02016R0399 — NL — 12.10.2025 — 006.001
Onderstaande tekst dient louter ter informatie en is juridisch niet bindend. De EU-instellingen zijn niet aansprakelijk voor de inhoud. Alleen de besluiten die zijn gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie (te raadplegen in EUR-Lex) zijn authentiek. Deze officiële versies zijn rechtstreeks toegankelijk via de links in dit document
|
VERORDENING (EU) 2016/399 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 9 maart 2016 betreffende een Uniecode voor de overschrijding van de grenzen door personen (Schengengrenscode) (PB L 077 van 23.3.2016, blz. 1) |
Gewijzigd bij:
|
|
|
Publicatieblad |
||
|
nr. |
blz. |
datum |
||
|
VERORDENING (EU) 2016/1624 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 14 september 2016 |
L 251 |
1 |
16.9.2016 |
|
|
VERORDENING (EU) 2017/458 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 15 maart 2017 |
L 74 |
1 |
18.3.2017 |
|
|
VERORDENING (EU) 2017/2225 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 30 november 2017 |
L 327 |
1 |
9.12.2017 |
|
|
Gewijzigd bij: UITVOERINGSBESLUIT (EU) 2025/1544 VAN DE COMMISSIE van 30 juli 2025 |
L 1544 |
1 |
31.7.2025 |
|
|
VERORDENING (EU) 2019/817 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 20 mei 2019 |
L 135 |
27 |
22.5.2019 |
|
|
VERORDENING (EU) 2021/1134 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 7 juli 2021 |
L 248 |
11 |
13.7.2021 |
|
|
VERORDENING (EU) 2024/1717 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 13 juni 2024 |
L 1717 |
1 |
20.6.2024 |
|
Gerectificeerd bij:
VERORDENING (EU) 2016/399 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD
van 9 maart 2016
betreffende een Uniecode voor de overschrijding van de grenzen door personen (Schengengrenscode)
(codificatie)
TITEL I
ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 1
Doel en beginselen
Deze verordening voorziet in de afwezigheid van grenstoezicht ten aanzien van personen die de binnengrenzen tussen de lidstaten van de Unie overschrijden.
Zij stelt de maatregelen vast die van toepassing zijn op het grenstoezicht ten aanzien van personen die de buitengrenzen van de lidstaten van de Unie overschrijden.
Artikel 2
Definities
In deze verordening wordt verstaan onder:
|
1. |
„binnengrenzen” :
a)
de gemeenschappelijke landgrenzen, daaronder begrepen rivier- en meergrenzen, van de lidstaten;
b)
de luchthavens van de lidstaten voor de interne vluchten;
c)
de zee-, rivier- en meerhavens van de lidstaten voor de regelmatige interne veerverbindingen; |
|
2. |
„buitengrenzen” : de landgrenzen, met inbegrip van de rivier- en meergrenzen, de zeegrenzen alsmede de lucht-, rivier-, zee- en meerhavens van de lidstaten, voor zover zij geen binnengrenzen zijn; |
|
3. |
„interne vlucht” : een vlucht met vertrek en bestemming uitsluitend op het grondgebied van de lidstaten zonder tussenlanding op het grondgebied van een derde land; |
|
4. |
„regelmatige interne veerverbinding” : een veerverbinding tussen dezelfde twee of meer havens op het grondgebied van de lidstaten waarbij geen havens buiten het grondgebied van de lidstaten worden aangedaan en waarbij personen en voertuigen worden vervoerd volgens een gepubliceerde dienstregeling; |
|
5. |
„personen die onder het Unierecht inzake vrij verkeer vallen” :
a)
de burgers van de Unie in de zin van artikel 20, lid 1, VWEU en de in Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad ( 1 ) bedoelde onderdanen van derde landen die familielid zijn van een burger van de Unie die zijn recht van vrij verkeer uitoefent;
b)
de onderdanen van derde landen en hun familieleden die, ongeacht hun nationaliteit, uit hoofde van overeenkomsten tussen de Unie en haar lidstaten enerzijds, en die landen anderzijds, rechten inzake vrij verkeer genieten die gelijkwaardig zijn aan die van de burgers van de Unie; |
|
6. |
„onderdaan van een derde land” : eenieder die geen burger van de Unie is in de zin van artikel 20, lid 1, VWEU en niet onder de toepassing van punt 5 valt; |
|
7. |
„met het oog op weigering van toegang gesignaleerde persoon” : een onderdaan van een derde land die overeenkomstig en voor de doelstellingen van artikelen 24 en 26 van Verordening (EG) nr. 1987/2006 van het Europees Parlement en de Raad ( 2 ) gesignaleerd staat in het Schengeninformatiesysteem (hierna „SIS” genoemd); |
|
8. |
„grensdoorlaatpost” : een door de bevoegde autoriteiten voor overschrijding van de buitengrenzen aangewezen doorlaatpost; |
|
9. |
„gemeenschappelijke grensdoorlaatpost” : iedere op het grondgebied van een lidstaat of het grondgebied van een derde land gelegen grensdoorlaatpost waar grenswachters van de betrokken lidstaat en van het betrokken derde land na elkaar uitreis- en inreiscontroles verrichten overeenkomstig hun nationale recht en uit hoofde van een bilaterale overeenkomst; |
|
10. |
„grenstoezicht” : de overeenkomstig en voor het doel van deze verordening aan een grens uitgevoerde activiteit die uitsluitend wegens de voorgenomen of daadwerkelijke grensoverschrijding en dus niet om andere redenen wordt verricht, en die bestaat in controle en bewaking van de grens; |
|
11. |
„grenscontroles” : de controles die aan de grensdoorlaatposten worden verricht om na te gaan of de betrokken personen, hun vervoermiddelen en de voorwerpen in hun bezit het grondgebied van de lidstaten mogen binnenkomen dan wel verlaten; |
|
12. |
„grensbewaking” : de bewaking van de grenzen tussen de grensdoorlaatposten en de bewaking van de grensdoorlaatposten buiten de vastgestelde openingstijden, met inbegrip van preventieve maatregelen, om te voorkomen of vast te stellen dat onrechtmatige grensoverschrijdingen plaatsvinden of dat personen zich aan de grenscontroles onttrekken, bij te dragen tot een groter situationeel bewustzijn, grensoverschrijdende criminaliteit te bestrijden en maatregelen te nemen tegen personen die de grens illegaal hebben overschreden; |
|
13. |
„tweedelijnscontrole” : een verdere controle die op een speciale locatie kan worden verricht, apart van de locatie waar iedereen wordt gecontroleerd (eerste lijn); |
|
14. |
„grenswachter” : overheidsbeambte die overeenkomstig het nationale recht werkzaam is bij een grensdoorlaatpost, langs de grens of in de onmiddellijke nabijheid daarvan, en die overeenkomstig deze verordening en het nationale recht het grenstoezicht uitoefent; |
|
15. |
„vervoerder” : een natuurlijke of rechtspersoon die beroepsmatig personen vervoert; |
|
16. |
„verblijfsvergunning” :
a)
de door de lidstaten overeenkomstig het uniforme model van Verordening (EG) nr. 1030/2002 van de Raad ( 3 ) afgegeven verblijfsvergunningen en de op grond van Richtlijn 2004/38/EG afgegeven verblijfskaarten;
b)
de overige door een lidstaat aan onderdanen van derde landen afgegeven documenten die recht geven op verblijf op zijn grondgebied en die het voorwerp zijn geweest van achtereenvolgens een kennisgeving en bekendmaking overeenkomstig artikel 39, met uitzondering van:
i)
tijdelijke vergunningen die hangende de behandeling van een eerste aanvraag van een verblijfsvergunning als bedoeld onder a) of van een asielverzoek worden afgegeven, en
ii)
door de lidstaten overeenkomstig het uniforme model van Verordening (EG) nr. 1683/95 van de Raad ( 4 ) afgegeven visa. |
|
17. |
„cruiseschip” : een vaartuig dat een route volgt volgens een van tevoren vastgesteld programma dat toeristische activiteiten in de verschillende havens omvat en waarbij tijdens de reis in beginsel geen passagiers in- of ontschepen; |
|
18. |
„pleziervaart” : het gebruik van pleziervaartuigen voor sport of toerisme; |
|
19. |
„kustvisserij” : het voor de visvangst gebruiken van vaartuigen die dagelijks of binnen de 36 uur in een op het grondgebied van een lidstaat gelegen haven terugkeren zonder daarbij een in een derde land gelegen haven aan te doen; |
|
20. |
„offshorewerknemer” : een persoon die werkt op een offshore-installatie die in de territoriale wateren ligt of in een door de lidstaten geëxploiteerde exclusieve economische zone, zoals die term is vastgelegd in het internationaal zeerecht, en die regelmatig over zee of door de lucht naar het grondgebied van de lidstaten terugkeert; |
|
21. |
„gevaar voor de volksgezondheid” : elke potentieel epidemische ziekte zoals gedefinieerd in de Internationale Gezondheidsregeling van de Wereldgezondheidsorganisatie, en andere infectieziekten of besmettelijke parasitaire ziekten, voor zover het gastland beschermende regelingen treft ten aanzien van de eigen onderdanen; |
|
22. |
„inreis-uitreissysteem (EES)” : het systeem dat is ingesteld bij Verordening (EU) 2017/2226 van het Europees Parlement en de Raad ( 5 ); |
|
23. |
„zelfbedieningssysteem” : een geautomatiseerd systeem voor de gehele of gedeeltelijke uitvoering van de op een persoon toepasselijke grenscontroles dat kan worden gebruikt voor het vooraf registreren van gegevens in het EES; |
|
24. |
„e-gate” : elektronisch gestuurde infrastructuur op de plaats waar de daadwerkelijke overschrijding plaatsvindt van een buitengrens of een binnengrens waar de controles nog niet zijn opgeheven; |
|
25. |
„geautomatiseerd grenscontrolesysteem” : een systeem dat geautomatiseerde grensoverschrijding mogelijk maakt en bestaat uit een zelfbedieningssysteem en een e-gate; |
|
26. |
„bevestiging van de echtheid en de integriteit van de gegevens op de chip” : het proces waarbij aan de hand van certificaten wordt geverifieerd of de gegevens op de elektronische gegevensdrager (chip) afkomstig zijn van de autoriteit van afgifte en niet zijn gewijzigd; |
|
27. |
„grootschalige noodsituatie op het gebied van de volksgezondheid” : een op Unieniveau door de Commissie erkende noodsituatie op het gebied van de volksgezondheid, rekening houdend met informatie van de bevoegde nationale autoriteiten, waarbij een ernstige grensoverschrijdende bedreiging van de gezondheid grootschalige gevolgen kan hebben voor het uitoefenen van het recht van vrij verkeer; |
|
28. |
„essentiële reizen” : reizen door een persoon die is vrijgesteld van inreisbeperkingen op grond van artikel 21 bis, lid 4 of 5, in verband met een essentiële functie of noodzaak, rekening houdend met van toepassing zijnde internationale verplichtingen van de Unie en van de lidstaten; |
|
29. |
„niet-essentiële reizen” : andere reizen dan essentiële reizen; |
|
30. |
„vervoersknooppunten” : luchthavens, zee- of binnenvaarthavens, trein- of busstations, en vrachtterminals. |
Artikel 3
Toepassingsgebied
Deze verordening is van toepassing op iedereen die de binnen- of buitengrenzen van de lidstaten overschrijdt, onverminderd:
de rechten van de personen die onder het Unierecht inzake vrij verkeer vallen;
de rechten van vluchtelingen en personen die om internationale bescherming verzoeken, met name wat betreft non-refoulement.
Artikel 4
Grondrechten
Bij de toepassing van deze verordening handelen de lidstaten met volledige inachtneming van het toepasselijke Unierecht, waaronder het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie („het Handvest”), het toepasselijke internationale recht, waaronder het Verdrag van Genève van 28 juli 1951 betreffende de status van vluchtelingen („het Verdrag van Genève”), de verplichtingen inzake de toegang tot internationale bescherming, in het bijzonder het beginsel van non-refoulement, en de grondrechten. In overeenstemming met de algemene beginselen van het Unierecht worden besluiten die overeenkomstig deze verordening worden genomen, op individuele basis genomen.
TITEL II
BUITENGRENZEN
HOOFDSTUK I
Overschrijden van de buitengrenzen en toegangsvoorwaarden
Artikel 5
Overschrijden van de buitengrenzen
De lidstaten stellen de Commissie overeenkomstig artikel 39 in kennis van de lijst van hun grensdoorlaatposten.
In afwijking van lid 1 kunnen op de verplichting om de buitengrenzen uitsluitend via de grensdoorlaatposten en gedurende de vastgestelde openingstijden te overschrijden, uitzonderingen worden toegestaan:
voor personen of groepen van personen wanneer bijzondere omstandigheden nopen tot incidentele overschrijding van de buitengrenzen buiten grensdoorlaatposten en vastgestelde tijden en mits zij in het bezit zijn van de door het nationale recht voorgeschreven vergunningen en dit niet in strijd is met overwegingen van openbare orde en binnenlandse veiligheid van de lidstaten. De lidstaten kunnen specifieke regelingen treffen in bilaterale overeenkomsten. Algemene uitzonderingen waarin in het nationale recht en in bilaterale overeenkomsten is voorzien, worden overeenkomstig artikel 39 ter kennis van de Commissie gebracht;
voor personen of groepen van personen in geval van een onvoorziene noodsituatie;
overeenkomstig de specifieke voorschriften in de artikelen 19 en 20 in samenhang met de bijlagen VI en VII.
De lidstaten kunnen, wanneer een groot aantal migranten op onrechtmatige wijze, massaal en met geweld probeert hun buitengrenzen te overschrijden, de nodige maatregelen nemen om de veiligheid en de openbare orde te handhaven.
Maatregelen die op grond van de eerste alinea van dit lid en lid 3, tweede alinea, van dit artikel, zijn genomen, worden uitgevoerd op een wijze die evenredig is en volledig rekening houdt met de rechten van:
personen die onder het Unierecht inzake vrij verkeer vallen;
onderdanen van derde landen die langdurig ingezetene zijn uit hoofde van Richtlijn 2003/109/EG van de Raad ( 7 ), personen die hun verblijfsrecht aan andere instrumenten van het Unie- of nationale recht ontlenen of over een nationaal visum voor verblijf van langere duur beschikken, alsook hun respectieve gezinsleden, en
onderdanen van derde landen die internationale bescherming vragen.
Artikel 6
Toegangsvoorwaarden voor onderdanen van derde landen
Voor een voorgenomen verblijf op het grondgebied van de lidstaten van ten hoogste 90 dagen binnen een periode van 180 dagen, waarbij voor iedere dag van het verblijf de 180 voorafgaande dagen in aanmerking worden genomen, gelden voor onderdanen van derde landen de volgende toegangsvoorwaarden:
in het bezit zijn van een geldig reisdocument of van een document dat de houder recht geeft op grensoverschrijding en dat aan de volgende criteria voldoet:
het is geldig tot minstens drie maanden na de voorgenomen datum van vertrek uit het grondgebied van de lidstaten. In gemotiveerde spoedeisende gevallen mag echter van deze verplichting worden afgezien;
het is afgegeven in de voorafgaande tien jaar;
indien vereist op grond van Verordening (EG) nr. 539/2001 van de Raad ( 8 ), in het bezit zijn van een geldig visum, behalve indien zij houder zijn van een geldige verblijfsvergunning of een geldig visum voor verblijf van langere duur;
het doel van het voorgenomen verblijf en de verblijfsomstandigheden kunnen staven, alsmede beschikken over voldoende middelen van bestaan, zowel voor de duur van het voorgenomen verblijf als voor de terugreis naar het land van herkomst of voor de doorreis naar een derde land, waar de toegang is gewaarborgd, dan wel in staat zijn deze middelen rechtmatig te verwerven;
niet met het oog op weigering van toegang in het SIS gesignaleerd zijn;
niet worden beschouwd als een bedreiging van de openbare orde, de binnenlandse veiligheid, de volksgezondheid of de internationale betrekkingen van één van de lidstaten, en met name niet om dezelfde redenen met het oog op weigering van toegang gesignaleerd staan in de nationale databanken van de lidstaten;
biometrische gegevens verstrekken indien die nodig zijn voor:
het aanleggen van het persoonlijk dossier in het EES overeenkomstig de artikelen 16 en 17 van Verordening (EU) 2017/2226;
het verrichten van grenscontroles overeenkomstig artikel 8, lid 3, onder a), i), en onder g), i), van deze Verordening, artikel 23, leden 2 en 4, van Verordening (EU) 2017/2226 en, in voorkomend geval, artikel 18 van Verordening (EG) nr. 767/2008 van het Europees Parlement en de Raad ( 9 ).
De door elk van de lidstaten vastgestelde richtbedragen worden meegedeeld aan de Commissie, overeenkomstig artikel 39.
De aanwezigheid van voldoende bestaansmiddelen kan worden beoordeeld aan de hand van contant geld, reischeques en creditcards die de onderdaan van een derde land in bezit heeft. Borgstellingen, voor zover het nationale recht daarin voorziet, en garantstellingsverklaringen van de gastheer/-vrouw als gedefinieerd in het nationale recht, ingeval de onderdaan van een derde land bij een gastheer/-vrouw verblijft, kunnen eveneens als bewijs van voldoende middelen van bestaan gelden.
In afwijking van lid 1:
wordt onderdanen van derde landen die niet aan alle in lid 1 genoemde voorwaarden voldoen, maar wel houder zijn van een verblijfsvergunning of een visum voor verblijf van langere duur, toegang verleend tot het grondgebied van de andere lidstaten met het oog op doorreis zodat zij het grondgebied kunnen bereiken van de lidstaat die de verblijfsvergunning of het visum voor verblijf van langere duur heeft afgegeven, tenzij hun namen zijn vermeld op de nationale signaleringslijst van de lidstaat waarvan zij de buitengrenzen willen overschrijden, en de signalering vergezeld gaat van instructies om de binnenkomst of doorreis te weigeren;
kan onderdanen van derde landen die voldoen aan de in lid 1 genoemde voorwaarden, met uitzondering van de voorwaarde onder b), en zich melden aan de grens, toegang tot het grondgebied van de lidstaten worden verleend, indien aan de grens een visum wordt afgegeven overeenkomstig de artikelen 35 en 36 van Verordening (EG) nr. 810/2009 van het Europees Parlement en de Raad ( 10 ).
De lidstaten stellen statistieken over aan de grens afgegeven visa op overeenkomstig artikel 46 van en bijlage XII bij Verordening (EG) nr. 810/2009.
Indien het niet mogelijk is op het document een visum aan te brengen, wordt het visum, bij wijze van uitzondering, op een apart blad aangebracht dat aan het document wordt gehecht. In dat geval wordt gebruikgemaakt van het bij Verordening (EG) nr. 333/2002 van de Raad ( 11 ) vastgestelde uniforme model voor formulieren voor de aanbrenging van het visum;
kan onderdanen van derde landen die niet aan een of meer van de in lid 1 genoemde voorwaarden voldoen, door een lidstaat toegang tot zijn grondgebied worden verleend op grond van humanitaire overwegingen, om redenen van nationaal belang of wegens internationale verplichtingen. Indien de betrokken onderdaan van een derde land gesignaleerd staat als bedoeld in lid 1, onder d), stelt de lidstaat die hem toegang tot zijn grondgebied verleent, de overige lidstaten daarvan in kennis.
Artikel 6 bis
Onderdanen van derde landen van wie gegevens in het EES moeten worden ingevoerd
Overeenkomstig de artikelen 16, 17, 19 en 20 van Verordening (EU) 2017/2226 worden van de volgende categorieën personen inreis- en uitreisgegevens in het EES ingevoerd:
onderdanen van derde landen die zijn toegelaten voor een kort verblijf overeenkomstig artikel 6, lid 1 van deze verordening;
onderdanen van derde landen die familielid zijn van een burger van de Unie, op wie Richtlijn 2004/38/EG van toepassing is en die niet in het bezit zijn van een verblijfskaart op grond van die richtlijn;
onderdanen van derde landen die:
familielid zijn van een onderdaan van een derde land die een recht van vrij verkeer geniet dat gelijkwaardig is aan dat van de burgers van de Unie op grond van een overeenkomst tussen de Unie en haar lidstaten, enerzijds, en een derde land, anderzijds, en
niet in het bezit zijn van een verblijfskaart krachtens Richtlijn 2004/38/EG of een verblijfsvergunning overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1030/2002.
