02009L0119 — NL — 01.01.2020 — 002.002
Onderstaande tekst dient louter ter informatie en is juridisch niet bindend. De EU-instellingen zijn niet aansprakelijk voor de inhoud. Alleen de besluiten die zijn gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie (te raadplegen in EUR-Lex) zijn authentiek. Deze officiële versies zijn rechtstreeks toegankelijk via de links in dit document
|
RICHTLIJN 2009/119/EG VAN DE RAAD van 14 september 2009 (PB L 265 van 9.10.2009, blz. 9) |
Gewijzigd bij:
|
|
|
Publicatieblad |
||
|
nr. |
blz. |
datum |
||
|
UITVOERINGSRICHTLIJN (EU) 2018/1581 VAN DE COMMISSIE van 19 oktober 2018 |
L 263 |
57 |
22.10.2018 |
|
|
VERORDENING (EU) 2018/1999 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 11 december 2018 |
L 328 |
1 |
21.12.2018 |
|
RICHTLIJN 2009/119/EG VAN DE RAAD
van 14 september 2009
houdende verplichting voor de lidstaten om minimumvoorraden ruwe aardolie en/of aardolieproducten in opslag te houden
Artikel 1
Doelstelling
Deze richtlijn stelt regels vast om te waarborgen dat dankzij betrouwbare en transparante mechanismen op basis van solidariteit tussen de lidstaten de oliebevoorrading in de Gemeenschap in hoge mate is veiliggesteld, minimumvoorraden aardolie en/of aardolieproducten in opslag worden gehouden en de nodige procedures worden ingesteld om aan een eventuele ernstige schaarste het hoofd te bieden.
Artikel 2
Definities
In deze richtlijn wordt verstaan onder
„referentiejaar”, het kalenderjaar waarvan de verbruiks- of netto-invoercijfers worden gebruikt in de berekeningen waarmee zowel de op enig moment in opslag te houden voorraden als de werkelijk in opslag gehouden voorraden worden vastgesteld;
„toevoegingen”, andere stoffen dan koolwaterstoffen die aan een product worden toegevoegd of erdoor worden gemengd om de eigenschappen ervan te veranderen;
„biobrandstof”, voor vervoer bestemde vloeibare of gasvormige brandstof gemaakt uit biomassa, waarbij onder „biomassa” wordt verstaan de biologisch afbreekbare fractie van producten, afvalstoffen en residuen van de landbouw (met inbegrip van plantaardige en dierlijke stoffen), de bosbouw en aanverwante bedrijfstakken, alsmede de biologisch afbreekbare fractie van industrieel en huishoudelijk afval;
„binnenlands verbruik”, het overeenkomstig bijlage II berekende totaal van alle in een land geleverde hoeveelheden voor alle energie- en niet-energiedoeleinden; in dit totaal zijn begrepen de leveringen aan de omzettingssector, de industrie, de vervoersector, de huishoudens en andere sectoren met het oog op „eindverbruik”; dit totaal omvat ook het eigen verbruik van de energiesector zelf (met uitzondering van het verbruik van raffinaderijbrandstof);
„vigerend internationaal besluit tot het in omloop brengen van voorraden”, een vigerend besluit van de Raad van bestuur van het Internationaal Energieagentschap om ruwe aardolie of aardolieproducten voor de markt beschikbaar te stellen middels het in omloop brengen van voorraden van de lidstaten en/of andere maatregelen;
„centrale entiteit voor de voorraadvorming (centrale entiteit)”, de instelling of dienst waaraan de bevoegdheid kan worden gegeven om te handelen met het oog op het kopen, in stand houden en verkopen van olievoorraden, met inbegrip van veiligheidsvoorraden en speciale voorraden;
„belangrijke onderbreking van de voorziening”, grote en plotselinge daling van de voorziening met ruwe aardolie of aardolieproducten van de Gemeenschap of een lidstaat als gevolg waarvan al dan niet een internationaal besluit tot het in omloop brengen van voorraden is genomen;
„bunkervoorraden van de internationale zeescheepvaart”, totaal dat is gedefinieerd in bijlage A, punt 2.1, van Verordening nr. 1099/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2008 betreffende energiestatistieken;
„olievoorraden”, voorraden ruwe aardolie of aardolieproducten, gedefinieerd in hoofdstuk 3.4 van bijlage A bij Verordening (EG) nr. 1099/2008;
„veiligheidsvoorraden”, de olievoorraden die elke lidstaat op grond van artikel 3 van deze richtlijn verplicht is aan te houden;
„handelsvoorraden”, de olievoorraden die door marktdeelnemers niet krachtens een in deze richtlijn vervatte verplichting worden aangehouden;
„speciale voorraden”, olievoorraden die voldoen aan de in artikel 9 genoemde voorwaarden;
„materiële toegankelijkheid”, de regelingen betreffende de vestiging en het transport van voorraden, die ervoor zorgen dat zij, binnen de termijn en onder de voorwaarden die eventuele bevoorradingsproblemen helpen verlichten, in omloop worden gebracht of daadwerkelijk bij de eindgebruikers of op de eindmarkt terechtkomen.
De in dit artikel gegeven definities kunnen nader worden uitgewerkt en gewijzigd volgens de in artikel 23, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure.
Artikel 3
Veiligheidsvoorraden — Berekening van de opslagverplichting
1. De lidstaten nemen alle passende wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen aan om te waarborgen dat uiterlijk 31 december 2012 op het grondgebied van de Gemeenschap ten gunste van henzelf permanent een totale olievoorraad wordt aangehouden die ten minste gelijk is aan de grootste van de twee volgende hoeveelheden: 90 maal het daggemiddelde van de netto-invoer of 61 maal het daggemiddelde van het binnenlands verbruik.
2. Het daggemiddelde van de netto-invoer wordt berekend op basis van het in het voorafgaande kalenderjaar ingevoerde aardolie-equivalent, bepaald volgens de in bijlage I uiteengezette regels en methode.
