2004D0277 — NL — 07.09.2010 — 002.001


Dit document vormt slechts een documentatiehulpmiddel en verschijnt buiten de verantwoordelijkheid van de instellingen

►B

BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE

van 29 december 2003

tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor Beschikking 2001/792/EG, Euratom van de Raad tot vaststelling van een communautair mechanisme ter vergemakkelijking van versterkte samenwerking bij bijstandsinterventies in het kader van civiele bescherming

(kennisgeving geschied onder nummer C(2003) 5185)

(Voor de EER relevante tekst)

(2004/277/EG, Euratom)

(PB L 087, 25.3.2004, p.20)

Gewijzigd bij:

 

 

Publicatieblad

  No

page

date

►M1

BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE van 20 december 2007

  L 20

23

24.1.2008

►M2

BESLUIT VAN DE COMMISSIE van 29 juli 2010

  L 236

5

7.9.2010




▼B

BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE

van 29 december 2003

tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor Beschikking 2001/792/EG, Euratom van de Raad tot vaststelling van een communautair mechanisme ter vergemakkelijking van versterkte samenwerking bij bijstandsinterventies in het kader van civiele bescherming

(kennisgeving geschied onder nummer C(2003) 5185)

(Voor de EER relevante tekst)

(2004/277/EG, Euratom)



DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

Gelet op Beschikking 2001/792/EG, Euratom van de Raad van 23 oktober 2001 tot vaststelling van een communautair mechanisme ter vergemakkelijking van versterkte samenwerking bij bijstandsinterventies in het kader van civiele bescherming ( 1 ), en met name op artikel 8, lid 2, onder a) tot en met e) en onder g),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Het bij Beschikking 2001/792/EG ingestelde communautair mechanisme, hierna „het mechanisme” genoemd, is bedoeld om in ondersteuning te voorzien bij ernstige noodsituaties, waarbij dringend ingrijpen geboden kan zijn, met inbegrip van noodsituaties die zich voordoen in de context van crisisbeheersing als bedoeld in titel V van het Verdrag betreffende de Europese Unie. In laatstgenoemd geval wordt rekening gehouden met de gemeenschappelijke verklaring van de Raad en de Commissie inzake het gebruik van het communautair mechanisme voor civiele bescherming bij het crisisbeheer als bedoeld in titel V van het Verdrag betreffende de Europese Unie.

(2)

Het mechanisme is bedoeld om een betere bescherming, in eerste instantie van mensen maar ook van het milieu en eigendommen, te helpen garanderen bij ernstige noodsituaties, met inbegrip van verontreiniging van de zee overeenkomstig het bepaalde in Beschikking nr. 2850/2000/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2000 houdende instelling van een communautair kader voor samenwerking op het gebied van door ongevallen veroorzaakte of opzettelijke verontreiniging van de zee ( 2 ).

(3)

Het communautair mechanisme staat open voor deelname van de lidstaten, maar dient in het licht van Besluit nr. 135/2002 van het Gemengd Comité van de EER van 27 september 2002 tot wijziging van Protocol nr. 31 bij de EER-overeenkomst (Samenwerking op specifieke gebieden buiten de vier vrijheden) ( 3 ) ook open te staan voor Noorwegen, IJsland en Liechtenstein. Wat de kandidaat-lidstaten betreft, dient het mechanisme open te staan voor deelname van de landen die een memorandum van overeenstemming met de Commissie hebben ondertekend.

(4)

Er dient een procedure te worden ingesteld voor het verstrekken van geactualiseerde informatie over de middelen die in de aan het mechanisme deelnemende landen beschikbaar zijn voor verschillende types interventies, teneinde het inzetten van interventieteams, deskundigen en andere middelen in noodgevallen te vergemakkelijken en een betere benutting van deze middelen te garanderen.

(5)

Er dient ten behoeve van de aan het mechanisme deelnemende landen en de Commissie een waarnemings- en informatiecentrum te worden opgericht dat 24 uur per dag bereikbaar is en in staat is om onmiddellijk te reageren.

(6)

Het waarnemings- en informatiecentrum is een essentieel element van het mechanisme omdat het zorgt voor een permanente verbinding met de operationele contactpunten voor civiele bescherming van de landen die deelnemen aan het mechanisme. In noodsituaties dient het waarnemings- en informatiecentrum een directe toegang te verschaffen tot essentiële informatie over deskundigen, interventieteams en andere beschikbare interventieondersteuning.

(7)

Er dient een gemeenschappelijk noodcommunicatie- en informatiesysteem (GNCIS) te worden opgezet om ervoor te zorgen dat het waarnemings- en informatiecentrum en de aangewezen contactpunten onderling kunnen communiceren en informatie kunnen uitwisselen.

(8)

Het GNCIS is een essentieel element van het mechanisme omdat het de authenticiteit, integriteit en vertrouwelijkheid moet waarborgen van de informatie die in routineomstandigheden en in noodsituaties onder de aan het mechanisme deelnemende landen wordt uitgewisseld.

(9)

Het GNCIS moet op basis van een globaal implementatieplan (GIP) worden opgezet als onderdeel van het Prociv-Net-project dat wordt uitgevoerd en gefinancierd in de context van een programma voor de uitwisseling van gegevens tussen overheidsdiensten, het IDA-programma waarin wordt voorzien bij Beschikking nr. 1719/1999/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 1999 betreffende een reeks richtsnoeren, met inbegrip van de vaststelling van projecten van gemeenschappelijk belang, voor trans-Europese netten voor elektronische gegevensuitwisseling tussen overheidsdiensten (IDA) ( 4 ), laatstelijk gewijzigd bij Beschikking nr. 2046/2002/EG ( 5 ), en Besluit nr. 1720/1999/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 1999 tot vaststelling van een reeks acties en maatregelen ter verzekering van de interoperabiliteit van en de toegang tot trans-Europese netten voor elektronische gegevensuitwisseling tussen overheidsdiensten (IDA) ( 6 ), laatstelijk gewijzigd bij Besluit nr. 2045/2002/EG ( 7 ).

(10)

De beschikbaarheid van deskundigen die in staat zijn om interventieteams te organiseren en te coördineren vormt een belangrijk element van het communautair mechanisme. Om een doeltreffende selectie van de vereiste deskundigen mogelijk te maken, is het essentieel dat overeenstemming wordt bereikt over gemeenschappelijke selectiecriteria.

(11)

De taken van de deskundigen moeten worden omschreven en de procedure voor het uitzenden van deskundigen moet worden vastgesteld.

(12)

Er dient een opleidingsprogramma te worden opgezet ter verbetering van de coördinatie van de bijstandsinterventies in het kader van civiele bescherming door ervoor te zorgen dat de interventieteams samenwerken en elkaar aanvullen en door de competentie van de deskundigen te vergroten. Het programma dient gezamenlijke cursussen en oefeningen te omvatten, evenals een systeem voor uitwisseling, in combinatie met hoorcolleges, case studies, werkgroepen, simulaties en praktische oefeningen die op de inhoud van de diverse acties zijn afgestemd. Het opzetten van een dergelijk opleidingsprogramma is ook in overeenstemming met de geest van Resolutie 2002/C 43/01 van de Raad van 28 januari 2002 ter versterking van de samenwerking op het gebied van de opleiding terzake van de civiele bescherming ( 8 ).

(13)

In het kader van het communautair mechanisme is de vaststelling van duidelijke interventieregels belangrijk om doelmatige bijstand in noodsituaties te waarborgen.

(14)

De in deze beschikking vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het bij artikel 4, lid 1, van Beschikking 1999/847/EG van de Raad ( 9 ) ingestelde comité,

HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:



HOOFDSTUK I

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

Bij deze beschikking worden uitvoeringsbepalingen voor Beschikking 2001/792/EG, Euratom vastgesteld ten aanzien van:

1. informatie over de relevante middelen die beschikbaar zijn voor bijstandsinterventies in het kader van civiele bescherming;

2. de oprichting van een waarnemings- en informatiecentrum;

3. het opzetten van een gemeenschappelijk noodcommunicatie- en informatiesysteem, hierna „het GNCIS” genoemd;

4. de evaluatie- en/of coördinatieteams, met inbegrip van criteria voor de selectie van deskundigen;

5. het opzetten van een opleidingsprogramma;

6. interventies binnen en buiten de Gemeenschap.

