2007R1386 — NL — 05.08.2009 — 002.001


Dit document vormt slechts een documentatiehulpmiddel en verschijnt buiten de verantwoordelijkheid van de instellingen

►B

VERORDENING (EG) Nr. 1386/2007 VAN DE RAAD

van 22 oktober 2007

tot vaststelling van instandhoudings- en handhavingsmaatregelen in het gereglementeerde gebied van de Visserijorganisatie voor het noordwestelijk deel van de Atlantische Oceaan

(PB L 318, 5.12.2007, p.1)

Gewijzigd bij:

 

 

Publicatieblad

  No

page

date

►M1

VERORDENING (EG) Nr. 538/2008 VAN DE RAAD van 29 mei 2008

  L 157

1

17.6.2008

►M2

VERORDENING (EG) Nr. 679/2009 VAN DE RAAD van 7 juli 2009

  L 197

1

29.7.2009




▼B

VERORDENING (EG) Nr. 1386/2007 VAN DE RAAD

van 22 oktober 2007

tot vaststelling van instandhoudings- en handhavingsmaatregelen in het gereglementeerde gebied van de Visserijorganisatie voor het noordwestelijk deel van de Atlantische Oceaan



DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 37,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Europees Parlement ( 1 ),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Het Verdrag inzake toekomstige multilaterale samenwerking op visserijgebied in het noordwestelijk deel van de Atlantische Oceaan, hierna „NAFO-verdrag” genoemd, is door de Raad bij Verordening (EEG) nr. 3179/78 van de Raad van 28 december 1978 betreffende de sluiting door de Europese Economische Gemeenschap van de Overeenkomst inzake toekomstige multilaterale samenwerking op visserijgebied in het noordwestelijk deel van de Atlantische Oceaan goedgekeurd ( 2 ) en op 1 januari 1979 in werking getreden.

(2)

Het NAFO-verdrag biedt een passend kader voor multilaterale samenwerking inzake rationele instandhouding en beheer van visbestanden in het in het verdrag vastgestelde gebied.

(3)

Tijdens haar 25e jaarlijkse vergadering, die van 15-19 september 2003 in Halifax plaatsvond, heeft de NAFO de instandhoudings- en handhavingsmaatregelen voor vissersvaartuigen die in het NAFO-gebied, buiten de onder de nationale jurisdictie van de verdragsluitende partijen vallende wateren, opereren, grondig herzien.

(4)

Die maatregelen omvatten tevens bepalingen ter bevordering van de naleving van de instandhoudings- en handhavingsmaatregelen door vaartuigen van niet-verdragsluitende partijen, opdat de instandhoudings- en beheersmaatregelen van de NAFO volledig worden nagekomen.

(5)

De maatregelen omvatten controlemaatregelen voor in het NAFO-gebied opererende vaartuigen die de vlag van een verdragsluitende partij voeren, alsook een regeling voor inspectie op zee en in havens, die onder meer voorziet in door de verdragsluitende partijen te volgen inspectie- en surveillanceprocedures en procedures bij overtredingen.

(6)

Het programma voorziet ook in verplichte inspectie van vaartuigen van niet-verdragsluitende partijen die uit eigen beweging in een haven van een verdragsluitende partij aanleggen, en in een verbod op aanvoer en overlading wanneer bij zo’n inspectie wordt geconstateerd dat de instandhoudingsmaatregelen van de NAFO zijn overtreden.

(7)

Overeenkomstig de artikelen 11 en 12 van het NAFO-verdrag zijn deze maatregelen op 1 januari 2004 in werking getreden en voor de verdragsluitende partijen bindend geworden; de maatregelen moeten door de Gemeenschap worden toegepast.

(8)

De meeste maatregelen van de NAFO zijn omgezet in Gemeenschapsrecht bij Verordening (EEG) nr. 1956/88 van de Raad van 9 juni 1988 tot vaststelling van bepalingen voor de toepassing van de door de Visserijorganisatie ( 3 ) voor het noordwestelijk deel van de Atlantische Oceaan (NAFO) vastgestelde Regeling inzake gezamenlijke internationale inspectie, Verordening (EEG) nr. 2868/88 van de Commissie van 16 september 1988 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de uitvoering van de door de Visserijorganisatie voor het noordwestelijk deel van de Atlantische Oceaan ( 4 ) vastgestelde Regeling inzake gezamenlijke internationale inspectie, Verordening (EEG) nr. 189/92 van de Raad van 27 januari 1992 tot vaststelling van bepalingen voor de toepassing van bepaalde controlemaatregelen van de Visserijorganisatie voor het noordwestelijk deel van de Atlantische Oceaan (NAFO) ( 5 ), Verordening (EG) nr. 3680/93 van de Raad van 20 december 1993 tot vaststelling van bepaalde maatregelen voor de instandhouding en het beheer van de visbestanden in het gereglementeerde gebied als omschreven in het Verdrag inzake toekomstige multilaterale samenwerking op visserijgebied in het noordwestelijk deel van de Atlantische Oceaan ( 6 ), Verordening (EG) nr. 3069/95 van de Raad van 21 december 1995 tot vaststelling van een waarnemersregeling van de Europese Gemeenschap voor vissersvaartuigen uit de Gemeenschap die vissen in het gereglementeerde gebied van de Visserijorganisatie voor het noordwestelijk deel van de Atlantische Oceaan (NAFO) ( 7 ) en bij Verordening (EG) nr. 1262/2000 van de Raad van 8 juni 2000 houdende vaststelling van controlemaatregelen ten aanzien van vaartuigen die de vlag voeren van landen die geen partij zijn bij de Visserijorganisatie voor het noordwestelijk deel van de Atlantische Oceaan (NAFO) ( 8 ).

(9)

Met het oog op de daadwerkelijke uitvoering van de herziene instandhoudings- en handhavingsmaatregelen van de NAFO moeten deze verordeningen worden ingetrokken en vervangen door één verordening waarin alle bepalingen inzake uit de verplichtingen van de Gemeenschap als verdragsluitende partij voortvloeiende visserijactiviteiten worden samengebracht en aangevuld.

(10)

Een aantal maatregelen van de NAFO is ook omgezet in Gemeenschapsrecht bij de jaarlijkse TAC- en quotaverordeningen, laatstelijk bij Verordening (EG) nr. 51/2006 van de Raad van 22 december 2005 tot vaststelling, voor 2006, van de vangstmogelijkheden voor sommige visbestanden en groepen visbestanden welke in de wateren van de Gemeenschap en, voor vaartuigen van de Gemeenschap, in andere wateren met vangstbeperkingen van toepassing zijn, en tot vaststelling van de bij de visserij in acht te nemen voorschriften ( 9 ). Soortgelijke bepalingen die niet van tijdelijke aard zijn, moeten naar de nieuwe verordening worden overgeheveld.

(11)

In 2002 is Verordening (EG) nr. 2371/2002 van de Raad van 20 december 2002 inzake de instandhouding en de duurzame exploitatie van de visbestanden in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid ( 10 ) aangenomen. Op grond van die verordening moeten de lidstaten de activiteiten van vissersvaartuigen die buiten de communautaire wateren hun vlag voeren, inspecteren.

(12)

Bij artikel 2, lid 3, van Verordening (EEG) nr. 2847/93 van de Raad van 12 oktober 1993 tot invoering van een controleregeling voor het gemeenschappelijk visserijbeleid ( 11 ) is bepaald dat iedere lidstaat ervoor zorgt dat de activiteiten van zijn vaartuigen buiten de communautaire visserijzone naar behoren worden gecontroleerd en, indien dergelijke communautaire verplichtingen bestaan, worden geïnspecteerd en gesurveilleerd om ervoor te zorgen dat de in deze wateren geldende communautaire regelgeving wordt nageleefd; bijgevolg moet worden bepaald dat de lidstaten waarvan de vaartuigen gerechtigd zijn om in het gereglementeerde NAFO-gebied te vissen, inspecteurs aanstellen om de controle- en surveillancewerkzaamheden te verrichten en toereikende inspectiemiddelen toewijzen.

(13)

Ten behoeve van de controle op de visserijactiviteiten in het gereglementeerde NAFO-gebied is het noodzakelijk dat de lidstaten onderling en met de Commissie samenwerken bij de toepassing van deze maatregelen.

(14)

De lidstaten dienen erop toe te zien dat hun inspecteurs de inspectieprocedures van de NAFO naleven.

(15)

Om ervoor te zorgen dat verdere instandhoudings- en handhavingsmaatregelen van de NAFO die verplicht worden voor de Gemeenschap, binnen het in het NAFO-verdrag vastgestelde tijdschema kunnen worden uitgevoerd, kan de Raad deze verordening met gekwalificeerde meerderheid van stemmen wijzigen op voorstel van de Commissie,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:



HOOFDSTUK I

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

Onderwerp

Bij deze verordening worden de bepalingen voor de toepassing van de door de Visserijorganisatie voor het noordwestelijk deel van de Atlantische Oceaan (NAFO) ingestelde instandhoudings- en handhavingsmaatregelen door de Gemeenschap vastgesteld.

Artikel 2

Toepassingsgebied

1.  De bepalingen van de hoofdstukken II-V van deze verordening zijn van toepassing op alle commerciële visserijactiviteiten van communautaire vissersvaartuigen die in het gereglementeerde NAFO-gebied vissen op soorten die onder het NAFO-verdrag vallen.

2.  Instandhoudings- en beheersmaatregelen met betrekking tot de visvangst, met name de maaswijdte, minimumafmetingen, gesloten gebieden en seizoenen gelden niet voor onderzoeksvaartuigen die in het gereglementeerde NAFO-gebied opereren.

Artikel 3

Definities

In deze verordening wordt verstaan onder:

1. „vissersvaartuig”: ieder vaartuig dat visserijactiviteiten uitoefent of heeft uitgeoefend, inclusief visverwerkende vaartuigen en vaartuigen waarop vangsten worden overgeladen of die andere werkzaamheden uitoefenen met het oog op het beoefenen van of in verband met de visvangst, inclusief experimentele visserij;

2. „onderzoeksvaartuig”: vaartuig dat permanent voor onderzoek wordt ingezet of vaartuig dat normaliter visserijactiviteiten of visserijondersteunende activiteiten uitoefent en wordt gebruikt of is gecharterd voor visserijonderzoek, waarvan naar behoren kennis is gegeven;

3. „visserijactiviteiten”: de visvangst, het be- en verwerken van vis, het overladen van vis of van producten op basis van vis en alle andere werkzaamheden met het oog op het beoefenen van of in verband met de visvangst in het gereglementeerde NAFO-gebied;

4. „inspecteur”: een inspecteur van de visserijcontrolediensten van de verdragsluitende partijen bij de NAFO die voor de gezamenlijke inspectie- en surveillanceregeling van de NAFO is aangewezen;

5. „visreis”: de periode die begint wanneer het vaartuig het gereglementeerde NAFO-gebied binnenvaart en eindigt wanneer het vaartuig het gereglementeerde gebied verlaat en alle vangsten uit het gereglementeerde gebied zijn gelost of overgeladen;

6. „vaartuig van een niet-verdragsluitende partij”: vaartuig dat is waargenomen of op andere wijze is geïdentificeerd en gerapporteerd terwijl het visserijactiviteiten in het gereglementeerde NAFO-gebied verricht en

a) dat de vlag voert van een staat die geen verdragsluitende partij bij het NAFO-verdrag is, of

b) ten aanzien waarvan een redelijk vermoeden bestaat dat het in geen enkel land is geregistreerd;

7. „IUU-visserij”: illegale, niet-gereglementeerde en niet-aangegeven visserijactiviteiten in het gereglementeerde NAFO-gebied;

8. „IUU-vaartuig”: vaartuig van een niet-verdragsluitende partij dat illegale, niet-gereglementeerde of niet-aangegeven visserijactiviteiten uitoefent in het gereglementeerde NAFO-gebied;

9. „IUU-lijst”: de lijst met de kenmerken van vaartuigen waarvan de NAFO heeft vastgesteld dat zij betrokken zijn geweest bij IUU-visserij;

10. „het gereglementeerde NAFO-gebied”: het in artikel 1 van het Verdrag inzake toekomstige multilaterale samenwerking op visserijgebied in het noordwestelijk deel van de Atlantische Oceaan (NAFO-verdrag) vastgestelde gebied;

11. „deelgebied”: gebied zoals omschreven in bijlage III bij het NAFO-verdrag;

12. „sector”: gebied zoals omschreven in bijlage III bij het NAFO-verdrag;

13. „quotum overige”: een quotum dat communautaire vaartuigen delen met vaartuigen die de vlag voeren van andere verdragsluitende partijen bij de NAFO;

14. „NAFO-regeling”: de door de NAFO vastgestelde gezamenlijke inspectie- en surveillanceregeling;

15. „instandhoudings- en handhavingsmaatregelen van de NAFO”: door de Visserijcommissie en de Algemene Raad van de NAFO vastgestelde instandhoudings- en handhavingsmaatregelen;

16. „visserijlogboek”: logboek in de zin van Verordening (EEG) nr. 2807/83 van de Commissie ( 12 ) waarin visserijactiviteiten en vangsten worden geregistreerd;

17. „productielogboek”: logboek waarin de vis in productvorm wordt vermeld;

18. „capaciteitsplan”: tekening of beschrijving van de opslagcapaciteit in kubieke meter van het ruim en andere opslagplaatsen aan boord van een vissersvaartuig;

19. „opslagplattegrond”: tekening waarop de plaats is aangegeven waar de vis wordt opgeslagen in het ruim of andere opslagplaatsen aan boord van een vissersvaartuig;

▼M1

20. „overlading”: de overbrenging, van een vaartuig naar een ander vaartuig, van een hoeveelheid aan boord gehouden vis of visserijproducten.

▼M2

21. „bodemvisserijactiviteiten”: visserijactiviteiten waarbij het vistuig gedurende het normale verloop van de visserij in contact komt of wellicht in contact komt met de zeebodem.

22. „bestaande bodemvisserijgebieden”: gebieden waarin volgens VMS-gegevens en/of andere beschikbare geografische referentiegegevens ten minste twee jaar bodemvisserijactiviteiten zijn uitgeoefend gedurende een referentieperiode van 1987 tot en met 2007.

23. „nieuwe bodemvisserijgebieden”: gebieden waarin bodemvisserijactiviteiten worden uitgevoerd en die geen bestaand bodemvisserijgebied zijn.

▼B



HOOFDSTUK II

TECHNISCHE MAATREGELEN

Artikel 4

Aan boord gehouden bijvangst

1.  Vaartuigen beperken hun bijvangst tot 2 500 kg of 10 %, afhankelijk van welke hoeveelheid het grootst is, voor elke door de NAFO gereglementeerde soort waarvoor geen quotum aan de Gemeenschap is toegewezen.

2.  Indien er een vangstverbod geldt of een quotum „overige” volledig is opgebruikt, mag de bijvangst van een soort niet meer bedragen dan 1 250 kg of 5 %, afhankelijk van welke hoeveelheid het grootst is.

3.  De in de leden 1 en 2 vermelde percentages worden berekend in procenten van een soort in het gewicht van de totale aan boord gehouden vangst. Vangsten van garnaal worden niet in aanmerking genomen bij de berekening van het percentage van de bijvangst van bodemvissoorten.

Artikel 5

Bijvangst per trek

1.  Indien het percentage bijvangst bij een gegeven trek de in artikel 4, leden 1 en 2, vastgestelde percentages overschrijdt, verplaatst het vaartuig zich onmiddellijk ten minste 10 zeemijl van eender welke bij de vorige trek aangehouden positie en houdt het gedurende de gehele volgende trek een afstand van minstens 10 zeemijl van eender welke bij de vorige trek aangehouden positie. Indien bij de volgende trek na de verplaatsing de bijvangstpercentages worden overschreden, dient het vaartuig de sector te verlaten en mag het er gedurende ten minste 60 uur niet terugkomen.

2.  Indien de totale bijvangst van alle aan quota onderworpen bodemvissoorten bij een gegeven trek in de visserij op garnaal meer bedraagt dan 5 % in gewicht in sector 3M of 2,5 % in gewicht in sector 3L, verplaatst het vaartuig zich onmiddellijk ten minste 10 zeemijl van eender welke bij de vorige trek aangehouden positie en houdt het gedurende de gehele volgende trek een afstand van minstens 10 zeemijl van eender welke bij de vorige trek aangehouden positie. Indien bij de volgende trek na de verplaatsing de bijvangstpercentages worden overschreden, dient het vaartuig de sector te verlaten en mag het er gedurende ten minste 60 uur niet terugkomen.

3.  Het per trek toegestane bijvangstpercentage wordt berekend in procenten van een soort in het gewicht van de totale aan boord gehouden vangst.

Artikel 6

Gerichte visserij en bijvangst

1.  De kapiteins van vissersvaartuigen van de Gemeenschap mogen niet gericht vissen op soorten waarvoor bijvangstbeperkingen gelden. Er wordt aangenomen dat er gericht op een soort wordt gevist wanneer die soort in gewicht procentueel het grootste deel van de vangst per trek uitmaakt.

2.  De eerste keer dat bij de gerichte visserij op rog met een voor die tak toegestane maaswijdte de vangsten van soorten waarvoor bijvangstbeperkingen gelden, procentueel het grootste deel van de totale vangst van de trek uitmaken, zal echter worden aangenomen dat er sprake is van toeval. In dergelijk geval verplaatst het vaartuig zich onmiddellijk overeenkomstig artikel 5, leden 1 en 2.

3.  Na gedurende ten minste 60 uur, overeenkomstig het bepaalde in artikel 5, leden 1 en 2, uit een sector te zijn weggebleven, laat de kapitein van een vaartuig van de Gemeenschap een proeftrek uitvoeren die ten hoogste drie uur duurt. In afwijking van het bepaalde in lid 1 wordt een dergelijke trek waarbij de vangsten van soorten waarvoor bijvangstbeperkingen gelden, procentueel het grootste deel van de totale vangst van de trek uitmaken, niet als gerichte visserij beschouwd. In dergelijk geval verplaatst het vaartuig zich onmiddellijk overeenkomstig artikel 5, leden 1 en 2.

▼M2

4.  De kapiteins van vaartuigen van de Gemeenschap registreren de coördinaten van de begin- en eindlocatie van elke overeenkomstig lid 3 uitgevoerde proeftrek.

▼B

Artikel 7

Maaswijdte

1.  Bij de gerichte visserij op de in bijlage I vermelde bodemvissoorten mogen geen sleepnetten worden gebruikt met waar dan ook mazen van minder dan 130 mm, behalve bij de visserij op Sebastes mentella, vermeld in lid 3. Bij de gerichte visserij op kortvinnige pijlinktvissen (Illex illecebrosus) mag de maaswijdte niet kleiner zijn dan 60 mm. Voor de gerichte visserij op roggen (Rajidae) wordt deze maaswijdte vergroot tot ten minste 280 mm in de kuil en 220 mm in alle andere delen van het sleepnet.

2.  Vaartuigen die op Noordse garnaal (Pandalus borealis) vissen, gebruiken netten met een maaswijdte van ten minste 40 mm.

3.  Vaartuigen die in deelgebied 2 en de sectoren F en 3K vissen op Sebastes mentella (diepzeeroodbaars), gebruiken netten waarvan de maaswijdte niet kleiner is dan 100 mm.

▼M1

4.  Vaartuigen waarmee met pelagische trawls op roodbaars in sector 3O wordt gevist, gebruiken netten met een minimummaaswijdte van 90 mm.

▼M2

5.  Vaartuigen waarmee gericht wordt gevist op andere dan de in de leden 1, 2 en 3 van dit artikel vermelde soorten, mogen gereglementeerde soorten vangen met netten met een maaswijdte die kleiner is dan de in die leden bepaalde grootte, op voorwaarde dat is voldaan aan de in artikel 4 gestelde eisen betreffende bijvangsten.

▼B

Artikel 8

Netten aan boord

1.  Bij gerichte visserij op een of meer van de door de NAFO gereglementeerde soorten zijn geen netten aan boord die een kleinere maaswijdte hebben dan in artikel 7 is vastgesteld.

▼M2

2.  De vaartuigen van de Gemeenschap waarmee buiten het gereglementeerde NAFO-gebied wordt gevist, mogen netten met een maaswijdte die kleiner is dan de in artikel 7 bepaalde grootte aan boord hebben, op voorwaarde dat deze zijn vastgesjord en opgeborgen, en niet onmiddellijk kunnen worden gebruikt.

▼B

Artikel 9

Aan netten aangebrachte voorzieningen

1.  Het gebruik van andere dan de in dit artikel vermelde voorzieningen die de mazen van het net versperren of de maaswijdte verkleinen, is verboden.

2.  Zeildoek, want of ander materiaal mag aan de onderzijde van de kuil van het net worden bevestigd om beschadiging te verminderen of te voorkomen.

3.  Er mogen voorzieningen aan de bovenzijde van de kuil worden bevestigd, mits de mazen van de kuil daardoor niet worden versperd. Alleen de in bijlage V vermelde bovennetbeschermers zijn toegestaan.

4.  Vaartuigen die op garnaal (Pandalus borealis) vissen, gebruiken een sorteerrooster met een maximumafstand van 22 mm tussen de staven. Vaartuigen die vissen op garnaal in sector 3L gebruiken bovendien voor het bevestigen van de klossenpees kettingen van minimaal 72 cm, zoals beschreven in bijlage VI.

Artikel 10

Minimummaat van de vissen

1.  Vis uit het gereglementeerde NAFO-gebied die niet de in bijlage III vermelde minimummaat heeft, mag niet worden verwerkt of aan boord worden gehouden, noch worden overgeladen, aangevoerd, vervoerd, opgeslagen, verkocht, uitgestald of te koop aangeboden, maar wordt onmiddellijk in zee teruggezet nadat hij uit het net is gehaald of uit zee is verwijderd.

2.  Als de gevangen hoeveelheid ondermaatse vis meer bedraagt dan 10 % van de totale vangst, moet het vissersvaartuig zich ten minste vijf zeemijl van alle posities tijdens de vorige trek verwijderen alvorens verder te vissen. Als verwerkte vis van de soorten waarvoor een minimummaat is vastgesteld, kleiner is dan de betrokken in bijlage III vastgestelde grootte, wordt die verwerkte vis geacht afkomstig te zijn van ondermaatse vis.

▼M2

Artikel 11

Bijzondere bepalingen voor de garnalenvisserij in sector 3L

In sector 3L mag uitsluitend op garnaal worden gevist in wateren van ten minste 200 m diep.

Artikel 12

Voor de visserij beperkte gebieden

1.  Het uitvoeren van bodemvisserijactiviteiten is verboden in de volgende gebieden:



Gebied

Coördinaat 1

Coördinaat 2

Coördinaat 3

Coördinaat 4

Orphan Knoll

50.00.30 NB

45.00.30 WL

51.00.30 NB

45.00.30 WL

51.00.30 NB

47.00.30 WL

50.00.30 NB

47.00.30 WL

Corner

Seamounts

35.00.00 NB

48.00.00 WL

36.00.00 NB

48.00.00 WL

36.00.00 NB

52.00.00 WL

35.00.00 NB

52.00.00 WL

Newfoundland

Seamounts

43.29.00 NB

43.20.00 WL

44.00.00 NB

43.20.00 WL

44.00.00 NB

46.40.00 WL

43.29.00 NB

46.40.00 WL

New England

Seamounts

35.00.00 NB

57.00.00 WL

39.00.00 NB

57.00.00 WL

39.00.00 NB

64.00.00 WL

35.00.00 NB

64.00.00 WL

Fogo

Seamount 1

42.31.33 NB

53.23.17 WL

42.31.33 NB

52.33.37 WL

41.55.48 NB

53.23.17 WL

41.55.48 NB

52.33.37 WL

Fogo

Seamount 2

41.07.22 NB

52.27.49 WL

41.07.22 NB

51.38.10 WL

40.31.37 NB

52.27.49 WL

40.31.37 NB

51.38.10 WL

2.  Het gebied in NAFO-sector 30 dat binnen de volgende onderling verbonden coördinaten valt (in volgorde van nummering en terug tot coördinaat 1, wordt gesloten voor alle bodemvisserijactiviteiten:



Coördinaat nr.