Gegevens over de volgende categorieën personen worden niet in het EES ingevoerd:
onderdanen van derde landen die familielid zijn van een burger van de Unie, op wie Richtlijn 2004/38/EG van toepassing is en die in het bezit zijn van een verblijfskaart krachtens die richtlijn, ongeacht of zij die burger vergezellen of zich bij hem voegen;
onderdanen van derde landen die familielid zijn van een onderdaan van een derde land, ongeacht of zij die onderdaan van een derde land vergezellen of zich bij hem voegen, wanneer:
die onderdaan van een derde land een recht van vrij verkeer geniet dat gelijkwaardig is aan dat van de burgers van de Unie op grond van een overeenkomst tussen de Unie en haar lidstaten, enerzijds, en een derde land, anderzijds, en
die onderdanen van een derde land in het bezit zijn van een verblijfskaart krachtens Richtlijn 2004/38/EG of een verblijfsvergunning overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1030/2002;
houders van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 2, punt 16, andere dan die bedoeld onder a) en b) van dit lid;
houders van een visum voor verblijf van langere duur;
onderdanen van Andorra, Monaco en San Marino, en ►C1 houders van een paspoort dat is afgegeven door de Staat Vaticaanstad of de Heilige Stoel; ◄
personen of categorieën personen die zijn vrijgesteld van grenscontrole of die voor wie bijzondere voorschriften gelden met betrekking tot grenscontroles, met name:
staatshoofden, regeringsleiders en leden van de nationale regering met vergezellende echtgenoten, en hun officiële delegatie, vorsten en andere vooraanstaande leden van een koninklijke familie, overeenkomstig punt 1 van bijlage VII;
piloten en andere bemanningsleden van luchtvaartuigen overeenkomstig punt 2 van bijlage VII;
zeelieden overeenkomstig punt 3 van bijlage VII en zeelieden die slechts gedurende het afmeren van hun schip in de binnengevaren haven van een lidstaat verblijven;
grensarbeiders overeenkomstig punt 5 van bijlage VII;
reddingsdiensten, politie, brandweer in noodsituaties en grenswachters overeenkomstig punt 7 van bijlage VII;
offshorewerknemers overeenkomstig punt 8 van bijlage VII;
bemanningsleden en passagiers van cruiseschepen overeenkomstig de punten 3.2.1, 3.2.2 en 3.2.3 van bijlage VI;
personen aan boord van pleziervaartuigen die niet aan grenscontroles worden onderworpen overeenkomstig de punten 3.2.4, 3.2.5 en 3.2.6 van bijlage VI;
personen die op grond van artikel 5, lid 2, zijn uitgezonderd van de regel dat zij de buitengrenzen uitsluitend via de grensdoorlaatposten en gedurende de vastgestelde openingstijden mogen overschrijden;
personen die een geldige vergunning voor klein grensverkeer voor hun grensoverschrijding voorleggen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1931/2006 van het Europees Parlement en de Raad ( *3 );
bemanningsleden van passagiers- en goederentreinen op internationale verbindingen;
personen die voor hun grensoverschrijding één van onderstaande documenten voorleggen:
een geldig doorreisfaciliteringsdocument voor treinreizigers dat is afgegeven in overeenstemming met Verordening (EG) nr. 693/2003 van de Raad ( *4 ); of
een geldig doorreisfaciliteringsdocument dat is afgegeven in overeenstemming met Verordening (EG) nr. 693/2003, op voorwaarde dat zij hun doorreis per trein maken en niet op het grondgebied van een lidstaat uitstappen.
HOOFDSTUK II
Toezicht aan de buitengrenzen en weigering van toegang
Artikel 7
Uitvoering van grenscontroles
De in de uitoefening van hun taken genomen maatregelen staan in verhouding tot de door die maatregelen beoogde doelstellingen.
Artikel 8
Grenscontrole op personen
De controle kan ook betrekking hebben op de vervoermiddelen en voorwerpen in het bezit van de personen die de grens overschrijden. Op elk onderzoek is het nationale recht van de betrokken lidstaat van toepassing.
Bij binnenkomst en bij uitreis worden personen die onder het Unierecht inzake vrij verkeer vallen, aan de volgende controles onderworpen:
de verificatie van de identiteit en de nationaliteit van de persoon, en van de echtheid en de geldigheid van het reisdocument voor het overschrijden van de grens, onder meer door de relevante databanken te raadplegen, met name:
het SIS;
de Interpoldatabank voor gestolen en verloren reisdocumenten (Stolen and Lost Travel Documents (STLD) database);
nationale databanken met informatie over gestolen, ontvreemde, verloren en ongeldig gemaakte reisdocumenten.
Indien het reisdocument een elektronische gegevensdrager (chip) bevat, worden de echtheid en de integriteit van de gegevens op de chip bevestigd aan de hand van de complete certificeringsketen, tenzij dit technisch onmogelijk is of, in het geval van een door een derde land afgegeven reisdocument, onmogelijk omdat er geen geldige certificaten beschikbaar zijn.
de verificatie dat een persoon die onder het Unierecht inzake vrij verkeer valt, niet wordt beschouwd als een bedreiging voor de openbare orde, de binnenlandse veiligheid, de volksgezondheid of de internationale betrekkingen van een van de lidstaten, onder meer door het SIS en andere relevante databanken van de Unie te raadplegen. Dit laat de raadpleging van nationale en Interpoldatabanken onverlet.
Bij twijfel over de echtheid van het reisdocument of over de identiteit van de houder, wordt ten minste één van de biometrische kenmerken in de paspoorten en reisdocumenten die zijn afgegeven overeenkomstig Verordening (EG) nr. 2252/2004 geverifieerd. Waar mogelijk wordt deze verificatie ook verricht met betrekking tot reisdocumenten die niet onder die verordening vallen.
Met betrekking tot personen van wie de inreis in het EES moet worden geregistreerd overeenkomstig artikel 6 bis van deze verordening, wordt overeenkomstig artikel 23, lid 2, van Verordening (EU) 2017/2226 de identiteit geverifieerd en vindt, indien van toepassing, een identificatie plaats overeenkomstig artikel 23, lid 4, van die verordening.
Indien de controles aan de hand van de databanken als bedoeld in lid 2, onder a) en onder b), onevenredige gevolgen voor de verkeersstromen zouden hebben, kan een lidstaat besluiten om die controles op gerichte basis uit te voeren aan bepaalde grensdoorlaatposten, na een beoordeling van de risico’s voor de openbare orde, de binnenlandse veiligheid, de volksgezondheid of de internationale betrekkingen van een van de lidstaten.
De omvang en de duur van de tijdelijke beperking tot gerichte controles aan de hand van de databanken, blijven beperkt tot hetgeen strikt noodzakelijk is en worden bepaald aan de hand van een door de betrokken lidstaat uitgevoerde risicobeoordeling. In deze risicobeoordeling worden de redenen voor de tijdelijke beperking tot gerichte controles aan de hand van de databanken vermeld, wordt onder meer rekening gehouden met de onevenredige gevolgen voor de verkeersstromen, en worden statistieken over passagiers en incidenten in verband met grensoverschrijdende criminaliteit verstrekt. De risicobeoordeling wordt regelmatig geactualiseerd.
Personen waarvoor in beginsel geen gerichte controles aan de hand van de databanken dienen te worden uitgevoerd, worden ten minste gecontroleerd om hun identiteit vast te stellen op basis van de overlegging of het tonen van reisdocumenten. Die controle bestaat in een snelle en eenvoudige verificatie van de geldigheid van het reisdocument voor het overschrijden van de grens, en van de aanwezigheid van tekenen van vervalsing of namaak, in voorkomend geval met gebruikmaking van technische voorzieningen, en, in gevallen waarin er twijfel bestaat over het reisdocument of wanneer er aanwijzingen zijn dat de betrokken persoon mogelijk een bedreiging vormt voor de openbare orde, de binnenlandse veiligheid, de volksgezondheid of de internationale betrekkingen van de lidstaten, raadpleegt de grenswachter de databanken als bedoeld in lid 2, onder a) en onder b).
De betrokken lidstaat verstrekt onverwijld zijn risicobeoordeling en actualiseringen daarvan aan het Europees Grens- en kustwachtagentschap („het Agentschap”), dat is opgericht bij Verordening (EU) 2016/1624 van het Europees Parlement en de Raad ( 12 ), en brengt elke zes maanden verslag uit aan de Commissie en het Agentschap over de gerichte controles die aan de hand van de databanken zijn uitgevoerd. De betrokken lidstaat kan besluiten de risicobeoordeling of delen daarvan te rubriceren.
Indien een lidstaat voornemens is gerichte controles aan de hand van de databanken overeenkomstig lid 2 bis uit te voeren, stelt hij de andere lidstaten, het Agentschap en de Commissie daarvan onverwijld in kennis. De betrokken lidstaat kan besluiten de kennisgeving of delen daarvan te rubriceren.
Indien de lidstaten, het Agentschap of de Commissie bedenkingen hebben bij het voornemen gerichte controles aan de hand van de databanken uit te voeren, stellen zij de betrokken lidstaat daarvan onverwijld in kennis. De betrokken lidstaat houdt rekening met deze bedenkingen.
Wat de luchtgrenzen betreft, zijn de leden 2 bis en 2 ter van toepassing gedurende een overgangsperiode van ten hoogste zes maanden met ingang van 7 april 2017.
In uitzonderlijke gevallen, wanneer een bepaalde luchthaven specifieke infrastructurele moeilijkheden heeft, waardoor er meer tijd nodig is voor aanpassingen die de systematische controles aan de hand van de databanken zonder onevenredige gevolgen voor de verkeersstroom mogelijk moeten maken, kan de in de eerste alinea bedoelde overgangsperiode van zes maanden voor die bepaalde luchthaven met ten hoogste 18 maanden worden verlengd volgens de in de derde alinea uiteengezette procedure.
Daartoe stelt de lidstaat uiterlijk drie maanden voor het verstrijken van de in de eerste alinea bedoelde overgangsperiode de Commissie, het Agentschap en de andere lidstaten in kennis van de specifieke infrastructurele moeilijkheden in de betrokken luchthaven, van de geplande maatregelen om die moeilijkheden te verhelpen en van de termijn die nodig is om die maatregelen uit te voeren.
In geval van specifieke infrastructurele moeilijkheden die een langere periode van aanpassingen vergen, verleent de Commissie, binnen een maand na ontvangst van de in de derde alinea bedoelde kennisgeving en na raadpleging van het Agentschap, de betrokken lidstaat toestemming om de overgangsperiode voor de betrokken luchthaven te verlengen en bepaalt zij, in voorkomend geval, de duur van die verlenging.
De controles aan de hand van de databanken als bedoeld in lid 2, onder a) en onder b), kunnen vooraf worden uitgevoerd op basis van passagiersgegevens die worden ontvangen overeenkomstig Richtlijn 2004/82/EG van de Raad ( 13 ) of overeenkomstig ander uniaal of nationaal recht.
Indien deze controles vooraf op basis van zulke passagiersgegevens worden uitgevoerd, worden aan de grensdoorlaatpost de vooraf ontvangen gegevens vergeleken met de gegevens in het reisdocument. De identiteit en de nationaliteit van de betrokkene, alsmede de echtheid en de geldigheid van het reisdocument voor het overschrijden van de grens, worden ook geverifieerd.
Bij binnenkomst en uitreis worden onderdanen van derde landen als volgt aan een grondige controle onderworpen:
de grondige controles bij binnenkomst behelzen de verificatie van de in artikel 6, lid 1, vermelde voorwaarden voor toegang, alsmede, eventueel, van de verblijfs- en werkvergunningen. In dat verband wordt nauwgezet onderzocht:
verificatie van de identiteit en de nationaliteit van de onderdaan van een derde land en van de echtheid en de geldigheid van het reisdocument voor het overschrijden van de grens, onder meer door de relevante databanken te raadplegen, met name:
het SIS;
de Interpoldatabank voor gestolen en verloren reisdocumenten (Stolen and Lost Travel Documents (STLD) database);
nationale databanken met informatie over gestolen, ontvreemde, verloren en ongeldig gemaakte reisdocumenten.
Wat betreft paspoorten en reisdocumenten die een elektronische gegevensdrager (chip) bevatten, worden de echtheid en de integriteit van de gegevens op de chip gecontroleerd, afhankelijk van de beschikbaarheid van geldige certificaten.
Behalve voor onderdanen van derde landen voor wie reeds een persoonlijk dossier in het EES is geregistreerd, behelst deze verificatie, indien de elektronische gegevensdrager (chip) van het reisdocument een gezichtsopname bevat en de in de chip opgeslagen gezichtsopname technisch toegankelijk is, de verificatie van die gezichtsopname, door middel van een elektronische vergelijking van die gezichtsopname met de ter plaatse gemaakte gezichtsopname van de betrokken onderdaan van een derde land. Indien dat technisch en wettelijk mogelijk is, kan deze verificatie worden verricht door de ter plaatse afgenomen vingerafdrukken te vergelijken met de vingerafdrukken die op een elektronische gegevensdrager (chip) zijn opgeslagen;
verificatie of het reisdocument, waar van toepassing, vergezeld gaat van het vereiste visum of de vereiste verblijfsvergunning;
met betrekking tot personen van wie de inreis of de weigering van toegang in het EES moet worden geregistreerd overeenkomstig artikel 6 bis van deze verordening, wordt overeenkomstig artikel 23, lid 2, van Verordening 2017/2226 de identiteit geverifieerd en vindt, indien van toepassing, een identificatie plaats overeenkomstig artikel 23, lid 4, van die;
met betrekking tot personen van wie de inreis of weigering van toegang in het EES moet worden geregistreerd overeenkomstig artikel 6 bis van deze verordening, of de onderdaan van het derde land de maximale duur van het toegestane verblijf op het grondgebied van de lidstaten heeft bereikt of overschreden, en met betrekking tot onderdanen van derde landen die in het bezit zijn van een visum voor één of twee inreizen, of deze het maximale aantal toegestane inreizen hebben gerespecteerd, door middel van raadpleging van het EES overeenkomstig artikel 23 van Verordening (EU) 2017/2226;
de plaats van vertrek en de plaats van bestemming van de betrokken onderdaan van een derde land, alsmede het doel van het voorgenomen verblijf, indien nodig met controle van de desbetreffende bewijsstukken;
of de betrokken onderdaan van een derde land voor de geplande duur en het doel van het voorgenomen verblijf en voor de terugreis naar het land van herkomst of voor de doorreis naar een derde land, waar de toegang is gewaarborgd, over voldoende middelen van bestaan beschikt dan wel of hij deze op rechtmatige wijze kan verkrijgen;
verificatie of de betrokken onderdaan van een derde land, diens vervoermiddel en de meegevoerde voorwerpen geen gevaar opleveren voor de openbare orde, de binnenlandse veiligheid, de volksgezondheid of de internationale betrekkingen van een van de lidstaten. Bij die verificatie worden met name gegevens en signaleringen betreffende de betrokken personen en, zo nodig, voorwerpen rechtstreeks bij het SIS en andere relevante databanken opgevraagd en worden, in voorkomend geval, de bij die signalering passende maatregelen genomen. Dit laat de raadpleging van nationale en Interpoldatabanken onverlet;
indien de onderdaan van het derde land houder is van een visum als bedoeld in artikel 6, lid 1, onder b), behelzen de grondige controles bij binnenkomst ook de verificatie van de identiteit van de houder van het visum en van de echtheid van het visum, door middel van raadpleging van het visuminformatiesysteem (VIS) overeenkomstig artikel 18 van Verordening (EG) nr. 767/2008;
indien de onderdaan van het derde land houder is van een visum voor verblijf van langere duur of een verblijfsvergunning, behelzen de grondige controles bij binnenkomst de verificatie van de identiteit van de houder van het visum voor verblijf van langere duur of de verblijfsvergunning en de verificatie van de echtheid en geldigheid van het visum voor verblijf van langere duur of de verblijfsvergunning, door middel van raadpleging van het VIS overeenkomstig artikel 22 octies van Verordening (EG) nr. 767/2008;
indien de verificatie van de identiteit van de houder van het visum voor verblijf van langere duur of de verblijfsvergunning of de echtheid en geldigheid van het visum voor verblijf van langere duur of de verblijfsvergunning, geen resultaat oplevert, of indien er twijfel bestaat omtrent de identiteit van de houder of de echtheid van het visum voor verblijf van langere duur of de verblijfsvergunning, verifiëren de naar behoren gemachtigde personeelsleden van die bevoegde autoriteiten de chip van het document;
▼M6 —————
de grondige controles bij uitreis behelzen:
verificatie van de identiteit en de nationaliteit van de onderdaan van een derde land en van de echtheid en de geldigheid van het reisdocument voor het overschrijden van de grens, onder meer door de relevante databanken te raadplegen, met name:
het SIS;
de Interpoldatabank voor gestolen en verloren reisdocumenten (Stolen and Lost Travel Documents (SLTD) database);
nationale databanken met informatie over gestolen, ontvreemde, verloren en ongeldig gemaakte reisdocumenten.
Voor paspoorten en reisdocumenten die een elektronische gegevensdrager (chip) bevatten, worden de echtheid en de integriteit van de gegevens op de chip gecontroleerd, afhankelijk van de beschikbaarheid van geldige certificaten.
Behalve voor onderdanen van derde landen voor wie reeds een persoonlijk dossier in het EES is geregistreerd, behelst deze verificatie, indien de elektronische gegevensdrager (chip) van het reisdocument een gezichtsopname bevat en de in de chip opgeslagen gezichtsopname technisch toegankelijk is, de verificatie van die gezichtsopname, door middel van een elektronische vergelijking van die gezichtsopname met de ter plaatse gemaakte gezichtsopname van de betrokken onderdaan van een derde land;
de verificatie dat de betrokken onderdaan van een derde land niet wordt beschouwd als een bedreiging voor de openbare orde, de binnenlandse veiligheid, de volksgezondheid of de internationale betrekkingen van een van de lidstaten, onder meer door het SIS en andere relevante databanken van de Unie te raadplegen. Dit laat de raadpleging van nationale en Interpoldatabanken onverlet;
met betrekking tot personen van wie de uitreis in het EES moet worden geregistreerd overeenkomstig artikel 6 bis van deze verordening, wordt overeenkomstig artikel 23, lid 2, van Verordening (EU) 2017/2226 de identiteit geverifieerd en vindt, indien van toepassing, een identificatie plaats overeenkomstig artikel 23, lid 4, van die verordening;
met betrekking tot personen van wie de uitreis in het EES moet worden geregistreerd overeenkomstig artikel 6 bis van deze verordening, verificatie of de onderdaan van een derde land de maximale duur van het toegestane verblijf op het grondgebied van de lidstaten niet heeft overschreden, door middel van raadpleging van het EES overeenkomstig artikel 23, lid 3, van Verordening (EU) 2017/2226;
naast de onder g) bedoelde controles, kunnen grondige controles bij uitreis ook behelzen:
de verificatie dat de betrokkene in het bezit is van een geldig visum, indien zulks op grond van Verordening (EG) nr. 539/2001 vereist is, tenzij de betrokkene houder is van een geldige verblijfsvergunning; deze verificatie kan inhouden dat het VIS wordt geraadpleegd overeenkomstig artikel 18 van Verordening (EG) nr. 767/2008;
▼M3 —————
▼M2 —————
met het oog op de identificatie van personen die niet of niet langer voldoen aan de voorwaarden voor inreis in, verblijf of vestiging op het grondgebied van de lidstaten, kan het VIS worden geraadpleegd overeenkomstig artikel 20 van Verordening (EG) nr. 767/2008 en kan het EES worden geraadpleegd overeenkomstig artikel 27 van Verordening (EU) 2017/2226;
de controles aan de hand van de databanken, als bedoeld onder a), punten i) en vi), en onder g), kunnen vooraf worden uitgevoerd op basis van passagiersgegevens die worden ontvangen overeenkomstig Richtlijn 2004/82/EG of ander uniaal of nationaal recht.
Indien deze controles vooraf op basis van zulke passagiersgegevens worden uitgevoerd, worden aan de grensdoorlaatpost de vooraf ontvangen gegevens vergeleken met de gegevens in het reisdocument. De identiteit en de nationaliteit van de betrokkene, alsmede de echtheid en de geldigheid van het reisdocument voor het overschrijden van de grens, worden ook geverifieerd;
indien er twijfel bestaat over de echtheid van het reisdocument of over de identiteit van de onderdaan van een derde land, omvatten de controles, waar mogelijk, de verificatie van ten minste één van de biometrische kenmerken in de reisdocumenten.