Het daggemiddelde van het binnenlands verbruik wordt berekend op basis van het in het voorafgaande kalenderjaar binnenslands verbruikte aardolie-equivalent, bepaald en berekend volgens de in bijlage II uiteengezette regels en methode.
3. In afwijking van lid 2 worden van 1 januari tot en met 30 juni van elk kalenderjaar de in dat lid bedoelde daggemiddelden van de netto-invoer en het binnenlandse verbruik bepaald op basis van de ingevoerde en verbruikte hoeveelheid in het voorlaatste kalenderjaar dat aan het lopende kalenderjaar voorafgaat.
4. De in dit artikel bedoelde regels en methoden voor de berekening van de opslagverplichting kunnen worden gewijzigd volgens de in artikel 23, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure.
Artikel 4
Berekening van het voorraadniveau
1. Het niveau van de aangehouden voorraden wordt berekend volgens de in bijlage III vervatte methoden. Bij de berekening van het voorraadniveau per in artikel 9 genoemde categorie zijn deze methoden uitsluitend van toepassing op de producten van de betreffende categorie.
2. Bij de berekening van het niveau van de op een bepaald tijdstip aangehouden voorraden is het kalenderjaar waarvan de cijfers in aanmerking moeten worden genomen, het referentiejaar dat is bepaald overeenkomstig de regels opgenomen in artikel 3.
3. Alle olievoorraden kunnen tegelijkertijd worden meegeteld in de berekening van zowel de veiligheidsvoorraden van een lidstaat als zijn speciale voorraden, mits zij voldoen aan alle voorwaarden die in deze richtlijn met betrekking tot respectievelijk elk van beide voorraadsoorten zijn vastgesteld.
4. De in de leden 1 en 2 bedoelde regels en methoden voor de berekening van het niveau van de voorraden kunnen worden gewijzigd volgens de in artikel 23, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure. Met name kan het noodzakelijk en nuttig zijn deze regels en methoden voor de berekening van de voorraadniveaus, waaronder de toepassing van aftrek, aan te passen, om een nog grotere coherentie met de praktijk van het IEA te bewerkstelligen.
Artikel 5
Beschikbaarheid van de voorraden
1. De lidstaten waarborgen te allen tijde dat de veiligheidsvoorraden, alsmede de speciale voorraden, beschikbaar en permanent toegankelijk zijn voor de doeleinden van deze richtlijn. Zij stellen regels vast voor de identificatie en inventarisatie van, alsmede het toezicht op de voorraden, zodat deze te allen tijde kunnen worden gecontroleerd. Dit geldt ook voor het gedeelte van de veiligheidsvoorraden en speciale voorraden die zijn samengevoegd met andere, door marktdeelnemers aangehouden, voorraden.
De lidstaten treffen alle nodige maatregelen om alles te voorkomen wat de beschikbaarheid van de veiligheidsvoorraden en speciale voorraden kan belemmeren en hinderen. De lidstaten kunnen de mogelijkheid dat hun veiligheidsvoorraden en speciale voorraden buiten hun grondgebied worden aangehouden, begrenzen of hieraan nadere voorwaarden verbinden.
2. Indien er aanleiding bestaat om de in artikel 21 bedoelde noodprocedures toe te passen, vaardigen de lidstaten een verbod uit op, of onthouden zij zich van maatregelen waardoor, de overdracht, het gebruik of het in omloop brengen van crisisvoorraden of speciale voorraden door de lidstaat voor rekening waarvan zij de voorraden op hun grondgebied aanhouden, wordt belemmerd.
Artikel 6
Register van veiligheidsvoorraden — Jaarverslag
1. Elke lidstaat houdt een gedetailleerd en voortdurend geactualiseerd register bij van alle andere te zijnen behoeve aangehouden veiligheidsvoorraden dan de speciale voorraden. ►M1 Dit register bevat met name de informatie waarmee kan worden bepaald in welk depot of welke raffinaderij of opslagplaats de voorraden worden aangehouden, om welke hoeveelheden het gaat, wie de eigenaar is en wat de aard ervan is, onder verwijzing naar de categorieën die zijn vastgesteld in hoofdstuk 3.4 van bijlage A bij Verordening (EG) nr. 1099/2008. ◄
2. Elke lidstaat verstrekt de Commissie uiterlijk op 15 maart van elk kalenderjaar een samenvatting van het in lid 1 bedoelde register, waarin ten minste de veiligheidsvoorraden zijn aangegeven die in die lidstaat op de laatste dag van het vorige kalenderjaar aanwezig waren, met inbegrip van de hoeveelheden en de aard ervan.
3. Voorts verstrekt de lidstaat de Commissie op haar verzoek, binnen vijftien dagen, een volledig exemplaar van het register; gevoelige gegevens omtrent de locatie van de voorraden kunnen daarin echter worden weggelaten. Het verzoek mag niet later worden gedaan dan vijf jaar na het tijdstip waarop de gevraagde gegevens betrekking hebben, en mag geen gegevens over de periode vóór 1 januari 2013 betreffen.
Artikel 7
Centrale entiteit voor de voorraadvorming
1. Elke lidstaat kan een centrale entiteit voor de voorraadvorming („centrale entiteit”) oprichten.
Een lidstaat kan niet meer dan één centrale entiteit of soortgelijke instantie oprichten. Een lidstaat kan zijn centrale entiteit waar dan ook in de Gemeenschap instellen.
De centrale entiteit krijgt de rechtsvorm van een instelling of dienst zonder winstoogmerk, handelt in het algemeen belang, en wordt niet als marktdeelnemer in de zin van deze richtlijn beschouwd.
2. De centrale entiteit heeft als voornaamste doel om, voor de doeleinden van deze richtlijn of ter voldoening aan internationale overeenkomsten betreffende de instandhouding van de olievoorraden, zulke voorraden te kopen, in stand te houden en te verkopen. Het is de enige instelling of dienst die de bevoegdheid kan krijgen om speciale voorraden te kopen of te verkopen.
