indien dezelfde maatregel niet in hun rechtsgebied beschikbaar is voor alle relevante grensoverschrijdende blootstellingen, moeten de betrokken autoriteiten de beschikbare maatregelen toepassen die het meest gelijkwaardige effect hebben als de geactiveerde macroprudentiële beleidsmaatregel.

6. Lidstaten moeten het ESRB ervan in kennis stellen dat zij wederkerigheid op de Luxemburgse maatregel hebben toegepast of de-minimisvrijstellingen hebben gebruikt overeenkomstig Aanbeveling D van Aanbeveling ESRB/2015/2. De kennisgeving moet uiterlijk één maand na de vaststelling van de wederkerig toe te passen maatregel worden gedaan aan de hand van het desbetreffende van het desbetreffende sjabloon dat op de ESRB-website is gepubliceerd. Het ESRB maakt de kennisgevingen op de ESRB-website bekend en maakt de nationale wederkerigheidsbesluiten bekend aan het publiek. Deze bekendmaking omvat alle uitzonderingen die door de lidstaten die wederkerigheid toepassen worden toegepast en hun toezegging om lekkages te monitoren en zo nodig te handelen

7. De lidstaten wordt aanbevolen wederkerigheid op een maatregel toe te passen binnen drie maanden na de bekendmaking van deze aanbeveling in het Publicatieblad van de Europese Unie.

III.    Materialiteitsdrempel

8. De maatregel wordt aangevuld met twee materialiteitsdrempels om de potentiële toepassing van het de-minimisbeginsel door lidstaten die wederkerigheid toepassen te sturen: een landspecifieke materialiteitsdrempel en een instellingsspecifieke materialiteitsdrempel. De landspecifieke materialiteitsdrempel voor de totale grensoverschrijdende hypothecaire kredietverstrekking aan Luxemburg bedraagt 350 miljoen EUR, hetgeen overeenkomt met ongeveer 1 % van de totale binnenlandse markt voor woninghypotheken in december 2020. De instellingsspecifieke materialiteitsdrempel voor de totale grensoverschrijdende hypotheekverstrekking aan Luxemburg bedraagt 35 miljoen EUR, hetgeen overeenkomt met ongeveer 0,1 % van de totale binnenlandse markt voor woninghypotheken in Luxemburg in december 2020. Wederkerige toepassing wordt alleen gevraagd indien zowel de landspecifieke als de instellingsspecifieke drempel worden overschreden.

Nederland:

Een minimum gemiddeld risicogewicht toegepast door kredietinstellingen die de IRB-benadering hanteren met betrekking tot hun portefeuilles van blootstellingen met betrekking tot natuurlijke personen die gedekt zijn door in Nederland gelegen niet-zakelijk onroerend goed. Voor elke afzonderlijke post die binnen het toepassingsgebied van de maatregel valt wordt een risicogewicht van 12 % toegekend aan het gedeelte van de lening dat niet meer bedraagt dan 55 % van de marktwaarde van het onroerend goed dat dient als zekerheid voor de lening, en wordt een risicogewicht van 45 % toegekend aan het resterende deel van de lening. Het minimum gemiddeld risicogewicht van de portefeuille is het naar blootstelling gewogen gemiddelde van de risicogewichten van de afzonderlijke leningen.

I.    Beschrijving van de maatregel

1. De Nederlandse maatregel, toegepast overeenkomstig artikel 458, lid 2, punt d), vi), van Verordening (EU) nr. 575/2013, legt een minimum gemiddeld risicogewicht op voor de portefeuille blootstellingen van IRB-kredietinstellingen met betrekking tot natuurlijke personen die gedekt zijn door hypotheken op in Nederland gelegen niet-zakelijk onroerend goed. Leningen die worden gedekt door de Nationale Hypotheek Garantie zijn van de maatregel vrijgesteld.

2. Het minimum gemiddelde risicogewicht wordt als volgt berekend:

a) 

Voor elke afzonderlijke blootstellingspost die binnen het toepassingsgebied van de maatregel valt wordt een risicogewicht van 12 % toegekend aan het gedeelte van de lening dat niet meer bedraagt dan 55 % van de marktwaarde van het onroerend goed dat dient als zekerheid voor de lening, en wordt een risicogewicht van 45 % toegekend aan het resterende deel van de lening. De bij deze berekening te hanteren LTV-ratio dient te worden vastgesteld overeenkomstig de toepasselijke bepalingen van Verordening (EU) nr. 575/2013.

b) 

Het minimum gemiddelde risicogewicht van de portefeuille is het naar blootstelling gewogen gemiddelde van de risicogewichten van de afzonderlijke leningen, berekend zoals hierboven uiteengezet. Individuele leningen die van de maatregel zijn vrijgesteld, worden bij de berekening van het minimum gemiddelde risicogewicht buiten beschouwing gelaten.

3. Deze maatregel komt niet in de plaats van de bestaande kapitaalvereisten die zijn vastgelegd in en voortvloeien uit Verordening (EU) nr. 575/2013. Banken waarop de maatregel van toepassing is moeten het gemiddelde risicogewicht berekenen van het deel van de hypotheekportefeuille dat binnen het toepassingsgebied van deze maatregel valt op basis van zowel de gewoonlijk toepasselijke bepalingen van Verordening (EU) nr. 575/2013 als de in de maatregel beschreven methode. Bij de berekening van hun kapitaalvereisten moeten zij vervolgens het hoogste van de twee gemiddelde risicogewichten toepassen.

II.    Wederkerige toepassing

4. De betrokken autoriteiten wordt aanbevolen wederkerigheid toe te passen op de Nederlandse maatregel door deze toe te passen op kredietinstellingen waaraan in eigen land een vergunning is verleend, die de IRB hanteren en die blootstellingen hebben met betrekking tot natuurlijke personen die gedekt zijn door in Nederland gelegen niet-zakelijk onroerend goed, aangezien hun banksector via hun bijkantoren rechtstreeks of onrechtstreeks blootgesteld kan zijn of worden aan het systeemrisico op de Nederlandse woningmarkt.