Overeenkomstig artikel 69, lid 1, van Verordening (EU) 2019/817 wordt deze alinea pas van toepassing wanneer de detector van meerdere identiteiten in gebruik wordt genomen overeenkomstig artikel 72, lid 4, van die verordening.
Deze informatie is beschikbaar in de officiële talen van de Unie en in de taal of talen van het buurland of de buurlanden van de betrokken lidstaat en vermeldt dat de onderdaan van een derde land kan verzoeken dat hem de naam of het dienstidentificatienummer wordt meegedeeld van de grenswachters die de grondige tweedelijnscontrole uitvoeren, alsook de naam van de plaats waar en de datum waarop de grens werd overschreden.
Artikel 8 bis
Gebruik van zelfbedieningssystemen voor het vooraf registreren van gegevens in het EES
Personen van wie de grensoverschrijding in het EES moet worden geregistreerd overeenkomstig artikel 6 bis, kunnen gebruikmaken van zelfbedieningssystemen om de in lid 4, onder a), van dit artikel bedoelde gegevens vooraf in het EES te registreren, op voorwaarde dat aan elk van de volgende voorwaarden is voldaan:
het reisdocument bevat een elektronische gegevensdrager (chip) en de echtheid en de integriteit van de gegevens op de chip worden bevestigd aan de hand van de complete certificeringsketen;
de elektronische gegevensdrager (chip) van het reisdocument bevat een gezichtsopname die technisch toegankelijk is voor het zelfbedieningssysteem, zodat de identiteit van de houder van het reisdocument kan worden geverifieerd aan de hand van een vergelijking van de in de elektronische gegevensdrager (chip) opgeslagen gezichtsopname met de ter plaatse gemaakte gezichtsopname; indien dat technisch en wettelijk mogelijk is, kan deze verificatie worden verricht door de ter plaatse afgenomen vingerafdrukken te vergelijken met de vingerafdrukken die op de elektronische gegevensdrager (chip) van het reisdocument zijn opgeslagen.
Voorts geldt overeenkomstig artikel 23, lid 4, van Verordening (EU) 2017/2226 bij een identificatie in het EES het volgende:
indien uit een zoekopdracht in het VIS aan de hand van de gegevens, bedoeld in artikel 18, lid 1, van Verordening (EG) nr. 767/2008 blijkt dat een onderdaan van een derde land die visumplichtig is voor het overschrijden van de buitengrenzen, in het VIS is geregistreerd, vindt een verificatie van vingerafdrukken in het VIS plaats overeenkomstig artikel 18, lid 6, van Verordening (EG) nr. 767/2008. Indien een verificatie van de persoon overeenkomstig lid 2 mislukt, worden de gegevens in het VIS geraadpleegd met het oog op identificatie overeenkomstig artikel 20 van Verordening (EG) nr. 767/2008;
met betrekking tot onderdanen van derde landen die niet visumplichtig zijn voor het overschrijden van de buitengrenzen en van wie de identificatie-opdracht in het EES overeenkomstig artikel 27 van Verordening (EU) 2017/2226 niets oplevert, wordt het VIS geraadpleegd overeenkomstig artikel 19 bis van Verordening (EG) nr. 767/2008.
Indien de gegevens over de in lid 1 van dit artikel bedoelde persoon niet zijn geregistreerd in het EES overeenkomstig de leden 2 en 3:
onderdanen van derde landen die visumplichtig zijn voor het overschrijden van de buitengrenzen, registreren door middel van het zelfbedieningssysteem vooraf in het EES de gegevens die zijn vermeld in artikel 16, lid 1, en artikel 16, lid 2, onder c) tot en met f) van Verordening (EU) 2017/2226 en, indien van toepassing, de gegevens die zijn bedoeld in artikel 16, lid 6, van die verordening, en onderdanen van derde landen die niet visumplichtig zijn voor het overschrijden van de buitengrenzen, registreren door middel van het zelfbedieningssysteem vooraf in het EES de gegevens die zijn vermeld in artikel 17, lid 1, onder a), b) en c) en in artikel 16, lid 2, onder c) van die verordening en, indien van toepassing, de gegevens die zijn bedoeld in artikel 17, lid 1, onder d) van die verordening;
vervolgens wordt de persoon doorverwezen naar een grenswachter die:
indien niet alle vereiste gegevens door middel van het zelfbedieningssysteem konden worden verzameld, de betrokken gegevens vooraf registreert;
verifieert:
indien is besloten tot toestemming voor inreis of weigering van toegang, de gegevens als bedoeld onder a) bevestigt en de gegevens in het EES invoert zoals bepaald in artikel 16, lid 2, onder a) en b), en artikel 18, lid 6, onder a), b), c) en (d), van Verordening (EU) 2017/2226.
Indien overeenkomstig lid 5 is vastgesteld dat voor de in lid 1 van dit artikel bedoelde persoon een persoonlijk dossier is geregistreerd in het EES, maar dat zijn gegevens moeten worden bijgewerkt, zijn de volgende bepalingen van toepassing:
de persoon registreert vooraf door middel van het zelfbedieningssysteem de bijgewerkte gegevens in het EES;
de persoon wordt doorverwezen naar een grenswachter die verifieert of de gegevens zijn bijgewerkt met inachtneming van letter a) van dit lid en, nadat is besloten om toegang te weigeren of toe te staan, het persoonlijk dossier bijwerkt overeenkomstig artikel 14, lid 2, van Verordening (EU) 2017/2226.
Artikel 8 ter
Gebruik van zelfbedieningssystemen en e-gates voor grensoverschrijding door personen van wie de grensoverschrijding in het EES moet worden geregistreerd
Personen van wie de grensoverschrijding in het EES moet worden geregistreerd overeenkomstig artikel 6 bis, kunnen gebruikmaken van een zelfbedieningssysteem voor hun grenscontrole, op voorwaarde dat aan alle volgende voorwaarden is voldaan:
het reisdocument bevat een elektronische gegevensdrager (chip) en de echtheid en de integriteit van de gegevens op de chip worden bevestigd aan de hand van de complete certificeringsketen;
de elektronische gegevensdrager (chip) van het reisdocument bevat een gezichtsopname die technisch toegankelijk is voor het zelfbedieningssysteem, zodat de identiteit van de houder van het reisdocument kan worden geverifieerd aan de hand van een vergelijking van die gezichtsopname met de ter plaatse gemaakte gezichtsopname, en
de persoon is reeds geregistreerd of vooraf geregistreerd in het EES.
Wanneer aan een persoon toegang wordt verleend tot een door een lidstaat ingesteld nationaal faciliteringsprogramma overeenkomstig artikel 8 quinquies, mag bij de grenscontroles die bij inreis door middel van een zelfbedieningssysteem worden verricht, het onderzoek van de in artikel 8, lid 3, onder a, iv) en v), bedoelde aspecten achterwege worden gelaten bij overschrijding, door die persoon, van de buitengrenzen van die lidstaat of van de buitengrenzen van een andere lidstaat die met de lidstaat die de toegang heeft verleend, een overeenkomst heeft gesloten als bedoeld in artikel 8 quinquies, lid 9.
De betrokken persoon wordt overeenkomstig lid 3 naar een grenswachter doorverwezen in elk van de volgende situaties:
indien niet wordt voldaan aan een of meer van de in lid 1 vermelde voorwaarden;
indien uit de controles bij inreis of uitreis als bedoeld in lid 2 blijkt dat aan een of meer van de voorwaarden voor inreis of uitreis niet is voldaan;
indien de resultaten van de controles bij inreis of uitreis als bedoeld in lid 2 aanleiding geven tot vragen over de identiteit van de persoon of indien uit deze resultaten blijkt dat de persoon wordt geacht een gevaar voor de binnenlandse veiligheid, de openbare orde, de internationale betrekkingen van de lidstaten dan wel een gevaar voor de volksgezondheid te vormen;
in geval van twijfel;
indien er geen e-gates beschikbaar zijn.
Artikel 8 quater
Normen voor geautomatiseerde grenscontrolesystemen
Voor zover mogelijk worden geautomatiseerde grenscontrolesystemen op zodanige wijze ontworpen dat zij door alle personen, met uitzondering van kinderen jonger dan 12 jaar, kunnen worden gebruikt. Zij worden ook op zodanige wijze ontworpen dat zij de menselijke waardigheid volledig eerbiedigen, met name in gevallen waarbij kwetsbare personen betrokken zijn. Indien de lidstaten besluiten geautomatiseerde grenscontrolesystemen te gebruiken, zorgen zij ervoor dat er voldoende personeel aanwezig is om personen te helpen bij het gebruik van deze systemen.
Artikel 8 quinquies
Nationale faciliteringsprogramma’s
Het voorafgaande veiligheidsonderzoek van deze onderdanen van derde landen wordt uitgevoerd door grenswachters, door visumautoriteiten als gedefinieerd in artikel 4, lid 3, van Verordening (EG) nr. 767/2008 of door immigratieautoriteiten als gedefinieerd in artikel 3, lid 1, punt 4, van de Verordening (EU) 2017/2226.
De in lid 3 bedoelde autoriteiten verlenen een persoon enkel toegang tot het nationale faciliteringsprogramma indien aan alle volgende voorwaarden is voldaan:
de verzoeker voldoet aan de toegangsvoorwaarden zoals beschreven in artikel 6, lid 1;
het overgelegde reisdocument en, in voorkomend geval, visum, visum voor verblijf van langere duur of de verblijfskaart is/zijn geldig en niet vals, nagemaakt of vervalst;
de verzoeker toont de noodzaak van veelvuldig of regelmatig reizen aan, of motiveert zijn voornemen hiertoe;
de verzoeker legt bewijs voor van zijn integriteit en betrouwbaarheid, en, indien van toepassing, van het rechtmatige gebruik van eerder afgegeven visa of visa met beperkte territoriale geldigheid, zijn bevredigende economische situatie in het land van herkomst en zijn werkelijke voornemen om het grondgebied van de lidstaten vóór het einde van de toegestane verblijfsduur te verlaten. Overeenkomstig artikel 25 van Verordening (EU) 2017/2226 hebben de in lid 3 van dit artikel bedoelde autoriteiten toegang tot het EES om te verifiëren of de verzoeker niet eerder de maximale duur van het toegestane verblijf op het grondgebied van de lidstaten heeft overschreden;
de verzoeker toont het doel en de omstandigheden van de voorgenomen verblijven aan;
de verzoeker beschikt over voldoende middelen van bestaan, zowel voor de duur van de voorgenomen verblijven als voor de terugreis naar het land van herkomst of verblijf, of is in staat deze middelen rechtmatig te verwerven;
het SIS wordt geraadpleegd.
In geval van verlenging beoordeelt de lidstaat ieder jaar opnieuw de situatie van iedere onderdaan van een derde land die toegang heeft gekregen tot het nationale faciliteringsprogramma, om op basis van geactualiseerde informatie na te gaan of de betrokken onderdaan van een derde land nog steeds voldoet aan de in lid 4 vastgestelde voorwaarden. Deze nieuwe beoordeling kan worden uitgevoerd n het kader van de grenscontroles.
De grenswachters kunnen voor de onderdaan van het derde land aan wie toegang tot het nationale faciliteringsprogramma is verleend bij inreis overeenkomstig artikel 8, lid 3, punten a) en b), en bij uitreis overeenkomstig artikel 8, lid 3, onder g), de verificatie verrichten zonder de biometrische gegevens elektronisch te vergelijken maar door de gezichtsopname die op de elektronische gegevensdrager (chip) is opgeslagen en de gezichtsopname van het persoonlijk EES-dossier van de onderdaan van een derde land te vergelijken met diens gezicht. Er wordt steekproefsgewijs en op basis van een risicoanalyse een volledige verificatie verricht.
Bij de beoordeling van de middelen van bestaan voor de voorgenomen verblijven wordt rekening gehouden met de duur en het doel van de voorgenomen verblijven, alsmede met de gemiddelde prijzen voor onderdak in de betrokken lidstaten, bepaald op basis van een goedkoop verblijf en aan de hand van de door elk van de lidstaten overeenkomstig artikel 39, lid 1, onder c), vastgestelde richtbedragen. Een bewijs van garantstelling of particuliere huisvesting, of van beide, kan eveneens de toereikendheid van de middelen van bestaan aantonen.
Bij de behandeling van een verzoek worden met name de echtheid en de betrouwbaarheid van de overgelegde documenten, alsmede de geloofwaardigheid en de betrouwbaarheid van de verklaringen van de verzoeker onderzocht. Indien de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van een aanvraag, twijfels heeft over de verzoeker, zijn verklaringen of de door hem verstrekte bewijsstukken, kan deze andere lidstaten raadplegen alvorens een beslissing over het verzoek te nemen.
Artikel 9
Versoepeling van de grenscontroles
De beslissing tot versoepeling van de controles wordt genomen door de bevelvoerende grenswachter van de betrokken grensdoorlaatpost.
De versoepeling van de grenscontroles is slechts tijdelijk, is aangepast aan de omstandigheden die de versoepeling rechtvaardigen en wordt geleidelijk uitgevoerd.
Indien het wegens een technisch probleem niet mogelijk is om gegevens in te voeren in het centrale systeem van het EES of bij storing in het centrale systeem van het EES, zijn alle volgende bepalingen van toepassing:
in afwijking van artikel 6 bis van deze verordening worden de gegevens als bedoeld in de artikelen 16 tot en met 20 van Verordening (EU) 2017/2226 tijdelijk opgeslagen in de nationale uniforme interface als gedefinieerd in artikel 7 van die verordening. Als dit niet mogelijk is, worden de gegevens tijdelijk lokaal opgeslagen in een elektronisch format. In beide gevallen worden de gegevens zodra het technische probleem of de storing is verholpen, in het centrale systeem van het EES ingevoerd. De lidstaten nemen passende maatregelen en zorgen voor de nodige infrastructuur, uitrusting en middelen om te garanderen dat deze tijdelijke lokale opslag op elk moment en in elke grensdoorlaatpost kan worden verricht;
Onverminderd de verplichting grenscontroles te verrichten uit hoofde van deze verordening gaat de grensautoriteit, in de uitzonderlijke omstandigheid waarin het wegens een technisch probleem niet mogelijk is gegevens in te voeren in het centrale systeem van het EES en in de nationale uniforme interface, en waarin het wegens een technisch probleem niet mogelijk is de gegevens tijdelijk lokaal op te slaan in elektronisch formaat, over tot het handmatig opslaan van de inreis- en uitreisgegevens overeenkomstig de artikelen 16 tot en met 20 van Verordening (EU) 2017/2226, met uitzondering van biometrische gegevens, en brengt zij een stempel van inreis of uitreis aan in het reisdocument van de onderdaan van een derde land. De gegevens worden zodra het technisch gezien mogelijk is, ingevoerd in het centrale systeem van het EES.
Lidstaten die in uitzonderlijke omstandigheden als bedoeld in de tweede alinea van dit punt overgaan tot het afstempelen van reisdocumenten, stellen de Commissie hiervan in kennis, overeenkomstig artikel 21, lid 2, van Verordening (EU) 2017/2226;
in afwijking van artikel 8, lid 3, onder a), iii), en artikel 8, lid 3, onder g), iv) van deze verordening, wordt van onderdanen van derde landen die houder zijn van een visum als bedoeld in artikel 6, lid 1, onder b), indien dat technisch mogelijk is, de identiteit van de houder van het visum geverifieerd, door middel van rechtstreekse raadpleging van het VIS overeenkomstig artikel 18 van Verordening (EG) nr. 767/2008.
Artikel 10
Gescheiden doorgangen en bewegwijzering
De lidstaten kunnen in gescheiden doorgangen voorzien aan hun zee- en landgrensdoorlaatposten en aan de grenzen tussen de lidstaten die artikel 22 aan hun gemeenschappelijke grenzen niet toepassen. Indien de lidstaten aan die grenzen in gescheiden doorgangen voorzien, wordt de in bijlage III vermelde bewegwijzering gebruikt.
De lidstaten zorgen ervoor dat deze doorgangen duidelijk zijn aangegeven, ook wanneer de regels inzake het gebruik van de verschillende doorgangen worden opgeschort als bedoeld in lid 4, opdat het grensoverschrijdend personenverkeer optimaal kan verlopen.
Onderdanen van derde landen die op grond van Verordening (EG) nr. 539/2001 bij het overschrijden van de buitengrenzen van de lidstaten niet in het bezit van een visum hoeven te zijn en onderdanen van derde landen die houder zijn van een geldige verblijfsvergunning of een geldig visum voor verblijf van langere duur, mogen de doorgangen gebruiken die zijn aangegeven met het bord dat is weergegeven in bijlage III, deel B1 („niet-visumplichtig”), bij deze verordening. Zij mogen ook de doorgangen gebruiken die zijn aangegeven met het bord dat is weergegeven in bijlage III, deel B2 („alle paspoorten”), bij deze verordening.
Alle andere personen gebruiken de doorgangen die zijn aangegeven met het bord dat is weergegeven in bijlage III, deel B2 („alle paspoorten”).
De aanduidingen op de in de eerste, tweede en derde alinea bedoelde borden kunnen worden gesteld in de taal of de talen die elke lidstaat geschikt acht.
Het voorzien in gescheiden doorgangen die zijn aangegeven met het bord dat is weergegeven in bijlage III, deel B1 („niet-visumplichtig”), is facultatief. De lidstaten besluiten op basis van de praktische behoeften of en bij welke grensdoorlaatposten zij dit doen.
De lidstaten kunnen de aanduidingen op die borden zo nodig aanpassen aan de lokale omstandigheden.
Artikel 11
Afstempeling van de reisdocumenten
Artikel 12
Vermoeden betreffende vervulling van voorwaarden inzake de duur van het korte verblijf
Indien het vermoeden wordt weerlegd, maken de bevoegde autoriteiten, indien nodig, een persoonlijk dossier aan in het EES of noteren zij in het EES de datum en de plaats van overschrijding, door de onderdaan van een derde land, van de buitengrens van een lidstaat of van de binnengrens van een lidstaat die het Schengenacquis nog niet volledig toepast maar die het EES gebruikt, overeenkomstig artikel 20 van Verordening (EU) 2017/2226;
Een onderdaan van een derde land die onder het Unierecht inzake vrij verkeer valt, kan slechts worden teruggezonden overeenkomstig Richtlijn 2004/38/EG.
Artikel 12 bis
Overgangsperiode en overgangsmaatregelen
Artikel 13
Grensbewaking
Artikel 14
Weigering van toegang
De met redenen omklede beslissing waarin de precieze weigeringsgronden worden genoemd, wordt meegedeeld door middel van het standaardformulier in bijlage V, deel B, dat wordt ingevuld door de naar nationaal recht voor de weigering van toegang bevoegde autoriteit. Het ingevulde standaardformulier wordt verstrekt aan de betrokken onderdaan van een derde land, die met behulp van dit formulier de ontvangst van de beslissing tot weigering van toegang bevestigt.
Gegevens inzake onderdanen van derde landen aan wie toegang voor een kort verblijf is geweigerd, worden overeenkomstig artikel 6 bis, lid 2, van deze verordening en artikel 18 van Verordening (EU) 2017/2226 in het EES geregistreerd.
Het instellen van beroep schort de beslissing tot weigering van toegang niet op.
Indien de beroepsprocedure tot de conclusie leidt dat de beslissing tot weigering van toegang ongegrond was, heeft de betrokken onderdaan van een derde land, onverminderd een eventuele naar nationaal recht toegekende schadeloosstelling, recht op correctie van de in het EES ingevoerde informatie of van de geannuleerde inreisstempel, of van beide, en op schrapping van andere annuleringen of toevoegingen, door de lidstaat die de toegang heeft geweigerd.
HOOFDSTUK III
Middelen voor grenstoezicht en samenwerking tussen lidstaten
Artikel 15
Middelen voor grenstoezicht
Voor de uitoefening van het grenstoezicht aan de buitengrenzen overeenkomstig de artikelen 7 tot en met 14 zetten de lidstaten voldoende, gekwalificeerd personeel en voldoende, passende middelen in om een efficiënt, hoog en eenvormig niveau van toezicht aan hun buitengrenzen te waarborgen.
