2003R0998 — NL — 05.12.2011 — 016.001
Dit document vormt slechts een documentatiehulpmiddel en verschijnt buiten de verantwoordelijkheid van de instellingen
|
VERORDENING (EG) Nr. 998/2003 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 26 mei 2003 (PB L 146, 13.6.2003, p.1) |
Gewijzigd bij:
VERORDENING (EG) Nr. 998/2003 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD
van 26 mei 2003
inzake veterinairrechtelijke voorschriften voor het niet-commerciële verkeer van gezelschapsdieren en houdende wijziging van Richtlijn 92/65/EEG van de Raad
HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 37 en artikel 152, lid 4, onder b),
Gezien het voorstel van de Commissie ( 1 ),
Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité ( 2 ),
Na raadpleging van het Comité van de Regio's,
Volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag ( 3 ) en gezien de gemeenschappelijke tekst die op 18 februari 2003 door het bemiddelingscomité is goedgekeurd,
Overwegende hetgeen volgt:|
(1) |
De veterinairrechtelijke voorschriften voor het niet-commerciële verkeer van gezelschapsdieren tussen de lidstaten en uit derde landen moeten worden geharmoniseerd, hetgeen alleen met op communautair niveau vastgestelde maatregelen kan worden bereikt. |
|
(2) |
Deze verordening heeft betrekking op het verkeer van dieren die onder bijlage I bij het Verdrag vallen. Sommige bepalingen van deze verordening, met name die betreffende rabiës, beogen rechtstreeks de bescherming van de volksgezondheid, terwijl andere alleen de gezondheid van dieren betreffen. Derhalve dienen artikel 37 en artikel 152, lid 4, onder b), van het Verdrag als rechtsgrondslag te worden gekozen. |
|
(3) |
Wat rabiës betreft, is de situatie op het gehele grondgebied van de Gemeenschap de laatste tien jaar sterk verbeterd dankzij de programma's van orale vaccinatie bij vossen in de gebieden waar onder de vossenpopulatie de rabiësepidemie heerste die sinds de jaren zestig het noordoosten van Europa heeft geteisterd. |
|
(4) |
Deze verbetering heeft het Verenigd Koninkrijk en Zweden ertoe gebracht de decennia lang toegepaste quarantaine van zes maanden op te geven en te vervangen door een andere, minder strenge regeling die een vergelijkbaar veiligheidsniveau biedt. Daarom is op communautair niveau een specifieke regeling nodig voor het verkeer van gezelschapsdieren naar genoemde lidstaten gedurende een overgangsperiode van vijf jaar en dient de Commissie in het licht van de opgedane ervaring en een wetenschappelijk advies van de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid te gelegener tijd een verslag met passende voorstellen in. Tevens moet worden voorzien in een snelle procedure voor besluiten om die overgangsregeling tijdelijk te verlengen, vooral ingeval de wetenschappelijke beoordeling van de opgedane ervaring meer tijd zou vergen dan momenteel te verwachten valt. |
|
(5) |
Rabiës bij als gezelschapsdier gehouden carnivoren komt nu op het grondgebied van de Gemeenschap vooral voor bij dieren van oorsprong uit derde landen waar rabiës van het stedelijke type nog steeds endemisch is. De veterinairrechtelijke voorschriften die tot nog toe door de lidstaten algemeen worden toegepast voor het binnenkomen van als gezelschapsdier gehouden carnivoren uit derde landen moeten dus worden aangescherpt. |
|
(6) |
Er dienen echter afwijkingen te worden overwogen voor het niet-commerciële verkeer uit derde landen of gebieden die uit gezondheidsoogpunt tot hetzelfde geografische geheel als de Gemeenschap behoren. |
|
(7) |
Overeenkomstig artikel 299, lid 6, onder c), van het Verdrag en Verordening (EEG) nr. 706/73 van de Raad van 12 maart 1973 betreffende de communautaire regeling voor de Kanaaleilanden en het eiland Man inzake het handelsverkeer in landbouwproducten ( 4 ) is de communautaire veterinaire regeling van toepassing op de Kanaaleilanden en het eiland Man, die voor de toepassing van deze verordening deel uitmaken van het Verenigd Koninkrijk. |
|
(8) |
Er moet ook een juridisch kader tot stand worden gebracht voor de gezondheidseisen die gelden voor het niet-commerciële verkeer van diersoorten die niet gevoelig zijn voor rabiës of die uit epidemiologisch oogpunt niet significant zijn ten aanzien van rabiës, alsmede ten aanzien van andere ziekten waarvoor de in bijlage I genoemde diersoorten gevoelig zijn. |
|
(9) |
Deze verordening geldt onverminderd Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad van 9 december 1996 inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer ( 5 ). |
|
(10) |
De voor de uitvoering van deze verordening vereiste maatregen dienen te worden vastgesteld overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden ( 6 ). |
|
(11) |