Artikel 2

In het kader van deze beschikking zijn de volgende definities van toepassing:

a) „deelnemende landen”: de lidstaten, de kandidaat-lidstaten die met de Commissie een memorandum van overeenstemming hebben ondertekend, en Noorwegen, IJsland en Liechtenstein;

b) „derde landen”: landen die niet deelnemen aan het mechanisme;

▼M1

c) „interventieteams”: menselijke en materiële hulpmiddelen met inbegrip van door de lidstaten opgezette civiele beschermingsmodules (zoals bedoeld in de artikelen 3 bis, 3 ter en 3 quater) voor civiele beschermingsinterventies;

d) „teams voor technische bijstand”: door de lidstaten voor ondersteunende taken ingezette menselijke en materiële hulpmiddelen.

▼B



HOOFDSTUK II

BESCHIKBARE MIDDELEN

Artikel 3

1.  De deelnemende landen verstrekken de Commissie de volgende informatie over de middelen die beschikbaar zijn voor bijstandsinterventies in het kader van civiele bescherming:

a) de overeenkomstig artikel 3, onder a), van Beschikking 2001/792/EG, Euratom aangewezen interventieteams, en met name:

i) de omvang van de teams en de verwachte mobilisatietijd,

ii) hun beschikbaarheid voor interventies in de deelnemende landen en in derde landen,

iii) hun beschikbaarheid voor opdrachten op korte, middellange of lange termijn,

iv) hun vervoersmiddelen en hun mate van zelfvoorziening,

v) andere relevante informatie;

b) de overeenkomstig artikel 3, onder b), van Beschikking 2001/792/EG, Euratom geselecteerde deskundigen.

2.  De in lid 1 bedoelde informatie wordt periodiek bijgewerkt.

3.  Het overeenkomstig artikel 4 opgerichte waarnemings- en informatiecentrum vergaart de in lid 1 bedoelde informatie en maakt deze toegankelijk via het overeenkomstig artikel 7 opgezette GNCIS.

4.  De in lid 1 bedoelde informatie wordt gebaseerd op interventiescenario's binnen en buiten de deelnemende landen.

▼M1

Artikel 3 bis

1.  Afhankelijk van de ontwikkeling van extra modules, moeten civiele beschermingsmodules voldoen aan de in bijlage II genoemde algemene eisen.

2.  Teams voor technische bijstand moeten voldoen aan de in bijlage III genoemde algemene eisen.

3.  Civiele beschermingsmodules en teams voor technische bijstand kunnen zijn samengesteld uit middelen die door een of meer lidstaten worden verstrekt.

4.  Wanneer een civiele beschermingsmodule of een team voor technische bijstand uit meer dan één ondereenheid bestaat, kan de inzet van die civiele beschermingsmodule of dat team voor technische bijstand bij een interventie beperkt worden tot de voor die interventie noodzakelijke ondereenheden.

Artikel 3 ter

1.  De volgende elementen van zelfvoorziening zijn van toepassing op de individuele beschermingsmodules zoals gespecificeerd in bijlage II:

a) passende beschutting tegen de desbetreffende weersomstandigheden;

b) stroom en licht voor de consumptie van de operatiebasis en de voor de uitvoering van de interventie vereiste apparatuur;

c) sanitaire en hygiënevoorzieningen voor het personeel van de module;

d) voedsel en water voor het personeel van de module;

e) medische of paramedische verzorging (personeel, installaties en materieel) voor het personeel van de module;

f) opslag en onderhoud van de apparatuur van de module;

g) apparatuur voor de communicatie met de betreffende partners, met name met de verantwoordelijke coördinatoren ter plaatse;

h) lokaal vervoer;

i) logistiek, apparatuur en personeel voor het opzetten van een operatiebasis en het onverwijlde begin van de interventie bij aankomst ter plaatse.

2.  Overeenstemming met de eisen op het gebied van zelfvoorziening wordt door de hulp biedende lidstaat op een van onderstaande manieren gewaarborgd:

a) de civiele beschermingsmodule wordt voorzien van het noodzakelijke personeel en de benodigde apparatuur en verbruiksgoederen;

b) de nodige voorzieningen worden getroffen op de plaats van de operatie;

c) de nodige voorafgaande voorzieningen worden getroffen om een niet-zelfvoorzienend interventieteam te combineren met een team voor technische bijstand zodat aan de eisen van artikel 3 quater kan worden voldaan, alvorens informatie te verschaffen over de betreffende civiele beschermingsmodule overeenkomstig artikel 3, lid 1.

3.  De periode waarvoor de zelfvoorziening gewaarborgd moet zijn bij het begin van de interventie mag niet korter zijn dan:

a) 96 uur; of

b) de in bijlage II voor specifieke civiele beschermingsmodules vastgestelde perioden.

Artikel 3 quater

De lidstaat neemt de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

a) de civiele beschermingsmodules zijn in staat om samen met andere civiele beschermingsmodules te opereren;

b) de teams voor technische bijstand zijn in staat om samen met andere teams voor technische bijstand en met civiele beschermingsmodules te opereren;

c) de ondereenheden van een civiele beschermingsmodule zijn in staat om samen als één civiele beschermingsmodule te opereren;

d) de ondereenheden van een team voor technische bijstand zijn in staat om samen als één team voor technische bijstand te opereren;

e) de civiele beschermingsmodules en teams voor technische bijstand zijn bij inzet buiten de Europese Unie in staat om samen te opereren met internationale rampenbestrijdingscapaciteiten die de getroffen staat ondersteunen;

f) de hoofden van de civiele beschermingsmodules en teams voor technische bijstand, alsmede hun plaatsvervangers en contactpersonen, nemen deel aan passende opleidingen en oefeningen die door de Commissie worden georganiseerd overeenkomstig artikel 5, lid 5, van Beschikking 2007/779/EG, Euratom.

▼B



HOOFDSTUK III

WAARNEMINGS- EN INFORMATIECENTRUM

Artikel 4

Er wordt een waarnemings- en informatiecentrum opgericht dat 24 uur per dag bereikbaar is en in staat is om onmiddellijk te reageren, en dat bij de Commissie wordt gevestigd.

Artikel 5

Tot de dagelijkse werkzaamheden van het waarnemings- en informatiecentrum behoren met name:

1. de periodieke bijwerking van de door de deelnemende landen verstrekte informatie over de interventieteams en de deskundigen welke overeenkomstig artikel 3, onder a) en b), van Beschikking 2001/792/EG, Euratom werden aangewezen en geselecteerd, alsook over andere interventieondersteuning en medische hulpmiddelen die voor interventies beschikbaar zijn;

2. de bundeling van de verstrekte informatie over de capaciteit van de deelnemende landen om de productie van serums en vaccins of andere benodigde medische hulpmiddelen op peil te houden, alsmede over de voorraden die mogelijk beschikbaar zijn voor interventies in ernstige noodsituaties, en vergaring van deze informatie in het informatiesysteem, beveiligd op het passende niveau;

3. de periodieke bijwerking van zijn werk- en noodprocedures;

4. het onderhouden van contacten met de contactpunten van de deelnemende landen, teneinde indien nodig een verslag over ernstige noodsituaties samen te stellen;

5. deelname aan het programma voor de opgedane ervaringen en verspreiding van de resultaten ervan;

6. betrokkenheid bij de voorbereiding, organisatie en follow-up van de opleidingscursussen;

7. betrokkenheid bij de voorbereiding, organisatie en follow-up van de theoretische en praktische oefeningen.

Artikel 6

In ernstige noodsituaties treedt het waarnemings- en informatiecentrum op overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk VII.



HOOFDSTUK IV

GEMEENSCHAPPELIJK NOODCOMMUNICATIE- EN INFORMATIESYSTEEM

Artikel 7

Er wordt een gemeenschappelijk noodcommunicatie- en informatiesysteem (GNCIS) opgezet.

Artikel 8

Het GNCIS bestaat uit de volgende drie delen:

a) een netwerklaag, bestaande uit het fysieke netwerk dat de verbinding vormt tussen de bevoegde autoriteiten en de contactpunten in de deelnemende landen en het waarnemings- en informatiecentrum;

b) een applicatielaag, bestaande uit de databases en andere informatiesystemen die voor het functioneren van de bijstandsinterventies in het kader van civiele bescherming nodig zijn, en meer in het bijzonder:

i) voor de verzending van kennisgevingen,

ii) voor communicatie en de uitwisseling van informatie tussen het waarnemings- en informatiecentrum en de bevoegde autoriteiten en de contactpunten,

iii) voor de vergaring van informatie over serums en vaccins of andere medische hulpmiddelen en over voorraden,

iv) voor de verspreiding van ervaringen die met interventies zijn opgedaan.

c) een beveiligingslaag, bestaande uit de verzameling systemen, regels en procedures die nodig zijn om de vertrouwelijkheid van de gegevens welke in het GNCIS worden opgeslagen en via het GNCIS worden uitgewisseld, te waarborgen.