Artikel 16
Uitoefening van het toezicht
De uitoefening van dit grenstoezicht doet geen afbreuk aan de in het nationale recht aan grenswachters verleende strafprocesrechtelijke bevoegdheden die buiten de werkingssfeer van deze verordening vallen.
De lidstaten zorgen ervoor dat de grenswachters uit gespecialiseerde en goed opgeleide vakmensen bestaan, rekening houdend met de gemeenschappelijke basisinhoud voor de opleiding van grenswachters die wordt ontwikkeld door het Europees Agentschap voor het beheer van de operationele samenwerking aan de buitengrenzen van de lidstaten van de Europese Unie (hierna „het Agentschap” genoemd), dat is opgericht bij Verordening (EG) nr. 2007/2004. De opleiding omvat onder meer specifieke opleiding op het gebied van het herkennen van en het omgaan met situaties waarin kwetsbare personen, zoals niet-begeleide minderjarigen en slachtoffers van mensenhandel, betrokken zijn. De lidstaten moedigen met de steun van het Agentschap de grenswachters ertoe aan de voor de uitoefening van hun taken noodzakelijke talen te leren.
Artikel 17
Samenwerking tussen lidstaten
De lidstaten onthouden zich van elke activiteit die de werking van het Agentschap of het bereiken van zijn doelen in gevaar kan brengen.
Zij brengen aan het Agentschap verslag uit over de in de eerste alinea bedoelde operationele samenwerking.
Artikel 18
Gezamenlijk toezicht
Daartoe kunnen de lidstaten onderling bilaterale overeenkomsten sluiten.
HOOFDSTUK IV
Specifieke voorschriften voor de grenscontroles
Artikel 19
Specifieke voorschriften voor de verschillende soorten grenzen en de verschillende vervoermiddelen die worden gebruikt om de buitengrenzen te overschrijden
De specifieke voorschriften in bijlage VI zijn van toepassing op de controles met betrekking tot de verschillende soorten grenzen en de verschillende vervoermiddelen die worden gebruikt om de buitengrenzen te overschrijden.
Die specifieke voorschriften kunnen afwijken van de bepalingen van de artikelen 5 en 6 en de artikelen 8 tot en met 14.
Artikel 20
Specifieke voorschriften voor controles van bepaalde categorieën personen
De specifieke voorschriften van bijlage VII zijn van toepassing op de volgende categorieën personen:
staatshoofden, regeringsleiders en leden van de nationale regering met de hen vergezellende echtgenoten, en leden van hun officiële delegatie, vorsten en andere vooraanstaande leden van een koninklijke familie,
piloten en andere bemanningsleden van luchtvaartuigen,
zeelieden,
houders van een diplomatiek, een officieel of een dienstpaspoort en leden van internationale organisaties,
grensarbeiders,
minderjarigen,
reddingsdiensten, politie en brandweer en grenswachters,
offshorewerknemers.
Die specifieke voorschriften kunnen afwijken van de bepalingen van de artikelen 5 en 6 en de artikelen 8 tot en met 14.
HOOFDSTUK V
Specifieke maatregelen in verband met de buitengrenzen
Artikel 21
Maatregelen aan de buitengrenzen en ondersteuning door het Agentschap
Indien er in een evaluatieverslag dat is opgesteld krachtens artikel 14 van Verordening (EU) nr. 1053/2013, ernstige gebreken worden vastgesteld bij de uitvoering van de procedures voor het buitengrenstoezicht, kan de Commissie, teneinde te waarborgen dat de in artikel 15 van die verordening bedoelde aanbevelingen worden opgevolgd, de geëvalueerde lidstaat door middel van een uitvoeringshandeling aanbevelen bepaalde specifieke maatregelen te nemen die een of meer van de volgende maatregelen kan omvatten:
een begin maken met het inzetten van Europese grenswachtteams, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 2007/2004;
zijn op een risico-evaluatie gebaseerde strategische plannen, met inbegrip van informatie over de inzet van personeel en apparatuur, voor advies aan het Agentschap voorleggen.
Die uitvoeringshandeling wordt volgens de in artikel 38, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.
Zij brengt tevens het Europees Parlement en de Raad op de hoogte.
Artikel 21 bis
Tijdelijke beperkingen van reizen naar de Unie
Tijdelijke reisbeperkingen kunnen tijdelijke inreisbeperkingen naar de lidstaten omvatten, alsook tijdelijke gezondheidsgerelateerde beperkingen, die noodzakelijk zijn met het oog op de bescherming van de volksgezondheid in de ruimte zonder binnengrenstoezicht. Die tijdelijke gezondheidsgerelateerde beperkingen kunnen testen, quarantaine of zelfisolatie omvatten.
Tijdelijke beperkingen inzake reizen naar de Unie zijn proportioneel en niet-discriminerend. Indien een lidstaat strengere beperkingen oplegt dan die welke in de uitvoeringshandeling zijn vastgesteld, hebben die beperkingen geen negatief effect op het functioneren van de ruimte zonder binnengrenstoezicht. Tijdelijke gezondheidsgerelateerde beperkingen voor personen die onder het Unierecht inzake vrij verkeer vallen, voldoen te allen tijde aan Richtlijn 2004/38/EG.
De volgende categorieën personen worden ongeacht het doel van hun reis vrijgesteld van de inreisbeperkingen:
personen die onder het Unierecht inzake vrij verkeer vallen;
onderdanen van derde landen die langdurig ingezetene zijn uit hoofde van Richtlijn 2003/109/EG, personen die hun verblijfsrecht aan andere instrumenten van het Unie- of nationale recht ontlenen, met inbegrip van personen die internationale bescherming genieten of personen die over een nationaal visum voor verblijf van langere duur beschikken, alsook hun respectieve gezinsleden.
In de in lid 2 bedoelde uitvoeringsverordening worden, zo nodig:
indien de aard van de grootschalige noodsituatie op het gebied van de volksgezondheid dat vereist, de in bijlage XI, deel B, opgenomen categorieën van personen die essentiële reizen maken bepaald die van inreisbeperkingen moeten worden vrijgesteld;
de geografische gebieden of derde landen bepaald van waaruit reizen kunnen worden onderworpen aan beperkingen of vrijstellingen van beperkingen, en wordt een procedure vastgesteld voor de periodieke evaluatie van de situatie van die gebieden of landen en van de opgelegde reisbeperkingen, op basis van een objectieve methodiek en objectieve criteria, waaronder in het bijzonder de epidemiologische situatie;
de voorwaarden vastgesteld waaronder niet-essentiële reizen kunnen worden beperkt of van beperkingen worden vrijgesteld, onder meer de bewijsstukken die moeten worden verstrekt ter staving van de vrijstelling en de voorwaarden inzake de duur en de aard van het verblijf in de in punt b) genoemde gebieden of landen;
tijdelijke gezondheidsgerelateerde minimumbeperkingen vastgesteld waaraan de in lid 3, punten a) en b), bedoelde personen kunnen worden onderworpen;
in afwijking van de leden 4 en 5, de voorwaarden vastgesteld waaronder aan personen die essentiële reizen maken reisbeperkingen kunnen worden opgelegd.
TITEL III
BINNENGRENZEN
HOOFDSTUK I
Afwezigheid van grenstoezicht aan de binnengrenzen
Artikel 22
Overschrijding van de binnengrenzen
De binnengrenzen kunnen op iedere plaats worden overschreden zonder dat personen, ongeacht hun nationaliteit, worden gecontroleerd.
Artikel 23
Controles binnen het grondgebied
De afwezigheid van grenstoezicht aan de binnengrenzen doet geen afbreuk aan:
de uitoefening van de politiebevoegdheid of andere overheidsbevoegdheden door de bevoegde autoriteiten van de lidstaten op hun grondgebied, ook in hun binnengrensgebieden, overeenkomstig het nationale recht, voor zover de uitoefening van die bevoegdheden niet hetzelfde effect heeft als grenscontroles. De uitoefening van die bevoegdheden kan waar passend het gebruik omvatten van technologieën voor toezicht en bewaking die doorgaans op het grondgebied worden gebruikt bij bedreigingen van de openbare veiligheid of de openbare orde. De uitoefening door de bevoegde autoriteiten van hun bevoegdheden wordt met name niet als gelijkwaardig aan de uitoefening van grenscontroles beschouwd wanneer de maatregelen aan elk van de volgende voorwaarden voldoen:
zij hebben geen grenstoezicht tot doel;
zij zijn gebaseerd op algemene politie-informatie of, wanneer zij bedoeld zijn om de verspreiding van een infectieziekte in te dammen, op volksgezondheidsinformatie, en de ervaring van de bevoegde autoriteiten inzake mogelijke bedreigingen voor de openbare veiligheid of de openbare orde en, in het bijzonder, zijn bedoeld om:
zij worden gepland en uitgevoerd op een manier die duidelijk verschilt van stelselmatige persoonscontroles aan de buitengrenzen, ook wanneer die worden verricht op vervoersknooppunten of aan boord van personenvervoerdiensten zelf en mits zij op een risicobeoordeling zijn gebaseerd;
de mogelijkheid die de bevoegde autoriteiten van een lidstaat of vervoerders hebben om op vervoersknooppunten veiligheidscontroles op personen uit te voeren overeenkomstig het nationale recht, mits die controles ook worden uitgevoerd op personen die binnen een lidstaat reizen;
de mogelijkheid die een lidstaat heeft om te voorzien in een verplichting om in het bezit te zijn van bepaalde titels of documenten en die bij zich te dragen;
de mogelijkheid die een lidstaat heeft om onderdanen van derde landen rechtens te verplichten om hun aanwezigheid op zijn grondgebied te melden en beheerders van inrichtingen die accommodatie verstrekken te verplichten om ervoor te zorgen dat onderdanen van derde landen — afgezien van meereizende echtgenoten en minderjarige kinderen en van leden van reisgezelschappen — registratieformulieren invullen en ondertekenen op grond van de bepalingen van respectievelijk artikel 22 en artikel 45 van de Overeenkomst ter uitvoering van het tussen de regeringen van de staten van de Benelux Economische Unie, de Bondsrepubliek Duitsland en de Franse Republiek op 14 juni 1985 te Schengen gesloten akkoord betreffende de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen (de „Schengenuitvoeringsovereenkomst”).
Artikel 23 bis
Procedure voor de overdracht van in binnengrensgebieden aangehouden personen
Onverminderd artikel 22 wordt in dit artikel de procedure vastgesteld voor de overdracht van een onderdaan van een derde land die is aangehouden in grensgebieden als bedoeld in artikel 23, in omstandigheden waarin aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
de onderdaan van het derde land is aangehouden tijdens controles die door de bevoegde autoriteiten van beide lidstaten zijn uitgevoerd in het kader van bilaterale samenwerking, welke met name gezamenlijke politiepatrouilles kunnen omvatten, mits de lidstaten hebben besloten in het kader van dat bilateraal samenwerkingsverband een dergelijke procedure te gebruiken, en
er zijn duidelijke aanwijzingen dat de onderdaan van het derde land rechtstreeks vanuit een andere lidstaat is aangekomen, waarbij is vastgesteld dat hij of zij niet het recht heeft om te verblijven op het grondgebied van de lidstaat waar hij of zij is aangekomen, blijkens onmiddellijk voor de aanhoudende autoriteiten beschikbare informatie, waaronder verklaringen van de betrokkene, bij die betrokkene aangetroffen identiteits-, reis- of andere documenten of blijkens de resultaten van bevragingen van relevante nationale databanken en databanken van de Unie.
De in de leden 1 en 2 vastgestelde procedure is niet van toepassing op verzoekers zoals gedefinieerd in artikel 3, punt 13), van Verordening (EU) 2024/1348 van het Europees Parlement en de Raad ( 17 ) of op personen die internationale bescherming genieten zoals gedefinieerd in artikel 3, punt 4), van Verordening (EU) 2024/1347 van het Europees Parlement en de Raad ( 18 ).
Bij de overdracht van een onderdaan van een derde land die, naar de overdragende lidstaat vermoedt, minderjarig is, stelt die overdragende lidstaat de ontvangende lidstaat van dat vermoeden in kennis en zorgen beide lidstaten ervoor dat alle maatregelen worden genomen in het belang van het kind en in overeenstemming met hun respectieve nationale recht.
Artikel 24
Verwijdering van belemmeringen voor het verkeer aan wegdoorlaatposten aan de binnengrenzen
De lidstaten maken alle belemmeringen voor een vlotte verkeersstroom aan de wegdoorlaatposten aan de binnengrenzen ongedaan, en met name snelheidsbeperkingen die niet uitsluitend door verkeersveiligheidsoverwegingen zijn ingegeven of vereist zijn voor het gebruik van de in artikel 23, punt a), bedoelde technologieën.
De lidstaten zijn tegelijkertijd voorbereid om in controlefaciliteiten te voorzien wanneer het grenstoezicht aan de binnengrenzen opnieuw wordt ingevoerd.
HOOFDSTUK II
Tijdelijke herinvoering van het grenstoezicht aan de binnengrenzen
Artikel 25
Algemeen kader voor de tijdelijke herinvoering of verlenging van het grenstoezicht aan de binnengrenzen
Een ernstige bedreiging voor de openbare orde of de binnenlandse veiligheid kan met name geacht worden te ontstaan door:
terroristische incidenten of bedreigingen en bedreigingen die uitgaan van ernstige georganiseerde criminaliteit;
grootschalige noodsituaties op het gebied van de volksgezondheid;
een uitzonderlijke situatie die zich kenmerkt door plotselinge grootschalige niet-toegestane verplaatsingen van onderdanen van derde landen tussen de lidstaten, waardoor de algemene middelen en capaciteit van goed voorbereide bevoegde autoriteiten aanzienlijk onder druk komen te staan en de algemene werking van de ruimte zonder binnengrenstoezicht waarschijnlijk in gevaar wordt gebracht, zoals blijkt uit informatieanalyse en alle beschikbare gegevens, ook van betrokken agentschappen van de Unie;
grootschalige of belangrijke internationale gebeurtenissen.
Grenstoezicht kan uitsluitend op grond van de artikelen 25 bis en 28 worden heringevoerd of verlengd wanneer een lidstaat heeft vastgesteld dat die maatregel noodzakelijk en evenredig is, rekening houdend met de in artikel 26, lid 1, bedoelde criteria, en, wanneer dat grenstoezicht wordt verlengd, ook rekening houdend met de in artikel 26, lid 2, bedoelde risicobeoordeling. Grenstoezicht kan ook worden heringevoerd in overeenstemming met artikel 29, rekening houdend met de in artikel 30 bedoelde criteria.
Dezelfde ernstige bedreiging wordt geacht voort te duren wanneer de door de lidstaat aangevoerde rechtvaardiging voor de verlenging van het grenstoezicht is gebaseerd op dezelfde gronden als die welke ook de rechtvaardiging vormden voor de aanvankelijke herinvoering van het grenstoezicht.
Artikel 25 bis
Procedure voor gevallen waarin optreden vereist is wegens niet-voorzienbare of voorzienbare gebeurtenissen
Wanneer een lidstaat van mening is dat er sprake is van een belangrijke uitzonderlijke situatie in verband met een aanhoudende ernstige bedreiging die de voortdurende noodzaak van grenstoezicht aan de binnengrenzen rechtvaardigt gedurende een termijn die de in lid 5 van dit artikel bedoelde maximumtermijn overschrijdt, stelt die lidstaat het Europees Parlement, de Raad en de Commissie en de andere lidstaten uiterlijk vier weken vóór de geplande verlenging in kennis van zijn voornemen om het grenstoezicht te verlengen met een aanvullende periode van maximaal zes maanden. Die kennisgeving gebeurt uiterlijk vier weken vóór de beoogde verlenging en bevat, rekening houdend met het op grond van artikel 27 bis, lid 3, uitgebrachte advies van de Commissie, een risicobeoordeling overeenkomstig artikel 26, lid 2:
waarin de aanhoudende bedreiging voor de openbare orde of de binnenlandse veiligheid wordt gestaafd;
waarin wordt aangetoond dat alternatieve maatregelen om de bedreiging te verhelpen op het tijdstip van de kennisgeving ondoeltreffend worden geacht of zijn bevonden;
waarin wordt uiteengezet welke verzachtende maatregelen werden overwogen om het grenstoezicht aan de binnengrenzen te begeleiden;
met inbegrip van, indien nodig, een presentatie van de middelen, acties, voorwaarden en termijnen die werden overwogen met het oog op de opheffing van het grenstoezicht aan de binnengrenzen.
Binnen drie maanden na de in de eerste alinea bedoelde kennisgeving brengt de Commissie een nieuw advies uit over de noodzaak en evenredigheid van de verlenging van het grenstoezicht aan de binnengrenzen. Na ontvangst van die kennisgeving kan de Commissie op eigen initiatief een overlegprocedure starten of start zij op verzoek van een rechtstreeks getroffen lidstaat een overlegprocedure, overeenkomstig artikel 27 bis, lid 1.
Indien in een belangrijke uitzonderlijke situatie de aanhoudende noodzaak van grenstoezicht aan de binnengrenzen wordt bevestigd als gevolg van de in dit lid bedoelde procedure, maar de in de eerste alinea bedoelde aanvullende periode van zes maanden niet volstaat om ervoor te zorgen dat er doeltreffende alternatieve maatregelen beschikbaar zijn om de aanhoudende bedreiging het hoofd te bieden, kan een lidstaat besluiten het grenstoezicht aan de binnengrenzen met een verdere en laatste aanvullende periode van maximaal zes maanden te verlengen, in overeenstemming met de in de tweede alinea bedoelde risicobeoordeling. Wanneer een lidstaat daartoe besluit, stelt hij de Commissie onverwijld in kennis van zijn voornemen om zijn grenstoezicht aan de binnengrenzen te verlengen. De Commissie stelt onverwijld een aanbeveling vast over de verenigbaarheid van een dergelijke laatste verlenging met de Verdragen, met name met de beginselen van noodzakelijkheid en evenredigheid. In die aanbeveling wordt, waar passend samen met andere lidstaten, ook vastgesteld welke doeltreffende compenserende maatregelen moeten worden uitgevoerd.
Artikel 26
Criteria voor de tijdelijke herinvoering en de verlenging van grenstoezicht aan de binnengrenzen
Om vast te stellen of de herinvoering van grenstoezicht aan de binnengrenzen noodzakelijk en evenredig is in overeenstemming met artikel 25, lid 2, beoordeelt een lidstaat met name:
de geschiktheid van de maatregel tot herinvoering van grenstoezicht aan de binnengrenzen, gelet op de aard van de geconstateerde ernstige bedreiging en met name op de vraag of de herinvoering van grenstoezicht aan de binnengrenzen een afdoende oplossing is voor de bedreiging voor de openbare orde of de binnenlandse veiligheid, en of de met die herinvoering nagestreefde doelen kunnen worden verwezenlijkt door:
het gebruik van alternatieve maatregelen, waaronder evenredige controles die worden verricht in het kader van controles binnen het grondgebied als bedoeld in artikel 23, punt a);
de toepassing van de procedure van artikel 23 bis;
andere vormen van politiële samenwerking waarin het Unierecht voorziet;
gemeenschappelijke maatregelen betreffende tijdelijke reisbeperkingen naar de lidstaten als bedoeld in artikel 21 bis, lid 2;
de verwachte gevolgen van een dergelijke maatregel voor:
het verkeer van personen in de ruimte zonder binnengrenstoezicht, en
de werking van de grensregio’s, rekening houdend met de sterke maatschappelijke en economische banden tussen die regio’s.
Artikel 27
Kennisgeving van de tijdelijke herinvoering of verlenging van grenstoezicht aan de binnengrenzen en risicobeoordeling
In kennisgevingen door de lidstaten van de herinvoering of de verlenging van grenstoezicht aan de binnengrenzen wordt de volgende informatie opgenomen:
de redenen voor de herinvoering of de verlenging, waarbij alle relevante gegevens worden vermeld over de gebeurtenissen die een ernstige bedreiging voor de openbare orde of de binnenlandse veiligheid van die lidstaat inhouden;
de reikwijdte van de voorgestelde herinvoering of verlenging, waarbij wordt aangegeven aan welk deel of welke delen van de binnengrenzen het grenstoezicht wordt heringevoerd of verlengd;
de namen van de aangewezen grensdoorlaatposten;
de datum en de duur van de geplande herinvoering of verlenging;
de beoordeling van de noodzaak en de evenredigheid als bedoeld in artikel 26, lid 1, en, in geval van een verlenging, in artikel 26, lid 2;
waar passend, de door andere lidstaten te nemen maatregelen.