De bestaande communautaire veterinairrechtelijke bepalingen, meer bepaald Richtlijn 92/65/EEG van de Raad van 13 juli 1992 tot vaststelling van de veterinairrechtelijke voorschriften voor het handelsverkeer en de invoer in de Gemeenschap van dieren, sperma, eicellen en embryo' s waarvoor ten aanzien van de veterinairrechtelijke voorschriften geen specifieke communautaire regelgeving als bedoeld in bijlage A, onder I, van Richtlijn 90/425/EEG geldt ( 7 ), zijn over het algemeen slechts van toepassing op het verkeer van commerciële aard. Teneinde te voorkomen dat commercieel verkeer frauduleus wordt voorgesteld als niet-commercieel verkeer van gezelschapsdieren in de zin van deze verordening, dienen de bepalingen van Richtlijn 92/65/EEG betreffende de handel in dieren van de in bijlage I, delen A en B, genoemde soorten te worden gewijzigd om die voorschriften in overeenstemming te brengen met de bepalingen van deze verordening. Met hetzelfde doel dient de mogelijkheid te worden geboden een maximumaantal dieren vast te stellen die kunnen vallen onder het verkeer in de zin van deze verordening, boven welk maximum de regels van het handelsverkeer van toepassing zijn. |
|
(12) |
Met de in deze verordening vervatte maatregelen wordt gestreefd naar een voldoende niveau van bescherming tegen de betrokken gezondheidsrisico's. Zij vormen geen ongerechtvaardigde belemmering van het onder de verordening vallende verkeer, daar zij zijn gegrond op de conclusies van hierover geraadpleegde groepen deskundigen, en met name op een verslag van het Wetenschappelijk Veterinair Comité van 16 september 1997, |
HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
HOOFDSTUK I
Algemene bepalingen
Artikel 1
Bij deze verordening worden de veterinairrechtelijke voorschriften vastgesteld waaraan het niet-commerciële verkeer van gezelschapsdieren moet voldoen, alsmede de regels betreffende de controle van dat verkeer.
Artikel 2
Deze verordening is van toepassing op het verkeer tussen lidstaten of uit derde landen van gezelschapsdieren van de op de lijst in bijlage I genoemde soorten.
Zij is van toepassing onverminderd Verordening (EG) nr. 338/97.
Deze verordening is zonder gevolgen voor de op andere dan veterinairrechtelijke overwegingen gebaseerde bepalingen die ertoe strekken het verkeer van bepaalde soorten of rassen gezelschapsdieren te beperken.
Artikel 3
Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:
a) gezelschapsdieren: dieren van de op de lijst in bijlage I genoemde soorten die hun eigenaar of een natuurlijke persoon die er namens de eigenaar tijdens het verkeer voor verantwoordelijk is, begeleiden en die niet voor verkoop of eigendomsoverdracht bestemd zijn;
b) paspoort: document waarmee het gezelschapsdier duidelijk kan worden geïdentificeerd en dat de overeenkomstig artikel 17, tweede alinea, op te stellen gegevens bevat waarmee in het kader van deze verordening de toestand van het dier kan worden gecontroleerd;
c) verkeer: verplaatsing van een gezelschapsdier tussen de lidstaten, het binnenkomen of opnieuw binnenkomen ervan uit een derde land op het grondgebied van de Gemeenschap.
Artikel 4
1. Gedurende een overgangsperiode van acht jaar, te rekenen vanaf de inwerkingtreding van deze verordening, worden de dieren van de in bijlage I, delen A en B, genoemde soorten geacht geïdentificeerd te zijn wanneer zij:
a) een duidelijk leesbare tatoeage dragen, of
b) een elektronisch identificatiesysteem (transponder) dragen.
Wanneer de transponder, in het in de eerste alinea, onder b), bedoelde geval, niet aan de voorschriften van bijlage I bis voldoet, verstrekt de eigenaar of de natuurlijke persoon die namens de eigenaar voor de gezelschapsdieren verantwoordelijk is bij elke controle de voor het lezen van de transponder benodigde middelen.
2. Voor elk systeem ter identificatie van dieren geldt, dat tevens gegevens moeten worden opgenomen aan de hand waarvan de naam en het adres van de eigenaar van een dier kunnen worden vastgesteld.
3. Lidstaten die verlangen dat dieren welke hun grondgebied anders dan via quarantaine binnenkomen, geïdentificeerd zijn overeenkomstig lid 1, eerste alinea, onder b), kunnen deze eis gedurende de overgangsperiode handhaven.
4. Na de overgangsperiode wordt enkel nog de identificatiemethode van lid 1, eerste alinea, onder b), aanvaard.
HOOFDSTUK II
Bepalingen betreffende het verkeer tussen lidstaten
Artikel 5
1. Gezelschapsdieren van de in bijlage I, delen A en B, genoemde soorten moeten tijdens het verkeer onverminderd de voorschriften van artikel 6:
a) overeenkomstig artikel 4 geïdentificeerd zijn, en
b) vergezeld gaan van een paspoort dat is afgegeven door een door de bevoegde autoriteit aangewezen dierenarts en waarin wordt verklaard dat:
i) een geldig vaccin tegen rabiës is toegediend aan het betrokken dier overeenkomstig bijlage I ter,
ii) er ten aanzien van het betrokken dier zo nodig preventieve gezondheidsmaatregelen met betrekking tot andere ziekten zijn uitgevoerd.
Ter waarborging van de controle op andere ziekten dan rabiës die zich kunnen verspreiden door verkeer van gezelschapsdieren, kan de Commissie via gedelegeerde handelingen overeenkomstig artikel 19 ter en op voorwaarde van het bepaalde in artikel 19 quater en 19 quinquies, de in de eerste alinea, onder b), ii), bedoelde preventieve gezondheidsmaatregelen treffen. Deze maatregelen hebben een wetenschappelijke basis en staan in verhouding tot het risico van de verspreiding van die ziekten als gevolg van dergelijk verkeer.
