02016D0016 — NL — 25.01.2024 — 005.001
Onderstaande tekst dient louter ter informatie en is juridisch niet bindend. De EU-instellingen zijn niet aansprakelijk voor de inhoud. Alleen de besluiten die zijn gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie (te raadplegen in EUR-Lex) zijn authentiek. Deze officiële versies zijn rechtstreeks toegankelijk via de links in dit document
|
BESLUIT (EU) 2016/948 VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK van 1 juni 2016 betreffende de tenuitvoerlegging van het aankoopprogramma bedrijfssector (ECB/2016/16) (PB L 157 van 15.6.2016, blz. 28) |
Gewijzigd bij:
|
|
|
Publicatieblad |
||
|
nr. |
blz. |
datum |
||
|
BESLUIT (EU) 2017/103 VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK van 11 januari 2017 |
L 16 |
57 |
20.1.2017 |
|
|
BESLUIT (EU) 2017/1359 VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK van 18 mei 2017 |
L 190 |
20 |
21.7.2017 |
|
|
BESLUIT (EU) 2020/441 VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK van 24 maart 2020 |
L 91 |
5 |
25.3.2020 |
|
|
BESLUIT (EU) 2022/1613 VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK van 9 september 2022 |
L 241 |
13 |
19.9.2022 |
|
|
BESLUIT (EU) 2024/190 VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK van 15 december 2023 |
L |
1 |
5.1.2024 |
|
BESLUIT (EU) 2016/948 VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK
van 1 juni 2016
betreffende de tenuitvoerlegging van het aankoopprogramma bedrijfssector (ECB/2016/16)
Artikel 1
Invoering en toepassingsgebied van de rechtstreekse aankoop van bedrijfsobligaties
Het CSPP wordt hierbij ingevoerd. Uit hoofde van het CSPP mogen aangeduide centrale banken van het Eurosysteem beleenbare bedrijfsobligaties aankopen van in aanmerking komende wederpartijen in de primaire en secundaire markten, terwijl de in artikel 3, lid 1, bedoelde overheidsbedrijfsobligaties alleen onder bepaalde voorwaarden op de secundaire markten aangekocht mogen worden.
Artikel 2
Beleenbaarheidscriteria voor bedrijfsobligaties
Om in aanmerking te komen voor onvoorwaardelijk aankoop uit hoofde van het CSPP voldoen door ondernemingen geëmitteerde verhandelbare schuldinstrumenten aan de beleenbaarheidscriteria voor verhandelbare activa voor krediettransacties van het Eurosysteem zulks krachtens deel 4 van Richtsnoer (EU) 2015/510 van de Europese Centrale Bank (ECB/2014/60) ( 1 ), en tevens aan de volgende vereisten:
De emittent van het verhandelbare schuldinstrument:
is gevestigd in een eurogebiedlidstaat;
is geen kredietinstelling zoals bedoeld in artikel 2, punt 14, van Richtsnoer (EU) 2015/510 (ECB/2014/60);
heeft geen moederonderneming, zoals bedoeld in artikel 4, lid 1, punt 15), van Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad ( 2 ), die tevens een kredietinstelling is zoals bedoeld in artikel 2, punt 14), van Richtsnoer (EU) 2015/510 (ECB/2014/60);
heeft geen moederonderneming waarop bankentoezicht van toepassing is buiten het eurogebied;
is geen onder toezicht staande entiteit zoals bedoeld in artikel 2, punt 20), van Verordening (EU) nr. 468/2014 van de Europese Centrale Bank (ECB/2014/17) ( 3 ) of een lid van een onder toezicht staande groep zoals bedoeld in artikel 2, punt 21), onder b), van Verordening (EU) nr. 468/2014 (ECB/2014/17), in elk geval, zoals opgenomen op de door de ECB op haar website gepubliceerde lijst overeenkomstig artikel 49, lid 1, van Verordening (EU) nr. 468/2014 (ECB/2014/17), en is geen dochteronderneming, zoals bedoeld in artikel 4, lid 1, punt 16), van Verordening (EU) nr. 575/2013, van enige van die onder toezicht staande entiteiten of onder toezicht staande groepen;
is geen beleggingsonderneming zoals bedoeld in artikel 4, lid 1, punt 1), van Richtlijn (EU) 2014/65/EU van het van het Europees Parlement en de Raad ( 4 );
heeft geen effect op onderpand van activa uitgegeven zoals bedoeld in artikel 2, punt 3), van Richtsnoer (EU) 2015/510 (ECB/2014/60);
