1977L0091 — NL — 22.10.2009 — 004.001


Dit document vormt slechts een documentatiehulpmiddel en verschijnt buiten de verantwoordelijkheid van de instellingen

►B

TWEEDE RICHTLIJN VAN DE RAAD

van 13 december 1976

strekkende tot het coördineren van de waarborgen welke in de Lid-Staten worden verlangd van de vennootschappen in de zin van artikel 58, tweede alinea, van het Verdrag, om de belangen te beschermen zowel van de deelnemers in deze vennootschappen als van derden met betrekking tot de oprichting van de naamloze vennootschap, alsook de instandhouding en wijziging van haar kapitaal, zulks ten einde die waarborgen gelijkwaardig te maken

(77/91/EEG)

(PB L 026, 31.1.1977, p.1)

Gewijzigd bij:

 

 

Publicatieblad

  No

page

date

►M1

Richtlijn 92/101/EEG van de Raad van 23 november 1992 

  L 347

64

28.11.1992

►M2

RICHTLIJN 2006/68/EG VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD Voor de EER relevante tekst van 6 september 2006

  L 264

32

25.9.2006

►M3

RICHTLIJN 2006/99/EG VAN DE RAAD van 20 november 2006

  L 363

137

20.12.2006

►M4

RICHTLIJN 2009/109/EG VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 16 september 2009

  L 259

14

2.10.2009


Gewijzigd bij:

►A1

Toetredingsakte van Griekenland

  L 291

17

19.11.1979

►A2

  L 302

23

15.11.1985

 A3

Toetredingsakte van Oostenrijk, Finland en Zweden

  C 241

21

29.8.1994

 

(aangepast door Besluit 95/1/EG, Euratom, EGKS van de Raad)

  L 001

1

..

►A4

Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor de Tsjechische Republiek, de Republiek Estland, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, de Republiek Polen, de Republiek Slovenië en de Slowaakse Republiek en de aanpassing van de Verdragen waarop de Europese Unie is gegrond

  L 236

33

23.9.2003



NB: Deze geconsolideerde versie bevat referenties naar de Europese rekeneenheid en/of ecu. Vanaf 1 januari 1999 moeten beide worden gelezen als referentie naar de euro — Verordening (EEG) nr. 3308/80 van de Raad (PB L 345 van 20.12.1980, blz. 1) en Verordening (EG) nr. 1103/97 van de Raad (PB L 162 van 19.6.1997, blz. 1).




▼B

TWEEDE RICHTLIJN VAN DE RAAD

van 13 december 1976

strekkende tot het coördineren van de waarborgen welke in de Lid-Staten worden verlangd van de vennootschappen in de zin van artikel 58, tweede alinea, van het Verdrag, om de belangen te beschermen zowel van de deelnemers in deze vennootschappen als van derden met betrekking tot de oprichting van de naamloze vennootschap, alsook de instandhouding en wijziging van haar kapitaal, zulks ten einde (SIC! teneinde) die waarborgen gelijkwaardig te maken

(77/91/EEG)



DE RAAD VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, inzonderheid op artikel 54, lid 3, sub g),

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Europese (SIC! Europees) Parlement ( 1 ),

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité ( 2 ),

Overwegende dat het nastreven van de in artikel 54, lid 3, sub g), en in het Algemeen Programma voor de opheffing van de beperkingen van de vrijheid van vestiging bedoelde coördinatie, die is begonnen met Richtlijn 68/151/EEG ( 3 ), van bijzonder belang is voor naamloze vennootschappen, omdat deze vennootschappen in de economie van de Lid-Staten een zeer grote rol spelen en hun werkzaamheden zich dikwijls uitstrekken tot buiten de grenzen van hun grondgebied;

Overwegende dat het voor een gelijkwaardige bescherming van de aandeelhouders en de schuldeisers van deze vennootschappen van bijzonder belang is de nationale wettelijke bepalingen inzake de oprichting van naamloze vennootschappen en de instandhouding, de verhoging en de vermindering van hun kapitaal te coördineren;

Overwegende dat op het grondgebied van de Gemeenschap de statuten of de oprichtingsakte van een naamloze vennootschap iedere belanghebbende in staat moeten stellen zich een oordeel te vormen over de wezenlijke kenmerken van deze vennootschap en met name over de juiste samenstelling van het kapitaal van de vennootschap;

Overwegende dat er een Gemeenschapsregeling moet worden vastgesteld ter instandhouding van het kapitaal, dat een waarborg vormt voor de schuldeisers, inzonderheid door te verbieden dit kapitaal aan te tasten door onverplichte uitkeringen aan de aandeelhouders en door de mogelijkheid dat een vennootschap eigen aandelen inkoopt, te beperken;

Overwegende dat het met het oog op de doelstellingen van artikel 54, lid 3, sub g), nodig is dat de nationale wet bij kapitaalverhogingen en kapitaalverminderingen zorgt voor de naleving en de harmonisatie van de toepassing van de beginselen die een gelijke behandeling waarborgen van aandeelhouders die zich in identieke omstandigheden bevinden en de bescherming garanderen van degenen wier schuldvorderingen zijn ontstaan vóór het besluit tot kapitaalvermindering,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:



Artikel 1

1.  De in deze richtlijn voorgeschreven coördinatiemaatregelen zijn van toepassing op de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de Lid-Staten die betrekking hebben op vennootschappen met de volgende rechtsvorm:

  voor België:

 de naamloze vennootschap(SIC! / )la société anonyme;

  voor Denemarken:

 aktieselskabet;

  voor Duitsland:

 die Aktiengesellschaft;

  voor Frankrijk:

 la société anonyme;

  voor Ierland:

 the public company limited by shares en

 the public company limited by guarantee and having a share capital;

  voor Italië:

 la società per azioni;

  voor Luxemburg:

 la société anonyme;

  voor Nederland:

 de naamloze vennootschap;

  voor het Verenigd Koninkrijk:

 the public company limited by shares en

 the public company limited by guarantee and having a share capital;

▼A1

  voor Griekenland

 η ανώνυμη εταιρία;

▼A2

  voor Spanje:

 la sociedad anónima;

  voor Portugal:

 a sociedade anonima de responsabilidade limitada;

  in (SIC! voor) Oostenrijk:

 die Aktiengesellschaft;

▼M4

  in Finland:

 julkinen osakeyhtiö/publikt aktiebolag;

  in (SIC! voor) Zweden:

 aktiebolag;

▼A4

  voor Tsjechië:

  akciová společnost;

  voor Estland:

  aktsiaselts;

  voor Cyprus:

  Δημόσιες εταιρείες περιορισμένης ευθύνης με μετοχές, δημόσιες εταιρείες περιορισμένης ευθύνης με εγγύηση που διαθέτουν μετοχικό κεφάλαιο;

  voor Letland:

  akciju sabiedrība;

  voor Litouwen:

  akcinė bendrovė;

▼M2

  in Hongarije:

  nyilvánosan működő részvénytársaság;

▼A4

  voor Malta:

 kumpanija pubblika;

  voor Polen:

  spółka akcyjna;

  voor Slovenië:

  delniška družba;

  voor Slowakije:

  akciová spoločnosť;

▼M3

  in Bulgarije:

  акционерно дружество, дружество с ограничена отговорност, командитно дружество с акции;

  in Roemenië:

  societate pe acțiuni, societate cu răspundere limitată, societate în comandită pe acțiuni.

▼B

De naam van een vennootschap in een hierboven genoemde rechtsvorm moet een aanduiding bevatten die verschillend is van die welke is voorgeschreven aan andere vennootschapsvormen, of van zulk een aanduiding vergezeld gaan.

2.  De Lid-Staten behoeven deze richtlijn niet toe te passen op beleggingsmaatschappijen met veranderlijk kapitaal noch op coöperatieve verenigingen welke in een van de in lid 1 vermelde vennootschapsvormen zijn opgericht. Voor zover in de wetgevingen van de Lid-Staten van deze mogelijkheid gebruik wordt gemaakt, zijn deze vennootschappen verplicht de woorden „beleggingsmaatschappij met veranderlijk kapitaal” of „coöperatieve vereniging”, te vermelden in alle in artikel 4 van Richtlijn 68/151/EEG genoemde stukken.

Onder „beleggingsmaatschappijen met veranderlijk kapitaal” in de zin van deze richtlijn worden uitsluitend verstaan vennootschappen:

 die uitsluitend ten doel hebben hun middelen in verschillende roerende, onroerende of andere waarden te beleggen, met als enig oogmerk de beleggingsrisico's te spreiden en de resultaten van het beheer van hun vermogen aan hun aandeelhouders ten goede te laten komen,

 die een beroep doen op het publiek voor de plaatsing van hun eigen aandelen en

 waarvan de statuten bepalen dat zij hun aandelen binnen de grenzen van een minimum- en een maximumkapitaal te allen tijde kunnen uitgeven, inkopen of doorverkopen.

Artikel 2

De statuten of de oprichtingsakte van de vennootschap bevatten ten minste de volgende gegevens:

a) de rechtsvorm en de naam van de vennootschap;

b) het doel van de vennootschap;

c) 

 indien de vennootschap geen maatschappelijk kapitaal heeft, het bedrag van het geplaatste kapitaal;

 indien de vennootschap wel een maatschappelijk kapitaal heeft, het bedrag daarvan en het bedrag van het kapitaal dat is geplaatst bij de oprichting van de vennootschap of op het ogenblik waarop zij toestemming verkrijgt om haar werkzaamheden aan te vangen, alsmede bij elke wijziging van het maatschappelijk kapitaal, onverminderd het bepaalde in artikel 2, lid 1, sub e), van Richtlijn 68/151/EEG;

d) de regeling voor zover deze niet uit de wet voortvloeit, van het aantal en de wijze van benoeming van de leden van de organen die belast zijn met de vertegenwoordiging tegenover derden, het bestuur en de leiding van, het toezicht en de controle op de vennootschap, alsmede de verdeling van de bevoegdheden tussen deze organen;

e) de duur van de vennootschap, indien deze niet voor onbepaalde tijd is aangegaan.