5. Overeenkomstig subaanbeveling C(2) wordt de betrokken autoriteiten aanbevolen binnen de in subaanbeveling C(3) bedoelde uiterste termijn dezelfde maatregel ten uitvoer te leggen als de door de activerende autoriteit in Nederland tenuitvoergelegde maatregel.

6. Indien dezelfde macroprudentiële beleidsmaatregel in hun jurisdictie niet beschikbaar is, wordt de betrokken autoriteiten aanbevolen om na raadpleging van het ESRB een in hun jurisdictie beschikbare macroprudentiële beleidsmaatregel toe te passen die het meest gelijkwaardige effect heeft als de voornoemde voor toepassing van wederkerigheid aanbevolen maatregel, waaronder de vaststelling van toezichtmaatregelen en -bevoegdheden zoals vastgelegd in titel VII, hoofdstuk 2, afdeling IV, van Richtlijn 2013/36/EU. De betrokken autoriteiten wordt aanbevolen de gelijkwaardige maatregel uiterlijk vier maanden na de bekendmaking van deze aanbeveling in het Publicatieblad van de Europese Unie vast te stellen.

III.    Materialiteitsdrempel

7. De maatregel wordt aangevuld met een instellingsspecifieke materialiteitsdrempel om de mogelijke toepassing van het de-minimisbeginsel door de betrokken autoriteiten die wederkerigheid op de maatregel toepassen te sturen. Instellingen kunnen worden vrijgesteld van het minimum gemiddelde risicogewicht voor de portefeuille van blootstellingen van IRB-kredietinstellingen met betrekking tot natuurlijke personen die gedekt zijn door hypotheken op in Nederland gelegen niet-zakelijk onroerend goed indien deze waarde niet meer dan 5 miljard EUR bedraagt. Leningen die worden gedekt door de Nationale Hypotheek Garantie worden niet meegerekend voor de materialiteitsdrempel.

8. In lijn met afdeling 2.2.1 van Aanbeveling ESRB/2015/2 is de materialiteitsdrempel van 5 miljard EUR een aanbevolen maximumdrempelniveau. Betrokken autoriteiten die wederkerigheid toepassen kunnen derhalve in voorkomend geval een lagere drempel voor hun jurisdicties vaststellen, en niet de aanbevolen drempel, of wederkerigheid op de maatregel toepassen zonder materialiteitsdrempel.

Noorwegen:

— 
een systeemrisicobufferpercentage van 4,5 %voor in Noorwegen gesitueerde blootstellingen, toegepast overeenkomstig artikel 133 van Richtlijn 2013/36/EU, zoals van toepassing op en in Noorwegen per 31 december 2022 overeenkomstig de voorwaarden van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (EER-overeenkomst) (hierna de “RKV zoals van toepassing op en in Noorwegen per 31 december 2022 ” genoemd) op alle kredietinstellingen waaraan in Noorwegen vergunning is verleend;
— 
een ondergrens van 20 % voor de (naar blootstelling gewogen) gemiddelde risicogewichten voor blootstellingen met betrekking tot in Noorwegen gelegen niet-zakelijk onroerend goed, toegepast overeenkomstig artikel 458, lid 2, punt d), iv), van Verordening (EU) nr. 575/2013, zoals van toepassing op en in Noorwegen per 31 december 2022 overeenkomstig de voorwaarden van de EER-overeenkomst (hierna de “VKV zoals van toepassing op en in Noorwegen per 31 december 2022 ”) voor kredietinstellingen waaraan in Noorwegen een vergunning is verleend en die de interneratingbenadering (IRB-benadering) hanteren voor de berekening van de wettelijke kapitaalvereisten;
— 
een ondergrens van 35 % voor (het naar blootstelling gewogen) risicogewichten voor blootstellingen op in Noorwegen gelegen zakelijk onroerend goed, toegepast overeenkomstig artikel 458, lid 2, punt d), iv), van de VKV, zoals van toepassing op en in Noorwegen per 31 december 2022, op kredietinstellingen waaraan in Noorwegen vergunning is verleend en die de IRB-benadering hanteren voor de berekening van de wettelijke kapitaalvereisten.

I.    Beschrijving van de maatregelen

1. Met ingang van 31 december 2020 heeft het Finansdepartementet (het Noorse Ministerie van Financiën) drie macroprudentiële maatregelen geïntroduceerd, namelijk: i) een systeemrisicobuffer voor in Noorwegen gesitueerde blootstellingen overeenkomstig artikel 133 van de RKV, zoals van toepassing op en in Noorwegen per 31 december 2022; ii) een gemiddelde risicogewichtondergrens voor blootstellingen met betrekking tot niet-zakelijk onroerend goed in Noorwegen overeenkomstig artikel 458, lid 2, punt d), iv), van de VKV, zoals van toepassing op en in Noorwegen per 31 december 2022, en iii) een gemiddelde risicogewichtondergrens voor blootstellingen met betrekking tot zakelijk onroerend goed in Noorwegen krachtens artikel 458, lid 2, punt iv), van de VKV zoals van toepassing op en in Noorwegen per 31 december 2022.

2 Het systeemrisicobufferpercentage wordt vastgesteld op 4,5 % en wordt toegepast op binnenlandse blootstellingen van alle kredietinstellingen waaraan in Noorwegen een vergunning is verleend. Voor kredietinstellingen die de geavanceerde IRB-benadering niet hanteren, wordt het systeemrisicobufferpercentage dat van toepassing is op alle blootstellingen vastgesteld op 3 % tot en met 30 december 2023. Daarna wordt het op binnenlandse blootstellingen toepasselijke systeemrisicobufferpercentage vastgesteld op 4,5 %.

3. De ondergrens voor het risicogewicht van niet-zakelijk onroerend goed is een instellingsspecifieke gemiddelde risicogewichtondergrens voor blootstellingen met betrekking tot niet-zakelijk onroerend goed in Noorwegen, van toepassing op kredietinstellingen die de IRB-benadering hanteren. De risicogewichtondergrens van onroerend goed betreft het naar blootstelling gewogen gemiddelde risicogewicht in de portefeuille niet-zakelijk onroerend goed. Noorse blootstellingen met betrekking tot niet-zakelijk onroerend goed moeten worden opgevat als blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen die gedekt zijn door onroerend goed in Noorwegen.

