2004R0812 — NL — 02.07.2014 — 002.001


Dit document vormt slechts een documentatiehulpmiddel en verschijnt buiten de verantwoordelijkheid van de instellingen

►B

▼C1

VERORDENING (EG) Nr. 812/2004 VAN DE RAAD

van 26 april 2004

tot vaststelling van maatregelen betreffende de incidentele vangsten van walvisachtigen bij de visserij en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 88/98

▼B

(PB L 150, 30.4.2004, p.12)

Gewijzigd bij:

 

 

Publicatieblad

  No

page

date

►M1

VERORDENING (EG) Nr. 809/2007 VAN DE RAAD van 28 juni 2007

  L 182

1

12.7.2007

►M2

VERORDENING (EU) Nr. 597/2014 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 16 april 2014

  L 173

62

12.6.2014


Gerectificeerd bij:

►C1

Rectificatie, PB L 185, 24.5.2004, blz. 4  (812/2004)




▼B

▼C1

VERORDENING (EG) Nr. 812/2004 VAN DE RAAD

van 26 april 2004

tot vaststelling van maatregelen betreffende de incidentele vangsten van walvisachtigen bij de visserij en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 88/98



DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 37,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Europees Parlement ( 1 ),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Het doel van het gemeenschappelijk visserijbeleid, zoals omschreven in artikel 2 van Verordening (EG) nr. 2371/2002 van de Raad van 20 december 2002 inzake de instandhouding en de duurzame exploitatie van de visbestanden in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid ( 2 ), is een exploitatie van de levende aquatische hulpbronnen te garanderen die voor duurzame omstandigheden op economisch, ecologisch en sociaal gebied zorgt. Daartoe moet de Gemeenschap onder meer het effect van de visserijactiviteiten op de mariene ecosystemen zo gering mogelijk houden, en moet het gemeenschappelijk visserijbeleid consistentie vertonen met ander communautair beleid, in het bijzonder het milieubeleid.

(2)

Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna ( 3 ) verleent walvisachtigen een strikte beschermingsstatus en bepaalt dat de lidstaten toezicht moeten uitoefenen op de staat van instandhouding van deze soorten. De lidstaten moeten ook een systeem instellen van toezicht op het bij toeval vangen en doden van deze soorten en de verdere onderzoekwerkzaamheden verrichten of de instandhoudingsmaatregelen treffen die nodig zijn om te verzekeren dat het bij toeval vangen of doden geen significante weerslag heeft op de betrokken soorten.

(3)

De beschikbare wetenschappelijke informatie en de technieken die zijn ontwikkeld om het bij toeval vangen en doden van walvisachtigen bij de visserij te beperken, rechtvaardigen het nemen van aanvullende maatregelen om de instandhouding van kleine walvisachtigen op het niveau van de Gemeenschap op een consequente en coöperatieve manier te bevorderen.

(4)

Er zijn akoestische middelen ontwikkeld om walvisachtigen weg te houden van vistuig, en deze zijn doeltreffend gebleken om de bijvangst van walvisachtigen bij de visserij met staande netten te verminderen. Het gebruik van dergelijke middelen zou derhalve verplicht moeten worden gesteld in gebieden en visserijtakken waarvan bekend is of verwacht kan worden dat grote aantallen kleine walvisachtigen als bijvangst zullen worden gevangen, met inachtneming van de kosteneffectiviteit van een dergelijke verplichting. Het is ook noodzakelijk technische specificaties vast te stellen voor de efficiëntie van de in deze visserijtakken te gebruiken akoestische afschrikmiddelen. Wetenschappelijke onderzoeken of proefprojecten zijn noodzakelijk om een beter inzicht te krijgen in de gevolgen die het gebruik van akoestische afschrikmiddelen op termijn met zich meebrengt.

(5)

Deze verordening mag geen belemmering vormen voor het wetenschappelijk en technisch onderzoek, met name naar nieuwe vormen van actieve afschrikmiddelen. De lidstaten moeten derhalve, voor de toepassing van deze verordening, tijdelijk het gebruik van pas ontwikkelde en efficiënte types akoestische afschrikmiddelen die niet aan de in deze verordening opgenomen technische specificaties voldoen, kunnen toestaan; het is echter ook nodig dat de technische specificaties van akoestische afschrikmiddelen zo snel mogelijk worden bijgewerkt overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden ( 4 ).