3. Taken betreffende het beheer van veiligheidsvoorraden en, met uitzondering van verkoop of aankoop, van speciale voorraden, kunnen door de centrale entiteit of door de lidstaten voor een bepaalde termijn worden gedelegeerd aan uitsluitend:
een andere lidstaat op het grondgebied waarvan de voorraden zich bevinden, of aan de door die lidstaat ingestelde centrale entiteit. De aldus gedelegeerde taken mogen niet aan andere lidstaten of door hen ingestelde centrale entiteiten verder worden gedelegeerd. De lidstaat die de centrale entiteit heeft opgericht, evenals elke andere lidstaat op welks grondgebied de voorraden worden aangehouden, kunnen de delegatie afhankelijk stellen van hun toestemming;
marktdeelnemers. Aldus gedelegeerde taken mogen niet verder worden gedelegeerd. In de delegatie, dan wel in de wijziging of uitbreiding ervan, die betrekking heeft op taken betreffende het beheer van veiligheidsvoorraden en speciale voorraden die worden aangehouden in een of meer andere lidstaten dan de lidstaat waar de bedoelde centrale entiteit is ingesteld, moet zijn toegestemd door de lidstaat voor rekening waarvan de voorraden worden aangehouden, en door alle lidstaten op welker grondgebied de voorraden zullen worden aangehouden.
4. De lidstaten met een centrale entiteit verplichten deze met het oog op de doeleinden van artikel 8, leden 1 en 2, het volgende openbaar te maken:
voortdurend, per productcategorie, alle gegevens over de omvang van de voorraden die de entiteit kan toezeggen in stand te houden ten behoeve van de marktdeelnemers of, in voorkomend geval, van betrokken centrale entiteiten;
ten minste zeven maanden van tevoren, de voorwaarden waaronder zij bereid is aan marktdeelnemers diensten in verband met de instandhouding van de voorraadhoeveelheden te verstrekken. De voorwaarden betreffende deze diensten, met inbegrip van de tijdsplanning, kunnen eveneens worden vastgesteld door de bevoegde autoriteiten of na een vergelijkende procedure waarin de marktdeelnemer of, in voorkomend geval, de betrokken centrale entiteit met de beste offerte wordt aangewezen.
De centrale entiteiten aanvaarden dergelijke delegaties onder objectieve, transparante en niet-discriminerende voorwaarden. Voor de verrichte diensten wordt door de centrale autoriteit aan de marktdeelnemers ten hoogste het volledige bedrag van de kostprijs berekend, dat pas betaalbaar wordt als de voorraden worden aangevuld. De centrale entiteit kan aan het aannemen van een delegatie de voorwaarde verbinden dat de marktdeelnemer een garantie of andere zekerheid stelt.
Artikel 8
Marktdeelnemers
1. Elke lidstaat zorgt ervoor dat hij elke marktdeelnemer die hij ter voldoening aan artikel 3 verplicht voorraden aan te houden, het recht geeft om, naar diens keuze, deze verplichting ten minste gedeeltelijk te delegeren aan uitsluitend:
de centrale entiteit van de lidstaat voor rekening waarvan de voorraden worden aangehouden en/of
een of meer andere centrale entiteiten die zich vooraf bereid hebben verklaard deze voorraden aan te houden, mits in de delegatie vooraf is toegestemd door de lidstaat voor rekening waarvan de voorraden worden aangehouden, alsmede door alle lidstaten op wier grondgebied de voorraden zullen worden aangehouden, en/of
andere marktdeelnemers die — buiten het grondgebied van de lidstaat voor wiens rekening de voorraden worden aangehouden, maar binnen de Gemeenschap — over surplusvoorraden of beschikbare opslagcapaciteit beschikken, mits in de delegatie tevoren is toegestemd door de lidstaat voor wiens rekening de voorraden worden aangehouden, alsmede door alle lidstaten op wier grondgebied de voorraden zullen worden aangehouden, en/of
andere marktdeelnemers die op het grondgebied van de lidstaat voor wiens rekening de voorraden worden aangehouden, over surplusvoorraden of beschikbare opslagcapaciteit beschikken, mits deze delegatie tevoren aan de betrokken lidstaat is medegedeeld. De lidstaten kunnen een dergelijke delegatie beperken of hieraan voorwaarden verbinden.
De in de punten c) en d) genoemde taken mogen niet verder worden gedelegeerd. Wijziging of verlenging van de in de punten b) en c) bedoelde delegatie gaat pas in nadat daarin tevoren is toegestemd door elke lidstaat die de delegatie heeft toegestaan. Iedere wijziging of uitbreiding van een delegatie als bedoeld in punt d) wordt beschouwd als een nieuwe delegatie.
2. Lidstaten kunnen desgewenst voor marktdeelnemers die ze opslagverplichtingen opleggen of hebben opgelegd, het recht om te delegeren beperken.
Indien echter door dergelijke beperkingen het recht van een marktdeelnemer om een met minder dan 10 % van de hem opgelegde opslagverplichting overeenkomende hoeveelheid te delegeren, wordt gelimiteerd, vergewist de lidstaat zich ervan dat hij een centrale entiteit heeft opgericht die de delegatie aanneemt ter grootte van de hoeveelheid die nodig is opdat het recht van een marktdeelnemer om ten minste 10 % van de hem opgelegde opslagverplichting te delegeren, gevrijwaard blijft.
Het in dit lid vermelde minimumpercentage wordt uiterlijk 31 december 2017 van 10 tot 30 % verhoogd.
3. Onverminderd het bepaalde in de leden 1 en 2 kan een lidstaat een marktdeelnemer verplichten ten minste een deel van zijn opslagverplichting aan de centrale entiteit van de lidstaat te delegeren.