4. De risicogewichtondergrens voor zakelijk onroerend goed is een instellingsspecifieke gemiddelde risicogewichtondergrens voor blootstellingen met betrekking tot zakelijk onroerend goed in Noorwegen en van toepassing op kredietinstellingen die de IRB hanteren. De risicogewichtondergrens van onroerend goed betreft het naar blootstelling gewogen gemiddelde risicogewicht in de commerciële vastgoedportefeuille. Noorse blootstellingen met betrekking tot zakelijk onroerend goed moeten worden opgevat als blootstellingen met betrekking tot ondernemingen die gedekt zijn door onroerend goed in Noorwegen.

II.    Wederkerige toepassing

5 bis. De betrokken autoriteiten wordt aanbevolen wederkerigheid op de Noorse maatregelen toe te passen voor in Noorwegen gesitueerde blootstellingen overeenkomstig artikel 134, lid 1, van Richtlijn 2013/36/EU respectievelijk artikel 458, lid 5, van Verordening (EU) nr. 575/2013. De betrokken autoriteiten wordt aanbevolen wederkerigheid op het systeemrisicobufferpercentage toe te passen binnen 18 maanden na de bekendmaking van Aanbeveling ESRB/2021/3 van het Europees Comité voor systeemrisico’s ( 7 ) in het Publicatieblad van de Europese Unie. Op de risicogewichtondergrenzen voor in Noorwegen gesitueerde blootstellingen met betrekking tot niet-zakelijk en zakelijk onroerend goed moet wederkerigheid worden toegepast binnen de standaard overgangsperiode van drie maanden na de bekendmaking van Aanbeveling ESRB/2021/3 in het Publicatieblad van de Europese Unie .

5 ter. Aangezien de verlaging van de materialiteitsdrempel als bedoeld in Aanbeveling ESRB/2023/1 van het Europees Comité voor systeemrisico’s ( 8 ) van een betrokken autoriteit kan verlangen dat zij een nieuwe wederkerig toe te passen maatregel vaststelt of bestaande nationale maatregelen wijzigt die wederkerigheid op de Noorse systeemrisicobuffermaatregel toepassen, is de standaard overgangsperiode van drie maanden na de bekendmaking van Aanbeveling ESRB/2023/1 in het Publicatieblad van de Europese Unie voor de tenuitvoerlegging van wederkerig toe te passen maatregelen van toepassing.

6. Indien dezelfde macroprudentiële beleidsmaatregel in hun jurisdictie niet beschikbaar is, wordt de betrokken autoriteiten in lijn met subaanbeveling C(2) aanbevolen om na raadpleging van het ESRB in hun jurisdictie beschikbare macroprudentiële beleidsmaatregelen toe te passen die het meest gelijkwaardige effect hebben als de voornoemde voor toepassing van wederkerigheid aanbevolen maatregel. De betrokken autoriteiten wordt aanbevolen de gelijkwaardige maatregelen voor de toepassing van wederkerigheid van de gemiddelde risicogewichtondergrenzen voor blootstellingen met betrekking tot niet-zakelijk en zakelijk onroerend goed binnen 12 maanden, en voor de toepassing van de wederkerigheid van het systeemrisicobufferpercentage binnen 18 maanden na de bekendmaking van deze aanbeveling in het Publicatieblad van de Europese Unie vast te stellen. Voor zover voor de verlaging van de materialiteitsdrempel van een betrokken autoriteit verlangt dat zij een nieuwe nationale maatregel inzake wederkerigheid als beschreven in deze alinea vaststelt of bestaande nationale maatregelen die de Noorse systeemrisicobuffermaatregel toepassen wijzigt, is de standaard overgangsperiode van drie maanden na de bekendmaking van Aanbeveling ESRB/2023/1 in het Publicatieblad van de Europese Unie voor de uitvoering van wederkerig toe te passen maatregelen van toepassing.

[7.  Punt 7 werd geschrapt bij Aanbeveling ESRB/2023/1.]

III.    Materialiteitsdrempel

8. De maatregelen worden aangevuld met instellingsspecifieke materialiteitsdrempels gebaseerd op de in Noorwegen gesitueerde blootstellingen om de potentiële toepassing van het de-minimisbeginsel door de betrokken autoriteiten die als volgt wederkerigheid op de maatregel toepassen te sturen:

a) 

voor de systeemrisicobuffer wordt de materialiteitsdrempel vastgesteld op een risicogewogen post van 5 miljard NOK, hetgeen overeenkomt met ongeveer 0,16 % van de totale risicogewogen blootstellingen van kredietinstellingen die in Noorwegen rapporteren;

b) 

voor de ondergrens van het risicogewicht voor niet-zakelijk onroerend goed wordt de materialiteitsdrempel vastgesteld op een bruto kredietverlening van 32,3 miljard NOK, hetgeen overeenkomt met ongeveer 1 % van de bruto door zekerheden gedekte niet-zakelijkonroerendgoedleningen aan Noorse klanten;

c) 

voor de risicogewichtondergrens van zakelijk onroerend goed wordt de materialiteitsdrempel vastgesteld op een bruto kredietverlening van 7,6 miljard NOK, hetgeen overeenkomt met ongeveer 1 % van de bruto door zekerheden gedekte zakelijkonroerendgoedleningen aan Noorse klanten;

9. Overeenkomstig afdeling 2.2.1 van Aanbeveling ESRB/2015/2 kunnen de betrokken autoriteiten van de betrokken lidstaat een vrijstelling verlenen aan individuele kredietinstellingen waaraan in Noorwegen een vergunning is verleend met niet-materiële blootstellingen in Noorwegen. Blootstellingen worden als niet-materieel beschouwd indien zij onder de in punt 8 hierboven vastgestelde instellingsspecifieke materialiteitsdrempels liggen. Bij de toepassing van de materialiteitsdrempels moeten de betrokken autoriteiten de materialiteit van blootstellingen monitoren en wordt hen aanbevolen de Noorse maatregelen toe te passen op de eertijds vrijgestelde afzonderlijke kredietinstellingen waaraan in eigen land een vergunning werd verleend zodra de in lid 8 genoemde materialiteitsdrempels worden overschreden.