Breedte

Lengte

1

42°53′00″NB

51°00′00″WL

2

42°52′04″NB

51°31′44″WL

3

43°24′13″NB

51°58′12″WL

4

43°24′20″NB

51°58′18″WL

5

43°39′38″NB

52°13′10″WL

6

43°40′59″NB

52°27′52″WL

7

43°56′19″NB

52°39′48″WL

8

44°04′53″NB

52°58′12″WL

9

44°18′38″NB

53°06′00″WL

10

44°18′36″NB

53°24′07″WL

11

44°49′59″NB

54°30′00″WL

12

44°29′55″NB

54°30′00″WL

13

43°26′59″NB

52°55′59″WL

14

42°48′00″NB

51°41′06″WL

15

42°33′02″NB

51°00′00″WL

▼M2



HOOFDSTUK II bis

BESCHERMING VAN KWETSBARE MARIENE ECOSYSTEMEN

Artikel 12 bis

Definitie van kwetsbare mariene ecosystemen

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder „kwetsbare mariene ecosystemen”:

a) mariene ecosystemen die uniek zijn of die zeldzame soorten bevatten waarvan het verlies niet door soortgelijke gebieden of ecosystemen kan worden gecompenseerd. Het gaat hierbij onder meer om:

i) habitats die endemische soorten bevatten;

ii) habitats van zeldzame of bedreigde soorten die slechts in specifieke gebieden voorkomen;

iii) kraamgebieden of specifieke voeder-, broed-, of paaigebieden;

b) mariene ecosystemen die noodzakelijk zijn voor het overleven, functioneren, paaien/voortplanten of herstellen van visbestanden, dieren in specifieke levensfasen (bijv. kraam- of kweekgebieden) of zeldzame of bedreigde mariene soorten;

c) mariene ecosystemen die zeer vatbaar zijn voor achteruitgang als gevolg van antropogene activiteiten;

d) mariene ecosystemen die worden gekenmerkt door populaties of groepen van soorten met één of meer van de volgende kenmerken:

i) langzame groei;

ii) late volwassenheid;

iii) lage of onvoorspelbare rekrutering, of

iv) lange levensduur;

e) mariene ecosystemen die worden gekenmerkt door complexe fysieke structuren die tot stand zijn gebracht door belangrijke concentraties van biotische en abiotische kenmerken. In deze ecosystemen zijn de ecologische processen gewoonlijk zeer afhankelijk van deze gestructureerde systemen. Bovendien bestaat er in dergelijke ecosystemen vaak een hoge diversiteit, die afhangt van de structuurorganismen.

Artikel 12 ter

Definitie van significante negatieve effecten

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder „significante negatieve effecten”: effecten die de structuur of functie van het ecosysteem in het gedrang kunnen brengen op een manier die:

a) de mogelijkheid van de getroffen populaties om zichzelf te herstellen, in gevaar brengt;

b) de natuurlijke langetermijnproductiviteit van habitats in gevaar brengt, of

c) op een meer dan tijdelijke basis leidt tot een aanzienlijk verlies van soortenrijkdom, habitats of gemeenschapstypes.

Artikel 12 quater

Definitie van indicatorsoorten van kwetsbare mariene ecosystemen

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder „indicatorsoorten van kwetsbare mariene ecosystemen”: de antipatharia, gorgonacea, velden van kokeranemonen, lophelia en velden van zeeveren.

Artikel 12 quinquies

Definitie van een contact met kwetsbare mariene ecosystemen

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder „contact met kwetsbare mariene ecosystemen”: de vangst, per uitzetting, van indicatorsoorten van kwetsbare mariene ecosystemen, boven de drempel van 100 kg levend koraal en/of 1 000 kg levende sponzen.

Artikel 12 sexies

Beoordeling van de bodemvisserij

1.  Lidstaten waarvan de vaartuigen in het gereglementeerde gebied van de NAFO bodemvisserijactiviteiten willen uitoefenen, verrichten in 2009 een beoordeling van de gekende en verwachte effecten van die activiteiten op kwetsbare mariene ecosystemen. De lidstaten laten bodemvisserijactiviteiten alleen toe wanneer uit de beoordeling is gebleken dat dergelijke activiteiten waarschijnlijk geen significante negatieve effecten zullen hebben op kwetsbare mariene ecosystemen.

2.  Voor de uitvoering van de in lid 1 bedoelde effectbeoordeling baseren de lidstaten zich op de beste beschikbare wetenschappelijke en technische informatie over de locatie van kwetsbare mariene ecosystemen in de gebieden waar hun vissersvaartuigen voornemens zijn te vissen. Deze informatie bevat, voor zover deze voorhanden zijn, wetenschappelijke gegevens op basis waarvan de vermoedelijke aanwezigheid van dergelijke ecosystemen kan worden ingeschat.

3.  In de in het kader van de in lid 1 bedoelde beoordeling uitgevoerde risico-evaluatie van de significante negatieve effecten op kwetsbare mariene ecosystemen dient rekening te worden gehouden met de diverse omstandigheden in nieuwe bodemvisserijgebieden en bestaande bodemvisserijgebieden.

4.  De lidstaten bezorgen de in lid 1 bedoelde beoordeling zo snel mogelijk en niet later dan 30 juni 2009 aan de Commissie. De beoordeling dient vergezeld te gaan van een beschrijving van de geplande risicobeperkingsmaatregelen ter voorkoming van de significante negatieve effecten op kwetsbare mariene ecosystemen. De Commissie zendt deze informatie onverwijld door aan het NAFO-secretariaat.

Artikel 12 septies

Bodemvisserijactiviteiten in nieuwe bodemvisserijgebieden

1.  Alle visserijactiviteiten in nieuwe bodemvisserijgebieden of met niet eerder in het betrokken gebied gebruikt bodemvistuig worden beschouwd als experimentele visserij en dienen te worden uitgevoerd overeenkomstig een protocol voor experimentele visserij als bedoeld in lid 2.

2.  Lidstaten waarvan de vaartuigen voornemens zijn bodemvisserijactiviteiten uit te oefenen in nieuwe bodemvisserijgebieden of met niet eerder in het betrokken gebied gebruikt bodemvistuig, stellen een Protocol voor experimentele visserij op volgens de modellen in bijlage XVI.

3.  Het Protocol voor experimentele visserij omvat de volgende informatie:

a) een bevissingsplan dat doelsoorten, data en gebieden omschrijft. Met het oog op het geleidelijke verloop van de visserijactiviteiten in een beperkt geografisch gebied wordt rekening gehouden met gebieds- en inspanningsbeperkingen;

b) een risicobeperkingsplan met maatregelen ter voorkoming van significante negatieve effecten op kwetsbare mariene ecosystemen waarmee tijdens de visserij contact wordt gemaakt;

c) een vangstmonitoringsplan dat voorziet in de registratie en melding van alle gevangen soorten, met 100 % satellietvolging en 100 % waarnemerstoezicht. De registratie en melding moeten voldoende gedetailleerd zijn om, indien nodig, een beoordeling van de activiteit te kunnen uitvoeren;

d) een plan voor het verzamelen van gegevens, teneinde de identificatie van kwetsbare mariene ecosystemen en soorten in het beviste gebied te vergemakkelijken.

4.  De lidstaten zorgen ervoor dat de experimentele bodemvisserijactiviteiten overeenkomstig de procedure van artikel 12 sexies worden beoordeeld.

5.  De lidstaten bezorgen het in lid 2 bedoelde Protocol voor experimentele visserij en de in artikel 12 sexies, lid 1, bedoelde beoordeling aan de Commissie, die ze doorstuurt naar het NAFO-secretariaat. De lidstaten zorgen ervoor dat geen experimentele visserijactiviteiten worden toegestaan alvorens het NAFO-secretariaat deze informatie heeft ontvangen.

Artikel 12 octies

Onverwacht contact met kwetsbare mariene ecosystemen in bestaande bodemvisserijgebieden

1.  Wanneer een vaartuig dat visserijactiviteiten in bestaande bodemvisserijgebieden uitvoert, tijdens haar visserijactiviteiten contact maakt met indicatorsoorten van kwetsbare mariene ecosystemen, dient de kapitein de gevangen indicatorsoorten van kwetsbare mariene ecosystemen te kwantificeren.

2.  Indien de hoeveelheid indicatorsoorten van kwetsbare mariene ecosystemen, die gevangen zijn tijdens visserijactiviteiten, bijvoorbeeld een trawltrek of uitzetting van een kieuwnet of beuglijn, de in artikel 12 quinquies bepaalde drempel overschrijdt, zijn de bepalingen van de leden 3 en 4 van het onderhavige artikel van toepassing.

3.  De kapitein van het vaartuig meldt het incident aan de vlaggenlidstaat, die de informatie onverwijld via de Commissie doorstuurt naar de uitvoerend secretaris. De Commissie brengt onmiddellijk de andere lidstaten met actieve vaartuigen in het gebied op de hoogte. De betrokken lidstaten brengen onmiddellijk alle vissersvaartuigen in het gebied die onder hun vlag varen, op de hoogte.

4.  De kapitein van het vaartuig stopt met vissen en vaart ten minste 2 zeemijl weg van het eindpunt van de trek of uitzetting in de richting die het minst waarschijnlijk verdere contacten zal opleveren. De kapitein oordeelt naar best vermogen op grond van alle beschikbare informatiebronnen.

Artikel 12 nonies

Onverwacht contact met kwetsbare mariene ecosystemen in nieuwe bodemvisserijgebieden

1.  Wanneer een vaartuig dat visserijactiviteiten in nieuwe bodemvisserijgebieden uitvoert, tijdens haar visserijactiviteiten contact maakt met indicatorsoorten van kwetsbare mariene ecosysteem, dient de kapitein de gevangen indicatorsoorten van kwetsbare mariene ecosystemen te kwantificeren. De waarnemers identificeren koralen, sponzen en andere organismen tot op het laagst mogelijke taxonomische niveau.

2.  Indien de hoeveelheid van die soorten per uitzetting, bijvoorbeeld een trawltrek of uitzetting van een kieuwnet of beuglijn, de in artikel 12 quinquies bepaalde drempel overschrijdt, zijn de bepalingen van de leden 3, 4 en 5 van het onderhavige artikel van toepassing.

3.  De kapitein van het vaartuig meldt het incident aan de vlaggenlidstaat, die de informatie onverwijld via de Commissie doorstuurt naar de uitvoerend secretaris. De Commissie brengt onmiddellijk de andere lidstaten met actieve vaartuigen in het gebied op de hoogte. De betrokken lidstaten brengen onmiddellijk alle vissersvaartuigen in het gebied die onder hun vlag varen, op de hoogte.

4.  Een tijdelijke sluiting is van toepassing in een straal van een 2 mijl rond de contactlocatie die werd gemeld door een vaartuig dat onder de vlag van een NAFO-partij vaart. De positie is die welke door het vaartuig werd gemeld, en is het eindpunt van de trek/uitzetting of een andere positie die volgens de aanwijzingen het dichtst is gelegen bij de exacte contactlocatie. Deze tijdelijke sluiting blijft gelden totdat het NAFO-secretariaat ter kennis brengt dat het gebied opnieuw kan worden geopend.

5.  Het vaartuig stopt met vissen en vaart ten minste 2 zeemijl weg van het eindpunt van de trek of uitzetting in de richting die het minst waarschijnlijk verdere contacten zal opleveren. De kapitein oordeelt naar beste vermogen op grond van alle beschikbare informatiebronnen.

▼B



HOOFDSTUK III

CONTROLEMAATREGELEN



DEEL 1

Controle van de visserijactiviteiten

Artikel 13

Vergunning

Uitsluitend communautaire vaartuigen van meer dan 50 GT die van de autoriteiten van hun vlaggenlidstaat een speciaal visdocument hebben ontvangen en die staan ingeschreven in het vlootregister van de NAFO, mogen met inachtneming van de voorwaarden van hun vergunning vis uit het gereglementeerde NAFO-gebied vangen, aan boord houden, overladen en aanvoeren.

Artikel 14

Lijst van vaartuigen

1.  Iedere lidstaat stelt een lijst op van de vaartuigen die zijn vlag voeren, in de Gemeenschap geregistreerd staan en in het gereglementeerde NAFO-gebied mogen vissen, en stelt de Commissie in kennis van deze lijst in computerleesbare vorm. De Commissie zendt de lijst onverwijld door aan het NAFO-secretariaat.

2.  Iedere lidstaat stelt de Commissie ten minste 15 dagen voordat het vaartuig het gereglementeerde NAFO-gebied binnenvaart, in computerleesbare vorm in kennis van iedere wijziging in de lijst van vaartuigen die zijn vlag voeren, in de Gemeenschap geregistreerd staan en in het gereglementeerde NAFO-gebied mogen vissen. De Commissie zendt deze informatie onverwijld door aan het NAFO-secretariaat.

3.  De in lid 2 bedoelde lijst bevat de volgende gegevens:

a) in voorkomend geval, het interne nummer van het vaartuig overeenkomstig bijlage I bij Verordening (EG) nr. 26/2004 van de Commissie van 30 december 2003 betreffende het communautaire gegevensbestand van vissersvaartuigen ( 13 );

b) de internationale roepnaam van het vaartuig;

c) in voorkomend geval, de partij die het vaartuig chartert.

4.  Voor vaartuigen die tijdelijk de vlag van een lidstaat voeren (huren van een vaartuig), verstrekken de lidstaten bovendien de volgende gegevens:

a) de datum met ingang waarvan het vaartuig de vlag van de lidstaat mag voeren;

b) de datum met ingang waarvan het vaartuig van de lidstaat de toestemming heeft gekregen om in het gereglementeerde NAFO-gebied te vissen;

c) de naam van de staat waar het vaartuig is geregistreerd of vroeger was geregistreerd en de datum met ingang waarvan het niet langer de vlag van die staat voert;

d) de naam van het vaartuig;

e) het officiële, door de bevoegde nationale instanties aan het vaartuig toegekende registratienummer;

f) de thuishaven van het vaartuig na de overdracht;

g) de naam van de eigenaar van het vaartuig of van de partij die het chartert;

h) een verklaring waaruit blijkt dat de kapitein een exemplaar van de in het gereglementeerde NAFO-gebied geldende voorschriften heeft ontvangen;

i) de belangrijkste soorten waarop met het vaartuig in het gereglementeerde NAFO-gebied mag worden gevist;

j) de deelgebieden waar het vaartuig waarschijnlijk zal vissen.

Artikel 15

Charteren van communautaire vaartuigen

1.  Lidstaten mogen toestaan dat voor visservaartuigen die hun vlag voeren en in het gereglementeerde NAFO-gebied mogen vissen, een charterovereenkomst wordt gesloten teneinde een deel of het geheel van de quota en/of visdagen te kunnen gebruiken die aan andere verdragsluitende partijen bij de NAFO zijn toegewezen. Charterovereenkomsten voor vaartuigen die volgens de NAFO of een andere regionale visserijorganisatie aantoonbaar illegale, niet-aangegeven of niet-gereglementeerde visvangst (IUU) hebben bedreven, zijn verboden.

2.  Op de dag waarop een charterovereenkomst wordt gesloten, zendt de vlaggenlidstaat de volgende gegevens toe aan de Commissie, die deze doorzendt aan het NAFO-secretariaat:

a) de instemming van de lidstaat met de charterovereenkomst;

b) de onder de charterovereenkomst vallende soorten en de op grond van de charterovereenkomst toegewezen vangstmogelijkheden;

c) looptijd van de charterovereenkomst;

d) de naam van de partij die het vaartuig chartert;

e) de verdragsluitende partij die het voortuig heeft gecharterd.

3.  Wanneer de charterovereenkomst afloopt, meldt de lidstaat dat aan de Commissie, die deze informatie onverwijld doorzendt aan het NAFO-secretariaat.

4.  De vlaggenlidstaat ziet erop toe dat:

a) het vaartuig tijdens de charterperiode geen gebruik maakt van de aan de vlaggenlidstaat toegewezen vangstmogelijkheden;

b) het vaartuig tijdens dezelfde periode niet onder meer dan één charterovereenkomst tegelijk vist;

c) het gecharterde vaartuig de gegevens over alle vangsten en bijvangsten in het kader van de charterregeling apart van de andere, overeenkomstig artikel 18 geregistreerde vangstgegevens in het visserijlogboek registreert.

5.  De in lid 4, onder d), bedoelde vangsten en bijvangsten worden door de lidstaten apart van andere nationale vangstgegevens in de zin van artikel 21 aan de Commissie meegedeeld. De Commissie zendt deze gegevens onverwijld door aan het NAFO-secretariaat.

Artikel 16

Toezicht op de visserijinspanning

1.  Elke lidstaat neemt de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de visserijinspanning van zijn vaartuigen in verhouding staat tot de vangstmogelijkheden waarover die lidstaat in het gereglementeerde NAFO-gebied beschikt.

2.  De lidstaten delen de visplannen voor hun vaartuigen die in het gereglementeerde NAFO-gebied vissen, uiterlijk op 31 januari van elk jaar, en daarna ten minste 30 dagen vóór het aanvangstijdstip van de betrokken visserijactiviteiten, aan de Commissie mee. In het visplan wordt onder andere vermeld welke vaartuigen voor de betrokken activiteiten zullen worden ingezet en hoeveel visdagen er voor die vaartuigen in het gereglementeerde NAFO-gebied gepland zijn.

3.  De lidstaten brengen de Commissie op indicatieve basis op de hoogte van de voorgenomen activiteiten van de vaartuigen in andere gebieden.

4.  Voorts wordt in het visplan de totale visserijinspanning opgegeven die in het gereglementeerde NAFO-gebied zal worden geleverd, en wordt deze afgezet tegen de vangstmogelijkheden waarover de lidstaat die de mededeling doet, beschikt.

5.  De lidstaten brengen uiterlijk op 31 januari van elk jaar aan de Commissie verslag uit over de uitvoering van hun visplannen. Deze verslagen bevatten het aantal vaartuigen dat daadwerkelijk visserijactiviteiten in het gereglementeerde NAFO-gebied uitoefent, de vangstcijfers voor elk vaartuig en het totale aantal dagen dat elk vaartuig in dat gebied heeft gevist. De gegevens over de activiteiten van vaartuigen die in de sectoren 3M en 3L op garnaal vissen, worden apart naar sector uitgesplitst.

Artikel 17

Satellietvolgsysteem (VMS)

1.  De lidstaten zien erop toe dat de via het satellietvolgsysteem (VMS) verkregen gegevens, zoals vermeld in Verordening (EG) nr. 2244/2004 van de Commissie ( 14 ), over de hun vlag voerende vaartuigen die in het gereglementeerde gebied vissen, langs elektronische weg in real-time naar het NAFO-secretariaat worden doorgestuurd.

2.  Wanneer een inspecteur een vissersvaartuig in het gereglementeerde NAFO-gebied waarneemt waarvoor hij geen VMS-gegevens heeft ontvangen overeenkomstig de instandhoudings- en handhavingsmaatregelen van de NAFO, stelt hij de kapitein en het NAFO-secretariaat hiervan onverwijld in kennis.

Artikel 18

Overlading

1.  Vaartuigen van de Gemeenschap mogen in het gereglementeerde NAFO-gebied geen vangsten overladen, tenzij de kapiteins daarvoor vooraf de toestemming hebben gekregen van de bevoegde autoriteiten van hun vlaggenstaat.

2.  Vaartuigen van de Gemeenschap mogen geen vis overladen van of naar een vaartuig van een niet-verdragsluitende partij waarvan is waargenomen of anderszin geconstateerd dat het in het gereglementeerde NAFO-gebied heeft gevist.

3.  Vaartuigen van de Gemeenschap melden elke overlading die in het gereglementeerde NAFO-gebied plaatsvindt, aan hun bevoegde autoriteiten. Deze gegevens worden door het overladende vaartuig ten minste 24 uur vóór de overlading en door het ontvangende vaartuig uiterlijk één uur na de overlading meegedeeld.

4.  De in lid 3 bedoelde mededeling bevat het tijdstip, de geografische positie, het totale afgeronde en in kilogram uitgedrukte gewicht van de geladen of geloste soorten en het oproepnummer van de bij de overlading betrokken vaartuigen.

5.  Bovendien meldt het ontvangende vaartuig, naast de totale vangst aan boord en het totale aan te voeren gewicht, uiterlijk 24 uur vóór aanvoer ook nog de haven en het geschatte aanvoertijdstip.

6.  De lidstaten zenden de in de leden 3 en 5 bedoelde mededelingen onverwijld toe aan de Commissie, die deze onverwijld doorzendt aan het NAFO-secretariaat.

Artikel 19

Visserij- en productielogboeken en opslagplattegrond

1.  Kapiteins van vissersvaartuigen leven de artikelen 6, 8, 11 en 12 van Verordening (EEG) nr. 2847/93 na en noteren bovendien in hun visserijlogboek de in bijlage IV vermelde gegevens.

2.  Door kapiteins van communautaire vaartuigen wordt met betrekking tot de vangst van de in artikel 15, lid 1, van Verordening (EEG) nr. 2847/93 genoemde soorten:

a) een productielogboek bijgehouden met de cumulatieve productie per soort die aan boord wordt gehouden, uitgedrukt in kilogram;

b) een opslagplattegrond bijgehouden met de locatie van de verschillende soorten in het ruim. Vaartuigen die op garnaal vissen houden een plattegrond bij waarop de opslaglocaties van garnaal die is gevangen in sector 3L respectievelijk in sector 3M zijn aangegeven, alsook de aan boord gehouden hoeveelheden garnaal per sector in productgewicht, uitgedrukt in kilogram.

3.  Het productielogboek en de opslagplattegrond bedoeld in lid 2 worden dagelijks bijgewerkt met de gegevens over de voorgaande dag tussen 00.00 uur (UTC) en 24.00 uur (UTC) en blijven aan boord tot het vaartuig volledig is gelost.

4.  Kapiteins van vaartuigen van de Gemeenschap verlenen de nodige assistentie met het oog op de controle van de in het productielogboek aangegeven hoeveelheden en de aan boord opgeslagen verwerkte producten.

▼M1

5.  De lidstaten certificeren om de twee jaar de juistheid van de capaciteitsplannen voor alle vaartuigen die op grond van artikel 14 mogen vissen. De kapitein zorgt ervoor dat een afschrift van dat certificeringsbewijs aan boord is en op verzoek aan een inspecteur kan worden getoond.

▼B

Artikel 20

Etikettering en gescheiden opslag

▼M2

1.  Alle verwerkte vis die in het gereglementeerde NAFO-gebied is gevangen, wordt zo geëtiketteerd dat iedere soort en iedere in artikel 1 van Verordening (EG) nr. 104/2000 van de Raad van 17 december 1999 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector visserijproducten en producten van de aquacultuur ( 15 ) bedoelde productcategorie, en in geval van garnaal ook de vangstdatum, duidelijk identificeerbaar is; daarbij wordt respectievelijk gebruikgemaakt van de drielettercode in bijlage I bij die verordening en de codes voor de aanbiedingsvorm in bijlage XIV(b) bij deze verordening.

2.  Op alle garnaal die wordt gevangen in de sectoren 3L en 3M en op alle zwarte heilbot die wordt gevangen in deelgebied 2 en in de sectoren 3KLMNO moet worden aangegeven in welk gebied deze zijn gevangen.

▼B

3.  Met inachtneming van de wettelijke aansprakelijkheid van de kapitein van het vaartuig op het gebied van veiligheid en navigatie, geldt het volgende:

a) alle vangsten die in het gereglementeerde NAFO-gebied zijn gedaan, worden gescheiden van vangsten van buiten dit gebied opgeslagen. Daartoe kan gebruik worden gemaakt van plastic, hout, netten o.i.d.;

b) vangsten van dezelfde soort mogen in meer dan één deel van het ruim worden opgeslagen mits de exacte plaats duidelijk wordt aangegeven op de opslagplattegrond bedoeld in artikel 19.

Artikel 21

Melding van de vangsten

1.  De kapiteins van communautaire vissersvaartuigen zenden het visserijcontrolecentrum (VCC) van hun vlaggenlidstaat een vangstaangifte toe overeenkomstig lid 2.