4. De lidstaten dragen er zorg voor dat de marktdeelnemers, uiterlijk 200 dagen voor aanvang van de termijn waarbinnen zij verplicht zijn voorraden aan te houden, in kennis worden gesteld van de berekeningswijze die met betrekking tot deze verplichting zal worden gehanteerd. De marktdeelnemers moeten hun recht om de opslagverplichting aan de centrale entiteiten te delegeren, uitoefenen ten minste 170 dagen vóór aanvang van de termijn waarop de verplichting betrekking heeft
Indien de marktdeelnemer minder dan 200 dagen vóór aanvang van de termijn waarop de opslagverplichting betrekking heeft, in kennis wordt gesteld, kan hij het delegatierecht te allen tijde uitoefenen.
Artikel 9
Speciale voorraden
1. In overeenstemming met het bepaalde in dit artikel kan elke lidstaat zich ertoe verbinden om een, in aantal verbruiksdagen vastgestelde, minimumolievoorraad in stand te houden.
De speciale voorraad is eigendom van de lidstaat of de door de lidstaat ingestelde centrale entiteit, en wordt op het grondgebied van de Gemeenschap aangehouden.
2. De speciale voorraad bestaat uitsluitend uit producten van een of meer van de volgende categorieën, zoals gedefinieerd in hoofdstuk 3.4 van bijlage A bij Verordening (EG) nr. 1099/2008:
3. De aardolieproducten die tot de speciale voorraad behoren, worden door elke lidstaat gespecificeerd op basis van de in lid 2 genoemde categorieën. De lidstaten zorgen ervoor dat, wat betreft het volgens de regels van artikel 3 vastgestelde referentiejaar en de producten van de gebruikte categorieën, het totale aardolie-equivalent van het binnenlands verbruik ten minste 75 % van het binnenlandse verbruik bedraagt, volgens de in bijlage II vervatte berekeningsmethode.
Per door een lidstaat gekozen categorie komt de speciale voorraad die de lidstaat verklaart in stand te zullen houden, overeen met een bepaald aantal keer het daggemiddelde van het verbruik berekend op basis van hun aardolie-equivalent, gedurende het volgens de regels van artikel 3 vastgestelde referentiejaar.
De aardolie-equivalenten als bedoeld in de eerste en de tweede alinea worden berekend door de som van het aggregaat „waargenomen bruto binnenlandse leveringen”, in de zin van punt 3.2.2.11. van bijlage C bij Verordening (EG) nr. 1099/2008, voor de producten van de gebruikte of betrokken categorieën, te vermenigvuldigen met een factor 1,2. Bunkervoorraden van de internationale zeescheepvaart worden niet meegerekend.
4. Elke lidstaat die heeft besloten speciale voorraden aan te houden, stuurt de Commissie hiervan een in het Publicatieblad van de Europese Unie bekend te maken kennisgeving, waarin de omvang van de voorraden en de duur van de opslag worden vermeld, met dien verstande dat de minimumduur ten minste één jaar bedraagt. De minimumomvang waarvan kennis is gegeven is gelijkelijk van toepassing op alle door een lidstaat toegepaste categorieën van de speciale voorraden.
De lidstaat zorgt ervoor dat de speciale voorraden gedurende de gehele door de kennisgeving bestreken termijn worden aangehouden, onverminderd het recht om de voorraad tijdelijk te verminderen, uitsluitend wegens vervanging van de individuele voorraden.
De lijst van de door een lidstaat gehanteerde categorieën blijft ten minste één jaar van kracht, en kan slechts met ingang van een nieuwe kalendermaand worden gewijzigd.
5. Elke lidstaat die zich niet voor de gehele duur van een kalenderjaar ertoe heeft verbonden een speciale voorraad van ten minste dertig dagen aan te houden, zorgt ervoor dat hij de verplichte voorraden ten belope van ten minste één derde aanhoudt in de vorm van producten die overeenkomstig de leden 2 en 3 zijn samengesteld.
De lidstaat voor wiens rekening minder dan 30 dagen speciale voorraden worden aangehouden, stelt een jaarverslag op waarin een analyse wordt gemaakt van de door zijn autoriteiten genomen maatregelen om de in artikel 5 bedoelde beschikbaarheid en materiële toegankelijkheid van zijn veiligheidsvoorraden te verzekeren en na te gaan, en waarin met documentatie wordt gestaafd welke regelingen zijn getroffen om de lidstaten in staat te stellen toezicht te houden op het gebruik van deze voorraden in geval van verstoring van de voorziening. Dit verslag wordt voor het einde van de eerste maand van het kalenderjaar waarop het betrekking heeft, bij de Commissie ingediend.
Artikel 10
Beheer van de speciale voorraden
1. Elke lidstaat houdt een gedetailleerd en voortdurend geactualiseerd register bij van alle speciale voorraden die op zijn grondgebied worden aangehouden. In dit register staat met name alle informatie waarmee de exacte locatie van deze voorraden kan wordt bepaald.
Voorts verstrekt de lidstaat de Commissie op haar verzoek, binnen vijftien dagen, een volledig exemplaar van het register. Gevoelige gegevens omtrent de locatie van de voorraden kunnen daarin worden weggelaten. Het verzoek mag niet later dan vijf jaar na het tijdstip waarop de gevraagde gegevens betrekking hebben, worden gedaan.
2. Indien de speciale voorraden zijn samengevoegd met andere olievoorraden, nemen de lidstaten of hun centrale eenheden de noodzakelijke maatregelen om te voorkomen dat deze samengevoegde producten, voor zover ze deel uitmaken van de speciale voorraden, worden verplaatst zonder dat de eigenaar van de speciale voorraden en de autoriteiten van, of de centrale entiteit die is ingesteld door, de lidstaat op welks grondgebied de voorraden zich bevinden, daarin vooraf schriftelijk hebben toegestemd.