Artikel 9

1.  Het GNCIS wordt opgezet en functioneert overeenkomstig Beschikking nr. 1719/1999/EG en Besluit nr. 1720/1999/EG.

2.  De exploitatie van de netwerklaag gebeurt op basis van het gebruik van de „trans-Europese diensten voor telematica tussen overheidsdiensten” (TESTA), een algemene IDA-dienst als omschreven in artikel 4 van Besluit nr. 1720/1999/EG.

3.  De applicatielaag is een webgebaseerde meertalige database, die via TESTA toegankelijk is en is gekoppeld aan het gebruik van een normale SMTP e-mail applicatie.

4.  De beveiligingslaag is gebaseerd op het gebruik van de publieke-sleutelinfrastructuur voor gesloten gebruikersgroepen (IDA PKI-CUG), een algemene IDA-dienst als omschreven in artikel 4 van Besluit nr. 1720/1999/EG.

Artikel 10

De verwerking van documenten, databases en informatiesystemen die zijn gerubriceerd als „EU RESTRICTED” of lager geschiedt in het GNCIS overeenkomstig Besluit 2001/264/EG van de Raad ( 10 ) en Besluit 2001/844/EG, EGKS, Euratom van de Commissie ( 11 ).

Voor de transmissie van documenten en informatie die als „EU CONFIDENTIAL” of hoger zijn gerubriceerd, moeten er tussen de verzender en de ontvanger(s) speciale regelingen worden getroffen.

De GNCIS-rubricering in beveiligingscategorieën wordt naar gelang van de behoeften aangepast.

Artikel 11

1.  De deelnemende landen verstrekken de Commissie de passende informatie en maken daarbij gebruik van de in de ►M1  bijlage I ◄ opgenomen „country card template”.

2.  De deelnemende landen delen informatie mee over contactpunten in het kader van civiele bescherming en, waar passend, van andere diensten die natuurlijke, technologische, radiologische of milieuongevallen behandelen, met inbegrip van accidentele verontreiniging van de zee.

3.  De deelnemende landen stellen de Commissie onverwijld in kennis van elke wijziging in de in de leden 1 en 2 bedoelde informatie.

Artikel 12

Er wordt een gebruikersgroep ingesteld die bestaat uit door de deelnemende landen benoemde vertegenwoordigers. Deze staat de Commissie terzijde bij de validering en het testen van het GNCIS.

Artikel 13

1.  Ter uitvoering van het GNCIS wordt een globaal implementatieplan (GIP) vastgesteld. Overeenkomstig het GIP dient de Commissie:

a) specifieke overeenkomsten op te stellen in de context van de respectieve IDA-kadercontracten voor de implementatie van de netwerk- en de beveiligingslaag;

b) op basis van een openbare aanbesteding overeenkomsten op te stellen voor de ontwikkeling en validering van de applicatielaag alsmede voor de haalbaarheidsstudies;

c) ervoor te zorgen dat alle bij de ontwikkelings- en valideringsfasen evenals de verdere haalbaarheidsstudies betrokken personen de nodige bevoegdheid krijgen om informatie te behandelen die overeenkomstig Besluit 2001/264/EG van de Raad en Besluit 2001/844/EG, EGKS, Euratom van de Commissie als „EU CONFIDENTIAL” of hoger is gerubriceerd;

d) zich met het beheer van het project te belasten met het oog op de definitieve installatie van het GNCIS. In dit opzicht zorgt de Commissie voor de algemene planning, die zij geregeld bijwerkt, en coördineert zij de ontwikkelings-, validerings- en implementatiefasen met de deelnemende landen en de geselecteerde contractant(en). De Commissie houdt ook rekening met de behoeften en eisen van de deelnemende landen;

e) te zorgen voor de follow-up, de validering en het testen van de afzonderlijke lagen en het volledige GNCIS met de hulp van de gebruikersgroep;

f) te zorgen voor de opleiding van opleiders en erop toe te zien dat de deelnemende landen regelmatig over de vorderingen van het project worden geïnformeerd;

g) te zorgen voor de beveiliging van het project, hoofdzakelijk door geen ongeoorloofde verspreiding van gevoelige informatie toe te laten;

h) er via het computercentrum van de Commissie voor te zorgen dat de server over een goede verbinding met TESTA beschikt en qua prestatieniveau de rest van het netwerk ten minste evenaart;

i) te zorgen voor de implementatie van de PKI door het telecommunicatiecentrum;

j) alle vereiste steun te verlenen voor de implementatiefase van het project en daarna voor het nodige onderhoud en de vereiste ondersteuning te zorgen.

2.  De deelnemende landen zorgen voor de nakoming van de in het kader van de „country card template” aangegane verbintenissen, zoals aansluiting op het TESTA II-netwerk, beschikbaarheid van conforme webbrowsers en e-mailcliënten en implementatie van de PKI-procedures, overeenkomstig de goedgekeurde planning.



HOOFDSTUK V

BEPALINGEN INZAKE DE EVALUATIE- EN/OF COÖRDINATIETEAMS, MET INBEGRIP VAN CRITERIA VOOR DE SELECTIE VAN DESKUNDIGEN

Artikel 14

De deelnemende landen verstrekken gegevens over de overeenkomstig artikel 3, onder b), van Beschikking 2001/792/EG, Euratom geselecteerde deskundigen en werken deze periodiek bij.

Artikel 15

De deskundigen worden geclassificeerd in de volgende categorieën:

a) technische deskundigen,

b) evaluatiedeskundigen,

c) leden van een coördinatieteam,

d) coördinatiehoofd.

Artikel 16

1.  De technische deskundigen zijn in staat om advies te verstrekken over specifieke, zeer technische onderwerpen en de daarmee samenhangende risico's en zijn beschikbaar voor opdrachten.

2.  De evaluatiedeskundigen zijn in staat om een evaluatie te maken van de situatie en advies te verlenen over de te nemen maatregelen en zijn beschikbaar voor opdrachten.

3.  Tot de leden van een coördinatieteam behoren in voorkomend geval een adjunct-coördinatiehoofd, personeel voor logistiek en communicatie en ander noodzakelijk personeel. Indien daarom wordt verzocht, kunnen de technische deskundigen en de evaluatiedeskundigen in het coördinatieteam worden opgenomen om het coördinatiehoofd voor de gehele duur van de opdracht bij te staan.

4.  Het coördinatiehoofd is belast met de leiding van het evaluatie- en coördinatieteam gedurende de interventie. Hij/zij zorgt voor de passende contacten met de autoriteiten van het betrokken land, het waarnemings- en informatiecentrum, andere internationale organisaties en, bij bijstandsinterventies in het kader van civiele bescherming buiten de deelnemende landen, ook met de lidstaat die het voorzitterschap van de Raad van de Europese Unie waarneemt of zijn vertegenwoordiger, de delegatie van de Commissie in het betrokken land en het bureau of de officiële vertegenwoordiger van het Bureau voor humanitaire hulp van de Europese Gemeenschap (ECHO) in het betrokken land.

Artikel 17

De gegevens betreffende de deskundigen worden door de Commissie verzameld in een „deskundigen-database” en via het GNCIS toegankelijk gemaakt.

Artikel 18

De deskundigen volgen indien nodig het overeenkomstig artikel 21 opgezette opleidingsprogramma.

Artikel 19

De deelnemende landen dienen, wanneer zij om bijstand verzoeken, zelf de beschikbare deskundigen op te roepen en hen met het waarnemings- en informatiecentrum in verbinding te stellen.

Artikel 20

1.  Het waarnemings- en informatiecentrum dient in staat te zijn om de aangewezen deskundigen, nadat zij door de deelnemende landen zijn opgeroepen, op zeer korte termijn in te zetten en uit te zenden.

2.  Het waarnemings- en informatiecentrum volgt de op de dienstreisbevestiging gebaseerde uitzendprocedure die door de Commissie wordt gebruikt voor de detachering van deskundigen in noodsituaties en die onder meer de volgende elementen omvat:

a) schriftelijke bevestiging van de opdracht,

b) doelstellingen van de opdracht,

c) beoogde duur van de opdracht,

d) informatie over de lokale contactpersonen,

e) dekking door de verzekering,

f) dagvergoeding om uitgaven te dekken,

g) specifieke betalingsvoorwaarden,

h) richtsnoeren voor technische deskundigen, evaluatiedeskundigen, coördinatiedeskundigen en coördinatiehoofden.