(6)

Onafhankelijke waarnemingen van visserijactiviteiten zijn van essentieel belang om betrouwbare ramingen van de bijvangsten van walvisachtigen te kunnen opstellen. Het is daarom nodig toezichtregelingen met onafhankelijke waarnemers aan boord in te stellen en de visserijtakken aan te wijzen waar deze regelingen met voorrang moeten worden gecoördineerd. Om representatieve gegevens over de betrokken visserijtakken te verkrijgen, moeten de lidstaten passende toezichtprogramma's opstellen en uitvoeren voor de vaartuigen die hun vlag voeren en die in deze visserijtakken actief zijn. Voor kleine vissersvaartuigen met een lengte over alles van minder dan 15 m, die soms geen bijkomende persoon permanent als waarnemer aan boord kunnen hebben, moeten de gegevens over bijvangsten van walvisachtigen verzameld worden door middel van wetenschappelijke onderzoeken of pilootprojecten. Er moeten ook gemeenschappelijke toezicht- en rapportagetaken worden vastgesteld.

(7)

Met het oog op een regelmatige evaluatie op het niveau van de Gemeenschap en een grondige beoordeling op middellange termijn moeten de lidstaten jaarlijks verslag uitbrengen over het gebruik van pingers (akoestische afschrikmiddelen) en de uitvoering van de programma's voor het inzetten van waarnemers aan boord en daarbij alle informatie voegen die zij hebben verzameld over het bij toeval vangen en doden van walvisachtigen bij de visserij.

(8)

Het risico van de drijfnetvisserij voor het ernstig bedreigde bruinvisbestand in de Oostzee maakt het noodzakelijk een einde te maken aan het gebruik van drijfnetten in dit gebied. Communautaire vaartuigen die in dit gebied met drijfnetten vissen zullen aan economische en technische beperkingen worden onderworpen, die een periode van geleidelijke afschaffing van dit vistuig en een volledig verbod vanaf 1 januari 2008 zullen omvatten. Verordening (EG) nr. 88/98 van de Raad van 18 december 1997 houdende technische maatregelen voor de instandhouding van de visbestanden in de Oostzee, de Belten en de Øresund ( 5 ) dient te worden gewijzigd om er deze maatregelen in op te nemen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:



Artikel 1

Onderwerp

Bij deze verordening worden maatregelen vastgesteld om de bijvangsten van walvisachtigen door vissersvaartuigen in de in de bijlagen I en III genoemde gebieden te verminderen.

▼M1

Artikel 1 bis

Begripsomschrijvingen

„Drijfnetten”: kieuwnetten die op het zee-oppervlak of op een bepaalde afstand daaronder worden gehouden door drijflichamen die vrijelijk met de stroom meedrijven of met het vaartuig waaraan zij zijn bevestigd. Zij mogen uitgerust zijn met voorzieningen om het net te stabiliseren en/of het drijven te beperken.

▼C1

Artikel 2

Gebruik van akoestische afschrikmiddelen

1.  Onverminderd andere communautaire bepalingen is het voor vaartuigen met een lengte over alles van 12 m of meer verboden van het in bijlage I omschreven vistuig gebruik te maken in de gebieden, voor de perioden en met ingang van de data die in deze bijlage worden vermeld, indien niet tegelijkertijd gebruik wordt gemaakt van akoestische afschrikmiddelen.

2.  De kapiteins van communautaire vissersvaartuigen moeten ervoor zorgen dat de akoestische afschrikmiddelen volledig operationeel zijn wanneer zij het vistuig uitzetten.

3.  Lid 1 is niet van toepassing op visserijactiviteiten die uitsluitend plaatsvinden voor wetenschappelijk onderzoek en worden uitgevoerd met toestemming en onder het gezag van de lidstaten of de betrokken lidstaten en die gericht zijn op de ontwikkeling van nieuwe technische maatregelen om het bij toeval vangen of doden van walvisachtigen te verminderen.

4.  De lidstaten treffen de nodige maatregelen om door middel van wetenschappelijke onderzoeken of proefprojecten toezicht te houden op en een evaluatie te maken van de gevolgen die het gebruik van pingers na verloop van tijd met zich meebrengt in de betrokken visserijtakken en gebieden.