3. De lidstaten nemen de noodzakelijke maatregelen om alle op hun grondgebied opgeslagen of over hun grondgebied vervoerde speciale voorraden onvoorwaardelijke bescherming tegen executiemaatregelen te verlenen, ongeacht of het hun eigen voorraden dan wel de voorraden van andere lidstaten betreft.
Artikel 11
Gevolg van delegatie
De in de artikelen 7 en 8 bedoelde delegatie laat de overeenkomstig deze richtlijn aan elke lidstaat opgelegde verplichtingen onverlet.
Artikel 12
Statistisch overzicht van de in artikel 3 bedoelde voorraden
1. Van de krachtens artikel 3 aan te houden voorraden stelt elke lidstaat statistische overzichten op, die hij volgens de in bijlage IV genoemde regels aan de Commissie doet toekomen.
2. De regels voor het opstellen, de omvang, de inhoud en de frequentie van de in lid 1 genoemde overzichten, alsmede de termijnen van indiening kunnen worden gewijzigd volgens de in artikel 23, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure. De regels voor indiening van de overzichten bij de Commissie, kunnen eveneens worden gewijzigd volgens de in artikel 23, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure.
3. De lidstaten mogen in hun statistische overzichten van de veiligheidsvoorraden geen hoeveelheden ruwe aardolie of aardolieproducten opnemen waarop beslag rust of waarvoor executiemaatregelen zijn genomen. Dit geldt ook voor alle voorraden van bedrijven die in staat van faillissement zijn of met hun schuldeisers een akkoord zijn overeengekomen.
Artikel 13
Statistisch overzicht van de speciale voorraden
1. Elke betrokken lidstaat stelt per productcategorie een statistisch overzicht op van de op de laatste dag van iedere maand aanwezige voorraden, onder opgave van de hoeveelheid en het aantal dagen gemiddeld verbruik tijdens het referentiejaar dat die voorraden vertegenwoordigen, en verstrekt dit overzicht aan de Commissie. Indien een deel van deze speciale voorraden buiten het nationale grondgebied is opgeslagen, doet de lidstaat nauwkeurig opgave van de voorraden die worden aangehouden in of via de verschillende lidstaten en centrale entiteiten. Hij geeft bovendien nauwkeurig aan of deze voorraden volledig zijn eigendom zijn dan wel of zijn centrale entiteit deze geheel of ten dele in eigendom heeft.
2. Elke betrokken lidstaat maakt voor iedere overeenkomstig artikel 9, lid 4, bepaalde productcategorie eveneens een overzicht van de speciale voorraden die zich op de laatste dag van iedere kalendermaand op zijn grondgebied bevinden en toebehoren aan andere lidstaten of centrale entiteiten en verstrekt dit overzicht aan de Commissie. In dit overzicht vermeldt de lidstaat bovendien per geval de naam van de lidstaat of de desbetreffende centrale entiteit, alsmede de hoeveelheden.
3. De in de leden 1 en 2 bedoelde statistische overzichten worden ingediend in de kalendermaand volgend op de maand waarop zij betrekking hebben.
4. Een kopie van het statistisch overzicht moet onmiddellijk worden verstrekt, indien de Commissie, uiterlijk vijf jaar na het tijdstip waarop de gevraagde gegevens betrekking hebben, daarom verzoekt.
5. De omvang, de inhoud en de frequentie van de statistische overzichten alsmede de termijnen van indiening kunnen worden gewijzigd volgens de regelgevingsprocedure als bedoeld in artikel 23, lid 2. De regels voor indiening van de overzichten bij de Commissie, kunnen eveneens worden gewijzigd volgens de in artikel 23, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure.
Artikel 14
Overzicht van de handelsvoorraden
1. De lidstaten verstrekken de Commissie maandelijks een statistisch overzicht van de op hun grondgebied aangehouden handelsvoorraden. Zij zorgen er hierbij voor dat gevoelige gegevens worden beschermd en vermelden de namen van de eigenaren van de voorraden niet.
2. De Commissie publiceert maandelijks, op basis van de door de lidstaten verstrekte overzichten, een statistisch overzicht van de handelsvoorraden in de Gemeenschap, waarbij zij de totale hoeveelheden aangeeft.
3. De voorschriften voor het indienen en publiceren van de statistische overzichten alsmede voor de frequentie ervan kunnen worden gewijzigd volgens de regelgevingsprocedure als bedoeld in artikel 23, lid 2.
Artikel 15
Verwerking van de gegevens
De Commissie draagt zorg voor de ontwikkeling, het onderbrengen, het beheer en het onderhoud van de computervoorzieningen die nodig zijn voor de ontvangst, de opslag en alle soorten verwerking van de gegevens in de statistische overzichten en van alle informatie die de lidstaten verstrekken of de diensten van de Commissie verzamelen krachtens deze richtlijn, alsmede van de gegevens over de aardolievoorraden die worden verzameld krachtens Verordening nr. 1099/2008 en die nodig zijn voor de overzichten die op grond van deze richtlijn moeten worden opgesteld.
Artikel 16
Biobrandstoffen en additieven
1. Biobrandstoffen en toevoegingen worden slechts meegeteld bij de berekening van de in de artikelen 3 en 9 vervatte opslagverplichting, indien zij zijn vermengd met de desbetreffende aardolieproducten.
2. Bij de berekening van de werkelijk in opslag gehouden voorraden worden biobrandstoffen en toevoegingen slechts meegeteld:
indien ze zijn vermengd met de desbetreffende aardolieproducten, of
ze zijn opgeslagen op het grondgebied van de betrokken lidstaat en mits de lidstaat voorschriften heeft vastgesteld volgens welke ze bestemd zijn om te worden gemengd met aardolieproducten die worden aangehouden overeenkomstig de opslagverplichtingen van deze richtlijn, en om bij vervoer te worden gebruikt.
3. De regels voor het meetellen van biobrandstoffen en additieven bij de berekening van de opslagverplichting en de voorraden in de zin van de leden 1 en 2 kunnen worden gewijzigd volgens de in artikel 23, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure.