heeft geen multi cédula uitgegeven zoals bedoeld in artikel 2, punt 62), van Richtsnoer (EU) 2015/510 (ECB/2014/60);
heeft geen gestructureerde gedekte obligatie uitgegeven zoals bedoeld in artikel 2, punt 88), van Richtsnoer (EU) 2015/510 (ECB/2014/60);
is geen entiteit, ongeacht of die in publieke of private handen is, die: i) als hoofddoel heeft de geleidelijke afstoting van haar activa en de beëindiging van haar werkzaamheden, dan wel ii) een entiteit is voor activabeheer of activa-afstoting die is opgericht om de herstructurering van de financiële sector, en/of afwikkeling, te ondersteunen ( 5 ), waaronder vehikels voor activabeheer die voortkomen uit een afwikkelingsmaatregel in de vorm van de toepassing van een instrument van afsplitsing van activa krachtens artikel 26 van Verordening (EU) nr. 806/2014 van het Europees Parlement en de Raad ondersteunen ( 6 ) dan wel nationale wetgeving die artikel 42 van Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad implementeert ondersteunen ( 7 ); en
▼M2 —————
is geen voor de PSPP in aanmerking komende emittent.
Indien een verhandelbaar schuldinstrument een oorspronkelijke looptijd heeft van 365/366 dagen of minder, bedraagt de minimumrestlooptijd 28 dagen op het moment van aankoop door de betrokken centrale bank van het Eurosysteem;
Indien een verhandelbaar schuldinstrument een oorspronkelijke looptijd heeft van 367 dagen of meer, bedraagt de minimumrestlooptijd 6 maanden en de maximumrestlooptijd 30 jaar en 364 dagen op het moment van aankoop door de betrokken centrale bank van het Eurosysteem.
In afwijking van artikel 59, lid 5, van Richtsnoer (EU) 2015/510 (ECB/2014/60) wordt alleen kredietbeoordelingsinformatie, die is verstrekt door een externe kredietbeoordelingsinstelling die is geaccepteerd binnen het kredietbeoordelingskader van het Eurosysteem, in aanmerking genomen voor de beoordeling van de kredietkwaliteitsvereisten van het verhandelbare schuldinstrument.
Het verhandelbare schuldinstrument luidt in euro.
Aankopen van nominale bedrijfsobligaties met een negatief rendement tot het einde van de looptijd (of het slechtst mogelijke rendement) gelijk aan of boven de depositorente zijn toegestaan. Aankopen van nominale bedrijfsobligaties met een negatief rendement tot het einde van de looptijd (of het slechtst mogelijke rendement) onder de depositorente zijn toegestaan, voor zover noodzakelijk.
Artikel 3
Beperkingen van de uitvoering van aankopen van overheidsbedrijfsobligaties
Artikel 4
Aankooplimieten
Een lagere effectenemissielimiet kan in specifieke gevallen van toepassing zijn, waaronder voor overheidsbedrijfsobligaties of vanwege risicobeheerredenen. De behandeling van overheidsbedrijfsobligaties is consistent met hun behandeling krachtens het PSPP.
Artikel 4 bis
Opname van overwegingen inzake klimaatverandering in de benchmarkallocatie
Artikel 5
Aankopen door centrale banken van het Eurosysteem
De centrale banken van het Eurosysteem die bedrijfsobligaties aankopen uit hoofde van het CSPP worden opgenomen op een op de ECB-website gespecificeerde lijst. Het Eurosysteem past een specialisatieschema toe voor de allocatie van uit hoofde van het CSPP aan te kopen bedrijfsobligaties, gebaseerd op het land waar de emittent zijn statutaire zetel heeft. De Raad van bestuur staat ad-hocafwijkingen toe van het specialisatieschema, indien objectieve overwegingen de implementatie van de regeling hinderen of indien die afwijkingen aan te raden zijn om de globale CSPP-monetairbeleiddoelstellingen te verwezenlijken. Met name koopt elke onderscheiden centrale bank van het Eurosysteem slechts beleenbare bedrijfsobligaties die zijn uitgegeven door in een specifieke eurogebiedlidstaat gevestigde emittenten. De geografische allocatie van de landen van vestiging van emittenten van beleenbare bedrijfsobligaties in relatie tot de bedoelde centrale banken van het Eurosysteem wordt uiteengezet in een op de ECB-website gepubliceerde lijst.