2.  De vangstaangifte bevat de volgende gegevens:

a) de bij het binnenvaren van het gereglementeerde NAFO-gebied aan boord gehouden hoeveelheden. De aangifte wordt niet vroeger dan twaalf uur en niet later dan zes uur vóór het binnenvaren van het gereglementeerde NAFO-gebied ingediend, en bevat de datum, het tijdstip, de geografische positie van het vaartuig, het totale afgeronde gewicht per soort, inclusief de doelsoorten;

b) de dagelijkse vangst van garnaal in sector 3L. Deze aangifte wordt niet later ingediend dan 12.00 uur (UTC) op de dag volgende op die waarop de vangsten zijn gedaan;

c) om de andere maandag, de vangsten van roodbaars in deelgebied 2 en de sectoren 1F, 3K en 3M die zijn gedaan in de periode van twee weken die de voorafgaande zondag middernacht is geëindigd. Wanneer de som van de vangsten gelijk is aan 50 % van de TAC of meer, moet deze aangifte wekelijks op maandag worden ingediend;

d) de bij het verlaten van het gereglementeerde NAFO-gebied aan boord gehouden hoeveelheden. Deze aangifte wordt niet vroeger dan acht uur en niet later dan zes uur vóór elk vertrek uit het gereglementeerde NAFO-gebied ingediend, en bevat de datum, het tijdstip, de geografische positie van het vaartuig en het totale afgeronde gewicht per soort;

e) de hoeveelheden vis die bij iedere overlading tijdens het verblijf van het vaartuig in het gereglementeerde NAFO-gebied zijn geladen of gelost. Overladende vaartuigen dienen deze aangifte ten minste 24 uur vóór de overlading in; ontvangende vaartuigen uiterlijk één uur na de overlading. Deze aangifte bevat de datum, het tijdstip, de geografische positie tijdens de overlading, het totale afgeronde en in kilogram uitgedrukte gewicht per te lossen of geladen soort en het oproepnummer van de vaartuigen waarop of waaruit hoeveelheden zijn overgeladen. Uiterlijk 24 uur vóór aanvoer meldt het ontvangende vaartuig de totale vangst aan boord, het totale aan te voeren gewicht, de haven en het geschatte aanvoertijdstip;

▼M1

f) vangst vóór het binnenvaren en verlaten van sector 3L. Deze aangiften worden opgesteld door vaartuigen die in sector 3L op garnaal vissen en worden een uur vóór het overschrijden van de grens van die sector toegezonden. De aangifte bevat de sinds de voorgaande aangifte aan boord genomen vangsten, per sector en per soort (drielettercode) in kg, afgerond op de dichtstbijzijnde 100 kg.

▼B

3.  De vangstaangifte wordt door de lidstaat onmiddellijk na ontvangst langs elektronische weg toegezonden aan de Commissie, die deze vangstaangifte aan het NAFO-secretariaat doorstuurt.

4.  De gegevens van de vangstaangifte worden door de lidstaten opgeslagen in het gegevensbestand bedoeld in artikel 19, lid 2, van Verordening (EEG) nr. 2847/93.

5.  De bepalingen betreffende het formaat en de specificaties van de in lid 2 bedoelde aangiften staan in bijlage VII.

Artikel 22

Melding van vangsten en visserijinspanningen

1.  Iedere lidstaat stelt de Commissie vóór de vijftiende van iedere maand in computerleesbare vorm in kennis van

a) de aangelande hoeveelheden van de in bijlage II vermelde visbestanden;

b) het aantal visdagen voor de garnalenvangst in sector 3M in de voorafgaande maand, en

c) de overeenkomstig de artikelen 11 en 12 van Verordening (EEG) nr. 2847/93 ontvangen gegevens.

2.  De Commissie verzamelt de in lid 1 bedoelde gegevens voor alle lidstaten en zendt deze door naar het NAFO-secretariaat binnen 30 dagen vóór het einde van de kalendermaand waarin de vangsten zijn gedaan.



DEEL 2

Waarnemers

Artikel 23

Aanwijzing van waarnemers

1.  De lidstaten wijzen waarnemers aan voor al hun vissersvaartuigen die aan het vissen zijn of op het punt staan te gaan vissen in het gereglementeerde NAFO-gebied. De waarnemers blijven aan boord van het vaartuig waarvoor ze zijn aangewezen totdat ze door andere waarnemers worden afgelost.

2.  Behoudens overmacht mogen vissersvaartuigen die geen waarnemer aan boord hebben, niet beginnen te vissen in het gereglementeerde NAFO-gebied, noch er de visvangst voortzetten.

3.  De waarnemers beschikken over een passende opleiding en ervaring. Zij bezitten met name de volgende kwalificaties:

a) voldoende ervaring met het identificeren van vissoorten en vistuig,

b) kennis van navigatie,

c) voldoende kennis van de instandhoudings- en handhavingsmaatregelen van de NAFO,

d) de nodige bekwaamheid om de hun opgedragen elementaire wetenschappelijke taken te vervullen, bijvoorbeeld het nemen van monsters, en nauwgezet waarnemingen te verrichten en de resultaten daarvan te noteren,

e) voldoende kennis van de taal van de vlaggenstaat van het waargenomen schip.

4.  De lidstaten nemen alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de waarnemers op de aangegeven tijd en plaats aan boord van de vissersvaartuigen worden genomen en verlenen hun medewerking bij het vertrek van de waarnemers na afloop van de waarnemingsperiode.

5.  De lidstaten verstrekken de Commissie uiterlijk op 20 januari van elk jaar een lijst van de waarnemers die zij op grond van lid 1 hebben aangewezen en daarna telkens onmiddellijk nadat ze een nieuwe waarnemer hebben aangewezen.

Artikel 24

Voornaamste taken van de waarnemers

1.  De waarnemers hebben als voornaamste taak toe te zien op de naleving van de relevante instandhoudings- en handhavingsmaatregelen van de NAFO.

2.  De waarnemerstaken worden uitsluitend uitgeoefend binnen het gereglementeerde NAFO-gebied.

Artikel 25

Registratie

De waarnemers:

a) vullen een dagelijks logboekformulier over de visserijactiviteit van het vaartuig in, dat ten minste de informatie volgens het in bijlage VIII opgenomen model bevat,

b) noteren het door de kapitein gebruikte vistuig, de maaswijdte en de voorzieningen aan de netten.

Artikel 26

Toezicht op de vangsten

1.  De waarnemers:

a) observeren en ramen de vangst (hoeveelheid) voor elke afzonderlijke trek (locatie, diepte, uitzetduur);

b) bepalen de samenstelling van de vangst;

c) controleren de teruggooi, de bijvangst en de vangst van ondermaatse vis;

d) verifiëren de gegevens die worden vermeld in het logboek en het productielogboek; de gegevens van het productielogboek worden geverifieerd aan de hand van de door de kapitein gebruikte omrekeningsfactor;

e) verifiëren vangstaangiften.

2.  Bij het controleren van de teruggooi, de bijvangst en de vangst van ondermaatse vis overeenkomstig lid 1, onder c), verzamelen de waarnemers de gegevens over de ondermaatse vis die aan boord wordt gehouden of in zee wordt teruggegooid, waarbij, voor zover mogelijk, het volgende bemonsteringsschema zal worden gevolgd:

a) voor elke trek worden het geraamde gewicht, per soort, van de totale vangst en het geraamde gewicht, per soort, van de in zee teruggegooide vis genoteerd;

b) elke tiende trek wordt nauwkeurig worden bemonsterd per soort, waarbij naast het gewicht van het monster ook de aantallen vissen en de lengte daarvan, van het gedeelte dat wordt aangevoerd en van het gedeelte dat wordt teruggegooid, worden genoteerd;

c) wanneer de visserijactiviteit wordt verlegd overeenkomstig de artikelen 5 en 6.

Artikel 27

Andere specifieke taken

De waarnemers:

a) verifiëren de positie van vaartuigen die visserijactiviteiten uitoefenen;

b) controleren, in voorkomend geval, overladingen van vaartuigen waarvoor overeenkomstig artikel 14 een charterovereenkomst is gesloten;

c) houden toezicht op het functioneren van voorzieningen voor automatische positiemelding indien deze zich aan boord van het vaartuig bevinden en daarvan gebruik wordt gemaakt;

d) verrichten wetenschappelijke taken en monsternemingen op verzoek van de Visserijcommissie van de NAFO of van de bevoegde autoriteiten van de vlaggenstaat van het betrokken vaartuig.

Artikel 28

Verslagen van de waarnemers

1.  De waarnemers dienen binnen 20 dagen na elke visreis een verslag in bij de Commissie en de bevoegde autoriteiten van de lidstaat die hen hebben aangewezen. Wanneer de periode waarvoor een waarnemer was aangewezen, afloopt vóór het einde van de visreis, wordt het verslag over deze periode binnen 20 dagen na afloop hiervan bij de Commissie en de bevoegde autoriteiten van de lidstaat ingediend. Het verslag bevat een overzicht van de belangrijkste bevindingen van de waarnemer. Het verslag wordt toegestuurd aan de Commissie, die het aan het NAFO-secretariaat doorzendt.

2.  De waarnemers melden binnen 24 uur elk teken van vermoedelijke ernstige overtreding. Dit wordt gemeld aan een NAFO-inspectievaartuig in het gereglementeerde NAFO-gebied, dat de vermoedelijke overtreding op zijn beurt aan het NAFO-secretariaat meldt. Bij de communicatie met een inspectievaartuig maken de waarnemers gebruik van een overeengekomen code.

Artikel 29

Voorzorgsmaatregelen

1.  De waarnemers doen al het nodige om ervoor te zorgen dat hun aanwezigheid aan boord van de vissersvaartuigen de normale gang van zaken op de vaartuigen, onder meer de visserijactiviteit, niet hindert of belemmert.

2.  De waarnemers gaan zorgvuldig om met de bezittingen en de uitrusting aan boord van de vissersvaartuigen, ook wat betreft de vertrouwelijkheid van alle documenten betreffende deze vaartuigen.

Artikel 30

Verplichtingen van de kapitein van het vaartuig

1.  De kapiteins van communautaire vissersvaartuigen nemen de aangewezen waarnemers aan boord en verlenen hen de nodige medewerking zodat deze hun opdracht aan boord van de vaartuigen kunnen vervullen.

2.  De kapitein van het vaartuig dat een waarnemer aan boord moet nemen, doet alles wat redelijkerwijs van hem kan worden verwacht om de aankomst aan boord van de waarnemer en diens vertrek te vergemakkelijken. Zolang de waarnemer aan boord is, wordt hem passende en adequate accommodatie verschaft en worden hem passende werkomstandigheden geboden.

3.  De kapitein van het vaartuig geeft de waarnemer inzage in de documenten van het vaartuig (visserijlogboek, productielogboek, capaciteitsplan en opslagplattegrond) en verleent hem toegang tot de verschillende delen van het vaartuig, inclusief, zoals vereist, tot de aan boord gehouden bijvangst en de vangst die bestemd is om te worden teruggegooid, teneinde hem de uitoefening van zijn taak te vergemakkelijken.

4.  De kapitein wordt tijdig in kennis gesteld van de datum waarop en de plaats waar de waarnemers aan boord moeten worden genomen, alsook van de vermoedelijke duur van de waarnemingsperiode.

▼M1

5.  De kapitein van het vaartuig ontvangt op eigen verzoek een afschrift van het in artikel 28, lid 1, bedoelde verslag van de waarnemer.

▼B

Artikel 31

Kosten

De lidstaten nemen alle kosten die voortvloeien uit de activiteiten van de waarnemers uit hoofde van dit deel voor hun rekening. Zij mogen deze kosten geheel of ten dele doorberekenen aan de reders van hun vaartuigen.

Artikel 32

Follow-up

▼M1

1.  De bevoegde autoriteiten van de lidstaten evalueren de inhoud en de conclusies van het overeenkomstig artikel 28 door de waarnemer bij hen ingediende verslag.

▼B

2.  Als in het verslag wordt gemeld dat het betrokken vaartuig heeft gevist op een manier die in strijd is met de instandhoudings- en handhavingsmaatregelen van de NAFO, nemen de in lid 1 bedoelde autoriteiten alle nodige maatregelen om de zaak te onderzoeken en herhaling van de betrokken praktijken te voorkomen.



DEEL 3

Programma voor waarnemers, volgen per satelliet en elektronische melding

Artikel 33

Toepassingsregels

1.  In afwijking van artikel 23 kunnen de lidstaten vissersvaartuigen die hun vlag voeren, toestaan om onder de in dit deel vastgestelde voorwaarden zonder aangewezen waarnemer visserijactiviteiten te beginnen en te verrichten in het gereglementeerde NAFO-gebied.

2.  Vaartuigen kunnen overeenkomstig lid 1 zonder waarnemer visserijactiviteiten verrichten, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

a) de vereiste technische voorzieningen om elektronische waarnemersmeldingen en vangstaangiften te verzenden zijn aan boord geïnstalleerd;

b) de onder a) bedoelde technische voorzieningen zijn met succes met een betrouwbaarheidsgraad van 100 % getest met het NAFO-secretariaat en inspectievaartuigen die in het gereglementeerde NAFO-gebied opereren, en

c) VMS-meldingen worden verzonden op uurbasis.

Artikel 34

Verplichtingen van de lidstaten

1.  De lidstaten stellen de Commissie uiterlijk 30 dagen vóór het begin van het visseizoen in kennis van de namen van de vaartuigen die voornemens zijn de bepalingen van dit deel toe te passen. De Commissie zendt deze informatie onverwijld door aan het NAFO-secretariaat.

2.  De lidstaten houden de Commissie op de hoogte van de namen van de vaartuigen die de bepalingen van dit deel toepassen en van de periode waarin er geen aangewezen waarnemer aan boord is. De Commissie zendt deze informatie onverwijld door aan het NAFO-secretariaat.

3.  De lidstaten met een of meer vaartuigen die de bepalingen van dit deel toepassen, staan de vaartuigen voor maximaal 75 % van de tijd waarin zij gedurende het jaar in het gereglementeerde gebied opereren, toe om in het gereglementeerde NAFO-gebied zonder waarnemer visserijactiviteiten te verrichten.

4.  De lidstaten zien er op toe dat er onder de vaartuigen die hun vlag voeren, ten aanzien van de soort visserij die de vaartuigen bedrijven, een evenwicht bestaat tussen de vaartuigen met en die zonder waarnemer.

Artikel 35

Verplichtingen van kapiteins en waarnemers

1.  Kapiteins van vaartuigen en waarnemers die de bepalingen van dit deel toepassen, zenden dagelijks meldingen per sector toe.

2.  De dagelijkse meldingen worden niet later dan 12.00 uur (UTC) aan het NAFO-secretariaat toegezonden. De meldingsperiode duurt van 00.01 uur tot 24.00 uur van de voorgaande dag.

3.  De in de dagelijkse melding geregistreerde vangst moet overeenstemmen met de vangsten in het visserijlogboek.

4.  De dagelijkse meldingen omvatten, voor zover van toepassing, de hoeveelheden per sector van de volgende categorieën:

a) dagelijkse vangst per soort aan boord;

b) teruggooi;

c) ondermaatse vis.

5.  Modellen voor de dagelijkse vangstaangiften (CAX) en waarnemersmeldingen (OBR) zijn opgenomen in bijlage XIV, onder a).

6.  Waarnemers aan boord van vaartuigen die de bepalingen van dit deel toepassen, maken, naast hun taken uit hoofde van hoofdstuk III, deel 2, dagelijks langs elektronische weg via het VCC aan het NAFO-secretariaat melding (OBR-melding) van hun taken overeenkomstig artikel 26, lid 1.

Artikel 36

Technische mankementen

Indien de elektronische voorziening voor het verzenden van de dagelijkse meldingen naar en van een VCC niet functioneert, zetten de kapitein en de waarnemer de dagelijkse meldingen met andere middelen meldingen voort, en houden zij schriftelijk een logboek van die meldingen bij dat beschikbaar is voor de inspecteurs.

Artikel 37

Overtredingen

Indien een vaartuig zonder waarnemer wordt gedagvaard voor een overtreding, is het bepaalde in hoofdstuk IV, deel 5, van toepassing. Indien het vaartuig naar aanleiding van die overtreding niet wordt opgebracht, komt er onverwijld een waarnemer aan boord van het vaartuig.

Artikel 38

Uitvoeringsverslag

De lidstaten brengen uiterlijk op 15 februari van elk jaar aan de Commissie verslag uit over de uitvoering van de bepalingen van dit deel. Dat verslag moet onder meer informatie bevatten over de algehele naleving door de betrokken vaartuigen, met een vergelijking tussen de vaartuigen met en die zonder waarnemers, mogelijke kostenbesparingen voor de sector en de autoriteiten van de lidstaten, interactie met andere controlemiddelen en het technische functioneren en de betrouwbaarheid van de operationele systemen.



HOOFDSTUK IV

INSPECTIE EN SURVEILLANCE OP ZEE



DEEL 1

Algemene bepalingen

Artikel 39

Algemene voorschriften voor inspectie en surveillance

1.  De Commissie en/of de lidstaten wijzen inspecteurs aan voor surveillance en inspectie in het gereglementeerde NAFO-gebied overeenkomstig de instandhoudings- en handhavingsmaatregelen van de NAFO. Zij mogen ook stagiairs aanwijzen om de inspecteurs te begeleiden.

2.  De lidstaten en de Commissie zien erop toe dat de inspecteurs hun taken met inachtneming van de bepalingen van de NAFO-regeling vervullen. De inspecteurs blijven onder het operationele toezicht van hun bevoegde autoriteiten staan en zijn aan hen verantwoording schuldig.

3.  Alle lidstaten en de Commissie zien erop toe dat de inspecties door communautaire inspecteurs op niet-discriminerende wijze en conform de instandhoudings- en handhavingsmaatregelen van de NAFO worden uitgevoerd.

4.  Het aantal inspecties moet gerelateerd zijn aan de omvang van de vloten van de verdragsluitende partijen die in het gereglementeerde NAFO-gebied aanwezig zijn, waarbij rekening wordt gehouden met de tijd die de vaartuigen in het gebied doorbrengen, het niveau van de vangsten en hun antecedenten op het gebied van de naleving van de voorschriften.

5.  Naast hun werkzaamheden in het kader van de instandhoudings- en handhavingsmaatregelen van de NAFO gaan inspecteurs ook na of de communautaire vaartuigen in het gereglementeerde NAFO-gebied de instandhoudings- en controlemaatregelen van de Gemeenschap naleven.

6.  De inspecteurs kunnen aan boord worden genomen van ieder communautair vaartuig dat inspectietaken in het gereglementeerde NAFO-gebied uitoefent of op het punt staat uit te oefenen.

7.  De inspecteurs in het gereglementeerde NAFO-gebied coördineren hun activiteiten regelmatig met die van andere NAFO-inspecteurs in het gereglementeerde NAFO-gebied om gegevens betreffende waarnemingen en aanhoudingen of andere relevante informatie uit te wisselen.

Artikel 40

Inspectiemiddelen

De lidstaten of de Commissie stellen hun inspecteurs toereikende middelen ter beschikking voor de vervulling van hun surveillance- en inspectietaken. Hiertoe zetten zij voor de NAFO-regeling inspectievaartuigen in.

Artikel 41

Programmering

1.  Het Communautair Bureau voor visserijcontrole zorgt voor de coördinatie van de toezicht- en inspectiewerkzaamheden voor de Gemeenschap. Het kan daartoe, in overleg met de betrokken lidstaten, gezamenlijke operationele surveillance- en inspectieprogramma’s opstellen. De lidstaten waarvan de vaartuigen visserijactiviteiten in het gereglementeerde NAFO-gebied uitoefenen, nemen de nodige maatregelen om de uitvoering van die programma’s te vergemakkelijken, met name met betrekking tot de vereiste personele en materiële middelen, alsmede de perioden en gebieden waarin die moeten worden ingezet.

2.  Het Communautair Bureau voor visserijcontrole en de lidstaten zorgen er in het kader van de gezamenlijke operationele surveillance- en inspectieprogramma’s voor dat er, wanneer op enig moment meer dan vijftien communautaire vissersvaartuigen visserijactiviteiten in het gereglementeerde NAFO-gebied uitoefenen, een communautair inspectievaartuig in het gebied aanwezig is of dat met een andere verdragsluitende partij een overeenkomst is gesloten die de aanwezigheid van een inspectievaartuig waarborgt.

3.  De lidstaten stellen het Communautair Bureau voor visserijcontrole uiterlijk op 15 oktober van elk jaar in kennis van de namen van de inspecteurs en de inspectievaartuigen die zij het volgende jaar voor de NAFO-regeling willen inzetten. Zij vermelden hierbij de naam, de roepnaam en de communicatiecapaciteit van de ingezette inspectievaartuigen. Op basis van deze gegevens stelt het Communautair Bureau voor visserijcontrole, in samenwerking met de lidstaten, een plan voor de deelname van de Gemeenschap aan de NAFO-regeling in het volgende kalenderjaar op, dat het aan het NAFO-secretariaat en de lidstaten toezendt.

4.  De lidstaten delen het Communautair Bureau voor visserijcontrole langs elektronische weg de datum en het uur mee waarop de inspectieactiviteiten van de inspectievaartuigen beginnen en eindigen.



DEEL 2

Surveillanceprocedure

Artikel 42

Surveillanceprocedure

1.  Toezicht door inspecteurs omvat het verrichten van visuele waarnemingen van vissersvaartuigen vanaf een voor de NAFO-regeling ingezet vaartuig. Wanneer een inspecteur een vaartuig van een verdragsluitende partij waarneemt en die waarneming niet in overeenstemming is met andere informatie waarover hij beschikt, registreert hij zijn bevindingen in een surveillancerapport aan de hand van het in bijlage XI opgenomen formulier en zendt hij dit door aan zijn autoriteiten. Het rapport bevat foto’s van het vaartuig waarop de positie, de datum en het tijdstip waarop de foto’s zijn genomen, zichtbaar zijn.

2.  De lidstaten zenden het surveillancerapport onverwijld langs elektronische weg door aan de vlaggenstaat van het waargenomen vaartuig of aan de door deze staat aangewezen autoriteiten waarvan het NAFO-secretariaat de gegevens heeft bekendgemaakt, aan het NAFO-secretariaat en de Commissie. Op verzoek zenden zij tevens het origineel van het surveillancerapport aan de vlaggenstaat van het betrokken vaartuig.

3.  Na ontvangst van een surveillancerapport betreffende een van hun vaartuigen nemen de lidstaten onverwijld maatregelen en verrichten zij het nodige onderzoek om een passende follow-up te kunnen vaststellen.

4.  De lidstaten stellen de Commissie op uiterlijk 15 februari van elk jaar in kennis van de maatregelen die zijn genomen met betrekking tot de surveillancerapporten betreffende hun vaartuigen in het voorgaande jaar. Wanneer de follow-upmaatregelen resulteren in sancties, worden deze sancties met specifieke benamingen vermeld. De Commissie deelt deze gegevens vóór 1 maart van elk jaar mee aan het NAFO-secretariaat.



DEEL 3

Inspectieprocedure

Artikel 43

Algemene bepalingen

1.  Bij inspectie overdag bij normaal zicht zijn inspectievaartuigen voorzien van een NAFO-wimpel waarmee wordt aangegeven dat er een inspecteur aan boord is die gemachtigd is inspecties in het kader van de NAFO-regeling te verrichten. Hulpvaartuigen zijn ook voorzien van een wimpel, die half zo groot mag zijn.

2.  Inspecties van voor onderzoek ingezette vaartuigen zijn beperkt tot de vaststelling of het vaartuig geen commerciële visserij uitoefent.

3.  Inspecteurs doen geen afbreuk aan het recht van de kapitein om tijdens de aanhouding en de inspectie te communiceren met de autoriteiten van zijn vlaggenstaat.

4.  Inspectievaartuigen manoeuvreren volgens de regels van de scheepvaart op een veilige afstand van het vissersvaartuig.

5.  Inspecteurs vermijden het gebruik van geweld, tenzij en voor zover zulks voor het waarborgen van hun eigen veiligheid noodzakelijk is. Bij het verrichten van inspecties aan boord van vissersvaartuigen dragen de inspecteurs geen vuurwapens.

6.  Inspecties worden zo verricht dat het vaartuig, de activiteiten en de vangst zo min mogelijk worden gestoord of gehinderd.

Artikel 44

Aanhouding

1.  Inspecteurs hebben een door het NAFO-secretariaat afgegeven identiteitsdocument bij zich en tonen dit wanneer zij een vissersvaartuig aanhouden.

2.  Inspecteurs verrichten geen aanhouding zonder voorafgaande kennisgeving via de radio aan het betrokken vaartuig of zonder dat dit vaartuig het juiste sein uit het internationaal seinboek, met inbegrip van de identiteit van het inspectieteam en het inspectieplatform, heeft ontvangen.

3.  Inspecteurs geven het aangehouden vaartuig geen stop- of manoeuvreeropdracht terwijl het aan het vissen is of het vistuig aan het uitzetten of aan het ophalen is. Inspecteurs mogen evenwel eisen dat het uitzetten van het vistuig wordt onderbroken of uitgesteld totdat zij aan boord van het vaartuig zijn gegaan, doch in geen geval langer dan 30 minuten na ontvangst van het in lid 2 bedoelde sein.