Artikel 3

Technische specificaties en gebruiksvoorwaarden

▼M2

1.  De op grond van artikel 2, lid 1, gebruikte akoestische afschrikkingsmiddelen moeten voldoen aan de technische specificaties en de gebruiksvoorwaarden die zijn vastgesteld in bijlage II. Teneinde ervoor te zorgen dat bijlage II een weergave van de technische en wetenschappelijke vooruitgang blijft, is de Commissie bevoegd overeenkomstig artikel 8 bis gedelegeerde handelingen vast te stellen om de signaalkenmerken en de overeenkomstige gebruikskenmerken in bijlage II te actualiseren. Bij het vaststellen van die gedelegeerde handelingen voorziet de Commissie in voldoende tijd voor de uitvoering van dergelijke aanpassingen.

▼C1

2.  In afwijking van lid 1 mogen de lidstaten machtiging verlenen voor het tijdelijk gebruik van akoestische afschrikmiddelen die niet voldoen aan de in bijlage II omschreven technische specificaties en gebruiksvoorwaarden, op voorwaarde dat het effect ervan op de vermindering van de bijvangsten van walvisachtigen voldoende is aangetoond. Een machtiging is ten hoogste twee jaar geldig.

3.  De lidstaten stellen de Commissie binnen twee maanden na de datum van afgifte in kennis van de machtigingen die zij overeenkomstig lid 2 hebben verleend. Zij verstrekken de Commissie technische en wetenschappelijke informatie over het toegelaten akoestische afschrikmiddel en over het effect ervan op de bijvangsten van walvisachtigen.

Artikel 4

Inzet van waarnemers op zee

1.  De lidstaten ontwerpen regelingen voor toezicht op de bijvangsten van walvisachtigen, waarbij aan boord van vaartuigen die hun vlag voeren en een lengte over alles van 15 m of meer hebben, waarnemers worden ingezet in de visserijtakken en op de voorwaarden als bepaald in bijlage III, en zij voeren deze regelingen uit. De toezichtregelingen moeten zodanig ontworpen zijn dat ze representatieve gegevens over de betrokken visserijtakken opleveren.

2.  De lidstaten treffen de nodige maatregelen om door middel van gepaste wetenschappelijke onderzoeken of proefprojecten wetenschappelijke gegevens te verzamelen over de bijvangsten van walvisachtigen voor vaartuigen met een lengte over alles van minder dan 15 m die worden ingezet in de in bijlage III, punt 3 omschreven visserijtakken.

Artikel 5

Waarnemers

1.  Om aan hun verplichting tot het inzetten van waarnemers te voldoen, stellen de lidstaten onafhankelijk en naar behoren gekwalificeerd personeel met ervaring aan. Om hun taken te kunnen uitvoeren moeten de aangestelde waarnemers over de volgende kwalificaties beschikken:

a) voldoende ervaring om de verschillende soorten walvisachtigen en vangstmethoden te kunnen onderscheiden;

b) basiskennis op het gebied van de zeevaart en passende kennis van de veiligheidsvoorschriften;

c) de bekwaamheid om eenvoudige wetenschappelijke taken uit te voeren, bijvoorbeeld het nemen van monsters indien dat nodig blijkt, het uitvoeren van nauwkeurige waarnemingen en het opstellen van nauwkeurige verslagen in dat verband;

d) een bevredigende kennis van de taal van de vlaggenlidstaat van het vaartuig waarop het toezicht wordt uitgeoefend.

2.  De waarnemers hebben tot taak toezicht te houden op de bijvangsten van walvisachtigen en de nodige gegevens te verzamelen om de waargenomen bijvangst te extrapoleren naar de gehele betrokken visserijtak. De waarnemers dienen met name:

a) toezicht uit te oefenen op de visserijactiviteiten van de betrokken vaartuigen en passende gegevens over de visserijinspanning (kenmerken van het vistuig, plaats en tijdstip van het begin en het einde van de eigenlijke visserijactiviteit) te noteren;

b) toezicht te houden op de bijvangsten van walvisachtigen.