Een kennisgeving kan door twee of meer lidstaten samen worden gedaan.
De lidstaten dienen de kennisgeving in door middel van het model dat de Commissie moet vaststellen op grond van lid 6.
Artikel 27 bis
Overleg met de lidstaten en advies van de Commissie
Het overleg is met name gericht op het beoordelen van de bedreiging voor de openbare orde of de binnenlandse veiligheid, de noodzakelijkheid en evenredigheid van de voorgenomen herinvoering van grenstoezicht aan de binnengrenzen, rekening houdend met de geschiktheid van alternatieve maatregelen, en, indien grenstoezicht reeds is heringevoerd, de gevolgen daarvan, en de wijze waarop de wederzijdse samenwerking tussen de lidstaten in verband met de herinvoering van grenstoezicht aan de binnengrenzen wordt uitgevoerd.
De lidstaat die voornemens is om het grenstoezicht aan de binnengrenzen opnieuw in te voeren of te verlengen, houdt bij de besluitvorming over de herinvoering of verlenging van grenstoezicht aan de binnengrenzen en bij het verrichten van grenstoezicht aan de binnengrenzen rekening met de uitkomsten van dat overleg.
Het advies van de Commissie omvat ten minste:
een beoordeling van de vraag of de herinvoering of verlenging van grenstoezicht aan de binnengrenzen in overeenstemming is met de beginselen van noodzakelijkheid en evenredigheid;
een beoordeling van de vraag of alternatieve maatregelen om de ernstige bedreiging te verhelpen voldoende zijn onderzocht.
Wanneer de herinvoering van grenstoezicht aan de binnengrenzen wordt beoordeeld en geacht wordt de beginselen van noodzakelijkheid en evenredigheid in acht te nemen, bevat het advies zo nodig aanbevelingen voor de verbetering van de samenwerking tussen de lidstaten om de gevolgen van het grenstoezicht aan de binnengrenzen te beperken en bij te dragen tot het tegengaan van de aanhoudende dreiging.
Artikel 28
Specifiek mechanisme voor gevallen waarin een grootschalige noodsituatie op het gebied van de volksgezondheid de algemene werking van de ruimte zonder binnengrenstoezicht in gevaar brengt
Artikel 29
Specifieke procedure voor uitzonderlijke omstandigheden waarbij de algemene werking van de ruimte zonder binnengrenstoezicht in gevaar komt
De Raad vermeldt in de aanbeveling ten minste de in artikel 27, lid 1, onder a) tot en met e), bedoelde informatie.
De Raad kan onder de voorwaarden en volgens de procedure van dit artikel een verlenging aanbevelen.
Voordat een lidstaat op grond van dit lid het grenstoezicht aan alle of bepaalde delen van zijn binnengrenzen opnieuw invoert, stelt hij de andere lidstaten, het Europees Parlement en de Commissie hiervan in kennis.
In dat geval dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in met de evaluatie van de door de betrokken lidstaat aangevoerde redenen en over de gevolgen voor de bescherming van de algemene belangen in de ruimte zonder binnengrenstoezicht.
Artikel 30
Criteria voor de tijdelijke herinvoering van het grenstoezicht aan de binnengrenzen wanneer uitzonderlijke omstandigheden de algemene werking van de ruimte zonder binnengrenstoezicht in gevaar brengen
Indien de Raad in overeenstemming met artikel 29, lid 2, als uiterste middel de tijdelijke herinvoering van het grenstoezicht aan een of meer binnengrenzen of delen daarvan aanbeveelt, beoordeelt hij in hoeverre die maatregel de bedreiging voor de openbare orde of de binnenlandse veiligheid in de ruimte zonder binnengrenstoezicht voldoende kan verhelpen en of de maatregel tot die bedreiging in verhouding staat. Die beoordeling geschiedt aan de hand van de door de betrokken lidstaat of lidstaten en door de Commissie verstrekte gedetailleerde informatie, alsook van alle andere relevante informatie, met inbegrip van de overeenkomstig lid 2 van dit artikel verkregen informatie. Daarbij worden met name de volgende overwegingen in aanmerking genomen:
de beschikbaarheid van maatregelen voor technische of financiële ondersteuning die zijn of kunnen worden getroffen op nationaal of Unieniveau of op beide niveaus, inclusief bijstand van organen en instanties van de Unie als het Agentschap, het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken, opgericht bij Verordening (EU) nr. 439/2010 van het Europees Parlement en de Raad ( 20 ), of de Europese Politiedienst (Europol), opgericht bij Besluit 2009/371/JBZ, en in hoeverre die maatregelen de bedreigingen voor de openbare orde of de binnenlandse veiligheid binnen de ruimte zonder binnengrenstoezicht voldoende kunnen verhelpen;
de huidige en de verwachte gevolgen van ernstige gebreken die met betrekking tot het buitengrenstoezicht zijn vastgesteld in het kader van de evaluaties die zijn uitgevoerd krachtens Verordening (EU) nr. 1053/2013 en de mate waarin deze ernstige gebreken een ernstige bedreiging vormen voor de openbare orde of de binnenlandse veiligheid in de ruimte zonder binnengrenstoezicht;
de verwachte gevolgen van de herinvoering van grenstoezicht aan de binnengrenzen op het vrije verkeer van personen in de ruimte zonder binnengrenstoezicht.
Voordat de Commissie in overeenstemming met artikel 29, lid 2, een voorstel voor een aanbeveling van de Raad goedkeurt, kan zij:
de lidstaten, het Agentschap, Europol of andere organen en instanties van de Unie om nadere informatie verzoeken;
controles ter plaatse uitvoeren, met steun van deskundigen uit de lidstaten en van het Agentschap, Europol of andere bevoegde organen en instanties van de Unie, met het oog op het verkrijgen of verifiëren van gegevens die van belang zijn voor die aanbeveling.
Artikel 31
Informatieverstrekking aan het Europees Parlement en de Raad
De Commissie en de betrokken lidstaat of lidstaten stellen het Europees Parlement en de Raad zo spoedig mogelijk in kennis van de redenen die aanleiding zouden kunnen geven tot toepassing van artikel 21 en de artikelen 25 tot en met 30.
Artikel 32
In geval van herinvoering van het grenstoezicht aan de binnengrenzen toe te passen bepalingen
Wanneer het grenstoezicht aan de binnengrenzen wordt heringevoerd, zijn de desbetreffende bepalingen van titel II van overeenkomstige toepassing.
Artikel 33
Verslag over de herinvoering van grenstoezicht aan de binnengrenzen
Artikel 34
Informatieverstrekking aan het publiek
De Commissie en de betrokken lidstaat stellen het publiek op gecoördineerde wijze in kennis van het besluit tot herinvoering van het grenstoezicht aan de binnengrenzen en vermelden met name de begin- en einddatum ervan, tenzij er dwingende veiligheidsredenen zijn om hiervan af te zien.
Artikel 35
Vertrouwelijkheid
Op verzoek van de betrokken lidstaat respecteren de andere lidstaten, het Europees Parlement en de Commissie het vertrouwelijke karakter van de informatie die wordt verstrekt in het kader van de herinvoering en de verlenging van het grenstoezicht en het overeenkomstig artikel 33 opgestelde verslag.
TITEL IV
SLOTBEPALINGEN
Artikel 36
Wijziging van de bijlagen
Artikel 37
Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie
Artikel 37 bis
Spoedprocedure
Artikel 38
Comitéprocedure
Artikel 39
Kennisgeving
De lidstaten stellen de Commissie in kennis van:
de lijst van verblijfsvergunningen, waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen de verblijfsvergunningen bedoeld in artikel 2, punt 16, onder a), en die in artikel 2, punt 16, onder b), en een specimen voor de verblijfsvergunningen bedoeld in artikel 2, punt 16, onder b). Verblijfskaarten die worden afgegeven op grond van Richtlijn 2004/38/EG worden specifiek als zodanig aangemerkt en er worden specimens geleverd van verblijfskaarten die niet zijn afgegeven volgens het uniforme model van Verordening (EG) nr. 1030/2002;
de lijst van hun grensdoorlaatposten;
de jaarlijks door de nationale autoriteiten vastgestelde referentiebedragen voor de overschrijding van hun buitengrenzen;
de lijst van de voor het grenstoezicht bevoegde nationale diensten;
een specimen van de door hun respectieve ministerie van Buitenlandse Zaken afgegeven modelkaarten;
de uitzonderingen op de voorschriften betreffende de in artikel 5, lid 2, onder a), bedoelde overschrijding van de buitengrenzen;
de statistieken bedoeld in artikel 11, lid 3;
de gebieden die als grensregio’s worden beschouwd en van relevante wijzigingen ter zake.
Artikel 40
Klein grensverkeer
Deze verordening laat de Unievoorschriften inzake klein grensverkeer en de bestaande bilaterale overeenkomsten op het gebied van klein grensverkeer onverlet.
Artikel 41
Ceuta en Melilla
De bepalingen van deze verordening laten de specifieke regeling die van toepassing is op de steden Ceuta en Melilla, zoals beschreven in de Verklaring van het Koninkrijk Spanje betreffende de steden Ceuta en Melilla in de Slotakte van de Overeenkomst betreffende de toetreding van het Koninkrijk Spanje tot de Overeenkomst ter uitvoering van het Akkoord van Schengen van 14 juni 1985 ( 21 ) onverlet.
Artikel 42
Informatieverstrekking door de lidstaten
De lidstaten stellen de Commissie in kennis van hun nationale bepalingen met betrekking tot artikel 23, onder c) en d), de in artikel 5, lid 3, bedoelde sancties en de krachtens deze verordening toegestane bilaterale overeenkomsten. Zij delen latere wijzigingen van die bepalingen binnen een termijn van vijf werkdagen mee.
Deze door de lidstaten verstrekte informatie wordt gepubliceerd in de C-reeks van het Publicatieblad van de Europese Unie.
Artikel 42 bis
Overgangsmaatregelen voor de lidstaten die het EES nog niet gebruiken
De reisdocumenten van de in deze verordening, artikel 6 bis, lid 1, onder b) en c), bedoelde onderdanen van derde landen die de grenzen van de in artikel 66, lid 3, van Verordening (EU) 2017/2226 bedoelde lidstaten overschrijden, worden systematisch afgestempeld bij inreis en bij uitreis.
Deze verplichting tot afstempeling is eveneens van toepassing indien de grenscontroles worden versoepeld overeenkomstig artikel 9 van deze verordening.
Artikel 42 ter
Kennisgeving van grensregio’s
Uiterlijk op 11 januari 2025 bepalen alle lidstaten met gemeenschappelijke binnengrenzen in nauw overleg welke gebieden op hun grondgebied als grensregio’s worden beschouwd, rekening houdend met de sterke maatschappelijke en economische banden tussen die regio’s, en stellen zij de Commissie daarvan in kennis.
De lidstaten stellen de Commissie ook in kennis van alle relevante wijzigingen ter zake.
Artikel 43
Evaluatiemechanisme
Evaluaties kunnen aangekondigde of onaangekondigde controles ter plaatse van de buiten- of binnengrenzen omvatten.
Overeenkomstig dat evaluatiemechanisme is de Commissie verantwoordelijk voor het vaststellen van de meerjarige en jaarlijkse evaluatieprogramma's en de evaluatieverslagen.
Indien in een overeenkomstig artikel 14 van Verordening (EU) nr. 1053/2013 aangenomen evaluatieverslag ernstige gebreken bij de uitvoering van het buitengrenstoezicht worden geconstateerd, zijn de artikelen 21 en 29 van deze verordening van toepassing.
Artikel 44
Intrekking
Verordening (EG) nr. 562/2006 wordt ingetrokken.
Verwijzingen naar de ingetrokken verordening gelden als verwijzingen naar de onderhavige verordening en worden gelezen volgens de concordantietabel in bijlage X.
Artikel 45
Inwerkingtreding
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat overeenkomstig de Verdragen.
BIJLAGE I
Documenten ter staving van toegangsvoorwaarden
De in artikel 6, lid 3, bedoelde bewijsstukken kunnen zijn:
bij zakenreizen:
een uitnodiging van een onderneming of een autoriteit om deel te nemen aan besprekingen, conferenties of evenementen van commerciële of industriële aard, of die verband houden met een dienstverrichting;
andere documenten waaruit handels- of dienstbetrekkingen blijken;
in geval van deelname aan beurzen of congressen: toegangsbewijzen;
bij reizen in het kader van studies en andere opleidingsvormen:
bewijs van inschrijving bij een onderwijsinrichting teneinde deel te nemen aan praktische of theoretische opleidings- en bijscholingscursussen;
collegekaarten en studieattesten;
bij toeristische of privéreizen:
documenten ter staving van logies:
documenten ter staving van de reisroute:
documenten ter staving van de terugkeer:
bij reizen vanwege politieke, wetenschappelijke, culturele, sport- of religieuze evenementen of om andere redenen:
uitnodigingen, toegangsbewijzen, inschrijvingen of programma's, zo mogelijk met vermelding van de naam van de uitnodigende instantie of de duur van het verblijf, dan wel enig ander geschikt document waaruit het doel van het bezoek blijkt.
BIJLAGE II
Registratie van informatie
Alle grensdoorlaatposten leggen alle dienstgegevens en alle belangrijke informatie handmatig of elektronisch vast. Met name de volgende gegevens worden geregistreerd:
de naam van de grenswachter die de leiding heeft en de namen van de leden van ieder team;
de gevallen waarin de grenscontroles van personen overeenkomstig artikel 9 zijn versoepeld;
de afgifte van paspoortvervangende documenten en visa aan de grens;
verrichte aanhoudingen en klachten (strafbare feiten en administratieve inbreuken);
weigeringen van toegang overeenkomstig artikel 14 (weigeringsgronden en nationaliteit geweigerde personen);
de veiligheidscodes van inreis- en uitreisstempels, de identiteit van de grenswachters die de stempels op een gegeven datum of tijdens een gegeven dienst gebruiken, en informatie over verdwenen of gestolen stempels;
klachten van gecontroleerde personen;
overige zeer belangrijke politiële of justitiële maatregelen;
bijzondere gebeurtenissen.
BIJLAGE III
Modellen van de borden bij de diverse doorgangen aan de grensdoorlaatposten
DEEL A
( 22 )
DEEL B1: „niet-visumplichtig”
DEEL B2: „alle paspoorten”
DEEL C
DEEL D
Deel D1: doorgangen met geautomatiseerde grenscontrole voor EU/EER/CH-burgers
Sterren niet vereist voor Zwitserland, Liechtenstein, Noorwegen en IJsland
Deel D2: doorgangen met geautomatiseerde grenscontrole voor onderdanen van derde landen
Deel D3: doorgangen met geautomatiseerde grenscontrole voor alle paspoorten
Deel E: doorgangen voor geregistreerde reizigers
BIJLAGE IV
Afstempeling
1. De reisdocumenten van een onderdaan van een derde land die houder is van een overeenkomstig Verordening (EG) nr. 693/2003 afgegeven doorreisfaciliteringsdocument voor treinreizigers worden bij inreis en uitreis afgestempeld. De reisdocumenten van een onderdaan van een derde land die houder is van een overeenkomstig Verordening (EG) nr. 693/2003 afgegeven geldig doorreisfaciliteringsdocument en die zijn doorreis per trein maakt zonder op het grondgebied van een lidstaat uit te stappen, worden ook bij inreis en uitreis afgestempeld. Indien de nationale wet daarin uitdrukkelijk voorziet, kan een lidstaat bovendien overeenkomstig artikel 11 van deze verordening bij inreis en bij uitreis het reisdocument afstempelen van een onderdaan van een derde land die houder is van een door die lidstaat afgegeven verblijfsvergunning of een visum voor verblijf van langere duur.
De reisdocumenten van een onderdaan van een derde land worden afgestempeld bij inreis en uitreis wanneer deze onderdaan het grondgebied van een lidstaat die het Schengenacquis nog niet volledig toepast maar die het EES gebruikt, inreist of uitreist op grond van een nationaal visum voor kort verblijf voor één of twee binnenkomsten.
1 bis. Die stempels worden nader gespecificeerd in Besluit SCH/Com-ex (94) 16 herz. van het Uitvoerend Comité Schengen en in document SCH/Gem-Handb (93) 15 (CONFIDENTIAL).
2. De veiligheidscodes op de stempels worden met regelmatige tussenpozen van ten hoogste één maand gewijzigd.
2 bis. In geval van inreis en uitreis van onderdanen van derde landen die aan de visumplicht en aan verplichte afstempeling zijn onderworpen, wordt het stempel aangebracht op de bladzijde tegenover de bladzijde waarop het visum is aangebracht. Als die bladzijde niet bruikbaar is, wordt het stempel evenwel op de volgende bladzijde aangebracht. Er mogen geen stempels worden aangebracht in de machineleesbare zone.
▼M3 —————
4. De lidstaten wijzen nationale contactpunten aan die verantwoordelijk zijn voor de uitwisseling van gegevens over de veiligheidscodes van de bij de grensdoorlaatposten gebruikte inreis- en uitreisstempels en stellen de overige lidstaten, het secretariaat-generaal van de Raad en de Commissie daarvan in kennis. Deze contactpunten hebben onverwijld toegang tot de gegevens betreffende de gemeenschappelijke inreis- en uitreisstempels die bij de buitengrens van de betrokken lidstaat worden gebruikt; het betreft met name gegevens over:
de grensdoorlaatpost die een bepaald stempel gebruikt;
de identiteit van de grenswachters die op een bepaald moment een bepaald stempel gebruiken;
de veiligheidscode waarvan de diverse stempels op een bepaald moment zijn voorzien.
Verzoeken betreffende de gemeenschappelijke inreis- en uitreisstempels worden via de bovengenoemde nationale contactpunten ingediend.
De nationale contactpunten stellen de andere contactpunten, het secretariaat-generaal van de Raad en de Commissie ook onverwijld in kennis van wijzigingen met betrekking tot de contactpunten en van informatie over verdwenen of gestolen stempels.
BIJLAGE V
DEEL A
Procedures voor weigering van toegang aan de grens
1. In geval van weigering van toegang moet de bevoegde grenswachter:
het in deel B afgebeelde standaardformulier voor weigering van toegang invullen. De betrokken onderdaan van een derde land ondertekent het formulier en ontvangt een afschrift van het ondertekende formulier. Indien de onderdaan van een derde land weigert het formulier te ondertekenen, maakt de grenswachter daarvan melding in het vak „opmerkingen” op het formulier;
voor onderdanen van derde landen van wie de inreis voor een kort verblijf is geweigerd, overeenkomstig artikel 6 bis, lid 2, van deze verordening en artikel 18 van Verordening (EU) 2017/2226 de gegevens inzake de weigering van toegang in het EES invoeren;
naargelang van het geval, het visum annuleren of intrekken overeenkomstig de voorwaarden van artikel 34 van Verordening (EG) nr. 810/2009;
voor onderdanen van derde landen van wie de weigering van toegang niet in het EES wordt geregistreerd, in het paspoort een inreisstempel aanbrengen, die met een kruis in zwarte onuitwisbare inkt wordt doorgehaald, en vermeldt hij aan de rechterkant de redenen voor de weigering van toegang door, eveneens in onuitwisbare inkt, de dienovereenkomstige letter(s) van het standaardformulier voor weigering van toegang als vermeld in deel B van deze bijlage aan te brengen. Bovendien neemt de grenswachter voor deze categorie personen iedere weigering van toegang in een register of in een lijst op, met vermelding van de identiteiten de nationaliteit van de betrokken onderdaan van een derde land, de referenties van het grensoverschrijdingsdocument en de reden voor en de datum van weigering van toegang.
De praktische regelingen voor het afstempelen zijn opgenomen in bijlage IV.
2. Indien een onderdaan van een derde land aan wie de toegang wordt geweigerd, door een vervoerder naar de grens is gebracht, moet de bevoegde grenswachter:
de vervoerder gelasten de betrokken onderdaan van een derde land onverwijld terug te nemen en naar het derde land te brengen vanwaaruit hij werd vervoerd of die het grensoverschrijdingsdocument heeft afgegeven, dan wel naar enig ander derde land waar hij zeker zal worden toegelaten, dan wel een vervoermiddel voor de terugreis te vinden overeenkomstig artikel 26 van de Schengenuitvoeringsovereenkomst en Richtlijn 2001/51/EG van de Raad ( 23 );
in afwachting van de terugbrenging, overeenkomstig het nationale recht en met inachtneming van de plaatselijke omstandigheden, passende maatregelen treffen om te verhinderen dat onderdanen van een derde land aan wie de toegang is geweigerd, illegaal de lidstaat binnenkomen.