Artikel 45

Activiteiten aan boord

1.  Inspectieteams bestaan uit maximaal twee inspecteurs. Wanneer zulks in verband met de omstandigheden mogelijk is, mogen inspecteurs vergezeld worden door een stagiair, die aan de kapitein van het vissersvaartuig moet worden voorgesteld. De activiteiten van de stagiair beperken zich tot het observeren van de door de inspecteurs verrichte inspectie.

2.  Een inspectie mag niet langer duren dan drie uur of de tijd die nodig is om het net en de vangst binnen te halen en te inspecteren, als dat langer duurt. Indien een overtreding is geconstateerd, mogen de inspecteurs zo lang aan boord blijven als nodig is om hun in de artikelen 48 en 51 bedoelde taken te vervullen. De inspecteur verlaat, naar gelang van het geval, het vaartuig binnen één uur na het voltooien van de oorspronkelijke inspectie of na het vervullen van zijn taken uit hoofde van artikel 48.

3.  Er worden voorzorgsmaatregelen genomen om te voorkomen dat schade wordt toegebracht aan verpakkingen, kartons of andere containers en inhoud. Kartons en containers worden zo geopend dat ze snel opnieuw kunnen worden gesloten, verpakt en opgeslagen.

4.  De inspecteurs rekenen het in het productielogboek genoteerde productiegewicht om in levend gewicht zodat logboekgegevens die in levend gewicht zijn uitgedrukt, kunnen worden geverifieerd. De inspecteurs laten zich leiden door de door de kapitein van het vaartuig gebruikte omrekeningsfactoren.

5.  De inspecteurs zijn gemachtigd om alle relevante gebieden, dekken en vertrekken van vissersvaartuigen, de (al dan niet verwerkte) vangsten, de netten en ander vistuig, de uitrusting en alle documenten die nodig zijn om te controleren of de instandhoudings- en handhavingsmaatregelen van de NAFO zijn nageleefd, te onderzoeken.

6.  De inspecteurs mogen de kapitein tijdens hun inspectie om alle nodige bijstand verzoeken. De kapitein mag zijn opmerkingen kenbaar maken over het rapport, dat na afloop van de inspectie door de inspecteurs dient te worden ondertekend. Een afschrift van het rapport wordt aan de kapitein van het vissersvaartuig overhandigd.

Artikel 46

Opstelling van inspectieverslagen

1.  De inspecteurs stellen een inspectieverslag op aan de hand van het in bijlage IX opgenomen formulier en zenden dit door aan hun autoriteiten.

2.  De inspecteurs geven op basis van de logboekgegevens voor de betrokken visreis een overzicht van de vangst van het vaartuig in het gereglementeerde NAFO-gebied per soort en per sector, en registreren deze gegevens in punt 14 van het inspectieverslag.

3.  Zijn er verschillen tussen de genoteerde vangsten en de ramingen van de inspecteur, dan mag deze laatste de berekeningen, procedures, relevante documenten en de vangst aan boord van het vaartuig opnieuw controleren. Deze verschillen worden in punt 18 van het inspectieverslag genoteerd.

Artikel 47

Verplichtingen van de kapitein van het vissersvaartuig tijdens de inspectie

De kapitein van een communautair vissersvaartuig dat wordt aangehouden en geïnspecteerd:

a) ziet erop toe dat het aan boord komen vlot en veilig verloopt volgens de regels van de scheepvaart wanneer het juiste sein uit het internationaal seinboek is gegeven door een vaartuig of een helikopter met een inspecteur aan boord;

▼M1

b) verschaft een loodsladder waarvan de constructie en het gebruik in overeenstemming zijn met de instandhoudings- en handhavingsmaatregelen van de NAFO.

▼M1

b bis) garandeert, wanneer een loodslift wordt verschaft, dat de aanvullende uitrusting van een door de nationale administratie goedgekeurd type is. De lift moet zo ontworpen en geconstrueerd zijn dat de inspecteur op veilige wijze aan en van boord kan gaan en op veilige wijze van de loodslift naar het dek en omgekeerd kan gaan. Een loodsladder die in overeenstemming is met het bepaalde onder b), wordt naast de loodslift aan dek gehouden en moet onmiddellijk kunnen worden gebruikt.

▼B

c) werkt mee aan de inspectie van het vissersvaartuig volgens de in deze verordening vastgestelde procedures; waarborgt de veiligheid van de inspecteurs en mag hen niet van de uitvoering van hun taken weerhouden, noch ze intimideren of hinderen tijdens hun werkzaamheden;

d) staat de inspecteurs toe met de autoriteiten van de vlaggenstaat en van de inspecterende staat te communiceren;

e) verleent toegang tot alle relevante gebieden, dekken en vertrekken van het vaartuig, de (al dan niet verwerkte) vangsten, de netten en ander vistuig, de uitrusting en registratiedocumenten, tekeningen of beschrijvingen van visruimen, productielogboeken en opslagplattegronden en andere relevante documenten, en verleent de bijstand die redelijkerwijs nodig is om vast te stellen of de opslag overeenkomt met de opslagplattegronden;

f) ziet erop toe dat de inspecteurs veilig van boord kunnen gaan;

▼M2

g) geeft een inspecteur op verzoek de coördinaten van de begin- en eindlocatie van een overeenkomstig artikel 6, lid 4, uitgevoerde proeftrek.

▼B

Artikel 48

Toezending van inspectieverslagen

1.  De lidstaat die een inspectie verricht, zendt het origineel van het overeenkomstig artikel 37, lid 1, opgestelde NAFO-inspectieverslag binnen 20 dagen na terugkeer van het inspectievaartuig naar de haven toe aan de Commissie, die het binnen 30 dagen na terugkeer van het inspectievaartuig naar de haven doorstuurt naar de vlaggenstaat van het geïnspecteerde vaartuig met een kopie voor het NAFO-secretariaat.

2.  In geval van een overtreding of een verschil tussen de geregistreerde vangsten en de ramingen van de inspecteurs van de vangsten aan boord wordt het origineel van het inspectieverslag met stavingsdocumenten, inclusief kopieën van foto’s, zo snel mogelijk na de terugkeer van het inspectievaartuig naar de haven aan de Commissie toegezonden. De Commissie stuurt deze documentatie binnen tien dagen na de terugkeer van het inspectievaartuig naar de haven door naar de vlaggenstaat van het geïnspecteerde vaartuig met een kopie voor het NAFO-secretariaat.

3.  In de in lid 2 bedoelde situatie geeft de inspecteur ook een verklaring af die een voorafgaande mededeling vormt van de vermoedelijke overtreding. Die verklaring bevat de in de punten 16, 18 en 20 van het inspectieverslag vermelde gegevens en een gedetailleerde beschrijving van de grondslag voor de afgifte van de dagvaarding voor een overtreding en het bewijs ter ondersteuning daarvan. De inspecteur van de Gemeenschap zendt de verklaring binnen een werkdag na de inspectie via de Commissie naar de vlaggenstaat en het NAFO-secretariaat.

4.  De inspecteurs verstrekken de Commissie om de tien dagen een lijst van geïnspecteerde vaartuigen. De Commissie stelt maandelijks een lijst op van geïnspecteerde vaartuigen en stuurt deze lijst door naar het NAFO-secretariaat.



DEEL 4

Overtredingen

Artikel 49

Procedures voor de behandeling van overtredingen

1.  Wanneer een inspecteur een overtreding van de instandhoudings- en handhavingsmaatregelen van de NAFO vaststelt:

a) noteert hij de overtreding in zijn inspectieverslag, ondertekent hij zijn aantekeningen en laat hij deze aftekenen door de kapitein;

b) maakt hij een aantekening in het visserijlogboek of andere relevante documenten, en ondertekent hij die, met vermelding van de datum, locatie en aard van de geconstateerde overtreding. De inspecteur mag een kopie maken van alle relevante aantekeningen in het visserijlogboek of andere relevante documenten, en verzoekt de kapitein de echtheid daarvan op elke bladzijde van de kopie schriftelijk te certificeren;

c) documenteert hij de overtreding zo nodig met foto’s van het vistuig en de vangst. In dat geval geeft hij een kopie van de foto aan de kapitein en hecht hij een tweede kopie ervan aan het rapport;

d) tracht hij zich onmiddellijk in verbinding te stellen met een inspecteur of met de aangewezen autoriteiten van de vlaggenstaat van het geïnspecteerde vaartuig;

e) zendt hij het inspectieverslag en de in artikel 47, lid 3, bedoelde voorafgaande mededeling van de overtreding onverwijld toe aan zijn autoriteiten.

2.  Inspecteurs mogen verlangen dat de kapitein dat deel van het vistuig dat niet in overeenstemming is met de instandhoudings- en handhavingsmaatregelen van de NAFO, verwijdert. Op elk deel van het vistuig dat in overtreding is, brengen zij een NAFO-inspectiezegel overeenkomstig bijlage X aan en dit noteren zij in het inspectieverslag. Het vistuig blijft verzegeld totdat het door de bevoegde autoriteiten van de verdragsluitende partij van het vaartuig is onderzocht.

Artikel 50

Afwikkeling van overtredingen

1.  De bevoegde autoriteiten van een lidstaat die in kennis worden gesteld van een inbreuk begaan door een van de vaartuigen van die lidstaat, stellen naar aanleiding daarvan onverwijld een volledig onderzoek in om het nodige bewijs te verzamelen en gaan daarbij zo nodig over tot een fysieke inspectie van het betrokken vaartuig.

2.  De bevoegde autoriteiten van de lidstaat ondernemen bij een inbreuk op de NAFO-regels onverwijld de bij hun nationale wet voorgeschreven administratieve of gerechtelijke stappen tegen onderdanen die aansprakelijk zijn voor het vaartuig dat hun vlag voert.

3.  De bevoegde autoriteiten van de vlaggenlidstaat zien erop toe dat de in lid 2 bedoelde procedurele stappen tot voldoende strenge en afdwingbare maatregelen leiden, de plegers van de feiten het economische voordeel van de inbreuk ontnemen en een voldoende ontradend effect hebben.



DEEL 5

Ernstige inbreuken

Artikel 51

Lijst van ernstige inbreuken

De volgende inbreuken worden als ernstig beschouwd:

a) visserij uit hoofde van een quotum „overige” zonder voorafgaande kennisgeving aan het NAFO-secretariaat, of meer dan zeven werkdagen na de kennisgeving door het NAFO-secretariaat dat de visserij uit hoofde van een quotum „overige” voor dat visbestand of die soort was gesloten;

b) gericht vissen op een bestand waarvoor een moratorium of een visverbod geldt;

c) gericht vissen op bestanden of soorten na de datum waarop de vlaggenstaat van het geïnspecteerde vaartuig het NAFO-secretariaat ervan in kennis heeft gesteld dat zijn vaartuig de gerichte visserij voor deze bestanden of soorten zal stopzetten;

d) vissen in een gesloten gebied of met vistuig dat in een bepaald gebied verboden is;

e) overtredingen van de maaswijdtevoorschriften;

f) vissen zonder geldige vergunning van de vlaggenstaat van de verdragsluitende partij;

g) onjuiste registratie van vangsten;

h) storen van het satellietvolgsysteem;

i) overtredingen in verband met vangstaangiften;

j) inspecteurs of waarnemers beletten hun taken te vervullen.

Artikel 52

Activiteiten van de inspecteur

1.  Wanneer een inspecteur een vaartuig aanhoudt wegens een ernstige overtreding in de zin van artikel 51, stelt hij de vlaggenstaat, zijn eigen autoriteiten, de Commissie en het NAFO-secretariaat daarvan onverwijld in kennis.

2.  In geval van ernstige overtreding neemt de inspecteur alle nodige maatregelen om het bewijsmateriaal te beveiligen en het behoud ervan te waarborgen, en verzegelt hij in voorkomend geval het ruim van het vaartuig voor een volgende haveninspectie. Op verzoek van de inspecteur beëindigt de kapitein alle visserijactiviteiten die volgens de inspecteur een ernstige overtreding inhouden.

3.  Zolang de inspecteur aan boord blijft, mag de kapitein de visserijactiviteit niet hervatten totdat de inspecteur er voldoende van overtuigd is, hetzij door een maatregel van de kapitein van het vaartuig, hetzij door contacten met een inspecteur of bevoegde autoriteit van de vlaggenstaat van het geïnspecteerde vaartuig, dat de ernstige overtreding zich niet zal herhalen.

4.  De inspecteur mag zo lang aan boord van een vissersvaartuig blijven als nodig is om de relevante informatie betreffende de overtreding te verkrijgen. In deze periode voltooit de inspecteur de inspectie; daarna verlaat hij het vaartuig. Hij mag wel aan boord blijven wanneer hij erin slaagt in contact te treden met de bevoegde autoriteiten van de verdragsluitende partij van het geïnspecteerde vaartuig en deze autoriteiten hiermee akkoord gaan. Wanneer hij niet in staat is om binnen een redelijke termijn in contact te treden met de bevoegde autoriteiten, verlaat hij het geïnspecteerde vaartuig en neemt hij zo snel mogelijk contact met hen op.

5.  De inspecterende lidstaat of de Commissie beslist in overleg met de vlaggenstaat of de inspecteur tijdens de opbrenging van het vaartuig overeenkomstig artikel 54, lid 1, aan boord blijft. De inspecterende lidstaat en de Commissie beslissen eveneens of een NAFO-inspecteur aanwezig zal zijn bij de grondige inspectie van het vaartuig in de haven overeenkomstig artikel 53, lid 3. De lidstaten stellen de Commissie onverwijld in kennis van de beslissingen die zij op grond van dit lid hebben genomen.

Artikel 53

Inspectie door een door de vlaggenlidstaat gemachtigde inspecteur

1.  Wanneer een vlaggenlidstaat of de Commissie door een inspecteur op de hoogte wordt gebracht van een vermoedelijke ernstige overtreding door een vaartuig dat de vlag van de betrokken lidstaat voert, stellen de vlaggenlidstaat en de Commissie elkaar daarvan onverwijld in kennis.

2.  Wanneer de vlaggenlidstaat door een andere verdragsluitende partij op de hoogte is gebracht van een ernstige overtreding door een communautair vaartuig, zorgt hij er in samenwerking met de Commissie voor dat het vaartuig binnen 72 uur wordt geïnspecteerd door een naar behoren gemachtigde inspecteur.

3.  De naar behoren gemachtigde inspecteur gaat aan boord van het betrokken vissersvaartuig, onderzoekt de bewijsgegevens van de vermoedelijke overtreding en deelt de uitkomsten van zijn onderzoek zo spoedig mogelijk mee aan de bevoegde autoriteiten van de vlaggenlidstaat en aan de Commissie.

Artikel 54

Opbrenging van vaartuigen

1.  Na mededeling van de uitkomsten en indien de vermoedelijke overtreding van ernstige aard is, geeft de vlaggenlidstaat van het geïnspecteerde vaartuig, wanneer zulks gerechtvaardigd is, het vaartuig binnen 24 uur de opdracht koers te zetten naar een aangewezen haven of geven zij de naar behoren gemachtigde inspecteur mandaat om een dergelijke opdracht te geven. Deze haven zou St Johns of Halifax, Canada, St Pierre, France, of de thuishaven moeten zijn, tenzij de vlaggenlidstaat een andere haven heeft aangewezen.

2.  De in lid 1 genoemde termijn van 24 uur kan op schriftelijk verzoek van de vlaggenlidstaat door de Commissie tot maximaal 72 uur worden verlengd.

3.  Indien de vlaggenlidstaat geen opdracht geeft om koers te zetten naar een haven, deelt hij de Commissie onverwijld de redenen daarvoor mee. De Commissie stelt het NAFO-secretariaat tijdig in kennis van dit besluit en de motivering daarvan.

Artikel 55

Inspectie in de haven na opbrenging

1.  Bij aankomst in de aangewezen haven wordt het vaartuig waarvan wordt vermoed dat het een ernstige overtreding heeft begaan, onder gezag van de vlaggenlidstaat onderworpen aan een grondige inspectie, in aanwezigheid van een inspecteur van een andere verdragsluitende partij die aan de inspectie wenst deel te nemen. Hierbij wordt gebruikgemaakt van het haveninspectieverslag in bijlage XII.

2.  De vlaggenlidstaat stelt de Commissie onverwijld in kennis van de uitkomsten van de grondige inspectie en van de maatregelen die hij heeft genomen naar aanleiding van de overtreding, inclusief maatregelen om herhaling van de overtreding te voorkomen.

Artikel 56

Strengere vervolgmaatregelen bij sommige ernstige inbreuken

1.  De vlaggenlidstaat neemt naast de in dit deel, met name in de artikelen 54 en 55, voorgeschreven maatregelen, de in dit deel bedoelde maatregelen wanneer een van zijn vaartuigen een van de volgende zware inbreuken heeft gepleegd:

a) gericht vissen op een bestand waarvoor een moratorium of een visverbod geldt;

b) onjuist registreren van vangsten. Om voor een vervolgactie op grond van dit artikel vatbaar te zijn, moet het verschil tussen de schatting door de inspecteur van de naar soort opgesplitste of totale aan boord gehouden verwerkte vangst en de in het productielogboek geregistreerde hoeveelheden 10 t of 20 % bedragen, al naargelang van wat het grootst is, berekend als percentage van de hoeveelheden in het productielogboek. Voor de schatting van de aan boord gehouden verwerkte vangst wordt een stuwagefactor toegepast die is overeengekomen tussen de inspecteurs van de inspecterende verdragsluitende partij en de verdragsluitende partij van het geïnspecteerde vaartuig;

c) het herhalen van dezelfde ernstige inbreuk bedoeld in artikel 51, die is bevestigd overeenkomstig het bepaalde in artikel 52, lid 4, binnen een tijdspanne van 100 dagen of binnen dezelfde visreis, al naargelang van wat het kortst is.

2.  De vlaggenlidstaat doet het nodige opdat het betrokken vaartuig na de in lid 3 bedoelde inspectie alle visserijactiviteiten stopzet en een onderzoek wordt ingesteld met betrekking tot de ernstige inbreuk.

3.  Indien in het gereglementeerde gebied geen inspecteur noch een andere door de vlaggenlidstaat aangewezen persoon aanwezig is om het in lid 2 bedoelde onderzoek te verrichten, draagt de vlaggenlidstaat het vaartuig op onmiddellijk een haven aan te doen waar het onderzoek kan plaatsvinden.

4.  De vlaggenlidstaat ziet erop toe dat de fysieke inspectie en vaststelling van de totale aan boord gehouden vangst in het kader van een onderzoek betreffende een ernstige inbreuk als bedoeld in lid 1, onder b) (onjuist registreren van vangsten), onder zijn gezag plaatsvindt in een haven. Bij een dergelijke inspectie mag met toestemming van de vlaggenlidstaat een inspecteur van eender welke andere verdragsluitende partij die zulks wenst aanwezig zijn.

5.  Wanneer een vaartuig overeenkomstig het bepaalde in de leden 2, 3 en 4 opdracht krijgt om een haven aan te doen, mag een inspecteur van een andere verdragsluitende partij aan boord van het vaartuig komen en/of blijven terwijl het op weg is naar de haven, tenzij de bevoegde autoriteit van de lidstaat van het geïnspecteerde vaartuig de inspecteur verzoekt het vaartuig te verlaten.

Artikel 57

Handhavingsmaatregelen

1.  De vlaggenlidstaat neemt handhavingsmaatregelen ten aanzien van vaartuigen waarvan overeenkomstig zijn nationale recht is vastgesteld dat zij een ernstige inbreuk als bedoeld in artikel 56 hebben gepleegd.

2.  De in lid 1 bedoelde maatregelen omvatten, gelet in het bijzonder op de ernst van de inbreuk en op de toepasselijke nationale wettelijke bepalingen:

a) boetes;

b) inbeslagneming van illegaal vistuig en illegale vangsten;

c) conservatoir beslag op het vaartuig;

d) schorsing of intrekking van de visvergunning;

e) korting of intrekking van de vangstquota.

3.  De vlaggenlidstaat van het betrokken vaartuig stelt de Commissie onverwijld in kennis van de vervolgmaatregelen die hij overeenkomstig dit artikel neemt. Op basis van die kennisgeving deelt de Commissie de maatregelen aan het NAFO-secretariaat mee.

Artikel 58

Verslag over ernstige inbreuken

1.  Bij een ernstige inbreuk als bedoeld in artikel 47 bis doet de betrokken lidstaat de Commissie zo snel mogelijk, en in elk geval binnen drie maanden na de kennisgeving van de inbreuk, een verslag toekomen over de voortgang van het onderzoek, met opgave van de maatregelen die zijn genomen of worden voorgenomen met betrekking tot de ernstige inbreuk, en wanneer het onderzoek is afgerond, een verslag over de uitkomst ervan.

2.  De Commissie stelt namens de Gemeenschap een samenvattend verslag op van de verslagen van de lidstaten. Zij doet binnen vier maanden vanaf de kennisgeving van de inbreuk het communautair voortgangsverslag betreffende onderzoeken en, wanneer het onderzoek is afgerond, zo snel mogelijk een verslag over de uitkomst ervan aan het NAFO-secretariaat toekomen.



DEEL 6

Rapporten

Artikel 59

Behandeling van de inspectieverslagen

1.  Inspectie- en surveillanceverslagen van NAFO-inspecteurs vormen in alle lidstaten toelaatbaar bewijsmateriaal in gerechtelijke of administratieve procedures. Voor de vaststelling van feiten worden zij op dezelfde voet behandeld als inspectie- en surveillanceverslagen van de lidstaten.

2.  De lidstaten werken mee aan het vergemakkelijken van gerechtelijke of andere procedures die zijn ingeleid naar aanleiding van een in het kader van deze regeling door een inspecteur opgesteld verslag, mits aan de voorwaarden voor de toelaatbaarheid van bewijsmateriaal in nationale gerechtelijke of andere stelsels is voldaan.

Artikel 60

Verslagen over overtredingen

1.  De lidstaten zenden de Commissie uiterlijk op 25 januari van elk jaar voor de periode van 1 juli tot en met 31 december, en uiterlijk op 25 augustus van elk jaar voor de periode van 1 januari tot en met 30 juni, een verslag toe dat de volgende gegevens bevat:

a) het resultaat van de maatregelen die zijn genomen naar aanleiding van overtredingen door hun vaartuigen; overtredingen worden jaarlijks geïnventariseerd tot de maatregel is afgesloten;

b) significante verschillen tussen in het logboek van het vaartuig geregistreerde vangsten en de ramingen van de inspecteur betreffende de vangsten aan boord van de vaartuigen. Een verschil wordt als significant beschouwd wanneer de raming van de inspecteur 5 % of meer afwijkt van de in het logboek geregistreerde vangst;

c) gegevens over de stand van de procedure, met name of de zaak in behandeling is, wordt behandeld in beroep dan wel of het onderzoek nog loopt;

d) een gedetailleerde beschrijving van de opgelegde sancties of boetes, met vermelding van de hoogte van de boetes, de waarde van de in beslag genomen vangsten en/of vistuigen, de schriftelijke waarschuwingen enz., en

e) toelichtingen indien geen maatregelen zijn genomen.

2.  De Commissie stelt namens de Gemeenschap een samenvattend verslag op van de verslagen van de lidstaten. Uiterlijk op 1 februari en 1 september van elk jaar zendt zij dit toe aan het NAFO-secretariaat.

Artikel 61

Rapportage over inspectie- en surveillanceactiviteiten

1.  Iedere lidstaat verstrekt de Commissie uiterlijk op 15 februari van elk jaar de volgende gegevens over het afgelopen kalenderjaar:

a) het aantal door de lidstaat in het kader van de NAFO-regeling verrichte inspecties, met opgave van het aantal geïnspecteerde vaartuigen van iedere verdragsluitende partij en, in geval van vermoedelijke overtreding, de datum en de locatie van de inspectie en de aard van de vermoedelijke overtreding;

b) het aantal vlieguren in verband met NAFO-surveillance, het aantal waarnemingen en het aantal surveillancerapporten, met vermelding van de afwikkeling daarvan.

2.  De Commissie stelt namens de Gemeenschap een samenvattend verslag op van de verslagen van de lidstaten. Uiterlijk op 1 maart van elk jaar zendt zij dit toe aan het NAFO-secretariaat.