2. De lidstaten kunnen toestemming geven voor het verkeer van een in bijlage I, delen A en B, bedoeld gezelschapsdier dat jonger dan drie maanden en niet gevaccineerd is, indien dat dier vergezeld gaat van een paspoort en vanaf zijn geboorte op zijn geboorteplek geleefd heeft zonder in contact te komen met wilde dieren die blootgesteld kunnen zijn geweest aan de infectie, dan wel zijn moeder vergezelt waarvan het nog afhankelijk is.
Artikel 6
1. Tot en met 31 december 2011 gelden voor de binnenkomst van gezelschapsdieren, bedoeld in bijlage I, deel A, op het grondgebied van Ierland, Malta, Zweden en het Verenigd Koninkrijk de volgende voorschriften:
— zij moeten overeenkomstig artikel 4, lid 1, eerste alinea, onder b), geïdentificeerd zijn, tenzij de lidstaat van bestemming tot het einde van de in artikel 4, lid 1, bedoelde achtjarige overgangsregeling ook identificatie overeenkomstig artikel 4, lid 1, eerste alinea, onder a), toestaat, en
— zij moeten vergezeld gaan van een paspoort dat is afgegeven door een door de bevoegde autoriteit aangewezen dierenarts en dat voldoet aan de voorwaarden van artikel 5, lid 1, onder b), en waarin wordt verklaard dat een titer van neutraliserende antilichamen van ten minste 0,5 IE/ml is vastgesteld bij een monster dat in een erkend laboratorium is genomen binnen de termijnen die zijn vastgesteld in de nationale regelgeving die op de in artikel 25, tweede alinea, genoemde datum van kracht is.
Deze titratie van antilichamen behoeft niet te worden hernieuwd bij een dier waaraan na de titratie herhaaldelijk een nieuw vaccin is toegediend op de in artikel 5, lid 1, bedoelde tijdstippen zonder onderbreking van het door het laboratorium van productie voorgeschreven vaccinatieschema.
Het verkeer van gezelschapsdieren tussen ►M2 deze vier lidstaten ◄ kan door de lidstaat van bestemming worden vrijgesteld van de eisen betreffende toediening van een vaccin en titratie van antilichamen, bedoeld in de eerste alinea van dit lid, overeenkomstig de op de in artikel 25, tweede alinea, genoemde datum bestaande nationale voorschriften.
2. Behoudens door de bevoegde autoriteit voor bijzondere gevallen toegestane afwijkingen mogen dieren van minder dan drie maanden, van de in bijlage I, deel A, genoemde soorten niet in het verkeer worden gebracht, voordat ze de voor vaccinatie vereiste leeftijd hebben bereikt of zonder dat ze een test voor het bepalen van de titer van antilichamen hebben ondergaan.
3. De overgangsperiode van lid 1 kan op voorstel van de Commissie in overeenstemming met het Verdrag door het Europees Parlement en de Raad worden verlengd.
Artikel 7
Voor het verkeer van dieren van de in bijlage I, deel C, genoemde soorten tussen lidstaten of uit een in bijlage II, deel B, afdeling 2, genoemd gebied gelden geen eisen inzake rabiës. Zo nodig stelt de Commissie voor andere ziekten bijzondere eisen vast, met inbegrip van een eventuele beperking van het aantal dieren. Deze maatregelen, die beogen niet-essentiële onderdelen van deze verordening te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 24, lid 4, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing. Er kan een modelcertificaat dat dergelijke dieren vergezelt, worden opgesteld volgens de in artikel 24, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure.
HOOFDSTUK III
Bepalingen betreffende het verkeer uit derde landen
Artikel 8
1. Gezelschapsdieren van de in bijlage I, delen A en B, genoemde soorten moeten tijdens hun verkeer:
a) wanneer zij afkomstig zijn uit een in bijlage II, deel B, afdeling 2, en deel C, genoemd derde land en
i) in een van de in bijlage II, deel B, afdeling 1, bedoelde lidstaten binnenkomen, aan de eisen van artikel 5, lid 1, voldoen;
ii) tot en met 31 december 2011 hetzij rechtstreeks, hetzij via een van de in bijlage II, deel B, bedoelde gebieden in een in bijlage II, deel A, genoemde lidstaat binnenkomen, aan de eisen van artikel 6 voldoen;
b) wanneer zij uit een ander derde land afkomstig zijn en
i) in een van de in bijlage II, deel B, afdeling 1, bedoelde lidstaten binnenkomen:
— geïdentificeerd zijn door middel van het identificatiesysteem, omschreven in artikel 4, en
— onderworpen zijn geweest aan:
—— de toediening van een vaccin tegen rabiës dat voldoet aan de voorschriften van artikel 5, en
— een titratie van neutraliserende antilichamen met een resultaat van ten minste 0,5 IE/ml bij een monster dat ten minste 30 dagen na de vaccinatie en drie maanden vóór het verkeer door een daartoe aangewezen dierenarts is genomen.
