01997R1467 — NL — 30.04.2024 — 003.001


Onderstaande tekst dient louter ter informatie en is juridisch niet bindend. De EU-instellingen zijn niet aansprakelijk voor de inhoud. Alleen de besluiten die zijn gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie (te raadplegen in EUR-Lex) zijn authentiek. Deze officiële versies zijn rechtstreeks toegankelijk via de links in dit document

►B

VERORDENING (EG) Nr. 1467/97 VAN DE RAAD

van 7 juli 1997

over de bespoediging en verduidelijking van de tenuitvoerlegging van de procedure bij buitensporige tekorten

(PB L 209 van 2.8.1997, blz. 6)

Gewijzigd bij:

 

 

Publicatieblad

  nr.

blz.

datum

►M1

VERORDENING (EG) Nr. 1056/2005 VAN DE RAAD  van 27 juni 2005

  L 174

5

7.7.2005

►M2

VERORDENING (EU) Nr. 1177/2011 VAN DE RAAD  van 8 november 2011

  L 306

33

23.11.2011

►M3

VERORDENING (EU) 2024/1264 VAN DE RAAD  van 29 april 2024

  L 1264

1

30.4.2024




▼B

VERORDENING (EG) Nr. 1467/97 VAN DE RAAD

van 7 juli 1997

over de bespoediging en verduidelijking van de tenuitvoerlegging van de procedure bij buitensporige tekorten



AFDELING 1

DEFINITIES EN EVALUATIES

▼M3

Artikel 1

1.  
Deze verordening stelt de bepalingen vast voor het bespoedigen en verduidelijken van de uitvoering van de procedure bij buitensporige tekorten. Het doel van de procedure bij buitensporige tekorten is buitensporige overheidstekorten te ontmoedigen en, indien dergelijke tekorten optreden, die spoedig te doen corrigeren, waarbij op basis van de criteria voor het overheidstekort en de overheidsschuld wordt beoordeeld of begrotingsdiscipline wordt betracht.
2.  
Voor de toepassing van deze verordening wordt onder „deelnemende lidstaten” verstaan de lidstaten die de euro als munt hebben.
3.  
De definities van artikel 2 van Verordening (EU) 2024/1263 van het Europees Parlement en de Raad ( 1 ) zijn van toepassing.

Artikel 2

1.  
Wanneer een overheidstekort de referentiewaarde overschrijdt, wordt die overschrijding overeenkomstig artikel 126, lid 2, punt a), tweede streepje, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) als uitzonderlijk beschouwd indien de Raad overeenkomstig artikel 25 van Verordening (EU) 2024/1263 het bestaan heeft vastgesteld van een ernstige economische neergang in de eurozone of in de Unie als geheel, of van uitzonderlijke omstandigheden waarover de overheid geen controle heeft en die een aanzienlijke invloed hebben op de overheidsfinanciën van de betrokken lidstaat, overeenkomstig artikel 26 van die verordening.

Voorts wordt de overschrijding van de referentiewaarde als tijdelijk beschouwd indien uit de begrotingsprognoses van de Commissie blijkt dat het tekort na afloop van de in de eerste alinea bedoelde ernstige economische neergang of uitzonderlijke omstandigheden onder de referentiewaarde zal dalen.

2.  
Indien de verhouding tussen de overheidsschuld en het bruto binnenlands product (bbp) de referentiewaarde overschrijdt, wordt die verhouding overeenkomstig artikel 126, lid 2, punt b), VWEU geacht in voldoende mate af te nemen en de referentiewaarde in een bevredigend tempo te benaderen indien de betrokken lidstaat zich aan zijn door de Raad vastgestelde netto-uitgavenpad houdt.

De Commissie stelt overeenkomstig artikel 126, lid 3, VWEU een verslag op indien de verhouding tussen de overheidsschuld en het bbp de referentiewaarde overschrijdt, de begrotingssituatie niet vrijwel in evenwicht is of een overschot vertoont en indien de in de controlerekening van de lidstaat geregistreerde afwijkingen groter zijn dan:

a) 

hetzij 0,3  procentpunt van het bbp per jaar;

b) 

hetzij cumulatief 0,6  procentpunt van het bbp.