▼M2



HOOFDSTUK V

HAVENSTAATCONTROLE VAN VAARTUIGEN DIE ONDER DE VLAG VAN EEN ANDERE VERDRAGSLUITENDE PARTIJ VAREN

Artikel 62

Toepassingsgebied

1.  Dit hoofdstuk is van toepassing op de aanvoer of overlading in havens van de lidstaten door vissersvaartuigen die varen onder de vlag van een andere NAFO-verdragsluitende partij, van vis die is gevangen in het gereglementeerde gebied van de NAFO of visproducten die van die vis afkomstig zijn, en die niet eerder in een haven zijn aangevoerd of gelost.

2.  Dit hoofdstuk is van toepassing onverminderd Verordening (EEG) nr. 2847/93 en Verordening (EG) nr. 1005/2008.

Artikel 63

Aangewezen havens

De lidstaten wijzen de havens aan waartoe de vissersvaartuigen toegang hebben met het oog op de aanvoer of overlading. De lidstaten delen hun aangewezen havens mee aan de Commissie, die de lijst van deze havens doorstuurt naar het NAFO-secretariaat. Wijzigingen aan de lijst dienen ten minste vijftien dagen vóór de wijziging van toepassing wordt, te worden gemeld aan het NAFO-secretariaat.

Artikel 63 bis

Bevoegde instantie

1.  De lidstaten wijzen de bevoegde instantie aan die als contactpunt dient voor het ontvangen van meldingen overeenkomstig artikel 63 ter, voor het ontvangen van bevestiging en voor de afgifte van vergunningen overeenkomstig artikel 63 quater.

2.  De lidstaten delen de Commissie de naam en contactgegevens van de bevoegde instantie mee. De Commissie stuurt deze informatie onverwijld door naar het NAFO-secretariaat.

Artikel 63 ter

Voorafgaande melding van het binnenvaren van een haven

1.  In afwijking van artikel 28 sexies, lid 1, van Verordening (EEG) nr. 2847/93 brengt de kapitein van een in artikel 62, lid 1, van deze verordening bedoeld vissersvaartuig of diens vertegenwoordiger, die voornemens is een haven aan te doen voor aanvoer of overlading, de in artikel 63 bis van deze verordening bedoelde bevoegde instantie van de havenlidstaat ten minste drie werkdagen vóór de verwachte tijd van aankomst op de hoogte.

2.  Niettemin mag een lidstaat voorzien in een andere termijn voor voorafgaande melding, met inachtneming van, onder meer, de afstand tussen de visgronden en zijn haven. De lidstaten brengen de Commissie of een door haar aangewezen orgaan op de hoogte van die voorafgaande meldingstermijn. De Commissie stuurt deze informatie onverwijld door naar het NAFO-secretariaat.

3.  De voorafgaande melding dient vergezeld te gaan van de volgende formulieren, waarvan deel A naar behoren dient te zijn ingevuld:

a) formulier PSC 1, als bedoeld in bijlage XV, punt A, indien het vaartuig voornemens is de eigen vangst aan te voeren of over te laden;

b) formulier PSC 2, als bedoeld in bijlage XV, punt B, indien het vaartuig voornemens is een overgeladen vangst aan te voeren of over te laden. Per overladend vaartuig dient een apart formulier te worden ingevuld;

c) zowel formulier PSC 1 als PSC 2, indien het vaartuig voornemens is zowel de eigen als een overgeladen vangst aan te voeren of over te laden.

4.  De kapitein of diens vertegenwoordiger kan een eerder gedane voorafgaande melding intrekken door de bevoegde instanties van de haven die hij wilde aandoen, daarvan ten minste 24 uur vóór het gemelde vermoedelijke tijdstip van aankomst in de haven in kennis te stellen. Niettemin kan de havenlidstaat voorzien in een andere termijn voor voorafgaande melding. De melding dient vergezeld te gaan van een exemplaar van het originele PSC 1- of PSC 2-formulier waarop het woord „cancelled” (geannuleerd) wordt aangebracht.

5.  De bevoegde instantie van de havenlidstaat stuurt onverwijld een exemplaar van het in de leden 3 en 4 bedoelde voorafgaande kennisgevingsformulier naar de verdragsluitende vlaggenstaat van het vissersvaartuig dat voornemens is over te gaan tot aanvoer of overlading en, indien het vaartuig overladingsactiviteiten heeft verricht, naar de verdragsluitende vlaggenstaat van de overladende vaartuigen.

6.  Er wordt ook een exemplaar van het formulier gestuurd naar de Commissie of een door haar aangewezen orgaan, die/dat het onverwijld doorstuurt naar het NAFO-secretariaat.

Artikel 63 quater

Toestemming om vis aan te voeren of over te laden

1.  Met de aanvoer- of overladingsverrichtingen mag slechts worden begonnen nadat de bevoegde instantie van de havenlidstaat daarvoor toestemming heeft gegeven. Die toestemming wordt pas verleend nadat de vlaggenstaat het overeenkomstig artikel 63 ter, lid 5, verstuurde exemplaar van formulier PSC 1 en/of PSC 2, waarvan deel B naar behoren is ingevuld, heeft doorgestuurd met de bevestiging dat:

a) het vaartuig dat volgens de aangifte de vis heeft gevangen, over een toereikend quotum voor de aangegeven soort beschikte;

b) de gemelde hoeveelheden aan boord gehouden vis per soort naar behoren zijn aangegeven en zijn verrekend in de toepasselijke vangst- of inspanningsbeperkingen;

c) het vaartuig dat volgens de aangifte de vis heeft gevangen, over een vergunning beschikte om in de opgegeven gebieden te vissen, en

d) de aanwezigheid van het vaartuig in het gebied waar het volgens de melding zijn vangst heeft gedaan, geverifieerd is via VMS-gegevens.

2.  In afwijking van lid 1 kan de bevoegde instantie van de havenlidstaat de volledige of gedeeltelijke aanvoer toestaan zonder de in lid 1 bedoelde bevestiging. In dat geval wordt de vis opgeslagen onder het toezicht van de bevoegde instantie. De vis wordt slechts vrijgegeven voor verkoop, overname of vervoer na ontvangst en controle door de bevoegde instantie van de in lid 1 bedoelde bevestiging. Wanneer 14 dagen na de aanvoer nog geen bevestiging is ontvangen, mogen de bevoegde instanties van de havenlidstaat de vis in beslag nemen en verwijderen overeenkomstig de geldende nationale bepalingen.

3.  De bevoegde instantie van de havenlidstaat brengt de kapitein onverwijld op de hoogte van haar besluit om de aanvoer of overlading al dan niet toe te staan, door een exemplaar van formulier PSC 1 en/of PSC 2, waarvan deel C naar behoren is ingevuld, terug te sturen. Dit exemplaar wordt ook onverwijld naar de Commissie of een door haar aangewezen orgaan gestuurd, die/dat deze informatie doorstuurt naar het NAFO-secretariaat.

Artikel 63 quinquies

Inspecties

1.  Tenzij anders bepaald in een herstelplan voert de havenlidstaat tijdens elk rapportagejaar inspecties uit van ten minste 15 % van alle aanvoer- of overladingsverrichtingen.

2.  De inspecties worden uitgevoerd door erkende nationale inspecteurs die vóór de inspectie hun identificatiedocument laten zien aan de kapitein van het vaartuig.

3.  De havenlidstaat kan inspecteurs van andere verdragsluitende partijen vragen zijn eigen inspecteurs te begeleiden en toe te zien op de inspectie van aanvoer- of overladingsverrichtingen in de zin van dit hoofdstuk.

4.  Een inspectie omvat het uitoefenen van toezicht op de volledige los- of overladingsverrichtingen in die haven en de nationale inspecteurs dienen ten minste:

a) de hoeveelheden van elke aangevoerde of overgeladen soort te vergelijken met:

i) de in het logboek geregistreerde hoeveelheden per soort,

ii) de vangst- en activiteitenverslagen, en

iii) alle informatie over vangsten die in de voorafgaande melding (PSC 1 of PSC 2) werd verstrekt;

b) de hoeveelheden van de aan boord gehouden vangst per soort na voltooiing van de aanvoer of overlading te verifiëren en te registreren;

c) alle informatie van op zee uitgevoerde inspecties te verifiëren;

d) alle netten aan boord te controleren en metingen van de mazen te registreren;

e) de maat van de vis te toetsen aan de voorschriften inzake de minimummaat.

5.  De nationale inspecteurs stellen alles in het werk om het vissersvaartuig niet onnodig lang op te houden, de werkzaamheden van het vaartuig zo min mogelijk te verstoren en onnodig kwaliteitsverlies van de vis te vermijden.

6.  De kapitein van een vissersvaartuig dient:

a) mee te werken aan en hulp te verlenen bij de inspectie overeenkomstig deze procedures, zonder de controleurs van de havenstaat van de uitvoering van hun taken te weerhouden, hen te intimideren of te hinderen;

b) toegang te verlenen tot de plaatsen, dekken, ruimten, vangst, netten of ander vistuig of materiaal en op verzoek van de inspecteur van de havenstaat relevante informatie te verstrekken, inclusief exemplaren van relevante documenten.

Artikel 63 sexies

Ernstige inbreuken

1.  De volgende inbreuken worden als ernstig beschouwd:

a) inspecteurs beletten hun taken te vervullen;

b) aanvoer- of overladingsactiviteiten verrichten in een niet-aangewezen haven;

c) de bepalingen betreffende de voorafgaande melding van aankomst niet naleven;

d) aanvoer- of overladingsactiviteiten verrichten zonder toestemming van de havenlidstaat.

2.  De havenlidstaat neemt handhavingsmaatregelen ten aanzien van een vissersvaartuig waarvan overeenkomstig zijn nationale recht is vastgesteld dat het een in lid 1 bedoelde ernstige inbreuk heeft gepleegd. Deze maatregelen kunnen met name, afhankelijk van de ernst van de overtreding en overeenkomstig de relevante bepalingen van het nationale recht, het volgende omvatten:

a) boetes;

b) inbeslagneming van illegaal vistuig en illegale vangsten;

c) conservatoir beslag op het vaartuig.

Artikel 63 septies

Inspectieverslagen

1.  Voor elke inspectie dient het in bijlage XII bedoelde haveninspectieverslag te worden ingevuld.

2.  Het inspectieverslag mag door de kapitein van opmerkingen worden voorzien en wordt bij het einde van de inspectie ondertekend door de inspecteur en de kapitein. Een exemplaar van het verslag wordt aan de kapitein van het vissersvaartuig overhandigd.

3.  Een exemplaar van elk inspectieverslag wordt onverwijld toegezonden aan de vlaggenstaat van het geïnspecteerde vissersvaartuig en, wanneer het vaartuig vis heeft overgeladen, aan de vlaggenstaat van het overladende vaartuig. Voorts wordt een exemplaar onverwijld naar de Commissie of een door haar aangewezen orgaan gestuurd, die/dat deze informatie doorstuurt naar het NAFO-secretariaat. Het origineel of een gewaarmerkt afschrift van elk inspectieverslag wordt aan de vlaggenstaat van het geïnspecteerde vaartuig toegestuurd wanneer deze daarom verzoekt.

▼B



HOOFDSTUK VI

ACTIVITEITEN VAN NIET-VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN

Artikel 64

IUU-activiteiten van vaartuigen van niet-verdragsluitende partijen

1.  Een vaartuig van een niet-verdragsluitende partij dat visserijactiviteiten uitoefent in het gereglementeerde NAFO-gebied wordt geacht IUU-activiteiten te hebben verricht die de doeltreffendheid van de instandhoudings- en handhavingsmaatregelen van de NAFO in gevaar hebben gebracht.

2.  In het geval van overladingsactiviteiten waarbij een waargenomen en geïdentificeerd vaartuig van een niet-verdragsluitende partij, in of buiten het gereglementeerde NAFO-gebied, is betrokken, worden ook andere bij deze activiteiten betrokken vaartuigen van een niet-verdragsluitende partij geacht de instandhoudings- en handhavingsmaatregelen van de NAFO in gevaar te brengen.

Artikel 65

Gegevens over vaartuigen van niet-verdragsluitende partijen

1.  Indien een inspecteur van een lidstaat of van de Commissie een vaartuig van een niet-verdragsluitende partij waarneemt of op andere wijze identificeert, tracht hij het vaartuig ervan in kennis te stellen dat het wordt geacht de instandhoudings- en handhavingsmaatregelen van de NAFO in gevaar te brengen en worden de gegevens doorgestuurd naar de verdragsluitende partijen bij de NAFO, andere regionale visserijorganisaties en de vlaggenstaat van het vaartuig.

2.  De lidstaten verstrekken de Commissie onverwijld de gegevens betreffende waarnemingen, weigering van toegang tot een haven, aanvoer of overlading, alsmede de resultaten van alle controles in hun havens en de maatregelen die zij naar aanleiding daarvan ten aanzien van het betrokken vaartuig hebben genomen. De Commissie zendt alle gegevens onverwijld door aan het NAFO-secretariaat.

3.  De in lid 2 bedoelde mededeling omvat onder meer de naam van het geïnspecteerde vaartuig van de niet-verdragsluitende partij en zijn vlaggenstaat, de datum waarop en de haven waarin de inspectie heeft plaatsgevonden, de redenen voor het naar aanleiding daarvan opgelegde verbod op aanvoer en/of overlading of, indien geen dergelijk verbod is opgelegd, de overeenkomstig artikel 67, lid 3, overgelegde bewijzen.

4.  De lidstaten kunnen aanvullende gegevens die van belang kunnen zijn voor de identificatie van de vaartuigen van niet-verdragsluitende partijen die IUU-visserijactiviteiten in het gereglementeerde NAFO-gebied verrichten, te allen tijde meedelen aan de Commissie, die deze informatie onmiddellijk doorzendt aan het NAFO-secretariaat.

5.  De Commissie stelt de lidstaten elk jaar in kennis van de vaartuigen van niet-verdragsluitende partijen die voorkomen op de door de NAFO vastgestelde lijst van IUU-vaartuigen.

Artikel 66

Verbod op overlading en gezamenlijke visserijactiviteiten

Communautaire vissersvaartuigen mogen geen overladingen van vis ontvangen of verrichten naar of van vaartuigen van niet-verdragsluitende partijen als bedoeld in artikel 63, noch gezamenlijke visserijactiviteiten met deze vaartuigen uitoefenen.

Artikel 67

Inspectie op zee

De inspecteurs vragen in voorkomend geval of zij een waargenomen of op andere wijze geïdentificeerd vaartuig van niet-verdragsluitende partijen mogen controleren wanneer dit visserijactiviteiten uitoefent in het gereglementeerde NAFO-gebied. Vaartuigen die ermee instemmen om te worden gecontroleerd, worden geïnspecteerd overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk IV.

▼M2

Artikel 68

Binnenvaren van de haven

1.  Onverminderd de Verordeningen (EEG) nr. 2847/93, (EG) nr. 1093/94 en (EG) nr. 1005/2008 zorgen de lidstaten ervoor dat de kapiteins van vaartuigen van niet-verdragsluitende partijen alleen havens aandoen die zijn aangewezen overeenkomstig artikel 63. Een kapitein die voornemens is een aangewezen haven aan te doen, brengt de bevoegde instantie van de havenlidstaat daarvan op de hoogte overeenkomstig de bepalingen van artikel 63 ter. De havenlidstaat stuurt deze informatie onverwijld naar de vlaggenstaat van het vaartuig en naar de Commissie of een door haar aangewezen orgaan, die/dat deze informatie doorstuurt naar het NAFO-secretariaat.

2.  De bepalingen van de artikelen 63 ter en 63 quater zijn van overeenkomstige toepassing. De havenlidstaat ontzegt de toegang tot zijn havens aan vaartuigen die niet de in lid 1 bedoelde vereiste voorafgaande melding hebben gedaan en waarvoor de in artikel 63 quater, lid 1, bedoelde bevestiging door de vlaggenstaat niet is verstrekt.

3.  Een lidstaat die aanvoer of overlading weigert, stelt de kapitein van het betrokken vaartuig in kennis van dat besluit.

▼M2

Artikel 68 bis

Inspectie in de haven

1.  De lidstaten zorgen ervoor dat elk vaartuig van een niet-verdragsluitende partij dat een van hun havens binnenvaart, door hun bevoegde instanties wordt geïnspecteerd. Het vaartuig mag geen aanvoer- of overladingsverrichtingen uitvoeren alvorens deze inspectie is uitgevoerd. De inspecties hebben betrekking op de documenten van het vaartuig, de logboeken, het vistuig, de aan boord gehouden vangsten, alsmede alle andere zaken die verband houden met de activiteiten van het vaartuig in het gereglementeerde NAFO-gebied.

2.  Indien de bevoegde instanties na de inspectie constateren dat een vaartuig van een niet-verdragsluitende partij vis van de door de NAFO gereglementeerde of in bijlage II bij deze verordening bedoelde visbestanden of groepen visbestanden aan boord heeft, verbiedt de betrokken lidstaat de aanvoer en/of overlading van vangsten van dat vaartuig.

3.  Dit verbod geldt echter niet indien de kapitein van het geïnspecteerde vaartuig of diens vertegenwoordiger ten genoegen van de bevoegde instanties van de betrokken lidstaat aantoont dat:

a) de aan boord gehouden soorten zijn gevangen buiten het gereglementeerde NAFO-gebied, of

b) de aan boord gehouden, in bijlage II vermelde soorten zijn gevangen met inachtneming van de instandhoudings- en handhavingsmaatregelen van de NAFO.

4.  Een lidstaat die aanvoer of overlading weigert, stelt de kapitein van het betrokken vaartuig in kennis van dat besluit.

5.  Voor elke inspectie dient ten minste het in bijlage XII bedoelde haveninpectieverslag te worden ingevuld.

6.  De informatie over de resultaten van alle in de havens van de lidstaten uitgevoerde inspecties van vaartuigen van niet-verdragsluitende partijen, en de eventuele follow-up daarvan, wordt onverwijld bezorgd aan de vlaggenstaat van het vaartuig en aan de Commissie of een door haar aangewezen orgaan, die/dat deze informatie onverwijld doorstuurt naar het NAFO-secretariaat.

▼B

Artikel 69

Maatregelen ten aanzien van IUU-vaartuigen

1.  De volgende maatregelen zijn van toepassing op vaartuigen die door de Visserijorganisatie voor het noordwestelijk deel van de Atlantische Oceaan (NAFO) zijn geplaatst op de lijst van IUU-vaartuigen in bijlage XIII:

a) vissersvaartuigen, ondersteuningsvaartuigen, bunkerschepen, moederschepen, en vrachtvaartuigen die de vlag van een lidstaat voeren, mogen op geen enkele wijze bijstand verlenen aan IUU-vaartuigen, zich bezighouden met het be- of verwerken van vis of deelnemen aan overladingen van of gezamenlijke visserijactiviteiten met vaartuigen van de lijst van IUU-vaartuigen;

b) in de haven mogen aan IUU-vaartuigen geen goederen of brandstof worden geleverd en geen diensten worden verleend;

c) de IUU-vaartuigen krijgen, tenzij in geval van overmacht, geen toegang tot havens van de lidstaten;

d) IUU-vaartuigen krijgen, tenzij in verband met een geval van overmacht, geen toelating om van bemanning te wisselen;

e) het is IUU-vaartuigen niet toegestaan te vissen in Gemeenschapswateren en zij mogen niet gecharterd worden;

f) lidstaten staan IUU-vaartuigen niet toe hun vlag te voeren en moedigen importeurs, vervoerders en andere sectoren aan geen vis te verhandelen of over te laden die door dergelijke vaartuigen is gevangen;

g) de invoer van vis afkomstig van IUU-vaartuigen is verboden.

2.  De Commissie brengt de lijst van IUU-vaartuigen met die van de NAFO in overeenstemming zodra de NAFO een nieuwe lijst vaststelt.



HOOFDSTUK VII

SLOTBEPALINGEN

Artikel 70

Procedure in geval van wijzigingen

De Raad kan met gekwalificeerde meerderheid van stemmen op voorstel van de Commissie de bepalingen van deze verordening wijzigen om de instandhoudings- en handhavingsmaatregelen van de NAFO die voor de Gemeenschap bindend zijn geworden, in Gemeenschapsrecht om te zetten.

Artikel 71

Intrekking

De Verordeningen (EG) nr. 1262/00, (EG) nr. 3069/95, (EG) nr. 3680/93, (EEG) nr. 189/92, (EEG) nr. 1956/88 en (EEG) nr. 2868/88 worden ingetrokken.

Artikel 72

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.




BIJLAGE I

LIJST VAN SOORTEN



Nederlandse naam

Wetenschappelijke naam

Drielettercode

Bodemvissen

Kabeljauw

Gadus morhua

COD

Schelvis

Melanogrammus aeglefinus

HAD

Roodbaars

Sebastes sp.

RED

Diepzeeroodbaars

Sebastes marinus

REG

Diepzeeroodbaars

Sebastes mentella

REB

Amerikaanse roodbaars

Sebastes fasciatus

REN

Noordwest-Atlantische heek

Merluccius bilinearis

HKS

Atlantische gaffelkabeljauw (1)

Urophycis chuss

HKR

Zwarte koolvis

Pollachius virens

POK

Amerikaanse schol

Hippoglossoides platessoides

PLA

Witje

Glyptocephalus cynoglossus

WIT

Geelstaartschar

Limanda ferruginea

YEL

Groenlandse heilbot

Reinhardtius hippoglossoides

GHL

Heilbot

Hippoglossus hippoglossus

HAL

Amerikaanse winterschol

Pseudopleuronectes americanus

FLW

Zomerbot

Paralichthys dentatus

FLS

Amerikaanse griet

Scophthalmus aquosus

FLD

Platvissen (n.e.g.)

Pleuronectiformes

FLX

Amerikaanse zeeduivel

Lophius americanus

ANG

Amerikaanse ponen

Prionotus sp.

SRA

Atlantische tomcod

Microgadus tomcod

TOM

Blauwe diepzeekabeljauw

Antimora rostrata

ANT

Blauwe wijting

Micromesistius poutassou

WHB

Amerikaanse lipvis

Tautogolabrus adspersus

CUN

Torsk

Brosme brosme

USK

Groenlandse kabeljauw

Gadus ogac

GRC

Blauwe leng

Molva dypterygia

BLI

Leng

Molva molva

LIN

Snotolf

Cyclopterus lumpus

LUM

Koningombervis

Menticirrhus saxatilis

KGF

Noordelijke kogelvis

Sphaeroides maculatus

PUF

Puitalen (n.e.g.)

Lycodes sp.

ELZ

Atlantische puitaal

Macrozoarces americanus

OPT

Arctische kabeljauw

Boreogadus saida

POC

Grenadiersvis

Coryphaenoides rupestris

RNG

Noordelijke grenadiervis

Macrourus berglax

RHG

Zandspieringen

Ammodytes sp.

SAN

Zeedonderpadden

Myoxocephalus sp.

SCU

Scup

Stenotomus chrysops

SCP

Tautog-lipvis

Tautoga onitis

TAU

Blauwe tegelvis

Lopholatilus chamaeleonticeps

TIL

Witte heek (1)

Urophycis tenuis

HKW

Zeewolven (n.e.g.)

Anarhicas sp.

CAT

Zeewolf

Anarhichas lupus

CAA

Gevlekte zeewolf

Anarhichas minor

CAS

Bodemvissen (n.e.g.)

 

GRO

Pelagische vissen

Atlantische haring

Clupea harengus

HER

Makreel

Scomber scombrus

MAC

Atlantische botervis

Peprilus triacanthus

BUT

Menhaden

Brevoortia tyrannus

MHA

Makreelgeep

Scomberesox saurus

SAU

Amerikaanse ansjovis

Anchoa mitchilli

ANB

Blauwbaars

Pomatomus saltatrix

BLU

Paardenhorsmakreel

Caranx hippos

CVJ

Fregattonijn

Auxis thazard

FRI

Koningsmakreel

Scomberomourus cavalla

KGM

Gevlekte koningsmakreel

Scomberomourus maculatus

SSM

Zeilvis

Istiophorus platypterus

SAI

Witte marlijn

Tetrapturus albidus

WHM

Blauwe marlijn

Makaira nigricans

BUM

Zwaardvis

Xiphias gladius

SWO

Witte tonijn

Thunnus alalunga

ALB

Bonito

Sarda sarda

BON

Dwergtonijn

Euthynnus alletteratus

LTA

Grootoogtonijn

Thunnus obesus

BET

Gewone tonijn

Thunnus thynnus

BFT

Gestreepte tonijn/Skipjack

Katsuwonus pelamis

SKJ

Geelvintonijn

Thunnus albacares

YFT

Tonijnen (n.e.g.)