— Deze titratie van antilichamen behoeft niet te worden herhaald indien het gezelschapsdier op de in artikel 5, lid 1, bedoelde tijdstippen een nieuw vaccin is toegediend.
— De termijn van drie maanden geldt niet bij het opnieuw binnenkomen van een gezelschapsdier waarvoor uit het paspoort blijkt dat de titratie met een positief resultaat werd uitgevoerd vooraleer dit dier het grondgebied van de Gemeenschap verliet.
ii) tot en met 31 december 2011 hetzij rechtstreeks, hetzij via een van de in bijlage II, deel B, bedoelde gebieden in een in bijlage II, deel A, genoemde lidstaat binnenkomen, in quarantaine geplaatst worden, behalve indien zij na binnenkomst in de Unie met de eisen van artikel 6 in overeenstemming zijn gebracht.
2. Gezelschapsdieren moeten vergezeld gaan van een certificaat dat is afgegeven door een officiële dierenarts of, wanneer zij opnieuw binnenkomen, van een paspoort waaruit blijkt dat voldaan is aan het bepaalde in lid 1.
3. Onverminderd de voorgaande bepalingen:
a) gelden voor gezelschapsdieren die afkomstig zijn uit de in bijlage II, deel B, afdeling 2, bedoelde gebieden, waarvoor volgens de procedure van artikel 24, lid 2, is vastgesteld dat zij voorschriften toepassen die ten minste gelijkwaardig zijn aan de communautaire voorschriften van hoofdstuk III, de voorschriften van hoofdstuk II;
b) kan het verkeer van gezelschapsdieren tussen respectievelijk San Marino, Vaticaanstad en Italië, Monaco en Frankrijk, Andorra en Frankrijk of Spanje, en Noorwegen en Zweden, blijven plaatsvinden onder de voorwaarden die zijn vastgesteld in de nationale voorschriften die op de in artikel 25, tweede alinea, genoemde datum van toepassing zijn;
c) kan het binnenkomen van niet-gevaccineerde gezelschapsdieren van minder dan drie maanden van de in bijlage I, deel A, genoemde soorten uit een in bijlage II, delen B en C, bedoeld derde land, volgens de procedure van artikel 24, lid 2, en volgens nader te bepalen voorwaarden, worden toegestaan, wanneer de situatie van dat land met betrekking tot rabiës zulks rechtvaardigt.
4. De regels voor de toepassing van dit artikel en meer bepaald het modelcertificaat worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 24, lid 2.
Artikel 9
De voorwaarden voor het verkeer van dieren van de in bijlage I, deel C, bedoelde soorten uit derde landen worden door de Commissie vastgesteld. Deze maatregelen, die beogen niet-essentiële onderdelen van deze verordening te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 24, lid 4, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing. Het modelcertificaat dat het verkeer van dieren moet vergezellen, wordt vastgesteld volgens de in artikel 24, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure.
Artikel 10
►M13 De lijst van derde landen, bedoeld in bijlage II, deel C, wordt door de Commissie vastgesteld. Om op deze lijst te worden geplaatst moeten derde landen eerst het bewijs leveren van hun situatie met betrekking tot rabiës en aantonen dat: ◄
a) de kennisgeving van de verdenking van rabiës aan de autoriteiten verplicht is,
b) er sedert ten minste twee jaar een doeltreffend toezichtsysteem aanwezig is,
c) de structuur en de organisatie van hun veterinaire diensten de geldigheid van de certificaten kunnen garanderen,
d) alle wettelijke maatregelen voor de voorkoming van en de controle op rabiës zijn uitgevoerd, met inbegrip van de voorschriften inzake invoer,
e) er voorschriften gelden betreffende het op de markt brengen van vaccins tegen rabiës (lijst van toegestane vaccins en van laboratoria).
Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen, worden vastgesteld volgens de in artikel 24, lid 5, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.
Artikel 11
De lidstaten verstrekken aan het publiek duidelijke en gemakkelijk toegankelijke informatie over de gezondheidseisen ten aanzien van het niet-commerciële verkeer van gezelschapsdieren op het grondgebied van de Gemeenschap en over de voorwaarden voor het binnenkomen en opnieuw binnenkomen ervan op het grondgebied van de Gemeenschap. Zij zorgen er ook voor dat het op de plaatsen van binnenkomst werkzame personeel volledig over deze voorschriften geïnformeerd is en in staat is om deze toe te passen.
Artikel 12
De lidstaten treffen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat gezelschapsdieren die uit een niet in bijlage II, deel B, afdeling 2, genoemd derde land op het grondgebied van de Gemeenschap binnenkomen, worden onderworpen aan:
a) indien het aantal gezelschapsdieren kleiner is dan of gelijk is aan vijf, een documenten- en identificatiecontrole door de bevoegde autoriteit van de plaats van binnenkomst van de dieren op het grondgebied van de Gemeenschap,
b) indien het aantal gezelschapsdieren groter is dan vijf, aan de eisen en de controles van Richtlijn 92/65/EEG.
De lidstaten wijzen de met deze controles belaste autoriteit aan en stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.
Artikel 13
Elke lidstaat stelt een lijst op van de in artikel 12 bedoelde plaatsen van binnenkomst en deelt deze aan de andere lidstaten en de Commissie mee.