Waarnemers mogen tevens dergelijke andere, door de lidstaten eventueel vast te stellen waarnemingen uitvoeren teneinde bij te dragen tot het wetenschappelijk inzicht in de vangstsamenstelling van de betrokken vaartuigen en de biologische situatie van de visbestanden.

3.  De waarnemer zendt een verslag met alle over de visserijinspanning verzamelde gegevens en met opmerkingen over de bijvangsten van walvisachtigen, met inbegrip van een overzicht van zijn belangrijkste bevindingen, aan de bevoegde autoriteiten van de betrokken vlaggenlidstaat.

Het verslag bevat voor de betrokken periode met name de volgende informatie:

a) de identiteit van het vaartuig;

b) de naam van de waarnemer en de periode dat hij aan boord was;

c) het type visserij (met inbegrip van de kenmerken van het vistuig, de in de bijlagen I en III bedoelde gebieden en de doelsoorten);

d) de duur van de visreis en de betrokken visserij-inspanning (uitgedrukt als totale netlengte maal aantal visuren voor passief vistuig en aantal visuren voor gesleept vistuig);

e) het aantal als bijvangst gevangen walvisachtigen, met vermelding van de soorten en, indien mogelijk, aanvullende informatie over grootte of gewicht, geslacht, leeftijd en, in voorkomend geval, gegevens omtrent de dieren die bij het inhalen van de netten verloren zijn gegaan of die levend overboord zijn gezet;

f) alle aanvullende informatie die de waarnemer in het licht van de doelstellingen van deze verordening dienstig acht, waaronder defecten van akoestische afschrikmiddelen tijdens een visserijactiviteit, of aanvullende waarnemingen betreffende de biologie van walvisachtigen (zoals de waarneming van walvisachtigen of bijzondere gedragingen in verband met de visserijactiviteit).

De kapitein van het vaartuig kan de waarnemer om een afschrift van zijn verslag verzoeken.

4.  De vlaggenlidstaat bewaart de in de verslagen van de waarnemers vervatte informatie gedurende ten minste vijf jaar na het einde van de betrokken verslagperiode.

Artikel 6

Jaarverslagen

1.  De lidstaten zenden de Commissie elk jaar, uiterlijk op 1 juni, een algemeen jaarverslag over de uitvoering van de artikelen 2, 3, 4 en 5 in het afgelopen jaar toe. Het eerste verslag bestrijkt het resterende deel van het jaar na de inwerkingtreding van deze verordening en het volledige daaropvolgende jaar.

2.  Op basis van de overeenkomstig artikel 5, lid 3, door de waarnemers ingediende verslagen en alle andere passende gegevens, met inbegrip van die betreffende de visserij-inspanning die zijn verzameld ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 1543/2000 van de Raad van 29 juni 2000 tot instelling van een communautair kader voor het verzamelen en beheren van gegevens die essentieel zijn voor het gemeenschappelijk visserijbeleid ( 6 ), bevat het jaarverslag ramingen van de totale bijvangsten van walvisachtigen in elk van de betrokken visserijtakken. Het verslag bevat tevens een evaluatie van de conclusies van de door de waarnemers ingediende verslagen en alle andere passende informatie, met inbegrip van het onderzoek dat in de lidstaten is verricht om het bij toeval vangen van walvisachtigen bij de visserij te beperken. Bij de verslaglegging over de resultaten van de wetenschappelijke onderzoeken of proefprojecten als bedoeld in artikel 2, lid 4, en artikel 4, lid 2, zorgen de lidstaten ervoor dat bij de opstelling en uitvoering ervan wordt voldaan aan voldoende hoge kwaliteitsnormen en verstrekken zij gedetailleerde informatie over deze normen aan de Commissie.

Artikel 7

Algemene evaluatie en herziening

1.  Uiterlijk een jaar na de indiening door de lidstaten van hun tweede jaarverslag, brengt de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad verslag uit over de toepassing van deze verordening in het licht van de ingevolge de toepassing van artikel 6 beschikbare informatie en de evaluatie van de verslagen van de lidstaten door het Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de visserij. In dit verslag wordt met name aandacht besteed aan de soorten vaartuigen en de gebieden waarop deze verordening wordt toegepast, de kwaliteit van de op basis van waarnemersregelingen verzamelde informatie, alsook aan de kwaliteit van de proefprojecten; het verslag kan vergezeld gaan van gepaste maatregelen.