3.  
Bij de opstelling van een verslag krachtens artikel 126, lid 3, VWEU houdt de Commissie rekening met alle relevante factoren zoals vermeld in dat artikel, voor zover zij de beoordeling of de betrokken lidstaat de tekort- en schuldcriteria naleeft, aanzienlijk beïnvloeden.

Het in artikel 126, lid 3, VWEU, bedoelde verslag weerspiegelt in voorkomend geval:

a) 

de omvang van de schuldproblemen op basis van de methode van artikel 10 van Verordening 2024/1263, de ontwikkeling van de schuldenpositie van de overheid en de financiering ervan, en de bijbehorende risicofactoren en dan met name de looptijdstructuur, de valutasamenstelling van de schuld en voorwaardelijke verplichtingen, met inbegrip van eventuele impliciete verplichtingen die verband houden met de vergrijzing en de particuliere schuld;

b) 

de middellangetermijnontwikkelingen in de begrotingssituatie, waaronder met name de omvang van de werkelijke jaarlijkse en cumulatieve afwijking van het door de Raad vastgestelde netto-uitgavenpad, zoals vastgesteld op basis van de controlerekening;

c) 

de middellangetermijnontwikkelingen in de economische situatie, waaronder potentiële groei, de inflatieontwikkelingen en de conjuncturele ontwikkelingen, vergeleken met de aannames die ten grondslag liggen aan het door de Raad vastgestelde netto-uitgavenpad;

d) 

de voortgang met hervormingen en investeringen, waaronder met name begrepen beleid ter voorkoming en correctie van macro-economische onevenwichtigheden en beleid voor de uitvoering van de gemeenschappelijke strategie voor groei en werkgelegenheid van de Unie, waaronder beleid dat door de bij Verordening (EU) 2021/241 van het Europees Parlement en de Raad ( 2 ) ingestelde herstel- en veerkrachtfaciliteit wordt ondersteund, en de algehele kwaliteit van de overheidsfinanciën, waaronder met name de doeltreffendheid van nationale begrotingskaders;

e) 

gestegen overheidsinvesteringen in defensie, indien daarvan sprake is, ook rekening houdend met moment van boeking van uitgaven voor militair materieel.

De Commissie houdt terdege en uitdrukkelijk rekening met alle andere factoren die naar het oordeel van de betrokken lidstaat relevant zijn om de nakoming van de tekort- en schuldcriteria volledig te kunnen beoordelen, en die de lidstaat aan de Raad en de Commissie kenbaar heeft gemaakt. In dat verband wordt bijzondere aandacht geschonken aan financiële bijdragen voor bevordering van internationale solidariteit en verwezenlijking van de gemeenschappelijke beleidsdoelen van de Unie als bedoeld in artikel 13, punt c), van Verordening (EU) 2024/1263.

4.  
De Raad en de Commissie verrichten een evenwichtige algemene beoordeling van alle relevante factoren, en met name van de mate waarin die factoren, als verzwarende of verzachtende factoren, van invloed zijn op de vraag of wordt voldaan aan het tekort- en/of schuldcriterium. Indien de lidstaat met aanzienlijke schuldproblemen kampt als bedoeld in lid 3, tweede alinea, punt a), van dit artikel, wordt dat als een belangrijke verzwarende factor aangemerkt. Gunstige conjuncturele, begrotings- en financiële ontwikkelingen worden niet als verzachtende factoren aangemerkt, maar ongunstige ontwikkelingen kunnen wel als zodanig worden aangemerkt.