Scombridae

TUN

Pelagische vissen (n.e.g.)

 

PEL

Invertebraten

Langvinpijlinktvis (Loligo)

Loligo pealei

SQL

Kortvinpijlinktvis (Illex)

Illex illecebrosus

SQI

Inktvissen (n.e.g.)

Loliginidae, Ommastrephidae

SQU

Amerikaanse zwaardschede

Ensis directus

CLR

Amerikaanse venusschelp

Mercenaria mercenaria

CLH

Noordkromp

Arctica islandica

CLQ

Grote strandgaper

Mya arenaria

CLS

Reuze strandschelp

Spisula solidissima

CLB

Stimpsons strandschelp

Spisula polynyma

CLT

Tweekleppigen (n.e.g.)

Prionodesmacea, Teleodesmacea

CLX

Kamschelp

Argopecten irradians

SCB

Calicot mantelschelp

Argopecten gibbus

SCC

IJslandse mantel

Chlamys islandica

ISC

Amerikaanse grote mantel

Placopecten magellanicus

SCA

Mantel- en kamschelpen (n.e.g.)

Pectinidae

SCX

Noord-Amerikaanse oester

Crassostrea virginica

OYA

Mossel

Mytilus edulis

MUS

Busyconwulken (n.e.g.)

Busycon sp.

WHX

Alikruiken (n.e.g.)

Littorina sp.

PER

Weekdieren (n.e.g.)

Mollusca

MOL

Atlantische rotskrab

Cancer irroratus

CRK

Blauwe zwemkrab

Callinectes sapidus

CRB

Strandkrab

Carcinus maenas

CRG

Jonaskrab

Cancer borealis

CRJ

Arctische sneeuwkrab

Chionoecetes opilio

CRQ

Rode diepzeekrab

Geryon quinquedens

CRR

Augustinuskrab

Lithodes maia

KCT

Zeekrabben (n.e.g.)

Reptantia

CRA

Amerikaanse zeekreeft

Homarus americanus

LBA

Noorse garnaal

Pandalus borealis

PRA

Ringsprietgarnaal

Pandalus montagui

AES

Peneide garnalen (n.e.g.)

Penaeus sp.

PEN

Pandalide garnalen

Pandalus sp.

PAN

Zeewaterschelpdieren (n.e.g.)

Crustacea

CRU

Zee-egels

Strongylocentrotus sp.

URC

Wormen (n.e.g.)

Polychaeta

WOR

Pijlstaartkreeft

Limulus polyphemus

HSC

Invertebraten (n.e.g.)

Invertebrata

INV

Overige soorten

Rivierharing

Alosa pseudoharengus

ALE

Geelstaarten

Seriola sp.

AMX

Amerikaanse congeraal

Conger oceanicus

COA

Amerikaanse paling

Anguilla rostrata

ELA

Slijmprik

Myxine glutinosa

MYG

Amerikaanse elft

Alosa sapidissima

SHA

Zilvervissen (n.e.g.)

Argentina sp.

ARG

Atlantische ombervis

Micropogonias undulatus

CKA

Atlantische geep

Strongylura marina

NFA

Atlantische zalm

Salmo salar

SAL

Atlantische koornaarvis

Menidia menidia

SSA

Atlantische draadvinnige haring

Opisthonema oglinum

THA

Glijkop

Alepocephalus bairdii

ALC

Zwarte trommelvis

Pogonias cromis

BDM

Zwarte zeebaars

Centropristis striata

BSB

Canadese elft

Alosa aestivalis

BBH

Lodde

Mallotus villosus

CAP

Riddervissen (n.e.g.)

Salvelinus sp.

CHR

Cobia

Rachycentron canadum

CBA

Gele pompano

Trachinotus carolinus

POM

Draadvinnige elft

Dorosoma cepedianum

SHG

Knorvissen (n.e.g.)

Pomadasyidae

GRX

West-Atlantische fint

Alosa mediocris

SHH

Lantaarnvis

Notoscopelus sp.

LAX

Harders (n.e.g.)

Mugilidae

MUL

Grootbek

Peprilus alepidotus (= paru)

HVF

Varkensvis

Orthopristis chrysoptera

PIG

Amerikaanse spiering

Osmerus mordax

SMR

Rode ombervis

Sciaenops ocellatus

RDM

Gewone zeebrasem

Pagrus pagrus

RPG

Ruwe horsmakreel

Trachurus lathami

RSC

Zandbaars

Diplectrum formosum

PES

Schaapskopzeebrasem

Archosargus probatocephalus

SPH

Puntombervis

Leiostomus xanthurus

SPT

Gevlekte ombervis

Cynoscion nebulosus

SWF

Koningsombervis

Cynoscion regalis

STG

Gestreepte baars

Morone saxatilis

STB

Steuren (n.e.g.)

Acipenseridae

STU

Tarpoen

Tarpon (= megalops) atlanticus

TAR

Zalmachtigen (n.e.g.)

Salmo sp.

TRO

Amerikaanse zeebaars

Morone americana

PEW

Beryciden (n.e.g.)

Beryx sp.

ALF

Doornhaai

Squalus acantias

DGS

Doornhaaien (n.e.g.)

Squalidae

DGX

Gespikkelde scheurtandhaai

Odontaspis taurus

CCT

Haringhaai

Lamna nasus

POR

Makreelhaai

Isurus oxyrinchus

SMA

Donkere haai

Carcharhinus obscurus

DUS

Blauwe haai

Prionace glauca

BSH

Haaien (n.e.g.)

Squaliformes

SHX

Atlantische melkhaai

Rhizoprionodon terraenova

RHT

Zwarte lantaarnhaai

Centroscyllium fabricii

CFB

Groenlandse haai

Sonmnousus microcephalus

GSK

Reuzenhaai

Cetorhinus maximus

BSK

Roggen (n.e.g.)

Raja sp.

SKA

Kleine rog

Leucoraja erinacea

RJD

Arctische rog

Amblyraja hyperborea

RJG

Deurrog

Dipturus laevis

RJL

Winterrog

Leucoraja ocellata

RJT

Sterrog

Amblyraja radiata

RJR

Gladde rog

Malcoraja senta

RJS

Groenlandse rog

Bathyraja spinicauda

RJO

Gewone vis, andere dan schaal- en schelpdieren (n.e.g.)

 

FIN

(1)   Overeenkomstig een door STACRES tijdens de jaarlijkse vergadering van 1970 aangenomen aanbeveling (ICNAF Redbook 1970, deel I, blz. 67) wordt heek van het geslacht Urophycis met het oog op de statistische rapportering als volgt aangeduid: heek afkomstig uit de deelgebieden 1, 2 en 3, en uit de sectoren 4R, S, T en V als witte heek, Urophycis tenuis; met lijnen gevangen heek of met gelijk welke methode gevangen heek die langer is dan 55 cm standaardlengte, afkomstig uit de sectoren 4W en X, deelgebied 5 en statistisch vak 6, als witte heek, Urophycis tenuis; andere heek van het geslacht Urophycis, afkomstig uit de sectoren 4W en X, deelgebied 5 en statistisch vak 6 als Atlantische gaffelkabeljauw, Urophycis chuss, onverminderd het bepaalde onder b).

▼M1




BIJLAGE II

Hieronder volgt een lijst met de bestanden die overeenkomstig artikel 22 moeten worden gerapporteerd.



ANG/N3NO

Lophius americanus

Amerikaanse zeeduivel

CAA/N3LMN

Anarhichas lupus

Zeewolf

CAP/N3LM

Mallotus villosus

Lodde

CAT/N3LMN

Anarhichas spp.

Zeewolf (n.e.g.)

HAD/N3LNO

Melanogrammus aeglefinus

Schelvis

HAL/N23KL

Hippoglossus hippoglossus

Heilbot

HAL/N3M

Hippoglossus hippoglossus

Heilbot

HAL/N3NO

Hippoglossus hippoglossus

Heilbot

HER/N3L

Clupea harengus

Haring

HKR/N2J3KL

Urophycis chuss

Atlantische gaffelkabeljauw

HKR/N3MNO

Urophycis chuss

Atlantische gaffelkabeljauw

HKS/N3LMNO

Merlucius bilinearis

Noordwest-Atlantische heek

RNG/N23

Coryphaenoides rupestris

Grenadiersvis

HKW/N2J3KL

Urophycis tenuis

Witte heek

POK/N3O

Pollachius virens

Zwarte koolvis

PRA/N3M

Pandalus borealis

Noordse garnaal

RHG/N23

Macrourus berglax

Noordelijke grenadiervis

SKA/N2J3K

Raja spp.

Roggen

SKA/N3M

Raja spp.

Roggen

SQI/N56

Illex illecebrosus

Kortvinnige pijlinktvis

VFF/N3LMN

Vissen, ongesorteerd, niet-geïdentificeerd

WIT/N3M

Glyptocephalus cynoglossus

Witje

YEL/N3M

Limanda ferruginea

Geelstaartschar

▼B




BIJLAGE III

MINIMUMMATEN VAN DE VISSEN ( 16 )



Soort

Vis, ontdaan van kieuwen en ingewanden, met of zonder huid;

vers, gekoeld, bevroren of gezouten.

In gehele staat

Zonder kop

Zonder kop en staart

Zonder kop en overlangs doorgesneden

Kabeljauw

41 cm

27 cm

22 cm

27/25 cm ()

Groenlandse heilbot

30 cm

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

Amerikaanse schol

25 cm

19 cm

15 cm

n.v.t.

Geelstaartschar

25 cm

19 cm

15 cm

n.v.t.

(1)   De kleinste maat voor vers gezouten vis.




BIJLAGE IV

VANGSTREGISTRATIE (LOGBOEKGEGEVENS)

IN HET LOGBOEK TE NOTEREN GEGEVENS



Gegevens

 

Standaardcode

Naam van het vaartuig

 

01

Nationaliteit van het vaartuig

 

02

Registratienummer van het vaartuig

 

03

Haven van registratie

 

04

Gebruikte soort vistuig (uitgesplitst naar de verschillende soorten vistuig)

 

10

Soort vistuig

Datum — dag

20

— Maand

 

21

— Jaar

 

22

Positie — Breedtegraad

 

31

— Lengtegraad

 

32

— Statistisch vak

 

33

 (1) Aantal trekken per 24 uur

40

 (1) Aantal uren dat per 24 uur met het vistuig is gevist

41

Soortnamen (bijlage II)

 

Dagelijkse vangst per soort (in metrieke ton levend gewicht)

50

Dagelijkse vangst per soort voor menselijke consumptie

61

Dagelijkse vangst per soort voor verwerking tot vismeel

62

Dagelijkse vangst die per soort en per dag overboord is gezet

63

Plaats(en) van overlading

70

Datum/data van overlading

71

Handtekening van de kapitein

80

(1)   Wanneer binnen een periode van 24 uur twee of meer soorten vistuig worden gebruikt, dienen de gegevens voor elke soort vistuig apart te worden vermeld.

Vistuigcodes



Vistuigcategorieën

Standaardcode

OMSLUITINGSNETTEN

 

Ringzegens met sluitlijn

PS

door één vaartuig bediend

PS1

door twee vaartuigen bediend

PS2

Ringzegens zonder sluitlijn (lampara)

LA

ZEGENS

SB

Bootzegens

SV

Deense zegens

SDN

Schotse zegens

SSC

spanzegens

SPR

Zegennetten (n.e.g.)

SX

TRAWLNETTEN

 

Korven

FPO

Bodemtrawls

 

boomkorren

TBB

ottertrawls ()

OTB

spanrieten

PTB

kreeftentrawls

TBN

garnalentrawls

TBS

bodemtrawls (n.e.g.)

TB

Pelagische trawls

 

ottertrawls

OTM

spanrieten

PTM

garnalentrawls

TMS

pelagische trawls (n.e.g.)

TM

Dubbelebordentrawls

OTT

Ottertrawls (n.e.g.)

OT

Spannetten (n.e.g.)

PT

Ottertrawls (n.e.g.)

TX

KORREN

 

Vanaf een schip bediende kor

DRB

Handkor

DRH

KRUISNETTEN

 

Draagbare kruisnetten

LNP

Vanaf een schip bediende kruisnetten

LNB

Vanaf de oever bediende kruisnetten

LNS

Kruisnetten (n.e.g.)

LN

VALLENDE NETTEN

 

Werpnetten

FCN

Vallende netten (n.e.g.)

FG

KIEUWNETTEN EN WARNETTEN

 

Geankerde kieuwnetten

GNS

Drijfnetten

GND

Omringende kieuwnetten

GNC

Staande kieuwnetten (met palen)

GNF

Schakels

GTR

Gecombineerde kieuwnetten en schakels

GTN

Kieuwnetten en warnetten (n.e.g.)

GEN

Kieuwnetten (n.e.g.)

GN

VALLEN

 

Onbedekte kommen

FPN

Fuiken

FYK

Ankerkuilen

FSN

Barrières, staande netten, weren enz.

FWR

Luchtnetten

FAR

Vallen (n.e.g.)

FIX

HAKEN EN LIJNEN

 

Handlijnen en hengelsnoeren (met de hand bediend) ()

LHP

Handlijnen en hengelsnoeren (machinaal)

LHM

Grondbeugen

LLS

Drijvende beugen

LLD

Beuglijnen (n.e.g.)

LL

Sleeplijnen

LTL

Haken en lijnen (n.e.g.) ()

LX

CONTACT- EN VERWONDINGSTUIG

 

Harpoenen

HAR

VERZAMELMACHINES

 

Pompen

HMP

Motordreggen

HMD

Verzamelmachines (n.e.g.)

HMX

DIVERSE SOORTEN VISTUIG ()

MIS

VISTUIG VOOR RECREATIEDOELEINDEN

RG

ONBEKEND OF NIET NADER GESPECIFICEERD VISTUIG

NK

(1)   De visserij-instanties mogen de bodemtrawls met zijde of hek aanduiden met de codes OTB-1 en OTB-2, en de pelagische trawls met zijde of hek met de codes OTM-1 en OTM-2.

(2)   Met inbegrip van de peur.

(3)   Code LDV voor vanaf de sloep bediende lijnen blijft voor historische doeleinden gehandhaafd.

(4)   Dit punt omvat: hand- en landingsnetten, drive-in-netten en technieken waarbij de vis wordt verzameld met eenvoudige handwerktuigen, al dan niet met gebruikmaking van duikapparatuur, gif en explosieven, afgerichte dieren of elektrische hulpmiddelen.

Codes van vissersvaartuigen

1.   Voornaamste vaartuigtypes



FAO-code

Vaartuigtype

BO

Beschermingsvaartuig

CO

Visserijopleidingsschip

DB

Vaartuig voor de korvisserij (niet-continu)

DM

Vaartuig voor de korvisserij (continu)

DO

Vaartuig voor de boomkorvisserij

DO

Vaartuig voor de korvisserij (n.e.g.)

FO

Visvervoerschip

FX

Vissersvaartuig (n.e.g.)

GO

Vaartuig voor de kieuwnetvisserij

HOX

Moederschip (n.e.g.)

HSF

Fabrieksschip

KO

Hospitaalschip

LH

Vaartuig voor de visserij met de handlijn of de handbeug

LL

Beugschip

LO

Vaartuig voor de lijnvisserij of de beugvisserij

LP

Hengelvisserijvaartuig

LT

Vaartuig voor de sleeplijnvisserij

MO

Polyvalent vaartuig

MSN

Vaartuig voor de visserij met de zegen of de handlijn

MTG

Vaartuig voor de trawl- en vleetvisserij

MTS

Vaartuig voor de visserij met de trawl en de zegen

NB

Vaartuig dat met één enkel kruisnet vist

NO

Vaartuig voor de kruisnetvisserij

NOX

Vaartuig voor de kruisnetvisserij (n.e.g.)

PO

Vaartuig dat met vispompen vist

SN

Vaartuig dat met het Deens zegennet vist

SO

Vaartuig voor de zegenvisserij

SOX

Vaartuig voor de zegenvisserij (n.e.g.)

SP

Vaartuig voor de ringzegenvisserij

SPE

Vaartuig dat met een ringzegen van het Europese type vist

SPT

Vaartuig voor tonijnvisserij met de ringzegen

TO

Trawler

TOX

Trawlers (n.e.g.)

TS

Zijtrawler

TSF

Zijtrawler met vriesinrichting

TSW

Zijtrawler voor verse vis

TT

Hektrawler

TTF

Hektrawler met vriesinrichting

TTP

Fabrieksschip dat over het hek vist

TU

Boomkortrawler

WO

Vaartuig dat met fuiken of vallen vist

WOP

Korvenvisser

WOX

Vaartuig dat met fuiken of vallen vist (n.e.g.)

ZO

Visserijonderzoeksschip

DRN

Vaartuig dat met drijvend vistuig vist

n.e.g. = niet elders gespecificeerd

2.   Voornaamste activiteiten van de vaartuigen



Drielettercode

Categorie

ANC

Voor anker gaan

DRI

Visserij met drijfnetten

FIS

Visserij

HAU

Halen van het vistuig

PRO

Be- en verwerken

STE

Stomen

TRX

Overladen (laden of lossen)

OTH

Andere (nader te specificeren)




BIJLAGE V

TOEGESTANE BOVENNETBESCHERMERS

1.   Bovennetbeschermer van het door ICNAF aanvaarde type

De bovennetbeschermer van het door ICNAF aanvaarde type is een rechthoekig stuk want, bevestigd aan de bovenzijde van de kuil om beschadiging te verminderen en te voorkomen, dat voldoet aan de volgende voorwaarden:

a) het stuk want mag geen mazen hebben die kleiner zijn dan de mazen die in artikel 5 zijn voorgeschreven voor de kuil;

b) het stuk want mag slechts langs de voor- en zijkant aan de kuil en op geen enkele andere plaats zijn bevestigd en moet zodanig zijn vastgemaakt dat het niet verder naar voren kan reiken dan vier mazen vóór de vaste strop op de kuil en niet minder dan vier mazen vóór de pooklijn eindigt; indien er geen vaste strop op de kuil is, mag het stuk want niet verder reiken dan een derde van de kuil, gemeten vanaf niet minder dan vier mazen vóór de pooklijn;

c) de breedte van het stuk want moet ten minste anderhalf maal zo groot zijn als de breedte van dat beschermde gedeelte van de kuil, met dien verstande dat beide breedten loodrecht op de lengteas van de kuil worden berekend.

Attached not less than 4 meshes ahead of codline meshTopside chaling gear (netting only permitted) must be 1 1/2 times width of top of codendTo headlineSplitting strepMay not be attached more than 4 meshes ahead of splitting strepNothing permitted to cover forward part of netChaling gear: Any material may be used to protect the botton of codendCodline

2.   Bovennetbeschermer met meervoudige, achter elkaar geplaatste bovensleeplappen

Een bovennetbeschermer met meervoudige, achter elkaar geplaatste bovensleeplappen omvat stukken want die op al hun delen mazen hebben die, ongeacht of de stukken want droog of nat zijn, niet kleiner zijn dan de mazen van de kuil, op voorwaarde dat:

i) elk stuk want:

a) slechts aan de voorzijde is vastgemaakt over de kuil en loodrecht staat op de lengteas;

b) ten minste even breed is als de kuil (met dien verstande dat de breedte loodrecht op de lengteas van de kuil wordt gemeten bij het punt waar het is vastgemaakt), en tevens

c) niet langer is dan tien mazen, en tevens

ii) de totale lengte van alle aldus bevestigde stukken want niet meer bedraagt dan twee derde van de lengte van de kuil.

Flap chalersMouth of netTopside of codendCodendFlap chalers attached by leading edge onlyUnderside of codend

▼M2 —————

▼B




BIJLAGE VI

BEVESTIGING VAN DE KLOSSENPEES MET „TOGGLE CHAINS” BIJ GARNALENTRAWLERS: NAFO-gebied

Voor het bevestigen van de klossenpees aan de grondpees of de dunnepees worden op verschillende afstanden bevestigingskettingen (kettingen, touwen of combinaties van beide) geplaatst, zogenaamde „toggle chains”. De termen „grondpees” en „dunnepees” mogen in dit verband door elkaar worden gebruikt. Op sommige vaartuigen wordt één enkele lijn gebruikt; op andere worden een grondpees en een dunnepees gebruikt zoals aangegeven in het schema. De lengte van de bevestigingsketting of „toggle chain” moet worden gemeten van het hart van de ketting of het touw die de klossenpees vormt (het hart van de klossenpees) tot de onderkant van de grondpees.

Op bijgaand schema is aangegeven hoe de lengte van de toggle chain moet worden gemeten.

Toggle ChainNettingBolchlineFishing LineFootrope




BIJLAGE VII

FORMAAT VOOR DE MEDEDELING VAN VANGSTGEGEVENS EN VERSLAGEN DOOR VISSERSVAARTUIGEN

1.   Mededeling betreffende de vangst bij binnenvaren



Gegeven

Veld code

Verplicht/facultatief

Opmerkingen

Begin record

SR

V

Systeemgegeven; geeft het begin van de record aan

Van

FR

V

Naam van de partij die de mededeling doet

Adres

AD

V

Gegeven betreffende mededeling; bestemming, „XNW” voor NAFO

Volgnummer

SQ

V

Gegeven betreffende mededeling; volgnummer in het lopende jaar

Type mededeling

TM

V

Gegeven betreffende mededeling; type mededeling, „COE” als „vangst bij binnenvaren”-mededeling

Radioroepnaam

RC

V

Vaartuigregistratiegegeven; internationale radioroepnaam van het vaartuig

Nummer reis

TN

F

Activiteitsgegeven; volgnummer visreis in het lopende jaar

Naam van het vaartuig

NA

F

Vaartuigregistratiegegeven; naam van het vaartuig

Naam van de kapitein

MA

V

Naam van de kapitein van het vaartuig

Extern registratienummer

XR

F

Vaartuigregistratiegegeven; boegnummer van het vaartuig.