Artikel 14
Bij elk verkeer moet de eigenaar van het gezelschapsdier of de voor het gezelschapsdier verantwoordelijke natuurlijke persoon de met de controle belaste autoriteiten een paspoort of het in artikel 8, lid 2, bedoelde certificaat kunnen overleggen waaruit blijkt dat het dier aan de voorwaarden voor dat verkeer voldoet.
Wanneer de transponder, in het in de artikel 4, lid 1, eerste alinea, onder b), bedoelde geval, niet aan de voorschriften van bijlage I bis voldoet, verstrekt de eigenaar of de natuurlijke persoon die namens de eigenaar voor de gezelschapsdieren verantwoordelijk is bij elke controle de voor het lezen van de transponder benodigde middelen.
Wanneer uit die controles blijkt dat het dier niet aan de eisen van deze verordening voldoet, besluit de bevoegde autoriteit in overleg met de officiële dierenarts:
a) hetzij het dier terug te zenden naar het land van oorsprong;
b) hetzij het dier onder officieel toezicht te isoleren gedurende de tijd die nodig is om aan de gezondheidsvoorschriften te voldoen, zulks op kosten van de eigenaar of de natuurlijke persoon die er verantwoordelijk voor is;
c) hetzij, in laatste instantie, het dier af te maken wanneer terugzending of isolatie in quarantaine onmogelijk zijn, zonder dat dit recht geeft op een financiële vergoeding.
De lidstaten zien erop toe dat de gezelschapsdieren, waarvan de binnenkomst op het grondgebied van de Gemeenschap niet is toegestaan, onder officieel toezicht worden ondergebracht totdat ze worden teruggezonden of totdat een ander administratief besluit wordt genomen.
HOOFDSTUK IV
Gemeenschappelijke en slotbepalingen
Artikel 15
Wanneer wat rabiës betreft voor verkeer de voorwaarde geldt dat een titratie van antilichamen wordt verricht, moet het monster door een daartoe aangewezen dierenarts worden genomen en moet de test door een op grond van Beschikking 2000/258/EG van de Raad van 20 maart 2000 houdende aanwijzing van een specifiek instituut dat verantwoordelijk is voor de vaststelling van de criteria die nodig zijn voor de normalisatie van de serologische tests om de doelmatigheid van antirabiësvaccins te controleren ( 8 ) erkend laboratorium worden uitgevoerd.
Artikel 16
Tot en met 31 december 2011 mogen Finland, Ierland, Malta, Zweden en het Verenigd Koninkrijk wat betreft echinokokkose, en Ierland, Malta en het Verenigd Koninkrijk, wat betreft teken, de binnenkomst van gezelschapsdieren op hun grondgebied afhankelijk stellen van de inachtneming van de bijzondere voorschriften die gelden op de datum van inwerkingtreding van deze verordening.
Artikel 17
Voor het verkeer van dieren van de in bijlage I, delen A en B, genoemde soorten kunnen door de Commissie andere technische eisen dan die van deze verordening worden vastgesteld. Deze maatregelen, die beogen niet-essentiële onderdelen van deze verordening te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 24, lid 4, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.
De modellen van het paspoort dat de dieren van de in bijlage I, delen A en B, genoemde soorten bij verkeer moet vergezellen, worden volgens de procedure van artikel 24, lid 2, vastgesteld.
Artikel 18
De vrijwaringsmaatregelen van Richtlijn 90/425/EEG van de Raad van 26 juni 1990 inzake veterinaire en zoötechnische controles in het intracommunautaire handelsverkeer in bepaalde levende dieren en producten in het vooruitzicht van de totstandbrenging van de interne markt ( 9 ) en Richtlijn 91/496/EEG van de Raad van 15 juli 1991 tot vaststelling van de beginselen voor de organisatie van de veterinaire controles voor dieren uit derde landen die in de Gemeenschap worden binnengebracht en tot wijziging van de Richtlijnen 89/662/EEG, 90/425/EEG en 90/675/EEG ( 10 ) zijn van toepassing.
In het bijzonder indien de situatie op het gebied van rabiës in een lidstaat, een derde land of een in bijlage II bedoeld gebied dit rechtvaardigt, kan op verzoek van een lidstaat of op initiatief van de Commissie volgens de procedure van artikel 24, lid 3, een besluit worden genomen met het doel dat de dieren van de in bijlage I, delen A en B, genoemde soorten uit dat gebied aan de voorwaarden van artikel 8, lid 1, onder b), voldoen.
Artikel 19
Bijlage I, deel C, en bijlage II, delen B en C, kunnen door de Commissie worden gewijzigd om rekening te houden met de ontwikkeling van de situatie met betrekking tot ziekten van de in deze verordening genoemde diersoorten, met name rabiës, in de Gemeenschap of in derde landen, en om in voorkomend geval voor de toepassing van deze verordening een maximumaantal dieren voor het verkeer vast te stellen. Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen, worden vastgesteld volgens de in artikel 24, lid 4, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.
Artikel 19 bis
1. Teneinde rekening te houden met de technische vooruitgang kan de Commissie via gedelegeerde handelingen overeenkomstig artikel 19 ter en op voorwaarde van het bepaalde in artikel 19 quater en 19 quinquies wijzigingen doorvoeren in de technische voorschriften voor de identificatie van bijlage I bis.