Indien de verhouding tussen de overheidsschuld en het bbp de referentiewaarde overschrijdt, wordt bij de nalevingsbeoordeling op basis van het tekortcriterium in de in artikel 126, leden 4, 5, en 6, VWEU bedoelde stappen die voorafgaan aan het besluit over het bestaan van een buitensporig tekort enkel met die factoren rekening gehouden indien volledig is voldaan aan de tweeledige voorwaarde van het overkoepelende beginsel, namelijk dat het overheidstekort dicht bij de referentiewaarde blijft en de overschrijding van de referentiewaarde slechts van tijdelijke aard is.

Bij de nalevingsbeoordeling op basis van het schuldcriterium wordt in de stappen die leiden tot het besluit over het bestaan van een buitensporig tekort echter wel rekening gehouden met die factoren.

5.  
Indien lidstaten op grond van de artikelen 25 en 26 van Verordening (EU) 2024/1263 van hun netto-uitgavenpad mogen afwijken, kunnen de Commissie en de Raad bij hun beoordeling besluiten tot geen conclusie te komen betreffende het bestaan van een buitensporig tekort.
6.  
Indien de Raad, handelend krachtens artikel 126, lid 6, VWEU, besluit dat in een lidstaat een buitensporig tekort bestaat, houden de Raad en de Commissie in de daaropvolgende fasen van de procedure van artikel 126 VWEU rekening met de in lid 3 van dit artikel bedoelde relevante factoren aangezien die van invloed zijn op de situatie van de betrokken lidstaat, inclusief die welke vermeld zijn in artikel 5, lid 2, van deze verordening, met name bij de vaststelling van een termijn voor het corrigeren van het buitensporige tekort en de eventuele verlenging van die termijn. Die relevante factoren worden evenwel niet in aanmerking genomen voor het door de Raad krachtens artikel 126, lid 12, VWEU te nemen besluit tot intrekking van sommige of alle van de in artikel 126, leden 6 tot en met 9 en lid 11, VWEU bedoelde besluiten.

▼M2

AFDELING 1 bis

ECONOMISCHE DIALOOG

Artikel 2 bis

1.  
Om de dialoog tussen de instellingen van de Unie, in het bijzonder het Europees Parlement, de Raad en de Commissie te bevorderen en meer transparantie en verantwoordelijkheid te bewerkstelligen, kan de bevoegde commissie van het Europees Parlement de voorzitter van de Raad, de Commissie en, in voorkomend geval, de voorzitter van de Europese Raad of de voorzitter van de eurogroep in de commissie uitnodigen om van gedachten te wisselen over besluiten van de Raad overeenkomstig artikel 126, lid 6, VWEU, aanbevelingen van de Raad overeenkomstig artikel 126, lid 7, VWEU, aanmaningen krachtens artikel 126, lid 9, VWEU en besluiten uit hoofde van artikel 126, lid 11, VWEU.

De Raad wordt geacht de aanbevelingen en voorstellen van de Commissie te volgen, of zijn standpunt in het openbaar toe te lichten.

De bevoegde commissie van het Europees Parlement kan de lidstaat waarop deze besluiten, aanbevelingen of aanmaningen betrekking hebben, de gelegenheid bieden om deel te nemen aan een gedachtewisseling.

