1981L0527 — NL — 26.10.1987 — 002.001
Dit document vormt slechts een documentatiehulpmiddel en verschijnt buiten de verantwoordelijkheid van de instellingen
|
RICHTLIJN VAN DE RAAD van 30 juni 1981 inzake de ontwikkeling van de landbouw in de Franse overzeese departementen (81/527/EEG) (PB L 197, 20.7.1981, p.38) |
Gewijzigd bij:
|
|
|
Publicatieblad |
||
|
No |
page |
date |
||
|
L 93 |
1 |
30.3.1985 |
||
|
L 304 |
44 |
27.10.1987 |
||
|
NB: Deze geconsolideerde versie bevat referenties naar de Europese rekeneenheid en/of ecu. Vanaf 1 januari 1999 moeten beide worden gelezen als referentie naar de euro — Verordening (EEG) nr. 3308/80 van de Raad (PB L 345 van 20.12.1980, blz. 1) en Verordening (EG) nr. 1103/97 van de Raad (PB L 162 van 19.6.1997, blz. 1). |
RICHTLIJN VAN DE RAAD
van 30 juni 1981
inzake de ontwikkeling van de landbouw in de Franse overzeese departementen
(81/527/EEG)
DE RAAD VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, inzonderheid op artikel 43,
Gezien het voorstel van de Commissie,
Gezien het advies van het Europese Parlement ( 1 ),
Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité ( 2 ),
Overwegende dat, om de in artikel 39, lid 1, sub a) en b), van het Verdrag vermelde doeleinden van het gemeenschappelijk landbouwbeleid te verwezenlijken, in Gemeenschapsverband bijzondere maatregelen moeten worden getroffen die zijn afgestemd op de situatie in de landbouwgebieden met de minst gunstige produktieomstandigheden;
Overwegende dat het Europees Ontwikkelingsfonds met ingang van 1980 geen steun meer kan verlenen;
Overwegende dat de Franse overzeese departementen qua ontwikkeling sterk zijn achtergebleven bij de overige gebieden van de Gemeenschap en zich qua landbouwproduktie en -inkomen in een bijzonder ongunstige situatie bevinden, terwijl de landbouw de enige sector is die een vooraanstaande rol kan spelen bij de economische ontwikkeling van deze departementen;
Overwegende dat de in de artikelen 13 en 19 van Richtlijn 72/159/EEG van de Raad van 17 april 1972 betreffende de modernisering van landbouwbedrijven ( 3 ), laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 81/528/EEG ( 4 ), vermelde voorwaarden en grenzen niet beantwoorden aan de bijzondere structurele situatie in genoemde departementen;
Overwegende dat ernaar moet worden gestreefd de structurele achterstand van deze gebieden in te halen, hetgeen een duurzaam effect zal hebben op de economische situatie in de landbouw;
Overwegende dat de landbouwproduktie in genoemde departementen ernstige hinder ondervindt van de onevenwichtige waterhuishouding, de gebrekkige infrastructuur op het platteland en het feit dat de bodem aanzienlijk moet worden verbeterd om redelijke opbrengsten, een rationele exploitatie en een rendabele bosbouw mogelijk te maken;
Overwegende dat de produktie meer moet worden afgestemd op de veeteelt en dat diversificatie van de cultures moet worden bevorderd;
Overwegende dat, gezien de geconstateerde achterstand, de tenuitvoerlegging van deze maatregelen dient te worden bespoedigd door verlening van communautaire steun;
Overwegende dat het verwezenlijken van deze doelstellingen moet worden bevorderd door een gemeenschappelijke actie waarin al deze elementen zijn gebundeld en die betrekking heeft op alle Franse overzeese departementen en past in een bijzonder meerjarenprogramma dat door de Franse Republiek moet worden ingediend;
Overwegende dat uit het voorafgaande volgt dat bovenbedoelde maatregelen een gemeenschappelijke actie vormen in de zin van artikel 6 van Verordening (EEG) nr. 729/70 van de Raad van 21 april 1970 betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid ( 5 ), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EEG) nr. 3509/80 ( 6 ),
HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:
Artikel 1
1. Om de ontwikkeling van de landbouw in de Franse overzeese departementen te bevorderen wordt een gemeenschappelijke actie in de zin van artikel 6, lid 1, van Verordening (EEG) nr. 729/70 ingesteld die door de Franse Republiek moet worden uitgevoerd in de departementen Réunion, Guadeloupe, Martinique en Guyana.
▼M1 —————
Artikel 2
1. De financiële bijdrage van de Gemeenschap mag uitsluitend worden gebruikt in het kader van een programma waarbij alle overwogen maatregelen in de betrokken departementen worden uitgevoerd. De Franse Republiek zal bij de Commissie een programma indienen voor alle betrokken departementen of voor een of meer van die departementen.
2. De Commissie neemt een besluit over de goedkeuring van het programma en de eventuele aanpassingen ervan, ►M1 volgens de procedure van artikel 25 van Verordening (EEG) nr. 797/85 van de Raad van 12 maart 1985 betreffende de verbetering van de doeltreffendheid van de landbouwstructuur ( 7 ), na raadpleging van het Comité ◄ van het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw, hierna „het Fonds” te noemen, over de financiële aspecten.