10 Overeenkomstig afdeling 2.2.1 van Aanbeveling ESRB/2015/2 zijn de in punt 8 vastgestelde gecombineerde materialiteitsdrempels aanbevolen maximumdrempelniveaus. De betrokken autoriteiten die wederkerigheid toepassen kunnen derhalve in voorkomend geval voor hun jurisdicties een lagere drempels vaststellen, en niet de aanbevolen drempel, of wederkerigheid toepassen op de maatregel zonder materialiteitsdrempel.

11 Indien er geen kredietinstellingen zijn waaraan in de lidstaten een vergunning is verleend met materiële bloostellingen in Noorwegen, kunnen de betrokken autoriteiten van de betrokken lidstaten krachtens afdeling 2.2.1 van Aanbeveling ESRB/2015/2 besluiten geen wederkerigheid op de Noorse maatregelen toe te passen. In dat geval moeten de betrokken autoriteiten de materialiteit van de blootstellingen monitoren en wordt hen aanbevolen wederkerigheid toe te passen op de Noorse maatregelen zodra een kredietinstelling waaraan in eigen land een vergunning is verleend de desbetreffende materialiteitsdrempels overschrijdt.

Zweden

— 
een kredietinstellingsspecifieke ondergrens van 25 % voor het naar blootstelling gewogen gemiddelde van de risicogewichten toegepast op de portefeuille van door onroerend goed gedekte blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen op in Zweden gevestigde debiteuren, toegepast overeenkomstig artikel 458, lid 2, punt d), iv), van Verordening (EU) nr. 575/2013 op kredietinstellingen waaraan in Zweden een vergunning is verleend en die de IRB-benadering hanteren voor de berekening van wettelijke kapitaalvereisten;
— 
een kredietinstellingsspecifiek minimumniveau (ondergrens) van 35 % voor het naar blootstelling gewogen gemiddelde van de risicogewichten toegepast op de portefeuille van blootstellingen met betrekking tot ondernemingen die gedekt zijn door hypotheken op zakelijk onroerend goed (onroerend goed dat fysiek in Zweden is gelegen en voor commerciële doeleinden wordt aangehouden om huurinkomsten te genereren) en een kredietinstellingsspecifiek minimumniveau (ondergrens) van 25 % voor het naar blootstelling gewogen gemiddelde van de risicogewichten die worden toegepast op de portefeuille van blootstellingen met betrekking tot ondernemingen die gedekt zijn door hypotheken op niet-zakelijk onroerend goed (appartementsgebouwen die zich fysiek in Zweden bevinden en voor commerciële doeleinden worden aangehouden om huurinkomsten te genereren, waarbij het aantal woningen in het onroerend goed groter is dan drie), toegepast overeenkomstig artikel 458, lid 2, punt d), iv), van Verordening (EU) nr. 575/2013 op kredietinstellingen waaraan in Zweden een vergunning is verleend en die de IRB-benadering hanteren voor de berekening van de wettelijke kapitaalvereisten.

I.    Beschrijving van de maatregelen

1. De Zweedse maatregel, toegepast overeenkomstig artikel 458, lid 2, punt d), iv), van Verordening (EU) nr. 575/2013 en opgelegd aan kredietinstellingen waaraan in Zweden een vergunning is verleend en die de IRB hanteren, bestaat uit een kredietinstellingsspecifieke ondergrens van 25 % voor het naar blootstelling gewogen gemiddelde van de risicogewichten toegepast op de portefeuille van blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen aan in Zweden gevestigde debiteuren die gedekt zijn door onroerend goed. Het naar blootstelling gewogen gemiddelde is het gemiddelde van de risicogewichten van de afzonderlijke blootstellingen die worden berekend overeenkomstig artikel 154 van Verordening (EU) nr. 575/2013, gewogen naar de betrokken blootstellingswaarde.

2. De Zweedse maatregel, toegepast overeenkomstig artikel 458, lid 2, punt d), iv), van Verordening (EU) nr. 575/2013 en opgelegd aan kredietinstellingen waaraan in Zweden een vergunning is verleend en die IRB-benadering hanteren, bestaat uit een kredietinstellingsspecifiek minimumniveau (ondergrens) van 35 % van de naar blootstelling gewogen risicogewichten voor bepaalde blootstellingen met betrekking tot ondernemingen in Zweden die zijn gedekt doorhypotheken op onroerend goed voor zakelijk gebruik en een kredietinstellingsspecifiek minimumniveau (ondergrens) van 25 % van de naar blootstelling gewogen risicogewichten voor bepaalde blootstellingen met betrekking tot ondernemingen in Zweden die gedekt zijn door hypotheken op niet-zakelijk onroerend goed. Het naar blootstelling gewogen gemiddelde is het gemiddelde van de risicogewichten van de afzonderlijke blootstellingen die worden berekend overeenkomstig artikel 153 van Verordening (EU) nr. 575/2013, gewogen naar de betrokken blootstellingswaarde. Deze maatregel heeft geen betrekking op blootstellingen met betrekking tot ondernemingen die gedekt zijn door: i) agrarische eigendommen; ii) eigendommen die rechtstreeks eigendom zijn van gemeenten, staten of regio’s; iii) eigendommen waarbij meer dan 50 % van het onroerend goed voor het eigen bedrijf wordt gebruikt, en iv) meergezinswoningen waarvan het doel niet commercieel is (bijvoorbeeld woningcorporaties die eigendom zijn van de bewoners en die geen winstoogmerk hebben) of waar het aantal woningen minder dan vier bedraagt.