Artikel 6
In aanmerking komende wederpartijen
De volgende partijen zijn in aanmerking komende wederpartijen voor het CSPP, zowel voor onvoorwaardelijke transacties en voor effectennuitleningstransacties met in de CSPP-Eurosysteemportefeuilles aangehouden bedrijfsobligaties:
entiteiten die voldoen aan de beleenbaarheidscriteria voor deelname aan monetairbeleidstransacties van het Eurosysteem krachtens artikel 55 van Richtsnoer (EU) 2015/510 (ECB/2014/60); en
enige andere wederpartij die centrale banken van het Eurosysteem gebruiken voor de belegging van hun in euro luidende beleggingsportfolio's.
Artikel 7
Effectenuitleningstransacties
Centrale banken van het Eurosysteem die uit hoofde van het CSPP bedrijfsobligaties aankopen, stellen die uit hoofde van het CSPP aangekochte effecten, waaronder repo's, beschikbaar voor effectenuitleen om de effectiviteit van het CSPP te verzekeren.
Artikel 8
Slotbepalingen
Dit besluit treedt op 6 juni 2016 in werking.
BIJLAGE
KLIMAATSCORINGSMETHODE EN HERORIËNTERINGSBENADERING
1. KLIMAATSCORINGSMETHODE
Voor elke emittent wordt een score ter beoordeling van haar klimaatprestaties (de “klimaatscore”) berekend aan de hand van een door de Raad van bestuur vastgestelde formule, op basis van drie maatstaven: de informatieverschaffingsmaatstaf, de retrospectieve maatstaf en de prospectieve maatstaf. De klimaatscore varieert van minimaal nul tot maximaal vijf en is gericht op klimaatgerelateerde financiële risico’s die worden geraamd op basis van: a) de kwaliteit van de informatieverschaffing door de emittent; b) de recente emissie-intensiteit van de emittent ( 9 ), en c) de klimaatgerelateerde doelstellingen van de emittent. Hoe hoger de score, des te beter de beoordeelde klimaatprestaties.
1.1. De openbaarmakingsmaatstaf
De openbaarmakingsmaatstaf beoordeelt de kwaliteit van de openbaarmakingen van emittenten over broeikasgasemissies van groep 1 en groep 2 als bedoeld in het “Greenhouse Gas Protocol” ( 10 ) aan de hand van een door de Raad van bestuur vastgestelde formule. De openbaarmakingsmaatstaf beloont emittenten met hoogwaardige openbaarmakingen. Emittenten ontvangen een betere score onder deze maatstaf indien hun openbaarmakingen door derden zijn geverifieerd. Emittenten ontvangen de laagste score indien zij niet over zelfgerapporteerde emissiegegevens beschikken.
1.2. De retrospectieve maatstaf
In de retrospectieve maatstaf wordt het niveau van de broeikasgasemissies van de emittenten in het verleden beoordeeld, zowel op het niveau van de emissie-intensiteit als op het niveau van koolstofreductie. Bij deze maatstaf wordt rekening gehouden met de broeikasgasemissie-intensiteit van groep 1 en groep 2 van de emittenten en met de sectorale gemiddelden van broeikasgasemissie-intensiteit van groep 3. De maatstaf combineert een best-in-classbenadering met een best-in-universebenadering aan de hand van een door de Raad van bestuur vastgestelde methode. De best-in-classbenadering vergelijkt bedrijven met hun concurrenten in specifieke industriesectoren. Bij de best-in-universebenadering worden ondernemingen in het hele bedrijvenuniversum vergeleken met betrekking tot zowel hun emissie-intensiteit op een bepaald moment (point-in-time-emissie-intensiteit) als de mate van koolstofreductie.