Artikel 3
Het programma heeft acties ten doel die voor de ontwikkeling van de landbouw van essentieel belang zijn door:
a) collectieve irrigatiewerken,
b) verbetering van de agrarische infrastructuur,
c) grondverbetering, werken ter bescherming tegen overstroming en andere beschermingswerkzaamheden,
d) herbebossing en verbetering van beschadigd bos, met inbegrip van de aanleg van windsingels en boswegen voor zover deze maatregelen garanties bieden voor een verbetering van de landbouwstructuren,
e) maatregelen om de produktie af te stemmen op de veeteelt, meer in het bijzonder op de vleesproduktie, en op de diversificatie van de cultures door het stimuleren van cultures die zijn aangepast aan de produktie- en afzetomstandigheden.
Artikel 4
1. Het programma bevat de volgende gegevens:
— een beschrijving van de huidige situatie en van de behoeften,
— een beschrijving van de diverse overwogen maatregelen,
— het financieringsplan voor het programma,
— de omvang van de werkzaamheden en de verwachte duur voor de uitvoering van het programma,
— de wijze waarop de overheid in de uitvoering van het programma zal deelnemen.
2. Het geheel van de in artikel 3 bedoelde maatregelen moet worden opgenomen in het regionaal ontwikkelingsprogramma wanneer de Franse Republiek dit uit hoofde van artikel 6 van Verordening (EEG) nr. 724/75 van de Raad van 18 maart 1975 houdende oprichting van een Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling ( 8 ), gewijzigd bij Verordening (EEG) nr. 214/79 ( 9 ), aan de Commissie moet mededelen.
Artikel 5
1. Voor financiering uit het Fonds, afdeling Oriëntatie, komen in aanmerking de uitgaven die de Franse Republiek in het kader van het programma heeft gedaan voor de maatregelen bedoeld in artikel 3:
— onder a), tot maximaal 50 miljoen Ecu,
— onder b), tot maximaal 122 miljoen Ecu,
— onder c), tot maximaal 57 miljoen Ecu,
— onder d), tot maximaal 18 miljoen Ecu,
— onder e), tot maximaal 40,5 miljoen Ecu, waarvan ten hoogste 5,35 miljoen Ecu mag worden besteed aan technische bijstand en voor de toepassing van de resultaten van het landbouwkundig onderzoek.
Bij de goedkeuring van het programma of van de aanpassingen overeenkomstig artikel 2, lid 2, kan de Commissie deze bedragen wijzigen zonder dat echter de geraamde totale kosten, vastgesteld in artikel 6, lid 3, en de 5,35 miljoen Ecu bestemd voor technische bijstand en toepassing van de onderzoekresultaten mogen worden overschreden.
2. Het Fonds, afdeling Oriëntatie, vergoedt aan de Franse Republiek 40 % van de voor financiering in aanmerking komende uitgaven.
Artikel 6
1. De looptijd van de gemeenschappelijke actie bedraagt zeven jaar, te rekenen vanaf de datum waarop het programma wordt goedgekeurd.
2. Vóór het einde van de in lid 1 bedoelde periode wordt deze richtlijn door de Raad op voorstel van de Commissie opnieuw bezien.
3. De totale kosten van de gemeenschappelijke actie die voor rekening van het Fonds komen, worden geraamd op 115 miljoen Ecu.
4. Artikel 6, lid 5, van Verordening (EEG) nr. 729/70 is van toepassing op deze richtlijn.
Artikel 7
Bij de goedkeuring van het programma bepaalt de Commissie in overleg met de Franse Republiek hoe zij periodiek over het verloop van de gemeeenschappelijke actie zal worden ingelicht.
Artikel 8
1. De aanvragen om vergoeding hebben betrekking op de uitgaven die de Franse Republiek in de loop van een kalenderjaar heeft gedaan en worden uiterlijk op 30 juni van het daaropvolgende jaar bij de Commissie ingediend.
2. Tot bijstand van het Fonds wordt besloten overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EEG) nr. 729/70.
3. Het Fonds kan voorschotten toekennen aan de hand van de door de Franse Republiek vastgestelde financieringsregeling en naarmate de uitvoering van het programma vordert.
4. De wijze van toepassing van dit artikel wordt vastgesteld volgens de procedure van artikel 13 van Verordening (EEG) nr. 729/70.
Artikel 9
Deze richtlijn is gericht tot de Franse Republiek.
( 1 ) PB nr. C 291 van 10. 11. 1980, blz. 83.
( 2 ) PB nr. C 348 van 31. 12. 1980, blz. 6.
( 3 ) PB nr. L 96 van 23. 4. 1972 blz. 1.
( 4 ) Zie blz. 41 van dit Publikatieblad.
( 5 ) PB nr. L 94 van 28. 4. 1970, blz. 13.
( 6 ) PB nr. L 367 van 31. 12. 1980, blz. 87.
( 7 ) PB nr. L 93 van 30. 3. 1985, blz. 1.
( 8 ) PB nr. L 73 van 29. 3. 1975, blz. 1.
( 9 ) PB nr. L 35 van 9. 2. 1979, blz. 1.