HOOFDSTUK VI

OPLEIDINGSPROGRAMMA

Artikel 21

1.  Er wordt een opleidingsprogramma voor bijstandsinterventies in het kader van civiele bescherming opgezet. Het programma omvat algemene en specifieke cursussen, oefeningen en een systeem voor de uitwisseling van deskundigen. Het programma is gericht op de in artikel 22 genoemde doelgroepen.

2.  De Commissie is belast met de coördinatie en organisatie van het opleidingsprogramma en het bepalen van de inhoud en het tijdschema van het opleidingsprogramma.

Artikel 22

De doelgroepen van het opleidingsprogramma zijn:

a) interventieteams uit deelnemende landen,

b) leiders van interventieteams uit deelnemende landen, hun plaatsvervangers en contactpersonen,

c) deskundigen uit de deelnemende landen, als omschreven in artikel 15,

d) personeel van essentiële nationale contactpunten,

e) ambtenaren van de communautaire instellingen.

Artikel 23

De algemene en specifieke cursussen zijn toegesneden op de onderscheiden in artikel 22, onder b) tot en met e), gespecificeerde doelgroepen.

Artikel 24

De oefeningen zijn, met name ten aanzien van de in artikel 22, onder a), gespecificeerde doelgroep, gericht op:

a) verbetering van de reactiecapaciteit en de noodzakelijke praktijkervaring van de teams die voldoen aan de criteria voor deelname aan bijstandsinterventies in het kader van civiele bescherming;

b) verbetering en controle van de procedures, totstandbrenging van een gemeenschappelijke methode voor de coördinatie van bijstandsinterventies in het kader van civiele bescherming en verkorting van de reactietijd in ernstige noodsituaties;

c) verbetering van de operationele samenwerking tussen de diensten voor civiele bescherming in de deelnemende landen;

d) uitwisseling van ervaringen;

▼M1

e) verbetering van de interoperabiliteit van civiele beschermingsmodules.

▼B

Artikel 25

In het kader van het uitwisselingssysteem worden deskundigen uitgewisseld tussen de deelnemende landen en/of de Commissie, teneinde deze deskundigen in staat te stellen:

1. ervaring op te doen op andere terreinen,

2. kennis op te doen van andere technieken en operationele procedures,

3. de aanpak van andere deelnemende noodhulpdiensten en instellingen te bestuderen.

Artikel 26

Waar passend worden aanvullende opleidingsmogelijkheden geboden om in specifieke behoeften inzake een soepel en doelmatig verloop van bijstandsinterventies in het kader van civiele bescherming te voorzien.

Artikel 27

1.  De Commissie ziet toe op de coherentie van niveau en inhoud van de opleiding.

2.  De deelnemende landen en de Commissie wijzen deelnemers aan voor ieder opleidingsonderdeel.

3.  De Commissie voorziet in een passend systeem voor de evaluatie van de aangeboden opleidingsactiviteiten.



HOOFDSTUK VII

INTERVENTIES BINNEN EN BUITEN DE GEMEENSCHAP

Artikel 28

Alarmfase

1.  Indien zich in de deelnemende landen een ernstige noodsituatie voordoet of een onmiddellijke dreiging bestaat voor een dergelijke noodsituatie, die grensoverschrijdende effecten veroorzaakt of kan veroorzaken of die kan leiden tot een verzoek om bijstand via het waarnemings- en informatiecentrum vanwege een of meer landen, brengen de bevoegde autoriteiten en/of de contactpunten van het land waar de noodsituatie zich voordoet of zich dreigt voor te doen, onverwijld het waarnemings- en informatiecentrum op de hoogte via de gebruikelijke communicatiekanalen.

2.  Indien de Commissie in kennis wordt gesteld van het feit dat zich in een derde land een ernstige noodsituatie voordoet waardoor bijstand op het gebied van civiele bescherming noodzakelijk kan zijn, neemt het waarnemings- en informatiecentrum contact op met de bevoegde autoriteiten van de lidstaat die het voorzitterschap van de Raad van de Europese Unie waarneemt en met de andere bevoegde diensten van de Commissie, teneinde hen in te lichten over de situatie.

3.  Het waarnemings- en informatiecentrum verzamelt de essentiële informatie over de eerste waarschuwingen en geeft deze via de gebruikelijke communicatiekanalen en -netwerken door aan de bevoegde civiele-beschermingsautoriteiten van alle deelnemende landen en/of hun contactpunten.

4.  Een deelnemend land dat door een ernstige noodsituatie wordt getroffen, houdt het waarnemings- en informatiecentrum op de hoogte van de ontwikkeling van de toestand indien gevaar voor grensoverschrijdende gevolgen kan ontstaan. Het waarnemings- en informatiecentrum informeert daarop de andere deelnemende landen en de bevoegde diensten van de Commissie en zorgt ervoor dat zijn informatie over de evolutie van de situatie regelmatig wordt bijgewerkt.

Artikel 29

Verzoeken om bijstand

1.  Een deelnemend land of een derde land dat door een ernstige noodsituatie wordt getroffen, dient, indien bijstand via het communautair mechanisme wordt verlangd, bij het waarnemings- en informatiecentrum een officieel verzoek om bijstand op het gebied van civiele bescherming in.

2.  Ingeval zich in een derde land een ernstige noodsituatie voordoet waardoor bijstand op het gebied van civiele bescherming noodzakelijk kan zijn, kan de Commissie op eigen initiatief besluiten het derde land op de hoogte te brengen van de mogelijkheid van communautaire bijstand indien daaraan behoefte bestaat. Het waarnemings- en informatiecentrum houdt de lidstaat die het voorzitterschap van de Raad van de Europese Unie waarneemt, regelmatig op de hoogte van eventuele ontwikkelingen.

3.  Het land dat om bijstand verzoekt, verstrekt het waarnemings- en informatiecentrum alle relevante informatie over de situatie en met name over specifieke behoeften, de verlangde ondersteuning en de betrokken locatie.

Indien bijstand in de vorm van deskundigen en/of interventieteams en middelen wordt gevraagd, licht het verzoekende land het waarnemings- en informatiecentrum in over het tijdstip en de plaats waarop de bijstand wordt verwacht, alsook over het operationele contactpunt dat ter plaatse de noodsituatie beheert.

4.  Na coördinatie tussen het waarnemings- en informatiecentrum en het verzoekende land zendt het waarnemings- en informatiecentrum het verzoek om bijstand door aan de deelnemende landen en indien passend raadpleegt het de database betreffende de beschikbare middelen en brengt het de bevoegde diensten van de Commissie op de hoogte. Eventuele wijzigingen van het oorspronkelijke verzoek om bijstand door het verzoekende land worden onverwijld ter kennis van alle deelnemende landen gebracht.

5.  Na het officiële verzoek informeren de deelnemende landen het waarnemings- en informatiecentrum onmiddellijk over de bijstand die zij op dat ogenblik kunnen verlenen, met opgave van de omvang daarvan en de voorwaarden terzake.

6.  De in lid 5 bedoelde informatie wordt door het waarnemings- en informatiecentrum onmiddellijk gebundeld en doorgegeven aan het verzoekende land en de overige deelnemende landen.

7.  Het verzoekende land deelt het waarnemings- en informatiecentrum mee welke interventieteams en middelen het heeft gekozen.

8.  Wat de verzoeken om interventieteams en middelen betreft, brengt het waarnemings- en informatiecentrum de deelnemende landen op de hoogte van de door het verzoekende land gemaakte keuze. De deelnemende landen die de bijstand verlenen, houden het waarnemings- en informatiecentrum regelmatig op de hoogte van de uitgezonden interventieteams en middelen.

9.  Wat de verzoeken om deskundigen betreft, dient het waarnemings- en informatiecentrum:

a) contact op te nemen met de deelnemende landen, gebruikmakend van de overeenkomstig artikel 17 opgezette „deskundigen-database”, en te informeren naar de beschikbaarheid van deskundigen die zo nodig binnen een termijn van drie uur na hun aanwijzing kunnen vertrekken;

b) na overleg met het verzoekende land een selectie te maken uit de beschikbare deskundigen, en de deelnemende landen daarover te informeren;

c) onmiddellijk contact op te nemen met de deskundigen en hen uit te zenden overeenkomstig de in artikel 20, lid 2, omschreven uitzendprocedure;

d) op basis van een door het verzoekende land opgesteld geactualiseerd verslag een briefing op te stellen voor de deskundigen en de interventieteamleiders voordat zij worden uitgezonden.