2.  Dit verslag wordt bijgewerkt nadat de lidstaten het vierde jaarverslag hebben ingediend.

▼M2

3.  Uiterlijk op 31 december 2015 evalueert de Commissie de doeltreffendheid van de in deze verordening vastgelegde maatregelen, en dient, indien wenselijk, bij het Europees Parlement en bij de Raad een overkoepelend wetgevingsvoorstel in om een doeltreffende bescherming van walvisachtigen te waarborgen.

▼M2

Artikel 8

Uitvoering

De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen met nadere voorschriften inzake de procedure en het sjabloon voor de in artikel 6 voorziene verslaglegging. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 8 ter, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

▼M2

Artikel 8 bis

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

1.  De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen wordt aan de Commissie overgedragen onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.  De in artikel 3, lid 1, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen wordt aan de Commissie overgedragen voor een termijn van vier jaar met ingang van 2 juli 2014. De Commissie stelt uiterlijk negen maanden vóór het einde van de termijn van vier jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden vóór het einde van elke termijn tegen deze verlenging verzet.

3.  Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 3, lid 1, bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het besluit laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.  Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en aan de Raad.

5.  Een op grond van artikel 3, lid 1, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie heeft meegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Op initiatief van het Europees Parlement of van de Raad kan die termijn met twee maanden worden verlengd.

Artikel 8 ter

Comitéprocedure

1.  De Commissie wordt bijgestaan door het in artikel 47 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad ( 7 ) ingestelde Comité voor de visserij en de aquacultuur. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad ( 8 ).

2.  Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

▼C1

Artikel 9

Wijziging van Verordening (EG) nr. 88/98

In Verordening (EG) nr. 88/98 worden de volgende artikelen ingevoegd:

„Artikel 8 bis

Beperkingen voor drijfnetten

1.  Vanaf 1 januari 2008 is het verboden drijfnetten aan boord te hebben of daarmee te vissen.

2.  Tot en met 31 december 2007 mag een vaartuig drijfnetten aan boord hebben of daarmee vissen, indien het daartoe door de bevoegde autoriteiten van de vlaggenlidstaat is gemachtigd.

3.  In 2005 mag het maximumaantal vaartuigen dat door een lidstaat kan worden gemachtigd om drijfnetten aan boord te hebben of daarmee te vissen, niet meer bedragen dan 60 % van de vissersvaartuigen die in de periode van 2001 tot en met 2003 drijfnetten hebben gebruikt.

In 2006 en 2007 mag het maximumaantal vaartuigen niet meer bedragen dan respectievelijk 40 % en 20 % van de vissersvaartuigen die in de periode van 2001 tot en met 2003 drijfnetten hebben gebruikt.

4.  De lidstaten delen de Commissie uiterlijk op 30 april van elk jaar de lijst van vaartuigen mee die gemachtigd zijn met drijfnetten te vissen; voor 2004 wordt deze informatie uiterlijk op 31 augustus 2004 meegedeeld.

Artikel 8 ter

Voorwaarden voor het gebruik van drijfnetten

1.  Aan elk uiteinde van het net wordt een drijvende boei met radarreflectoren bevestigd, zodat de positie ervan te allen tijde kan worden bepaald. De boeien zijn permanent gemerkt met de registratieletter(s) en het nummer van het vaartuig waartoe ze behoren.

2.  De kapitein van een vissersvaartuig dat drijfnetten gebruikt, houdt een logboek bij waarin hij dagelijks de volgende gegevens noteert:

a) de totale lengte van de netten aan boord;

b) de totale lengte van de bij elke visserijactiviteit gebruikte netten;

c) het aantal als bijvangst gevangen walvisachtigen;

d) de datum en de plaats van deze vangsten.

3.  Elk vissersvaartuig dat drijfnetten gebruikt, moet de in artikel 8 bis, lid 2, bedoelde machtiging aan boord hebben.”.

Artikel 10

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op 1 juli 2004.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.