Artikel 3

Ten minste de volgende gegevens moeten worden vermeld in de statuten, in de oprichtingsakte, of in een afzonderlijk document dat openbaar moet worden gemaakt op de in de wetgeving van elke Lid-Staat vastgestelde wijze overeenkomstig artikel 3 van Richtlijn 68/151/EEG:

a) de zetel;

b) de nominale waarde van de geplaatste aandelen en, ten minste eenmaal per jaar, het aantal van deze aandelen;

c) het aantal geplaatste aandelen zonder nominale waarde, indien de nationale wetgeving de uitgifte van zulke aandelen toestaat;

d) eventueel de bijzondere voorwaarden die de overdracht van aandelen beperken;

e) indien er verschillende soorten aandelen bestaan, de sub b), c) en d) vermelde gegevens voor elk der soorten en de rechten die aan de aandelen van elke soort zijn verbonden;

f) of de aandelen op naam of aan toonder luiden, indien de nationale wetgeving in deze twee vormen voorziet, alsmede alle bepalingen inzake de omwisseling daarvan, tenzij de wijze waarop deze plaatsvindt bij de wet is geregeld;

g) het bedrag van het geplaatste kapitaal dat bij de oprichting der vennootschap of op het tijdstip waarop zij toestemming verkrijgt om haar werkzaamheden aan te vangen, is gestort;

h) de nominale waarde van de aandelen of, bij gebreke van een nominale waarde, het aantal aandelen die tegen inbreng anders dan in geld zijn uitgegeven, alsmede de aard van deze inbreng en de naam van de inbrenger;

i) de identiteit van de natuurlijke of rechtspersonen of vennootschappen door wie of namens wie de statuten of de oprichtingsakte of, wanneer de oprichting van de vennootschap niet als één handeling heeft plaatsgehad, de ontwerp-statuten of de ontwerp-oprichtingsakte zijn dan wel is ondertekend;

j) het totale bedrag, althans bij benadering, van alle kosten die in samenhang met de oprichting van de vennootschap en, in voorkomend geval, voordat zij toestemming krijgt haar werkzaamheden aan te vangen, door haar moeten worden betaald of te haren laste komen;

k) ieder bijzonder voordeel dat bij de oprichting van de vennootschap of voordat zij toestemming heeft gekregen om haar werkzaamheden aan te vangen, wordt toegekend aan personen die hebben deelgenomen aan de oprichting van de vennootschap of aan de handelingen die tot deze toestemming leiden.

Artikel 4

1.  Wanneer de wetgeving van een Lid-Staat voorschrijft dat een vennootschap haar werkzaamheden niet mag aanvangen zonder daarvoor toestemming te hebben gekregen, moet deze wetgeving eveneens bepalingen bevatten betreffende de aansprakelijkheid voor de verbintenissen die door of voor rekening van de vennootschap zijn aangegaan voor het tijdstip waarop genoemde toestemming wordt gegeven dan wel geweigerd.

2.  Lid 1 is niet van toepassing op verbintenissen uit overeenkomsten die de vennootschap heeft gesloten onder de voorwaarde dat haar de toestemming om haar werkzaamheden aan te vangen, wordt gegeven.

Artikel 5

1.  Wanneer volgens de wetgeving van een Lid-Staat voor de oprichting van een vennootschap de samenwerking van meerdere deelnemers is vereist, heeft de vereniging van alle aandelen in één hand of de vermindering van het aantal deelnemers tot beneden het wettelijke minimum op een tijdstip na de oprichting niet tot gevolg dat de vennootschap van rechtswege wordt ontbonden.

2.  Indien een vennootschap, in de in lid 1 bedoelde gevallen, krachtens de wetgeving van een Lid-Staat door een rechterlijke uitspraak ontbonden kan worden, moet de bevoegde rechter de vennootschap voldoende tijd kunnen geven om haar toestand met de wettelijke voorschriften in overeenstemming te brengen.

3.  Wanneer de ontbinding van de vennootschap is uitgesproken, treedt zij in vereffening.

Artikel 6

1.  Voor de oprichting van de vennootschap of voor het verkrijgen van de toestemming om haar werkzaamheden aan te vangen, vereisen de wetgevingen van de Lid-Staten een minimumbedrag aan geplaatst kapitaal dat niet op een lager bedrag dan 25 000     ecu ◄  ◄ mag worden vastgesteld.

De    ecu ◄  ◄ is die welke in Beschikking nr. 3289/75/EGKS van de Commissie ( 4 ) is vastgesteld. De tegenwaarde in de nationale munteenheid is aanvankelijk die welke geldt op de dag waarop deze richtlijn is aangenomen.

2.  Indien de tegenwaarde van de    ecu ◄  ◄ in een nationale munteenheid zodanig wordt gewijzigd dat het bedrag van het in de nationale munteenheid vastgestelde minimumkapitaal gedurende een jaar beneden de 22 500     ecu ◄  ◄ blijft, stelt de Commissie de betrokken Lid-Staat ervan in kennis dat hij zijn wettelijke voorschriften binnen twaalf maanden na het verstrijken van dat tijdvak aan lid 1 dient aan te passen. De Lid-Staat kan evenwel bepalen dat de aanpassing van zijn wetgeving pas achttien maanden na de inwerkingtreding van deze aanpassing van toepassing wordt op reeds bestaande vennootschappen.

3.  De Raad gaat om de vijf jaar, op voorstel van de Commissie, over tot onderzoek naar en in voorkomend geval tot herziening van de in dit artikel genoemde, in    ecu ◄  ◄ uitgedrukte bedragen, rekening houdend met de economische en monetaire ontwikkelingen in de Gemeenschap enerzijds en met de neiging om de keuze van de in artikel 1, lid 1, genoemde vennootschapsvormen voor te behouden aan grote en middelgrote bedrijven anderzijds.

Artikel 7

Het geplaatste kapitaal mag uitsluitend bestaan uit vermogensbestanddelen die naar economische maatstaven kunnen worden gewaardeerd. Een verplichting tot het verrichten van werk of van diensten kan daarvan evenwel geen deel uitmaken.

Artikel 8

1.  Aandelen kunnen niet worden uitgegeven tegen een lager bedrag dan de nominale waarde, of, bij gebreke van een nominale waarde, dan de fractiewaarde.

2.  De Lid-Staten mogen evenwel toestaan dat degenen die zich beroepshalve belasten met het plaatsen van aandelen, minder betalen dan het volle bedrag van de aandelen die zij in de uitoefening van dat bedrijf nemen.

Artikel 9

1.  Indien bij de oprichting van de vennootschap of op het tijdstip waarop de vennootschap toestemming krijgt om haar werkzaamheden aan te vangen, aandelen worden uitgegeven tegen inbreng, moet ten minste 25 % van de nominale waarde of, bij gebreke van een nominale waarde, van de fractiewaarde worden gestort.

2.  Indien bij de oprichting van de vennootschap of op het tijdstip waarop zij toestemming krijgt om haar werkzaamheden aan te vangen, aandelen worden uitgegeven tegen inbreng anders dan in geld, moet deze inbreng evenwel binnen vijf jaar na de oprichting of het verkrijgen van de toestemming worden volgestort.

Artikel 10

1.  Over inbreng anders dan in geld moet vóór de oprichting van de vennootschap of voordat zij toestemming krijgt om haar werkzaamheden aan te vangen, een rapport worden opgemaakt door een of meer van de vennootschap onafhankelijke deskundigen die door de overheid of de rechter zijn aangewezen of erkend. Deze deskundigen kunnen naar gelang (SIC! naargelang) van de wetgeving van elke Lid-Staat natuurlijke personen, rechtspersonen of vennootschappen zijn.

2.  Het deskundigenrapport moet ten minste de omschrijving van elke inbreng, alsmede de toegepaste waarderingsmethoden betreffen en aangeven of de waarden waartoe deze methoden leiden, ten minste overeenkomen met het aantal en de nominale waarde of, bij gebreke van een nominale waarde, de fractiewaarde en, in voorkomend geval, met het agio van de tegen de inbreng uit te geven aandelen.

3.  Het deskundigenrapport dient op de in de wetgeving van de Lid-Staten vastgestelde wijze openbaar te worden gemaakt overeenkomstig artikel 3 van Richtlijn 68/151/EEG.