Breedte

LA

V

Activiteitsgegeven; positie op het moment van de mededeling

Lengte

LO

V

Activiteitsgegeven; positie op het moment van de mededeling

Betrokken gebied

RA

V

NAFO-sector die het vaartuig binnengaat

Datum

DA

V

Gegeven betreffende mededeling; datum van de mededeling

Tijdstip

TI

V

Gegeven betreffende mededeling; tijdstip van de mededeling

Aan boord

OB

V

Totaal gewicht aan vis per soort (3-lettercode) aan boord bij het binnenvaren van het NAFO-gebied in kilogram, afgerond op de dichtstbijzijnde 100 kg. Gebruik indien nodig verschillende paren van soort + gewicht, waarbij ieder veld wordt gescheiden door een spatie, bv.://OB/Soort gewicht Soort gewicht Soort gewicht//

Doelsoort

DS

V

Doelsoort. Vermeld eventueel verschillende soorten, steeds gescheiden door een spatie, bv.://DS/soort soort soort//

Einde record

ER

V

Systeemgegeven; geeft het einde van de record aan

2.   Bericht bij het binnenvaren



Gegeven

Veld code

Verplicht/facultatief

Opmerkingen

Begin record

SR

V

Systeemgegeven; geeft het begin van de record aan

Verzender

FR

V

Naam van de partij die de mededeling doet

Adres

AD

V

Gegeven betreffende mededeling; bestemming, „XNW” voor NAFO

Volgnummer

SQ

V

Gegeven betreffende mededeling; volgnummer in het lopende jaar

Type mededeling

TM

V

Gegeven betreffende mededeling; type mededeling, „ENT” als bericht van binnenvaren

Radioroepnaam

RC

V

Vaartuigregistratiegegeven; internationale radioroepnaam van het vaartuig

Nummer reis

TN

F

Activiteitsgegeven; volgnummer visreis in het lopende jaar

Naam van het vaartuig

NA

F

Vaartuigregistratiegegeven; naam van het vaartuig

Extern registratienummer

XR

F

Vaartuigregistratiegegeven; boegnummer van het vaartuig

Breedte

LA

V

Activiteitsgegeven; positie op het moment van de mededeling

Lengte

LO

V

Activiteitsgegeven; positie op het moment van de mededeling

Betrokken gebied

RA

V

NAFO-sector die het vaartuig is binnengegaan

Datum

DA

V

Gegeven betreffende mededeling; datum van de mededeling

Tijdstip

TI

V

Gegeven betreffende mededeling; tijdstip van de mededeling

Einde record

ER

V

Systeemgegeven; geeft het einde van de record aan

▼M1

3.   Vangstaangifte



Gegeven

Veldcode

Verplicht/Facultatief

Opmerkingen

Begin record

SR

V

Systeemgegeven; geeft het begin van de record aan

Adres

AD

V

Gegeven betreffende mededeling; bestemming, „XNW” voor NAFO

Afzender

FR

V

Naam van de partij die de mededeling doet

Volgnummer

SQ

V

Gegeven betreffende mededeling; volgnummer mededeling in het lopende jaar

Type mededeling

TM

V

Gegeven betreffende mededeling; type mededeling, „CAT” als vangstaangifte

Radioroepnaam

RC

V

Vaartuigregistratiegegeven; internationale radioroepnaam van het vaartuig

Nummer reis

TN

F

Activiteitsgegeven; volgnummer visreis in het lopende jaar

Naam van het vaartuig

NA

F

Vaartuigregistratiegegeven; naam van het vaartuig

Verdragsluitende partij

Intern referentienummer

IR

F

Vaartuigregistratiegegeven; uniek volgnummer verdragsluitende partij als ISO-3-code van de vlaggenstaat, gevolgd door een nummer

Extern registratienummer

XR

F

Vaartuigregistratiegegeven; boegnummer van het vaartuig

Betrokken gebied

RA

V

NAFO-sector die het vaartuig is binnengegaan

Breedtegraad

LA

(1)

Activiteitsgegeven; positie op het moment van de mededeling

Lengtegraad

LO

(1)

Activiteitsgegeven; positie op het moment van de mededeling

Vangsten

CA

 

Activiteitsgegeven; cumulatieve vangsten per aan boord gehouden soort, hetzij sinds het begin van de visserijactiviteit in het G.G., hetzij sinds de laatste vangstaangifte, in voorkomend geval in paren

Soorten

V

FAO-soortencode

Levend gewicht

V

Levend gewicht in kilogram, afgerond op de dichtstbijzijnde 100 kg

Aantal visdagen

DF

V

Activiteitsgegeven; aantal dagen dat in het gereglementeerde NAFO-gebied is gevist sinds het begin van de visserijactiviteit of de laatste vangstaangifte

Datum

DA

V

Gegeven betreffende mededeling; datum van de mededeling

Tijdstip

TI

V

Gegeven betreffende mededeling; tijdstip van de mededeling

Einde record

ER

V

Systeemgegeven; geeft het einde van de record aan

(1)   Facultatief als het vaartuig is voorzien van een satellietvolgsysteem.

▼B

4.   Bericht van overlading



Gegeven

Veld Code:

Verplicht/facultatief

Opmerkingen

Begin record

SR

V

Systeemgegeven; geeft het begin van de record aan

Van

FR

V

Naam van de partij die de mededeling doet

Adres

AD

V

Gegeven betreffende mededeling; bestemming, „XNW” voor NAFO

Volgnummer

SQ

V

Gegeven betreffende mededeling; volgnummer mededeling in het lopende jaar

Type mededeling

TM

V

Gegeven betreffende mededeling; type mededeling, „TRA” als bericht van overlading

Radioroepnaam

RC

V

Vaartuigregistratiegegeven; internationale radioroepnaam van het vaartuig

Nummer reis

TN

F

Activiteitsgegeven; volgnummer visreis in het lopende jaar

Naam van het vaartuig

NA

F

Vaartuigregistratiegegeven; naam van het vaartuig

Naam van de kapitein

MA

F

Naam van de kapitein van het vaartuig

Extern registratienummer

XR

F

Vaartuigregistratiegegeven; boegnummer van het vaartuig

Geladen of geloste hoeveelheid

KG

 

In het G.G. geladen en geloste hoeveelheid per soort, in voorkomend geval in paren

Soorten

 

V

FAO-soortencode

Levend gewicht

 

V

Levend gewicht in kilogram, afgerond op de dichtstbijzijnde 100 kg

Overgeladen op

TT

()

Vaartuigregistratiegegeven; Internationale radioroepnaam van het ontvangende vaartuig

Overgeladen van

TF

()

Vaartuigregistratiegegeven; Internationale radioroepnaam van het overdragende vaartuig

Breedte

LA

()

Activiteitsgegeven; geraamde breedtegraad waar de kapitein voornemens is de overlading te verrichten

Lengte

LO

()

Activiteitsgegeven; geraamde lengtegraad waar de kapitein voornemens is de overlading te verrichten

Geplande datum

PD

V ()

Activiteitsgegeven; geplande UTC-datum waarop de kapitein voornemens is de overlading te verrichten (YYYYMMDD)

Gepland tijdstip

PT

V ()

Activiteitsgegeven; gepland UTC-tijdstip waarop de kapitein voornemens is de overlading te verrichten (HHMM)

Datum

DA

V

Gegeven betreffende mededeling; datum van de mededeling

Tijdstip

TI

V

Gegeven betreffende mededeling; tijdstip van de mededeling

Einde record

ER

V

Systeemgegeven; geeft het einde van de record aan

(1)   Indien van toepassing.

(2)   Facultatief voor berichten die door het ontvangende vaartuig na de overlading worden toegezonden.

5.   Mededeling betreffende de vangst bij het verlaten van het gebied



Gegeven

Veld Code

Verplicht/facultatief

Opmerkingen

Begin record

SR

V

Systeemgegeven; geeft het begin van de record aan

Adres

AD

V

Gegeven betreffende mededeling; bestemming, „XNW” voor NAFO

Van

FR

V

Naam van de partij die de mededeling doet

Volgnummer

SQ

V

Gegeven betreffende mededeling; volgnummer mededeling in het lopende jaar

Type mededeling

TM

V

Gegeven betreffende mededeling; „COX” als melding van vangst bij het buitenvaren

Radioroepnaam

RC

V

Vaartuigregistratiegegeven; internationale radioroepnaam van het vaartuig

Nummer reis

TN

F

Activiteitsgegeven; volgnummer visreis in het lopende jaar

Naam van het vaartuig

NA

F

Vaartuigregistratiegegeven; naam van het vaartuig

Naam van de kapitein

MA

V

Naam van de kapitein van het vaartuig

Extern registratienummer

XR

F

Vaartuigregistratiegegeven; boegnummer van het vaartuig

Breedte

LA

V

Activiteitsgegeven; positie op het moment van de mededeling

Lengte

LO

V

Activiteitsgegeven; positie op het moment van de mededeling

Betrokken gebied

RA

V

NAFO-gebied dat het vaartuig verlaat

Vangst

CA

 

Activiteitsgegeven; cumulatieve vangst per aan boord gehouden soort, hetzij sinds het begin van de visserijactiviteit in het G.G., hetzij sinds de laatste vangstaangifte, in voorkomend geval in paren

Soorten

 

V

FAO-soortencode

Levend gewicht

 

V

levend gewicht in kilogram, afgerond op de dichtstbijzijnde 100 kg

Aantal visdagen

DF

V

Activiteitsgegeven; aantal dagen dat in het gereglementeerde NAFO-gebied is gevist sinds het begin van de visserijactiviteit of de laatste vangstaangifte

Datum

DA

V

Gegeven betreffende mededeling; datum van de mededeling

Tijdstip

TI

V

Gegeven betreffende mededeling; tijdstip van de mededeling

Einde record

ER

V

Systeemgegeven; geeft het einde van de record aan

6.   Bericht bij het buitenvaren



Gegeven

Veld Code

Verplicht/facultatief

Opmerkingen

Begin record

SR

V

Systeemgegeven; geeft het begin van de record aan

Adres

AD

V

Gegeven betreffende mededeling; bestemming, „XNW” voor NAFO

Van

FR

V

Naam van de partij die de mededeling doet

Volgnummer

SQ

V

Gegeven betreffende mededeling; volgnummer mededeling in het lopende jaar

Type mededeling

TM

V

Gegeven betreffende mededeling; „EXI” als bericht van buitenvaren

Radioroepnaam

RC

V

Vaartuigregistratiegegeven; internationale radioroepnaam van het vaartuig

Nummer reis

TN

F

Activiteitsgegeven; volgnummer visreis in het lopende jaar

Naam van het vaartuig

NA

F

Vaartuigregistratiegegeven; naam van het vaartuig

Naam van de kapitein

MA

V

Naam van de kapitein van het vaartuig

Extern registratienummer

XR

F

Vaartuigregistratiegegeven; boegnummer van het vaartuig

Breedte

LA

V

Activiteitsgegeven; positie op het moment van de mededeling

Lengte

LO

V

Activiteitsgegeven; positie op het moment van de mededeling

Datum

DA

V

Gegeven betreffende mededeling; datum van de mededeling

Tijdstip

TI

V

Gegeven betreffende mededeling; tijdstip van de mededeling

Einde record

ER

V

Systeemgegeven; geeft het einde van de record aan

7.   Bericht „haven van aanlanding”



Gegeven

Veld Code

Verplicht/facultatief

Opmerkingen

Begin record

SR

V

Systeemgegeven; geeft het begin van de record aan

Van

FR

V

Naam van de partij die de mededeling doet

Adres

AD

V

Gegeven betreffende mededeling; bestemming, „XNW” voor NAFO

Volgnummer

SQ

V

Gegeven betreffende mededeling; volgnummer van het bericht van het vaartuig in het betrokken jaar

Type mededeling

TM

V

Gegeven betreffende mededeling; type mededeling, „POR”

Radioroepnaam

RC

V

Vaartuigregistratiegegeven; internationale radioroepnaam van het vaartuig

Nummer reis

TN

F

Activiteitsgegeven; volgnummer visreis in het lopende jaar

Naam van het vaartuig

NA

F

Vaartuigregistratiegegeven; naam van het vaartuig

Naam van de kapitein

MA

F

Naam van de kapitein van het vaartuig

Extern registratienummer

XR

F

Vaartuigregistratiegegeven; boegnummer van het vaartuig

7.1.  Breedte

LA

()

Activiteitsgegeven; positie op het moment van de mededeling

Lengte

LO

()

Activiteitsgegeven; positie op het moment van de mededeling

Kuststaat

CS

V

Activiteitsgegeven; kuststaat van haven van aanlanding

Naam van de haven.

PO

V

Activiteitsgegeven; naam van haven van aanlanding

Geplande datum

PD

V

Activiteitsgegeven; geplande UTC-datum waarop de kapitein voornemens is in de haven te zijn (YYYYMMDD)

Gepland tijdstip

PT

V

Activiteitsgegeven; gepland UTC-tijdstip waarop de kapitein voornemens is in de haven te zijn (HHMM)

Aan te voeren hoeveelheid

KG

V

Activiteitsgegeven; aan te voeren hoeveelheid per soort, in voorkomend geval in paren

Soorten

FAO-soortencode

Levend gewicht

Levend gewicht in kilogram, afgerond op de dichtstbijzijnde 100 kg

Hoeveelheid aan boord

OB

V

Activiteitsgegeven; hoeveelheid aan boord, per soort, in voorkomend geval in paren

Soorten

FAO-soortencode

Levend gewicht

Levend gewicht in kilogram, afgerond op de dichtstbijzijnde 100 kg

Datum

DA

V

Gegeven betreffende mededeling; UTC-datum van de mededeling

Tijdstip

TI

V

Gegeven betreffende mededeling; UTC-tijdstip van de mededeling

Einde record

ER

V

Systeemgegeven; geeft het einde van de record aan

(1)   Facultatief als het vaartuig is voorzien van een satellietvolgsysteem.




BIJLAGE VIII

BEKNOPT VERSLAG VAN DE WAARNEMER

VERSLAG VISSERIJACTIVITEITEN PLAATSELIJKE TIJD ZT +1. Volgnummer Datum Tijdstip Naam van de waarnemerVaartuig Registratienummer Nationaliteit2. Soort vistuig Aantal uitzetten Maaswijdte mmAantal hakenAantal kieuwnetten van mAan netten aangebrachte voorzieningen Maaswijdte van aangebrachte voorzieningen mm3. Positie N W Diepte M VistijdNAFO-sectorVerandering van NAFO-sector Positie N W Tijdstip (UTC)ja neenHail-bericht verstuurd Code Gebiedja neenVia Radio DTG UTCKomt de feitelijke positie overeen met het laatst doorgestuurde hail-bericht?ja neen

4. Aan boord gehouden vangsten. Alle soorten uitgedrukt in kilogram.SoortRamingen van de waarnemer in levend gewicht (LG)EG-logboek (LG)ProductielogboekVerwerkingsmethodeGebruikte omrekeningsfactorenRamingen van de waarnemer in verwerkt gewichtDrielettercodeDeze trekGecumuleerd totaalBlz. nr.Blz. nr.WaarnemerKapiteinDeze trekGecumuleerd totaal

5. Ondermaatse vis Soortja neen Hoeveelheid in kgin %Teruggooi van ondermaatse vis Hoeveelheid in kgja neen6. Andere teruggooi Soortja neen Hoeveelheid in kg7. Verdere opmerkingen8. Datum Handtekening




BIJLAGE IX

Inspectieverslag

INSPECTIEVERSLAGDE VISSERIJORGANISATIE VOOR HET NOORDWESTELIJK DEEL VAN DE ATLANTISCHE OCEAAN(Inspecteur: dit formulier in HOOFDLETTERS invullen a.u.b.)GEMACHTIGDE INSPECTEUR(S)1. NAAM/NAMEN VERDRAGSLUITENDE PARTIJ2. Naam en identificatienummer en/of nummer van het vaartuig met een inspecteur/inspecteurs aan boordGEGEVENS OVER HET GEÏNSPECTEERDE VAARTUIG3. Verdragsluitende partij en haven van registratie4. Naam van het vaartuig en registratienummer5. Naam van de kapitein6. Naam en adres van de eigenaar7. Door de kapitein van het inspectievaartuig vastgestelde positie om (UTC); Breedtegraad Lengtegraad8. Door de kapitein van het vissersvaartuig vastgestelde positie om (UTC); Breedtegraad LengtegraadDATUM EN TIJDSTIP WAAROP DE INSPECTIE IS BEGONNEN, RESPECTIEVELIJK BEËINDIGD9. Datum Aan boord gegaan om UTC-tijdstip van vertrek UTCMETING VAN DE MAZEN (IN MILLIMETER)10. NettypeKuil (inclusief verlengstuk(ken) in voorkomend geval) - monsters van 20 mazen van meer dan 100 mmGemiddelde wettelijkewijdte (maaswijdte) wijdte grootte1e net2e netSleeplap – series van mazen1e net2e netOverige delen van het net – series van 20 mazen2e net2e net11. Zijn de vangstgegevens over de hele quotaperiode aan boord gehouden?JA/NEENGegevens over de geïnspecteerde vis aan boord

12. Gegevens over de geïnspecteerde vis in de laatste trek (indien van toepassing)HOEVEELHEID (IN TON)ALLE GEVANGEN SOORTENPERCENTAGE VOOR ELKE SOORT13. Gegevens over de geïnspecteerde vis aan boordVISSOORTEN AANGEDUID MET DE DRIELETTERCODERAMING VAN DE INSPECTEUR (IN TON)Opmerkingen van de inspecteur over de berekeningswijze voor de ramingen:14. Overzicht van vangsten van logboeken voor de huidige reis (1)/quotaperiode (2):DATUM VAN BINNENVAREN IN HET GEREGLEMENTEERDE NAFO-GEBIEDSECTORVISSOORTEN AANGEDUID MET DE DRIELETTERCODEVANGST (IN METRIEKE TON)VERWERKINGSMETHODETERUGGOOI15.Aard van de overtreding:Handtekening van de inspecteur:Handtekening van de kapitein:OPMERKINGEN EN VASTSTELLINGEN16. Documenten die zijn gecontroleerd in verband met een overtreding17. Opmerkingen: (is er een verschil tussen de ramingen van de inspecteur van de vangsten aan boord en de in het logboek genoteerde vangsten, dan wordt dit vermeld (uitgedrukt in procenten))

18. Onderwerpen van de foto’s die zijn genomen in verband met de vermoedelijke overtreding19. Andere opmerkingen, verklaringen en/of waarnemingen van de inspecteur(s)20. Verklaringen van de tweede inspecteur of een getuige21. Naam en handtekening van de tweede inspecteur of de getuige22. Handtekening van de dienstdoende inspecteur23. Verklaring van de getuige(n) van de kapitein24. Naam en handtekening van de getuige(n) van de kapitein25. Bevestiging van de ontvangst van het rapport:Ik, ondergetekende, kapitein van het vaartuig , verklaar hierbij dat mij heden een kopie van dit rapport en een tweede reeks foto’s zijn overhandigd. Mijn handtekening betekent niet dat ik akkoord ga met de inhoud van het rapport.Datum Handtekening26. Opmerkingen en handtekening van de kapitein van het vaartuigDE KOPIE IS VOOR DE KAPITEIN BESTEMD. DE INSPECTEUR BEHOUDT HET ORIGINEEL VOOR VERZENDING AAN DE BEVOEGDE INSTANTIES27. Het surveillancerapport moet beschikbaar worden gesteld in de vorm van een formulierenboek met per origineel formulier twee doorschrijfkopieën (bij voorkeur gekleurd en zo mogelijk 1 geel en 1 groen).28. De formulieren moeten aan boven- en onderkant geperforeerd zijn zodat ze gemakkelijk uit het formulierenboek kunnen worden gehaald.29. De punten 1 tot en met 8 en punt 18 van het rapport moeten met rode inkt worden ingevuld.30. De formulierenboeken zijn bij voorkeur gebonden en bestaan uit 20 volledige sets van drie bladzijden.De formulieren dienen na verwijdering uit het formulierenboek het volgende formaat te hebben: lengte: 355,5 mm (14 inches) en breedte: 216 mm (8,5 inches).




BIJLAGE X

NAFO-inspectiezegel

NAFO Inspection SealTop ViewSide View

Het NAFO-inspectiezegel ziet er als volgt uit:

Naam … LOB TAG

Merkteken … „NAFO-INSPECTIE Nr. (zes cijfers)”

Materiaal … recycleerbaar polyethyleen

Kleur … oranje

Smeltindex … 6,700,60 (volgens de internationale norm)

Dichtheid … 953 0,003 (volgens de internationale norm)

Breekpunt (lading) … min. 45 kg (to 20 oC)




BIJLAGE XI

Formulier voor het surveillancerapport

DE VISSERIJORGANISATIE VOOR HET NOORDWESTELIJK DEEL VAN DE ATLANTISCHE OCEAAN SURVEILLANCERAPPORTDEEL IGEMACHTIGDE INSPECTEURS1. Naam/namen Identificatienummer(s) document:Verdragsluitende partij2. Identificatie/Roepnaam surveillancevaartuigAankomst patrouille in gereglementeerd gebied (positie) op (datum) (tijd) (UTC)Vertrek patrouille uit gereglementeerd gebied (positie) op (datum) (tijd) (UTC)GEGEVENS BETREFFENDE HET WAARGENOMEN VAARTUIG3. Verdragsluitende partij4. Naam van het vaartuig en registratieletters en -nummers5. Andere kenmerken (type vaartuig, kleur van de romp, bovenstructuur enz.)6. Datum/Tijdstip van eerste identificatie (UTC) Koers en snelheidPositie op tijdstip van eerste identificatie NAFO-deelsectorBreedtegraadLengtegraadVoor het bepalen van de positie gebruikte apparatuur7. WEERSOMSTANDIGHEDENWindrichting Toestand van de zeeWindsnelheid Zichtbaarheid8. DETAILS VAN GENOMEN FOTO’SDatum/tijd PositieHoogte in geval van surveillance in de luchta.b.c.d.

DEEL II(door de inspecteur in te vullen binnen 72 uur na de in deel I geregistreerde waarnemingen)(NIET VAN TOEPASSING VOOR NIET-VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN)Hierbij verklaar ik dat de gegevens betreffende het vissersvaartuigdie overeenkomstig de artikelen 21 en 22 van de instandhoudings- en handhavingsmaatregelen van de NAFO door de bevoegde autoriteiten van de verdragsluitende partij zijn toegezonden aan de autoriteiten, niet overeenstemmen met de in deel I van dit rapport geregistreerde waarnemingen.Gemachtigd inspecteur:Handtekening:

▼M1




BIJLAGE XII

▼M2

A.   FORMULIER VOOR HET HAVENINSPECTIEVERSLAG

A. REFERENTIE VAN DE CONTROLE Gelieve zwarte inkt te gebruikenAanvoerJaNeenOverladingJaNeenHavenstaatHaven van aanvoer of overladingNaam vaartuigVlaggenstaatIMO-nummer (1)Int. radioroepnaamBegin aanvoer/overladingDatumTijdstipEinde aanvoer/overladingDatumTijdstipB. CONTROLEGEGEVENSNaam van het overladende vaartuig (2)IMO-nummer (1)RadioroepnaamVlaggenstaatB 1. IN HET LOGBOEK GEREGISTREERDE VANGSTSoort (3)VangstgebiedEquivalent levend gewicht (kg)Gebruikte omrekeningsfactorenB 2. AANGEVOERDE OF OVERGELADEN VISSoort (3)Product (4)VangstgebiedProductgewicht aangevoerde hoeveelheden (kg)OmrekeningsfactorEquivalent levend gewicht (kg)Verschil (kg) tussen in logboek aangegeven levend gewicht en levend gewicht aangevoerde hoeveelhedenVerschil (%) tussen in logboek aangegeven levend gewicht en levend gewicht aangevoerde hoeveelhedenVerschil (kg) tussen productgewicht en PSC 1/2Verschil (%) tussen productgewicht en PSC 1/2

B 3. INFORMATIE OVER AANVOER DIE IS TOEGESTAAN ZONDER BEVESTIGING DOOR DE VLAGGENSTAATNaam opslagplaats, naam bevoegde instanties, termijn voor ontvangst bevestiging, ref. NEAFC artikel 23.2 / NAFO artikel 45.6B 4. AAN BOORD GEHOUDEN VISSoort (3)Product (4)VangstgebiedProductgewicht in kgOmrekeningsfactorLevend gewicht (kg)Verschil (kg) tussen productgewicht aan boord en PSC 1/2Verschil (%) tussen productgewicht aan boord en PSC 1/21.1.1. C. VISTUIGINSPECTIE IN DE HAVEN (alleen m.b.t. NAFO)C1. Algemene gegevensAantal geïnspecteerde vistuigenDatum inspectie vistuigIs het vaartuig aangehouden?JaNeenZo ja, het hele formulier „controle van de haveninspectie” invullen.Zo neen, het formulier met uitzondering van de gegevens betreffende het NAFO-zegel invullen.1.1.2. C2. Gegevens betreffende ottertrawlsNAFO-zegelnummerIs het zegel onbeschadigd?JaNeenVistuigtypeVoorzieningenAfstand tussen de staven (mm)Type mazenGemiddelde maaswijdte (mm)Deel van de trawlVleugelsRompVerlengstukKuilD. OPMERKINGEN VAN DE KAPITEINIk, ondergetekende …, kapitein van het vaartuig …, verklaar hierbij dat een afschrift van dit verslag op de onderstaande datum aan mij is bezorgd. Mijn handtekening betekent niet dat ik akkoord ga met de inhoud van het verslag, tenzij met mijn eigen opmerkingen.Handtekening: …Datum: …

E. INBREUKEN EN FOLLOW-UPE.1. Inspectie op zeeInbreuken die voortvloeien uit inspecties in het gereglementeerde NAFO-gebiedInspectieteamDatum inspectieDeelsectorWettelijke bepalingen inzake inbreuken tegen instandhoudings- en handhavingsmaatregelen van de NAFOE.2. Resultaten van de haveninspectie met betrekking tot de inbreukena) — Bevestiging van bij de inspectie op zee geconstateerde inbreukenWettelijke bepalingen inzake inbreuken tegen instandhoudings- en handhavingsmaatregelen van de NAFONationale wettelijke bepalingen inzake inbreukenb) — Tijdens de inspectie op zee geconstateerde inbreuken die niet konden worden bevestigd tijdens de haveninspectieOpmerkingen:c) — Extra inbreuken die tijdens de haveninspectie werden geconstateerdWettelijke bepalingen inzake inbreuken tegen instandhoudings- en handhavingsmaatregelen van de NAFONationale wettelijke bepalingen inzake inbreukenOpmerkingen:F. VERDELINGAfschrift aan vlaggenstaatAfschrift aan secretaris NEAFCAfschrift aan uitvoerend secretaris NAFO(1) Voor vissersvaartuigen zonder IMO-nummer wordt het externe registratienummer opgegeven.(2) Indien een vaartuig overladingsactiviteiten heeft verricht, dient per overladend vaartuig een apart formulier te worden gebruikt.(3) FAO-soortencode — bijlage V NEAFC — bijlage II NAFO.(4) Aanbiedingsvorm van de producten — aanhangsel 1 van bijlage IV NEAFC — bijlage XX (C) NAFO.