Artikel 17
Coördinatiegroep aardolie en aardolieproducten
1. Er wordt een coördinatiegroep aardolie en aardolieproducten ingesteld („de coördinatiegroep”). De coördinatiegroep is een adviesgroep die meehelpt de situatie in de Gemeenschap te analyseren met betrekking tot het veiligstellen van de voorziening met aardolie en aardolieproducten, en de coördinatie en de toepassing van maatregelen op dat gebied bevordert.
2. De coördinatiegroep is samengesteld uit vertegenwoordigers van de lidstaten. Zij wordt voorgezeten door de Commissie. Vertegenwoordigende instanties van de betrokken sector kunnen op uitnodiging van de Commissie aan de werkzaamheden van de coördinatiegroep deelnemen.
Artikel 18
Controle van de voorbereiding op crisissituaties en van de voorraadopslag
1. De Commissie kan in coördinatie met de lidstaten verificaties uitvoeren om na te gaan in hoeverre deze zijn voorbereid op crisissituaties en, indien zij dit passend acht, de desbetreffende voorraadopslag controleren. Bij de voorbereiding van deze controles houdt de Commissie rekening met de door andere instellingen en internationale organisaties geleverde inspanningen, en raadpleegt zij de coördinatiegroep.
2. De coördinatiegroep kan besluiten erkende gemachtigden en vertegenwoordigers van andere lidstaten aan de controle te laten deelnemen. De controleurs kunnen worden vergezeld door daartoe aangewezen nationale ambtenaren van de beoordeelde lidstaat. Binnen een week nadat een controle in de zin van lid 1 is aangekondigd, worden gevoelige gegevens over de locatie van de voorraden, bedoeld in de artikelen 6 en 9, die de betrokken lidstaat niet ter kennis van de Commissie heeft gebracht, door hem ter beschikking van de functionarissen of gemachtigden van de Commissie gesteld.
3. De lidstaten dragen er zorg voor dat hun autoriteiten, alsook degenen die ermee zijn belast de crisisvoorraden en de speciale voorraden aan te houden en te beheren, toestemmen in inspecties, en assistentie verlenen aan de personen die de Commissie heeft gemachtigd om de controle te verrichten. In het bijzonder zorgen de lidstaten ervoor dat deze personen het recht hebben inzage te nemen van alle documenten en registers betreffende de voorraden, en toegang krijgen tot alle locaties waar voorraden worden aangehouden, en tot alle desbetreffende documenten.
4. De resultaten van de controle worden aan de beoordeelde lidstaat toegezonden en kunnen ook aan de coördinatiegroep worden bezorgd.
5. De lidstaten en de Commissie zorgen ervoor dat noch de ambtenaren, gemachtigden en andere personen die onder toezicht van de Commissie werken, noch de leden van de coördinatiegroep, toestaan dat de krachtens dit artikel verzamelde of uitgewisselde informatie, die uit haar aard onder het beroepsgeheim valt, zoals de identiteit van de eigenaren van de voorraden, wordt onthuld.
6. Het verzamelen van persoonsgegevens behoort niet tot de doelstellingen van de onder lid 1 bedoelde controles. Eventueel tijdens de controles gevonden of aangetroffen persoonsgegevens worden niet verzameld en evenmin in aanmerking genomen; per ongeluk verzamelde gegevens worden onmiddellijk vernietigd.
7. De lidstaten nemen de nodige maatregelen om te waarborgen dat de gegevens, stukken, overzichten en bescheiden met betrekking tot de veiligheidsvoorraden en de speciale voorraden voor de duur van ten minste vijf jaar bewaard blijven.
Artikel 19
Bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van gegevens
Deze richtlijn maakt in geen enkel opzicht inbreuk op het beschermingsniveau van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens als gewaarborgd door het communautaire recht en het nationale recht, en wijzigt met name in geen enkel opzicht de verplichtingen die de lidstaten inzake de door hen uitgevoerde verwerking van persoonsgegevens bij Richtlijn 95/46/EG zijn opgelegd, noch de verplichtingen die de communautaire instellingen en organen zijn opgelegd bij Verordening (EG) nr. 45/2001 in verband met de verwerking van persoonsgegevens tijdens de uitoefening van hun taken.
Artikel 20
Crisisprocedures
1. De lidstaten dragen er zorg voor dat er procedures voorhanden zijn en er de noodzakelijke maatregelen zijn getroffen die hun bevoegde overheden in staat stellen om in geval van een belangrijke onderbreking van de voorziening op een snelle, doeltreffende en transparante wijze alle of een deel van hun veiligheidsvoorraden en hun speciale voorraden in omloop te brengen en naargelang het verwachte bevoorradingstekort het verbruik in het algemeen of meer specifiek te beperken, onder meer door bepaalde categorieën verbruikers met voorrang aardolieproducten toe te wijzen.
2. De lidstaten houden bij voortduring crisisplannen in gereedheid die bij een belangrijke onderbreking van de voorziening kunnen worden uitgevoerd. De lidstaten zorgen voor de organisatorische maatregelen die noodzakelijk zijn om dergelijke plannen te kunnen uitvoeren. De lidstaten stellen de Commissie desgevraagd in kennis van hun crisisplannen en de daarmee verband houdende organisatorische maatregelen.
3. In geval van een geldend internationaal besluit om voorraden in omloop te brengen, dat één of meer lidstaten raakt:
kunnen de lidstaten hun veiligheidsvoorraden en hun speciale voorraden gebruiken om te voldoen aan de internationale verplichtingen die uit dat besluit voortvloeien. In dat geval informeert de lidstaat onmiddellijk de Commissie, die de coördinatiegroep kan bijeenroepen of de leden ervan langs elektronische weg kan raadplegen om met name de gevolgen van het in omloop brengen te beoordelen;
moet de Commissie de lidstaten aanbevelen hun crisisvoorraden of speciale voorraden geheel of gedeeltelijk in omloop te brengen of andere maatregelen van gelijke werking te treffen naargelang zulks passend wordt geacht. De Commissie kan pas een besluit nemen na raadpleging van de coördinatiegroep.