3. Indien er redenen bestaan een onderdaan van een derde land zowel de toegang te weigeren als aan te houden, neemt de grenswachter contact op met de bevoegde autoriteiten teneinde te bepalen welke maatregelen overeenkomstig het nationale recht moeten worden genomen.
DEEL B
Standaardformulier voor weigering van toegang aan de grens
BIJLAGE VI
Specifieke voorschriften voor de verschillende soorten grenzen en de verschillende vervoermiddelen die voor de overschrijding van de buitengrenzen van de lidstaten worden gebruikt
1. Landgrenzen
1.1. Controle van het wegverkeer
|
1.1.1. |
Teneinde een efficiënte personencontrole en tevens een vlot en veilig wegverkeer te waarborgen, wordt het verkeer bij de grensdoorlaatposten op passende wijze geregeld. Indien nodig kunnen de lidstaten bilaterale overeenkomsten sluiten om het verkeer te kanaliseren of af te remmen. Zij brengen de Commissie daarvan overeenkomstig artikel 42 op de hoogte. |
|
1.1.2. |
De lidstaten kunnen aan de landgrenzen, als zij dat nuttig achten en als de omstandigheden het mogelijk maken, bij bepaalde grensdoorlaatposten overeenkomstig artikel 10 gescheiden rijstroken inrichten of aanleggen. In uitzonderlijke omstandigheden en wanneer de verkeerssituatie en de toestand van de infrastructuur zulks vereisen, kan het gebruik van aparte rijstroken te allen tijde door de bevoegde autoriteiten van de lidstaten worden opgeheven. De lidstaten kunnen met buurlanden samenwerken om aparte rijstroken bij de doorlaatposten aan de buitengrenzen aan te leggen. |
|
1.1.3. |
Personen die in motorvoertuigen reizen, kunnen in de regel tijdens de controle in het motorvoertuig blijven. Wanneer de omstandigheden zulks vereisen, kan de personen worden verzocht hun voertuig te verlaten. Grondige controles worden, indien de plaatselijke omstandigheden zulks toestaan, op speciaal daarvoor bestemde plaatsen uitgevoerd. Met het oog op de veiligheid van het personeel worden de controles, waar mogelijk, door twee grenswachters verricht. |
|
1.1.4. |
Gemeenschappelijke grensdoorlaatposten 1.1.4.1. De lidstaten kunnen met naburige derde landen bilaterale overeenkomsten sluiten of voortzetten die strekken tot instelling van gemeenschappelijke grensdoorlaatposten waar de grenswachters van de lidstaat en de grenswachters van het derde land na elkaar uitreis- en inreiscontroles verrichten overeenkomstig hun nationale recht op het grondgebied van de andere partij. Gemeenschappelijke grensdoorlaatposten kunnen zich op het grondgebied van een lidstaat of van een derde land bevinden. 1.1.4.2. Gemeenschappelijke grensdoorlaatposten op het grondgebied van een lidstaat: bilaterale overeenkomsten tot instelling van gemeenschappelijke grensdoorlaatposten op het grondgebied van een lidstaat bevatten een bepaling op grond waarvan grenswachters van derde landen hun taken kunnen uitoefenen in de lidstaat, met inachtneming van de volgende beginselen:
a)
internationale bescherming: een onderdaan van een derde land die internationale bescherming aanvraagt op het grondgebied van een lidstaat, krijgt toegang tot de toepasselijke procedures van de lidstaat, overeenkomstig het Unieacquis inzake asiel;
b)
aanhouding van een persoon of inbeslagneming van goederen: wanneer grenswachters van derde landen kennis nemen van feiten die de aanhouding of de inbewaringstelling van een persoon of de inbeslagneming van goederen wettigen, melden zij deze feiten aan de autoriteiten van de lidstaten, die een passende follow-up waarborgen overeenkomstig nationaal, internationaal en Unierecht, ongeacht de nationaliteit van de betrokkene;
c)
personen die onder het Unierecht inzake vrij verkeer vallen en het grondgebied van de Unie binnenkomen: grenswachters van derde landen verhinderen niet dat personen die onder het Unierecht inzake vrij verkeer vallen, het grondgebied van de Unie binnenkomen. Als er redenen zijn om uitreis uit het derde land te weigeren, melden de grenswachters van het derde land deze redenen aan de autoriteiten van de lidstaat, die een passende follow-up waarborgen overeenkomstig nationaal, internationaal en Unierecht. 1.1.4.3. Gemeenschappelijke grensdoorlaatposten op het grondgebied van een derde land: bilaterale overeenkomsten tot instelling van gemeenschappelijke grensdoorlaatposten op het grondgebied van een derde land bevatten een bepaling op grond waarvan grenswachters van lidstaten hun taken kunnen uitoefenen in het derde land. Voor de toepassing van deze verordening wordt elke controle die door grenswachters van lidstaten in een gemeenschappelijke grensdoorlaatpost op het grondgebied van een derde land wordt verricht, geacht te zijn verricht op het grondgebied van de betrokken lidstaat. Grenswachters van lidstaten oefenen hun taken uit overeenkomstig deze verordening en met inachtneming van de volgende beginselen:
a)
internationale bescherming: een onderdaan van een derde land die na de uitreiscontrole door de grenswachters van een derde land internationale bescherming aanvraagt bij in het derde land aanwezige grenswachters van de lidstaat, krijgt toegang tot de toepasselijke procedures van de lidstaat, overeenkomstig het Unieacquis inzake asiel. De autoriteiten van het derde land aanvaarden de overbrenging van de betrokkene naar het grondgebied van de lidstaten;
b)
aanhouding van een persoon of inbeslagneming van goederen: wanneer grenswachters van een lidstaat kennis nemen van feiten die de aanhouding of de inbewaringstelling van een persoon of de inbeslagneming van goederen rechtvaardigen, handelen zij overeenkomstig nationaal, internationaal en Unierecht. De autoriteiten van het derde land aanvaarden de overbrenging van de betrokken persoon of het betrokken voorwerp naar het grondgebied van de lidstaten.
c)
toegang tot IT-systemen: grenswachters van de lidstaten kunnen gebruikmaken van informatiesystemen voor de verwerking van persoonsgegevens overeenkomstig artikel 8. De lidstaten mogen de krachtens het Unierecht vereiste technische en organisatorische veiligheidsmaatregelen vaststellen ter beveiliging van persoonsgegevens tegen onbedoelde of onrechtmatige vernietiging, onbedoeld verlies, wijziging en ongeoorloofde mededeling of ongeoorloofde toegang, daaronder begrepen toegang door autoriteiten van derde landen. 1.1.4.4. Alvorens een bilaterale overeenkomst over gemeenschappelijke grensdoorlaatposten met een naburig derde land te sluiten of te wijzigen, raadpleegt de betrokken lidstaat de Commissie over de verenigbaarheid van de overeenkomst met het Unierecht. Bestaande bilaterale overeenkomsten moeten uiterlijk op 20 januari 2014 ter kennis van de Commissie worden gebracht. Indien de Commissie van oordeel is dat de overeenkomst onverenigbaar is met het Unierecht, stelt zij de betrokken lidstaat daarvan in kennis. De lidstaat doet het nodige om de overeenkomst binnen een redelijke termijn zo te wijzigen dat de vastgestelde onverenigbaarheden worden verholpen. |
1.2. Controle van het spoorwegverkeer
|
1.2.1. |
De passagiers en het spoorwegpersoneel aan boord van treinen die de buitengrenzen overschrijden, met inbegrip van goederentreinen en lege treinen, worden aan controles onderworpen. De lidstaten kunnen bilaterale of multilaterale overeenkomsten sluiten over de wijze waarop deze controles met inachtneming van de in punt 1.1.4 vervatte beginselen worden uitgevoerd. Die controles worden op één van de volgende manieren verricht:
—
op het eerste station van binnenkomst of het laatste station van vertrek op het grondgebied van een lidstaat;
—
in de trein op het traject tussen het laatste station van vertrek in een derde land en het eerste station van binnenkomst op het grondgebied van een lidstaat of omgekeerd;
—
op het laatste station van vertrek of het eerste station van binnenkomst op het grondgebied van een derde land.
|
|
1.2.2. |
Teneinde het verkeer van hogesnelheidspassagierstreinen te vergemakkelijken, kunnen de lidstaten voorts op het traject van dergelijke, uit derde landen komende treinen in onderling overleg met de betrokken derde landen ook beslissen om, met inachtneming van de in punt 1.1.4 vervatte beginselen, inreiscontroles van personen op treinen uit derde landen uit te voeren op een van de volgende manieren:
—
hetzij op het station in het derde land waar de personen instappen;
—
hetzij op het station op het grondgebied van de lidstaten waar de personen uitstappen;
—
in de trein op het traject tussen stations op het grondgebied van een derde land en stations op het grondgebied van de lidstaten, op voorwaarde dat de personen in de trein blijven.
|
|
1.2.3. |
Wanneer het een hogesnelheidstrein betreft die uit een derde land komt en verschillende stopplaatsen op het grondgebied van de lidstaten heeft, en de spoorwegonderneming passagiers uitsluitend voor het resterende traject op het grondgebied van de lidstaten aan boord kan nemen, worden deze passagiers hetzij in de trein, hetzij in het station van bestemming aan een inreiscontrole onderworpen, tenzij reeds controles zijn uitgevoerd op grond van punt 1.2.1 of punt 1.2.2, eerste streepje. Personen die uitsluitend voor het resterende traject op het grondgebied van de lidstaten aan boord van de trein wensen te gaan, wordt vóór het vertrek duidelijk medegedeeld dat zij tijdens de reis of in het station van bestemming aan een inreiscontrole zullen worden onderworpen. |
|
1.2.4. |
In de tegenovergestelde reisrichting worden de personen aan boord van de trein aan uitreiscontroles onderworpen. |
|
1.2.5. |
De grenswachter kan gelasten dat holle ruimten in de rijtuigen worden geïnspecteerd, indien nodig in aanwezigheid van de hoofdconducteur, teneinde na te gaan of er geen personen of voorwerpen verborgen zijn die aan grenscontrole moeten worden onderworpen. |
|
1.2.6. |
Wanneer er reden is om aan te nemen dat zich in de trein personen bevinden die gesignaleerd zijn of die ervan worden verdacht een strafbaar feit te hebben begaan, dan wel onderdanen van een derde land die illegaal wensen binnen te reizen, stelt de grenswachter, indien hij overeenkomstig de nationale voorschriften niet zelf mag optreden, de lidstaten waarnaar of waardoor de trein rijdt, daarvan in kennis. |
2. Luchtgrenzen
2.1. Procedures voor de controles op internationale luchthavens
2.1.1. De bevoegde autoriteiten van de lidstaten zorgen ervoor dat de luchthavenexploitant de nodige maatregelen neemt met het oog op de fysieke scheiding van passagiersstromen van interne vluchten enerzijds en passagiersstromen van andere vluchten anderzijds. Daartoe worden op alle internationale luchthavens passende voorzieningen aangebracht.
2.1.2. De plaats waar de grenscontroles worden uitgevoerd, wordt volgens onderstaande procedure bepaald:
passagiers die van een vlucht uit een derde land op een interne vlucht overstappen, worden op de luchthaven van aankomst van de vlucht uit het derde land aan een inreiscontrole onderworpen. Passagiers die van een interne vlucht op een vlucht naar een derde land overstappen (transferpassagiers), worden aan een uitreiscontrole onderworpen op de luchthaven vanwaar de vlucht naar het derde land vertrekt;
voor vluchten uit of naar een derde land zonder transferpassagiers en voor vluchten met verschillende tussenlandingen op luchthavens van de lidstaten zonder verandering van luchtvaartuig geldt het volgende:
passagiers van vluchten uit of naar derde landen zonder voorafgaande of aansluitende transfer op het grondgebied van de lidstaten worden op de luchthaven van aankomst aan een inreiscontrole en op de luchthaven van vertrek aan een uitreiscontrole onderworpen;
passagiers van vluchten uit of naar derde landen met verschillende tussenlandingen op het grondgebied van de lidstaten zonder verandering van luchtvaartuig (transitpassagiers), waarbij voor het vluchtgedeelte over het grondgebied van de lidstaten geen nieuwe passagiers aan boord worden genomen, worden op de luchthaven van bestemming aan een inreiscontrole en op de luchthaven van inscheping aan een uitreiscontrole onderworpen;
wanneer het vluchten uit of naar derde landen met verschillende tussenlandingen op het grondgebied van de lidstaten betreft en de luchtvaartmaatschappij passagiers aan boord kan nemen voor een traject dat uitsluitend op het grondgebied van de lidstaten is gelegen, worden passagiers op de luchthaven van inscheping aan een uitreiscontrole en op de luchthaven van bestemming aan een inreiscontrole onderworpen.
Passagiers die bij deze tussenlandingen reeds aan boord zijn en niet op het grondgebied van de lidstaten zijn ingescheept, worden aan de in punt ii) genoemde controle onderworpen. De omgekeerde procedure geldt wanneer bij dergelijke vluchten het land van bestemming een derde land is.
2.1.3. In beginsel worden geen grenscontroles uitgevoerd in het luchtvaartuig of aan de gate, tenzij dit gerechtvaardigd is in het licht van een analyse van de gevaren voor de binnenlandse veiligheid of van het risico van illegale immigratie. Teneinde te garanderen dat personen op luchthavens die als grensdoorlaatpost zijn aangemerkt, worden gecontroleerd overeenkomstig de artikelen 7 tot en met 14, zorgen de lidstaten ervoor dat de luchthavenbeheerder de nodige maatregelen neemt om de passagiersstroom naar de controlevoorzieningen te leiden.
De lidstaten zorgen ervoor dat de luchthavenbeheerder de nodige maatregelen neemt om te voorkomen dat de voorbehouden zones, zoals de transitzones, worden betreden of worden verlaten door personen die daartoe niet bevoegd zijn. In beginsel worden in de transitzone geen controles verricht, tenzij dit gerechtvaardigd is in het licht van een analyse van de gevaren voor de binnenlandse veiligheid of van het risico van illegale immigratie; controles in deze zone kunnen met name worden verricht op personen die aan een luchthaventransitvisumplicht zijn onderworpen, teneinde te controleren of deze personen in het bezit zijn van een dergelijk visum.
2.1.4. Wanneer een luchtvaartuig dat een verbinding uit een derde land verzorgt, in geval van overmacht, bij dreigend gevaar of op instructie van de bevoegde autoriteiten op een niet als grensdoorlaatpost aangewezen vliegveld moet landen, kan de vlucht niet worden voortgezet zonder de toestemming van de grenswachters en de douaneautoriteiten. Hetzelfde geldt wanneer een luchtvaartuig dat een verbinding uit een derde land verzorgt, landt zonder dat daarvoor toestemming is gegeven. In ieder geval zijn de artikelen 7 tot en met 14 van toepassing voor de controle van de personen aan boord van deze luchtvaartuigen.
2.2. Procedures voor controles op secundaire luchthavens
2.2.1. Er wordt voor gezorgd dat ook op luchthavens die naar nationaal recht niet als verkeersluchthavens zijn aangemerkt („secundaire luchthavens”), maar die officieel voor vluchten uit of naar derde landen zijn opengesteld, personencontroles overeenkomstig de artikelen 7 tot en met 14 worden uitgevoerd.
2.2.2. Onverminderd Verordening (EG) nr. 300/2008 van het Europees Parlement en de Raad ( 24 ) kan, in afwijking van punt 2.1.1, op secundaire luchthavens worden afgezien van de voorzieningen voor de fysieke scheiding van passagiers van interne vluchten en andere vluchten. Voorts hoeven bij een lage intensiteit van het luchtvaartverkeer de grenswachters niet permanent aanwezig te zijn, op voorwaarde dat kan worden gegarandeerd dat zij zo nodig tijdig ter plaatse kunnen zijn.
2.2.3. Indien de grenswachters niet permanent aanwezig zijn, stelt de luchthavenbeheerder de grenswachters tijdig in kennis van de aankomst en het vertrek van een vliegtuig dat een vlucht uit of naar een derde land verzorgt.
2.3. Personencontroles op particuliere vluchten
2.3.1. Bij particuliere vluchten uit of naar derde landen verstrekt de gezagvoerder aan de grenswachters van de lidstaat van bestemming en, in voorkomend geval, van de lidstaat van de eerste binnenkomst vóór het opstijgen een „algemene verklaring” (general declaration), die met name een vliegplan als bedoeld in bijlage 2 bij het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart en gegevens betreffende de identiteit van de passagiers bevat.
2.3.2. Wanneer een particuliere vlucht uit een derde land naar een lidstaat een tussenlanding maakt op het grondgebied van een andere lidstaat, verrichten de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van binnenkomst grenscontroles en brengen zij op de in punt 2.3.1 bedoelde algemene verklaring een inreisstempel aan.
2.3.3. Als niet met zekerheid kan worden bepaald of een vlucht uit of naar het grondgebied van de lidstaten geen tussenlanding op het grondgebied van een derde land maakt, verrichten de bevoegde autoriteiten, zowel op internationale als op secundaire luchthavens, een personencontrole overeenkomstig de punten 2.1 en 2.2.
2.3.4. Aankomst en vertrek van zweefvliegtuigen, ultralichte vliegtuigen, helikopters, zelfgebouwde luchtvaartuigen waarmee slechts korte afstanden kunnen worden afgelegd, en bestuurbare luchtballonnen zijn geregeld bij de nationale wetgeving en, in voorkomend geval, bij bilaterale overeenkomsten.
3. Zeegrenzen
3.1. Controle op de zeescheepvaart — algemene controleprocedures
3.1.1. Schepen worden gecontroleerd in de haven van aankomst of van vertrek, of in een daartoe ingerichte ruimte in de onmiddellijke nabijheid van het vaartuig, of aan boord van het vaartuig in de territoriale wateren zoals bepaald in het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee. De lidstaten kunnen overeenkomsten sluiten die inhouden dat de controle ook tijdens de vaart kan worden verricht, dan wel bij aankomst of vertrek van het vaartuig op het grondgebied van een derde land, met inachtneming van de in punt 1.1.4 vervatte beginselen.
3.1.2. De gezagvoerder, de scheepsagent of een andere door de gezagvoerder naar behoren gemachtigde persoon of een andere persoon die zich kan legitimeren op een wijze die voor de betrokken overheidsinstantie aanvaardbaar is (beiden hierna „de gezagvoerder” genoemd), stelt een lijst op van de bemanningsleden en van de passagiers, die de informatie bevat die volgens de formulieren 5 (bemanningslijst) en 6 (passagierslijst) van het Verdrag inzake het vergemakkelijken van het internationale verkeer ter zee (FAL-Verdrag) noodzakelijk is, alsmede, voor zover van toepassing, het nummer van het visum of de verblijfsvergunning, en wel:
De gezagvoerder geeft deze lijst(en) door aan de grenswachters of, als het nationale recht daarin voorziet, aan andere relevante autoriteiten die de lijst(en) onverwijld doorsturen naar de grenswachters.
3.1.3. De gezagvoerder krijgt van de grenswachters of de in punt 3.1.2 bedoelde autoriteiten een ontvangstbevestiging (ondertekend exemplaar van de lijst(en) of een elektronische ontvangstbevestiging) die hij tijdens de ligtijd op verzoek overlegt.
3.1.4. De gezagvoerder meldt alle wijzigingen met betrekking tot de samenstelling van de bemanning of het aantal passagiers onverwijld bij de bevoegde autoriteit.
Voorts meldt de gezagvoerder onverwijld, en binnen de in punt 3.1.2 vastgestelde termijn, de aanwezigheid van verstekelingen bij de bevoegde autoriteiten. De verstekelingen blijven evenwel onder de verantwoordelijkheid van de gezagvoerder.
In afwijking van de artikelen 5 en 8 worden personen aan boord niet aan stelselmatige grenscontroles onderworpen. Dit belet niet dat de grenswachters een doorzoeking van het schip en een controle van de personen aan boord kunnen verrichten, evenwel uitsluitend indien dat gerechtvaardigd is op basis van een beoordeling van het binnenlandseveiligheidsrisico of van het risico van illegale immigratie.