2.  
De Raad en de Commissie informeren het Europees Parlement geregeld over de toepassing van deze verordening.

▼B

AFDELING 2

BESPOEDIGING VAN DE PROCEDURE BIJ BUITENSPORIGE TEKORTEN

▼M3

Artikel 3

1.  
Binnen twee weken nadat de Commissie een overeenkomstig artikel 126, lid 3, VWEU opgesteld verslag heeft aangenomen, brengt het Economisch en Financieel Comité overeenkomstig artikel 126, lid 4, VWEU advies uit.
2.  
Indien de Commissie van mening is dat er een buitensporig tekort bestaat, richt zij, volledig rekening houdend met het in lid 1 van dit artikel bedoelde advies, een advies en een voorstel tot de Raad overeenkomstig artikel 126, leden 5 en 6, VWEU en brengt zij het Europees Parlement daarvan op de hoogte.
3.  
In de regel besluit de Raad binnen vier maanden na de in artikel 3, leden 2 en 3, van Verordening (EG) nr. 479/2009 van de Raad ( 3 ) vastgestelde kennisgevingsdata overeenkomstig artikel 126, lid 6, VWEU of er al dan niet een buitensporig tekort bestaat. Indien de Raad besluit dat er een buitensporig tekort bestaat, richt hij terzelfder tijd overeenkomstig artikel 126, lid 7, VWEU aanbevelingen tot de betrokken lidstaat. De Raad maakt zijn besluiten uit hoofde van artikel 126, lid 6, VWEU openbaar.
4.  
In de aanbeveling van de Raad overeenkomstig artikel 126, lid 7, VWEU wordt een termijn van ten hoogste zes maanden bepaald waarbinnen de betrokken lidstaat effectief gevolg aan die aanbeveling moet geven. Indien de ernst van de situatie dat rechtvaardigt, kan de termijn voor effectief gevolg geven worden verkort tot drie maanden. In de aanbeveling van de Raad wordt ook een termijn vastgesteld voor de correctie van het buitensporige tekort.

In zijn aanbeveling verzoekt de Raad de lidstaat tevens een correctief netto-uitgavenpad uit te voeren om te waarborgen dat het algemene overheidstekort binnen de in de aanbeveling bepaalde termijn onder de referentiewaarde blijft of wordt gebracht en gehandhaafd.

Indien de procedure bij buitensporige tekorten is ingesteld op grond van het tekortcriterium, geldt voor de jaren waarin het algemene overheidstekort de referentiewaarde naar verwachting zal overschrijden, als benchmark voor het correctieve netto-uitgavenpad een minimale jaarlijkse structurele aanpassing van ten minste 0,5  % van het bbp.

Indien de procedure bij buitensporige tekorten is ingesteld op basis van het schuldcriterium, is het correctieve netto-uitgavenpad ten minste even veeleisend als het door de Raad overeenkomstig artikel 17 van Verordening (EU) 2024/1263 vastgestelde netto-uitgavenpad, en corrigeert het in de regel binnen de door de Raad gestelde termijn de gecumuleerde afwijkingen van de controlerekening.

5.  
De betrokken lidstaat brengt binnen de in lid 4 van dit artikel bedoelde termijn aan de Raad en de Commissie verslag uit over het gevolg dat is gegeven aan de aanbeveling van de Raad uit hoofde van artikel 126, lid 7, VWEU. Het verslag bevat de doelstellingen voor de overheidsuitgaven en -ontvangsten en voor de discretionaire maatregelen aan zowel de uitgavenzijde als de ontvangstenzijde die verenigbaar zijn met de aanbeveling van de Raad, alsook informatie over de genomen maatregelen en over de aard van de voorgenomen maatregelen om de doelstellingen te bereiken. De lidstaat maakt het verslag openbaar. De lidstaat kan de betrokken onafhankelijke begrotingsinstelling verzoeken een niet-bindend, afzonderlijk verslag op te stellen over de toereikendheid van de genomen en voorgenomen maatregelen ten opzichte van de doelstellingen.
6.  

De Raad kan op aanbeveling van de Commissie besluiten een herziene aanbeveling uit hoofde van artikel 126, lid 7, VWEU vast te stellen indien:

a) 

naar aanleiding van een dergelijke aanbeveling doeltreffende maatregelen zijn genomen en de voorwaarden van artikel 26 van Verordening (EU) 2024/1263 van toepassing zijn, of

b) 

de voorwaarden van artikel 25 van Verordening (EU) 2024/1263 van toepassing zijn.

In de herziene aanbeveling kan met name de termijn voor het corrigeren van het buitensporige tekort worden verlengd, in de regel met een jaar.