10.  Wanneer zich een ernstige noodsituatie voordoet in een derde land, treedt het waarnemings- en informatiecentrum op in nauw overleg met de lidstaat die het voorzitterschap van de Raad van de Europese Unie waarneemt en met de bevoegde diensten van de Commissie.

11.  Het verzoekende land doet zelf het nodige om coördinatie van de gezonden bijstand op nationaal of regionaal niveau mogelijk te maken. Het verzoekende land vergemakkelijkt de grensformaliteiten voor de interventie en zorgt voor logistieke ondersteuning.

Artikel 30

Leiding van de interventies

1.  Wanneer zich een ernstige noodsituatie voordoet op het grondgebied van de Gemeenschap, leidt het verzoekende land de bijstandsinterventie overeenkomstig artikel 5, leden 3 en 4, van Beschikking 2001/792/EG, Euratom.

2.  Wanneer zich een ernstige noodsituatie voordoet buiten de Gemeenschap, vervullen de evaluatie- en coördinatieteams hun taken overeenkomstig artikel 16. De coördinatie wordt verzorgd door de lidstaat die het voorzitterschap van de Raad van de Europese Unie waarneemt of de aangewezen vertegenwoordiger daarvan.

Artikel 31

Interventies in derde landen

In derde landen kan de communautaire bijstandsinterventie worden uitgevoerd als een autonome operatie tussen het getroffen derde land en het waarnemings- en informatiecentrum en de vertegenwoordiger van de lidstaat die het voorzitterschap van de Raad van de Europese Unie waarneemt, of als een bijdrage aan een interventie die door de EU of een internationale organisatie wordt geleid.

Artikel 32

Opdrachten van deskundigen

1.  De uitgezonden deskundigen vervullen de in artikel 16 omschreven taken. Zij brengen periodiek verslag uit bij de autoriteiten van het verzoekende land en bij het waarnemings- en informatiecentrum.

2.  Het waarnemings- en informatiecentrum houdt de deelnemende landen op de hoogte van de voortgang van de opdracht van de deskundigen.

3.  Wat betreft de voortgang van opdrachten van deskundigen in derde landen, zorgt het waarnemings- en informatiecentrum ervoor dat de delegatie van de Commissie in het betrokken land en de vertegenwoordiger van de lidstaat die het voorzitterschap van de Raad van de Europese Unie waarneemt, alsook de bevoegde diensten van de Commissie worden geïnformeerd.

4.  Het verzoekende land licht het waarnemings- en informatiecentrum regelmatig in over het verloop van de activiteiten die op de plaats van de noodsituatie worden ontplooid.

5.  In het geval van interventies in derde landen licht het coördinatiehoofd het waarnemings- en informatiecentrum regelmatig in over het verloop van de activiteiten die op de plaats van de noodsituatie worden ontplooid.

6.  Het waarnemings- en informatiecentrum verzamelt alle ontvangen informatie en verspreidt deze bij de contactpunten en de bevoegde autoriteiten van de deelnemende landen.

Artikel 33

Terugtrekking

1.  Het verzoekende land of een van de deelnemende landen die bijstand verlenen brengt het waarnemings- en informatiecentrum en de uitgezonden communautaire deskundigen en bijstandsinterventieteams op de hoogte wanneer hun bijstand niet langer is vereist of niet langer kan worden verleend. De daadwerkelijke terugtrekking wordt op passende wijze georganiseerd door het verzoekende land en de deelnemende landen. Het waarnemings- en informatiecentrum wordt hierover geïnformeerd.

2.  In derde landen rapporteert het coördinatiehoofd aan het waarnemings- en informatiecentrum wanneer de bijstand niet langer is vereist of niet langer kan worden verleend. Het waarnemings- en informatiecentrum geeft deze informatie door aan de delegatie van de Commissie in het betrokken land en aan de vertegenwoordiger van de lidstaat die het voorzitterschap van de Raad van de Europese Unie waarneemt, alsmede aan de bevoegde diensten van de Commissie. Het waarnemings- en informatiecentrum zorgt in overleg met de lidstaat die het voorzitterschap van de Raad van de Europese Unie waarneemt en het verzoekende land voor de feitelijke terugtrekking.

Artikel 34

Rapportage en opgedane ervaring

1.  De bevoegde autoriteiten van het verzoekende land en van de deelnemende landen die bijstand hebben verleend, en de uitgezonden communautaire deskundigen, maken hun conclusies over alle aspecten van de interventie bekend aan het waarnemings- en informatiecentrum. Door het waarnemings- en informatiecentrum wordt vervolgens een samenvattend verslag over de verleende bijstand opgesteld.

2.  Het waarnemings- en informatiecentrum verspreidt de opgedane ervaring met het oog op de evaluatie en verbetering van de bijstandsinterventies in het kader van civiele bescherming.

Artikel 35

Kosten

1.  Tenzij anders is overeengekomen, draagt het land dat om bijstand verzoekt de kosten van de door de deelnemende landen verleende bijstand.

2.  Het deelnemende land dat bijstand verleent kan, met name gelet op de aard van de noodsituatie en de omvang van de schade, de bijstand geheel of ten dele kosteloos aanbieden. Dat land kan ook op elk moment afzien van de volledige of gedeeltelijke terugbetaling van zijn kosten.

3.  Tenzij anders is overeengekomen, zorgt het verzoekende land voor de duur van de interventie voor de huisvesting en voeding van de bijstandsteams uit de deelnemende landen en, indien hun voorraden en benodigdheden op raken, zorgt het op eigen kosten voor bevoorrading. De bijstandsteams dienen evenwel in het beginstadium, gedurende een redelijke periode al naar gelang van de gebruikte middelen, logistiek onafhankelijk te zijn en in hun eigen behoeften te kunnen voorzien, en zij dienen het waarnemings- en informatiecentrum hiervan in kennis te stellen.

4.  De kosten voor het uitzenden van communautaire deskundigen worden behandeld overeenkomstig artikel 20. Deze kosten worden door de Commissie gedragen.

Artikel 36

Schadevergoeding

1.  Het verzoekende land ziet ervan af, deelnemende landen om vergoeding te verzoeken voor schade die aan zijn eigendom of personeel is berokkend, indien die schade het gevolg is van de overeenkomstig deze beschikking plaatsvindende bijstandsinterventie, tenzij is bewezen dat deze schade het gevolg is van fraude of ernstig wangedrag.

2.  Indien derden schade hebben geleden als gevolg van een bijstandsinterventie, werken het verzoekende land en het bijstandverlenende deelnemende land samen om de vergoeding van die schade te vergemakkelijken.

Artikel 37

Deze beschikking is gericht tot de lidstaten.




▼M1

BIJLAGE I

image

image

image

▼M2




BIJLAGE II

Algemene eisen voor Europese civiele beschermingsmodules ( 12 )



1.  Pompen met hoog debiet

Taken

— Pompwerkzaamheden:

— 

— in overstroomde gebieden,

— om water te leveren ter ondersteuning bij brandbestrijding.

Capaciteiten

— Pompwerkzaamheden met mobiele pompen met middelhoog en hoog debiet:

— 

— met een totale capaciteit van minstens 1 000 m3/uur; en

— waarmee bij een gereduceerde pompcapaciteit een hoogteverschil van 40 m kan worden overbrugd.

— De mogelijkheden van deze pompen zijn:

— 

— ze kunnen worden ingezet in moeilijk toegankelijke gebieden en terreinen,

— ze kunnen modderig water pompen dat maximaal 5 % vaste elementen bevat met brokken tot 40 mm groot,

— ze kunnen gedurende langere operaties water pompen tot maximaal 40 °C,

— ze kunnen water aanvoeren over een afstand van 1 000 m.

Belangrijkste onderdelen

— Pompen met middelhoog en hoog debiet.

— Slangen en koppelingen die compatibel zijn met verschillende normen, waaronder de Storz-norm.

— Voldoende personeel om de werkzaamheden uit te voeren, indien nodig op continue basis

Zelfvoorziening

— De bepalingen a) tot en met i) van artikel 3 ter, onder l), zijn van toepassing.

Inzettermijn

— Klaar voor vertrek uiterlijk 12 uur na aanvaarding van het aanbod.

— Inzetbaar gedurende maximaal 21 dagen.



2.  Waterzuivering

Taken

— Voorziening met drinkwater afkomstig van oppervlaktewater, overeenkomstig de toepasselijke normen en ten minste op het niveau van de WHO-normen.

— Waterkwaliteitscontrole aan de uitgang van de zuiveringsinstallatie.