3.1.5. De gezagvoerder stelt de bevoegde autoriteit tijdig in kennis van de afvaart van het vaartuig overeenkomstig de in de betrokken haven geldende voorschriften.
3.2. Specifieke controleprocedures voor bepaalde soorten zeeschepen
3.2.1. De gezagvoerder van een cruiseschip geeft de vaarroute en het programma van de cruise, zodra deze bekend zijn en niet later dan binnen de in punt 3.1.2 vastgestelde termijn, door aan de bevoegde autoriteit.
3.2.2. Indien op de vaarroute van een cruiseschip uitsluitend havens op het grondgebied van de lidstaten liggen, worden in afwijking van de artikelen 5 en 8 geen grenscontroles verricht en mag het cruiseschip aanleggen in havens die niet als grensdoorlaatpost zijn aangemerkt.
Dit belet niet dat, uitsluitend indien zulks op basis van een beoordeling van het binnenlandseveiligheidsrisico of van het risico van illegale immigratie gerechtvaardigd is, controles van de bemanning en de passagiers van deze schepen kunnen worden verricht.
3.2.3. Indien op de vaarroute van een cruiseschip zowel havens op het grondgebied van de lidstaten als havens in derde landen liggen, worden de grenscontroles in afwijking van artikel 8 als volgt uitgevoerd:
indien het cruiseschip uit een in een derde land gelegen haven komt en voor het eerst een haven op het grondgebied van een lidstaat aandoet, worden de bemanning en de passagiers aan inreiscontroles onderworpen op basis van de lijst met de namen van de bemanningsleden en de passagiers als bedoeld in punt 3.1.2.
Passagiers die aan land gaan, worden overeenkomstig artikel 8 aan inreiscontroles onderworpen, tenzij een beoordeling van het binnenlandseveiligheidsrisico of van het risico van illegale immigratie uitwijst dat die controles niet hoeven te worden uitgevoerd;
indien het cruiseschip uit een in een derde land gelegen haven komt en opnieuw een op het grondgebied van een lidstaat gelegen haven aandoet, worden de bemanning en de passagiers aan inreiscontroles onderworpen op basis van de lijst met de namen van de bemanningsleden en de passagiers als bedoeld in punt 3.1.2, voor zover die lijsten zijn gewijzigd sinds het cruiseschip de vorige haven op het grondgebied van een lidstaat heeft aangedaan.
Passagiers die aan land gaan, worden overeenkomstig artikel 8 aan inreiscontroles onderworpen, tenzij een beoordeling van het binnenlandseveiligheidsrisico of van het risico van illegale immigratie duidelijk maakt dat die controles niet hoeven te worden uitgevoerd;
indien het cruiseschip uit een in een lidstaat gelegen haven komt en een andere in een lidstaat gelegen haven aandoet, worden de passagiers die aan land gaan overeenkomstig artikel 8 aan inreiscontroles onderworpen indien dit na beoordeling van het binnenlandseveiligheidsrisico of van het risico van illegale immigratie noodzakelijk wordt bevonden;
indien een cruiseschip een in een lidstaat gelegen haven verlaat met als bestemming een haven in een derde land, worden de bemanning en de passagiers aan uitreiscontroles onderworpen op basis van de lijst met de namen van de bemanningsleden en de passagiers.
Indien dit na beoordeling van het binnenlandseveiligheidsrisico of van het risico van illegale immigratie noodzakelijk wordt bevonden, worden de passagiers die aan boord gaan aan uitreiscontroles onderworpen overeenkomstig artikel 8;
indien een cruiseschip een in een lidstaat gelegen haven verlaat met als bestemming een in een lidstaat gelegen haven, vinden geen uitreiscontroles plaats.
Dit belet niet dat, uitsluitend indien zulks op basis van een beoordeling van het binnenlandseveiligheidsrisico of van het risico van illegale immigratie gerechtvaardigd is, controles van de bemanning en de passagiers van deze schepen kunnen worden verricht.
3.2.4. In afwijking van de artikelen 5 en 8 worden personen aan boord van pleziervaartuigen die uit een in een lidstaat gelegen haven komen of naar een in een lidstaat gelegen haven afvaren, niet aan grenscontroles onderworpen en mogen zij een haven binnengaan die niet als grensdoorlaatpost is aangemerkt.
Naargelang van de beoordeling van het risico van illegale immigratie, en met name wanneer de kusten van een derde land in de onmiddellijke nabijheid van het grondgebied van een lidstaat zijn gelegen, worden controles van deze personen en/of een fysiek onderzoek van het vaartuig verricht.
3.2.5. In afwijking van artikel 5 mag een pleziervaartuig dat uit een derde land komt, bij wijze van uitzondering een haven binnenlopen die niet als grensdoorlaatpost is aangemerkt. In dat geval stellen de personen aan boord van dat vaartuig de havenautoriteiten daarvan in kennis, opdat hun de toestemming kan worden gegeven de bedoelde haven binnen te gaan. De havenautoriteiten melden de aankomst van het vaartuig aan de autoriteiten van de dichtstbijzijnde als grensdoorlaatpost aangemerkte haven. De gegevens betreffende de passagiers worden aan de havenautoriteiten meegedeeld door overlegging van de lijst van opvarenden. Deze lijst wordt uiterlijk bij aankomst ter beschikking gesteld van de grenswachters.
Wanneer een pleziervaartuig dat uit een derde land komt in geval van overmacht verplicht is aan te meren in een haven die niet als grensdoorlaatpost is aangemerkt, melden de havenautoriteiten de aanwezigheid van het vaartuig aan de autoriteiten van de dichtstbijzijnde als grensdoorlaatpost aangemerkte haven.
3.2.6. Bij die controle wordt een document overhandigd waarop alle technische gegevens en de namen van alle opvarenden zijn vermeld. Eén exemplaar van dit document wordt overhandigd aan de autoriteiten van de inreis- en uitreishavens. Zolang het schip in de territoriale wateren van één van de lidstaten blijft, wordt één exemplaar van dit document bij de scheepspapieren bewaard.
3.2.7. In afwijking van de artikelen 5 en 8 hoeft de bemanning van vaartuigen die kustvisserij bedrijven en die dagelijks dan wel binnen 36 uur terugkeren naar de haven waar het vaartuig is ingeschreven of naar een andere haven op het grondgebied van de lidstaten, zonder dat een haven op het grondgebied van een derde land wordt aangedaan, niet systematisch te worden gecontroleerd. Naargelang van de beoordeling van het risico van illegale immigratie, en met name wanneer de kusten van een derde land in de onmiddellijke nabijheid van het grondgebied van een lidstaat zijn gelegen, worden regelmatig controles verricht. Naargelang van het risico wordt tot personencontroles en/of een fysiek onderzoek van het vaartuig overgegaan.
3.2.8. De bemanning van vaartuigen die kustvisserij bedrijven en die niet ingeschreven staan in een haven op het grondgebied van een lidstaat, wordt gecontroleerd volgens de voor zeelieden geldende voorschriften.
3.2.9. Personen aan boord van vaartuigen die veerverbindingen met havens in derde landen verzorgen, worden aan controle onderworpen. Hiervoor gelden de volgende voorschriften:
indien mogelijk voorzien de lidstaten in gescheiden doorgangen overeenkomstig artikel 10;
voetgangers worden apart gecontroleerd;
passagiers van personenauto's worden bij het voertuig gecontroleerd;
passagiers van reisbussen worden als voetgangers behandeld. Voor controles verlaten deze personen de reisbus;
chauffeurs en begeleiders worden bij het voertuig gecontroleerd. In beginsel wordt deze controle apart van de controle van de overige passagiers verricht;
om een vlotte afwikkeling van de controles te garanderen, wordt in een voldoende aantal controleposten voorzien;
de door de passagiers gebruikte vervoermiddelen en, in voorkomend geval, de lading en andere vervoerde voorwerpen, worden steekproefsgewijs gecontroleerd, met name met het oog op het opsporen van illegale immigranten;
bemanningsleden van veerschepen worden op dezelfde wijze behandeld als bemanningsleden van koopvaardijschepen;
punt 3.1.2 (verplichting om lijsten van passagiers en bemanningsleden in te dienen) is niet van toepassing. Indien krachtens Richtlijn 98/41/EG van de Raad ( 25 ) een lijst van opvarenden moet worden opgesteld, wordt uiterlijk dertig minuten na vertrek uit een haven van een derde land door de gezagvoerder een kopie van deze lijst toegezonden aan de bevoegde autoriteit van de haven van aankomst op het grondgebied van de lidstaten.
3.2.10. Wanneer een veerschip dat uit een derde land komt meerdere stops maakt op het grondgebied van de lidstaten en passagiers aan boord neemt voor een traject dat uitsluitend op dit grondgebied is gelegen, worden deze passagiers in de haven van vertrek aan een uitreiscontrole en in de haven van aankomst aan een inreiscontrole onderworpen.
Personen die bij deze tussenstops reeds aan boord zijn en niet op het grondgebied van de lidstaten zijn ingescheept, worden in de haven van aankomst aan een controle onderworpen. De omgekeerde procedure geldt wanneer het land van bestemming een derde land is.
3.2.11. In afwijking van artikel 8 worden er geen grenscontroles uitgevoerd op vrachtverbindingen tussen dezelfde twee of meer havens op het grondgebied van de lidstaten waarbij geen havens buiten het grondgebied van de lidstaten worden aangedaan en waarbij goederen worden vervoerd.
Dit belet niet dat, uitsluitend indien zulks op basis van een beoordeling van het binnenlandseveiligheidsrisico of van het risico van illegale immigratie gerechtvaardigd is, controles van de bemanning en de passagiers van deze schepen worden verricht.
4. Binnenvaart
4.1. Met „buitengrensoverschrijdende binnenvaart” wordt het gebruik bedoeld van alle soorten vaartuigen en drijvende installaties, voor beroepsdoeleinden of voor de pleziervaart, op stromen, rivieren, kanalen en meren.
4.2. Bij voor beroepsdoeleinden gebruikte vaartuigen worden de gezagvoerder, de personen die aan boord werkzaam zijn en op de bemanningslijst voorkomen, en aan boord wonende leden van hun gezin als leden van de bemanning beschouwd of daarmee gelijkgesteld.
4.3. De relevante bepalingen van de punten 3.1 en 3.2 zijn van overeenkomstige toepassing op de controle op de binnenvaart.
BIJLAGE VII
Bijzondere regels voor bepaalde categorieën personen
1. Staatshoofden
Regeringsleiders en leden van de nationale regering met hen vergezellende echtgenoten, en leden van hun officiële delegatie, en vorsten en andere vooraanstaande leden van een koninklijke familie.
In afwijking van artikel 6 en de artikelen 8 tot en met 14 worden staatshoofden, regeringsleiders en leden van de nationale regering met hen vergezellende echtgenoten, en leden van hun officiële delegatie, en vorsten en andere vooraanstaande leden van een koninklijke familie die door de regering van een lidstaat of door een internationale organisatie om officiële redenen werden uitgenodigd en wier aankomst en vertrek langs diplomatieke weg officieel is aangekondigd, niet aan grenscontrole onderworpen.
2. Piloten en andere bemanningsleden van vliegtuigen
2.1. In afwijking van artikel 6 mogen houders van een „crew member licence” of een „crew member certificate”, als bedoeld in bijlage 9 bij het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart van 7 december 1944, op grond van die documenten tijdens de uitoefening van hun functie:
aan en van boord gaan in de luchthaven waar de tussenlanding plaatsvindt of in de luchthaven van bestemming, als deze op het grondgebied van een lidstaat zijn gelegen;
zich op het grondgebied van de gemeente begeven waar deze luchthavens gevestigd zijn;
zich met om het even welk vervoermiddel naar een op het grondgebied van een lidstaat gelegen luchthaven begeven om daar aan boord te gaan van een vliegtuig dat vanuit die luchthaven vertrekt.
In alle andere gevallen moet worden voldaan aan de voorschriften van artikel 6, lid 1.
2.2. Voor de controle op de bemanningsleden van vliegtuigen gelden de voorschriften van de artikelen 7 tot en met 14. Bemanningsleden van vliegtuigen worden zo veel mogelijk met voorrang gecontroleerd. Dit betekent dat deze controle hetzij plaatsvindt voordat de passagiers worden gecontroleerd, hetzij aan aparte controleposten wordt verricht. In afwijking van artikel 8 mogen de bemanningsleden die bij het dienstdoende grenscontrolepersoneel bekend zijn, steekproefsgewijs worden gecontroleerd.
3. Zeelieden
In afwijking van de artikelen 5 en 8 mogen de lidstaten zeelieden die in het bezit zijn van een identiteitsbewijs voor zeelieden, afgegeven overeenkomstig de Verdragen betreffende de nationale identiteitsbewijzen van zeevarenden nr. 108 (1958) of nr. 185 (2003) van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO), het Verdrag inzake het vergemakkelijken van het internationale verkeer ter zee (FAL-Verdrag) en het ter zake strekkende nationale recht, toestaan het grondgebied van de lidstaten binnen te komen door aan land te gaan om in de gemeente waar hun vaartuig heeft aangelegd of in een aangrenzende gemeente te vertoeven, of het grondgebied van de lidstaten te verlaten door terug te keren naar hun schip zonder dat zij zich bij een grensdoorlaatpost hoeven te melden, op voorwaarde dat zij voorkomen op de bemanningslijst van het vaartuig waartoe zij behoren en dat die lijst eerder door de bevoegde autoriteiten is gecontroleerd.
Dit belet niet dat, op basis van een beoordeling van het binnenlandseveiligheidsrisico of het risico van illegale immigratie, zeelieden door de grenswachters aan een controle overeenkomstig artikel 8 worden onderworpen voordat zij aan land gaan.
4. Houders van een diplomatiek, een officieel of een dienstpaspoort en leden van internationale organisaties
4.1. Gelet op de bijzondere voorrechten en immuniteiten die voor hen gelden, krijgen houders van een diplomatiek, een officieel of een dienstpaspoort dat is afgegeven door derde landen of hun regeringen die door de lidstaten zijn erkend, en houders van documenten afgegeven door internationale organisaties als bedoeld in punt 4.4 die in dienstverband reizen, bij de grenscontrole voorrang op andere reizigers, in voorkomend geval onverminderd de visumplicht die op hen rust.
In afwijking van artikel 6, lid 1, onder c), zijn de houders van genoemde documenten vrijgesteld van de verplichting om aan te tonen dat zij over voldoende middelen van bestaan beschikken.
4.2. Wanneer iemand zich op voorrechten, immuniteiten of vrijstellingen beroept, kan de grenswachter verlangen dat deze persoon, door overlegging van passende documenten — met name door de ontvangende staat afgegeven verklaringen of een diplomatiek paspoort — of op enige andere wijze aantoont dat hij of zij de betrokken voorrechten, immuniteiten of vrijstellingen geniet. In geval van twijfel kan de grenswachter zich in spoedeisende gevallen rechtstreeks tot het ministerie van Buitenlandse Zaken richten.
4.3. Geaccrediteerde leden van diplomatieke en consulaire diensten en hun gezinsleden krijgen toegang tot het grondgebied van de lidstaten na overlegging van de in artikel 20, lid 2, bedoelde kaart, vergezeld van een grensoverschrijdingsdocument. In afwijking van artikel 14 mogen de grenswachters voorts houders van een diplomatiek, een officieel of een dienstpaspoort de toegang tot het grondgebied van de lidstaten niet weigeren zonder vooraf de bevoegde nationale autoriteiten te hebben geraadpleegd. Dit geldt ook wanneer dergelijke betrokkene in het SIS is gesignaleerd.
4.4. Onder de in punt 4.1 bedoelde door internationale organisaties afgegeven documenten wordt met name verstaan:
5. Grensarbeiders
5.1. Voor de controle van grensarbeiders zijn de algemene bepalingen inzake grenstoezicht van toepassing, en met name de artikelen 8 en 14.
5.2. In afwijking van artikel 8 worden grensarbeiders die bij de grenswachters goed bekend zijn omdat zij frequent via dezelfde grensdoorlaatpost de grens overschrijden en van wie de grenswachters, op grond van een eerdere controle, weten dat zij noch in het SIS, noch in een nationaal opsporingsregister gesignaleerd zijn, slechts aan steekproefsgewijze controles onderworpen teneinde na te gaan of zij in het bezit zijn van een geldig document waarmee zij de grens mogen overschrijden, en aan de voorwaarden voor binnenkomst voldoen. Deze personen worden nu en dan onverwachts en met onregelmatige tussenpozen aan een grondige controle onderworpen.
5.3. De voorschriften van punt 5.2 kunnen worden uitgebreid tot andere categorieën personen die regelmatig de grens overschrijden.
6. Minderjarigen
6.1. De grenswachters besteden bijzondere aandacht aan minderjarigen, ongeacht of zij worden begeleid of niet. Minderjarigen die een buitengrens overschrijden, worden bij in- en bij uitreis aan dezelfde controles op grond van de onderhavige verordening onderworpen als volwassenen.
6.2. Indien het begeleide minderjarigen betreft, gaat de grenswachter na of de begeleidende personen het ouderlijk gezag of de wettelijke voogdij over de minderjarigen uitoefenen, in het bijzonder indien de minderjarige door slechts één volwassene wordt begeleid en er ernstige redenen bestaan om aan te nemen dat de minderjarige onwettig is onttrokken aan het toezicht van de persoon/personen die wettelijk het ouderlijke gezag of de wettelijke voogdij over hem uitoefent/uitoefenen. In dat geval verricht de grenswachter verder onderzoek, teneinde eventuele incoherenties of tegenstrijdigheden in de verstrekte inlichtingen te ontdekken.
6.3. Indien een minderjarige alleen reist, zorgt de grenswachter ervoor, door middel van een grondige controle van de reisdocumenten en de bewijsstukken, dat de minderjarige het grondgebied niet verlaat tegen de wil van de persoon/personen die het ouderlijk gezag of de wettelijke voogdij over hem uitoefent/uitoefenen.
6.4. De lidstaten wijzen nationale contactpunten voor raadpleging over minderjarigen aan en stellen de Commissie daarvan in kennis. De Commissie stelt de lijst van deze nationale contactpunten ter beschikking van de lidstaten.
6.5. Bij twijfel in verband met de omstandigheden bedoeld in de punten 6.1, 6.2 en 6.3, maken de grenswachters gebruik van de lijst van nationale contactpunten voor raadpleging over minderjarigen.
6.6. De lidstaten zorgen ervoor dat de grenswachters die de biometrische gegevens van kinderen verifiëren of deze gegevens gebruiken om een kind te identificeren, speciaal opgeleid zijn om dit op een kindvriendelijke en op het kind afgestemde manier te doen, met volledige inachtneming van de belangen van het kind en de waarborgen die zijn vastgelegd in het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van het kind. Indien het kind vergezeld gaat van een ouder of een wettelijke voogd, blijft deze persoon bij het kind wanneer de biometrische gegevens worden geverifieerd of gebruikt voor identificatie. Er mag geen dwang worden uitgeoefend. De lidstaten zorgen er waar nodig voor dat de infrastructuur aan de grensdoorlaatposten wordt aangepast voor het gebruik van biometrische gegevens van kinderen.
7. Reddingsdiensten, politie, brandweer en grenswachters
De regelingen voor de in- en uitreis van leden van reddingsdiensten, politie en brandweer in noodsituaties, alsmede van grenswachters die voor hun werk de grenzen overschrijden, worden vastgelegd in het nationale recht. De lidstaten kunnen bilaterale overeenkomsten met derde landen sluiten met betrekking tot de in- en uitreis van die categorieën van personen. Deze regelingen en bilaterale overeenkomsten kunnen voorzien in afwijkingen van de artikelen 5, 6 en 8.
8. Offshorewerknemers
In afwijking van de artikelen 5 en 8 worden offshorewerknemers die regelmatig over zee of door de lucht terugkeren naar het grondgebied van de lidstaten zonder op het grondgebied van een derde land te zijn verbleven, niet stelselmatig gecontroleerd.
Niettemin wordt op basis van een beoordeling van het risico van illegale immigratie, met name wanneer de kusten van een derde land in de onmiddellijke nabijheid van een offshorelocatie zijn gelegen, bepaald hoe vaak er controles worden verricht.