4. Indien, bij gebreke van een vigerend internationaal besluit om voorraden in omloop te brengen, zich problemen voordoen met de voorziening met ruwe aardolie of aardolieproducten in de Gemeenschap of een lidstaat, stelt de Commissie in voorkomend geval het IEA op de hoogte en regelt zij een passende coördinatie met dit agentschap, en organiseert zij, op verzoek van een lidstaat of op eigen initiatief, zo spoedig mogelijk overleg met de coördinatiegroep. Indien een lidstaat om het overleg met de coördinatiegroep verzoekt, wordt dit georganiseerd binnen vier dagen na het verzoek, tenzij de lidstaat instemt met een langere termijn. De coördinatiegroep onderzoekt de situatie, en op basis van haar bevindingen stelt de Commissie vast of er sprake is van een belangrijke onderbreking van de voorziening.
Indien wordt vastgesteld dat er sprake is van een belangrijke onderbreking van de voorziening, stemt de Commissie erin toe dat de crisisvoorraden en speciale voorraden in omloop worden gebracht ten belope van alle of een deel van de hoeveelheden die de betrokken lidstaten met dit doel hebben voorgesteld.
5. De lidstaten kunnen hun veiligheids- of speciale voorraden tot zover beneden het in deze richtlijn vastgestelde minimumniveau laten dalen als onmiddellijk noodzakelijk is voor een eerste reactie in geval van bijzondere urgentie of als antwoord op een plaatselijke crisis. Indien aldus voorraden in omloop worden gebracht delen de lidstaten de Commissie onverwijld mede om welke hoeveelheden het gaat. De Commissie geeft deze informatie aan de leden van de Coördinatiegroep door.
6. Indien de leden 3, 4 en 5 van toepassing zijn, mogen de lidstaten tijdelijk lagere voorraden aanhouden dan voorgeschreven in deze richtlijn. De Commissie bepaalt dan, op basis van de resultaten van het overleg van de coördinatiegroep en in voorkomend geval in coördinatie met het IEA, alsook met name met inachtneming van de situatie op de internationale markten voor aardolie en aardolieproducten, een redelijke termijn waarbinnen de lidstaten hun voorraden moeten aanvullen om weer te voldoen aan de minimale opslagverplichting.
7. De krachtens dit artikel door de Commissie genomen besluiten gelden onverminderd de andere internationale verplichtingen van de betrokken lidstaten.
Artikel 21
Sancties
De lidstaten stellen de sanctieregeling vast die geldt voor overtreding van de overeenkomstig deze richtlijn ingevoerde nationale bepalingen en nemen alle voor de uitvoering ervan noodzakelijke maatregelen. De sancties zijn doeltreffend, evenredig en afschrikkend. De Commissie wordt door de lidstaten uiterlijk 31 december 2012 van deze bepalingen, en zo spoedig mogelijk van elke latere wijziging in kennis gesteld.
Artikel 22
Evaluatie
De werking en de toepassing van deze richtlijn wordt uiterlijk 31 december 2015 door de Commissie geëvalueerd.
Artikel 23
Comitéprocedure
1. De Commissie wordt bijgestaan door een comité.
2. Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 5 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing.
Artikel 24
Intrekking
Richtlijn 73/238/EEG, Richtlijn 2006/67/EG en Beschikking 68/416/EEG worden met ingang van 31 december 2012 ingetrokken.
Verwijzingen naar de ingetrokken richtlijnen en de ingetrokken beschikking gelden als verwijzingen naar deze richtlijn.
Artikel 25
Omzetting
1. De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op 31 december 2012 aan deze richtlijn te voldoen.
In afwijking van lid 1 doen de lidstaten die op 31 december 2012 geen lid zijn van het IEA en wier binnenlands verbruik aan aardolieproducten volledig door invoer moet worden gedekt, de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op 31 december 2014 aan artikel 3, lid 1, van deze richtlijn te voldoen. Deze lidstaten blijven, tot deze bepalingen van kracht worden, aardolievoorraden aanhouden die overeenkomen met 81 maal het daggemiddelde van de netto-invoer.
Wanneer de lidstaten bepalingen aannemen, wordt in de bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor de verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.
2. De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mede die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.
Artikel 26
Inwerkingtreding
Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Artikel 27
Adressaten
Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.
BIJLAGE I
WIJZE VAN BEREKENING VAN HET AARDOLIE-EQUIVALENT VAN DE INGEVOERDE AARDOLIEPRODUCTEN
Om het in artikel 3 bedoelde aardolie-equivalent van de ingevoerde aardolieproducten te berekenen, gebruiken de lidstaten de volgende methode.
De som van de netto-invoer van ruwe aardolie, aardgascondensaten (NGL), raffinagegrondstoffen en overige koolwaterstoffen als gedefinieerd in hoofdstuk 3.4 van bijlage A bij Verordening (EG) nr. 1099/2008 ( 1 ), wordt berekend en gecorrigeerd voor eventuele voorraadschommelingen. Van het verkregen getal wordt één van de volgende getallen afgetrokken voor de opbrengst van nafta:
De som van de netto-invoer van alle overige aardolieproducten als gedefinieerd in hoofdstuk 3.4 van bijlage A bij Verordening (EG) nr. 1099/2008, zonder nafta, wordt berekend en gecorrigeerd voor eventuele voorraadschommelingen en vermenigvuldigd met factor 1,065.
Het aardolie-equivalent wordt verkregen door de eindbedragen van de stappen 1) en 2) bij elkaar op te tellen.
Bunkervoorraden van de internationale zeescheepvaart worden niet meegerekend.