Capaciteiten

— Zuivering van 225 000 l water per dag.

— Opslagcapaciteit equivalent aan de productie van een halve dag.

Belangrijkste onderdelen

— Mobiele waterzuiveringseenheid.

— Mobiele watertank.

— Mobiel veldlaboratorium.

— Koppelingen die compatibel zijn met verschillende normen, inclusief de Storz-norm.

— Voldoende personeel om de werkzaamheden uit te voeren, indien nodig op continue basis.

Zelfvoorziening

— De bepalingen a) tot en met i) van artikel 3 ter, onder l), zijn van toepassing.

Inzettermijn

— Klaar voor vertrek uiterlijk 12 uur na aanvaarding van het aanbod.

— Inzetbaar gedurende een periode van maximaal 12 weken.



3.  Middelzware stedelijke zoek- en reddingsoperaties

Taken

— Opsporen, lokaliseren en redden van slachtoffers (1) die onder puin liggen (bijvoorbeeld bij ingestorte gebouwen en verkeersongevallen).

— De nodige levensreddende eerste hulp bieden tot aan de overdracht van de slachtoffers voor verdere behandeling.

Capaciteiten

— De module moet in staat zijn de volgende taken te verrichten, rekening houdend met erkende internationale richtsnoeren, zoals de INSARAG-richtsnoeren:

— 

— opsporen met speurhonden en/of technische zoekapparatuur,

— redden, inclusief tillen,

— snijden van beton,

— gebruik van reddingstouw,

— eenvoudig stutten,

— opsoren en onschadelijk maken van gevaarlijke stoffen (2),

— gevorderde levensondersteunende behandeling (3).

— Vermogen om gedurende 7 dagen 24 uur per dag op een locatie te werken.

Belangrijkste onderdelen

— Leidinggeven (commando, contact/coördinatie, planning, media/verslaggeving, beoordeling/analyse, veiligheid van mensen en materieel).

— Opsporing (technische opsporing en/of opsporing met speurhonden; opsporen en onschadelijk maken van gevaarlijke stoffen).

— Redden (breken en doorgangen maken, snijden, tillen en vervoeren, stutten, gebruik van reddingstouw).

— Medische verzorging van slachtoffers, personeel en reddingshonden.

Zelfvoorziening

— Ten minste gedurende een operatie van 7 dagen.

— De bepalingen a) tot en met i) van artikel 3 ter, onder l), zijn van toepassing.

Inzettermijn

— Binnen 32 uur operationeel in het getroffen land.

(1)   Levende slachtoffers.

(2)   Basiscapaciteit, meer uitgebreide capaciteiten zijn opgenomen in de module „Chemische, biologische, radiologische en nucleaire detectie en bemonstering”.

(3)   Patiëntenverzorging (eerste hulp en medische stabilisering) vanaf het moment van de redding tot aan de overdracht van het slachtoffer.



4.  Zware stedelijke zoek- en reddingsoperaties

Taken

— Opsporen, lokaliseren en redden van slachtoffers (1) die onder puin liggen (bijvoorbeeld bij ingestorte gebouwen en verkeersongevallen).

— De nodige levensreddende eerste hulp bieden tot aan de overdracht voor verdere behandeling.

Capaciteiten

— De module moet in staat zijn de volgende taken te verrichten, rekening houdend met erkende internationale richtsnoeren, zoals de INSARAG-richtsnoeren:

— 

— opsporen met speurhonden en technische zoekapparatuur,

— redden, inclusief tillen van zware lasten,

— snijden van gewapend beton en constructiestaal,

— gebruik van reddingstouw,

— uitgebreid stutten,

— opsporen en onschadelijk maken van gevaarlijke stoffen (2),

— gevorderde levensondersteunende behandeling geven (3).

— Vermogen om gedurende 10 dagen 24 uur per dag op meer dan één locatie te werken.

Belangrijkste onderdelen

— Leidinggeven (commando, contact/coördinatie, planning, media/verslaggeving, evaluatie/analyse, veiligheid van mensen en materieel).

— Opsporen (technische opsporing, opsporing met speurhonden, opsporen en onschadelijk maken van gevaarlijke stoffen).

— Redden (breken en doorgangen maken, snijden, tillen en vervoeren, stutten, gebruik van reddingstouw).

— Medische verzorging van slachtoffers, personeel en reddingshonden (4).

Zelfvoorziening

— Ten minste gedurende een operatie van 10 dagen.

— De bepalingen a) tot en met i) van artikel 3 ter, onder l), zijn van toepassing.

Inzettermijn

— Binnen 48 uur operationeel in het getroffen land.

(1)   Levende slachtoffers.

(2)   Basiscapaciteit, meer uitgebreide capaciteiten zijn opgenomen in de module „Chemische, biologische, radiologische en nucleaire detectie en bemonstering”.

(3)   Patiëntenverzorging (eerste hulp en medische stabilisering) vanaf het moment van de redding tot aan de overdracht van het slachtoffer.

(4)   Afhankelijk van de voorwaarden voor medische en diergeneeskundige vergunningen.



5.  Module voor de bestrijding van bosbranden met helikopters

Taken

— Bijdragen tot het blussen van grote bos- en vegetatiebranden door middel van brandbestrijding vanuit de lucht.

Capaciteiten

— Drie helikopters met een capaciteit van elk 1 000 l.

— Continu inzetbaar.

Belangrijkste onderdelen

— Drie helikopters met bemanning, waarbij telkens ten minste twee helikopters tegelijk operationeel kunnen zijn.

— Technisch personeel.

— 4 wateremmers of 3 waterstortuitrustingen.

— 1 onderhoudsset.

— 1 stel reserveonderdelen.

— 2 reddingstakels.

— Communicatieapparatuur.

Zelfvoorziening

— De bepalingen f) en g) van artikel 3 ter, onder l), zijn van toepassing.

Inzettermijn

— Klaar voor vertrek uiterlijk 3 uur na aanvaarding van het aanbod.



6.  Module voor de bestrijding van bosbranden met vliegtuigen

Taken

— Bijdragen aan het blussen van grote bos- en vegetatiebranden door middel van brandbestrijding vanuit de lucht.

Capaciteiten

— Twee vliegtuigen met een capaciteit van elk 3 000 l.

— Continu inzetbaar.

Belangrijkste onderdelen

— Twee vliegtuigen.

— Minstens vier bemanningen.

— Technisch personeel.

— Veldonderhoudsuitrusting.

— Communicatieapparatuur.

Zelfvoorziening

— De bepalingen f) en g) van artikel 3 ter, onder l), zijn van toepassing.

Inzettermijn

— Klaar voor vertrek uiterlijk 3 uur na aanvaarding van het aanbod.



7.  Uitbgebreide medische post

Taken

— Indelen van de patiënten (triage) op de plaats van de ramp.

— Stabiliseren van de toestand en voorbereiding van de patiënten voor vervoer naar de meest geschikte medische faciliteit voor definitieve behandeling.

Capaciteiten

— Triage van minstens 20 patiënten per uur.

— Medisch team dat per 24 uur 50 patiënten kan stabiliseren, werkend in tweeploegendienst.

— Medische voorraad voor de behandeling van 100 lichtgewonde patiënten per 24 uur.

Belangrijkste onderdelen

— Medisch team voor ploegendienst van 12 uur:

— 

— triage: 1 verpleegkundige en/of 1 arts,

— intensieve verzorging: 1 arts en 1 verpleegkundige,

— ernstige, maar niet-levensbedreigende letsels: 1 arts en 2 verpleegkundigen,

— evacuatie: 1 verpleegkundige,

— gespecialiseerd ondersteunend personeel: 4 personen.

— Tenten:

— 

— tent(en) met onderling verbonden vertrekken voor triage, medische verzorging en evacuatie,

— tent(en) voor het personeel.

— Commandopost.

— Opslagruimte voor logistieke en medische voorraad.

Zelfvoorziening

— De bepalingen a) tot en met i) van artikel 3 ter, onder l), zijn van toepassing.

Inzettermijn

— Klaar voor vertrek uiterlijk 12 uur na aanvaarding van het aanbod.

— Operationeel 1 uur na aankomst op de locatie.



8.  Uitgebreide medische post met operatieruimte

Taken

— Indelen van de patiënten (triage) op de plaats van de ramp.

— Uitvoeren van levensreddende chirurgische ingrepen.

— Stabiliseren van de toestand en voorbereiding van de patiënten voor vervoer naar de meest geschikte medische faciliteit voor definitieve behandeling.

Capaciteiten

— Triage van minstens 20 patiënten per uur.