2. Teneinde rekening te houden met de wetenschappelijke en technische ontwikkelingen op het gebied van vaccinatie tegen rabiës kan de Commissie via gedelegeerde handelingen overeenkomstig artikel 19 ter en op voorwaarde van het bepaalde in artikel 19 quater en 19 quinquies wijzigingen doorvoeren in de technische voorschriften voor de vaccinatie tegen rabiës van bijlage I ter.
3. De Commissie handelt bij het goedkeuren van dergelijke gedelegeerde handelingen volgens de bepalingen van deze verordening.
Artikel 19 ter
1. De bevoegdheid om de in artikel 5, lid 1, en artikel 19 bis bedoelde gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie verleend voor een periode van 5 jaar na 18 juni 2010. De Commissie stelt uiterlijk 6 maanden voor het einde van de periode van 5 jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt automatisch verlengd met dezelfde periode, tenzij het Europees Parlement of de Raad de bevoegdheid intrekt overeenkomstig artikel 19 quater.
2. Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, stelt zij het Europees Parlement en de Raad daarvan gelijktijdig in kennis.
3. De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen wordt aan de Commissie verleend onder de voorwaarden van de artikelen 19 quater en 19 quinquies.
Artikel 19 quater
1. De in artikel 5, lid 1, en artikel 19 bis bedoelde bevoegdheidsdelegatie kan door het Europees Parlement of de Raad worden ingetrokken.
2. De instelling die een interne procedure is begonnen om te besluiten of zij de bevoegdheidsdelegatie wenst in te trekken, brengt de andere instelling en de Commissie hiervan binnen een redelijke tijd voordat een definitief besluit wordt genomen, op de hoogte en geeft daarbij aan welke gedelegeerde bevoegdheden mogelijk worden ingetrokken en waarom.
3. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheden. Het besluit treedt onmiddellijk in werking of op een in dat besluit bepaalde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds in werking zijnde gedelegeerde handelingen onverlet. Het besluit wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Artikel 19 quinquies
1. Het Europees Parlement of de Raad kunnen tegen een gedelegeerde handeling bezwaar maken binnen een termijn van twee maanden na de datum van kennisgeving.
Op initiatief van het Europees Parlement of de Raad wordt deze termijn met twee maanden verlengd.
2. Indien noch het Europees Parlement noch de Raad bij het verstrijken van deze termijn bezwaar hebben aangetekend tegen de gedelegeerde handeling, wordt deze bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie en treedt zij in werking op de daarin vermelde datum.
Indien zowel het Europees Parlement als de Raad de Commissie hebben meegedeeld dat zij voornemens zijn geen bezwaar aan te tekenen, kan de gedelegeerde handeling vóór het verstrijken van de termijn worden gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie en in werking treden.
3. Indien het Europees Parlement of de Raad bezwaar aantekent tegen een gedelegeerde handeling, treedt deze niet in werking. De instelling die bezwaar maakt, motiveert haar bezwaar tegen de gedelegeerde handeling.
Artikel 20
De technische uitvoeringsbepalingen worden volgens de procedure van artikel 24, lid 2, vastgesteld.
Artikel 21
De Commissie kan overgangsbepalingen vaststellen die de overschakeling van de huidige regeling naar deze verordening mogelijk maken. Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen, worden vastgesteld volgens de in artikel 24, lid 4, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.
Artikel 22
Richtlijn 92/65/EEG wordt als volgt gewijzigd:
1. in artikel 10:
a) in lid 1 wordt het woord „fretten” geschrapt;
b) lid 2 en lid 3 worden vervangen door:
„2. Om te worden toegelaten tot het handelsverkeer moeten katten, honden en fretten beantwoorden aan de voorwaarden van de artikelen 5 en 16 van Verordening (EG) nr. 998/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003 inzake veterinairrechtelijke voorschriften voor het niet-commerciële verkeer van gezelschapsdieren en houdende wijziging van Richtlijn 92/65/EEG van de Raad ( 11 ).
Uit het certificaat dat het dier vergezelt, moet bovendien blijken dat een door de bevoegde autoriteit aangewezen dierenarts 24 uur vóór de verzending een klinisch onderzoek heeft uitgevoerd en daarbij heeft geconcludeerd dat het dier in goede gezondheid verkeert en geschikt is om naar de bestemming te worden vervoerd.
3. In afwijking van lid 2 moeten honden, katten en fretten, wanneer het handelsverkeer Ierland, het Verenigd Koninkrijk of Zweden als bestemming heeft, beantwoorden aan de voorwaarden van de artikelen 6 en 16 van Verordening (EG) nr. 998/2003.
Uit het certificaat dat het dier vergezelt, moet bovendien blijken dat een door de bevoegde autoriteit aangewezen dierenarts 24 uur vóór de verzending een klinisch onderzoek heeft uitgevoerd en daarbij heeft geconcludeerd dat het dier in goede gezondheid verkeert en geschikt is om naar de bestemming te worden vervoerd.
;c) in lid 4 wordt na „carnivoren” het volgende ingevoegd:
„met uitzondering van de in de leden 2 en 3 bedoelde soorten”
;d) lid 8 wordt geschrapt;
2. aan artikel 16 worden de volgende alinea's toegevoegd:
„De voorwaarden die gelden voor de invoer van katten, honden en fretten moeten ten minste gelijkwaardig zijn aan die van hoofdstuk III van Verordening (EG) nr. 998/2003.