BIJLAGE I

VISSERIJTAKKEN WAARVOOR HET GEBRUIK VAN AKOESTISCHE AFSCHRIKMIDDELEN VERPLICHT IS



Gebied

Vistuig

Periode

Aanvangsdatum

A.  Oostzeegebied begrensd door een lijn die loopt van de Zweedse kust op het punt op 13° OL, vandaar rechtwijzend zuid tot 55° NB, vandaar rechtwijzend oost tot 14o OL, vandaar rechtwijzend noord tot de kust van Zweden; en het gebied begrensd door een lijn die loopt van de oostkust van Zweden op het punt op 55° 30' NB, vandaar rechtwijzend oost tot 15° OL, vandaar rechtwijzend noord tot 56° NB, vandaar rechtwijzend oost tot 16° OL en vandaar rechtwijzend noord tot de kust van Zweden

a)  Alle geankerde kieuwnetten of warnetten

Het hele jaar

1 juni 2005

b)  Alle drijfnetten

Het hele jaar

1 juni 2005

B.  ICES-deelgebied IV en -sector III a

a)  Alle geankerde kieuwnetten of warnetten, of een combinatie van deze netten, waarvan de totale lengte niet meer bedraagt dan 400 meter

a)  1 augustus - 31 oktober

1 augustus 2005

a)  Alle verankerde kieuwnetten of warnetten met maaswijdten > 220 mm

b)  Het hele jaar

1 juni 2005

C.  ICES-sectoren VII e, f, g, h, en j

a)  Alle geankerde kieuwnetten of warnetten

a)  Het hele jaar

1 januari 2006

D.  ICES-sector VII d

a)  Alle geankerde kieuwnetten of warnetten

a)  Het hele jaar

1 januari 2007

E.  Oostzee-deelgebied 24 (behalve het onder A bedoelde gebied)

a)  Alle geankerde kieuwnetten of warnetten

a)  Het hele jaar

1 januari 2007

b)  Alle drijfnetten

b)  Het hele jaar

1 januari 2007




BIJLAGE II

TECHNISCHE SPECIFICATIES EN VOORWAARDEN VOOR HET GEBRUIK VAN AKOESTISCHE AFSCHRIKMIDDELEN

De op grond van artikel 2, lid 1, gebruikte akoestische afschrikmiddelen moeten aan één van de volgende reeksen signaal- en gebruikskenmerken voldoen:



 

Reeks 1

Reeks 2

Signaalkenmerken

Signaalsynthese

Digitaal

Analoog

Toon/breedband

Breedband/toon

Toon

Bronsterkte (max - min) re 1 mPa@1m

145 dB

130-150 dB

Grondfrequentie

a)  20-160 kHz breedband- sweeps

b)  10 KHz toon

10 kHz

Hoogfrequente harmonischen

Ja

Ja

Pulsduur (nominaal)

300 ms

300 ms

Pulsinterval

a)  4-30 seconden, willekeurig

b)  4 seconden

4 seconden

Gebruikskenmerken

Maximale afstand tussen twee akoestische afschrikmiddelen aan netten

200 m, met een akoestisch middel aan elk uiteinde van het net (of van de combinatie van aan elkaar bevestigde netten)

100 m, met een akoestisch middel aan elk uiteinde van het net (of van de combinatie van aan elkaar bevestigde netten)




BIJLAGE III

VISSERIJTAKKEN WAAROP TOEZICHT MOET WORDEN GEHOUDEN EN MINIMUMNIVEAU VAN DE VISSERIJ-INSPANNING DIE DOOR WAARNEMERS AAN BOORD MOET WORDEN GECONTROLEERD

1.   Hoofdstuk I: Algemene toezichtverplichtingen

Er moeten jaarlijks toezichtregelingen worden uitgewerkt en vastgesteld om op representatieve wijze toezicht te houden op de bijvangst van walvisachtigen in de in de tabel onder punt 3 omschreven visserijtakken.

De toezichtregelingen moeten voldoende representatief zijn door een passende spreiding van de waarnemers over vloten, tijdvakken en visserijgebieden.

Als algemene regel moeten de toezichtregelingen gebaseerd zijn op een steekproefstrategie, waarmee de bijvangstpercentages van walvisachtigen per eenheid van inspanning voor een bepaalde vloot kunnen worden geraamd voor de meest frequente soorten in de bijvangst, teneinde een variatiecoëfficiënt van ten hoogste 0,30 te bewerkstelligen. De steekproefstrategie moet worden uitgewerkt op basis van bestaande informatie over de variabiliteit van eerdere observaties betreffende de bijvangsten.