4.  De Lid-Staten behoeven dit artikel niet toe te passen wanneer 90 % van de nominale waarde of, bij gebreke van een nominale waarde, van de fractiewaarde van alle aandelen wordt uitgegeven tegen inbreng anders dan in geld door een of meer vennootschappen en aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a) ten aanzien van de vennootschap die deze inbreng ontvangt, moeten de in artikel 3, sub i), bedoelde personen of vennootschappen afgezien hebben van de opstelling van het deskundigenrapport;

b) deze omstandigheid moet op de in lid 3 voorgeschreven wijze openbaar zijn gemaakt;

c) de inbrengende vennootschappen moeten beschikken over reserves die volgens de wet of de statuten niet mogen worden uitgekeerd en waarvan het bedrag ten minste gelijk is aan de nominale waarde, of, bij gebreke van een nominale waarde, de fractiewaarde van de tegen inbreng anders dan in geld uitgegeven aandelen;

d) de inbrengende vennootschappen moeten verklaren, tot het bedrag als bedoeld sub c), in te staan voor de schulden van de ontvangende vennootschap die ontstaan tussen het tijdstip van de uitgifte van de aandelen tegen inbreng anders dan in geld en een jaar na de openbaarmaking van de jaarrekening van deze vennootschap over het boekjaar waarin de inbreng heeft plaatsgevonden. Binnen dat tijdvak is elke overdracht van deze aandelen verboden;

e) de sub d) bedoelde waarborg moet op de in lid 3 genoemde wijze openbaar zijn gemaakt;

f) de inbrengende vennootschappen moeten een bedrag dat gelijk is aan het sub c) genoemde opnemen in een reserve, die pas kan worden uitgekeerd drie jaar na de openbaarmaking van de jaarrekening van de ontvangende vennootschap over het boekjaar waarin de inbreng heeft plaatsgevonden of, in voorkomend geval, op een later tijdstip waarop alle in die tussentijd ingediende vorderingen met betrekking tot de sub d) bedoelde waarborg zijn afgehandeld.

▼M4

5.  De lidstaten kunnen besluiten dit artikel niet op de oprichting van een nieuwe vennootschap via fusie of splitsing toe te passen wanneer een verslag door een onafhankelijke deskundige over het splitsings- of fusievoorstel is opgesteld.

Wanneer de lidstaten besluiten dit artikel in de in de eerste alinea bedoelde gevallen toe te passen, kunnen zij toestaan dat het rapport uit hoofde van dit artikel en het verslag van de onafhankelijke deskundige over het splitsings- of fusievoorstel door dezelfde deskundige of deskundigen worden opgesteld.

▼M2

Artikel 10 bis

1.  De lidstaten kunnen besluiten artikel 10, leden 1, 2 en 3, niet toe te passen wanneer bij een besluit van het bestuurs- of leidinggevend orgaan een inbreng anders dan in geld plaatsvindt in de vorm van effecten in de zin van artikel 4, lid 1, punt 18, van Richtlijn 2004/39/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende markten voor financiële instrumenten ( 5 ), of in de vorm van geldmarktinstrumenten in de zin van artikel 4, lid 1, punt 19, van die richtlijn en die effecten of geldmarktinstrumenten worden gewaardeerd tegen de gewogen gemiddelde koers waartegen zij gedurende een toereikende, volgens de nationale wetgeving te bepalen periode voorafgaand aan de daadwerkelijke datum van de verwezenlijking van de inbreng anders dan in geld op één of meer gereglementeerde markten in de zin van artikel 4, lid 1, punt 14, van genoemde richtlijn zijn verhandeld.

Wanneer de koers evenwel is beïnvloed door uitzonderlijke omstandigheden die zouden leiden tot een aanzienlijke wijziging van de waarde van het vermogensbestanddeel op de effectieve datum van de inbreng ervan, met inbegrip van situaties waarin de markt voor die effecten of geldmarktinstrumenten niet meer liquide is, wordt op initiatief en onder de verantwoordelijkheid van het bestuurs- of leidinggevend orgaan tot een herwaardering overgegaan. Het bepaalde in artikel 10, leden 1, 2 en 3, is van toepassing voor deze herwaardering.

2.  De lidstaten kunnen besluiten artikel 10, leden 1, 2 en 3, niet toe te passen wanneer bij een besluit van het bestuurs- of leidinggevend orgaan een inbreng anders dan in geld plaatsvindt in de vorm van andere vermogensbestanddelen dan de in lid 1 bedoelde effecten en geldmarktinstrumenten, welke reeds door een erkende onafhankelijke deskundige gewaardeerd zijn, en wanneer aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a) de billijke waarde wordt bepaald op een datum die niet meer dan zes maanden aan de effectieve datum van de inbreng voorafgaat;

b) de waardering is uitgevoerd met inachtneming van de in de betrokken lidstaat algemeen aanvaarde normen en beginselen voor de waardering van de categorie vermogensbestanddelen die de inbreng vormen.

Ingeval er sprake is van nieuwe bijzondere omstandigheden die zouden leiden tot een aanzienlijke wijziging van de billijke waarde van het vermogensbestanddeel op de effectieve datum van de inbreng ervan, wordt op initiatief en onder de verantwoordelijkheid van het bestuurs- of leidinggevend orgaan tot een herwaardering overgegaan. Voor de bovengenoemde herwaardering is het bepaalde in artikel 10, leden 1, 2 en 3, van toepassing.

Bij het ontbreken van een dergelijke herwaardering kunnen een of meer aandeelhouders die op de dag dat het besluit tot kapitaalsverhoging wordt genomen gezamenlijk ten minste 5 % van het geplaatste kapitaal van de vennootschap in hun bezit hebben, een waardering door een onafhankelijke deskundige eisen. In dat geval is het bepaalde in artikel 10, leden 1, 2 en 3, van toepassing. Die aandeelhouder(s) kan (kunnen) een eis indienen tot de effectieve datum van de inbreng van het vermogensbestanddeel, mits de betrokken aandeelhouder(s) op de datum van de eis gezamenlijk nog ten minste 5 % van het geplaatste kapitaal van de vennootschap in bezit heeft (hebben), zoals dat kapitaal luidde op de dag dat het besluit tot verhoging werd genomen.

3.  De lidstaten behoeven artikel 10, leden 1, 2 en 3, niet toe te passen wanneer bij een besluit van het bestuurs- of leidinggevend orgaan een inbreng anders dan in geld in de vorm van andere vermogensbestanddelen dan de in lid 1 bedoelde effecten of geldmarktinstrumenten plaatsvindt, waarbij de billijke waarde van elk vermogensbestanddeel is afgeleid uit de jaarrekeningen van het voorgaande boekjaar, mits deze jaarrekeningen overeenkomstig Richtlijn 2006/43/EG van de Raad van 17 mei 2006 betreffende de wettelijke controles van jaarrekeningen en geconsolideerde jaarrekeningen ( 6 ) aan een accountantscontrole werden onderworpen.

Het bepaalde in lid 2, tweede en derde alinea, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 10 ter

1.  Wanneer een in artikel 10 bis bedoelde inbreng anders dan in geld plaatsvindt zonder een deskundigenrapport als bedoeld in artikel 10, leden 1, 2 en 3, wordt er, benevens de krachtens artikel 3, onder h), vereiste gegevens en binnen één maand na de effectieve datum van de inbreng van het vermogensbestanddeel een verklaring openbaar gemaakt waarin de volgende inlichtingen zijn vermeld:

a) een beschrijving van de desbetreffende inbreng anders dan in geld;

b) de waarde van deze inbreng, en de herkomst van deze waardering en, in voorkomend geval, de waarderingsmethode;

c) of de verkregen waarde ten minste overeenkomt met het aantal, met de nominale waarde of, bij gebreke van een nominale waarde, de fractiewaarde en, in voorkomend geval, met het agio van de tegen deze inbreng uit te geven aandelen;

d) een verklaring dat er zich ten opzichte van de oorspronkelijke waardering geen nieuwe bijzondere omstandigheden hebben voorgedaan.

Deze openbaarmaking geschiedt op de wijze die is vastgesteld in de wettelijke voorschriften van iedere lidstaat overeenkomstig artikel 3 van Richtlijn 68/151/EEG.

2.  Wanneer met betrekking tot een voorstel tot kapitaalsverhoging uit hoofde van artikel 25, lid 2, een inbreng anders dan in geld wordt voorgesteld zonder dat er een deskundigenrapport als bedoeld in artikel 10, leden 1, 2 en 3, wordt opgemaakt, wordt er, op de wijze die is vastgesteld in de wettelijke voorschriften van iedere lidstaat overeenkomstig artikel 3 van Richtlijn 68/151/EEG, een aankondiging gedaan die de datum van het besluit tot verhoging en de in lid 1 bedoelde informatie bevat, en wel voordat de inbreng anders dan in geld in de vorm van vermogensbestanddelen is verwezenlijkt. In dit geval houdt de verklaring krachtens lid 1 enkel in dat zich sinds de openbaarmaking van de eerder genoemde aankondiging geen nieuwe bijzondere omstandigheden hebben voorgedaan.

3.  Elke lidstaat treft adequate maatregelen om te waarborgen dat de in artikel 10 bis en in dit artikel beschreven procedure wordt nageleefd wanneer er een inbreng anders dan in geld plaatsvindt zonder een deskundigenrapport in de zin van artikel 10, leden 1, 2 en 3.

▼B

Artikel 11

1.  De verkrijging door de vennootschap van enig aan een in artikel 3, sub i), bedoelde persoon of vennootschap toebehorend vermogensbestanddeel voor een tegenwaarde die ten minste 1/10 gedeelte van het geplaatste kapitaal bedraagt, wordt op de wijze als omschreven in ►M2  artikel 10, leden 1, 2 en 3, ◄ onderzocht en openbaar gemaakt en wordt aan de goedkeuring van de algemene vergadering van aandeelhouders onderworpen, wanneer deze verkrijging plaatsvindt binnen een door de nationale wetgeving vast te stellen termijn van ten minste twee jaar te rekenen vanaf de oprichting van de vennootschap of de verkrijging van de toestemming om de werkzaamheden aan te vangen. ►M2  De artikelen 10 bis en 10 ter zijn van overeenkomstige toepassing. ◄

De Lid-Staten kunnen deze bepalingen ook toepassen wanneer het vermogensbestanddeel aan een aandeelhouder of aan een andere persoon toebehoort.

2.  Lid 1 is niet van toepassing op verkrijgingen in het gewone bedrijf van de vennootschap, noch op verkrijgingen op last of onder toezicht van de overheid of de rechter, noch op verkrijgingen ter beurze.