Uit het certificaat dat het dier vergezelt, moet bovendien blijken dat een door de bevoegde autoriteit aangewezen dierenarts 24 uur vóór de verzending een klinisch onderzoek heeft uitgevoerd en daarbij heeft geconcludeerd dat het dier in goede gezondheid verkeert en geschikt is om naar de bestemming te worden vervoerd.”
.Artikel 23
De Commissie legt vóór 1 februari 2007, na advies van de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid over de noodzaak van handhaving van de serologische test, aan het Europees Parlement en de Raad een verslag voor over de op basis van een risicobeoordeling opgedane ervaring, dat vergezeld gaat van passende voorstellen om de regeling te bepalen die vanaf ►M11 1 juli 2010 ◄ voor de artikelen 6, 8 en 16 zal gelden.
Artikel 24
1. De Commissie wordt bijgestaan door een comité.
2. Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 5 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit.
De in artikel 5, lid 6, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn wordt vastgesteld op drie maanden.
3. Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 5 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit.
De in artikel 5, lid 6, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn wordt vastgesteld op twee weken.
4. Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn artikel 5 bis, leden 1 tot en met 4, en artikel 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 daarvan.
5. Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn artikel 5 bis, leden 1 tot en met 4, en lid 5, onder b), en artikel 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 daarvan.
De in artikel 5 bis, lid 3, onder c), en lid 4, onder b) en e), van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijnen worden respectievelijk vastgesteld op twee maanden, een maand en twee maanden.
Artikel 25
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Zij is van toepassing met ingang van 3 juli 2004.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
BIJLAGE I
DIERSOORTEN
DEEL A
Hond
Kat
DEEL B
Fretten
DEEL C
Ongewervelden (behalve bijen en schaaldieren), tropische siervissen, amfibieën, reptielen.
Vogels: alle soorten (behalve pluimvee bedoeld in de Richtlijnen 90/539/EEG ( 12 ) en 92/45/EEG.
Zoogdieren: knaagdieren en tamme konijnen.
BIJLAGE I bis
Technische voorschriften voor de identificatie
Voor de toepassing van artikel 4, lid 1, wordt onder het gestandaardiseerde elektronische identificatiesysteem een passief read-only radiofrequentie-identificatiemiddel verstaan:
1. dat voldoet aan ISO-norm 11784 en is gebaseerd op HDX- of FDX-B-technologie;
2. dat door een uitleesapparaat dat voldoet aan ISO-norm 11785, kan worden gelezen.
BIJLAGE I ter
Technische voorschriften voor de vaccinatie tegen rabiës (als bedoeld in artikel 5, lid 1, onder b), i))
Voor de toepassing van artikel 5, lid 1, wordt een vaccinatie tegen rabiës als geldig beschouwd, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:
1. Het vaccin tegen rabiës dient:
a) een ander dan een levend gemodificeerd vaccin zijn en binnen de volgende categorieën te vallen:
i) een geïnactiveerd vaccin met ten minste één antigeneenheid per dosis (WHO-norm); of
ii) een recombinant vaccin dat de immuniserende glycoproteïne van het rabiësvirus in een levende virusvector tot expressie brengt;
b) wanneer het wordt toegediend in een lidstaat, een vergunning voor het in de handel brengen te hebben verkregen overeenkomstig:
i) Richtlijn 2001/82/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik ( 13 ); of
ii) Verordening (EG) nr. 726/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 tot vaststelling van communautaire procedures voor het verlenen van vergunningen en het toezicht op geneesmiddelen voor menselijk en diergeneeskundig gebruik en tot oprichting van een Europees Geneesmiddelenbureau ( 14 );
c) wanneer het wordt toegediend in een derde land, ten minste te voldoen aan de vereisten overeenkomstig hoofdstuk 2.1.13, deel C), van het Manual of Diagnostic Tests and Vaccines for Terrestrial Animals, editie 2008, van de Werelddiergezondheidsorganisatie.
2. Een vaccinatie tegen rabiës kan slechts als geldig worden beschouwd indien aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
a) het vaccin is toegediend op een datum die is aangegeven in:
i) rubriek IV van het paspoort; of
ii) de desbetreffende rubriek van het certificaat dat het dier vergezelt;
b) de onder a) bedoelde datum mag niet vroeger zijn dan de datum van de inbrenging van de microchip of de aanbrenging van de tatoeage die in:
i) rubriek III.2 of III.5 van het paspoort, of
ii) de desbetreffende rubriek van het diergezondheidscertificaat dat het dier vergezelt, is aangegeven;
c) er zijn ten minste 21 dagen verstreken sinds de voltooiing van het door de producent voor de primovaccinatie voorgeschreven vaccinatieschema overeenkomstig de technische specificatie van de volgens de in punt 1, onder b), bedoelde vergunning voor het in de handel brengen van het vaccin tegen rabiës in de lidstaat of het derde land waar het vaccin is toegediend;
d) de geldigheidsduur van de vaccinatie, zoals voorgeschreven in de technische specificatie van de vergunning voor het in de handel brengen van het vaccin tegen rabiës in de lidstaat of het derde land waar het vaccin is toegediend, wordt door de daartoe aangewezen dierenarts geregistreerd in:
i) rubriek IV van het paspoort; of
ii) de desbetreffende rubriek van het certificaat dat het dier vergezelt;
e) een herhalingsvaccinatie (boostervaccinatie) wordt als primovaccinatie beschouwd indien deze niet binnen de onder d) bedoelde geldigheidsduur van een eerdere vaccinatie wordt toegediend.