2.   Proefregelingen voor toezicht

Wanneer de steekproefstrategie wegens het ontbreken van informatie over de variabiliteit van de bijvangsten niet zodanig kan worden uitgewerkt dat de variatiecoëfficient binnen de in punt 1 vastgestelde grenzen wordt bereikt, voert de betrokken lidstaat gedurende twee opeenvolgende jaren, met ingang van de onder punt 3 vermelde data voor de betrokken visserijtakken, een proefregeling voor de inzet van waarnemers aan boord uit.

Deze proefregelingen voor de inzet van waarnemers zijn gebaseerd op een steekproefstrategie om de variabiliteit van de bijvangsten te bepalen; op basis daarvan zullen steekproefstrategieën worden uitgewerkt onder de in punt 1 gestelde voorwaarden en worden ook ramingen opgesteld van de bijvangst van walvisachtigen per eenheid van inspanning en per soort.

De proefregelingen hebben ten minste betrekking op de onderstaande minimumwaarden van de visserij-inspanning.

a) Voor alle in punt 3 omschreven visserijtakken, met uitzondering van pelagische trawls (alleen of in span), van 1 december tot en met 31 maart in de ICES-deelgebieden VI, VII en VIII:



 

Vloten van meer dan 400 vaartuigen

Vloten van meer dan 60 en minder dan 400 vaartuigen

Vloten van minder dan 60 vaartuigen

Door de proefregelingen bestreken minimuminspanning

Visserij-inspanning van 20 vaartuigen

5 % van de visserij-inspanning

5 %, voor ten minste 3 vaartuigen

b) Voor pelagische trawls (alleen of in span), van 1 december tot en met 31 maart in de ICES-deelgebieden VI, VII en VIII:



 

Vloten van meer dan 60 vaartuigen

Vloten van minder dan 60 vaartuigen

Door de proefregelingen bestreken minimuminspanning

10 % van de visserij-inspanning

10 %, voor ten minste 3 vaartuigen

3.   Visserijtakken waarop toezicht moet worden gehouden en aanvangsdata voor het toezicht



Gebied

Vistuig

Aanvangsdatum

A.  ICES-deelgebieden VI, VII en VIII

Pelagische trawls (alleen of in span)

1 januari 2005

B.  Middellandse Zee (ten oosten van 5° 36' WL)

Pelagische trawls (alleen of in span)

1 januari 2005

C.  ICES-sectoren VI a, VII a en b, VIII a, b en c, en IX a

Geankerde kieuwnetten of warnetten met een maaswijdte van 80 mm of groter

1 januari 2005

D.  ICES-deelgebied IV, sector VI a, en deelgebied VII met uitzondering van de sectoren VII c en VIII k

Drijfnetten

1 januari 2006

E.  ICES-deelgebieden III a, b, c, III d ten zuiden van 59° N, III d ten noorden van 59° N (alleen van 1 juni tot en met 30 september), IV en IX

Pelagische trawls (alleen of in span)

1 januari 2006

F.  ICES-deelgebieden VI, VII, VIII en IX

Rondvistrawls

1 januari 2006

G.  ICES-deelgebied III b, c, d

Geankerde kieuwnetten of warnetten met een maaswijdte van 80 mm of groter

1 januari 2006



( 1 ) Advies uitgebracht op 10 februari 2004.

( 2 ) PB L 358 van 31.12.2002, blz. 59.

( 3 ) PB L 206 van 22.7.1992, blz. 7. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1882/2003 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 284 van 31.10.2003, blz. 1).

( 4 ) PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.

( 5 ) PB L 9 van 15.1.1998 blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 48/1999 (PB L 13 van 18.1.1999, blz. 1).

( 6 ) PB L 176 van 15.7.2000, blz. 1.

( 7 ) Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid, tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 1954/2003 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 2371/2002 en (EG) nr. 639/2004 van de Raad en Besluit 2004/585/EG van de Raad (PB L 354 van 28.12.2013, blz. 22).

( 8 ) Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).