Artikel 12

Behoudens de bepalingen betreffende de vermindering van het geplaatste kapitaal, kunnen de aandeelhouders niet worden ontheven van de verplichting tot storting van hun inbreng.

Artikel 13

Totdat de nationale wetgevingen later worden gecoördineerd, nemen de Lid-Staten de nodige maatregelen opdat in geval van omzetting van een vennootschap van een andere rechtsvorm in een naamloze vennootschap, ten minste dezelfde waarborgen worden geboden als die van de artikelen 2 tot en met 12.

Artikel 14

De artikelen 2 tot en met 13 laten regelingen van de Lid-Staten betreffende de bevoegdheid en de procedure inzake wijziging van de statuten of van de oprichtingsakte onverlet.

Artikel 15

1.  

a) Behalve in geval van vermindering van het geplaatste kapitaal, mag aan de aandeelhouders geen enkele uitkering worden gedaan indien op de datum van afsluiting van het laatste boekjaar het netto actief, zoals dat blijkt uit de jaarrekening, is gedaald of ingevolge de uitkering zou dalen beneden het bedrag van het geplaatste kapitaal, vermeerderd met de reserves die krachtens de wet of de statuten niet mogen worden uitgekeerd.

b) Het sub a) bedoelde bedrag van het geplaatste kapitaal wordt verminderd met het bedrag van het deel daarvan dat nog niet behoeft te worden gestort, wanneer dit deel niet als activum op de balans is opgenomen.

c) Het bedrag van een uitkering aan de aandeelhouders mag niet hoger zijn dan het bedrag van de resultaten van het laatste afgesloten boekjaar, vermeerderd met de overgebrachte winst en met de bedragen die zijn onttrokken aan de daarvoor beschikbare reserves, en verminderd met het overgebrachte verlies en met de krachtens wet of statuten aan de reserves toegevoegde bedragen.

d) Het woord „uitkering” sub a) en sub c) omvat in het bijzonder de betaling van dividenden en de betaling van rente op aandelen.

2.  Wanneer de wet van een Lid-Staat toestaat voorschotten op dividend uit te keren, dan dienen ten minste de volgende voorwaarden te worden gesteld:

a) er moeten tussentijdse cijfers omtrent het vermogen worden opgesteld, waaruit blijkt dat de voor de uitkering beschikbare gelden toereikend zijn;

b) het uit te keren bedrag mag niet hoger zijn dan het bedrag van de reultaten (SIC! resultaten) die zijn behaald sedert het einde van het laatste boekjaar waarover de jaarrekening is vastgesteld, verhoogd met de overgebrachte winst en met de onttrekkingen uit hiertoe beschikbare reserves, en verminderd met het overgebrachte verlies en met de krachtens wet of statuten te reserveren bedragen.

3.  De leden 1 en 2 laten de voorschriften van de Lid-Staten betreffende een omzetting van reserves in aandelenkapitaal onverlet.

4.  De wetgeving van een Lid-Staat mag toestaan dat beleggingsmaatschappijen met vast kapitaal afwijken van lid 1, sub a).

In de zin van dit lid worden onder „beleggingsmaatschappijen met vast kapitaal” slechts verstaan vennootschappen:

 die uitsluitend ten doel hebben hun middelen in verschillende roerende, onroerende of andere waarden te beleggen met als enig oogmerk de beleggingsrisico's te spreiden en de resultaten van het beheer van hun vermogen aan hun aandeelhouders ten goede te laten komen; en

 die een beroep doen op het publiek voor de plaatsing van hun eigen aandelen.

Voor zover in de wetgevingen van de Lid-Staten van deze mogelijkheid gebruik wordt gemaakt

a) zijn deze vennootschappen verplicht het woord „beleggingsmaatschappij” te vermelden in alle in artikel 4 van Richtlijn 68/151/EEG genoemde stukken;

b) is het niet toegestaan dat een dergelijke vennootschap waarvan het netto actief beneden het in lid 1, sub a), genoemde bedrag ligt, uitkeringen verricht aan de aandeelhouders indien op de datum van afsluiting van het laatste boekjaar de som van de activa van de vennootschap, zoals die blijkt uit de jaarrekening, is gedaald of ingevolge de uitkering zou dalen beneden anderhalf maal het bedrag van de totale verplichtingen tegenover schuldeisers zoals dat blijkt uit de jaarrekening;

c) is een dergelijke vennootschap die uitkeringen verricht terwijl haar netto actief beneden het in lid 1, sub a), genoemde bedrag ligt, verplicht daarvan melding te maken in haar jaarrekening.

Artikel 16

Een uitkering in strijd met artikel 15 moet door de aandeelhouder die haar heeft ontvangen, worden terugbetaald indien de vennootschap bewijst dat de aandeelhouder wist dat de uitkering te zijnen gunste in strijd met de voorschriften was of daarvan, gezien de omstandigheden, niet onkundig kon zijn.

Artikel 17

1.  Indien een belangrijk deel van het geplaatste kapitaal verloren is gegaan, wordt de algemene vergadering van aandeelhouders binnen een in de wetgevingen van de Lid-Staten vastgestelde termijn bijeengeroepen, ten einde (SIC! teneinde) na te gaan of het noodzakelijk is de vennootschap te ontbinden of andere maatregelen te nemen.

2.  De wet van een Lid-Staat kan het verloren gegane deel van het kapitaal dat als belangrijk in de zin van lid 1 moet worden aangemerkt, niet op meer dan de helft van het geplaatste kapitaal vaststellen.

Artikel 18

1.  De vennootschap mag geen eigen aandelen nemen.

2.  Indien aandelen van de vennootschap bij een in eigen naam, maar voor rekening van de vennootschap handelende persoon worden geplaatst, wordt deze persoon geacht de aandelen voor eigen rekening te hebben genomen.

3.  De in artikel 3, sub i), genoemde personen of vennootschappen, of in geval van verhoging van het geplaatste kapitaal, de leden van het bestuurs- of leidinggevend orgaan, zijn gehouden tot volstorting van de in strijd met dit artikel geplaatste aandelen.

De wetgeving van een Lid-Staat kan evenwel bepalen dat elke betrokkene zich aan deze verplichting kan onttrekken door te bewijzen dat hem persoonlijk geen schuld treft.

Artikel 19

▼M2

1.  Onverminderd het beginsel van gelijke behandeling van alle aandeelhouders die zich in identieke omstandigheden bevinden en onverminderd Richtlijn 2003/6/EG van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2003 betreffende handel met voorwetenschap en marktmanipulatie (marktmisbruik) ( 7 ), kan een lidstaat een vennootschap toestaan eigen aandelen te verkrijgen, hetzij zelf, hetzij via een persoon die in eigen naam maar voor rekening van de vennootschap handelt. Voor zover de verkrijgingen zijn toegestaan, verbinden de lidstaten aan deze verkrijgingen de volgende voorwaarden:

a) er wordt toestemming tot verkrijging gegeven door de algemene vergadering, die de wijze vaststelt waarop de voorgenomen verkrijgingen plaatsvinden, met name het maximumaantal te verkrijgen aandelen, de geldigheidsduur van de toestemming, waarvan het maximum volgens de nationale wetgeving wordt bepaald, maar die vijf jaar niet te boven mag gaan en, in geval van verkrijging onder bezwarende titel, de minimum- en maximumwaarde van de vergoeding. De leden van het bestuurs- of leidinggevend orgaan zien erop toe dat bij elke toegestane verkrijging de onder b) en c) vermelde voorwaarden in acht worden genomen;

b) de verkrijgingen, met inbegrip van eventueel eerder verkregen aandelen die de vennootschap in portefeuille houdt en aandelen die door een persoon in eigen naam maar voor rekening van de vennootschap zijn verkregen, mogen niet tot gevolg hebben dat het nettoactief, daalt beneden het in artikel 15, lid 1, onder a) en b), vermelde bedrag;

c) alleen volgestorte aandelen komen in aanmerking voor verkrijging.

De lidstaten mogen aan verkrijgingen in de zin van de eerste alinea bovendien ook één of meer van de volgende voorwaarden verbinden:

i) de nominale waarde of, bij gebreke hiervan, de fractiewaarde van de verkregen aandelen, met inbegrip van eventueel eerder verkregen aandelen die de vennootschap in portefeuille houdt en aandelen die door een persoon in eigen naam, maar voor rekening van de vennootschap zijn verkregen, mag niet meer bedragen dan een door de lidstaten te bepalen limiet. Deze limiet mag niet minder dan 10 % van het geplaatste kapitaal bedragen;

ii) in de statuten of de oprichtingsakte van de vennootschap is bepaald dat de vennootschap eigen aandelen mag verkrijgen in de zin van de eerste alinea, hoeveel aandelen zij ten hoogste mag verkrijgen, gedurende welke periode de aandelen mogen worden verkregen of wat de maximum- of minimumwaarde van de vergoeding is;

iii) de vennootschap komt passende informatie- en kennisgevingsverplichtingen na;

iv) van sommige vennootschappen, zoals bepaald door de lidstaten, kan worden verlangd dat zij de verkregen aandelen annuleren mits een bedrag dat gelijk is aan de nominale waarde van de geannuleerde aandelen wordt opgenomen in een reserve die niet aan de aandeelhouders kan worden uitgekeerd, behalve in het geval van een verlaging van het geplaatste kapitaal. Deze reserve mag alleen worden gebruikt voor het verhogen van het geplaatste kapitaal door middel van de kapitalisatie van de reserves;

v) de verkrijging laat de voldoening van de vorderingen van schuldeisers onverlet.