Artikel 4

1.  
Wanneer de Raad onderzoekt of aan zijn aanbevelingen overeenkomstig artikel 126, lid 7, VWEU effectief gevolg is gegeven, baseert hij zijn besluit op het verslag dat de betrokken lidstaat overeenkomstig artikel 3, lid 5, van deze verordening heeft ingediend en op de uitvoering daarvan, alsook op eventuele andere publiekelijk aangekondigde en voldoende uitvoerige besluiten van de regering van de betrokken lidstaat.

Indien de Raad overeenkomstig artikel 126, lid 8, VWEU vaststelt dat de betrokken lidstaat geen effectief gevolg aan zijn aanbevelingen heeft gegeven, brengt hij daaromtrent verslag uit aan de Europese Raad.

2.  
Een besluit van de Raad uit hoofde van artikel 126, lid 8, VWEU om zijn aanbeveling openbaar te maken, wanneer wordt vastgesteld dat daaraan geen effectief gevolg is gegeven, wordt genomen onmiddellijk na het verstrijken van de overeenkomstig artikel 3, lid 4, van deze verordening gestelde termijn.

▼M1

Artikel 5

▼M3

1.  
Een besluit van de Raad overeenkomstig artikel 126, lid 9, VWEU om de betrokken deelnemende lidstaat aan te manen maatregelen te treffen om het tekort te verminderen, wordt genomen binnen twee maanden nadat de Raad uit hoofde van artikel 126, lid 8, VWEU heeft vastgesteld dat geen effectief gevolg aan zijn aanbevelingen is gegeven. In de aanmaning verzoekt de Raad de lidstaat een correctief netto-uitgavenpad uit te voeren overeenkomstig de vereisten van artikel 3, lid 4, van deze verordening. De Raad geeft ook maatregelen aan die bevorderlijk zijn voor het bereiken van het correctieve netto-uitgavenpad.

▼M2

1 bis.  
Na een aanmaning van de Raad krachtens artikel 126, lid 9, VWEU brengt de betrokken lidstaat verslag uit aan de Raad en de Commissie over het gevolg dat aan de aanmaning van de Raad is gegeven. Het verslag bevat de doelstellingen voor de overheidsuitgaven en -ontvangsten en voor de discretionaire maatregelen aan zowel de uitgaven- als de ontvangstenzijde, alsook informatie over de in reactie op de specifieke aanbevelingen van de Raad genomen maatregelen teneinde de Raad in staat te stellen, indien nodig, het besluit overeenkomstig artikel 6, lid 2, van deze verordening te nemen. De lidstaat maakt het verslag openbaar.

▼M3

2.  

De Raad kan op aanbeveling van de Commissie besluiten een herziene aanmaning uit hoofde van artikel 126, lid 9, VWEU vast te stellen indien:

a) 

naar aanleiding van een dergelijke aanmaning doeltreffende maatregelen zijn genomen en de voorwaarden van artikel 26 van Verordening (EU) 2024/1263 van toepassing zijn, of

b) 

de voorwaarden van artikel 25 van Verordening (EU) 2024/1263 van toepassing zijn.

In de herziene aanmaning kan met name de termijn voor het corrigeren van het buitensporige tekort worden verlengd, in de regel met een jaar.

▼M2

Artikel 6

▼M3

1.  
Wanneer de Raad onderzoekt of aan zijn aanmaning overeenkomstig artikel 126, lid 9, VWEU effectief gevolg is gegeven, baseert hij zijn besluit op het verslag dat de betrokken lidstaat overeenkomstig artikel 5, lid 1 bis, van deze verordening heeft ingediend en op de uitvoering ervan, alsook op eventuele andere publiekelijk aangekondigde en voldoende uitvoerige besluiten van de regering van de betrokken lidstaat. Er wordt rekening gehouden met het resultaat van de overeenkomstig artikel 10 bis van deze verordening door de Commissie uitgevoerde toezichtsmissie.