II.    Wederkerige toepassing

3. Overeenkomstig artikel 458, lid 5, van Verordening (EU) nr. 575/2013 wordt de betrokken autoriteiten van de betreffende lidstaten aanbevolen om wederkerigheid toe te passen op de Zweedse maatregel door deze toe te passen op de in Zweden gevestigde bijkantoren van kredietinstellingen waaraan in eigen land vergunning is verleend en die de IRB hanteren voor het berekenen van de wettelijke kapitaalvereisten. Overeenkomstig artikel 458, lid 5, van Verordening (EU) nr. 575/2013 wordt de betrokken autoriteiten van de betrokken lidstaten aanbevolen wederkerigheid toe te passen op de Zweedse maatregelen door deze toe te passen op kredietinstellingen waaraan in eigen land een vergunning is verleend en de IRB-benadering hanteren voor de berekening van de wettelijke kapitaalvereisten en blootstellingen hebben met betrekking tot particulieren en kleine partijen op debiteuren die in Zweden woonachtig zijn die gedekt zijn door hypotheken op onroerend goed en/of blootstellingen met betrekking tot ondernemingen in Zweden die gedekt zijn door hypotheken op zakelijk of niet-zakelijk onroerend goed. Overeenkomstig subaanbeveling C(2) wordt de betrokken autoriteiten aanbevolen uiterlijk drie maanden na de bekendmaking van de desbetreffende aanbeveling in het Publicatieblad van de Europese Unie dezelfde maatregel toe te passen als die welke in Zweden door de activerende autoriteit ten uitvoer is gelegd ( 9 ).

4. Indien dezelfde macroprudentiële beleidsmaatregels in hun jurisdictie niet beschikbaar zijn, wordt de betrokken autoriteiten aanbevolen om na raadpleging van het ESRB een in hun jurisdictie beschikbare macroprudentiële beleidsmaatregel toe te passen die het meest gelijkwaardige effect heeft als de voornoemde voor toepassing van wederkerigheid aanbevolen maatregel. De betrokken autoriteiten wordt aanbevolen de gelijkwaardige maatregel uiterlijk vier maanden na de bekendmaking van deze aanbeveling in het Publicatieblad van de Europese Unie (9)  vast te stellen.

III.    Materialiteitsdrempel

5. De maatregelen worden aangevuld met een instellingsspecifieke materialiteitsdrempel van 5 miljard SEK voor elk van de in respectievelijk de punten 1 en 2 beschreven maatregelen, om de mogelijke toepassing van het de-minimisbeginsel door de bevoegde autoriteiten die de wederkerigheid op de maatregel toepassen te sturen.

6. Overeenkomstig punt 2.2.1 van Aanbeveling ESRB/2015/2 kunnen de betrokken autoriteiten van de betrokken lidstaat individuele kredietinstellingen waaraan in eigen land een vergunning is verleend en die de IRB-benadering hanteren en blootstellingen hebben onder de materialiteitsdrempel van 5 miljard SEK, vrijstellen van de in respectievelijk de punten 1 en 2 beschreven maatregelen. Bij de toepassing van de materialiteitsdrempel moeten de betrokken autoriteiten de materialiteit van blootstellingen monitoren en hen wordt aanbevolen om de Zweedse maatregel toe te passen op de eertijds vrijgestelde afzonderlijke kredietinstellingen waaraan in eigen land een vergunning is verleend zodra kredietinstelling waaraan in eigen land een vergunning is verleend en die de IRB-benadering hanteert de materialiteitsdrempel van 5 miljard SEK overschrijdt.

7. Indien geen enkele kredietinstelling waaraan in eigen land een vergunning is verleend die IRB-benadering hanteert blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen heeft van meer dan 5 miljard SEK, via bijkantoren in Zweden en/of directe grensoverschrijdende activiteiten, kunnen de betrokken autoriteiten van de betrokken lidstaten krachtens punt 2.2.1 van Aanbeveling ESRB/2015/2 besluiten geen wederkerigheid toe te passen op de maatregel. In dat geval moeten de betrokken autoriteiten de materialiteit van de blootstellingen monitoren en wordt hen aanbevolen wederkerigheid toe te passen op de Zweedse maatregel wanneer een kredietinstelling waaraan in eigen land een vergunning is verleend en die de IRB hanteert de drempel van 5 miljard SEK overschrijdt.

8. Indien geen enkele kredietinstelling waaraan in eigen land een vergunning is verleend en die IRB-benadering hanteert als beschreven in lid 2, blootstellingen met betrekking ondernemingen heeft van meer dan 5 miljard SEK via bijkantoren in Zweden en/of directe grensoverschrijdende activiteiten, kunnen de betrokken autoriteiten van de betrokken lidstaten krachtens punt 2.2.1 van Aanbeveling ESRB/2015/2 besluiten geen wederkerigheid toe te passen op de maatregel. In dit geval moeten de betrokken autoriteiten de materialiteit van de blootstellingen monitoren en wordt hen aanbevolen wederkerigheid toe te passen op de in punt 2 beschreven maatregel wanneer een kredietinstelling die de IRB hanteert de drempel van 5 miljard SEK overschrijdt.

9. Overeenkomstig afdeling 2.2.1 van Aanbeveling ESRB/2015/2 is de materialiteitsdrempel van 5 miljard SEK een aanbevolen maximumdrempelniveau. Betrokken autoriteiten die wederkerigheid toepassen kunnen derhalve in voorkomend geval een voor hun jurisdicties lagere drempel vaststellen in plaats van de aanbevolen drempel, of wederkerigheid toepassen op de maatregel zonder materialiteitsdrempel.

Portugal

Een sectoraal systeemrisicobufferpercentage van 4 % voor alle IRB-blootstellingen met betrekking tot natuurlijke personen die gedekt zijn door niet-zakelijk onroerend goed waarvan de zekerheden in Portugal zijn gelegen.

I.    Beschrijving van de maatregel

1. De Portugese maatregel, toegepast overeenkomstig artikel 133 van Richtlijn 2013/36/EU op het hoogste consolidatieniveau, activeert een nieuw sectoraal systeemrisicobufferpercentage van 4 % op IRB-blootstellingen met betrekking tot natuurlijke personen die gedekt zijn door niet-zakelijk onroerend goed waarvoor de zekerheden in Portugal zijn gelegen (zowel voor blootstellingen in wanbetaling als niet in wanbetaling).

2. De maatregel is bedoeld om beter bestand te zijn tegen geaccumuleerde kwetsbaarheden in het hypotheekbestand bij een mogelijke neerwaartse conjunctuur en/of tegen een onverwachte aanzienlijke correctie van de niet-zakelijkonroerendgoedprijzen.