— Medisch team dat per 24 uur 50 patiënten kan stabiliseren, werkend in tweeploegendienst.

— Medisch team dat levensreddende chirurgische ingrepen kan verrichten op 12 patiënten per 24 uur activiteit, werkend in tweeploegendienst.

— Medische voorraad voor de behandeling van 100 lichtgewonde patiënten per 24 uur.

Belangrijkste onderdelen

— Medisch team voor ploegendienst van 12 uur:

— 

— triage: 1 verpleegkundige en/of 1 arts,

— intensieve verzorging: 1 arts en 1 verpleegkundige,

— chirurgie: 3 chirurgen, 2 operatieassistenten, 1 anesthesist, 1 anesthesieassistent,

— ernstige maar niet-levensbedreigende letsels: 1 arts en 2 verpleegkundigen,

— evacuatie: 1 verpleegkundige,

— gespecialiseerd ondersteunend personeel: 4 personen.

— Tenten:

— 

— tent(en) met onderling verbonden vertrekken voor triage, medische verzorging en evacuatie,

— tent(en) voor het uitvoeren van operaties,

— tent(en) voor het personeel.

— Commandopost.

— Opslagruimte voor logistieke en medische voorraad.

Zelfvoorziening

— De bepalingen a) tot en met i) van artikel 3 ter, onder l), zijn van toepassing.

Inzettermijn

— Klaar voor vertrek uiterlijk 12 uur na aanvaarding van het aanbod.

— Operationeel 1 uur na aankomst op de locatie.



9.  Veldhospitaal

Taken

— Verschaffen van eerste en/of verdere trauma- en medische behandeling, met inachtneming van de erkende internationale richtsnoeren voor het gebruik van veldhospitalen in het buitenland, zoals de richtsnoeren van de Wereldgezondheidsorganisatie of het Rode Kruis.

Capaciteiten

— 10 bedden voor patiënten met zware trauma’s met mogelijkheid tot uitbreiding van de capaciteit.

Belangrijkste onderdelen

— Medisch team voor:

— 

— triage,

— intensieve verzorging,

— chirurgie,

— ernstige maar niet-levensbedreigende letsels,

— evacuatie,

— gespecialiseerd ondersteunend personeel,

— en ten minste de volgende personeelsleden: huisarts, urgentieartsen, orthopeed, kinderarts, anesthesist, apotheker, verloskundige, medisch directeur, laborant, radiologisch laborant.

— Tenten:

— 

— voor de medische activiteiten geschikte tenten,

— tenten voor het personeel.

— Commandopost.

— Opslagruimte voor logistieke en medische voorraad.

Zelfvoorziening

— De bepalingen a) tot en met i) van artikel 3 ter, onder l), zijn van toepassing.

Inzettermijn

— Klaar voor vertrek uiterlijk 7 dagen na de oproep.

— Operationeel 12 uur na aankomst op de locatie.

— Ten minste gedurende 15 dagen operationeel.



10.  Luchtevacuatie van gewonde rampenslachtoffers

Taken

— Vervoer van rampenslachtoffers naar gezondheidsinrichtingen voor medische behandeling.

Capaciteiten

— Capaciteit voor het vervoer van 50 patiënten per 24 uur.

— Dag en nacht inzetbaar.

Belangrijkste onderdelen

— Helikopters/vliegtuigen met brancards.

Zelfvoorziening

— De bepalingen f) en g) van artikel 3 ter, onder l), zijn van toepassing.

Inzettermijn

— Klaar voor vertrek uiterlijk 12 uur na aanvaarding van het aanbod.



11.  Tijdelijke noodopvang

Taken

— Verschaffen van noodopvang, inclusief de essentiële diensten, hoofdzakelijk in het beginstadium van een ramp in coördinatie met de bestaande structuren, lokale autoriteiten en internationale organisaties tot het moment van overdracht aan de lokale autoriteiten of humanitaire organisaties, voor het geval de capaciteit gedurende langere tijd nodig blijft.

— In het geval van een overdracht moet het betrokken (lokale en/of internationale) personeel vóór de terugtrekking van de module geschoold worden.

Capaciteiten

— Tentenkamp voor de opvang van maximaal 250 personen.

Belangrijkste onderdelen

— Rekening houdend met internationale richtsnoeren, zoals de SPHERE-richtsnoeren:

— 

— tenten met verwarming (voor winterse omstandigheden) en veldbedden met slaapzak en/of deken,

— stroomgeneratoren en verlichting,

— sanitair en hygiënefaciliteiten,

— drinkwatervoorziening, overeenkomstig de WHO-normen,

— ontmoetingsruimte voor de belangrijkste sociale activiteiten.

Zelfvoorziening

— De bepalingen a) tot en met i) van artikel 3 ter, onder l), zijn van toepassing.

Inzettermijn

— Klaar voor vertrek uiterlijk 12 uur na aanvaarding van het aanbod.

— In het algemeen dient de interventie maximaal 4 weken te duren, of is binnen die termijn begonnen met de overdracht.



12.  Chemische, biologische, radiologische en nucleaire detectie en bemonstering (CBRN)

Taken

— Uitvoering/bevestiging van de eerste evaluatie, inclusief:

— 

— beschrijving van gevaren of risico’s,

— afbakening van het besmette gebied,

— evaluatie of bevestiging van de reeds genomen beschermende maatregelen.

— Uitvoering van gekwalificeerde bemonstering.

— Aanduiding van het besmette gebied.

— Inschatting van de situatie, monitoring, dynamische risicobeoordeling, inclusief aanbevelingen voor waarschuwingen of andere maatregelen.

— Ondersteuning geven voor onmiddellijke risicovermindering.

Capaciteiten

— Identificatie van de chemische stoffen en detectie van de radiologische gevaren met een combinatie van draagbare, mobiele en laboratoriumapparatuur voor:

— 

— detectie van alfa-, beta- en gammastraling en identificatuie van bekende isotopen,

— identificatie en, indien mogelijk, uitvoering van semikwantitatieve analyses op bekende toxische industriële chemische stoffen en bekende middelen voor chemische oorlogsvoering.

— Verzamelen, hanteren en bereiden van biologische, chemische en radiologische monsters voor verdere analyse elders (1).

— Toepassen van een passend wetenschappelijk model voor de risicoprognose en bevestiging van het model door doorlopende monitoring.

— Ondersteuning bieden voor onmiddellijke risicovermindering:

— 

— risicobeheersing,

— risiconeutralisatie,

— technische bijstand aan andere teams of modules.

Belangrijkste onderdelen

— Mobiel chemisch en radiologisch veldlaboratorium.

— Draagbare of mobiele detectieapparatuur.

— Apparatuur voor veldbemonstering.

— Systemen voor dispersiemodellering.

— Mobiel weerstation.

— Markeermateriaal.

— Referentiedocumenten en toegang tot relevante wetenschappelijke expertise.

— Zekere en veilige opsluiting van monsters en afval.

— Decontaminatiefaciliteiten voor het personeel.

— Deskundig personeel en beschermingsuitrusting bestand tegen werken in een besmette en/of zuurstofarme omgeving, in voorkomend geval inclusief gasdichte pakken.

— Technische apparatuur voor risicobeheersing en -neutralisatie.

Zelfvoorziening

— De bepalingen a) tot en met i) van artikel 3 ter, onder l), zijn van toepassing.

Inzettermijn

— Klaar voor vertrek uiterlijk 12 uur na aanvaarding van het aanbod.

(1)   Indien mogelijk moet bij dit proces rekening worden gehouden met de eisen van de om hulp vragende staat ten aanzien van het bewijsmateriaal.



13.  Zoek- en reddingsoperaties bij CBRN-gevaren

Taken

— Speciale zoek- en reddingsoperaties waarbij het personeel beschermende pakken draagt.

Capaciteiten

— Speciale zoek- en reddingsoperaties met beschermende pakken, overeenkomstig de eisen voor de modules voor respectievelijk middelzware en zware stedelijke zoek- en reddingsoperaties.

— Drie gelijktijdig in het kritische gebied werkende personen.

— Continue interventie gedurende 24 uur.

Belangrijkste onderdelen

— Markeermateriaal.

— Zekere en veilige opsluiting van afval.

— Decontaminatiefaciliteiten voor het personeel en de geredde slachtoffers.

— Deskundig personeel en beschermingsuitrusting bestand tegen zoek- en reddingsoperaties in een besmette omgeving, overeenkomstig de eisen voor de modules voor respectievelijk middelzware en zware stedelijke zoek- en reddingsoperaties.