▼B

2.  De wetgeving van een Lid-Staat mag afwijken van lid 1, sub a), eerste zin, indien de verkrijging van eigen aandelen noodzakelijk is ter vermijding van dreigend ernstig nadeel voor de vennootschap. In dat geval moet de eerstvolgende algemene vergadering door het bestuurs- of leidinggevend orgaan in kennis worden gesteld van de redenen en het doel van de verkrijgingen, van het aantal en de nominale waarde, of, bij gebreke daarvan, van de fractiewaarde der verkregen aandelen, van het gedeelte van het geplaatste kapitaal dat zij vertegenwoordigen en van de waarde van de vergoeding.

3.  De Lid-Staten behoeven lid 1, sub a), eerste zin, niet toe te passen op aandelen die de vennootschap zelf, dan wel een in eigen naam, maar voor de vennootschap handelende persoon verkrijgt, ten einde (SIC! teneinde) aan het personeel van de vennootschap of van een met haar verbonden vennootschap uit te keren. Aldus verkregen aandelen moeten binnen twaalf maanden na verkrijging worden uitgekeerd.

Artikel 20

1.  De Lid-Staten behoeven artikel 19 niet toe te passen:

a) op aandelen die worden verkregen ter uitvoering van een besluit tot kapitaalvermindering of in het geval bedoeld in artikel 39;

b) op aandelen die op de vennootschap overgaan onder algemene titel;

c) op volgestorte aandelen die om niet worden verkregen of door banken en andere financiële instellingen worden verkregen als een provisie bij aankoop;

d) op aandelen die worden verkregen krachtens een wettelijke verplichting of een rechterlijke beslissing ter bescherming van de aandeelhouders met een minderheidsdeelneming, in het bijzonder bij fusies, wijziging van het doel of de rechtsvorm van de vennootschap, bij zetelverplaatsing naar het buitenland of bij invoering van beperkingen van de overdraagbaarheid van aandelen;

e) op aandelen die worden verkregen van een aandeelhouder omdat ze niet zijn volgestort;

f) op aandelen die worden verkregen ten einde (SIC! teneinde) aandeelhouders met minderheidsdeelneming in verbonden vennootschappen schadeloos te stellen;

g) op volgestorte aandelen die worden verkregen bij een gerechtelijke verkoop die plaatsvindt ter voldoening van een schuld van de eigenaar van die aandelen aan de vennootschap;

h) op volgestorte door een beleggingsmaatschappij met een vast kapitaal in de zin van artikel 15, lid 4, tweede zin, uitgegeven aandelen die op verzoek van de beleggers zijn verkregen door deze beleggingsmaatschappij of een met haar verbonden vennootschap. Artikel 15, lid 4, derde alinea, sub a), is van toepassing. Deze verkrijgingen mogen niet tot gevolg hebben dat het netto actief daalt beneden het bedrag van het geplaatste kapitaal, vermeerderd met de reserves die volgens de wet niet mogen worden uitgekeerd.

2.  Aandelen die zijn verkregen in de in lid 1, sub b) tot en met g), bedoelde gevallen moeten echter binnen een termijn van ten hoogste drie jaar na verkrijging worden vervreemd, tenzij de nominale waarde of, bij gebreke hiervan, de fractiewaarde van de verkregen eigen aandelen, met inbegrip van de aandelen die de vennootschap kan hebben verkregen door een persoon die in eigen naam, maar voor rekening van de vennootschap handelt, niet meer dan 10 % van het geplaatste kapitaal bedraagt.

3.  Indien de aandelen niet binnen de in lid 2 gestelde termijn worden vervreemd, moeten zij worden ingetrokken. De wetgeving van een Lid-Staat kan deze intrekking afhankelijk stellen van een vermindering van het geplaatste kapitaal met een overeenkomstig bedrag. Zulk een kapitaalvermindering moet worden voorgeschreven voor zover de verkrijgingen van in te trekken aandelen tot gevolg hebben gehad dat het netto actief beneden het in ►M2  artikel 15, lid 1, onder a) en b) ◄ , vermelde bedrag is gedaald.

Artikel 21

Aandelen die in strijd met de artikelen 19 en 20 zijn verkregen, moeten binnen een jaar na verkrijging worden vervreemd. Indien ze binnen deze termijn niet zijn vervreemd, is artikel 20, lid 3, van toepassing.

Artikel 22

1.  Wanneer de wetgeving van een Lid-Staat aan vennootschappen toestaat eigen aandelen te verkrijgen, hetzij zelf, hetzij via een persoon die in eigen naam maar voor rekening van de vennootschap handelt, stelt zij het houden van deze aandelen te allen tijde ten minste van de volgende voorwaarden afhankelijk:

a) van de aan de aandelen verbonden rechten wordt in elk geval het stemrecht van de eigen aandelen geschorst;

b) indien deze aandelen als activa op de balans worden geboekt, wordt er onder de passiva een gebonden reserve tot een zelfde (SIC! eenzelfde) bedrag opgenomen.

2.  Wanneer de wetgeving van een Lid-Staat aan vennootschappen toestaat eigen aandelen te verkrijgen, hetzij zelf, hetzij via een persoon die in eigen naam maar voor rekening van de vennootschap handelt, eist zij dat het jaarverslag ten minste vermeldt:

a) de redenen van de verkrijgingen gedurende het boekjaar;

b) het aantal en de nominale waarde of, bij gebreke hiervan, de fractiewaarde van de gedurende het boekjaar verkregen en vervreemde aandelen, alsmede het gedeelte van het geplaatste kapitaal dat deze vertegenwoordigen;

c) in geval van verkrijging of vervreemding onder bezwarende titel: de waarde van de vergoeding;

d) het aantal en de nominale waarde of, bij gebreke hiervan, de fractiewaarde van alle aandelen die de vennootschap heeft verkregen en in portefeuille houdt, alsmede het gedeelte van het geplaatste kapitaal dat deze vertegenwoordigen.

Artikel 23

▼M2

1.  Wanneer een lidstaat toestaat dat een vennootschap rechtstreeks of onrechtstreeks middelen voorschiet, leningen toestaat of zekerheden stelt met het oog op de verkrijging van haar aandelen door een derde, onderwerpt die lidstaat de bedoelde transacties aan de in de tweede, derde, vierde en vijfde alinea omschreven voorwaarden.

De transacties vinden plaats onder de verantwoordelijkheid van het bestuurs- of leidinggevend orgaan en tegen billijke marktvoorwaarden, met name wat betreft de rente die de vennootschap ontvangt en de zekerheid die aan de vennootschap wordt verstrekt voor de in de eerste alinea bedoelde leningen en voorschotten. De kredietwaardigheid van de derde of, wanneer het meerpartijentransacties betreft, van iedere erbij betrokken tegenpartij moet nauwgezet onderzocht zijn.

Het bestuurs- of leidinggevend orgaan vraagt van tevoren toestemming aan de algemene vergadering om de transacties te mogen verrichten, waarbij de algemene vergadering een besluit neemt overeenkomstig de voorschriften inzake quorum en meerderheid van artikel 40. Het bestuurs- of leidinggevend orgaan moet bij de algemene vergadering een schriftelijk rapport indienen met opgave van de redenen voor de transactie, het belang dat de vennootschap bij het aangaan van een dergelijke transactie heeft, de voorwaarden waartegen de transactie wordt aangegaan, de aan de transactie verbonden risico's voor de liquiditeit en de solvabiliteit van de vennootschap en de koers waartegen de derde geacht wordt de aandelen te verkrijgen. Dit rapport wordt ingediend bij het handelsregister om openbaar te worden gemaakt overeenkomstig artikel 3 van Richtlijn 68/151/EEG.

De totale financiële bijstand aan derden mag er nimmer toe leiden dat het nettoactief daalt beneden het in artikel 15, lid 1, onder a) en b), vermelde bedrag, rekening houdend met een eventuele daling van het nettoactief die heeft plaatsgevonden doordat overeenkomstig artikel 19, lid 1, door of voor rekening van de vennootschap eigen aandelen zijn verkregen. De vennootschap neemt aan de passiefzijde van haar balans een niet voor uitkering beschikbare reserve op, ten bedrage van de totale financiële bijstand.

Wanneer een derde met financiële bijstand van de vennootschap eigen aandelen van de vennootschap in de zin van artikel 19, lid 1, verkrijgt, of op in het kader van een verhoging van het geplaatste kapitaal uitgegeven aandelen inschrijft, vindt die verkrijging of inschrijving plaats tegen een billijke prijs.

▼B

2.  Lid 1 is niet van toepassing op verrichtingen in de gewone bedrijfsuitoefening van banken en andere financiële instellingen, noch op verrichtingen ter verkrijging van aandelen door of voor het personeel van de vennootschap of van een met haar verbonden vennootschap. Deze verrichtingen mogen evenwel niet tot gevolg hebben dat het netto actief van de vennootschap daalt beneden het in artikel 15, lid 1, sub a), vermelde bedrag.

3.  Lid 1 is niet van toepassing op verrichtingen met het oog op de verkrijging van aandelen als bedoeld in artikel 20, lid 1, sub h).

▼M2

Artikel 23 bis

Indien individuele leden van het bestuurs- of leidinggevend orgaan van de vennootschap die partij is bij een in artikel 23, lid 1, bedoelde transactie, of van het bestuurs- of leidinggevend orgaan van een moederonderneming in de zin van artikel 1 van Richtlijn 83/349/EEG van de Raad van 13 juni 1983 betreffende de geconsolideerde jaarrekening ( 8 ), dan wel deze moederonderneming zelf, of personen die in eigen naam maar voor rekening van de leden van die organen of van die onderneming handelen, als tegenpartijen bij een dergelijke transactie optreden, dragen de lidstaten er door middel van adequate waarborgen zorg voor dat deze transactie niet strijdig is met de belangen van de vennootschap.