II.    Wederkerige toepassing

3. De betrokken autoriteiten wordt aanbevolen wederkerigheid toe te passen op de Portugese maatregel door deze toe te passen op IRB-blootstellingen met betrekking tot natuurlijke personen die gedekt zijn door niet-zakelijk onroerend goed waarvoor de zekerheden in Portugal zijn gelegen (zowel voor blootstellingen in wanbetaling als niet in wanbetaling). Als alternatief kan de maatregel wederkerig worden toegepast aan de hand van het volgende toepassingsgebied in de COREP-rapportage: IRB-blootstellingen die die gedekt zijn door in België gelegen niet-zakelijk onroerend goed op in Portugal gevestigde personen (zowel voor blootstellingen in wanbetaling als niet in wanbetaling).

4. Indien dezelfde macroprudentiële beleidsmaatregel in hun jurisdictie niet beschikbaar is, wordt de betrokken autoriteiten aanbevolen om na raadpleging van het ESRB een in hun jurisdictie beschikbare macroprudentiële beleidsmaatregel toe te passen die het meest gelijkwaardige effect heeft als de voornoemde voor toepassing van wederkerigheid aanbevolen maatregel, waaronder de vaststelling van toezichtmaatregelen en -bevoegdheden zoals vastgelegd in titel VII, hoofdstuk 2, afdeling IV, van Richtlijn 2013/36/EU.

5. Naar aanleiding van het verzoek van de Banco de Portugal wordt de betrokken autoriteiten aanbevolen wederkerigheid op de Portugese maatregel op het hoogste consolidatieniveau toe te passen.

6. De betrokken autoriteiten die wederkerigheid toepassen wordt aanbevolen om ervoor te zorgen dat de wederkerig toe te passen maatregel met ingang van 1 oktober 2024 wordt toegepast en wordt nageleefd.

III.    Materialiteitsdrempel

7. De maatregel wordt aangevuld met instellingsspecifieke materialiteitsdrempels op basis van in Portugal gesitueerde blootstellingen om de mogelijke toepassing van het de-minimisbeginsel door de betrokken autoriteiten die wederkerigheid op de maatregel toepassen te sturen. Kredietinstellingen kunnen van het sectorale systeemrisicobufferpercentagevereiste worden vrijgesteld zolang hun desbetreffende sectorale blootstellingen niet meer dan 1 miljard EUR bedragen, hetgeen overeenkomt met ongeveer 1 % van het hypotheekbestand in Portugal.

8. In lijn met afdeling 2.2.1 van Aanbeveling ESRB/2015/2 is de materialiteitsdrempel van 1 miljard EUR een aanbevolen maximumdrempelniveau. De betrokken autoriteiten kunnen derhalve in voorkomend geval een lagere drempel voor hun jurisdicties vaststellen, en niet de aanbevolen drempel, of wederkerigheid op de maatregel toepassen zonder materialiteitsdrempel. Bij het vaststellen van de materialiteitsdrempel moeten de betrokken autoriteiten rekening houden met de blootstelling van individuele financiële dienstverleners aan het vastgestelde macroprudentiële risico in Portugal en beoordelen of dit risico als niet-materieel kan worden beschouwd.

9. Indien er geen kredietinstellingen zijn waaraan in de lidstaten een vergunning is verleend en die materiële blootstellingen in Portugal hebben, kunnen de relevante autoriteiten van de betrokken lidstaten krachtens afdeling 2.2.1 van Aanbeveling ESRB/2015/2 besluiten geen wederkerigheid op de Portugese maatregel toe te passen. In dat geval moeten de betrokken autoriteiten de materialiteit van de blootstellingen monitoren en wordt hen aanbevolen wederkerigheid toe te passen op de Portugese maatregelen zodra een kredietinstelling waaraan in eigen land een vergunning is verleend de desbetreffende materialiteitsdrempels overschrijdt.

Denemarken

▼M21

Een sectoraal systeemrisicobufferpercentage van 7 % voor alle soorten in Denemarken gesitueerde blootstellingen met betrekking tot niet-financiële vennootschappen die actief zijn op het gebied van de exploitatie van en handel in onroerend goed en de ontwikkeling van bouwprojecten die zijn geïdentificeerd overeenkomstig de statistische classificatie van economische activiteiten in de Unie (NACE), zoals vastgelegd in Verordening (EG) nr. 1893/2006, met uitzondering van het deel van elke blootstelling dat binnen een bandbreedte van 0 % tot 15 % van de lening/waarderatio valt, dat wordt uitgesloten van de blootstellingen waarop de sectorale systeemrisicobuffer wordt toegepast.

I.    Beschrijving van de maatregel

1. Het sectorale systeemrisicobufferpercentage van 7 % zal worden toegepast op alle binnenlandse kredietinstellingen.

2. Het sectorale systeemrisicobufferpercentage zal worden toegepast op alle soorten in Denemarken gesitueerde blootstellingen met betrekking tot niet-financiële vennootschappen die op het gebied van de exploitatie van en handel in onroerend goed, met uitzondering van woningbouwverenigingen en –coöperaties en de ontwikkeling van bouwprojecten actief zijn. De relevante economische activiteiten van de debiteur worden gespecificeerd door middel van een verwijzing naar de statistische classificatie van economische activiteiten in de Unie, zoals vastgelegd in Verordening (EG) nr. 1893/2006 ( 10 ).

3. Het deel van elke blootstelling dat binnen een bandbreedte van 0 % tot 15 % van de lening-/waarderatio valt, wordt uitgesloten van de blootstellingen waarop de sectorale systeemrisicobuffer wordt toegepast. De lening-/waarderatio wordt berekend door de blootstelling te delen door de totale actuele (geschatte) marktwaarde van als zekerheid gestelde onroerende goederen.