▼M2

2.  
Wanneer aan de voorwaarden voor de toepassing van artikel 126, lid 11, VWEU is voldaan, legt de Raad overeenkomstig dat artikel sancties op. Een besluit daartoe wordt genomen uiterlijk vier maanden na het besluit van de Raad om overeenkomstig artikel 126, lid 9, VWEU de betrokken deelnemende lidstaat aan te manen maatregelen te nemen.

Artikel 7

Indien een deelnemende lidstaat zich niet voegt naar de opeenvolgende handelingen van de Raad overeenkomstig artikel 126, leden 7 en 9, VWEU, wordt het besluit van de Raad om overeenkomstig artikel 126, lid 11, VWEU sancties op te leggen doorgaans genomen binnen zestien maanden na de in artikel 3, leden 2 en 3, van Verordening (EG) nr. 479/2009 vastgestelde termijnen voor het verstrekken van gegevens. Ingeval artikel 3, lid 5, of artikel 5, lid 2, van deze verordening wordt toegepast, wordt de termijn van zestien maanden dienovereenkomstig gewijzigd. In het geval van een opzettelijk tekort waarvan de Raad besluit dat het buitensporig is, wordt een spoedprocedure gevolgd.

▼M3

Artikel 8

1.  
Een besluit van de Raad krachtens artikel 126, lid 11, VWEU, om sancties te versterken, wordt genomen uiterlijk twee maanden na de kennisgevingsdata op grond van Verordening (EG) nr. 479/2009.
2.  
Een besluit van de Raad uit hoofde van artikel 126, lid 12, VWEU om al zijn besluiten of sommige daarvan in te trekken, wordt zo spoedig mogelijk genomen en in ieder geval uiterlijk twee maanden na de kennisgevingsdata op grond van Verordening (EG) nr. 479/2009.
3.  
Een besluit van de Raad wordt uitsluitend op grond van artikel 126, lid 12, VWEU genomen indien het tekort onder de referentiewaarde is gebracht en naar verwachting van de Commissie in het lopende en komende jaar onder die waarde zal blijven, alsook indien de procedure bij buitensporige tekorten op basis van het schuldcriterium was ingesteld, de betrokken lidstaat het door de Raad overeenkomstig artikel 3, lid 4, of artikel 5, lid 1, van deze verordening vastgestelde correctieve netto-uitgavenpad in de vorige twee jaar is nagekomen.

▼B

AFDELING 3

OPSCHORTING EN OPVOLGING

Artikel 9

▼M3

1.  

De procedure bij buitensporige tekorten wordt geschorst indien:

a) 

de betrokken lidstaat handelt overeenkomstig aanbevelingen die zijn gedaan overeenkomstig artikel 126, lid 7, VWEU;

b) 

de betrokken deelnemende lidstaat handelt overeenkomstig de aanmaningen die zijn gegeven overeenkomstig artikel 126, lid 9, VWEU.

▼M1

2.  
De periode gedurende welke de procedure is opgeschort, wordt niet meegerekend bij de in artikel 6 bedoelde periode, noch bij de in artikel 7 bedoelde periode.

▼M1

3.  
Indien de Commissie na het verstrijken van de in artikel 3, lid 4, eerste zin, bedoelde termijn en na het verstrijken van de in ►M2  artikel 6, lid 2 ◄ , tweede zin, bedoelde termijn van oordeel is dat de getroffen maatregelen, mits zij volledig ten uitvoer worden gelegd en op voorwaarde dat de economische ontwikkelingen sporen met de prognoses, lijken te volstaan voor het boeken van voldoende vooruitgang om het buitensporige tekort binnen de door de Raad vastgestelde termijn te corrigeren, stelt zij de Raad daarvan in kennis. De kennisgeving van de Commissie wordt openbaar gemaakt.

▼M3

Artikel 10

1.  