— Technische apparatuur voor risicobeheersing en -neutralisatie.

Zelfvoorziening

— De bepalingen a) tot en met i) van artikel 3 ter, onder l), zijn van toepassing.

Inzettermijn

— Klaar voor vertrek uiterlijk 12 uur na aanvaarding van het aanbod.



14.  Bestrijding van bosbranden op de grond

Taken

— Bijdragen tot het blussen van grote bos- en vegetatiebranden met apparatuur op de grond.

Capaciteiten

— Vermogen om gedurende 7 dagen 24 uur per dag te werken.

— Vermogen om te werken in moeilijk toegankelijke gebieden.

— Vermogen om minstens 2 km lange lijnen brandslangen met pompen te installeren en/of continu verdedigingslinies te installeren.

Belangrijkste onderdelen

— Brandweerlui opgeleid om bovengenoemde taken uit te voeren, die een aanvullende veiligheidsopleiding hebben gevolgd, rekening houdend met de verschillende soorten branden waarvoor de module kan worden ingezet.

— Draagbare apparatuur installeren voor het leggen van verdedigingslijnen.

— Brandslangen, draagbare tanks en pompen voor het aanleggen van brandbestrijdingslijnen.

— Aanpassingsstukken voor de aansluiting van brandslangen, ook volgens de Storz-norm.

— Rugzakken voor watertransport.

— Uitrusting die met een touw of windas uit een helikopter kan neergelaten worden.

— Evacuatieprocedures voor de brandweer moeten met de ontvangende staat worden afgesproken.

Zelfvoorziening

— De bepalingen a) tot en met i) van artikel 3 ter, onder l), zijn van toepassing.

Inzettermijn

— Klaar voor vertrek uiterlijk 6 uur na aanvaarding van het aanbod.

— Continu inzetbaar gedurende 7 dagen.



15.  Bosbrandbestrijding met voertuigen op de grond

Taken

— Bijdragen tot het blussen van grote bos- en vegetatiebranden met brandweerwagens.

Capaciteiten

— Voldoende personeel en voertuigen voor continue inzet van minstens 20 brandweerlui tegelijk.

Belangrijkste onderdelen

— Brandweerlui opgeleid om bovengenoemde taken uit te voeren.

— 4 terreinvoertuigen.

— Alle voertuigen met een tankinhoud van minstens 2 000 l.

— Aanpassingsstukken voor de aansluiting van brandslangen, ook volgens de Storz-norm.

Zelfvoorziening

— De bepalingen a) tot en met i) van artikel 3 ter, onder l), zijn van toepassing.

Inzettermijn

— Klaar voor vertrek uiterlijk 6 uur na aanvaarding van het aanbod.

— Continu inzetbaar gedurende 7 dagen.

— Inzetbaar op het land of op zee. Inzet vanuit de lucht uitsluitend in degelijk gemotiveerde gevallen.



16.  Bestrijding van overstromingen

Taken

— Versterking van bestaande structuren en bouw van nieuwe dammen om verdere overstromingen van rivieren, waterbekkens en waterwegen met een stijgend waterpeil te voorkomen.

Capaciteiten

— Vermogen om water op te stuwen tot een hoogte van minstens 0,8 m met gebruikmaking van:

— 

— materiaal voor de bouw van dammen met een lengte van minstens 1 000 m,

— andere ter plaatse beschikbaar gestelde materialen.

— Vermogen om bestaande dijken te versterken.

— Vermogen om op minstens 3 locaties tegelijk te functioneren in een voor vrachtwagens toegankelijk gebied.

— Inzetbaar 24/7.

— Controle en onderhoud van dammen en dijken.

— Vermogen om met plaatselijk personeel samen te werken.

Belangrijkste onderdelen

— Materiaal voor het bouwen van waterdichte dammen over een totale afstand van 1 000 m (zand moet door de plaatselijke autoriteiten beschikbaar worden gesteld).

— Folie/kunststoflagen (zo nodig om een bestaande dam waterdicht te maken, naargelang van de constructie van de dam).

— Machine voor het vullen van zandzakken.

Zelfvoorziening

— De bepalingen a) tot en met i) van artikel 3 ter, onder l), zijn van toepassing.

Inzettermijn

— Klaar voor vertrek uiterlijk 12 uur na aanvaarding van het aanbod.

— Inzetbaar op het land of op zee. Inzet vanuit de lucht uitsluitend in degelijk gemotiveerde gevallen.

— Vermogen om gedurende minstens 10 dagen operationeel te zijn.



17.  Redding van overstromingsslachtoffers met behulp van boten

Taken

— Zoek- en reddingsacties en bijstand aan mensen die geblokkeerd zitten in een overstromingssituatie, met gebruikmaking van boten.

— Levensreddende hulp bieden en waar nodig verstrekken van essentiële hulpgoederen.

Capaciteiten

— Vermogen om mensen in stedelijke en rurale gebieden op te sporen.

— Vermogen om mensen in een overstromingsgebied te redden, met inbegrip van eerste medische hulp.

— Vermogen samen te werken met zoekacties vanuit de lucht (helikopters en vliegtuigen).

— Vermogen te voorzien in de eerste hulpbehoeften in overstromingsgebieden:

— 

— vervoer van artsen, geneesmiddelen, enz.

— voedsel en water.

— De module moet over minstens 5 boten beschikken en in totaal 50 mensen kunnen vervoeren, het personeel van de module niet inbegrepen.

— De boten moeten bestand zijn tegen koude klimaatsomstandigheden en stroomopwaarts een snelheid van minstens 10 knopen kunnen ontwikkelen.

— Inzetbaar 24/7.

Belangrijkste onderdelen

— Boten ontworpen voor:

— 

— ondiep stromend water (> 0,5 m),

— gebruik bij winderig weer,

— gebruik dag en nacht,

— gebruik overeenkomstig internationale veiligheidsnormen, met inbegrip van zwemvesten voor de passagiers.

— Reddingswerkers voor snelle redding bij noodsituaties in het water. (Geen duikoperaties, uitsluitend redding aan de oppervlakte.)

Zelfvoorziening

— De bepalingen a) tot en met i) van artikel 3 ter, onder l), zijn van toepassing.

Inzettermijn

— Klaar voor vertrek uiterlijk 12 uur na aanvaarding van het aanbod.

— Inzetbaar op het land of op zee. Inzet vanuit de lucht uitsluitend in degelijk gemotiveerde gevallen.

— Vermogen om gedurende minstens 10 dagen operationeel te zijn.

▼M1




BIJLAGE III



Algemene eisen voor teams voor technische bijstand

Taken

— Verzorgen of organiseren van:

— 

— administratieve ondersteuning;

— telecommunicatiefaciliteiten;

— hulp bij de bevoorrading;

— vervoersfaciliteiten ter plaatse.

Capaciteiten

— Ondersteuning bieden aan een evaluatie- en/of coördinatieteam, een coördinatiecentrum voor operaties ter plaatse, of gecombineerd kunnen worden in een civiele beschermingsmodule als bedoeld in artikel 3 ter, lid 2), onder c).

Belangrijkste onderdelen

— De volgende ondersteunende componenten die de functionering van het coördinatiecentrum voor operaties ter plaatse mogelijk maken, rekening houdend met erkende internationale richtsnoeren zoals de VN-richtsnoeren:

— 

— administratieve ondersteuning;

— telecommunicatiefaciliteiten;

— uitrusting voor hulp bij de bevoorrading;

— vervoersfaciliteiten ter plaatse.

Inzettermijn

— Klaar voor vertrek uiterlijk twaalf dagen na de oproep.



( 1 ) PB L 297 van 15.11.2001, blz. 7.

( 2 ) PB L 332 van 28.12.2000, blz. 1.

( 3 ) PB L 336 van 12.12.2002, blz. 36.

( 4 ) PB L 203 van 3.8.1999, blz. 1.

( 5 ) PB L 316 van 20.11.2002, blz. 4.

( 6 ) PB L 203 van 3.8.1999, blz. 9.

( 7 ) PB L 316 van 20.11.2002, blz. 1.

( 8 ) PB C 43 van 16.2.2002, blz. 1.

( 9 ) PB L 327 van 21.12.1999, blz. 53.

( 10 ) PB L 101 van 11.4.2001, blz. 1.

( 11 ) PB L 317 van 3.12.2001, blz. 1.

( 12 ) De in dit besluit vastgestelde lijst van civiele beschermingsmodules en daaraan verbonden eisen kan, gelet op de met het mechanisme opgedane ervaring, worden aangevuld met andere soorten civiele beschermingsmodules.