4. De maatregel zal op individuele en geconsolideerde basis worden toegepast.

II.    Wederkerige toepassing

5. De betrokken autoriteiten die wederkerigheid toepassen wordt aanbevolen de Deense maatregel wederkerig toe te passen door deze toe te passen op alle soorten in Denemarken gesitueerde blootstellingen met betrekking tot niet-financiële vennootschappen die specifieke economische activiteiten uitoefenen, die als volgt worden bepaald: “Exploitatie van en handel in onroerend goed” volgens NACE ( 11 )-code “L”, met uitzondering van sociale woningcorporaties en coöperatieve verenigingen voor huisvesting en “Ontwikkeling van bouwprojecten” (41.1) volgens NACE-code “F”. Van deze blootstellingen moet het deel van elke blootstelling dat binnen een bandbreedte van 0 % tot 15 %van de lening-/waarderatio valt, in mindering worden gebracht.

6. Naar aanleiding van het verzoek van het Deense ministerie van Industrie, Bedrijfsleven en Financiële Zaken wordt de bevoegde autoriteiten aanbevolen de Deense maatregel wederkerig toe te passen op individuele en geconsolideerde basis.

7. Indien dezelfde macroprudentiële beleidsmaatregel in hun jurisdictie niet beschikbaar is, wordt de betrokken autoriteiten aanbevolen om na raadpleging van het ESRB een in hun jurisdictie beschikbare macroprudentiële beleidsmaatregel toe te passen die de meest gelijkwaardige uitwerking heeft als de voornoemde voor toepassing van wederkerigheid aanbevolen maatregel, waaronder de vaststelling van toezichtmaatregelen en -bevoegdheden zoals bedoeld in titel VII, hoofdstuk 2, afdeling IV, van Richtlijn 2013/36/EU.

8. De lidstaten wordt aanbevolen om deze maatregel wedekerig toe te passen binnen drie maanden na de bekendmaking van deze aanbeveling in het Publicatieblad van de Europese Unie .

III.    Materialiteitsdrempel

9. De maatregel wordt aangevuld met een instellingsspecifieke materialiteitsdrempel op basis van in Denemarken gesitueerde blootstellingen om de mogelijke toepassing van het de-minimisbeginsel door de betrokken autoriteiten die de maatregel wederkerig toepassen te sturen. Kredietinstellingen kunnen van het sectorale systeemrisicobuffervereiste worden vrijgesteld zolang hun desbetreffende sectorale blootstellingen niet meer bedragen dan 200 miljoen EUR, hetgeen overeenkomt met ongeveer 0,3 % van de totale blootstellingen met betrekking tot vastgoedondernemingen in Denemarken..

10. Overeenkomstig afdeling 2.2.1 van Aanbeveling ESRB/2015/2 is de materialiteitsdrempel van 200 miljoen EUR een aanbevolen maximumdrempelniveau. De betrokken autoriteiten kunnen derhalve in een voorkomend geval een lagere drempel voor hun jurisdicties vaststellen, en niet de aanbevolen drempel, of de maatregel wederkerig toepassen zonder een materialiteitsdrempel. Bij het vaststellen van de materialiteitsdrempel moeten de betrokken autoriteiten rekening houden met de blootstelling van individuele financiële dienstverleners aan het vastgestelde macroprudentiële risico in Denemarken en beoordelen of dit risico als niet-materieel kan worden beschouwd.

11. Indien er in de lidstaten geen kredietinstellingen zijn waaraan in de lidstaten een vergunning is verleend en die materiële blootstellingen in Denemarken hebben, kunnen de betrokken autoriteiten van de betrokken lidstaten krachtens afdeling 2.2.1 van Aanbeveling ESRB/2015/2 besluiten de Deense maatregelen niet wederkerig toe te passen. In dat geval moeten de betrokken autoriteiten de materialiteit van de blootstellingen monitoren en wordt hen aanbevolen de Deense maatregel wederkerig toe te passen zodra een kredietinstelling waaraan in eigen land een vergunning is verleend de desbetreffende materialiteitsdrempels overschrijdt.

▼M20

Italië:

Een systeemrisicobufferpercentage van 0,5 % voor alle in Italië gesitueerde kredietrisicoblootstellingen en tegenpartijkredietrisicoblootstellingen, van toepassing met ingang van 31 december 2024 tot en met 29 juni 2025; verhoogd tot een systeemrisicobufferpercentage van 1,0 % voor alle in Italië gesitueerde kredietrisicoblootstellingen en tegenpartijkredietrisicoblootstellingen, met ingang van 30 juni 2025.

I.    Beschrijving van de maatregel

1. De Italiaanse maatregel, toegepast overeenkomstig artikel 133 van Richtlijn 2013/36/EU, legt een systeemrisicobuffer op voor in Italië gesitueerde kredietrisicoblootstellingen en tegenpartijkredietrisicoblootstellingen van alle kredietinstellingen waaraan in Italië vergunning is verleend, op individuele en geconsolideerde basis.

2. Met ingang van 31 december 2024 is een systeemrisicobufferpercentage van 0,5 % van toepassing, dat met ingang van 30 juni 2025 wordt verhoogd tot 1 %.

II.    Wederkerigheid

3. De betrokken autoriteiten die wederkerigheid toepassen, wordt aanbevolen wederkerigheid toe te passen op de Italiaanse maatregel door deze toe te passen op in Italië gesitueerde kredietrisicoblootstellingen en tegenpartijkredietrisicoblootstellingen van banken. De maatregel kan wederkerig worden toegepast aan de hand van het volgende toepassingsgebied in de COREP-rapportage: Geografische uitsplitsing van blootstellingen naar vestigingsplaats van de debiteur, som van de blootstellingen met betrekking tot Italiaanse ingezetenen in rij 170, kolom 90 van COREP-tabel C 09.01 en rij 150, kolom 125, van COREP-tabel C 09.02.

4. Naar aanleiding van het verzoek van Banca d’Italia wordt aanbevolen dat de betrokken autoriteiten de Italiaanse maatregel wederkerig toepassen door deze op individuele en geconsolideerde basis toe te passen.

5. Indien dezelfde macroprudentiële beleidsmaatregel in hun jurisdictie niet beschikbaar is, wordt de betrokken autoriteiten aanbevolen om na raadpleging van het ESRB een in hun jurisdictie beschikbare macroprudentiële beleidsmaatregel toe te passen die het meest gelijkwaardige effect heeft als de voornoemde voor wederkerige toepassing aanbevolen maatregel. Dit kan het vaststellen van toezichtmaatregelen en -bevoegdheden zoals vastgesteld in titel VII, hoofdstuk 2, afdeling IV, van Richtlijn 2013/36/EU omvatten.