De Raad en de Commissie volgen regelmatig de uitvoering van de maatregelen:

— 
die de betrokken lidstaat naar aanleiding van de aanbevelingen krachtens artikel 126, lid 7, VWEU neemt;
— 
die de betrokken deelnemende lidstaat naar aanleiding van de aanmaningen krachtens artikel 126, lid 9, VWEU neemt.
2.  
Indien maatregelen niet door een deelnemende lidstaat ten uitvoer worden gelegd of naar het oordeel van de Raad ontoereikend zijn, neemt de Raad onmiddellijk een besluit krachtens respectievelijk artikel 126, lid 9, of artikel 126, lid 11, VWEU.
3.  
Indien uit feitelijke gegevens op grond van Verordening (EG) nr. 479/2009 blijkt dat een deelnemende lidstaat een buitensporig tekort niet heeft gecorrigeerd binnen de termijnen die in aanbevelingen krachtens artikel 126, lid 7, VWEU of aanmaningen krachtens artikel 126, lid 9, VWEU gesteld zijn, neemt de Raad onmiddellijk een besluit krachtens respectievelijk artikel 126, lid 9, of artikel 126, lid 11, VWEU.

▼M2

Artikel 10 bis

▼M3

1.  
De Commissie zorgt conform de doelstellingen van deze verordening voor een permanente dialoog met de autoriteiten van de lidstaten. Daartoe voert de Commissie in het bijzonder missies uit om de feitelijke economische situatie in de lidstaat te beoordelen en om eventuele risico’s of moeilijkheden bij de naleving van de doelstellingen van deze verordening te identificeren, en maakt zij contacten met andere relevante belanghebbenden mogelijk, waaronder de nationale onafhankelijke begrotingsinstellingen.
2.  
De Commissie kan nadat de Raad een aanmaning krachtens artikel 126, lid 9, VWEU, heeft vastgesteld en op verzoek van het parlement van de betrokken lidstaat, haar beoordeling van de economische en begrotingssituatie in de lidstaat voorleggen. Het toezicht kan met het oog op toezicht ter plaatse worden versterkt voor lidstaten die het voorwerp vormen van aanbevelingen en aanmaningen naar aanleiding van een besluit op grond van artikel 126, lid 8, VWEU en besluiten krachtens artikel 126, lid 11, VWEU. De betrokken lidstaten verstrekken alle informatie die nodig is voor de voorbereiding en uitvoering van de missie.

▼M2

3.  
De Commissie kan indien passend vertegenwoordigers van de Europese Centrale Bank verzoeken om deel te nemen aan toezichtmissies in een lidstaat die de euro als munt heeft of die deelneemt aan de Overeenkomst van 16 maart 2006 tussen de Europese Centrale Bank en de nationale centrale banken van de lidstaten buiten het eurogebied waarin de operationele procedures voor een wisselkoersmechanisme in de derde fase van de Economische en Monetaire Unie zijn neergelegd ( 4 ) (WKM II).
4.  
De Commissie brengt bij de Raad verslag uit over het resultaat van de in lid 2 bedoelde missie en kan besluiten haar bevindingen openbaar te maken.
5.  
Bij het organiseren van de in lid 2 bedoelde toezichtmissies deelt de Commissie haar voorlopige bevindingen voor commentaar mee aan de betrokken lidstaten.

▼B

AFDELING 4

SANCTIES

▼M2

Artikel 11

Telkens wanneer de Raad overeenkomstig artikel 126, lid 11, VWEU besluit sancties aan een deelnemende lidstaat op te leggen, wordt in de regel een boete verlangd. De Raad kan besluiten om naast deze boete de andere maatregelen te nemen als bepaald in artikel 126, lid 11, VWEU.