BIJLAGE II
WIJZE VAN BEREKENING VAN HET AARDOLIE-EQUIVALENT VAN HET BINNENLANDS VERBRUIK
Voor de toepassing van artikel 3 wordt het aardolie-equivalent van het binnenlands verbruik als volgt berekend:
Het binnenlandse verbruik wordt gevormd door de som van uitsluitend de volgende producten uit het aggregaat „waargenomen bruto binnenlandse leveringen”, in de zin van punt 3.2.2.11 van bijlage C bij Verordening (EG) nr. 1099/2008: motorbenzine, vliegtuigbenzine, lichte reactiemotorbrandstof (reactiemotorbrandstof van het naftatype of JP4), reactiemotorbrandstof van het kerosinetype, andere kerosine, gasolie/dieselolie (aardoliedistillaat), stookolie (met hoog en laag zwavelgehalte) als gedefinieerd in hoofdstuk 3.4 van bijlage A bij Verordening (EG) nr. 1099/2008.
Bunkervoorraden van de internationale zeescheepvaart worden niet meegerekend.
Het aardolie-equivalent van het binnenlands verbruik wordt berekend door vermenigvuldiging met een factor 1,2.
BIJLAGE III
METHODEN VOOR HET BEREKENEN VAN HET NIVEAU VAN DE AANGEHOUDEN VOORRADEN
De onderstaande methoden worden gebruikt voor het berekenen van het niveau van de voorraden:
De lidstaten kunnen besluiten:
hetzij alle overige voorraden aardolieproducten op te nemen die in hoofdstuk 3.4 van bijlage A bij Verordening (EG) nr. 1099/2008 vermeld staan, en daarvan het equivalent in ruwe aardolie te berekenen door de hoeveelheden met een factor 1,065 te vermenigvuldigen, of
hetzij uitsluitend de voorraden van de volgende producten op te nemen: motorbenzine, vliegtuigbenzine, lichte reactiemotorbrandstof (reactiemotorbrandstof van het naftatype of JP4), reactiemotorbrandstof van het kerosinetype, andere kerosine, gasolie/dieselolie (aardoliedistillaat), stookolie (met laag en hoog zwavelgehalte), en daarvan het equivalent in ruwe aardolie te berekenen door de hoeveelheden met een factor 1,2 te vermenigvuldigen.
Bij de berekening van de voorraden worden in aanmerking genomen de voorraden die in opslag worden gehouden:
Met uitzondering echter van de opslag in tanks van raffinaderijen, de tankinhoud van pijpleidingen en in opslagterminals, mogen deze hoeveelheden bij de berekening van de speciale voorraden niet worden meegenomen indien deze speciale voorraden afzonderlijk van de veiligheidsvoorraden worden berekend.
Bij de berekening van de voorraden zijn altijd uitgesloten:
nog niet gewonnen ruwe aardolie;
de voorraden die worden gehouden:
Bij het berekenen van hun veiligheidsvoorraden verminderen de lidstaten de voorraden die overeenkomstig het bovenstaande zijn berekend met 10 %. Dit percentage dient op het totaal van de hoeveelheden die in een bepaalde berekening zijn meegenomen, in mindering te worden gebracht.
In afwijking van hetgeen in de voorgaande alinea vermeld staat, wordt bij het berekenen van het niveau van de speciale voorraden en bij het berekenen van de verschillende categorieën speciale voorraden geen 10 % in mindering gebracht indien deze speciale voorraden of categorieën afzonderlijk van de veiligheidsvoorraden worden beschouwd, met name om te controleren of het uit hoofde van artikel 9 verplichte minimumniveau in acht wordt genomen.
BIJLAGE IV
Voorwaarden voor het opstellen en indienen bij de Commissie van de statistische overzichten van de krachtens artikel 3 aan te houden voorraden
Elke lidstaat stelt maandelijks een definitief statistisch overzicht op van de op de laatste dag van elke kalendermaand aanwezige voorraden en verstrekt dit aan de Commissie, waarbij de berekening afhankelijk van het aangehouden criterium van artikel 3 hetzij gebaseerd is op het aantal dagen netto aardolie-invoer, hetzij op het aantal dagen binnenlands aardolieverbruik. De lidstaat geeft in het overzicht nauwkeurig gedetailleerd aan waarom de berekening is gebaseerd op het aantal invoerdagen of op het aantal verbruiksdagen, en vermeldt tevens welke van de in bijlage III genoemde methoden is gebruikt om de voorraden te berekenen.
Indien bepaalde voorraden bij het berekenen van het niveau, zoals bedoeld in artikel 3, buiten het nationale grondgebied worden aangehouden, vermeldt elk overzicht in detail de voorraden die door de verschillende lidstaten en centrale entiteiten op de laatste dag van de periode waarop het overzicht betrekking heeft, worden aangehouden. De lidstaat vermeldt bovendien in elk voorkomend geval in het overzicht of de voorraden worden aangehouden op basis van delegatie door een of meer marktdeelnemers, dan wel op eigen verzoek of op verzoek van zijn centrale entiteit.
Voor het totaal aan voorraden dat ten behoeve van andere lidstaten of centrale entiteiten op het nationale grondgebied wordt aangehouden, stelt de lidstaat per categorie product een overzicht op van de op de laatste dag van iedere kalendermaand aanwezige voorraden en verstrekt dit aan de Commissie. Het overzicht dient tevens in elk voorkomend geval de naam van de desbetreffende lidstaat of centrale entiteit, alsmede de hoeveelheden, te vermelden.
De in deze bijlage bedoelde statistische overzichten dienen binnen 55 dagen volgend op de maand waarop zij betrekking hebben, aan de Commissie te worden verstrekt. Deze overzichten moeten tevens, desgevraagd, binnen twee maanden aan de Commissie worden verstrekt. Het verzoek wordt gedaan uiterlijk vijf jaar na het tijdstip waarop de gevraagde gegevens betrekking hebben.
( 1 ) Zoals gewijzigd bij Verordening (EU) 2017/2010 van de Commissie van 9 november 2017.