▼B

Artikel 24

1.  Het in pand nemen van eigen aandelen door de vennootschap zelf, of door een persoon die in eigen naam maar voor rekening van de vennootschap handelt, wordt gelijkgesteld met verkrijgingen in de zin van de artikelen 19, 20, lid 1, 22 en 23.

2.  De Lid-Staten behoeven lid 1 niet toe te passen op de gewone bedrijfsuitoefening van banken en andere financiële instellingen.

▼M1

Artikel 24 bis

1.  

a) Het nemen, verkrijgen of houden van aandelen van de naamloze vennootschap door een andere vennootschap in de zin van artikel 1 van de eerste richtlijn waarin de naamloze vennootschap rechtstreeks of middellijk over de meerderheid van de stemrechten beschikt of waarop de naamloze vennootschap rechtstreeks of middellijk een overheersende invloed kan uitoefenen, wordt beschouwd als het nemen, verkrijgen of houden van aandelen door de naamloze vennootschap zelf;

b) Punt a) is tevens van toepassing wanneer de andere vennootschap onder het recht van een derde land valt en haar rechtsvorm vergelijkbaar is met een van die welke bedoeld zijn in artikel 1 van Richtlijn 68/151/EEG.

2.  De Lid-Staten behoeven lid 1 echter niet toe te passen wanneer de naamloze vennootschap middellijk over de meerderheid van de stemrechten beschikt of middellijk een overheersende invloed kan uitoefenen, mits zij voorzien in schorsing van de stemrechten verbonden aan de aandelen van de naamloze vennootschap waarover de andere vennootschap beschikt.

3.  Bij ontstentenis van een coördinatie van de nationale bepalingen inzake concernrecht mogen de Lid- Staten:

a) de gevallen omschrijven waarin een naamloze vennootschap geacht wordt een overheersende invloed uit te kunnen oefenen op een andere vennootschap; indien een Lid-Staat gebruik maakt van deze mogelijkheid, moet in ieder geval in het nationale recht bepaald worden dat de naamloze vennootschap een overheersende invloed kan uitoefenen indien zij:

 het recht heeft de meerderheid van de leden van het bestuurs-, leidinggevend of toezichthoudend orgaan te benoemen of te ontslaan, en tevens aandeelhouder of geassocieerde van de andere vennootschap is; of

 aandeelhouder of geassocieerde van de andere vennootschap is en op grond van een overeenkomst met andere aandeelhouders of geassocieerden alleen de meerderheid beheerst van de stemrechten van de aandeelhouders of geassocieerden van deze vennootschap.

De Lid-Staten zijn niet verplicht andere gevallen dan de in de twee streepjes hierboven vast te stellen;

b) de gevallen omschrijven waarin een naamloze vennootschap geacht wordt middellijk over stemrechten te beschikken of middellijk een overheersende invloed uit te kunnen oefenen;

c) de omstandigheden preciseren waarin een naamloze vennootschap wordt geacht over stemrechten te beschikken.

4.  

a) De Lid-Staten behoeven lid 1 niet toe te passen wanneer het nemen, verkrijgen of houden voor rekening van een andere persoon geschiedt dan die welke neemt, verkrijgt of houdt, en die noch de in lid 1 bedoelde naamloze vennootschap is, noch een andere vennootschap waarin de naamloze vennootschap rechtstreeks of middellijk over de meerderheid van de stemrechten beschikt, of waarop de naamloze vennootschap rechtstreeks of middellijk een overheersende invloed kan uitoefenen.

b) Bovendien behoeven de Lid-Staten lid 1 niet toe te passen wanneer het nemen, verkrijgen of houden geschiedt door de andere vennootschap in haar hoedanigheid van en in het kader van haar activiteit als professionele effectenhandelaar, mits deze vennootschap lid is van een in een Lid-Staat gelegen of werkzame effectenbeurs, dan wel erkend is door of onder toezicht staat van een autoriteit van een Lid-Staat die bevoegd is voor het houden van toezicht op professionele effectenhandelaars, welke in de zin van deze richtlijn ook de kredietinstellingen kunnen omvatten.

5.  De Lid-Staten zijn niet verplicht lid 1 toe te passen wanneer het houden van aandelen van de naamloze vennootschap door de andere vennootschap voortvloeit uit een verkijging (SIC! verkrijging) die heeft plaatsgevonden voordat de verhouding tussen deze twee vennootschappen voldeed aan de criteria van lid 1.

De aan die aandelen verbonden stemrechten worden evenwel geschorst en die aandelen in aanmerking genomen om te bepalen of aan de voorwaarde van artikel 19, lid 1, onder b), is voldaan.

6.  De Lid-Staten hoeven artikel 20, leden 2 en 3, of artikel 21 niet toe te passen bij verkrijging van aandelen van een naamloze vennootschap door de andere vennootschap, mits zij

a) voorzien in schorsing van de stemrechten verbonden aan de aandelen van de naamloze vennootschap waarover de andere vennootschap beschikt,

b) bepalen dat de bestuurders van de naamloze vennootschap verplicht zijn de aandelen, bedoeld in de leden 2 en 3 van artikel 20 en artikel 21, van de andere vennootschap terug te kopen voor de prijs waarvoor deze andere vennootschap ze heeft verkregen; deze sanctie is alleen dan niet van toepassing wanneer de bestuurders bewijzen dat het nemen of verkrijgen van de aandelen niet aan de naamloze vennootschap te wijten is.

▼B

Artikel 25

1.  Elke kapitaalverhoging vindt plaats krachtens een besluit van de algemene vergadering. Dit besluit alsmede de uitvoering van de verhoging van het geplaatste kapitaal moeten op de in de wetgeving van elke Lid-Staat voorgeschreven wijze openbaar worden gemaakt overeenkomstig artikel 3 van Richtlijn 68/151/EEG.

2.  De statuten, de oprichtingsakte of de algemene vergadering waarvan het besluit overeenkomstig lid 1 openbaar moet worden gemaakt, kunnen evenwel een verhoging van het geplaatste kapitaal toestaan tot een maximumbedrag dat zij vaststellen, waarbij een eventueel door de wet voorgeschreven maximum in acht moet worden genomen. Binnen de grenzen van het vastgestelde bedrag besluit het daartoe bevoegde orgaan van de vennootschap dan eventueel tot verhoging van het geplaatste kapitaal. Het orgaan heeft deze bevoegdheid gedurende ten hoogste vijf jaar; deze bevoegdheid kan door de algemene vergadering telkens voor ten hoogste vijf jaar worden verlengd.

3.  Indien er verschillende soorten aandelen zijn, is naast het in lid 1 bedoelde besluit van de algemene vergadering betreffende de kapitaalverhoging of de in lid 2 bedoelde toestemming tot kapitaalverhoging een afzonderlijke stemming vereist althans van elke groep van houders van aandelen van een zelfde (SIC! eenzelfde) soort aan wier rechten de verhoging afbreuk doet.

4.  Dit artikel is van toepassing op de uitgifte van alle effecten die in aandelen converteerbaar zijn, of waaraan een voorkeurrecht op aandelen is verbonden, maar niet op de omwisseling van deze effecten en evenmin op de uitoefening van het voorkeurrecht.

Artikel 26

Indien bij een verhoging van het geplaatste kapitaal aandelen worden uitgegeven tegen inbreng, moet bij uitgifte ten minste 25 % van de nominale waarde, of bij gebreke hiervan, van de fractiewaarde worden gestort. In geval van agio moet dat volledig worden gestort.

Artikel 27

1.  Indien bij een verhoging van het geplaatste kapitaal aandelen worden uitgegeven tegen een inbreng anders dan in geld, moet deze inbreng worden volgestort binnen vijf jaar na het besluit tot verhoging van het geplaatste kapitaal.

2.  Over de in lid 1 bedoelde inbreng moet vóór de uitvoering van de verhoging van het geplaatste kapitaal een rapport worden opgemaakt door een of meer van de vennootschap onafhankelijke deskundigen, die door de overheid of de rechter zijn aangewezen of erkend. Deze deskundigen kunnen naar gelang (SIC! naargelang) van de wetgeving van elke Lid-Staat natuurlijke personen, rechtspersonen of vennootschappen zijn.

▼M2

Het bepaalde in artikel 10, leden 2 en 3, en in de artikelen 10 bis en 10 ter is van toepassing.

▼M4

3.  De lidstaten kunnen besluiten lid 2 niet toe te passen bij een verhoging van het geplaatste kapitaal die geschiedt met het oog op een fusie, een splitsing of een openbaar bod tot koop of ruil van aandelen als vergoeding voor respectievelijk de aandeelhouders van een overgenomen vennootschap, de aandeelhouders van een gesplitste vennootschap of de houders van aandelen van een vennootschap waarop een openbaar bod is uitgebracht.

In geval van een fusie of een splitsing passen de lidstaten alinea 1 echter alleen toe wanneer een verslag door een onafhankelijke deskundige over het splitsings- of fusievoorstel is opgesteld.

Wanneer de lidstaten besluiten lid 2 toe te passen in geval van een fusie of splitsing, kunnen zij toestaan dat het rapport uit hoofde van dit artikel en het verslag van de onafhankelijke deskundige over het splitsings- of fusievoorstel door dezelfde deskundige of deskundigen worden opgesteld.

▼B

4.  De Lid-Staten behoeven lid 2 niet toe te passen wanneer alle bij een verhoging van het geplaatste kapitaal uitgegeven aandelen tegen inbreng anders dan in geld bij een of meer vennootschappen worden geplaatst, op voorwaarde dat alle aandeelhouders van de ontvangende vennootschap hebben afgezien van de opstelling van het deskundigenrapport en aan de voorwaarden van artikel 10, lid 4, sub b) tot en met f), is voldaan.