1.3. De prospectieve maatstaf
De prospectieve maatstaf beoordeelt de verwachte ontwikkeling van de broeikasgasemissie-intensiteit van de emittent. Factoren die leiden tot een hogere score in het kader van deze maatstaf, zijn onder meer het ambitieniveau en de geloofwaardigheid van de door de emittent opgegeven doelstellingen voor de reductie van de broeikasgasemissie-intensiteit (met name indien de doelstelling wetenschappelijk is onderbouwd en door een derde partij is gevalideerd) en de waargenomen naleving van hun eigen reductiedoelstellingen voor de broeikasgasemissie-intensiteit, zoals beoordeeld aan de hand van een door de Raad van bestuur vastgestelde methode.
2. HERORIËNTERINGSBENADERING
Aankopen van bedrijfsobligaties worden geheroriënteerd naar emittenten met hogere klimaatscores aan de hand van een door de Raad van bestuur vastgestelde formule. Heroriëntering betekent dat het naar marktkapitalisatie gewogen aandeel van activa in de benchmark voor aankopen door het Eurosysteem in de bedrijfssector zal worden vergroot voor emittenten met een betere klimaatscore dan voor emittenten met lagere klimaatscores. De geheroriënteerde benchmark wordt opgenomen in de limieten van de emittentengroep om ervoor te zorgen dat aankopen worden geleid door de geheroriënteerde benchmark.
( 1 ) Richtsnoer ECB/2015/510 van de Europese Centrale Bank van 19 december 2014 betreffende de tenuitvoerlegging van het monetairbeleidskader van het Eurosysteem (PB L 91 van 2.4.2015, blz. 3).
( 2 ) Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 (PB L 176 van 27.6.2013, blz. 1).
( 3 ) Verordening (EU) nr. 468/2014 van de Europese Centrale Bank van 16 april 2014 tot vaststelling voor een kader voor samenwerking binnen het Gemeenschappelijk Toezichtsmechanisme tussen de Europese Centrale Bank en nationale bevoegde autoriteiten en met nationale aangewezen autoriteiten (GTM-kaderverordening) (ECB/2014/17) (PB L 141 van 14.5.2014, blz. 1).
( 4 ) Richtlijn 2014/65/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende markten voor financiële instrumenten en tot wijziging van Richtlijn 2002/92/EG en Richtlijn 2011/61/EU (PB L 173 van 12.6.2014, blz. 349).
( 5 ) Een lijst van entiteiten voor activabeheer en afstotingsfondsen die relevant is voor het CSPP is bekendgemaakt op de ECB-website onder: www.ecb.europa.eu
( 6 ) Verordening (EU) nr. 806/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 juli 2014 tot vaststelling van eenvormige regels en een eenvormige procedure voor de afwikkeling van kredietinstellingen en bepaalde beleggingsondernemingen in het kader van een gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme en een gemeenschappelijk afwikkelingsfonds en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1093/2010 (PB L 225 van 30.7.2014, blz. 1).
( 7 ) Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Richtlijn 82/891/EEG van de Raad en de Richtlijnen 2001/24/EG, 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2005/56/EG, 2007/36/EG, 2011/35/EU, 2012/30/EU en 2013/36/EU en de Verordeningen (EU) nr. 1093/2010 en (EU) nr. 648/2012, van het Europees Parlement en de Raad (PB L 173 van 12.6.2014, blz. 190).
( 8 ) Verordening (EG) nr. 3603/93 van de Raad van 13 december 1993 tot vaststelling van de definities voor de toepassing van de in artikel 104 en artikel 104 B, lid 1, van het Verdrag vastgelegde verbodsbepalingen (PB L 332 van 31.12.1993, blz. 1).
( 9 ) De emissie-intensiteit van een emittent wordt gedefineerd als de broeikasgasemissie (in tCO2) gedeeld door de omzet van de emittent (in miljoen EUR).
( 10 ) In het “Greenhouse Gas Protocol” wordt een onderscheid gemaakt tussen directe broeikasgasemissies die voortkomen uit bronnen waarover de onderneming die de onderliggende activa uitgeeft controle uitoefent (groep 1); indirecte emissies die uit het verbruik van aangekochte elektriciteit, stoom of andere bronnen van energie die stroomopwaarts van de onderneming die de onderliggende activa uitgeeft wordt opgewekt (groep 2), en alle indirecte emissies, zowel stroomopwaarts als stroomafwaarts (groep 3): zie de website van het “Greenhouse Gas Protocol”: https://ghgprotocol.org/