BIJLAGE II
LIJST VAN LANDEN EN GEBIEDEN
DEEL A
|
IE |
Ierland |
|
MT |
Malta |
|
SE |
Zweden |
|
UK |
Verenigd Koninkrijk |
DEEL B
Afdeling 1
|
DK |
Denemarken, inclusief GL — Groenland en FO — Faeröer; |
|
ES |
Spanje, inclusief de Balearen, de Canarische Eilanden, Ceuta en Melilla; |
|
FR |
Frankrijk, inclusief GF — Frans Guyana, GP — Guadeloupe, MQ — Martinique en RE — Réunion; |
|
GI |
Gibraltar; |
|
PT |
Portugal, inclusief de Azoren en Madeira; |
|
Andere dan de onder deel A en de onder a), b), c) en e) van deze afdeling genoemde lidstaten. |
Afdeling 2
|
AD |
Andorra |
|
CH |
Zwitserland |
|
HR |
Kroatië |
|
IS |
IJsland |
|
LI |
Liechtenstein |
|
MC |
Monaco |
|
NO |
Noorwegen |
|
SM |
San Marino |
|
VA |
Vaticaanstad |
DEEL C
|
AC |
Ascension |
|
AE |
Verenigde Arabische Emiraten |
|
AG |
Antigua en Barbuda |
|
AN |
Nederlandse Antillen |
|
AR |
Argentinië |
|
AU |
Australië |
|
AW |
Aruba |
|
BA |
Bosnië en Herzegovina |
|
BB |
Barbados |
▼M10 —————
|
BH |
Bahrein |
|
BM |
Bermuda |
|
BY |
Belarus |
|
CA |
Canada |
|
CL |
Chili |
|
FJ |
Fiji |
|
FK |
Falklandeilanden |
|
HK |
Hongkong |
▼M12 —————
|
JM |
Jamaica |
|
JP |
Japan |
|
KN |
Saint Kitts en Nevis |
|
KY |
Caymaneilanden |
|
LC |
Saint Lucia |
|
MS |
Montserrat |
|
MU |
Mauritius |
|
MX |
Mexico |
|
MY |
Maleisië |
|
NC |
Nieuw-Caledonië |
|
NZ |
Nieuw-Zeeland |
|
PF |
Frans-Polynesië |
|
PM |
Saint-Pierre en Miquelon |
▼M10 —————
|
RU |
Russische Federatie |
|
SG |
Singapore |
|
SH |
Sint-Helena |
|
TT |
Trinidad en Tobago |
|
TW |
Taiwan |
|
US |
Verenigde Staten van Amerika (met inbegrip van GU — Guam) |
|
VC |
Saint Vincent en de Grenadines |
|
VG |
Britse Maagdeneilanden |
|
VU |
Vanuatu |
|
WF |
Wallis en Futuna |
|
YT |
Mayotte |
( 1 ) PB C 29 E van 30.1.2001, blz. 239, en PB C 270 E van 25.9.2001, blz. 109.
( 2 ) PB C 116 van 20.4.2001, blz. 54.
( 3 ) Advies van het Europees Parlement van 3 mei 2001 (PB C 27 E van 31.1.2002, blz. 55), gemeenschappelijk standpunt van de Raad van 27 juni 2002 (PB C 275 E van 12.11.2002, blz. 42) en besluit van het Europees Parlement van 22 oktober 2002 (nog niet verschenen in het Publicatieblad). Besluit van het Europees Parlement van 10 april 2003 en besluit van de Raad van 25 april 2003.
( 4 ) PB L 68 van 15.3.1973, blz. 1. Verordening gewijzigd bij Verordening (EEG) nr. 1174/86 (PB L 107 van 24.4.1986, blz. 1).
( 5 ) PB L 61 van 3.3.1997, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2476/2001 van de Commissie (PB L 334 van 18.12.2001, blz. 3).
( 6 ) PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.
( 7 ) PB L 268 van 14.9.1992, blz. 54. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1282/2002 van de Commissie (PB L 187 van 16.7.2002, blz. 3).
( 8 ) PB L 79 van 30.3.2000, blz. 40.
( 9 ) PB L 224 van 18.8.1990, blz. 29. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 92/118/EEG (PB L 62 van 15.3.1993, blz. 49).
( 10 ) PB L 268 van 24.9.1991, blz. 56. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 96/43/EG (PB L 162 van 1.7.1996, blz. 1).
( 11 ) PB L 146 van 13.6.2003, blz. 1.”
( 12 ) Richtlijn 90/539/EEG van de Raad van 15 oktober 1990 tot vaststelling van veterinairrechtelijke voorschriften voor het intracommunautaire handelsverkeer en de invoer uit derde landen van pluimvee en broedeieren (PB L 303 van 31.10.1990, blz. 6). Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Beschikking 2001/867/EG van de Commissie (PB L 323 van 7.12.2001, blz. 29).
( 13 ) PB L 311 van 28.11.2001, blz. 1.
( 14 ) PB L 136 van 30.4.2004, blz. 1.