Artikel 28

Wordt een kapitaalverhoging niet volledig geplaatst, dan wordt het kapitaal slechts verhoogd met het bedrag van de geplaatste aandelen, mits de emissievoorwaarden dat uitdrukkelijk bepalen.

Artikel 29

1.  Bij elke verhoging van het geplaatste kapitaal tegen inbreng in geld, worden de aandelen eerst aangeboden aan de aandeelhouders naar evenredigheid van het deel van het kapitaal dat hun aandelen vertegenwoordigen.

2.  De Lid-Staten:

a) behoeven lid 1 niet toe te passen op aandelen waaraan een beperkt recht is verbonden op uitkeringen in de zin van artikel 15 en/of op een deel van het vermogen van de vennootschap bij vereffening; of

b) kunnen toestaan dat, indien het geplaatste kapitaal van een vennootschap met verscheidene soorten aandelen die verschillen vertonen ten aanzien van het stemrecht of het recht op uitkering in de zin van artikel 15 of op een deel in het vermogen van de vennootschap bij vereffening, wordt verhoogd door de uitgifte van nieuwe aandelen van slechts één van deze soorten, het aan andere soorten verbonden voorkeurrecht pas kan worden uitgeoefend nadat de aandeelhouders van de soort waarin de nieuwe aandelen worden uitgegeven, van dit recht gebruik hebben gemaakt.

3.  Uitgiften met voorkeurrecht alsmede de termijn waarbinnen van dit recht gebruik moet worden gemaakt, worden bekendgemaakt in het nationaal publikatieblad dat is aangewezen overeenkomstig Richtlijn 68/151/EEG. De wetgeving van een Lid-Staat behoeft deze bekendmaking evenwel niet voor te schrijven wanneer alle aandelen van de vennootschap op naam zijn gesteld. In dat geval moeten alle aandeelhouders schriftelijk in kennis worden gesteld. Het voorkeurrecht moet worden uitgeoefend binnen een termijn van ten minste 14 dagen na de datum van bekendmaking van het aanbod of van de toezending van de brieven aan de aandeelhouders.

4.  Het voorkeurrecht kan niet bij de statuten of de oprichtingsakte worden beperkt of opgeheven. Dat kan wel geschieden bij besluit van de algemene vergadering. Het bestuurs- of leidinggevend orgaan moet aan de algemene vergadering in een schriftelijk verslag de redenen voor de beperking of de opheffing van het voorkeurrecht vermelden en de voorgestelde koers van uitgifte verantwoorden. De algemene vergadering neemt een besluit overeenkomstig de voorschriften inzake quorum en meerderheid van artikel 40. Haar besluit wordt openbaar gemaakt volgens de in de wetgeving van de Lid-Staten voorgeschreven wijze overeenkomstig artikel 3 van Richtlijn 68/151/EEG.

5.  De wetgeving van een Lid-Staat kan bepalen dat in de statuten of de oprichtingsakte, of bij besluit van de algemene vergadering, genomen overeenkomstig de in lid 4 bedoelde voorschriften inzake quorum, meerderheid en openbaarheid, aan het orgaan van de vennootschap dat bevoegd is om te besluiten tot verhoging van het geplaatste kapitaal binnen de grenzen van het maatschappelijk kapitaal, de bevoegdheid kan worden gedelegeerd om dit voorkeurrecht te beperken of op te heffen. De geldigheidsduur van deze bevoegdheid mag niet langer zijn dan die van de in artikel 25, lid 2, bedoelde bevoegdheid.

6.  De leden 1 tot en met 5 zijn van toepassing op de uitgifte van alle effecten die in aandelen converteerbaar zijn, of waaraan een voorkeurrecht op aandelen is verbonden, maar niet op de omwisseling van deze effecten en evenmin op de uitoefening van het voorkeurrecht.

7.  Wanneer er volgens het besluit inzake verhoging van het geplaatste kapitaal aandelen worden uitgegeven aan banken of andere financiële instellingen, om overeenkomstig de leden 1 en 3 te worden aangeboden aan aandeelhouders van de vennootschap, geldt dat niet als uitsluiting van het voorkeurrecht in de zin van de leden 4 en 5.

Artikel 30

Voor elke vermindering van het geplaatste kapitaal, behalve voor die op last van de rechter, is ten minste een besluit nodig van de algemene vergadering, die beslist overeenkomstig de in artikel 40 vastgestelde voorschriften inzake quorum en meerderheid, onverminderd het bepaalde in de artikelen 36 en 37. Dit besluit moet openbaar worden gemaakt op de in de wetgeving van de Lid-Staten voorgeschreven wijze overeenkomstig artikel 3 van Richtlijn 68/151/EEG.

In de oproeping voor de algemene vergadering worden in elk geval het doel van de kapitaalvermindering en de voor de verwezenlijking ervan te volgen werkwijze vermeld.

Artikel 31

Indien er verschillende soorten aandelen zijn, is naast het besluit van de algemene vergadering betreffende de kapitaalvermindering een afzonderlijke stemming vereist, althans van elke groep van houders van aandelen van dezelfde soort aan wier rechten de vermindering afbreuk doet.

Artikel 32

▼M2

1.  In geval van vermindering van het geplaatste kapitaal hebben in ieder geval de schuldeisers wier vorderingen zijn ontstaan voor de openbaarmaking van het besluit tot kapitaalvermindering ten minste het recht om zekerheid te verkrijgen voor op het tijdstip van openbaarmaking nog niet opeisbare vorderingen. De lidstaten mogen dit recht slechts terzijde stellen indien de schuldeiser over adequate waarborgen beschikt of indien deze waarborgen, gezien de vermogenstoestand van de vennootschap, niet noodzakelijk zijn.

De lidstaten stellen de voorwaarden vast waaronder het in de eerste alinea bedoelde recht kan worden uitgeoefend. De lidstaten dragen er in elk geval zorg voor dat de bovenbedoelde schuldeisers zich tot de bevoegde administratieve of gerechtelijke instantie kunnen wenden om adequate waarborgen te verkrijgen, mits zij op geloofwaardige wijze kunnen aantonen dat de voldoening van hun vorderingen als gevolg van de vermindering van het geplaatste kapitaal in het gedrang is, en dat van de vennootschap geen adequate waarborgen zijn verkregen.

▼B

2.  In de wetgevingen van de Lid-Staten wordt voorts ten minste bepaald, dat de kapitaalvermindering geen gevolg zal hebben, of dat geen betaling zal kunnen geschieden ten behoeve van de aandeelhouders, zolang de schuldeisers geen voldoening hebben gekregen of de rechter niet heeft beslist dat er geen grond is om hun verzoek in te willigen.

3.  Dit artikel is van toepassing wanneer de vermindering van het geplaatste kapitaal geschiedt doordat de aandeelhouders geheel of gedeeltelijk van hun verplichting tot volstorting van hun inbreng worden vrijgesteld.

Artikel 33

1.  De Lid-Staten behoeven artikel 32 niet toe te passen op een vermindering van het geplaatste kapitaal die tot doel heeft verliezen aan te zuiveren of bedragen op te nemen in een reserve, op voorwaarde dat deze reserve ten gevolge van de verrichting niet groter wordt dan 10 % van het bedrag van het verminderde geplaatste kapitaal. Behalve in geval van vermindering van het geplaatste kapitaal, mag deze reserve niet worden uitgekeerd aan de aandeelhouders; zij mag slechts worden gebruikt om verliezen aan te zuiveren of het geplaatste kapitaal te verhogen door omzetting van reserves in aandelenkapitaal, voor zover de wetten van de Lid-Staten zulks toestaan.

2.  De wetten van de Lid-Staten moeten in de gevallen van lid 1 ten minste de nodige maatregelen bevatten om te beletten dat de bedragen, afkomstig van de vermindering van het geplaatste kapitaal, kunnen worden gebruikt voor betalingen of uitkeringen aan de aandeelhouders, of om de aandeelhouders van de verplichting tot storting van hun inbreng te ontheffen.

Artikel 34

Het geplaatste kapitaal mag niet worden verminderd tot een lager bedrag dan het volgens artikel 6 vastgestelde minimumkapitaal. De Lid-Staten kunnen evenwel een dergelijke vermindering toestaan indien zij ook bepalen dat het besluit tot vermindering slechts van kracht wordt wanneer het geplaatste kapitaal wordt verhoogd om het op een bedrag te brengen dat tenminste gelijk is aan het vereiste minimum.

Artikel 35

Wanneer volgens de wetgeving van een Lid-Staat volledige of gedeeltelijke aflossing van het geplaatste kapitaal zonder vermindering daarvan toegestaan is, moet worden voldaan aan ten minste de volgende voorwaarden:

a) wanneer de statuten of de oprichtingsakte in aflossing voorzien, moet daartoe worden besloten door de algemene vergadering die haar beslissing ten minste met inachtneming van de gewone voorschriften inzake quorum en meerderheid neemt. Wanneer de statuten of de oprichtingsakte niet voorzien in aflossing, moet de algemene vergadering daartoe besluiten, met inachtneming van ten minste de voorschriften inzake quorum en meerderheid van artikel 40. Het besluit moet openbaar worden gemaakt op de in de wetgeving van de Lid-Staten voorgeschreven wijze overeenkomstig artikel 3 van Richtlijn 68/151/EEG;

b) voor de aflossing mag alleen gebruik worden gemaakt van bedragen die uitgekeerd kunnen worden overeenkomstig artikel 15, lid 1;

c) de aandeelhouders wier aandelen zijn afgelost, behouden hun rechten in de vennootschap, met uitzondering van het recht op terugbetaling van inbreng en op uitkering van dividend op niet-afgeloste aandelen.