BIJLAGE IX
Ingetrokken verordening met overzicht van de achtereenvolgende wijzigingen ervan
|
Verordening (EG) nr. 562/2006 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 105 van 13.4.2006, blz. 1) |
|
|
Verordening (EG) nr. 296/2008 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 97 van 9.4.2008, blz. 60) |
|
|
Verordening (EG) nr. 81/2009 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 35 van 4.2.2009, blz. 56) |
|
|
Verordening (EG) nr. 810/2009 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 243 van 15.9.2009, blz. 1) |
Uitsluitend artikel 55 |
|
Verordening (EU) nr. 265/2010 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 85 van 31.3.2010, blz. 1) |
Uitsluitend artikel 2 |
|
Bijlage V, punt 9, van de Toetredingsakte van 2011 |
|
|
Verordening (EU) nr. 610/2013 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 182 van 29.6.2013, blz. 1) |
Uitsluitend artikel 1 |
|
Verordening (EU) nr. 1051/2013 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 295 van 6.11.2013, blz. 1) |
|
BIJLAGE X
Concordantietabel
|
Verordening (EG) nr. 562/2006 |
De onderhavige verordening |
|
Artikel 1 |
Artikel 1 |
|
Artikel 2, aanhef |
Artikel 2, aanhef |
|
Artikel 2, punten 1 tot en met 8 |
Artikel 2, punten 1 tot en met 8 |
|
Artikel 2, punt 8 bis |
Artikel 2, punt 9 |
|
Artikel 2, punt 9 |
Artikel 2, punt 10 |
|
Artikel 2, punt 10 |
Artikel 2, punt 11 |
|
Artikel 2, punt 11 |
Artikel 2, punt 12 |
|
Artikel 2, punt 12 |
Artikel 2, punt 13 |
|
Artikel 2, punt 13 |
Artikel 2, punt 14 |
|
Artikel 2, punt 14 |
Artikel 2, punt 15 |
|
Artikel 2, punt 15 |
Artikel 2, punt 16 |
|
Artikel 2, punt 16 |
Artikel 2, punt 17 |
|
Artikel 2, punt 17 |
Artikel 2, punt 18 |
|
Artikel 2, punt 18 |
Artikel 2, punt 19 |
|
Artikel 2, punt 18 bis |
Artikel 2, punt 20 |
|
Artikel 2, punt 19 |
Artikel 2, punt 21 |
|
Artikel 3 |
Artikel 3 |
|
Artikel 3 bis |
Artikel 4 |
|
Artikel 4 |
Artikel 5 |
|
Artikel 5, lid 1 |
Artikel 6, lid 1 |
|
Artikel 5, lid 1 bis |
Artikel 6, lid 2 |
|
Artikel 5, lid 2 |
Artikel 6, lid 3 |
|
Artikel 5, lid 3 |
Artikel 6, lid 4 |
|
Artikel 5, lid 4 |
Artikel 6, lid 5 |
|
Artikel 6 |
Artikel 7 |
|
Artikel 7, leden 1 en 2 |
Artikel 8, leden 1 en 2 |
|
Artikel 7, lid 3, onder a) |
Artikel 8, lid 3, onder a) |
|
Artikel 7, lid 3, onder a bis) |
Artikel 8, lid 3, onder b) |
|
Artikel 7, lid 3, onder a ter) |
Artikel 8, lid 3, onder c) |
|
Artikel 7, lid 3, onder a quater) |
Artikel 8, lid 3, onder d) |
|
Artikel 7, lid 3, onder a quinquies) |
Artikel 8, lid 3, onder e) |
|
Artikel 7, lid 3, onder a sexies) |
Artikel 8, lid 3, onder f) |
|
Artikel 7, lid 3, onder b) |
Artikel 8, lid 3, onder g) |
|
Artikel 7, lid 3, onder c) |
Artikel 8, lid 3, onder h) |
|
Artikel 7, lid 3, onder d) |
Artikel 8, lid 3, onder i) |
|
Artikel 8 |
Artikel 9 |
|
Artikel 9, lid 1 |
Artikel 10, lid 1 |
|
Artikel 9, lid 2, eerste alinea, onder a) |
Artikel 10, lid 2, eerste en tweede alinea |
|
Artikel 9, lid 2, eerste alinea, onder b) |
Artikel 10, lid 2, derde alinea |
|
Artikel 9, lid 2, tweede alinea |
Artikel 10, lid 2, vierde alinea |
|
Artikel 9, lid 2, derde alinea |
Artikel 10, lid 2, vijfde alinea |
|
Artikel 9, leden 3 en 4 |
Artikel 10, leden 3 en 4 |
|
Artikel 10, leden 1 tot en met 5 |
Artikel 11, leden 1 tot en met 5 |
|
Artikel 10, lid 6 |
— |
|
Artikel 11 |
Artikel 12 |
|
Artikel 12 |
Artikel 13 |
|
Artikel 13 |
Artikel 14 |
|
Artikel 14 |
Artikel 15 |
|
Artikel 15 |
Artikel 16 |
|
Artikel 16 |
Artikel 17 |
|
Artikel 17 |
Artikel 18 |
|
Artikel 18 |
Artikel 19 |
|
Artikel 19 |
Artikel 20 |
|
Artikel 19 bis (Hoofdstuk IV) |
— |
|
Artikel 19 bis (Hoofdstuk IV bis) |
Artikel 21 |
|
Artikel 20 |
Artikel 22 |
|
Artikel 21 |
Artikel 23 |
|
Artikel 22 |
Artikel 24 |
|
Artikel 23 |
Artikel 25 |
|
Artikel 23 bis |
Artikel 26 |
|
Artikel 24 |
Artikel 27 |
|
Artikel 25 |
Artikel 28 |
|
Artikel 26 |
Artikel 29 |
|
Artikel 26 bis |
Artikel 30 |
|
Artikel 27 |
Artikel 31 |
|
Artikel 28 |
Artikel 32 |
|
Artikel 29 |
Artikel 33 |
|
Artikel 30 |
Artikel 34 |
|
Artikel 31 |
Artikel 35 |
|
Artikel 32 |
Artikel 36 |
|
Artikel 33 |
Artikel 37 |
|
Artikel 33 bis |
Artikel 38 |
|
Artikel 34 |
Artikel 39 |
|
Artikel 35 |
Artikel 40 |
|
Artikel 36 |
Artikel 41 |
|
Artikel 37 |
Artikel 42 |
|
Artikel 37 bis |
Artikel 43 |
|
Artikel 38 |
— |
|
Artikel 39 |
Artikel 44 |
|
Artikel 40 |
Artikel 45 |
|
Bijlagen I tot en met VIII |
Bijlagen I tot en met VIII |
|
— |
Bijlage IX |
|
— |
Bijlage X |
BIJLAGE XI
Essentiële reizen
DEEL A
In artikel 21 bis, lid 4, bedoelde categorieën van personen:
gezondheidswerkers, onderzoekers op het gebied van gezondheid en beroepskrachten uit de ouderenzorg;
grensarbeiders;
vervoerspersoneel;
diplomaten, personeel van internationale organisaties en door internationale organisaties uitgenodigde personen van wie de fysieke aanwezigheid vereist is voor de goede werking van die organisaties, militair personeel en humanitaire hulpverleners en civielebeschermingspersoneel bij het uitoefenen van hun functie;
passagiers op doorreis;
passagiers die om dwingende gezinsredenen reizen;
zeevarenden;
personen die internationale bescherming behoeven of om andere humanitaire redenen toegang behoeven.
DEEL B
In artikel 21 bis, lid 5, bedoelde categorieën van personen:
kinderen in voor- en vroegschoolse educatie en opvang en leerlingen die onderwijs volgen in een buurland en hun voogden die hen begeleiden, die de grens overschrijden met het oog op het volgen van dergelijk onderwijs, alsook studenten of personen die reizen voor onderwijsdoeleinden;
seizoenarbeiders, met inbegrip van voedselproducerende werknemers;
personen die reizen om dwingende redenen in verband met de verzorging van dieren of vanwege maatregelen die in individuele gevallen noodzakelijk zijn voor de land- en bosbouw;
hooggekwalificeerde werknemers, personeel op sleutelfuncties en wetenschappelijk personeel die werk verrichten dat vanuit economisch, maatschappelijk en veiligheidsoogpunt noodzakelijk is en niet kan worden uitgesteld of in het buitenland kan worden uitgevoerd;
personeel van de overheidsinstanties voor defensie, openbare orde, volksgezondheid en nationale veiligheid — d.w.z. politiepersoneel, grenspolitie, immigratie- en volksgezondheidsdiensten, van instanties voor civiele bescherming enz. of vertegenwoordigers van rechtshandhavingsinstanties, indien hun reis verband houdt met de uitvoering van officiële taken, met inbegrip van personeel dat verantwoordelijk is voor de exploitatie en het onderhoud van kritieke infrastructuur;
vissers en personen die werken of diensten verlenen op schepen of offshoremijnbouw- en boorplatforms, op basis van een andere arbeidsverhouding dan een arbeidsovereenkomst voor de zeevaart;
personen die de lidstaat binnenkomen om essentiële medische diensten te ontvangen, met inbegrip van de inzittenden van noodvoertuigen;
partners (echtgenoten, geregistreerde partners, samenwonenden) en kinderen van personen die essentiële reizen ondernemen, met inbegrip van onderdanen van derde landen die reizen met het oog op gezinshereniging;
onderdanen van derde landen die reizen om gevolg te geven aan een dagvaarding van een gerechtelijke instantie;
personen die in het bezit zijn van een internationale perskaart die is afgegeven door de Internationale Federatie van Journalisten;
zorgbehoevende personen die naar hun verzorgers reizen.
BIJLAGE XII
DEEL A
Procedure voor de overdracht van in binnengrensgebieden aangehouden personen
1. Overdrachtsbesluiten op grond van artikel 23 bis, lid 2, worden uitgevaardigd in de vorm van een modelformulier dat is opgenomen in deel B van deze bijlage, ingevuld door de bevoegde nationale autoriteit. Die besluiten zijn onmiddellijk van toepassing.
2. Het ingevulde modelformulier wordt overhandigd aan de betrokken onderdaan van een derde land, die de ontvangst van het overdrachtsbesluit bevestigt door ondertekening van het formulier en een kopie van het ondertekende formulier ontvangt.
Indien de onderdaan van een derde land weigert het modelformulier te ondertekenen, maakt de bevoegde autoriteit daarvan melding in het vak „Opmerkingen” op het formulier.
3. De nationale autoriteiten die een overdrachtsbesluit uitvaardigen, leggen de gegevens vast op het in deel B van deze bijlage opgenomen modelformulier.
4. De nationale autoriteiten die een overdrachtsbesluit uitvaardigen, stellen de Commissie jaarlijks in kennis van het aantal aan andere lidstaten overgedragen personen, met vermelding van de lidstaat of lidstaten waaraan de personen zijn overgedragen, de redenen waarom zij niet het recht hadden om in de lidstaat te verblijven en, indien beschikbaar, de nationaliteit van de aangehouden onderdanen van derde landen.
5. Onderdanen van derde landen die in grensgebieden zijn aangehouden en in het kader van deze procedure zijn overgedragen, hebben het recht daartegen beroep in te stellen. Het beroep tegen het overdrachtsbesluit wordt ingesteld overeenkomstig het nationale recht. De onderdanen van een derde land krijgen een doeltreffende voorziening in rechte overeenkomstig artikel 47 van het Handvest. De onderdaan van een derde land ontvangt tevens in een taal die de betrokkene begrijpt of redelijkerwijs verondersteld mag worden te begrijpen schriftelijke informatie over contactpunten die informatie kunnen verschaffen over vertegenwoordigers die namens de betrokkene in overeenstemming met het nationale recht kunnen optreden. Het instellen van beroep heeft geen schorsende werking.
6. De bevoegde nationale autoriteiten zorgen ervoor dat de onderdaan van een derde land aan wie een overdrachtsbesluit is uitgevaardigd, in het kader van de bilaterale samenwerking als bedoeld in artikel 23 bis, lid 1, punt a), wordt overgedragen aan de bevoegde autoriteiten van de ontvangende lidstaat. De overdracht vindt onmiddellijk en uiterlijk binnen 24 uur plaats. Daarna kan de overdrachtsprocedure niet plaatsvinden en zijn de relevante bepalingen van Richtlijn 2008/115/EG waar passend van toepassing. De bevoegde nationale autoriteiten van de ontvangende lidstaat werken daartoe samen met de bevoegde nationale autoriteiten van de overdragende lidstaat.
DEEL B
Modelformulier voor de overdracht van in binnengrensgebieden aangehouden personen
( 1 ) Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van de Richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG (PB L 158 van 30.4.2004, blz. 77).
( 2 ) Verordening (EG) nr. 1987/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 betreffende de instelling, de werking en het gebruik van het Schengeninformatiesysteem van de tweede generatie (SIS II) (PB L 381 van 28.12.2006, blz. 4).
( 3 ) Verordening (EG) nr. 1030/2002 van de Raad van 13 juni 2002 betreffende de invoering van een uniform model voor verblijfstitels voor onderdanen van derde landen (PB L 157 van 15.6.2002, blz. 1).
( 4 ) Verordening (EG) nr. 1683/95 van de Raad van 29 mei 1995 betreffende de invoering van een uniform visummodel (PB L 164 van 14.7.1995, blz. 1).
( 5 ) Verordening (EU) 2017/2226 van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2017 tot instelling van een inreis-uitreissysteem (EES) voor de registratie van inreis- en uitreisgegevens en van gegevens over weigering van toegang ten aanzien van onderdanen van derde landen die de buitengrenzen van de lidstaten overschrijden en tot vaststelling van de voorwaarden voor toegang tot het EES voor rechtshandhavingsdoeleinden en tot wijziging van de Schengenuitvoeringsovereenkomst en Verordeningen (EG) nr. 767/2008 en (EU) nr. 1077/2011 (PB L 327 van 9.12.2017, blz. 20).
( 6 ) Verordening (EU) 2024/1359 van het Europees Parlement en de Raad van 14 mei 2024 betreffende de aanpak van crisis- en overmachtsituaties op het gebied van migratie en asiel en tot wijziging van Verordening (EU) 2021/1147 (PB L, 2024/1359, 22.5.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2024/1359/oj).
( 7 ) Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen (PB L 16 van 23.1.2004, blz. 44).
( 8 ) Verordening (EG) nr. 539/2001 van de Raad van 15 maart 2001 tot vaststelling van de lijst van derde landen waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen in het bezit moeten zijn van een visum en de lijst van derde landen waarvan de onderdanen van die plicht zijn vrijgesteld (PB L 81 van 21.3.2001, blz. 1).
( 9 ) Verordening (EG) nr. 767/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 9 juli 2008 betreffende het Visuminformatiesysteem (VIS) en de uitwisseling tussen de lidstaten van gegevens op het gebied van visa voor kort verblijf (VIS-verordening) (PB L 218 van 13.8.2008, blz. 60).
( 10 ) Verordening (EG) nr. 810/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot vaststelling van een gemeenschappelijke visumcode (Visumcode) (PB L 243 van 15.9.2009, blz. 1).
( 11 ) Verordening (EG) nr. 333/2002 van de Raad van 18 februari 2002 betreffende de invoering van een uniform model voor een blad waarop een visum kan worden aangebracht dat door lidstaten wordt afgegeven aan houders van een reisdocument dat door de lidstaat die het blad opstelt niet wordt erkend (PB L 53 van 23.2.2002, blz. 4).
( *1 ) Richtlijn 2014/66/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van onderdanen van derde landen in het kader van een overplaatsing binnen een onderneming (PB L 157 van 27.5.2014, blz. 1).
( *2 ) Richtlijn (EU) 2016/801 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van derdelanders met het oog op onderzoek, studie, stages, vrijwilligerswerk, scholierenuitwisseling, educatieve projecten of au-pairactiviteiten (PB L 132 van 21.5.2016, blz. 21).
( *3 ) Verordening (EG) nr. 1931/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 tot vaststelling van regels inzake klein grensverkeer aan de landbuitengrenzen van de lidstaten en tot wijziging van de bepalingen van de Schengenuitvoeringsovereenkomst (PB L 405 van 30.12.2006, blz. 1).
( *4 ) Verordening (EG) nr. 693/2003 van de Raad van 14 april 2003 tot invoering van een specifiek doorreisfaciliteringsdocument (FTD) en een doorreisfaciliteringsdocument voor treinreizigers (FRTD) en tot wijziging van de Gemeenschappelijke Visuminstructie en het Gemeenschappelijk Handboek (PB L 99 van 17.4.2003, blz. 8).
( 12 ) Verordening (EU) 2016/1624 van het Europees Parlement en de Raad van 14 september 2016 betreffende de Europese grens- en kustwacht, tot wijziging van Verordening (EU) 2016/399 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 863/2007 van het Europees Parlement en de Raad, Verordening (EG) nr. 2007/2004 van de Raad en Besluit 2005/267/EG van de Raad (PB L 251 van 16.9.2016, blz. 1).
( 13 ) Richtlijn 2004/82/EG van de Raad van 29 april 2004 betreffende de verplichting voor vervoerders om passagiersgegevens door te geven (PB L 261 van 6.8.2004, blz. 24).
( 14 ) Verordening (EU) 2019/817 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2019 tot vaststelling van een kader voor interoperabiliteit tussen de Unie-informatiesystemen op het gebied van grenzen en visa en tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 767/2008, (EU) 2016/399, (EU) 2017/2226, (EU) 2018/1240, (EU) 2018/1726 en (EU) 2018/1861 van het Europees Parlement en de Raad, Beschikking 2004/512/EG van de Raad en Besluit 2008/633/JBZ van de Raad (PB L 135 van 22 mei 2019, blz. 27).
( *5 ) Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (PB L 348, 24.12.2008, blz. 98).
( 15 ) Verordening (EU) 2019/1896 van het Europees Parlement en de Raad van 13 november 2019 betreffende de Europese grens- en kustwacht en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 1052/2013 en Verordening (EU) 2016/1624 (PB L 295 van 14.11.2019, blz. 1).
( 16 ) Verordening (EG) nr. 862/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende communautaire statistieken over migratie en internationale bescherming en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 311/76 van de Raad betreffende de opstelling van statistieken over buitenlandse werknemers (PB L 199 van 31.7.2007, blz. 23).
( 17 ) Verordening (EU) 2024/1348 van het Europees Parlement en de Raad van 14 mei 2024 tot vaststelling van een gemeenschappelijke procedure voor internationale bescherming in de Unie en tot intrekking van Richtlijn 2013/32/EU (PB L, 2024/1348, 22.5.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2024/1348/oj).
( 18 ) Verordening (EU) 2024/1347 van het Europees Parlement en de Raad van 14 mei 2024 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die voor subsidiaire bescherming in aanmerking komen, en voor de inhoud van de verleende bescherming, tot wijziging van Richtlijn 2003/109/EG van de Raad en tot intrekking van Richtlijn 2011/95/EU (PB L, 2024/1347, 22.5.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2024/1347/oj).
( 19 ) Verordening (EU) 2016/1624 van het Europees Parlement en de Raad van 14 september 2016 betreffende de Europese grens- en kustwacht, tot wijziging van Verordening (EU) 2016/399 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 863/2007 van het Europees Parlement en de Raad, Verordening (EG) nr. 2007/2004 van de Raad en Besluit 2005/267/EG van de Raad (PB L 251 van 16.9.2016, blz. 1).
( 20 ) Verordening (EU) nr. 439/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 19 mei 2010 tot oprichting van een Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken (PB L 132 van 29.5.2010, blz. 11).
( 21 ) PB L 239 van 22.9.2000, blz. 73.
( 22 ) Geen logo vereist voor Noorwegen en IJsland.
( 23 ) Richtlijn 2001/51/EG van de Raad van 28 juni 2001 tot aanvulling van het bepaalde in artikel 26 van de Overeenkomst ter uitvoering van het Akkoord van Schengen van 14 juni 1985 (PB L 187 van 10.7.2001, blz. 45).
( 24 ) Verordening (EG) nr. 300/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2008 inzake gemeenschappelijke regels op het gebied van de beveiliging van de burgerluchtvaart en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 2320/2002 (PB L 97 van 9.4.2008, blz. 72).
( 25 ) Richtlijn 98/41/EG van de Raad van 18 juni 1998 inzake de registratie van de opvarenden van passagiersschepen die vanuit of naar havens in de lidstaten van de Gemeenschap varen (PB L 188 van 2.7.1998, blz. 35).