6. Aanbevolen wordt dat de betrokken autoriteiten ervoor zorgen dat:

a) 

een wederkerige maatregel met een percentage van 0,5 % wordt toegepast en wordt nageleefd met ingang van 31 december 2024 tot en met 29 juni 2025;

b) 

een wederkerige maatregel met een percentage van 1 % wordt toegepast en wordt nageleefd met ingang van 30 juni 2025.

III.    Materialiteitsdrempel

7. De maatregel wordt aangevuld met een instellingsspecifieke materialiteitsdrempel op basis van in Italië gesitueerde blootstellingen. De betrokken autoriteiten die wederkerigheid toepassen op de maatregel, kunnen kredietinstellingen vrijstellen van het systeemrisicobuffervereiste zolang hun relevante blootstellingen een materialiteitsdrempel van 25 miljard EUR niet overschrijden, hetgeen overeenkomt met ongeveer 1 % van alle in Italië gesitueerde kredietrisicoblootstellingen en tegenpartijkredietrisicoblootstellingen. Om te bepalen welke relevante blootstellingen moeten worden opgenomen in de berekening van blootstellingen die worden beoordeeld aan de hand van de materialiteitsdrempel, houden de betrokken autoriteiten ten minste rekening met de blootstellingen in het volgende toepassingsgebied in de COREP-rapportage: Geografische uitsplitsing van blootstellingen naar vestigingsplaats van de debiteur, som van blootstellingen met betrekking tot Italiaanse ingezetenen in rij 170, kolom 10 van COREP-tabel C09.01 en rij 150, kolom 10, van COREP-tabel C09.02.

8. Alle blootstellingen die worden aangehouden via bijkantoren en directe grensoverschrijdende kredietverlening en via dochterondernemingen moeten worden meegenomen in de berekening van blootstellingen die worden beoordeeld aan de hand van de materialiteitsdrempel.

9. In lijn met afdeling 2.2.1 van Aanbeveling ESRB/2015/2 is de materialiteitsdrempel van 25 miljard EUR een aanbevolen maximumdrempelniveau. De betrokken autoriteiten kunnen derhalve in een voorkomend geval een lagere drempel vaststellen voor hun jurisdicties, in plaats van de aanbevolen drempel toe te passen, of wederkerigheid toepassen ten aanzien van de maatregel zonder een materialiteitsdrempel. Bij het vaststellen van een materialiteitsdrempel moeten de betrokken autoriteiten rekening houden met de blootstelling van elke individuele financiële dienstverlener aan het vastgestelde macroprudentiële risico in Italië en beoordelen of dit risico als niet-materieel kan worden beschouwd.

10. Indien er geen kredietinstellingen zijn waaraan in de lidstaten een vergunning is verleend die materiële blootstellingen in Italië hebben, kunnen de betrokken autoriteiten van de desbetreffende lidstaten krachtens afdeling 2.2.1 van Aanbeveling ESRB/2015/2 besluiten geen wederkerigheid toe te passen ten aanzien van de Italiaanse maatregel. In dat geval moeten de betrokken autoriteiten de materialiteit van de blootstellingen monitoren en hen wordt aanbevolen wederkerigheid toe te passen ten aanzien van de Italiaanse maatregel zodra een kredietinstelling de aanbevolen materialiteitsdrempel overschrijdt.



( 1 ) Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 (PB L 176 van 27.6.2013, blz. 1).

( 2 ) Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, tot wijziging van Richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG (PB L 176 van 27.6.2013, blz. 338).

( 3 )  PB L 1 van 3.1.1994, blz. 3.

( 4 ) Aanbeveling van het Europees Comité voor systeemrisico’s van 22 december 2011 inzake het macroprudentieel mandaat van nationale autoriteiten (ESRB/2011/3) (PB C 41 van 14.2.2012, blz. 1).

( 5 ) Recommandation du comité du risque systémique du 9 novembre 2020 relative aux crédits portant sur des biens immobiliers à usage résidentiel situés sur le territoire du Luxembourg (CRS/2020/005).

( 6 ) CSSF Regulation N.20-08 du 3 décembre 2020 fixant des conditions pour l’octroi de crédits relatifs à des biens immobiliers à usage résidentiel situés sur le territoire du Luxembourg.

( 7 ) Aanbeveling ESRB/2021/3 van het Europees Comité voor systeemrisico's van 30 april 2021 tot wijziging van Aanbeveling ESRB/2015/2 betreffende de beoordeling van grensoverschrijdende effecten van macroprudentiële beleidsmaatregelen en van vrijwillige toepassing van wederkerigheid ten aanzien van macroprudentiële beleidsmaatregelen (PB C 222 van 11.6.2021, blz. 1).

( 8 ) Aanbeveling ESRB/2023/1 van het Europees Comité voor systeemrisico's van 6 maart 2023 tot wijziging van Aanbeveling ESRB/2015/2 betreffende de beoordeling van grensoverschrijdende effecten van macroprudentiële beleidsmaatregelen en van vrijwillige toepassing van wederkerigheid ten aanzien van macroprudentiële beleidsmaatregelen (PB C 158 van 4.5.2023, blz. 1).

( 9 ) Zie Aanbeveling ESRB/2019/1 voor de op 31 december 2018 geactiveerde macroprudentiële beleidsmaatregel.

( 10 ) De vaststelling van de specifieke segmenten van sectorale blootstellingen waarop de systeemrisicobuffer zal worden toegepast, is gebaseerd op de EBA-richtsnoeren inzake de passende segmenten van sectorale blootstellingen waarop bevoegde of aangewezen autoriteiten een systeemrisicobuffer kunnen toepassen overeenkomstig artikel 133, lid 5, onder f), van Richtlijn 2013/36/EU (EBA/GL/2020/13), beschikbaar op de EBA-website onder: www.eba.europa.eu.

( 11 ) NACE Rev. 2, Statistische classificatie van economische activiteiten in de Europese Gemeenschap, Verordening (EG) nr. 1893/2006.