Artikel 36

1.  Wanneer de wetgeving van een Lid-Staat aan vennootschappen toestaat hun geplaatste kapitaal te verminderen door gedwongen intrekking van aandelen, moet worden voldaan aan ten minste de volgende voorwaarden:

a) de gedwongen intrekking moet zijn voorgeschreven of toegestaan door de statuten of de oprichtingsakte vóór de plaatsing van de aandelen die moeten worden ingetrokken;

b) indien de statuten of de oprichtingsakte de gedwongen intrekking slechts toestaan, moet hiertoe worden besloten door de algemene vergadering, tenzij de betrokken aandeelhouders deze intrekking eenparig hebben goedgekeurd;

c) het orgaan van de vennootschap dat over de gedwongen intrekking beslist, moet vaststellen op welke voorwaarden en op welke wijze zulks moet geschieden, voor zover zulks niet is geregeld in de statuten of de oprichtingsakte;

d) artikel 32 is van toepassing, tenzij het gaat om volgestorte aandelen die om niet ter beschikking van de vennootschap zijn gesteld, of worden ingetrokken met behulp van de bedragen die overeenkomstig artikel 15, lid 1, kunnen worden uitgekeerd; in die gevallen moet een bedrag dat gelijk is aan de nominale waarde of, bij gebreke hiervan, aan de fractiewaarde van alle ingetrokken aandelen worden opgenomen in een reserve. Behalve in geval van vermindering van het geplaatste kapitaal, mag deze reserve niet worden uitgekeerd aan aandeelhouders; zij mag slechts worden gebruikt om verliezen aan te zuiveren of het geplaatste kapitaal te verhogen door omzetting van reserves in aandelenkapitaal, voor zover de wetten van de Lid-Staten zulks toestaan;

e) het besluit over de gedwongen intrekking wordt openbaar gemaakt op de in de wetgeving van elke Lid-Staat voorgeschreven wijze overeenkomstig artikel 3 van Richtlijn 68/151/EEG.

2.  Artikel 30, lid 1, en de artikelen 31, 33 en 40 zijn niet van toepassing in de gevallen van lid 1.

Artikel 37

1.  Bij vermindering van het geplaatste kapitaal door intrekking van aandelen die zijn verkregen door de vennootschap zelf of door een persoon die in eigen naam, maar voor rekening van de vennootschap handelt, moet het besluit tot intrekking te allen tijde worden genomen door de algemene vergadering.

2.  Artikel 32 is van toepassing tenzij het volgestorte aandelen betreft die zijn verkregen om niet of met behulp van de bedragen die overeenkomstig artikel 15, lid 1, kunnen worden uitgekeerd; in die gevallen moet een bedrag dat gelijk is aan de nominale waarde of, bij gebreke hiervan, aan de fractiewaarde van alle ingetrokken aangedelen (SIC! aandelen) worden opgenomen in een reserve. Behalve in geval van vermindering van het geplaatste kapitaal, mag deze reserve niet worden uitgekeerd aan aandeelhouders; zij mag slechts worden gebruikt om verliezen aan te zuiveren of het geplaatste kapitaal te verhogen door omzetting van reserves in aandelenkapitaal, voor zover de wetten van de Lid-Staten zulks toestaan.

3.  De artikelen 31, 33 en 40 zijn niet van toepassing in de gevallen van lid 1.

Artikel 38

Wanneer er in de gevallen van de artikel 35, 36, lid 1, sub b), en 37, lid 1, verschillende soorten aandelen zijn, is voor het besluit van de algemene vergadering over de aflossing van het geplaatste kapitaal of de vermindering ervan door intrekking van aandelen, een afzonderlijke stemming vereist, althans van elke groep houders van aandelen van dezelfde soort aan wier rechten de handeling afbreuk doet.

Artikel 39

Wanneer de wetgeving van een Lid-Staat aan vennootschappen toestaat om aflosbare aandelen uit te geven, moet voor de aflossing van deze aandelen worden voldaan aan tenminste de volgende voorwaarden:

a) de aflossing moet door de statuten of de oprichtingsakte zijn toegestaan voordat de aflosbare aandelen worden geplaatst;

b) deze aandelen moeten zijn volgestort;

c) de voorwaarden voor en de wijze van aflossing moeten zijn vastgesteld in de statuten of de oprichtingsakte;

d) de aflossing kan alleen plaatsvinden met behulp van bedragen die uitgekeerd kunnen worden overeenkomstig artikel 15, lid 1, of met behulp van de opbrengst van nieuwe met het oog op deze aflossing uitgegeven aandelen;

e) een bedrag dat gelijk is aan de nominale waarde of, bij gebreke hiervan, aan de fractiewaarde van alle afgeloste aandelen moet worden opgenomen in een reserve die niet mag worden uitgekeerd aan de aandeelhouders, behalve in geval van vermindering van het geplaatste kapitaal; deze reserve mag slechts worden gebruikt om het geplaatste kapitaal te verhogen door omzetting van reserves in aandelenkapitaal;

f) het sub e) bepaalde is niet van toepassing wanneer de aflossing geschiedt met behulp van de opbrengst van nieuwe met het oog op deze aflossing uitgegeven aandelen;

g) wanneer wegens de aflossing een premie moet worden betaald aan de aandeelhouders, mag deze premie slechts geput worden uit de bedragen die kunnen worden uitgekeerd overeenkomstig artikel 15, lid 1, of uit een andere dan de sub e) bedoelde reserve die niet mag worden uitgekeerd aan de aandeelhouders, behalve in geval van vermindering van het geplaatste kapitaal; deze reserve mag slechts worden gebruikt om het geplaatste kapitaal te verhogen door omzetting van reserves in aandelenkapitaal, voor de dekking van de in artikel 3, sub j), bedoelde kosten of de kosten voor de uitgifte van aandelen of obligaties of voor de uitbetaling van een premie ten gunste van de houders van de af te lossen aandelen of obligaties;

h) de aflossing wordt openbaar gemaakt op de in de wetgeving van de Lid-Staten voorgeschreven wijze overeenkomstig artikel 3 van Richtlijn 68/151/EEG.

Artikel 40

1.  In de wetgeving van de Lid-Staten dient te worden bepaald dat de besluiten, bedoeld in artikel 29, leden 4 en 5, en de artikelen 30, 31, 35 en 38 ten minste moeten worden genomen met een meerderheid van niet minder dan twee derde (SIC! tweederde) van de stemmen verbonden aan de vertegenwoordigde effecten of aan het vertegenwoordigde geplaatste kapitaal.

2.  In de wetgeving kan echter worden bepaald dat een gewone meerderheid van de in lid 1 bedoelde stemmen voldoende is, indien ten minste de helft van het geplaatste kapitaal is vertegenwoordigd.

Artikel 41

▼M2

1.  De lidstaten kunnen van artikel 9, lid 1, artikel 19, lid 1, onder a), eerste zin, en de artikelen 25, 26 en 29 afwijken, indien dat noodzakelijk is voor de aanneming of toepassing van bepalingen die ertoe strekken de deelneming van werknemers of van andere bij de nationale wet bepaalde categorieën personen in het kapitaal van ondernemingen te bevorderen.

▼B

2.  De Lid-Staten behoeven artikel 19, lid 1, sub a), eerste zin, en de artikelen 30, 31, 36, 37, 38 en 39 niet toe te passen op vennootschappen waarop een bijzondere regeling van toepassing is, die zowel aandelen in kapitaal als arbeidsaandelen uitgeven, waarbij laatstgenoemde ten goede komen aan het gezamenlijke personeel dat in de algemene vergadering van aandeelhouders wordt vertegenwoordigd door gevolmachtigden met stemrecht.

Artikel 42

Voor de toepassing van deze richtlijn waarborgen de wetgevingen van de Lid-Staten een gelijke handeling van aandeelhouders die zich in identieke omstandigheden bevinden.

Artikel 43

1.  Binnen twee jaar na kennisgeving van deze richtlijn stellen de Lid-Staten de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking om te voldoen aan deze richtlijn. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

2.  De Lid-Staten behoeven artikel 3, sub g), i), j) en k), niet toe te passen op vennootschappen die reeds bestaan op het tijdstip van de inwerkingtreding van de bepalingen van lid 1.

Zij kunnen voorschrijven dat de overige bepalingen van deze richtlijn pas achttien maanden na die datum van toepassing worden op deze vennootschappen.

Deze termijn kan evenwel drie jaar bedragen voor de artikelen 6 en 9 en vijf jaar voor de „unregistered companies” in het Verenigd Koninkrijk en Ierland.

3.  De Lid-Staten delen de Commissie de tekst mee van de voornaamste bepalingen van intern recht die zij vaststellen op het door deze richtlijn bestreken gebied.

Artikel 44

Deze richtlijn is gericht tot de Lid-Staten.



( 1 ) PB nr. C 114 van 11. 11. 1971, blz. 18.

( 2 ) PB nr. C 88 van 6. 9. 1971, blz. 1.

( 3 ) PB nr. L 65 van 14. 3. 1968, blz. 8.

( 4 ) PB nr. L 327 van 19. 12. 1975, blz. 4.

( 5 ) PB L 145 van 30.4.2004, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2006/31/EG (PB L 114 van 27.4.2006, blz. 60).

( 6 ) PB L 157 van 9.6.2006, blz. 87.

( 7 ) PB L 96 van 12.4.2003, blz. 16.

( 8 ) PB L 193 van 18.7.1983, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2006/43/EG.