▼M1

B. IN HET VERSLAG TE NOTEREN GEGEVENS1. REFERENTIES VAN DE INSPECTIE2. GEGEVENS BETREFFENDE DE VISREIS3. IDENTIFICATIE VAN HET VAARTUIGGegevenV/FCategorie; DefinitieExtern identificatienummerVVaartuigregistratiegegevens: boegnummer van het vaartuigInternationale radioroepnaamVVaartuigregistratiegegevens: internationale radioroepnaam van het vaartuigVlaggenstaatVVaartuigregistratiegegeven; land waar het vaartuig is geregistreerd, ISO 3-landencodeVerdragsluitende partij bij de NAFOF (1)Vaartuigregistratiegegeven: verdragsluitende partij bij de NAFO (ISO-code van het land, EUR voor Europese Gemeenschap, NCP voor niet-verdragsluitende partij)ThuishavenFVaartuigregistratiegegevens: haven van registratie van het vaartuig of thuishavenRederVVaartuigregistratiegegevens: naam en adres van de rederExploitant van het vaartuigV (2)Vaartuigregistratiegegevens: voor het gebruik van het vaartuig verantwoordelijke persoonNaam van de kapiteinFGegevens betreffende de activiteit van het vaartuig: naam van de kapitein(1) Indien verschillend van de vlaggenstaat.(2) Indien verschillend van de reder.

4. RESULTAAT VAN DE INSPECTIE BIJ HET LOSSEN4.1. Algemene informatie4.2. Geloste hoeveelheid4.3. Aan boord van het vaartuig gehouden hoeveelheden5. RESULTAAT VAN DE INSPECTIE VAN HET VISTUIG (6)5.1. Algemene informatie

5.2. Gegevens betreffende ottertrawls6. INBREUKEN EN FOLLOW-UP6.1. Inspectie op zee6.2. Resultaten van de haveninspectiea) Bevestiging van bij inspectie op zee vastgestelde inbreukenc) Extra tijdens de haveninspectie vastgestelde inbreuken(1) In te vullen door de inspectiedienst of een andere door de autoriteiten aangewezen instantie, zodra het vaartuig aankomt in de haven, op basis van de gegevens in het logboek.(2) Indien van toepassing.(3) In te vullen op basis van de gegevens in de vergunning.(4) In te vullen na het lossen.(5) Te controleren wanneer tijdens de inspectie op zee overtredingen zijn vastgesteld. In te vullen wanneer de haveninspectie ook inspectie van vistuig aan boord omvat. Voor elk vistuig waarvoor een haveninspectie is verricht, wordt een formulier ingevuld.(6) Te controleren wanneer tijdens de inspectie op zee overtredingen zijn vastgesteld. In te vullen wanneer de haveninspectie ook inspectie van vistuig aan boord omvat. Voor elk vistuig waarvoor een haveninspectie is verricht, wordt een formulier ingevuld.

▼M1 —————

▼B




BIJLAGE XIV(a)

1.   Dagelijkse vangstaangifte — Hoofdstuk VII (CAX)



Gegeven

Code

Verplicht/facultatief

Opmerkingen

Begin record

SR

V

Systeemgegeven; geeft het begin van de record aan

Adres

AD

V

Gegeven betreffende mededeling; bestemming, „XNW” voor NAFO

Volgnummer

SQ

V

Gegeven betreffende mededeling; volgnummer mededeling in het lopende jaar

Type mededeling

TM

V

Gegeven betreffende mededeling; type mededeling, „CAX” als vangstaangifte

Radioroepnaam

RC

V

Vaartuigregistratiegegeven; internationale radioroepnaam van het vaartuig

Nummer reis

TN

F

Activiteitsgegeven; volgnummer visreis in het lopende jaar

Naam van het vaartuig

NA

F

Vaartuigregistratiegegeven; naam van het vaartuig

Verdragsluitende partij

Intern referentienummer

IR

F

Vaartuigregistratiegegeven; uniek volgnummer verdragsluitende partij als ISO-3-code van de vlaggenstaat, gevolgd door een nummer

Extern registratienummer

XR

F

Vaartuigregistratiegegeven; boegnummer van het vaartuig

Betrokken gebied

RA

V

Activiteitsgegeven; NAFO-sector

Breedte

LA

()

Activiteitsgegeven; positie op het moment van de mededeling

Lengte

LO

()

Activiteitsgegeven; positie op het moment van de mededeling

Dagelijkse vangsten

CA

 

Activiteitsgegeven; cumulatieve vangsten per aan boord gehouden soort (m.u.v. teruggooi), hetzij sinds het begin van de visserijactiviteit in het G.G. (), hetzij sinds de laatste vangstaangifte, in voorkomend geval in paren

Soorten

 

V

FAO-soortencode

Levend gewicht

 

V

Levend gewicht in kilogram, afgerond op de dichtstbijzijnde 100 kg

Teruggooi

RJ

V

Activiteitsgegeven; teruggegooide vis per soort, hetzij sinds het begin van de visserijactiviteit in het G.G. (), hetzij sinds de laatste vangstaangifte, in voorkomend geval in paren

Soorten

 
 

FAO-soortencode

Levend gewicht

 
 

Levend gewicht in kilogram, afgerond op de dichtstbijzijnde 100 kg

Ondermaatse vis

Verenigde Staten

V

Activiteitsgegeven; ondermaatse vis per soort, hetzij sinds het begin van de visserijactiviteit in het G.G. (), hetzij sinds de laatste vangstaangifte, in voorkomend geval in paren

Soorten

 
 

FAO-soortencode

Levend gewicht

 
 

Levend gewicht in kilogram, afgerond op de dichtstbijzijnde 100 kg

Datum

DA

V

Gegeven betreffende mededeling; datum van de mededeling

Tijdstip

TI

V

Gegeven betreffende mededeling; tijdstip van de mededeling

Einde record

ER

V

Systeemgegeven; geeft het einde van de record aan

(1)   Facultatief als het vaartuig is voorzien van een satellietvolgsysteem..

(2)   D.w.z. de eerste „vangstaangifte” tijdens de lopende visreis in het G.G.

2.   Waarnemersmelding (OBR)



Gegeven

Code

Verplicht/facultatief

Opmerkingen

Begin record

SR

V

Systeemgegeven; geeft het begin van de record aan

Adres

AD

V

Gegeven betreffende mededeling; bestemming, „XNW” voor NAFO

Volgnummer

SQ

V

Gegeven betreffende mededeling; volgnummer mededeling in het lopende jaar

Type mededeling

TM

V

Gegeven betreffende mededeling; type mededeling, „OBR” als waarnemersmelding

Radioroepnaam

RC

V

Vaartuigregistratiegegeven; internationale radioroepnaam van het vaartuig

Vistuig

GE

V

Activiteitsgegeven; FAO-code voor vistuig

Doelsoort ()

DS

V

Activiteitsgegeven; FAO-soortencode

Maaswijdte

ME

V

Activiteitsgegeven; Gemiddelde maaswijdte (mm)

Betrokken gebied

RA

V

Activiteitsgegeven; NAFO-sector

Dagelijkse vangsten

CA

V

V

Activiteitsgegeven; cumulatieve vangsten per aan boord gehouden soort (m.u.v. teruggooi), hetzij sinds het begin van de visserijactiviteit in het G.G. (), hetzij sinds de laatste vangstaangifte, in voorkomend geval in paren

Soorten

 
 

FAO-soortencode

Levend gewicht

 
 

Levend gewicht in kilogram, afgerond op de dichtstbijzijnde 100 kg

Teruggooi

RJ

()

Activiteitsgegeven; teruggegooide vis per soort, hetzij sinds het begin van de visserijactiviteit in het G.G. (), hetzij sinds de laatste vangstaangifte, in voorkomend geval in paren

Soorten

 
 

FAO-soortencode

Levend gewicht

 
 

Levend gewicht in kilogram, afgerond op de dichtstbijzijnde 100 kg

Ondermaatse vis

Verenigde Staten

()

Activiteitsgegeven; ondermaatse vis per soort, hetzij sinds het begin van de visserijactiviteit in het G.G. (), hetzij sinds de laatste vangstaangifte, in voorkomend geval in paren

Soorten

 
 

FAO-soortencode

Levend gewicht

 
 

Levend gewicht in kilogram, afgerond op de dichtstbijzijnde 100 kg

Logboek

LB

V

Activiteitsgegeven; „Ja” of „Neen” ()

Productie

PR

V

Activiteitsgegeven; code voor de productie. Zie bijlage XIV(b)

Hail-berichten

HA

V

Activiteitsgegeven; controle door de waarnemers of de berichten van de kapitein juist zijn, „Ja” of „Neen” ()

Klaarblijkelijke overtredingen

AF

V

Activiteitsgegeven; „Ja” of „Neen” ()

Naam waarnemer

ON

V

Gegeven betreffende mededeling; naam van de waarnemer die de melding ondertekent

Datum

DA

V

Gegeven betreffende mededeling; datum van de mededeling

Vrije tekst

MS

()

Activiteitsgegeven; voor verdere opmerkingen van de waarnemer

Tijdstip

TI

V

Gegeven betreffende mededeling; tijdstip van de mededeling

Einde record

ER

V

Systeemgegeven; geeft het einde van de record aan

(1)   De doelsoort is de soort die de grootste vangst voor die dag uitmaakt.

(2)   D.w.z. de eerste „vangstaangifte” tijdens de lopende visreis in het G.G.

(3)   Alleen meedelen indien relevant.

(4)   „Ja” indien de waarnemer de door de kapitein in het logboek vermelde gegevens goedkeurt.

(5)   „Ja” indien de waarnemer de door de kapitein verzonden hail-berichten goedkeurt.

(6)   „Ja” bij waarneming van een overtreding

(7)   Verplicht indien „LB” = „Neen”, of „HA” = „Neen”, of „AF” = „Ja”

▼M1




BIJLAGE XIV(b)



Codes voor de aanbiedingsvorm

Code

Aanbiedingsvorm

A

Gehele staat — bevroren

B

Gehele staat — bevroren (gekookt)

C

Ontdaan van ingewanden, met kop — bevroren

D

Ontdaan van kop en ingewanden — bevroren

E

Ontdaan van kop en ingewanden — schoongemaakt — bevroren

F

Filets (onthuid) — met graten — bevroren

G

Filets (onthuid) — zonder graten — bevroren

H

Filets (met huid) — met graten — bevroren

I

Filets (met huid) — zonder graten — bevroren

J

Gezouten

K

In azijn

L

Conserven

M

In olie

N

Meel van gehele vis

O

Meel van afvallen

P

Overige (specificeren)

▼M2




BIJLAGE XV

FORMULIEREN VOOR KENNISGEVING VAN HAVENSTAATINSPECTIE

A — PSC 1HAVENSTAATINSPECTIEFORMULIER — PSC 1DEEL A: In te vullen door de kapitein van het vaartuig. Gelieve zwarte inkt te gebruikenNaam van het vaartuig:IMO-nummer: (1)Radioroepnaam:Vlaggenstaat:E-mailadres:Telefoonnummer:FaxInmarsat-nummer:Haven van aanvoer of overlading:Geschatte tijd van aankomst:Datum:Tijd (UTC):Totale vangst aan boord — alle gebiedenAan te voeren vangst (2)Soort (3)Product (4)VangstgebiedOmrekeningsfactorProductgewicht (kg)Productgewicht (kg)NEAFC-verdragsgebied (ICES-deelgebieden en -sectoren)Gereglementeerd NAFO-gebied (deelsector)Andere gebiedenDEEL B: Uitsluitend voor de administratie — in te vullen door de vlaggenstaatDe vlaggenstaat dient te antwoorden met „ja” of „neen”NEAFC-verdragsgebiedGereglementeerd NAFO-gebiedJaNeenJaNeena) Het vaartuig dat volgens de aangifte de vis heeft gevangen, beschikte over een toereikend quotum voor de aangegeven soortb) De hoeveelheden aan boord gehouden vis zijn naar behoren aangegeven en zijn verrekend in eventuele geldende vangst- of inspanningsbeperkingenc) Het vaartuig dat volgens de aangifte de vis heeft gevangen, beschikte over een vergunning om in het opgegeven gebied te vissend) De aanwezigheid van het vaartuig in het opgegeven vangstgebied is met VMS-gegevens gestaafdBevestiging door de vlaggenstaat: Ik bevestig dat de bovenstaande inlichtingen naar mijn weten volledig, waarheidsgetrouw en juist zijn.Naam en functie:Datum:Handtekening:Officieel stempel:DEEL C: Uitsluitend voor de administratie — in te vullen door de havenstaatNaam havenstaat:Toestemming:Ja:Neen:Datum:Handtekening:Officieel stempel:(1) Vissersvaartuigen zonder IMO-nummer vermelden het externe registratienummer.(2) Zo nodig worden meerdere formulieren gebruikt.(3) FAO-soortencode — bijlage V NEAFC — bijlage II NAFO.(4) Aanbiedingsvorm van de producten — aanhangsel 1 van bijlage IV NEAFC — bijlage XX (C) NAFO.

B — PSC 2HAVENSTAATINSPECTIEFORMULIER — PSC 2DEEL A: In te vullen door de kapitein van het vaartuig. Per overladend vaartuig één formulier invullen. Gelieve zwarte inkt te gebruikenNaam van het vaartuig:IMO-nummer (1):Radioroepnaam:Vlaggenstaat:E-mailadres:Telefoonnummer:FaxInmarsat-nummer:Haven van aanvoer of overlading:Geschatte tijd van aankomst:Datum:Tijd (UTC):Vangstgegevens van het overladende vaartuig * Per overladend vaartuig één formulier invullen *Naam van het vaartuig:IMO-nummer (1):Radioroepnaam:VlaggenstaatTotale vangst aan boord — alle gebiedenAan te voeren vangst (2)Soort (3)Product (4)VangstgebiedOmrekeningsfactorProductgewicht (kg)Productgewicht (kg)NEAFC-verdragsgebied (ICES-deelgebieden en -sectoren)Gereglementeerd NAFO-gebied (deelsector)Andere gebiedenDEEL B: Uitsluitend voor de administratie — in te vullen door de vlaggenstaatDe vlaggenstaat dient te antwoorden met „ja” of „neen”.NEAFC-verdragsgebiedGereglementeerd NAFO-gebiedJaNeenJaNeena) Het vaartuig dat volgens de aangifte de vis heeft gevangen, beschikte over een toereikend quotum voor de aangegeven soortb) De hoeveelheden aan boord gehouden vis zijn naar behoren aangegeven en zijn verrekend in eventuele geldende vangst- of inspanningsbeperkingenc) Het vaartuig dat volgens de aangifte de vis heeft gevangen, beschikte over een vergunning om in het opgegeven gebied te vissend) De aanwezigheid van het vaartuig in het opgegeven vangstgebied is met VMS-gegevens gestaafdBevestiging door de vlaggenstaat: Ik bevestig dat de bovenstaande inlichtingen naar mijn weten volledig, waarheidsgetrouw en juist zijn.Naam en functie:Datum:Handtekening:Officieel stempel:DEEL C: Uitsluitend voor de administratie — in te vullen door de havenstaatNaam havenstaat:Toestemming:Ja:Neen:Datum:Handtekening:Officieel stempel:(1) Vissersvaartuigen zonder IMO-nummer vermelden het externe registratienummer.(2) Zo nodig worden meerdere formulieren gebruikt.(3) FAO-soortencode — bijlage V NEAFC — bijlage II NAFO.(4) Aanbiedingsvorm van de producten — aanhangsel 1 van bijlage IV NEAFC — bijlage XX (C) NAFO.




BIJLAGE XVI

MODELLEN VOOR HET PROTOCOL VOOR EXPERIMENTELE VISSERIJ IN NIEUWE VISSERIJGEBIEDEN WAARBIJ HET VISTUIG WAARSCHIJNLIJK IN CONTACT KOMT MET DE ZEEBODEM

I.    De lidstaat brengt het NAFO-secretariaat via de Commissie op de hoogte van zijn voornemen om experimentele visserijactiviteiten uit te voeren



Bevissingsplan

Risicobeperkingsplan

Vangstmonitoringsplan

Gegevensverzameling

Doelsoorten

Maatregelen om significante negatieve effecten op kwetsbare mariene ecosystemen te voorkomen

Identificeren en registreren van alle aan boord gebrachte soorten tot op het laagst mogelijke taxonomische niveau

Gegevens worden verzameld en geregistreerd in gestandaardiseerd formaat

Data van de visserijactiviteiten

 

100 % satellietdekking

 

Beschrijving van het te bevissen gebied

 

100 % waarnemerstoezicht

 

Verwachte inspanning

 
 
 

Gebruikt type vistuig voor bodemvisserij

 
 
 

II.    De lidstaat legt het visreisverslag via de Commissie voor aan het NAFO-secretariaat

VOORAFGAANDE KENNISGEVING VAN VOORNEMEN OM TOT EXPERIMENTELE VISSERIJ OVER TE GAAN ( 17 )

NAAM VAN HET VAARTUIG:

VLAGGENSTAAT VAN HET VAARTUIG:

VOORZIENE LOCATIE(S) VAN DE EXPERIMENTELE VISSERIJ (INCLUSIEF BREEDTE-/LENGTEGRAAD):

VOORZIENE DATA VAN DE EXPERIMENTELE VISSERIJACTIVITEITEN:

WERD ER REEDS EERDER GEVIST IN AANGRENZENDE GEBIEDEN (ZO JA, VERMELD DE INFORMATIEBRON):

VERWACHTE DIEPTES TIJDENS DE EXPERIMENTELE VISSERIJ:

BESTAAN ER HABITATKAARTEN VAN HET GEBIED (ZO JA, GELIEVE DE BRON(NEN) TE VERMELDEN):

ZIJN ER TAXONOMISCHE SLEUTELS BESCHIKBAAR VOOR DE IDENTIFICATIE VAN EVENTUEEL KWETSBARE SOORTEN (ZO JA, GELIEVE DE BRON(NEN) TE VERMELDEN):

GEKENDE KWETSBARE MARIENE ECOSYSTEMEN (KME’S) ( 18 ) IN HET TE BEVISSEN GEBIED:

RISICOBEPERKINGSMAATREGELEN OM BIJ CONTACT MET KME’S SIGNIFICANTE NEGATIEVE EFFECTEN OP DE KME’S TE VOORKOMEN:

BESTAAN ER BATHYMETRISCHE KAARTEN VAN HET EXPERIMENTELEVISSERIJGEBIED (ZO JA, GELIEVE DE BRON(NEN) TE VERMELDEN):

BESTAAT ER WETENSCHAPPELIJKE VISSERIJINFORMATIE OVER HET EXPERIMENTELEVISSERIJGEBIED (ZO JA, GELIEVE DE BRON(NEN) TE VERMELDEN):

BEOOGDE DOELSOORTEN:

WELK(E) TYPE(S) VISTUIG ZAL/ZULLEN WORDEN GEBRUIKT (GELIEVE TE IDENTIFICEREN) IN WELKE GEBIEDEN (INCLUSIEF BREEDTE-/LENGTEGRAAD):

III.    Bij de Wetenschappelijke Raad van de NAFO door de lidstaten ingediend visreisverslag betreffende experimentele visserij ( 19 )

NAAM VAN HET VAARTUIG:

VLAGGENSTAAT VAN HET VAARTUIG:

LOCATIE(S) VAN DE BEVISTE GEBIEDEN (INCLUSIEF BREEDTE-/LENGTEGRAAD):

DATA VAN VISSERIJACTIVITEITEN:

AANGETROFFEN DIEPTE TIJDENS DE VISSERIJ (VOOR IEDERE TREK, INCLUSIEF BREEDTE-/LENGTEGRAAD):

TOTAAL AANTAL UREN PER BEVIST GEBIED (VOOR IEDERE TREK, INCLUSIEF BREEDTE-/LENGTEGRAAD):

GEBRUIKT(E) TYPE(S) VISTUIG (GELIEVE TE IDENTIFICEREN) IN WELKE GEBIEDEN (INCLUSIEF BREEDTE-/LENGTEGRAAD):

CONTACT MET KWETSBARE MARIENE ECOSYSTEMEN (KME’S) ( 20 ) (VOOR IEDERE TREK, INCLUSIEF BREEDTE-/LENGTEGRAAD):

RISICOBEPERKINGSMAATREGELEN OM BIJ CONTACT MET KME’S SIGNIFICANTE NEGATIEVE EFFECTEN OP DE KME’S TE VOORKOMEN:

LIJST VAN ALLE ORGANISMEN (AAN BOORD GEHOUDEN, BIJVANGST) DIE AAN BOORD WORDEN GEBRACHT (GEÏDENTIFICEERD TOT OP HET LAAGSTE TAXONOMISCHE NIVEAU):

LIJST VAN AAN BOORD GEBRACHTE POTENTIEEL KWETSBARE INDICATORSOORTEN ( 21 ) PER LOCATIE (INCLUSIEF BREEDTE-/LENGTEGRAAD):

LIJST VAN ORGANISMEN DIE WORDEN BEWAARD VOOR BIOLOGISCHE BEMONSTERING (BIJV. LENGTE-GEWICHT, GESLACHT, LEEFTIJD):

Opmerking: De gegevens dienen volgens gestandaardiseerde specificaties te worden gerapporteerd, bijvoorbeeld zoals vastgesteld bij programma’s van wetenschappelijke waarnemers.



( 1 ) Advies uitgebracht op 7 juni 2007 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).

( 2 ) PB L 378 van 30.12.1978, blz. 1. Verordening gewijzigd bij Verordening (EEG) nr. 653/80 (PB L 74 van 20.3.1980).

( 3 ) PB L 175 van 6.7.1988, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 3067/95 (PB L 329 van 30.12.1995, blz. 1).

( 4 ) PB L 257 van 17.9.1988, blz. 20. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 494/1997 van de Commissie (PB L 77 van 19.3.1997, blz. 5).

( 5 ) PB L 21 van 30.1.1992, blz. 4. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1048/97 (PB L 154 van 12.6.1997, blz. 1).

( 6 ) PB L 341 van 31.12.1993, blz. 42. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1043/94 (PB L 114 van 5.5.1994, blz. 1).

( 7 ) PB L 329 van 30.12.1995, blz. 5. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 855/2004 (PB L 161 van 30.4.2004, blz. 1).

( 8 ) PB L 144 van 17.6.2000, blz. 1.

( 9 ) PB L 16 van 20.1.2006, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2017/2006 van de Commissie (PB L 384 van 29.12.2006, blz. 44).

( 10 ) PB L 358 van 31.12.2002, blz. 59. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 865/2007 van 10 juli 2007 (PB L 192 van 24.7.2007, blz. 1).

( 11 ) PB L 261 van 20.10.1993, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1967/2006 (PB L 409 van 30.12.2006, blz. 11).

( 12 ) PB L 276 van 10.10.1983, blz. 1.

( 13 ) PB L 5 van 9.1.2004, blz. 25. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1799/2006 (PB L 341 van 7.12.2006, blz. 26).

( 14 ) PB L 333 van 20.12.2003, blz. 17.

( 15 ) PB L 17 van 21.1.2000, blz. 22.

( 16 ) Met betrekking tot de visgrootte dient voor kabeljauw te worden uitgegaan van de vorklengte, voor andere soorten van de volledige lengte.

( 17 ) Experimentele visserij omvat alle bodemvisserijactiviteiten in nieuwe gebieden of met niet eerder in het betrokken gebied gebruikt bodemvistuig.

( 18 ) Gelieve te verwijzen naar de internationale richtsnoeren voor het beheer van de diepzeevisserij op volle zee van FAO.

( 19 ) Experimentele visserij omvat alle bodemvisserijactiviteiten in nieuwe gebieden of met niet eerder in het betrokken gebied gebruikt bodemvistuig.

( 20 ) Gelieve te verwijzen naar de internationale richtsnoeren voor het beheer van de diepzeevisserij op volle zee van FAO.

( 21 ) Gelieve te verwijzen naar de internationale richtsnoeren voor het beheer van de diepzeevisserij op volle zee van FAO (bijlage 1)..