▼M3

Artikel 12

1.  
De boete bedraagt ten hoogste 0,05  % van de meest recente raming van het bbp van het voorgaande jaar, voor de duur van zes maanden en moet halfjaarlijks worden voldaan tot de Raad vaststelt dat de betrokken lidstaat effectief gevolg heeft gegeven aan de krachtens artikel 126, lid 9, VWEU gegeven aanmaning.
2.  
Tot het besluit omtrent het bestaan van een buitensporig tekort wordt ingetrokken, beoordeelt de Raad in elke periode van zes maanden die volgt op de periode waarin een boete is opgelegd of de betrokken deelnemende lidstaat effectief gevolg heeft gegeven aan de aanmaning van de Raad overeenkomstig artikel 126, lid 9, VWEU. In die halfjaarlijkse beoordeling besluit de Raad overeenkomstig artikel 126, lid 11, VWEU om de sancties te versterken, tenzij de betrokken deelnemende lidstaat gevolg heeft gegeven aan de aanmaning van de Raad.

▼M2 —————

▼M3

Artikel 14

Afhankelijk van de mate waarin de betrokken deelnemende lidstaat erin is geslaagd het buitensporige tekort te corrigeren, trekt de Raad de in artikel 126, lid 11, eerste en tweede streepje, VWEU, bedoelde sancties overeenkomstig artikel 126, lid 12, VWEU in.

Artikel 15

Overeenkomstig artikel 126, lid 12, VWEU trekt de Raad alle nog openstaande sancties in indien het besluit over het bestaan van een buitensporig tekort wordt ingetrokken. Boeten die overeenkomstig artikel 12 van deze verordening zijn opgelegd, worden niet aan de betrokken deelnemende lidstaat terugbetaald.

Artikel 16

De in artikel 12 bedoelde geldboeten vormen algemene ontvangsten voor de Uniebegroting.

▼B

AFDELING 5

OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

▼M3 —————

▼M3

Artikel 17 bis

1.  
Uiterlijk op 31 december 2030, en daarna elke vijf jaar, publiceert de Commissie een verslag over de toepassing van deze verordening.

Dat verslag bevat een evaluatie van:

a) 

de doeltreffendheid van deze verordening bij de verwezenlijking van de in artikel 1, lid 1, bedoelde doelstelling, en

b) 

de vooruitgang die is geboekt bij het waarborgen van een nauwere coördinatie van het economisch beleid en de aanhoudende convergentie van de economische prestaties van de lidstaten overeenkomstig het VWEU.

2.  
Indien passend gaat het in lid 1 bedoelde verslag vergezeld van een voorstel tot wijziging van deze verordening.
3.  
Het in lid 1 bedoelde verslag wordt toegezonden aan het Europees Parlement en de Raad.

▼M3

Artikel 17 ter

Op aanbeveling van de Commissie stelt de Raad een herziene aanbeveling krachtens artikel 126, lid 7, VWEU of een herziene aanmaning krachtens artikel 126, lid 9, VWEU vast voor lidstaten waaraan op 30 april 2024 reeds een aanbeveling krachtens artikel 126, lid 7, VWEU, of een aanmaning krachtens artikel 126, lid 9, VWEU was gericht en die daaraan effectief gevolg hebben gegeven.

De Raad stelt de herziene aanbeveling of aanmaning tezamen vast met de vaststelling van de aanbeveling op grond van artikel 17 van Verordening (EU) 2024/1263 waarin het netto-uitgavenpad wordt vastgesteld.

▼B

Artikel 18

Deze verordening treedt in werking op 1 januari 1999.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

▼M3 —————



( 1 ) Verordening (EU) 2024/1263 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2024 betreffende de doeltreffende coördinatie van het economisch beleid en betreffende het multilaterale begrotingstoezicht en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1466/97 van de Raad (PB L, 2024/1263, 30.4.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2024/1263/oj).

( 2 ) Verordening (EU) 2021/241 van het Europees Parlement en de Raad van 12 februari 2021 tot instelling van de herstel- en veerkrachtfaciliteit (PB L 57 van 18.2.2021, blz. 17).

( 3 ) Verordening (EG) nr. 479/2009 van de Raad van 25 mei 2009 betreffende de toepassing van het aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap gehechte Protocol betreffende de procedure bij buitensporige tekorten (PB L 145 van 10.6.2009, blz. 1).

( 4 )  PB C 73 van 25.3.2006, blz. 21.